Decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

Datum 21/11/2003

Inhoudstafel

  1. TITEL I ALGEMENE BEPALING EN DEFINITIES
  2. TITEL II OPDRACHTEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN
    1. HOOFDSTUK I OPDRACHTEN
    2. HOOFDSTUK II VERANTWOORDELIJKHEDEN
      1. AFDELING 1 INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID
      2. AFDELING 2 VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING
  3. TITEL III ORGANISATIE
    1. HOOFDSTUK I GEZONDHEIDSCONFERENTIE
    2. HOOFDSTUK II VLAAMSE GEZONDHEIDSDOELSTELLINGEN
    3. HOOFDSTUK III ONDERSTEUNENDE WERKGROEPEN
    4. HOOFDSTUK IV PARTNERORGANISATIES
    5. HOOFDSTUK V ORGANISATIES MET TERREINWERKING
    6. HOOFDSTUK VI INDIVIDUELE ZORGAANBIEDERS
    7. HOOFDSTUK VII ANDERE BESTUREN
    8. HOOFDSTUK VIII LOGO'S
    9. HOOFDSTUK IX BEVOLKINGSONDERZOEK
    10. HOOFDSTUK X GEGEVENSUITWISSELING
    11. HOOFDSTUK XI COLLECTIEVE GEZONDHEIDS- OVEREENKOMST
  4. TITEL IV VERANTWOORDINGSPLICHT EN TOEZICHT
  5. TITEL V INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT EXOGENE FACTOREN
    1. HOOFDSTUK I INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT FYSIEKE, RUIMTELIJKE EN MATERIËLE OMGEVINGSFACTOREN
      1. AFDELING 1 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT BIOTISCHE FACTOREN
        1. ONDERAFDELING I INITIATIEVEN OM SCHADELIJKE EFFECTEN, VEROORZAAKT DOOR BIOTISCHE FACTOREN, TE VOORKOMEN
        2. ONDERAFDELING 2 INITIATIEVEN OM UITBREIDING VAN SCHADELIJKE EFFECTEN, VEROORZAAKT DOOR BIOTISCHE FACTOREN, TEGEN TE GAAN
      2. AFDELING 2 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT FYSISCHE OF CHEMISCHE FACTOREN
      3. AFDELING 3 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT RUIMTELIJKE EN MATERIËLE FACTOREN
      4. AFDELING 4 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT GEZONDHEIDSIMPACT DOOR KLIMAATVERANDERING
    2. HOOFDSTUK II INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT LEEFSTIJLFACTOREN
    3. HOOFDSTUK III INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT DE SOCIALE OMGEVINGSFACTOREN
  6. TITEL VI INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT ENDOGENE FACTOREN
    1. HOOFDSTUK I INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT GENETISCHE FACTOREN
    2. HOOFDSTUK II INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT VERWORVEN FACTOREN
  7. TITEL VII INITIATIEVEN, GERICHT OP SPECIFIEKE ZIEKTEN EN AANDOENINGEN
  8. TITEL VIII [ONDERBOUWING VAN HET PREVENTIEVE GEZONDHEIDSBELEID (verv. decr. 15 juli 2016, art. 14, I: 1 januari 2017)]
  9. TITEL IX INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT SPECIFIEKE LEEFTIJDSCATEGORIEËN OF ONTWIKKELINGSFASEN
  10. [TITEL IXbis Erkenning van afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, van departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en van gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk (ing. decr. 20 maart 2009, art. 22)]
  11. TITEL X SANCTIES
    1. HOOFDSTUK I ADMINISTRATIEVE SANCTIES
      1. AFDELING 1 ADMINISTRATIEVE GELDBOETE
      2. AFDELING 2 INHOUDING OF TERUGVORDERING VAN SUBSIDIES
      3. AFDELING 3 SCHORSING OF INTREKKING VAN DE ERKENNING
    2. HOOFDSTUK II STRAFSANCTIES
  12. TITEL XI BEROEPSPROCEDURES
    1. HOOFDSTUK I BEROEPSPROCEDURE BIJ DE [ADVIESCOMMISSIE VOOR VOORZIENINGEN VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN (verv. decr. 20 maart 2009, art. 24, I: 1 januari 2014)]
    2. HOOFDSTUK II BEROEPSPROCEDURE BIJ EEN BEROEPSCOLLEGE
  13. TITEL XII OPHEFFINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Inhoud

TITEL I ALGEMENE BEPALING EN DEFINITIES (... - ...)

Artikel 1. ( ... - ... )

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Artikel 2. ( 17/06/2024 - ... )

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° administratie: de administratie van de diensten van de Vlaamse regering, bevoegd voor de gezondheidszorg;
1°/1     algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije ver-keer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (al-gemene verordening gegevensbescherming);
2° bevolkingsonderzoek: een geheel van acties met betrekking tot een onderzoek naar een ziekte of aandoening of naar risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan, aangeboden aan een groep personen. Dat onderzoek gebeurt niet naar aanleiding van gezondheidsklachten van individuele personen die uit eigen beweging worden geformuleerd, en die verband houden met de opgespoorde ziekte of aandoening of de risicofactoren, voorstadia of verwikkelingen ervan;
3° biotische factoren:
a) micro-organismen, met inbegrip van de genetisch gemodificeerde, zijnde al dan niet cellulaire microbiologische entiteiten, met het vermogen tot replicatie of overdracht van genetisch materiaal;
b) celculturen, zijnde resultaten van het in vitro kweken van cellen, afkomstig van meercellige organismen;
c) menselijke endoparasieten;
d) allergenen van biologische oorsprong;
e) andere biologische organismen die potentieel schade kunnen toebrengen aan de menselijke gezondheid;
4° biomonitoring: het systematisch bepalen in levende organismen, waaronder de mens, van concentraties van organismevreemde stoffen, hun metabolieten, of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, om het schadelijke effect op de mens van fysische of chemische factoren te kunnen evalueren;
5° chemische factoren: scheikundige stoffen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun toxische, mutagene, carcinogene, traumatogene, teratogene, caustische, allergene eigenschappen, en/of door een combinatie van deze eigenschappen;
6° collectieve gezondheidsovereenkomst: een overeenkomst tussen de Vlaamse regering en een organisatie die een bijdrage kan leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid, waarin de organisatie een inspanningsverbintenis onderschrijft om een of meer Vlaamse gezondheidsdoelstellingen of andere aspecten van het preventieve gezondheidsbeleid mee te helpen nastreven door haar leden of de doelgroep tot wie ze zich richt hierover te informeren, te sensibiliseren en aan te zetten tot gezond gedrag;
7° determinant van gezondheid: een factor die de mate van gezondheid van individuen of populaties mee bepaalt, hierna determinant te noemen;
8° duurzame ontwikkeling: maatschappelijke ontwikkeling die niet enkel rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie, maar ook met die van toekomstige generaties;
8°/1     exposoom: de totaliteit van de blootstellingen van een persoon aan chemische, fysische, sociale en biotische factoren en de samen-hang met biologische interne reacties tijdens de levensloop. Het ex-posoom geeft een algemeen en geïntegreerd beeld van de accumula-tie en combinatie van blootstellingen op het individu;
9° facettenbeleid: beleid dat buiten het domein van de gezondheidszorg valt en bijdraagt tot het bevorderen, beschermen of behouden van gezondheid;
10° fysische factoren: natuurkundige verschijnselen die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens door hun akoestische, mechanische, thermische of elektromagnetische eigenschappen, met uitzondering van ioniserende straling;
11° gezondheid: toestand van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden bij de mens;
12° gezondheidsbevordering: preventiemethode, gebruikt binnen het preventieve gezondheidsbeleid, die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door die processen te ondersteunen die individuen en groepen in staat stellen om de determinanten van hun gezondheid positief te beïnvloeden;
13° gezondheidsconferentie: bijeenkomst van personen op initiatief van de Vlaamse regering met als doel het uitwisselen van inzichten, gegevens en ervaringen om te komen tot een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling of om andere opdrachten te vervullen met betrekking tot het preventieve gezondheidsbeleid;
14° gezondheidsindicator: een kwantitatieve aanduiding van de gezondheid van de bevolking of van een aanwijsbaar deel ervan;
14°/1 gezondheidskundige advieswaarde voor fysische en chemi-sche factoren: een blootstellingswaarde die verondersteld wordt geen of verwaarloosbare negatieve effecten te hebben op de ge-zondheid van mensen bij een langdurige blootstelling en die vanuit gezondheidskundig oogpunt richtinggevend is voor een milieukwali-teitsniveau dat afgestemd is op een duurzame ontwikkeling van mens en milieu;
14°/2     gezondheidsimpact door klimaatverandering: huidige of toekomsti-ge, directe en indirecte gezondheidseffecten, die veroorzaakt zijn door biotische, fysische, chemische, ruimtelijke of materiële facto-ren die het gevolg zijn van klimaatverandering;
15° gezondheidswinst: het positieve resultaat van een systematisch en algemeen aanvaard meetproces aan de hand van parameters die gerelateerd zijn aan de levensduur en de levenskwaliteit van een bepaalde bevolking;
16° grenswaarde in de mens voor fysische of chemische factoren: de drempelwaarde in de mens van een lichaamsvreemde factor of de drempelwaarde in de mens van metabolieten van deze factor of van andere indicatoren van blootstelling en/of effect, die, bij overschrijding, een maatschappelijk onaanvaardbare graad van gezondheidsbedreiging met zich meebrengt voor de bevolking als geheel of voor bepaalde risicogroepen, hierna grenswaarde in de mens te noemen;
16°/1    humane zeer zorgwekkende stof: een stof waarbij humane toxiciteit vermoed wordt of vastgesteld is, die relevant is voor een Vlaamse setting en die voldoet of mogelijk voldoet aan een of meer van de criteria, vermeld in artikel 57 van verordening nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 decem-ber 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot op-richting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, hou-dende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
17° individuele zorgaanbieder: een persoon die meewerkt aan een of meer initiatieven van het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid, al dan niet in een mono- of multidisciplinair samenwerkingsverband, en die daarvoor erkend of gesubsidieerd kan worden door de Vlaamse Regering;
18° initiatief: een beslissing die genomen wordt ter uitvoering van het preventieve gezondheidsbeleid, met een al dan niet regelgevend karakter;
19° Logo: een door de Vlaamse regering erkend samenwerkingsverband voor loco-regionaal gezondheidsoverleg en -organisatie binnen een geografisch aaneengesloten gebied;
19°/1     medisch milieukundige: een medewerker van een Logo met medisch milieukundige expertise, die wordt belast met taken rond milieugerelateerde gezondheid en die zo de eerstelijnsfunctie medi-sche milieukunde invult in het kader van het preventief gezond-heidsbeleid inzake milieugezondheidszorg;
20° middelengebruik: het al dan niet legale gebruik van psychotrope stoffen die gezondheidsschade kunnen veroorzaken;
20°/1     milieugezondheidskundig aandachtsgebied: een afgebakende zone in tijd en ruimte waarbinnen de aanwezige biotische, chemi-sche, fysische, ruimtelijke of materiële factoren een hoger risico vormen voor de gezondheid van de mens dan in andere gebieden binnen de Europese Unie met gelijkaardige kenmerken;
20°/2     milieugezondheidszorg: het onderdeel van het preventieve gezond-heidsbeleid dat door een multidisciplinaire benadering, met min-stens de wetenschappelijke disciplines geneeskunde, toxicologie, epidemiologie, gezondheidszorg, milieutechnologie en milieukunde, inzet op het voorkomen, vroegdetectie en interventie van milieuge-zondheidsschade;
21° ontwikkelingsstoornis: een verstoring in het verwerven van motorische, sociale of cognitieve vaardigheden;
22° organisatie met terreinwerking: een van rechtswege erkende organisatie, een door de Vlaamse Regering erkende of erkende en gesubsidieerde organisatie, of een organisatie die gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst, die op het terrein de opdrachten uitvoert, de methodieken toepast of de diensten levert met betrekking tot de preventieve gezondheidszorg;
23° partnerorganisatie: een organisatie met rechtspersoonlijkheid die als een kern binnen een expertisenetwerk fungeert en die van rechtswege erkend en gesubsidieerd is, door de Vlaamse Regering erkend of erkend en gesubsidieerd wordt, of gesubsidieerd wordt via een beheersovereenkomst, vanwege minstens een van de hiernavolgende competenties:
a) de inhoudelijke deskundigheid in verband met ziektepreventie;
b) de inhoudelijke deskundigheid in verband met gezondheidsbevordering;
c) het verstrekken van gegevens inzake gezondheidszorg;
24° preventieve gezondheidszorg: het deel van de gezondheidszorg dat maatregelen en acties omvat die tot doel hebben de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden;
25° seksuele gezondheid: aan intieme lichamelijke relaties verbonden lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden;
26° sociale omgeving: de interrelationele en psychosociale realiteit waarbinnen de mens zich situeert;
27° ...;
28° stresshantering: methode die gericht is op het wegnemen of beperken van stress en/of op het leren omgaan met stress;
29°     vaccinator: een arts, verpleegkundige of andere gezondheids-zorgbeoefenaar die door de overheid die daarvoor bevoegd is, ge-machtigd is om vaccinaties toe te dienen;
30° verworven factoren: biologische eigenschappen die in de loop van het leven opgebouwd zijn en als indicator voor de gezondheidstoestand kunnen fungeren;
31° Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin : de commissie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
32° Vlaamse gezondheidsdoelstelling: een op het vlak van gezondheid na te streven, tijdsgebonden, meetbare, haalbare en maatschappelijk aanvaardbare doelstelling, die op initiatief van de Vlaamse regering wordt goedgekeurd door het Vlaams Parlement;
33° Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid : de strategische adviesraad, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;;
34° ziektepreventie: preventiemethode die gebruikt wordt binnen het preventieve gezondheidsbeleid en die tot doel heeft de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door:
a) het optreden van welbepaalde ziekten of aandoeningen te voorkomen en dit door bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid weg te nemen of te beperken of door beschermende factoren te versterken;
b) de gezondheidsschade door ziekten of aandoeningen te beperken of de genezingskans te vergroten door tijdige detectie van of vroege interventie bij ziekten, aandoeningen of de aanleg of het verhoogde risico ervoor;
35° Centrum voor Leerlingenbegeleiding : een centrum zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;
36° kansarmoede: een duurzame toestand waarbij mensen zowel materieel als immaterieel worden beknot in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaarde goederen zoals onderwijs, arbeid en huisvesting.

TITEL II OPDRACHTEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN (... - ...)

HOOFDSTUK I OPDRACHTEN (... - ...)

Artikel 3. ( 01/01/2017 - ... )

Dit decreet beoogt een verbetering van de volksgezondheid, meer bepaald het behalen van gezondheidswinst op Vlaams bevolkingsniveau of het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid, om zo te kunnen bijdragen tot een verhoging van de levenskwaliteit.

Hiertoe voert de Vlaamse regering een beleid inzake preventieve gezondheidszorg en legt ze de basis voor een facettenbeleid. Beide aspecten samen vormen het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid.

Artikel 4. ( ... - ... )

§ 1. Het beleid inzake preventieve gezondheidszorg omvat het nemen van initiatieven die zich richten op:

a) exogene determinanten van gezondheid en exogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid;

b) endogene determinanten van gezondheid en endogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid;

c) ziekten en aandoeningen die zich in een voor- of beginstadium bevinden.

§ 2. Het facettenbeleid omvat het nemen van initiatieven die buiten het domein van de gezondheidszorg vallen en die zich richten op exogene determinanten van gezondheid en exogene bronnen van gevaar of bedreigende factoren voor de gezondheid.

De gewestaangelegenheid, bedoeld in artikel 1, heeft enkel betrekking op bepaalde aspecten van het facettenbeleid in het Vlaamse Gewest, met name op de initiatieven met betrekking tot fysische of chemische factoren, zoals bedoeld in de artikelen 51 tot en met 55, en met betrekking tot ruimtelijke en materiële factoren, zoals bedoeld in artikel 56.

Het facettenbeleid omvat geen initiatieven die vallen onder de bevoegdheden van de federale overheid.

Artikel 5. ( ... - ... )

De initiatieven om de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden, bedoeld in artikel 4, worden gerealiseerd door gezondheidsbevordering en/of ziektepreventie.

Artikel 6. ( 17/06/2024 - ... )

De Vlaamse regering kan zich richten tot specifieke bevolkingsgroepen, waaronder personen of groepen van personen die behoren tot een bepaalde leeftijdscategorie die zich bevinden in een bepaalde ontwikkelingsfase of die in een milieugezondheidskundig aandachtsgebied verblijven, met als doel:
a) het beter bereiken van groepen die gekenmerkt worden door een bijzondere kwetsbaarheid;
b) het beter rekening kunnen houden met de evolutieve en dynamische aspecten van het menszijn;
c) het verbeteren van de uitvoerbaarheid van de initiatieven, bedoeld in artikel 5.

Artikel 7. ( ... - ... )

§ 1. De Vlaamse regering besteedt bijzondere aandacht aan:

a) bevolkingsgroepen die kampen met kansarmoede;

b) bevolkingsgroepen die in een grotere mate zijn blootgesteld aan bedreigingen van hun gezondheid;

c) de toegankelijkheid van het aanbod in de preventieve gezondheidszorg.

§ 2. Alle organisaties die gesubsidieerd worden door de Vlaamse regering voor taken van preventieve gezondheidszorg, zijn ertoe gehouden om bij de uitvoering van hun opdracht rekening te houden met de aandachtspunten, bedoeld in § 1.

HOOFDSTUK II VERANTWOORDELIJKHEDEN (... - ...)

AFDELING 1 INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID (... - ...)

Artikel 8. ( ... - ... )

Iedere persoon heeft, binnen het toepassingsgebied van dit decreet, een individuele verantwoorde-lijkheid ten opzichte van zijn eigen gezondheid en, door de daden die hij vrijwillig en bewust stelt of nalaat te stellen, ook ten opzichte van de gezondheid van zijn medemens. Deze verantwoordelijkheid omvat het in acht nemen van veiligheidsvoorschriften, het aannemen van een gezonde leefstijl en het nemen van andere voorzorgsmaatregelen die haalbaar en doeltreffend zijn om ziekten en aandoeningen bij de mens te voorkomen.

AFDELING 2 VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING (... - ...)

Artikel 9. ( ... - ... )

§ 1. Onverminderd de individuele verantwoordelijkheid heeft iedere persoon recht op een maatschap-pelijk aanvaard aanbod van preventieve gezondheidszorg, als hij:

1° verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Vlaamse Gewest een beroep doet op partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of individuele zorgaanbieders die preventieve gezondheidszorg aanbieden;

2° a) verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad een beroep doet op de partnerorganisaties of organisaties met terreinwerking die preventieve gezondheidszorg aanbieden en door hun organisatie beschouwd moeten worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;

b) verblijft in het Vlaamse Gewest of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad beroep doet op individuele zorgaanbieders die voor hun aanbod op het vlak van preventieve gezondheidszorg op vrijwillige basis zijn toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. Het recht op een maatschappelijk aanvaard aanbod van preventieve gezondheidszorg, bedoeld in § 1, wordt echter niet ontnomen aan personen die hun individuele verantwoordelijkheid, bepaald in artikel 8, niet of onvoldoende opnemen of hebben opgenomen.

Artikel 10. ( ... - ... )

§ 1. Bepaalde categorieën van personen die zich bevinden, maar niet officieel verblijven, op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, kunnen in het Vlaams Gewest een recht doen gelden op een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgverstrekker.

De Vlaamse regering bepaalt het aanbod van preventieve gezondheidszorg en de categorieÙn van personen die hiervoor in aanmerking komen.

§ 2. Bepaalde categorieën van personen die zich bevinden, maar niet officieel verblijven, op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad kunnen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad een recht doen gelden op:

a) een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap;

b) een beperkt aanbod van preventieve gezondheidszorg, dat verstrekt wordt door een individuele zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse regering bepaalt het aanbod van preventieve gezondheidszorg en de categorieÙn van personen die hiervoor in aanmerking komen.

Artikel 11. ( ... - ... )

Iedere persoon heeft de verplichting om zich te onderwerpen aan een tussenkomst van preventieve gezondheidszorg die noodzakelijk is om de gezondheid van andere personen niet in gevaar te brengen, als hij:

1° zich bevindt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en deze tussenkomst in het Vlaamse Gewest verstrekt wordt door een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgverstrekker;

2° a) zich bevindt op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en deze tussenkomst in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad verstrekt wordt door een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van Vlaamse Gemeenschap en voorzover hij op deze voorziening vrijwillig beroep heeft gedaan;

b) zich bevindt op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en deze tussenkomst in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad verstrekt wordt door een individuele zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap en voor zover de persoon op deze individuele zorgaanbieder vrijwillig beroep heeft gedaan.

Artikel 12. ( ... - ... )

§ 1. Jaarlijks maakt de Vlaamse regering een stand van zaken op aangaande de gezondheidsindicato-ren. De Vlaamse regering neemt de nodige initiatieven om die gegevens publiek te maken.

§ 2. Minstens om de vijf jaar maakt de Vlaamse regering, op basis van een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing, de belangrijkste gezondheidsindicatoren en de evolutie ervan, evenals de stand van zaken aangaande de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, kenbaar aan het Vlaams Parlement.

TITEL III ORGANISATIE (... - ...)

HOOFDSTUK I GEZONDHEIDSCONFERENTIE (... - ...)

Artikel 13. ( ... - ... )

§ 1. Voor de ontwikkeling van een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheids-doelstelling roept de Vlaamse regering een gezondheidsconferentie samen.

§ 2. De Vlaamse regering kan ook een gezondheidsconferentie samenroepen en belasten met andere dan de in § 1 bedoelde opdrachten. Deze opdrachten hebben betrekking op het preventieve gezondheidsbeleid.

Artikel 14. ( ... - ... )

§ 1. Elke gezondheidsconferentie wordt samengesteld door de Vlaamse regering.

§ 2. Een gezondheidsconferentie bestaat onder meer uit vertegenwoordigers van de Vlaamse regering, uit inhoudelijke deskundigen, uit vertegenwoordigers van de doelgroepen en uit vertegenwoordigers van de Logo's. Vertegenwoordigers van partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking, individuele zorgaanbieders en instanties die gestalte kunnen geven aan het facettenbeleid kunnen deel uitmaken van een gezondheidsconferentie in functie van hun betrokkenheid bij het onderwerp en op basis van hun competenties.

Artikel 15. ( ... - ... )

Ter voorbereiding van een gezondheidsconferentie en voor de verdere uitwerking van de voorstellen of conclusies van een gezondheidsconferentie kan de Vlaamse regering werkgroepen oprichten.

Artikel 16. ( ... - ... )

De Vlaamse regering bepaalt de werkingsmodaliteiten en de eventuele financiering voor de onder-steuning van de gezondheidsconferenties en de werkgroepen, bedoeld in artikel 15.

Artikel 17. ( 01/08/2009 - ... )

§ 1. De gezondheidsconferentie, bedoeld in artikel 13, § 1, formuleert een voorstel van een nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstelling. Dit voorstel bevat:
a) de formulering van de Vlaamse gezondheidsdoelstelling zelf;
b) de nodig geachte preventiestrategieÙn om de voorgestelde Vlaamse gezondheidsdoelstelling te kunnen realiseren binnen de gestelde termijn en op een zo doelmatig mogelijke wijze;
c) een onderbouwde simulatie van de voor b) nodig geachte middelen, rekening houdend met de al ter beschikking gestelde middelen.

§ 2. De voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, bedoeld in artikel 13, § 1, en de conclusies van de gezondheidsconferentie, bedoeld in artikel 13, § 2, worden voor advies voorgelegd aan de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid.

HOOFDSTUK II VLAAMSE GEZONDHEIDSDOELSTELLINGEN (... - ...)

Artikel 18. ( 01/01/2017 - ... )

§ 1. De voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen worden, na advies door de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid, voorgelegd aan de Vlaamse regering.

§ 2. De door de Vlaamse regering aanvaarde voorstellen van nieuwe of te herziene Vlaamse gezondheidsdoelstellingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Vlaams Parlement.

Een goedgekeurde Vlaamse gezondheidsdoelstelling blijft van kracht tot ze wordt herzien of opgeheven door het Vlaams Parlement.

Artikel 19. ( ... - ... )

§ 1. Alle organisaties die gesubsidieerd worden door de Vlaamse regering voor taken van preventieve gezondheidszorg, zijn ertoe gehouden hun medewerking te verlenen aan de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.

§ 2. De Vlaamse regering kan instanties die gestalte kunnen geven aan het facettenbeleid betrekken bij de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen.

HOOFDSTUK III ONDERSTEUNENDE WERKGROEPEN (... - ...)

Artikel 20. ( 16/04/2009 - ... )

§ 1. De Vlaamse regering kan ondersteunende werkgroepen oprichten buiten het kader van een gezondheidsconferentie. De taak van een ondersteunende werkgroep heeft betrekking op een welbepaald aspect van het preventieve gezondheidsbeleid.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de opdracht, de samenstelling, de werkingsmodaliteiten en de financiering van die werkgroepen.

HOOFDSTUK IV PARTNERORGANISATIES (... - ...)

Artikel 21. ( 18/04/2019 - ... )

§ 1. De Vlaamse Regering kan in het kader van haar beleid met betrekking tot preventieve gezondheidszorg, op basis van oproepen voor partnerorganisaties, beheersovereenkomsten sluiten met voorzieningen.

De beheersovereenkomst geldt voor minimaal drie en voor maximaal vijf jaar en omvat minstens het beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst. Het beleidsplan bevat minstens de volgende gegevens : de resultaatgebieden voor de uitvoering van de beheersovereenkomst en de evaluatiecriteria met betrekking tot de resultaatgebieden om onder meer de uitvoering van de beheersovereenkomst te kunnen evalueren.

De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de nadere regels met betrekking tot de oproep en het sluiten van een beheersovereenkomst.

§ 2. De Vlaamse Regering kan voorzieningen waarmee geen beheersovereenkomst als partnerorganisatie is gesloten, erkennen als partnerorganisatie.

De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden van de partnerorganisaties.

§ 4. Paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing op het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat van rechtswege erkend is als partnerorganisatie.

§ 5. Organisaties met een erkenning als partnerorganisatie worden niet uitgesloten van een erkenning en/of subsidiëring als organisatie met terreinwerking.

Artikel 22. ( ... - ... )

De partnerorganisaties bieden minstens ondersteuning aan de organisaties met terreinwerking en aan de Logo's, indien zij omwille van hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen inzake het aanleveren van gegevens hiertoe een bijdrage kunnen leveren.

HOOFDSTUK V ORGANISATIES MET TERREINWERKING (... - ...)

Artikel 23. ( 01/01/2017 - ... )

§ 1. De Vlaamse Regering kan in het kader van haar beleid met betrekking tot preventieve gezondheidszorg, op basis van oproepen voor organisaties met terreinwerking, beheersovereenkomsten sluiten met voorzieningen.

De beheersovereenkomst geldt voor minimaal drie en voor maximaal vijf jaar en omvat minstens het beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst. Het beleidsplan bevat minstens de volgende gegevens : de resultaatgebieden voor de uitvoering van de beheersovereenkomst en de evaluatiecriteria met betrekking tot de resultaatgebieden om onder meer de uitvoering van de beheersovereenkomst te kunnen evalueren.

De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de nadere regels met betrekking tot de oproep en het sluiten van een beheersovereenkomst.

§ 2. De Vlaamse Regering kan voorzieningen waarmee geen beheersovereenkomst als organisatie met terreinwerking is gesloten, erkennen als organisatie met terreinwerking.

De Vlaamse Regering bepaalt in voorkomend geval de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden van de organisatie met terreinwerking.

§ 4. § 1 tot en met § 3, zijn niet van toepassing op de Centra voor Leerlingenbegeleiding, de Consultatiebureaus voor het Jonge Kind en de Preventieve Zorgcentra die van rechtswege erkend zijn als organisaties met terreinwerking.

§ 5. Organisaties met een erkenning en/of subsidiëring als organisatie met terreinwerking worden niet uitgesloten van een erkenning als partnerorganisatie.

Artikel 24. ( ... - ... )

Organisaties met terreinwerking doen, wanneer zij voor bepaalde opdrachten of delen van opdrachten ondersteuning nodig hebben, een beroep op het aanbod van de partnerorganisaties die omwille van hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen inzake het aanleveren van gegevens de gevraagde ondersteuning kunnen geven.

HOOFDSTUK VI INDIVIDUELE ZORGAANBIEDERS (... - ...)

Artikel 25. ( ... - ... )

De Vlaamse regering kan individuele zorgaanbieders belasten met of betrekken bij opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg.

Hiertoe kan de Vlaamse regering nadere bepalingen uitwerken.

Artikel 26. ( ... - ... )

§ 1. De Vlaamse regering kan in het kader van opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg individuele zorgaanbieders erkennen en/of subsidiëren.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt desgevallend de erkenningsvoorwaarden, de regels inzake de duur van de erkenning, de regels inzake schorsing en intrekking van erkenning en de subsidiëringsvoorwaarden.

HOOFDSTUK VII ANDERE BESTUREN (... - ...)

Artikel 27. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. De Vlaamse regering maakt afspraken met andere betrokken besturen, namelijk:
1° de gemeentelijke overheden of hun vertegenwoordigers;
2° de provinciale overheden of hun vertegenwoordigers;
3° de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. De afspraken met andere betrokken besturen hebben betrekking op:
1° de mogelijke samenwerking rond en/of de mogelijke delegatie van bepaalde opdrachten en verantwoordelijkheden met het oog op het ten uitvoer brengen van de initiatieven, bedoeld in artikel 5;
2° de mogelijke coördinatie van het facettenbeleid op het niveau van de in § 1 bedoelde besturen;
3° de mogelijke ondersteuning van de Logo's.

§3. De Vlaamse Regering kan de besturen, vermeld in paragraaf 1, subsidiëren voor de afspraken, vermeld in paragraaf 2. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidie en de subsidievoorwaarden en regelt de uitbetaling van de subsidie, de verantwoording voor de subsidie en het toezicht op de aanwending van de subsidie.

HOOFDSTUK VIII LOGO'S (... - ...)

Artikel 28. ( ... - ... )

§ 1. De Vlaamse regering belast de Logo's met opdrachten inzake het preventieve gezondheidsbeleid.

Hiertoe erkent en subsidieert de Vlaamse regering de Logo's.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de erkenningsvoorwaarden, de regels inzake de duur van de erkenning, de regels inzake schorsing en intrekking van erkenning.

§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de subsidie en werkt nadere regels uit aangaande de wijze van subsidiëring.

Artikel 29. ( ... - ... )

Ieder Logo heeft een eigen werkgebied dat een geografisch aaneengesloten gebied vormt. Die werkgebieden worden bepaald door de Vlaamse regering.

Alle Logo's samen bestrijken het grondgebied van het Vlaamse Gewest en van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en dit zonder overlappingen.

Artikel 30. ( 01/01/2017 - ... )

§ 1. Tot de opdrachten van de Logo's behoort minstens het nastreven van de realisatie van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen binnen hun werkgebied.

§ 2. Tot de opdrachten van de Logo's behoort ook het vervullen van andere, nader te bepalen, taken inzake het preventieve gezondheidsbeleid in opdracht van de Vlaamse regering.

§ 3. Een Logo kan, binnen haar werkgebied, ook andere initiatieven nemen inzake het preventieve gezondheidsbeleid.

Het Logo zorgt ervoor dat deze initiatieven de realisatie van de in § 1 en § 2 bedoelde opdrachten niet in het gedrang brengen en niet in strijd zijn met de initiatieven en richtlijnen van de Vlaamse regering.

§ 4. Een Logo doet een beroep op het aanbod van de partnerorganisaties, die door hun inhoudelijke deskundigheid of hun vermogen om gegevens aan te leveren, de gevraagde ondersteuning kunnen geven, als het voor bepaalde opdrachten of delen van opdrachten ondersteuning nodig heeft.

Een Logo werkt voor de realisatie van zijn opdrachten samen met organisaties met terreinwerking, individuele zorgaanbieders en andere organisaties of hun plaatselijke of regionale afdeling of afdelingen die werkzaam zijn in het werkgebied van het Logo, voor zover dat bijdraagt tot de realisatie van zijn opdrachten.

HOOFDSTUK IX BEVOLKINGSONDERZOEK (... - ...)

Artikel 31. ( 01/01/2017 - ... )

§ 1. De Vlaamse regering kan initiatieven nemen om te komen tot programmatische bevolkingson-derzoeken. Deze onderzoeken betreffen georganiseerde opsporingsacties in het kader van ziektepreventie.

§ 2. Bevolkingsonderzoeken, in het kader van ziektepreventie, die niet in opdracht van de Vlaamse regering wordt uitgevoerd, vereisen een toestemming van de Vlaamse regering.

Een dergelijke toestemming kan door de Vlaamse regering verleend worden nadat minstens informatie wordt verschaft door de initiatiefnemers over:
1° het doel en de doelgroep van het bevolkingsonderzoek;
2° de wetenschappelijke basis voor het opzetten van het bevolkingsonderzoek;
3° de mogelijke schadelijke gevolgen van het bevolkingsonderzoek;
4° de periode waarin het bevolkingsonderzoek is gepland;
5° de beschrijving van het bevolkingsonderzoek en van de ruimten waarin het onderzoek verricht wordt;
6° de communicatie met de te onderzoeken en onderzochte personen over het bevolkingsonderzoek;
7° een inschatting van de gezondheidseconomische effecten van het bevolkingsonderzoek;
8° de maatregelen die worden genomen voor de beveiliging van de verzamelde onderzoeksgegevens en voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de onderzochte personen.

§ 3. De Vlaamse regering kan aanvullende regels bepalen inzake het bevolkingsonderzoek.

§ 4. De toestemmingsvereiste, bedoeld in § 2, en de aanvullende regels, bedoeld in § 3, mogen geen afbreuk doen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen in hun individuele relatie met de patiënt die klachten of symptomen heeft. Deze diagnostische en therapeutische vrijheid geldt in de mate dat die door de federale wetgeving is gewaarborgd.

HOOFDSTUK X GEGEVENSUITWISSELING (... - ...)

Artikel 32. ( 01/12/2009 - ... )

§ 1. De continu´teit van de individuele preventieve zorg- en dienstverstrekking moet verzekerd worden, onder andere door de uitwisseling van gegevens die betrekking hebben op het zorgaanbod, tussen partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders onderling. Deze gegevensuitwisseling is noodzakelijk voor de uitbouw en werking van een operationeel informatiesysteem als bedoeld in het decreet betreffende het gezondheidsinformatiesysteem.

§ 2. Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders moeten, enerzijds, onderling en, anderzijds, met de Vlaamse overheid gegevens uitwisselen die noodzakelijk zijn voor de uitbouw en werking van een epidemiologisch informatiesysteem als bedoeld in het decreet betreffende het gezondheidsinformatiesysteem.

§ 3. ...

Artikel 33. ( 01/12/2009 - ... )

...

Artikel 34. ( 25/05/2018 - ... )

De gegevensuitwisseling, bedoeld in artikel 32, moet gebeuren in overeenstemming met de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 34/1. ( 26/04/2023 - ... )

...

Artikel 34/2. ( 01/01/2025 - ... )

§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° ...;
2° deelnemer: een natuurlijke persoon die deelneemt aan een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63 van dit decreet.

§ 2. Organisaties die een subsidie ontvangen van de Vlaamse Regering om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, kunnen persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan die initiatieven en van de individuele zorgaanbieders om die initiatieven te realiseren.

Om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60, en 63, op het terrein uit te voeren, kunnen de individuele zorgaanbieders persoonsgegevens verwerken van de deelnemers aan de initiatieven.

§ 3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 2, verwerken de organisaties die van de Vlaamse Regering een subsidie ontvangen om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, en de individuele zorgaanbieders de volgende gegevens van de deelnemers aan die initiatieven:
1° de persoonsgegevens om de deelnemer te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de gegevens over de gezondheid van de deelnemer die noodzakelijk zijn om het initiatief te realiseren;
3° de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de deelnemer in het kader van het initiatief in kwestie;
4° het gegeven of de deelnemer recht heeft op het statuut verhoogde tegemoetkoming.

In het kader van het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, verwerken de organisaties die van de Vlaamse Regering een subsidie ontvangen om de initiatieven, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, te realiseren, de volgende gegevens van de individuele zorgaanbieders:
1° de persoonsgegevens om de individuele zorgaanbieder te identificeren, waaronder het rijksregisternummer;
2° de gegevens over de bekwaamheid van de individuele zorgaanbieder;
3° het beroepsadres van de individuele zorgaanbieder die het initiatief, vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, uitvoert;
4° de gegevens die noodzakelijk zijn om de vergoeding voor de uitvoering van een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 en 63, uit te betalen aan de individuele zorgaanbieder.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening, nader preciseren.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer:
1° de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2° ...;
3° de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.

§3/1. De gegevens van de deelnemer, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na de laatste deelname van de deelnemer aan het betreffende initiatief.
    
De gegevens van de individuele zorgaanbieder, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na het moment waarop de individuele zorgaanbieder het laatst het betreffende initiatief op het terrein heeft uitgevoerd.
    
In afwijking van de bewaartermijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kan de Vlaamse Regering een kortere termijn bepalen waarin specifieke verwerkte persoonsgegevens bewaard worden.

§ 4. De organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om een initiatief als vermeld in artikel 57, 58, 59, 60 of 63, te realiseren, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste en tweede lid, die verwerkt worden om het initiatief in kwestie te realiseren.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsgegevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.

§ 5. Op voorwaarde dat de betrokkenen niet of niet meer identificeerbaar zijn, kan de administratie de gegevens van de deelnemers, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de gegevens van de individuele zorgaanbieders, vermeld in para- graaf 3, tweede lid, ook verwerken voor wetenschappelijke, beleids- en statistische doeleinden.

Artikel 34/3. ( 17/06/2024 - ... )

§1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1°     aanvrager: de persoon die op grond van een persoonlijk belang advies vraagt of meldingen doet in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55. De aanvrager kan een andere persoon zijn dan de betrokkene, vermeld in punt 2°;
2°     betrokkene: de natuurlijke persoon die ofwel:
a)    naar aanleiding van gezondheidsklachten, milieumetingen of een mogelijke blootstelling aan schadelijke chemische, fysische of biotische factoren het voorwerp is van een adviesaanvraag over blootstellingsbe-perkingen of bronmaatregelen, in het kader van initiatieven of maatre-gelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55;
b)    woont op een plaats of in de nabijheid van een plaats waar milieuge-gevens zijn gemeten, waarover om advies gevraagd wordt in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55;
3°     milieumeetgegevens: concentraties of randomstandigheden die gemeten worden in de omgeving, in het binnenmilieu en in de milieucompartimen-ten lucht, bodem en water en die belangrijk zijn om de impact van huma-ne blootstelling en belasting te bepalen.

§2. De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsop-dracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55, uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo’s en de partnerorga-nisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg kunnen persoons-gegevens verwerken met het oog op de volgende doeleinden: 
1°     het onderzoeken en behandelen van meldingen van gezondheidsklachten of vragen over gezondheid of over de interpretatie van milieumeetgege-vens;
2°     het verlenen van advies over blootstellingsbeperkingen;
3°     het adviseren van bronmaatregelen.

Indien een partnerorganisatie die werkt rond het thema milieugezond-heidszorg bestaat uit een samenwerkingsverband, kunnen de organisaties die deel uitmaken van dit samenwerkingsverband zelf ook de gegevens, vermeld in paragraaf 3, verwerken.

§3. In het kader van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, kunnen de volgende persoonsgegevens van de betrokkene verwerkt worden:
1°     de persoonsgegevens om de betrokkene te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2°     het adres van de betrokkene; 
3°     de volgende contactgegevens van de betrokkene: 
a)    het gsm- en telefoonnummer; 
b)    het e-mailadres;
4°     in geval van een melding of vraag over een gezondheidsklacht, informatie over de gezondheidsklacht in kwestie; 
5°     de informatie over de leefstijl van de betrokkene die noodzakelijk is om advies inzake blootstellingsbeperkingen te kunnen geven;
6°     de socio-economische gegevens van de betrokkene die noodzakelijk zijn om gedifferentieerd advies inzake blootstellingsbeperkingen te kunnen geven;
7°     de woonomstandigheden; 
8°     in geval van een melding of vraag over een gezondheidsklacht, de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de betrokkene in het kader van het initiatief of de maatregel in kwestie;
9°     relevante milieumeetgegevens, op voorwaarde dat de betrokkene een persoonlijk belang heeft;
10°     de relevante gegevens uit stalen die afgenomen worden van het lichaam van de betrokkene in het kader van het initiatief, vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55; 
11°     de gegevens uit stalen die genomen worden in het milieu in het kader van het initiatief, vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55.

De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsop-dracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55 uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo’s en de partnerorga-nisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, onderling uitwisselen.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden bewaard tot maximaal tien jaar na afhandeling van de vraag of melding, vermeld in paragraaf 2. 

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1°     de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2°     de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.

§4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen onder de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met zesde lid, uitgewisseld worden tussen de actoren, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, of met de volgende actoren: 
1°     de betrokkene;
2°     de arts of specialist die de betrokkene behandelt; 
3°     de aanvrager, voor zover het niet om de betrokkene gaat;
4°     laboratoria die milieugegevens onderzoeken; 
5°     een organisatie waarmee de Vlaamse Regering een overeenkomst heeft gesloten voor het nemen of onderzoeken van stalen of het interpreteren van resultaten;
6°     overheidsinstanties die opgericht zijn binnen het beleidsdomein Omgeving. 

De betrokkene, vermeld in het eerste lid, 1°, en de arts of specialist, vermeld in het eerste lid, 2°, kan alle gegevens ontvangen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, evenals resultaten van onderzoeken en adviezen, vermeld in paragraaf 2.

De aanvrager kan alleen de gegevens uit de lijst, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, ontvangen waarvoor hij een persoonlijk belang heeft, evenals de adviezen, vermeld in paragraaf 2.

De laboratoria, vermeld in het eerste lid, 4°, kunnen alleen de gegevens, vermeld in paragraaf 3, 2°, 9° en 11°, ontvangen. 

De organisatie, vermeld in het eerste lid, 5°, kan alle gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, ontvangen.

Alleen de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 11°, kunnen uitgewisseld worden met de overheidsinstanties, vermeld in het eerste lid, 6°.

§5. Wanneer een advies, in het kader van initiatieven of maatregelen als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55, wordt aangevraagd door een andere natuurlijke persoon dan de betrokkene, worden de volgende persoons-gegevens van de adviesvrager verwerkt:
1°     de persoonsgegevens om de adviesvrager te identificeren;
2°     de volgende contactgegevens van de adviesvrager: 
a)    het gsm- en telefoonnummer; 
b)    het e-mailadres.

De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt met het oog op de doeleinden vermeld in de tweede paragraaf.

De administratie, de organisatie die in het kader van een overheidsop-dracht een initiatief als vermeld in artikel 39, 44, 51, 53, 53/1 of 55 uitvoert, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo’s en de partnerorga-nisaties die werken rond het thema milieugezondheidszorg, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, onderling uitwisselen.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, hebben eenzelfde bewaartermijn als vermeld in paragraaf 3, derde lid. 
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, nader preciseren.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1°     de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2°     de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen uitgewisseld worden tussen de actoren, vermeld in paragraaf drie, tweede lid, of met de volgende actoren: 
1°     de betrokkene; 
2°     de arts of specialist die de betrokkene behandelt; 
3°     de adviesvrager, voor zover de adviesvraag niet door de betrokkene gebeurt;
4°     een organisatie waarmee de Vlaamse Regering een overeenkomst heeft gesloten voor het nemen of onderzoeken van stalen of het interpreteren van resultaten;
5°     overheidsinstanties die opgericht zijn binnen het beleidsdomein Omgeving. 

§6. De administratie, de medisch milieukundigen die werkzaam zijn bij de Logo’s en de partnerorganisaties die werken rond het thema milieugezond-heidszorg zijn gezamenlijk de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsge-gevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 34/4. ( 17/06/2024 - ... )

§1. In dit artikel wordt verstaan onder: 
1°     betrokkene: de natuurlijke persoon die deelneemt aan het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, §2;
2°     preventiewerker milieu-gezondheid: een persoon die aangeworven wordt of ingezet wordt in ondersteuning van de medisch milieukundigen bij de Logo’s, voor de uitvoering van het preventief gezondheidsbeleid inzake milieugezondheidszorg door de Logo’s.

§2. De administratie, of de organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, §2, te realiseren, kan persoonsgegevens verwerken van betrokkenen voor de uitvoering van het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, §2. 

§3. In het kader van de doeleinden, vermeld in paragraaf 4, kunnen de volgende persoonsgegevens van de betrokkene verwerkt worden:
1°     de persoonsgegevens om de betrokkene te identificeren, waaronder het rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2°     de volgende contactgegevens van de betrokkene: 
a)    het gsm- en telefoonnummer; 
b)    het e-mailadres; 
c)    het adres;
3°     de volgende gegevens over de gezondheid van de betrokkene: 
a)    de gegevens over de milieugerelateerde gezondheidseffecten van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren, waaronder ook gegevens uit bevraging, lichamelijk onder-zoek of beeldvormend onderzoek; 
b)    de relevante gegevens uit stalen die worden afgenomen van het lichaam van de betrokkene in het kader van de humane biomonitoring;
4°     de gegevens over de leefstijl van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren;
5°     de socio-economische gegevens van de betrokkene die noodzakelijk zijn om het initiatief of de maatregel te realiseren;
6°     de gegevens over de preventieve begeleiding die is aangeboden aan de betrokkene in het kader van het initiatief of de maatregel in kwestie;
7°     de gegevens over de persoonlijke blootstelling van de betrokkene aan omgevingsfactoren, zoals bodem, lucht, water, lokale voeding en binnen-milieu.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, nader preciseren.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden maximaal dertig jaar bewaard na de afronding van het eerste onderzoek waaraan de betrokkene deelnam in het kader van de humane biomonitoring. De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, een kortere termijn bepalen waarin de verwerkte persoonsgegevens worden bewaard.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de volgende modaliteiten bepalen:
1°     de regels voor en de wijze van de verwerking van de gegevens;
2°     de vorm en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld.

§4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, worden verwerkt voor de volgende doeleinden: 
1°     de uitvoering van het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, §2;
2°     het opnieuw contacteren van de betrokkene in het kader van gezondheids-opvolging of in het kader van een nieuw, gerelateerd onderzoek;
3°     wetenschappelijke of beleidsdoeleinden, na anonimisering of minstens na pseudonimisering, als anonimisering niet toelaat om het doeleinde te bereiken.

Met het oog op het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 3°, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid: 
1°     gekoppeld worden met gegevens die onttrokken worden uit gegevensbanken met milieugegevens, die opgericht zijn door overheidsinstanties binnen het beleidsdomein Omgeving;
2°     gekoppeld worden met gegevens die onttrokken worden uit de volgende gegevensbanken: 
a)    gegevensbanken met gezondheidsgegevens van het Intermutualistisch Agentschap; 
b)    gegevensbanken met gezondheidsgegevens van netwerken waarin de Vlaamse huisartsen verenigd zijn;
c)    gegevensbanken met geboorte- of mortaliteitsgegevens; 
d)    gegevensbanken waarin gegevens in verband met kanker geregistreerd worden;
e)    gegevensbanken met gegevens over opnames in ziekenhuizen;
f)    gegevensbanken van de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
3°     geheranalyseerd worden op basis van nieuwe statistische technieken en wetenschappelijke kennis.

De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring worden meegedeeld aan de betrokkene.

De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 3°, 4° en 5°, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring worden meegedeeld aan de behandelend arts van de betrokkene. 

De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de interpreteerbare individuele resultaten van de humane biomonitoring kunnen desgevallend meegedeeld worden aan een preventiewerker milieu-gezondheid.

De gegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 3° en 4°, worden ontsloten naar het elektronisch medisch dossier van de betrokkene, behalve in de gevallen waarin de betrokkene zich verzet tegen de ontsluiting.

§5. De organisatie die een subsidie ontvangt van de Vlaamse Regering om het programma voor humane biomonitoring, vermeld in artikel 54, §2, te realiseren, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, die verwerkt worden in het kader van het programma voor humane biomonitoring.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsge-gevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.

§6. Als de administratie zelf het programma voor humane biomonitoring realiseert of als dat gebeurt in het kader van een overheidsopdracht, is de administratie zelf de verwerkingsverantwoordelijke.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen om de persoonsge-gevens te beschermen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.

HOOFDSTUK XI COLLECTIEVE GEZONDHEIDS- OVEREENKOMST (... - ...)

Artikel 35. ( ... - ... )

De Vlaamse regering kan een collectieve gezondheidsovereenkomst sluiten met partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of andere organisaties of instanties die een bijdrage kunnen leveren aan het preventieve gezondheidsbeleid.

TITEL IV VERANTWOORDINGSPLICHT EN TOEZICHT (... - ...)

Artikel 36. ( ... - ... )

Alle Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders, die door de Vlaamse regering erkend en/of gesubsidieerd worden voor opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg, moeten verantwoording afleggen en zijn onderworpen aan een toezicht.

De Vlaamse regering kan hiertoe nadere regels bepalen.

Artikel 37. ( ... - ... )

De subsidies die de Vlaamse regering toekent aan Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking of individuele zorgaanbieders, voor opdrachten binnen het kader van dit decreet, kunnen enkel aangewend worden voor de uitvoering van deze opdrachten.

Artikel 38. ( ... - ... )

§ 1. Om dubbele financiering van een zelfde activiteit te vermijden en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 36, zijn alle Logo's, partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking, die door de Vlaamse regering gesubsidieerd worden voor opdrachten inzake preventieve gezondheidszorg, op eenvoudig verzoek van de Vlaamse regering gehouden tot het kenbaar maken van alle andere financiële middelen dan die welke verkregen zijn in het kader van dit decreet. Alle stavingsstukken moeten op eenvoudig verzoek ter beschikking gesteld kunnen worden.

§ 2. Tenzij dubbele financiering van een zelfde activiteit wordt aangetoond, worden de buiten dit decreet verworven financiële middelen niet in mindering gebracht van de subsidies, verkregen via dit decreet.

§ 3. Het aanleggen van reserves kan worden toegestaan. De Vlaamse regering bepaalt hiertoe nadere regels.

TITEL V INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT EXOGENE FACTOREN (... - ...)

HOOFDSTUK I INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT FYSIEKE, RUIMTELIJKE EN MATERIËLE OMGEVINGSFACTOREN (... - ...)

AFDELING 1 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT BIOTISCHE FACTOREN (... - ...)

ONDERAFDELING I INITIATIEVEN OM SCHADELIJKE EFFECTEN, VEROORZAAKT DOOR BIOTISCHE FACTOREN, TE VOORKOMEN (... - ...)

Artikel 39. ( ... - ... )

§ 1. De Vlaamse regering beoogt schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, te voorkomen bij de mens.

§ 2. Ze kan met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen ter voorkoming van infecties, allergieën of intoxicaties. Die maatregelen moeten gemotiveerd worden.

Artikel 40. ( ... - ... )

Onverminderd de bevoegdheden van officieren van de gerechtelijke politie en van de burgemeester, houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanduidt, ieder voor zijn opdracht, toezicht op de naleving van artikel 39.

Artikel 41. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. Binnen de bevoegdheden die aan hen toegewezen zijn overeenkomstig artikel 40, kunnen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven.

§ 2. De in artikel 40 bedoelde ambtenaren stellen de overtredingen vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding. De postdatum geldt hiervoor als bewijs. Ook wordt een afschrift van het proces-verbaal schriftelijk ter kennis gebracht van de administratie.

§ 3. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, hebben de in artikel 40 bedoelde ambtenaren, op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot alle plaatsen waaruit het risico op de effecten, bedoeld in artikel 39, § 2, kan voortkomen.

§ 4. Binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, mogen de in artikel 40 bedoelde ambtenaren:

- elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten;

- bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.

§ 5. De burgemeesters, met uitzondering van de burgemeesters van gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren kunnen de gehele of gedeeltelijke stillegging of sluiting bevelen van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting, wanneer zij vaststellen dat de opgelegde maatregelen niet nageleefd worden, wanneer de bevelen of aanmaningen, bedoeld in § 1, niet opgevolgd worden of wanneer er een dreigend of ernstig gevaar bestaat voor de volksgezondheid.

§5/1. Als er een dreigend of ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat, kunnen de ambtenaren die krachtens artikel 40 aangewezen zijn, ook maatregelen bevelen die strekken tot:
a)    de desinfectie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting;
b)    het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van de besmetting;
c)    de uitvoering van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting.

§ 6. Als niet onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan de maatregelen, bedoeld in artikel 39, § 2, en de aanmaningen en bevelen, vermeld in §5 en §5/1, kunnen de krachtens artikel 40 aangeduide ambtenaren of de burgemeesters, bedoeld in § 5, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

§ 7. Alle maatregelen, bevelen, stilleggingen of sluitingen, bedoeld in § 1, § 5, §5/1 en § 6, moeten gemotiveerd worden.

Artikel 42. ( ... - ... )

De gemeentelijke en provinciale overheden, met uitzondering van de gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, moeten hun medewerking verlenen aan de uitvoering van artikelen 39 en 40.

Artikel 43. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. Om bepaalde infecties te voorkomen, stelt de Vlaamse regering een vaccinatieschema op dat de aanbevolen vaccinaties weergeeft voor de bevolking, en informeert ze de vaccinatoren en de bevolking hierover.

§ 2. De Vlaamse regering neemt initiatieven om de vaccinatiegraad van de bevolking zo hoog mogelijk te maken.

§ 3. ...

§ 4. De Vlaamse regering kan bepalen in welke omstandigheden andere vaccins of andere vaccinatietijdstippen worden aanbevolen dan die aangegeven worden in het vaccinatieschema, bedoeld in § 1.

Artikel 43/1. ( 17/06/2024 - ... )

§1. De vaccinatoren registreren de vaccinaties die toegediend zijn in het Nederlandse taalgebied en die deel uitmaken van het vaccinatieschema, vermeld in artikel 43, §1, in het registratiesysteem Vaccinnet.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat vaccinaties die geen deel uitmaken van het vaccinatieschema, vermeld in artikel 43, §1, die toegediend zijn in het Nederlandse taalgebied en die kaderen in de preventieve gezondheidszorg, door de vaccinatoren geregistreerd worden in het registratiesysteem Vaccinnet, behalve in de gevallen waarin de persoon aan wie het vaccin werd toegediend zich verzet tegen de registratie. De Vlaamse Regering bepaalt om welke vaccinaties het gaat.
    
In afwijking van het eerste en tweede lid registreren de vaccinatoren de vaccinaties met vaccins die de Vlaamse Gemeenschap gratis ter beschikking stelt van de vaccinatoren en die zijn toegediend in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, ook in het registratiesysteem Vaccinnet.
    
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kunnen de vaccinatoren ook vaccinaties registreren in Vaccinnet die in het buitenland of in het Franse of Duitse taalgebied zijn toegediend of die zijn toegediend in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, maar die niet gratis ter beschikking gesteld zijn door de Vlaamse Gemeenschap, als voldaan is aan al de volgende voorwaar-den:
1°     de vaccinatie kadert in de preventieve gezondheidszorg;
2°     de registratie gebeurt op vraag van de persoon aan wie het vaccin werd toegediend; 
3°     de persoon aan wie het vaccin werd toegediend kan de vaccinatie bewijzen door middel van officiële documenten. 
    
§2. Met betrekking tot elke vaccinatie, vermeld in paragraaf 1, worden de volgende categorieën van gegevens geregistreerd:
1°    identificatiegegevens van de persoon aan wie het vaccin wordt toegediend, namelijk:
a)    het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienum-mer van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispunt-bank van de Sociale Zekerheid;
b)    de naam en voornaam;
c)    de geboortedatum;
d)    de hoofdverblijfplaats;
e)    het geslacht;
f)    in voorkomend geval, de overlijdensdatum;
2°    identiteits- en eventuele contactgegevens van de persoon die het vaccin heeft toegediend:
a)    het rijksregisternummer;
b)    in voorkomend geval, het RIZIV-nummer;
c)    het beroepsadres;
d)    als het gaat om een arts, het adres dat gekoppeld is aan het RIZIV-nummer; 
e)    de voor- en achternaam;
f)    in voorkomend geval, via welke entiteit de vaccinator het vaccin heeft toegediend;
g)    het telefoonnummer;
h)    het e-mailadres;
3°    gegevens van het vaccin:
a)    het merk;
b)    het type vaccin;
c)    als dat bekend is, het lotnummer;
4°    de datum van de toediening van het vaccin;
5°    in voorkomend geval, gegevens over de ongewenste bijwerkingen die vastgesteld zijn tijdens of na de vaccinatie van de betrokken persoon, waarvan de persoon die het vaccin heeft toegediend of zijn gevolmachtigde kennis heeft.
    
De gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, a), 2°, 3°, a) en b), en 4°, worden door de vaccinatoren in Vaccinnet geregistreerd.
    
In afwijking van het tweede lid registreert de vaccinator de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), c) en d), als de vaccinator de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, a), niet kent.
    
De gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, die niet door de vaccinator worden geregistreerd conform het tweede en derde lid, worden opgehaald uit het Rijksregister of uit de kruispuntbankregisters, vermeld in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
    
In geval van een registratie van een vaccinatie als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, registreert de vaccinator ook het land waar het vaccin werd toegediend.
    
§3. De gegevens, vermeld in paragraaf 2, kunnen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1°    het beheer van vaccinatieschema’s per te vaccineren of gevaccineerde persoon en het inplannen van vaccinatiemomenten;
2°    de logistieke organisatie van de vaccinatie na anonimisering of ten minste pseudonimisering van de gegevens als de anonimisering de logistieke organisatie niet mogelijk maakt;
3°    de controle en het beheer van de bestellingen van vaccins om geheel of gedeeltelijk te kunnen ingrijpen op de automatische doorstroom van bestellingen;
4°    het contacteren van de vaccinator met het oog op:
a)    het signaleren van het belang van specifieke vaccinaties in het kader van de opvolging van infectieziekten die door vaccinaties voorkomen kunnen worden;
b)    het controleren en in voorkomend geval corrigeren of verwijderen van gegevens die opgenomen zijn in Vaccinnet;
5°    het uitvoeren van wetenschappelijke of statistische studies na anonimise-ring of ten minste pseudonimisering van de gegevens als anonimisering de uitvoering van een wetenschappelijke of statistische studie belemmert;
6°    het bepalen door het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, of door een organisatie die hiervoor de opdracht heeft gekregen, van een anonieme vaccinatiegraad van de bevolking en van bepaalde segmenten van de bevolking, per infectieziekte, met als enig doel strategisch of operationeel bij te dragen aan de primaire of secundaire preventie van de infectieziekte in kwestie;
7°    het gebruik van Vaccinnet door de vaccinatoren om kennis te nemen van de eerder toegediende vaccinaties om:
a)    te vermijden dat vaccins die al zijn toegediend aan een persoon, onnodig nogmaals worden toegediend;
b)    te kunnen detecteren welke vaccinaties nog niet toegediend zijn aan een persoon;
8°    het ontsluiten van de gegevens naar andere zorgverleners in het kader van een therapeutische relatie in de zin van artikel 37 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, met het oog op het verlenen van zorg, waaronder ook preventieve zorg;
9°    het nemen van maatregelen door de ambtenaren-artsen, vermeld in artikel 44, §3, 2°;
10°    het onderzoeken van een melding, vermeld in artikel 45;
11°    de organisatie van de bevolkingsonderzoeken, vermeld in artikel 31, §1;
12°    de evaluatie en organisatie van het vaccinatiebeleid.  

Met het oog op de doeleinden, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, verwerkt worden die noodzakelijk zijn om het doeleinde in kwestie te bereiken.

Voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 5°, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, doorgegeven worden aan onderzoeksinstellingen.
    
Als dat voor de naleving van het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 6°, noodzakelijk is, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden gekoppeld aan gegevens die toelaten om de segmentering uit te voeren en die ontsloten worden vanuit andere gegevensbanken waarin gegevens zijn opgenomen die relevant zijn om de anonieme vaccinatiegraad van de bevolking of van bepaalde segmenten van de bevolking te bepalen. 
    
De vaccinatoren hebben toegang tot alle gegevens, vermeld in paragraaf 2, die noodzakelijk zijn voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 7°.
    
De zorgverleners, vermeld in het eerste lid, 8°, hebben toegang tot alle gegevens, vermeld in paragraaf 2, die noodzakelijk zijn voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 8°.
    
De ambtenaren-artsen kunnen in het kader van de doeleinden, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, zowel de noodzakelijke gegevens, vermeld in paragraaf 2, ontvangen van personen die besmet zijn met een infectieziekte die gevaarlijk is vanwege de ernst of besmettelijkheid ervan, als van personen die na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron mogelijk besmet zijn met een voormelde infectie.
    
Als dat voor de naleving van het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 11°, noodzakelijk is, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden doorgegeven aan gegevensbanken waarin gegevens geregistreerd worden in het kader van de bevolkingsonderzoeken, vermeld in artikel 31, §1, en kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden gekoppeld aan de gegevens in deze gegevensbanken. 
    
Als dat voor de naleving van het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 12°, noodzakelijk is, kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden gekoppeld aan gegevens die ontsloten worden vanuit andere gegevensbanken met gegevens die relevant zijn voor de organisatie en de evaluatie van het vaccinatiebeleid. 
    
De Vlaamse Regering kan, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevens-verkeer, de gegevensbanken, vermeld in het vierde, achtste en negende lid, nader preciseren.
    
§4. De gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 1, maximaal bewaard tot het overlijden van de persoon aan wie de vaccinatie is toegediend.
    
In afwijking van het eerste lid worden, als de persoon aan wie het vaccin is toegediend overlijdt binnen dertig jaar na de toediening van het laatste vaccin, de gegevens, vermeld in paragraaf 2, in het registratiesysteem, vermeld in paragraaf 1, bewaard tot dertig jaar na het moment dat het vaccin in kwestie is toegediend.
    
§5. Het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2.

ONDERAFDELING 2 INITIATIEVEN OM UITBREIDING VAN SCHADELIJKE EFFECTEN, VEROORZAAKT DOOR BIOTISCHE FACTOREN, TEGEN TE GAAN (... - ...)

Artikel 44. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. De Vlaamse regering beoogt uitbreiding van schadelijke effecten, veroorzaakt door biotische factoren, tegen te gaan bij de mens.

§ 2. Ze kan, met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven nemen om een verspreiding van infecties tegen te gaan.

§ 3. In elk geval neemt de Vlaamse regering het initiatief:
1° tot het bepalen van de door biotische factoren veroorzaakte infecties die gemeld moeten worden om maatregelen te kunnen nemen om uitbreiding van infecties tegen te gaan;
2° tot aanduiding van de ambtenaren-artsen die bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen om uitbreiding van infecties tegen te gaan, onder voorbehoud van de verantwoordelijkheden van partnerorganisaties, organisaties met terreinwerking en individuele zorgaanbieders;
3° tot aanduiding van de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van artikel 44, § 2 en § 3, 2°, artikel 45, § 1, artikel 47 en artikel 48, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie;
4° tot het bepalen van de infecties die door biotische factoren veroorzaakt zijn en die op geanonimiseerde wijze gerapporteerd moeten worden om de epidemiologie ervan binnen de Vlaamse populatie te kunnen opvolgen en het algemene beleid te informeren. De Vlaamse Regering kan bepalen welke geanonimiseerde gegevens gerapporteerd moeten worden en op welke wijze de geanonimiseerde gegevens gerapporteerd moeten worden; 
5° tot aanwijzing van ambtenaren die bevoegd zijn om de maatregelen te nemen, vermeld in artikel 47/1.

Artikel 45. ( 01/01/2024 - ... )

§1. Een verplichting tot melding van de infecties die door biotische factoren worden veroorzaakt, vermeld in artikel 44, §3, 1°, geldt voor de behandelende arts, het hoofd van een laboratorium van klinische biologie en de arts die belast is met het medisch toezicht in scholen, bedrijven, voorzieningen waar kinderen en jongeren verblijven, en residentiële zorginstellingen.

In het eerste lid wordt verstaan onder residentiële zorginstellingen:
1° de woonzorgcentra, vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
2° de residentiële voorzieningen die erkend, vergund of gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3° de revalidatieziekenhuizen, vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.

§2. De melding, vermeld in paragraaf 1, kan al de volgende gegevens bevatten:
1°    het identificatienummer van de sociale zekerheid van de geïnfecteerde persoon, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2°    de voornamen en de achternaam van de geïnfecteerde persoon;
3°    de geboortedatum van de geïnfecteerde persoon;
4°    het geslacht van de geïnfecteerde persoon;
5°    de vermoede of bevestigde diagnose van de meldingsplichtige infectie;
6°    de identiteit en de contactgegevens van de melder;
7°    de datum van de melding;
8°    het land van geboorte van de geïnfecteerde persoon;
9°    de nationaliteit van de geïnfecteerde persoon;
10° het domicilieadres van de geïnfecteerde persoon;
11° de gezinssamenstelling van de geïnfecteerde persoon;
12° het adres waar de geïnfecteerde persoon daadwerkelijk verblijft. Als de geinfecteerde persoon in een voorziening verblijft: de vermelding van de soort voorziening;
13° de gegevens die nodig zijn om contact te kunnen opnemen met de geïnfecteerde persoon, met inbegrip van het telefoonnummer en het e-mailadres van de betrokkene en van de persoon of wettelijke vertegenwoordiger die in geval van nood gecontacteerd moet worden, en de vermelding van de relatie van die persoon tot de betrokkene;
14° het beroep van de geïnfecteerde persoon;
15° de werkplaats van de geïnfecteerde persoon;
16° de activiteiten, contacten en aanwezigheden op plaatsen tijdens de maximale incubatieperiode en tijdens de ziekteperiode;
17° de volgende informatie over de ziekte:
a)    de startdatum van de symptomen;
b)    de datum en de resultaten van klinisch, technisch en labotechnisch onderzoek en medische beeldvorming;
c)    de ingestelde therapie;
d)    de outcome (sequellen, overleden, genezen) na acuut ziektestadium;
18° informatie over onderliggend lijden, therapie en antecedenten;
19° de vaccinatiestatus van de geïnfecteerde persoon;
20° in voorkomend geval de zwangerschap van de geïnfecteerde persoon;
21° de coördinaten van de behandelende arts en, in voorkomend geval, van de arts-specialist en van het ziekenhuis;
22° de vermoede bron van besmetting;
23° de dossierreferentie van de melder.

Als de melder op de hoogte is van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 7°, is de melder verplicht deze gegevens op te nemen in de melding. De gegevens, vermeld in het eerste lid, 8° tot en met 23°, kunnen door de melder worden opgenomen in de melding. Op verzoek van de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, §3, 2° en 3°, deelt de melder de opgevraagde gegevens, vermeld in het eerste lid, 8° tot en met 23°, mee als de melder op de hoogte is van deze gegevens.

De melding, vermeld in het eerste lid, wordt gedaan aan een ambtenaar-arts als vermeld in artikel 44, §3, 2°.

In afwijking van het derde lid kan de Vlaamse Regering vaststellen in welke specifieke gevallen de melding, vermeld in paragraaf 1, aan andere personen dan de ambtenaar-arts, vermeld in artikel 44, §3, 2°, kan worden gedaan.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, de termijn waarin de melding wordt gedaan, en de vorm en de wijze van de melding.

§3. De gegevens, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, worden verwerkt met het oog op het nemen van initiatieven als vermeld in artikel 44, §2, en in het bijzonder met het oog op het nemen van de maatregelen, vermeld in artikel 44, §3, 2°.

De gegevens, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kunnen ook worden verwerkt voor statistische, wetenschappelijke en beleidsondersteunende doeleinden, op voorwaarde dat de personen niet of niet meer identificeerbaar zijn.

§4. De ambtenaar-arts, vermeld in artikel 44, §3, 2°, legt over elke infectieziekte die gemeld wordt, een dossier aan. Dat dossier wordt aangevuld met alle informatie die ingewonnen wordt met toepassing van artikel 46, 3°, a), en artikel 48, en kan worden aangevuld met alle verdere informatie die daarvoor noodzakelijk is.
 
Het dossier, vermeld in het eerste lid, wordt in zijn geheel maximaal dertig jaar bewaard in geval van tuberculose en maximaal tien jaar als het een andere infectieziekte betreft.

In afwijking van het tweede lid kan het dossier langer dan respectievelijk dertig of tien jaar bewaard worden als het dossier deel uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek of als het vermoeden bestaat dat het dossier aanleiding kan geven tot een gerechtelijk onderzoek. In voorkomend geval wordt het dossier bewaard tot het gerechtelijk onderzoek gesloten wordt of tot er geen redelijk vermoeden meer is dat het dossier aanleiding kan geven tot een gerechtelijk onderzoek.

De Vlaamse Regering kan de volgende aspecten nader regelen:
1°   de wijze waarop het dossier bewaard wordt, vermeld in het eerste lid;
2° de wijze waarop de gegevens van het dossier, vermeld in het eerste lid, worden geanonimiseerd na afloop van de bewaartermijn, vermeld in het tweede of derde lid;
3° de wijze waarop de geanonimiseerde gegevens van het dossier worden bewaard.

§5. Het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie is de verwerkingsverantwoordelijke, in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor het dossier, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.

§6. De Vlaamse Regering kan technische en organisatorische maatregelen opleggen voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in dit artikel.

Artikel 46. ( 17/06/2024 - ... )

De ambtenaren-artsen en de ambtenaren, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, 3° en 5°:

1° nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale terzake bevoegde gezondheidsautoriteiten om de verspreiding van infecties tegen te gaan;

2° hebben, binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke besmettingsbron werd vastgesteld of wordt vermoed van een besmettelijke ziekte die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur 's avonds en vijf uur 's morgens is deze toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten.

3° mogen binnen de perken van hun opdracht en voorzover dat noodzakelijk wordt geacht:

a) elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;

b) bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.

Artikel 47. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. De ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, kunnen:
1°     personen die aangetast zijn door een infectie die gevaarlijk is van-wege de ernst of besmettelijkheid ervan en die een bijzonder gevaar van besmetting vormen voor andere personen, verplichten een gepaste medische behandeling te volgen om die besmettelijkheid te bestrijden;
1°/1     het bevel geven tot tijdelijke afzondering in een door de amb-tenaren-artsen bepaalde ziekenhuisafdeling of andere gepaste plaats aan personen die:
a)    aangetast zijn door een infectie als vermeld in punt 1° en die een bijzonder gevaar van besmetting voor andere personen vormen;
b)    een verhoogd risico hebben om een infectie als vermeld in punt 1° te hebben opgelopen;
c)    tegen het advies van de behandelende arts in vroegtijdig de be-handeling tegen een infectie als vermeld in punt 1° stopzetten en daardoor opnieuw besmettelijk kunnen worden. 
De verplichte afzondering eindigt zodra de persoon aan wie het be-vel is gegeven, niet meer besmettelijk is en zodra het gevaar op be-smettelijkheid is geweken;
2° personen die, na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron of na in een hoogrisicogebied verbleven te hebben, mogelijk besmet zijn, en die door contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, deze infectie kunnen overdragen, onderwerpen aan medisch onderzoek dat nodig is voor de opsporing van besmettingsbronnen;
3° personen die besmet blijken en de infectie kunnen overdragen evenals personen die een verhoogd risico hebben om deze besmetting te hebben opgelopen, de contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van hun beroepsactiviteit, verbieden zolang zij hierdoor een bijzonder gevaar betekenen voor de volksgezondheid;
4°     de nodige ruimten in ziekenhuizen en andere zorginstellingen of in toeristische logies opeisen voor de opname, verzorging en de afzondering van personen die besmet zijn of bij wie een ernstig vermoeden van besmetting bestaat. De Vlaamse Regering kan bepalen door wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden het gebruik van de ruimten in ziekenhuizen en andere zorginstellingen en in toeristische logies vergoed wordt, en kan de omvang van die vergoeding bepalen;
5° de ontsmetting bevelen van voorwerpen en lokalen die besmet zijn;
6° de behandeling, de afzondering of het doden bevelen van dieren die een besmettingsgevaar betekenen voor de mens, met uitzondering van het besmettingsgevaar door consumptie van deze dieren;
7°     gemotiveerde aanmaningen en bevelen geven aan eigenaars en uitbaters van installaties die minstens waarschijnlijk de oorzaak of medeoorzaak zijn van meerdere gevallen van een infectie die krachtens artikel 44, §3, 1°, meldingsplichtig is, en, om dat in te schatten, elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten;
8°     als niet onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan de maatregelen, vermeld in 7°, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

§ 2. De maatregelen, bedoeld in § 1, 1°, 1°/1 en 3°, kunnen enkel uitgevoerd worden nadat de betrokken ambtenaar-arts overleg heeft gepleegd met de behandelende artsen.

§ 3. De ambtenaar-arts, die de maatregelen, bedoeld in § 1, 1°, 1°/1, 3°, 7° en 8°, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1° de inhoud van de maatregel;
2° de motivering van de maatregel;
3° de naam, functie en standplaats van de betrokken ambtenaar-arts;
4° de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
5° de beroepsprocedure;
6° de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.

De elementen, bedoeld in 1°, 2° en 5°, worden aan de betrokkene ook mondeling toegelicht.

Artikel 47/1. ( 17/06/2024 - Datum te bepalen door de Vlaamse Regering )

§1. De ambtenaren, vermeld in artikel 44, §3, 5°, kunnen, na overleg met de ambtenaren-artsen, vermeld in artikel 44, §3, 2°: 
1°    monitoring bevelen om de oorzaak van de verdere verspreiding van biotische factoren in de leefomgeving op te sporen en te karakteriseren;
2°    maatregelen in de leefomgeving bevelen om de oorzaak van de verdere verspreiding van de schadelijke effecten door biotische factoren via de leefomgeving tegen te gaan. De ambtenaren kunnen daarbij onder meer: 
a)    de sluiting bevelen van de plaats, ruimte of inrichting die kan leiden tot de verdere verspreiding van de besmetting;
b)    de stopzetting bevelen, al dan niet gedeeltelijk in tijd en ruimte, van de activiteit of installatie die kan leiden tot de verdere verspreiding van de besmetting; 
c)    de desinfectie bevelen van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die kan leiden tot de verdere verspreiding van de besmetting; 
d)    bevelen dat wijzigingen worden aangebracht in de procesvoering die kan leiden tot de verdere verspreiding van de besmetting; 
e)    bevelen dat werkzaamheden worden uitgevoerd aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die kan leiden tot de verdere verspreiding van de besmetting.
    
 De ambtenaren, vermeld in artikel 44, §3, 5°, passen de maatregel, vermeld in het eerste lid, aan of beëindigen de maatregel in functie van de vermindering van het risico op verdere verspreiding van de besmetting vanuit de plaats, ruimte, inrichting of installatie.
    
§2. De ambtenaar die de maatregel, vermeld in paragraaf 1, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1°    de inhoud van de maatregel;
2°    de motivering van de maatregel;
3°    de periode waarbinnen gevolg gegeven moet worden aan de maatregel;
4°    de naam, functie en standplaats van de betrokken ambtenaar;
5°    de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
6°    de beroepsprocedure;
7°    de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
    
De elementen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 6°, worden voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is ook mondeling toegelicht aan de betrokkene.
    
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de elementen, vermeld in het eerste lid, in geval van hoogdringendheid ook mondeling aan de betrokkene worden meegedeeld, op voorwaarde dat de maatregelen binnen een periode van vijf werkdagen schriftelijk bekrachtigd worden.
    
§3. Als niet binnen de periode, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, gevolg wordt gegeven aan de bevelen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kunnen de ambtenaren die conform artikel 44, §3, 5°, aangewezen zijn, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

Artikel 48. ( 17/06/2024 - ... )

Iedere betrokkene heeft de plicht de aangeduide ambtenaren-artsen, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, en de aangeduide ambtenaren, bedoeld in artikel 44, § 3, 3° en 5°, de aanvullende informatie mee te delen die ze noodzakelijk achten voor het nemen van de aan de situatie aangepaste maatregelen.

Artikel 49. ( 01/01/2024 - ... )

§ 1. Als de verplichtingen, vermeld in artikel 45, § 1, artikel 47, § 1 en artikel 48 niet worden nageleefd, zijn de aangeduide ambtenaren die met het toezicht belast zijn, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd.

§ 2. Ten aanzien van natuurlijke personen zie zich bevinden op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zijn de artikelen 46 tot en met 49, § 1, enkel van toepassing op deze personen die vrijwillig beroep hebben gedaan op een voorziening die wegens haar organisatie beschouwd moet worden als uitsluitend ressorterend onder de bevoegdheid van Vlaamse Gemeenschap.

Artikel 50. ( ... - ... )

De individuele zorgaanbieder heeft de plicht tegenover de besmette persoon die hij behandelt, om hem in te lichten over de ziekte of infectie, de potentiële gevaren en de besmettingsgraad voor de omgeving. Dat stelt de besmette persoon in staat zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 8, op te nemen.

Ten aanzien van de individuele zorgaanbieder in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, geldt deze verplichting enkel voor die zorgaanbieder die op vrijwillige basis is toegetreden tot een verband dat zelf georganiseerd is op een zodanige wijze dat blijk gegeven wordt van een band met de Vlaamse Gemeenschap.

AFDELING 2 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT FYSISCHE OF CHEMISCHE FACTOREN (... - ...)

Artikel 51. ( 17/06/2024 - ... )

De Vlaamse regering kan initiatieven nemen voor de preventie van aandoeningen, veroorzaakt door fysische of chemische factoren. Die factoren situeren zich zowel binnen gebouwen als er buiten.

De Vlaamse Regering sensibiliseert voor de problematiek van de blootstelling aan humane zeer zorgwekkende stoffen, en neemt initiatieven voor de preventie van aandoeningen die door deze stoffen worden veroorzaakt.

Artikel 52. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. De Vlaamse regering richt zich in haar beleid op een duurzame ontwikkeling, en kan daartoe, na bespreking in het Vlaams Parlement, gezondheidskundige advieswaarden vastleggen in water, lucht, bodem, of mens.

§ 2. De Vlaamse regering legt, na bespreking in het Vlaams Parlement over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van gezondheidsschade door fysische en chemische factoren, de grenswaarden in de mens vast.

Artikel 53. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. Afgezien van de maatregelen die bepaald zijn in de bestaande milieuwetgeving, kan de Vlaamse regering op basis van het voorzorgsbeginsel, de bevolking, en in het bijzonder risicogroepen, informeren, en maatregelen nemen om de blootstelling te beperken en de volksgezondheid te beschermen bij overschrijding van de door de Vlaamse regering bepaalde grenswaarden in de mens van factoren waarvan de schadelijke invloed op de gezondheid bewezen is of waarschijnlijk is op basis van wetenschappelijk onderbouwde gegevens.

§ 2. Voor de waarschijnlijke maar niet bewezen effecten, bedoeld in § 1, worden de maatregelen afgewogen tegen onder meer de waarschijnlijkheid van optreden van de vermoede effecten, de ernst van de verwachte effecten, de grootte van de blootgestelde populatie en de verwachte maatschappelijke impact van de effecten en/of maatregelen.

Artikel 53/1. ( 17/06/2024 - ... )

Ter ondersteuning van de initiatieven, vermeld in artikel 52, §1, en de maatregelen, vermeld in artikel 53, §1, neemt de Vlaamse Regering minstens het initiatief om een programma voor milieugerelateerde gezondheidskundige impactinschattingen te ontwikkelen en uit te voeren.

Artikel 53/2. ( 17/06/2024 - ... )

§1. De Vlaamse Regering wijst ambtenaren aan die bevoegd zijn om maatregelen te nemen om blootstelling aan chemische factoren in het leefmilieu, die een potentieel gevaar voor schadelijke gezondheidseffecten bij de mens inhouden, tegen te gaan.

§2. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1:
1°     nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale gezondheidsautoriteiten die ter zake bevoegd zijn om de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan chemische factoren tegen te gaan;
2°     hebben, binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke bron is vastgesteld of wordt vermoed van een chemische factor die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur ’s avonds en vijf uur ’s morgens is de toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten;
3°     mogen binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht:
a)     elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten om zich ervan te vergewis-sen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b)     bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.

§3. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen, met behoud van de toepassing van de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambtena-ren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en na voorafgaand overleg met die toezichthoudende ambtenaren:
1°    monitoring bevelen om de oorzaak van de verspreiding van de chemische factoren in het leefmilieu, vermeld in paragraaf 1, op te sporen en te karakteriseren;
2°    maatregelen als vermeld in paragraaf 1 bevelen die onder meer kunnen strekken tot: 
a)    de sluiting van de plaats, ruimte of inrichting die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
b)    de stopzetting, al dan niet gedeeltelijk in tijd en ruimte, van de activi-teit of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
c)    de detoxificatie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
d)    het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
e)    het uitvoeren van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1.

De ambtenaren, vermeld in artikel 44, §3, 5°, passen de maatregel, ver-meld in het eerste lid, aan of beëindigen de maatregel in functie van de vermindering van het risico op verdere verspreiding van de contaminatie vanuit de plaats, ruimte, inrichting of installatie.

§4. De ambtenaar die de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, genomen heeft deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1°    de inhoud van de maatregel;
2°    de motivering van de maatregel;
3°    de periode waarbinnen gevolg gegeven moet worden aan de maatregel;
4°    de naam, de functie en de standplaats van de betrokken ambtenaar;
5°    de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
6°    de beroepsprocedure;
7°    de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
    
De elementen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 6°, worden voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is ook mondeling toegelicht aan de betrokke-ne.
    
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de elementen, vermeld in het eerste lid, in geval van hoogdringendheid ook mondeling aan de betrokkene worden meegedeeld, op voorwaarde dat de maatregelen binnen een periode van vijf werkdagen schriftelijk bekrachtigd worden.
    
§5. Iedere betrokkene heeft de plicht de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de aanvullende informatie mee te delen die de ambtenaren noodzakelijk achten om de maatregelen te bevelen die aan de situatie aangepast zijn.

§6. Als niet binnen de periode, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gevolg wordt gegeven aan de bevelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

§7. Als de bevolen maatregelen, vermeld in paragraaf 3, niet worden nageleefd, zijn de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd.
 

Artikel 53/3. ( 17/06/2024 - ... )

§1. De Vlaamse Regering wijst ambtenaren aan die bevoegd zijn om maatregelen te nemen om blootstelling aan fysische factoren in het leefmilieu, die een potentieel gevaar voor schadelijke gezondheidseffecten bij de mens inhouden, tegen te gaan.

§2. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1:
1°     nemen, zo nodig, contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale gezondheidsautoriteiten die ter zake bevoegd zijn, om de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan fysische factoren tegen te gaan;
2°     hebben, binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht, van vijf uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds vrije toegang tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke bron is vastgesteld of wordt vermoed van een fysische factor die een bijzonder gevaar vormt voor de volksgezondheid. Tussen negen uur ’s avonds en vijf uur ’s morgens is de toegang beperkt tot collectieve inrichtingen waar personen overnachten;
3°     mogen binnen de perken van hun opdracht en als dat noodzakelijk wordt geacht:
a)     elk onderzoek, elke controle en elke enquête instellen, alsook alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten om zich ervan te vergewis-sen dat de decreets- en reglementsbepalingen worden nageleefd;
b)     bij de uitoefening van hun ambt de bijstand van de lokale of federale politie vorderen.

§3. De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, kunnen, met behoud van de toepassing van de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambtena-ren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en in geval die verantwoordelijkheden van toepassing zijn na voorafgaand overleg met die toezichthoudende ambtenaren:
1°     monitoring bevelen om de oorzaak van de verspreiding van de fysische factoren in het leefmilieu, vermeld in paragraaf 1, op te sporen en te karakteriseren;
2°     maatregelen als vermeld in paragraaf 1 bevelen die onder meer kunnen strekken tot: 
a)    de sluiting van de plaats, ruimte of inrichting die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1;
b)    de stopzetting, al dan niet gedeeltelijk in tijd en ruimte, van de activiteit of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
c)    de detoxificatie van de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
d)    het aanbrengen van wijzigingen in de procesvoering die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1; 
e)    het uitvoeren van werkzaamheden aan de plaats, ruimte, inrichting of installatie die de oorzaak kan zijn van het gevaar, vermeld in paragraaf 1.

De ambtenaren, vermeld in artikel 44, §3, 5°, passen de maatregel, vermeld in het eerste lid, aan of beëindigen de maatregel in functie van de vermindering van het risico op verdere verspreiding van de contaminatie vanuit de plaats, ruimte, inrichting of installatie.

§4. De ambtenaar die de maatregelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, genomen heeft, deelt aan de betrokkene schriftelijk minstens de volgende gegevens mee:
1°     de inhoud van de maatregel;
2°     de motivering van de maatregel;
3°     de periode waarbinnen gevolg gegeven moet worden aan de maatregel;
4°     de naam, de functie en de standplaats van de betrokken ambtenaar;
5°     de vermelding van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen;
6°     de beroepsprocedure;
7°     de wijze van evaluatie van de genomen maatregel, de duur ervan, alsook de wijze van een eventuele aanpassing van de maatregel.
    
De elementen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 6°, worden voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is ook mondeling toegelicht aan de betrokke-ne.
    
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de elementen, vermeld in het eerste lid, in geval van hoogdringendheid ook mondeling aan de betrokkene worden meegedeeld, op voorwaarde dat de maatregelen binnen een periode van vijf werkdagen schriftelijk bekrachtigd worden.
    
§5. Iedere betrokkene heeft de plicht de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de aanvullende informatie mee te delen die de ambtenaren noodzakelijk achten om de maatregelen te bevelen die aan de situatie aangepast zijn.

§6. Als niet binnen de periode, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 3°, gevolg wordt gegeven aan de bevelen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

§7. Als de bevolen maatregelen, vermeld in paragraaf 3, niet worden nageleefd, zijn de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren die aangewezen zijn in het kader van titel XVI het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd.

Artikel 54. ( 17/06/2024 - Datum te bepalen door de Vlaamse Regering )

§ 1. De Vlaamse regering kan een netwerk oprichten voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling en/of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, met de bedoeling maatregelen te kunnen nemen om de volksgezondheid te beschermen.

§ 2. De Vlaamse regering neemt minstens maatregelen voor de ontwikkeling en uitvoering van een programma voor biomonitoring.

§2/1. De Vlaamse Regering kan een initiatief nemen om een programma om het exposoom vast te stellen, te ontwikkelen en uit te voeren.

§2/2. De Vlaamse Regering neemt het initiatief om een netwerk voor milieugerelateerde gezondheidsgegevens op te richten.

§ 3. Ter uitvoering van § 1, kan de Vlaamse regering een fonds oprichten en bepaalt ze de werking en de omvang en de wijze van financiering ervan. Hiertoe kan een verplichte financiÙle bijdrage opgelegd worden ten laste van bedrijven en/of burgers die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid.

Artikel 54/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( Datum te bepalen door de Vlaamse Regering - ... )

§1. De initiatieven of maatregelen, vermeld in artikel 51, 53, 53/1 en 54, kunnen gefinancierd worden door middel van het fonds, vermeld in artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998. De Vlaamse Regering kan de werking en de wijze van financiering van het fonds nader preciseren voor de voormelde initiatieven of maatregelen en voor de inkomsten, vermeld in paragraaf 2 en 3. 

§2. Voor de financiering van het fonds, vermeld in paragraaf 1, kan een vrijwillige financiële bijdrage geleverd worden door bedrijven of burgers die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid.
§3. De financiering van het fonds, vermeld in paragraaf 1, laat ook een vrijwillige financiële bijdrage toe in het kader van:
1°    het vervuilerbetaaltprincipe;
2°    gedeelde beleidsmatige verantwoordelijkheid, als er een duidelijke beleidsmatige verantwoordelijkheid is vastgesteld;
3°    gemeenschappelijke wetenschappelijke interesse, met het oog op puren van leereffecten uit de vervuiling.

Het fonds kan in geen geval gefinancierd worden door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest.
 

Artikel 55. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven die, met betrekking tot de fysische of chemische factoren, een facettenbeleid vergemakkelijken of mogelijk maken, en dit minstens met betrekking tot verzorgingsvoorzieningen, waterrecreatie, mobiliteit en huisvesting.

AFDELING 3 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT RUIMTELIJKE EN MATERIËLE FACTOREN (... - ...)

Artikel 56. ( ... - ... )

De Vlaamse regering kan, in het kader van haar facettenbeleid, initiatieven nemen met betrekking tot materiële en ruimtelijke factoren.

Die initiatieven hebben onder meer betrekking op:

1° het plannen of inrichten van de materiële en ruimtelijke omgeving om de levenskwaliteit te bevorderen en/of schade aan de gezondheid te voorkomen;

2° het opsporen van materiële en ruimtelijke factoren die een bedreiging vormen voor de gezondheid.

AFDELING 4 INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT GEZONDHEIDSIMPACT DOOR KLIMAATVERANDERING (17/06/2024 - ...)

Artikel 56/1. ( 17/06/2024 - ... )

De Vlaamse Regering kan initiatieven nemen om gezondheidsimpact door klimaatverandering te detecteren, te voorkomen en te bestrijden.

De initiatieven, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer betrekking op:
1°     gezondheidsimpactanalyse; 
2°     surveillance van gezondheidsimpact door klimaatverandering;
3°     de gezondheidsaspecten van klimaatmitigatie en -adaptatie;
4°     sensibilisering.

De Vlaamse Regering neemt minstens initiatieven om een klimaatgezondheidsplan te ontwikkelen en uit te voeren.

HOOFDSTUK II INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT LEEFSTIJLFACTOREN (... - ...)

Artikel 57. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van lichaamsbeweging die bijdraagt tot de gezondheid. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op:

1° het aanzetten tot gezonde vormen van lichaamsbeweging om bewegingsarmoede te bestrijden en/of om letsels of andere vormen van gezondheidsschade te voorkomen;

2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door gebrek aan lichaamsbeweging of door ongezonde vormen van lichaamsbeweging.

Artikel 58. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van gezonde eetgewoonten. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op:

1° het aanzetten tot gezonde eetgewoonten om een normale ontwikkeling en een normaal functioneren van de persoon toe te laten en/of gezondheidsschade te voorkomen;

2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid, te wijten aan ongezonde eetgewoonten.

Artikel 59. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen van ongevallen. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het aanzetten tot veilig gedrag, zowel in de publieke als in de private sfeer.

Artikel 60. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een gezond gebit. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op:

1° het aanzetten tot een goede gebitsverzorging;

2° het opsporen van bedreigingen voor een gezond gebit.

Artikel 61. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van de seksuele gezondheid. Die initiatie-ven hebben onder meer betrekking op:

1° het aanzetten tot een huidig of toekomstig gezond seksueel gedrag;

2° het opsporen van bedreigingen voor de gezondheid door seksueel gedrag.

Artikel 62. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het bevorderen van een adequate stresshantering. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het voorkomen of beperken van stress en/of het beter leren omgaan ermee.

Artikel 63. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven tot het voorkomen of beperken van gezondheidsschade door middelengebruik en gokken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking hebben op:

1° het voorkomen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken;

2° het opsporen van problematisch middelengebruik of problematisch gokken.

HOOFDSTUK III INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT DE SOCIALE OMGEVINGSFACTOREN (... - ...)

Artikel 64. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering kan initiatieven nemen om een gezondheidsbevorderende sociale omgeving te ondersteunen en om bedreigende factoren in de sociale omgeving tegen te gaan. Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° de schoolomgeving;
2° de werkomgeving;
3° de leefomgeving.

TITEL VI INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT ENDOGENE FACTOREN (... - ...)

HOOFDSTUK I INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT GENETISCHE FACTOREN (... - ...)

Artikel 65. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven om gezondheidsschade door genetische factoren te voorkomen of te beperken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op:

1° het aanbieden van de mogelijkheid tot opsporing van dragerschap van genetische aandoeningen met het oog op het voorkomen van aandoeningen bij nakomelingen:

a) bij de personen, bedoeld in artikel 8, als zij erom vragen en als er een verhoogd risico bestaat;

b) bij vooraf omschreven bevolkingsgroepen;

2° het aanbieden van de mogelijkheid tot opsporing van de aanleg voor genetisch bepaalde ziekten en aandoeningen met het oog op het voorkomen of beperken van gezondheidsschade bij de onderzochte personen.

HOOFDSTUK II INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT VERWORVEN FACTOREN (... - ...)

Artikel 66. ( ... - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven om gezondheidsschade door verworven factoren te voor-komen of te beperken. Die initiatieven hebben onder meer betrekking op het opsporen van risico's met betrekking tot verworven factoren ter voorkoming van sommige ziekten en aandoeningen, bedoeld in artikel 67 tot en met artikel 72.

TITEL VII INITIATIEVEN, GERICHT OP SPECIFIEKE ZIEKTEN EN AANDOENINGEN (... - ...)

Artikel 67. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van hart- en vaatziekten. Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het voorkomen van hart- en vaatziekten door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van hart- en vaatziekten in een zo vroeg mogelijk stadium.

Artikel 68. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van kanker.

Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het voorkomen van kanker door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van kanker in een zo vroeg mogelijk stadium.

Artikel 69. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van psychische aandoeningen. Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het voorkomen van psychische aandoeningen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van psychische aandoeningen in een zo vroeg mogelijk stadium.

Artikel 70. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van aangeboren aandoeningen. Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het voorkomen van aangeboren aandoeningen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het aanbieden van de mogelijkheid tot het opsporen van aangeboren aandoeningen, die al dan niet genetisch bepaald zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium.

Artikel 71. ( 01/01/2017 - ... )

De Vlaamse regering neemt initiatieven ter preventie van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen. Die initiatieven kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het voorkomen van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen door in te grijpen op determinanten en bronnen van gevaar of bedreigende factoren;
2° het opsporen van zintuiglijke en ontwikkelingsstoornissen in een zo vroeg mogelijk stadium.

Artikel 72. ( ... - ... )

De Vlaamse regering kan initiatieven nemen ter preventie van andere ziekten of aandoeningen dan die welke bedoeld zijn in artikelen 67 tot 71.

TITEL VIII [ONDERBOUWING VAN HET PREVENTIEVE GEZONDHEIDSBELEID (verv. decr. 15 juli 2016, art. 14, I: 1 januari 2017)] (... - ...)

Artikel 73. ( 01/01/2017 - ... )

De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 39 tot en met 72 en artikel 74, worden genomen op basis van wetenschappelijk onderbouwde gegevens en zijn gericht op het behalen van gezondheidswinst op Vlaams bevolkingsniveau tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten of op het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid.

Artikel 73/1. ( 17/06/2024 - ... )

De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 51, 52, 53, 53/1, 53/2, 53/3 en 55, worden uitgevaardigd na een voorafgaande causaliteitsanalyse van de relatie tussen de betreffende fysische of chemische factor en de mogelijke gezondheidseffecten van de betreffende factor.

Bij de causaliteitsanalyse, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehou-den met de volgende criteria:
1°    de sterkte van de afhankelijkheid tussen de factor en het gezondheidseffect;
2°    de consistentie waarmee de afhankelijkheid al is vastgesteld;
3°    de specificiteit van het verband tussen de factor en het gezondheidseffect;
4°    de temporaliteit, waarbij de factor voorafgaat aan het gezondheidseffect;
5°    het biologische verloop van de afhankelijkheid;
6°    de plausibiliteit van de afhankelijkheid;
7°    de coherentie van de afhankelijkheid; 
8°    het experimentele bewijs dat aanwezig is voor de afhankelijkheid.

De initiatieven en maatregelen, vermeld in artikel 53, 53/2 en 53/3, worden onderbouwd door middel van een milieugerelateerde gezondheidskundige impactinschatting.

TITEL IX INITIATIEVEN MET BETREKKING TOT SPECIFIEKE LEEFTIJDSCATEGORIEËN OF ONTWIKKELINGSFASEN (... - ...)

Artikel 74. ( ... - ... )

De Vlaamse regering kan, ter uitvoering van artikel 6, initiatieven nemen die zich onder meer richten tot zwangere vrouwen, jonge kinderen, schoolgaanden, beroepsactieven en/of ouderen.

Artikel 75. ( 18/04/2019 - ... )

De maatregelen, genomen ter uitvoering van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie en het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, die betrekking hebben op de preventieve gezondheidszorg moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

[TITEL IXbis Erkenning van afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, van departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en van gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk (ing. decr. 20 maart 2009, art. 22)] (... - ...)

Artikel 75bis. ( 12/09/2009 - ... )

§ 1. De Vlaamse Regering erkent afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk. Dat gebeurt conform de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de erkenning en de regels voor het verlenen, schorsen en intrekken van de erkenning.

§ 2. De erkende afdelingen en departementen, vermeld in § 1, moeten verantwoording afleggen en zijn onderworpen aan een toezicht. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels bepalen.

§ 3. De Vlaamse Regering richt een Vlaamse werkgroep bedrijfsgezondheidszorg op, waarin ten minste de werkgeversorganisaties, de werknemersorganisaties en andere deskundigen inzake bedrijfsgezondheidszorg zijn vertegenwoordigd.

De opdracht van de werkgroep, vermeld in het eerste lid, bestaat er in ieder geval in :
1° de Vlaamse Regering op haar verzoek of op eigen initiatief van de werkgroep te adviseren over de bedrijfsgezondheidszorg in het algemeen;
2° de Vlaamse Regering op haar verzoek of op eigen initiatief van de werkgroep te adviseren over de ontwerpen van regelgeving ter uitvoering van dit artikel en ter uitvoering van artikel 80, § 1, tweede lid;
3° de Vlaamse Regering te adviseren over alle concrete dossiers in verband met § 1, met het oog op een beslissing tot erkenning of met het oog op een voornemen tot weigering, schorsing of intrekking van erkenning.

De Vlaamse Regering kan bijkomende opdrachten toekennen aan de werkgroep.

De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de werkingsmodaliteiten en de financiering van de werkgroep.

TITEL X SANCTIES (... - ...)

HOOFDSTUK I ADMINISTRATIEVE SANCTIES (... - ...)

AFDELING 1 ADMINISTRATIEVE GELDBOETE (... - ...)

Artikel 76. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. Er kan een administratieve geldboete van 100 tot 100.000 euro opgelegd worden aan iedereen die een van de volgende verplichtingen niet naleeft:
1° bevolkingsonderzoek als vermeld in artikel 31, § 2, organiseren, uitvoeren of promoten, of meewerken aan het organiseren, uitvoeren of promoten van bevolkingsonderzoek, zonder dat voor het bevolkingsonderzoek in kwestie toestemming is verleend;
2° gegevens uitwisselen in het kader van het epidemiologisch informatiesysteem, zoals bedoeld in artikel 32, § 2;
3° ...
4° zich verantwoorden of zich onderwerpen aan een toezicht, zoals bedoeld in artikel 36 en in artikel 75bis, § 2;
5° meewerken aan het registratiesysteem, vermeld in artikel 43/1;
5°/1     geanonimiseerd rapporteren van de infectieziekten, vermeld in artikel 44, §3, 4°;
6° infectieziekten melden als vermeld in artikel 45, §1;
7° aanvullende informatie meedelen aan de ambtenaar-arts en de ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 48.

§ 2. Het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete wordt door de administratie soeverein bepaald, rekening houdend met de ernst van de inbreuken op de bepalingen.

§ 3. Deze geldboete kan pas opgelegd worden nadat:
1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;
2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;
3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete. Ze wijst de ambtenaren aan die de geldboete kunnen opleggen.

§ 5. Indien een geldboete niet betaald wordt, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

§ 6. De vordering tot voldoening van een administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

AFDELING 2 INHOUDING OF TERUGVORDERING VAN SUBSIDIES (... - ...)

Artikel 77. ( ... - ... )

§ 1. De subsidie kan geheel of gedeeltelijk ingehouden of teruggevorderd worden als:

1° geen bijzondere aandacht wordt besteed aan de bevolkingsgroepen en de toegankelijkheid, zoals bedoeld in artikel 7;

2° geen medewerking wordt verleend aan de realisatie van de gezondheidsdoelstellingen, zoals bedoeld in artikel 19, § 1;

3° het Logo niet handelt conform artikel 30, º 3, tweede lid;

4° de subsidies worden aangewend voor andere opdrachten dan die welke bedoeld worden in artikel 37;

5° de verplichting tot het kenbaar maken van andere financiële middelen, zoals bedoeld in artikel 38, § 1, niet wordt nageleefd.

§ 2. Het bedrag van de inhouding of terugvordering van de subsidie wordt door de administratie soeverein bepaald, rekening houdend met de ernst van de inbreuken op die bepalingen.

§ 3. De inhouding of terugvordering van de subsidie kan pas uitgevoerd worden nadat:

1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;

2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;

3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.

AFDELING 3 SCHORSING OF INTREKKING VAN DE ERKENNING (... - ...)

Artikel 78. ( ... - ... )

§ 1. Een erkenning van een Logo, een partnerorganisatie, een organisatie met terreinwerking of een individuele zorgaanbieder kan geschorst of ingetrokken worden als ze niet of niet meer voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet.

§ 2. Een erkenning kan pas geschorst of ingetrokken worden nadat:

1° de betrokkene van de administratie een schriftelijke aanmaning heeft ontvangen om zich in regel te stellen;

2° de betrokkene in kwestie zich niet in regel heeft gesteld binnen de door de administratie bepaalde termijn;

3° de betrokkene werd uitgenodigd om gehoord te worden door de administratie.

HOOFDSTUK II STRAFSANCTIES (... - ...)

Artikel 79. ( 17/06/2024 - ... )

Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden gestraft met een geldboete van 26 tot 500 euro en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen:
1° degenen die geen gevolg geven aan de dwangmaatregelen, vermeld in artikel 41, § 1, § 5 en § 6 en artikel 47, of die de uitvoering of naleving ervan verhinderen of belemmeren;
2° degenen die de toegang, bedoeld in artikel 41, § 3, en in artikel 46, 2°, verhinderen of belemmeren;
3° degenen die de uitoefening van de bevoegdheden van de ambtenaar verhinderen of belemmeren of die de ambtenaar verhinderen of belemmeren bij de uitvoering van artikel 41, § 4 en 46, 3°;
4° degenen die de beslissing na beroep, vermeld in artikel 81, § 3, niet uitvoeren of niet naleven, of die de uitvoering of de naleving ervan verhinderen of belemmeren;
5°     degenen die de verplichting tot melding van infectieziekten, vermeld in artikel 45, §1, niet naleven;
6°     degenen die geen gevolg geven aan de bevelen of dwangmaatregelen, vermeld in artikel 41, §5/1, of artikel 47/1.

Artikel 79/1. ( 17/06/2024 - ... )

Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden degenen die geen gevolg geven aan de bevelen of dwangmaatregelen, vermeld in artikel 53/2 of artikel 53/3, gestraft met een geldboete van 26 tot 500 euro en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen.

TITEL XI BEROEPSPROCEDURES (... - ...)

HOOFDSTUK I BEROEPSPROCEDURE BIJ DE [ADVIESCOMMISSIE VOOR VOORZIENINGEN VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN (verv. decr. 20 maart 2009, art. 24, I: 1 januari 2014)] (... - ...)

Artikel 80. ( 01/01/2014 - ... )

§ 1. Met betrekking tot de Logo's, de partnerorganisaties, en desgevallend de organisaties met terreinwerking en de individuele zorgaanbieders, regelt de Vlaamse regering de procedure inzake erkenning en inzake schorsing en intrekking van de erkenning.

Met betrekking tot de afdelingen medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, de departementen medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, regelt de Vlaamse Regering de procedure voor erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning.

§ 2. De Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geeft advies met betrekking tot bezwaar- of verweermiddelen die in het kader van deze procedures ingediend worden bij een voornemen tot weigering, schorsing of intrekking van erkenning.

HOOFDSTUK II BEROEPSPROCEDURE BIJ EEN BEROEPSCOLLEGE (... - ...)

Artikel 81. ( 17/06/2024 - ... )

§ 1. Tegen de maatregelen, bedoeld in artikel 47, § 1, 1°, 1°/1 en 3°, kan de betrokkene beroep aantekenen met een gemotiveerde en aangetekende brief bij een door de Vlaamse regering aangesteld beroepscollege, op het adres van de administratie. Dit beroep is niet opschortend.

§ 2. Het beroepscollege bestaat uit drie onafhankelijke leden die deskundig zijn op het vlak van besmettelijke ziekten. De leden van dit beroepscollege mogen niet tewerkgesteld zijn bij de administratie en mogen niet betrokken zijn bij de behandeling van de persoon aan wie het bevel is gegeven.

§ 3. Het beroepscollege doet een bindende uitspraak binnen tien werkdagen na ontvangst van het beroep. Wanneer er binnen die termijn geen beslissing genomen wordt, vervalt de maatregel.

Het beroepscollege betekent zijn uitspraak over het beroep aan de betrokkene met een aangetekende brief en bezorgt een afschrift van de uitspraak aan de betrokken ambtenaar-arts.

§ 4. De Vlaamse regering werkt de beroepsprocedure nader uit, onder meer inzake de samenstelling van het beroepscollege en inzake de wijze van vergoeding van het beroepscollege.

TITEL XII OPHEFFINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN (... - ...)

Artikel 82. ( ... - ... )

§ 1. (niet opgenomen)

(Heft op:

1° het decreet van 5 april 1995 betreffende de profylaxe van besmettelijke ziekten;

2° het decreet van 6 juli 2001 houdende de primaire preventie van schadelijke effecten bij de mens, veroorzaakt door biologische agentia)

§ 2. In afwachting van het in werking treden van de besluiten ter uitvoering van dit decreet, blijft de terzake geldende regelgeving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht is, van toepassing.

Het betreft de regelgeving met betrekking tot:

1° gezondheidspromotie;

2° metabole aandoeningen;

3° borstkankeropsporing;

4° primaire preventie van schadelijke effecten bij de mens, veroorzaakt door biologische agentia;

5° profylaxe van besmettelijke ziekten;

6° centra voor menselijke erfelijkheid.

Artikel 83. ( 01/12/2009 - ... )

...


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 04/04/2025