Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer

Datum 29/04/1997

Art. 1.

Deze algemene bouwverordening bevat voorschriften inzake wegen voor voetgangersverkeer, aan te leggen of aan te passen in de bebouwde kom.

Art. 2.

Onder weg voor voetgangersverkeer wordt verstaan elk gedeelte van de openbare weg dat hoofdzakelijk gebruikt wordt voor voetgangersverkeer waaronder ook rolstoelgebruikers.

Onder loopweg wordt verstaan de ruimte waarbinnen de voetganger zich kan voortbewegen.

Art. 3.

Als de weg voor voetgangersverkeer breder is dan 2.00 meter, dient steeds een minimale obstakelvrije loopweg van 1.50 meter breedte te worden gegarandeerd.

Als de weg voor voetgangersverkeer een breedte heeft tussen 1.50 meter en 2.00 meter, mag slechts 0.50 meter hiervan door obstakels worden ingenomen.

Wegen voor voetgangersverkeer met een breedte kleiner dan 1.50 meter mogen slechts aangelegd worden in straten met een rooilijnbreedte kleiner dan 9.00 meter.

Elke weg voor voetgangersverkeer heeft een geheel obstakelvrije loopweg van minstens 1.00 meter breed en een vrije hoogte van minstens 2.10 meter.

Art. 4.

De obstakelvrije loopweg verloopt in een vloeiende lijn. Hiertoe worden de eventueel op de weg voor voetgangersverkeer aangebrachte obstakels per weggedeelte aan dezelfde zijde van de loopweg aangebracht.

Art. 5.

Hellingsbanen van wegen voor voetgangersverkeer en, aan oversteekplaatsen, tussen de wegen voor voetgangersverkeer en de rijweg, moeten aan de volgende maatvoering voldoen:

1° niveauverschillen tot 10 cm, helling kleiner dan of gelijk aan 12 %, met een richtwaarde van 10 %;

2° niveauverschillen van 10 cm tot 25 cm, helling kleiner dan of gelijk aan 10 %, met een richtwaarde van 8,3 %;

3° niveauverschillen van 25 cm tot 50 cm, helling kleiner dan of gelijk aan 8 %, met een richtwaarde van 6,25 %;

4° niveauverschillen groter dan 50 cm, helling kleiner dan of gelijk aan 5%.

Deze hellingsbanen dienen in acht genomen te worden, tenzij het natuurlijk maaiveld of de naastgelegen rijweg een grotere helling vertoont.

Art. 6.

De Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening is belast met de uitvoering van dit besluit.