Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen

Datum 11/03/2005

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. HOOFDSTUK II EPB-EISEN BIJ NIEUWBOUW
    1. AFDELING 1 THERMISCHE ISOLATIE
    2. AFDELING 2 VENTILATIE
    3. AFDELING 3 E-PEIL EN OVERVERHITTING
    4. [AFDELING 4 HAALBAARHEIDSSTUDIES VOOR ALTERNATIEVE ENERGIESYTSTEMEN (ing. BVR 23 november 2007, art. 2)]
  3. HOOFDSTUK III EPB-EISEN BIJ HERBOUWEN, UITBREIDEN, VERBOUWEN EN FUNCTIEWIJZIGING
  4. HOOFDSTUK IV VRIJSTELLINGEN EN AFWIJKINGEN
  5. [HOOFDSTUK IVbis ENERGIEPRESTATIECERTIFICAAT (ing. B.V.R. 2 december 2005, art. 1)]
  6. HOOFDSTUK V UITVOERINGS- EN HANDHAVINGSMAATREGELEN
  7. HOOFDSTUK VI OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
  8. BIJLAGE I Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen
  9. BIJLAGE II Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen.
  10. BIJLAGE III Maximaal toelaatbare U-waarden of minimaal te realiseren R-waarden
  11. BIJLAGE IV Behandeling van koudebruggen
  12. BIJLAGE V Ventilatievoorzieningen in woongebouwen
  13. BIJLAGE VI Ventilatievoorzieningen in niet-residentiële gebouwen

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN (... - ...)

Artikel 1. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 2. ( 01/01/2011 - ... )

...

HOOFDSTUK II EPB-EISEN BIJ NIEUWBOUW (... - ...)

AFDELING 1 THERMISCHE ISOLATIE (... - ...)

Artikel 3. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 4. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 5. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 6. ( 01/01/2011 - ... )

...

AFDELING 2 VENTILATIE (... - ...)

Artikel 7. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 8. ( 01/01/2011 - ... )

...

AFDELING 3 E-PEIL EN OVERVERHITTING (... - ...)

Artikel 9. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 10. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 11. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 12. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 13. ( 01/01/2011 - ... )

...

[AFDELING 4 HAALBAARHEIDSSTUDIES VOOR ALTERNATIEVE ENERGIESYTSTEMEN (ing. BVR 23 november 2007, art. 2)] (... - ...)

Artikel 13bis. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 13ter. ( 01/01/2011 - ... )

...

HOOFDSTUK III EPB-EISEN BIJ HERBOUWEN, UITBREIDEN, VERBOUWEN EN FUNCTIEWIJZIGING (... - ...)

Artikel 14. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 15. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 16. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 17. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 18. ( 01/01/2011 - ... )

...

HOOFDSTUK IV VRIJSTELLINGEN EN AFWIJKINGEN (... - ...)

Artikel 19. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 19bis. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 19ter. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 20. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 20bis. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 20ter. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 21. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 22. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 22bis. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 23. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 24. ( 01/01/2011 - ... )

...

[HOOFDSTUK IVbis ENERGIEPRESTATIECERTIFICAAT (ing. B.V.R. 2 december 2005, art. 1)] (... - ...)

Artikel 24bis. ( 01/01/2011 - ... )

opgeheven
...

HOOFDSTUK V UITVOERINGS- EN HANDHAVINGSMAATREGELEN (... - ...)

Artikel 25. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 26. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 27. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 28. ( 01/01/2011 - ... )

...

HOOFDSTUK VI OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN (... - ...)

Artikel 29. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 30. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 31. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 32. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 33. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 34. ( 01/01/2011 - ... )

...

Artikel 35. ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE I Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen (... - ...)

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2006 - Datum te bepalen door de minister )

2. Definities

- Aangrenzende onverwarmde ruimte (AOR): een aangrenzende ruimte die buiten een beschermd volume gelegen is en niet verwarmd wordt.

- Aangrenzende verwarmde ruimte (AVR): een aangrenzende ruimte die binnen een beschermd volume gelegen is. Bij de bepaling van de energieprestatie wordt aangenomen dat er geen warmteuitwisseling met dergelijke ruimten optreedt. Er kunnen 3 verschillende contexten onderscheiden worden:
- AVR grenzend aan het beschermd volume dat men beschouwt. Bijvoorbeeld een ruimte gelegen binnen het beschermd volume van een bestaand gebouw op een belendend perceel of van een bestaand gebouwdeel op eigen perceel. Dit laatste geval kan bv. van toepassing zijn bij een uitbreiding van een gebouw.
- AVR grenzend aan het ‘EP-volume’ dat men beschouwt. Bijvoorbeeld:
* een ruimte gelegen in een aangrenzend ‘EP-volume’ (binnen het eigen beschermd volume),
* of een andere ruimte (waaraan geen energieprestatie-eisen gesteld worden) gelegen binnen het eigen beschermd volume (bv. een gemeenschappelijke traphal in een appartementsgebouw, …),
* of nog, een ruimte gelegen in een aanpalend beschermd volume.
- AVR grenzend aan de energiesector die men beschouwt. Bijvoorbeeld:
* een ruimte gelegen in een aangrenzende energiesector (binnen het eigen ‘EP-volume’),
* of een ruimte gelegen in een aangrenzend ‘EP-volume’,
* of een andere ruimte gelegen binnen het eigen beschermd volume,
* of nog, een ruimte gelegen in een aanpalend beschermd volume.
OPMERKING: zie ook 5.2 voor conventies m.b.t. ruimten in bestaande aanpalende gebouwen of gebouwdelen.

- Benuttingsfactor van de warmtewinsten: fractie van de warmtewinsten door bezonning en interne bronnen, die voor een afname van de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming in het beschermd volume zorgt.

- Beschermd volume: het volume van alle ruimten in een gebouw dat thermisch afgeschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), de grond en alle aangrenzende ruimten die niet tot een beschermd volume behoren.

- Bruto energiebehoefte voor ruimteverwarming: energie die door de warmteopwekkingsinstallatie voor ruimteverwarming aan het verdeelsysteem (of opslagsysteem) voor ruimteverwarming wordt overgedragen.

- Bruto energiebehoefte voor warm tapwater: energie die door de warmteopwekkingsinstallatie voor warm tapwater aan het verdeelsysteem voor warm tapwater wordt overgedragen.

- Buitentemperatuur: de gemiddelde temperatuur van de buitenlucht over een bepaalde periode, in deze bijlage 1 maand.

- Centrale verwarming: installatie voor verwarming waarbij een warmtetransporterend fluïdum de opgewekte warmte naar meer dan één ruimte binnen het beschermd volume transporteert.

- Collectieve verwarming: installatie bedoeld voor de verwarming van meer dan één wooneenheid of meer dan één woongebouw.

- Deellastrendement: het opwekkingsrendement van een installatie onder gedeeltelijke belasting.

- Energiesector: een deel van het beschermd volume met homogene technische installaties. In woongebouwen is er in de meeste gevallen sprake van slechts 1 energiesector en valt dit samen met het beschermd volume.

- Energieverbruik voor verwarming: eindenergie nodig om de bruto energiebehoefte voor ruimteverwarming, inclusief de hulpenergie voor het functioneren van de installatie, te dekken.

- Energieverbruik voor warm tapwater: eindenergie nodig om de bruto energiebehoefte voor warm tapwater te dekken.

- EP-volume: een gebouw of deel van een gebouw waarvoor de energieprestatie bepaald wordt. Er worden 2 types onderscheiden:
* EPW-volume: een woning of wooneenheid waarvoor de energieprestatie bepaald wordt volgens onderhavige bijlage;
* EPU-volume: een gebouw of deel van een gebouw met een kantoor- of schoolbestemming waarvoor de energieprestatie bepaald wordt volgens bijlage II bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen).

- Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem: voorziening voor de opvang en omzetting van zonne-energie in elektriciteit.

- Gebruiksoppervlakte: de vloeroppervlakte, bepaald zoals beschreven in hoofdstuk 2 van bijlage II bij dit besluit.

- In/exfiltratiedebiet: hoeveelheid buitenlucht die per tijdseenheid door infiltratie het beschermd volume of een energiesector binnenkomt.

- Interne warmteproductie: de warmte van personen, verlichting, ventilatoren, pompen en alle andere apparatuur, die binnen het beschermd volume vrijkomt.

- Inwendige scheidingsconstructie: constructie of deel van een constructie dat de scheiding vormt tussen het beschermd volume en een aangrenzende, al dan niet verwarmde ruimte.

- Karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik: het jaarlijks primair energieverbruik voor ruimteverwarming, de opwekking van warm tapwater, (fictieve) koeling, hulpfuncties, en in geval van kantoren en scholen ook verlichting, berekend volgens de methode beschreven in deze bijlage voor woongebouwen en in bijlage II bij dit besluit voor kantoren en scholen. De primaire energiebesparing door zelfopgewekte elektriciteit m.b.v. een fotovoltaïsch systeem of m.b.v. een installatie voor gecombineerde warmtekrachtopwekking wordt in mindering gebracht.

- Karakteristieke luchtdoorlatendheid: het luchtdebiet bij een drukverschil van 50 Pa, als afgeleid uit de druk / luchtdebiet karakteristiek van het betreffende woongebouw of berekend volgens de methode bij ontstentenis, gegeven in dit reglement.

- Mechanische ventilatie: ventilatie die door één of meerdere ventilatoren tot stand wordt gebracht.

- Natuurlijke ventilatie: ventilatie die onder invloed van wind en het temperatuurverschil tussen de lucht buiten en de lucht binnen tot stand komt.

- Netto energiebehoefte voor ruimteverwarming: energie die nodig zou zijn om het beschermd volume gedurende een zekere periode, in deze bijlage 1 maand, op binnentemperatuur te houden bij gebruik van een installatie met systeem- en opwekkingsrendement 1.

- Netto energiebehoefte voor warm tapwater: energie die nodig zou zijn om gedurende een zekere periode, in deze bijlage 1 maand, het warm tapwater van koud naar de gewenste temperatuur op te warmen bij gebruik van een installatie met systeem- en opwekkingsrendement 1.

- Opaak: geen zonnestraling doorlatend (Tegenovergestelde van 'Transparant').

- Peil van primair energieverbruik: verhouding tussen het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik van het beschermd volume en een referentie karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, vermenigvuldigd met 100.

- Plaatselijke verwarming: installatie voor ruimteverwarming waarbij de warmte wordt afgegeven in de ruimte waar zij wordt geproduceerd.

- Prestatiecoëfficiënt (COP): de verhouding tussen het verwarmingsvermogen en het opgenomen vermogen van een warmtepomp (coëfficiënt of performance).

- Opwekkingsrendement: verhouding van de door een warmteopwekkingstoestel extern afgeleverde warmte tot de verbruikte energie.

- Rendement van een thermisch zonne-energiesysteem: verhouding van de maandelijkse nuttige energiebijdrage tot de energie die de zon maandelijks aan het systeem levert.

- Seizoensprestatiefactor: de verhouding tussen de afgegeven warmte en de verbruikte energie bij een warmtepomp gedurende een zekere periode.

- Specifiek warmteverlies door transmissie: warmteverlies door transmissie door een verzameling scheidingsconstructies per Kelvin temperatuurverschil tussen de omgevingen aan beide kanten ervan.

- Specifiek warmteverlies door ventilatie: warmteverlies per Kelvin temperatuurverschil als gevolg van het verwarmen van het luchtdebiet dat per tijdseenheid door ventilatie en infiltratie het beschermd volume binnenkomt.

- Systeemrendement: fractie van de opgewekte bruikbare warmte die effectief wordt benut. Het systeemrendement wordt opgesplitst in een verdelings- en een afgifterendement.

- Thermisch zonne-energiesysteem: voorziening voor de opvang en omzetting van zonne-energie in warmte.

- Transparant: zonnestraling in min of meerdere mate doorlatend, al dan niet met behoud van een helder beeld. ('Transparant' omvat dus zowel het begrip 'doorzichtig' als het begrip 'doorschijnend'.). Tegenovergestelde van 'Opaak'.

- Uitwendige scheidingsconstructie: constructie die of deel van een constructie dat de scheiding vormt tussen het beschermd volume en de buitenlucht, de grond of water.

- Venster: een scheidingsconstructie die (gedeeltelijk) lichtdoorlatend is.

- Ventilatiedebiet: hoeveelheid buitenlucht die per tijdseenheid door ventilatie wordt toegevoerd.

- Ventilatiezone: afgesloten deel van een gebouw met een onafhankelijk ventilatiesysteem.

- Verdeelrendement: fractie van de opgewekte warmte of koude die effectief aan de verwarmingselementen wordt geleverd. Staat bij een gebouwgebonden productie het opwekkingstoestel niet in het gebouw, dan zitten in het verdeelrendement ook de warmteverliezen van de leidingen tussen de plaats van opwekking en het gebouw.

- Vollastrendement: opwekkingsrendement van een warmte-opwekkingsinstallatie bij nominaal vermogen.

- Warmtedoorgangscoëfficiënt: de warmtedoorgang door een vlak constructiedeel per eenheid van oppervlakte, eenheid van tijd en eenheid van temperatuurverschil tussen de omgevingen aan beide zijden van het deel. Lijnkoudebruggen worden gekenmerkt door een lijnwarmtedoorgangscoëfficiënt, puntkoudebruggen door een puntwarmtedoorgangscoëfficiënt. Beide grootheden geven aan hoeveel warmte extra verloren gaat per eenheid van tijd en eenheid van temperatuurverschil door één lopende meter lijnkoudebrug of één punt-koudebrug in vergelijking met de warmtedoorgang door een vooraf afgesproken vlakke referentieconstructie zonder koudebruggen.

- (Gebouwgebonden) warmtekracht (WKK): gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte, waarbij de warmtelevering beperkt blijft tot de gebouwen op het eigen perceel en de totaal door de installatie te leveren warmte eenduidig kan worden vastgesteld.

- Warmtelevering door derden: levering van warmte die niet opgewekt wordt op het eigen perceel.

- Warmtetransporterend fluïdum: een vloeistof of gas waarmee thermische energie van 1 plaats naar een andere verplaatst wordt, bv. water in een radiatorencircuit of een antivriesoplossing in een bodemwarmtewisselaar van een warmtepomp.

- Warmteverlies: hoeveelheid warmte die het beschermd volume gemiddeld per eenheid van tijd verliest.

- Warmteverlies door transmissie: het warmteverlies als gevolg van warmtetransmissie.

- Warmteverlies door ventilatie: het warmteverlies als gevolg van het verwarmen van het ventilatie- en infiltratiedebiet in het beschermd volume tot de door de bijlage opgelegde binnentemperatuur.

- Warmtewinst: som van de zonnewinsten, die via de transparante scheidingsconstructies het beschermd volume binnenkomen, en van de interne warmteproductie.

- Woongebouw: gebouw bestemd voor individuele of collectieve huisvesting met permanente of tijdelijke bezetting.

- Zonnetoetredingsfactor van een beglazing: de verhouding tussen de bezonningsstroom die door een beglazing naar binnen komt en de bezonningsstroom die op de beglazing invalt. In de zonnetoetredingsfactor zitten zowel de directe en de diffuse transmissie als de indirecte winsten die het gevolg zijn van de absorptie van de bezonningsstroom. Voor het onderling vergelijken van beglazingssystemen wordt om meettechnische redenen de zonnetoetredingsfactor voor loodrecht invallende directe straling gebruikt.

BIJLAGE ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

3. Symbolen, afkortingen en indices

3.1 Symbolen en afkortingen

Symbool

Betekenis

Eenheden

A

(geprojecteerde) oppervlakte

m²

A

lucht (air)

 

AOR

aangrenzend onverwarmde ruimte

 

B

breedte

m

B

antivries fluïdum (brijn, brine)

 

C

compactheid

m

C

effectieve thermische capaciteit

J/K

COP

prestatiecoëfficiënt van een warmtepomp (coëfficiënt of performance)

-

E

karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik

MJ

E

peil van primair energieverbruik

-

EER

energie-efficiëntieverhouding van een koelmachine – (energy efficiency ratio)

 

F

(reductie)factor

-

H

specifiek warmteverlies

W/K

I

bezonning

MJ/m²

I

indicator (voor oververhitting)

Kh

L

specifiek warmteverlies

W/K

P

omtrek

m

P

vermogen

W

P

druk

Pa

Q

hoeveelheid warmte of energie

MJ

R

warmteweerstand

m2.K/W

RF

reductiefactor

-

SPF

seizoensprestatiefactor

-

U

spanning

V

U

warmtedoorgangscoëfficiënt

W/(m².K)

V

volume

m3

V·

luchtdebiet, ventilatiedebiet

m3/h

W

hoeveelheid elektriciteit

kWh

W

water

 

a

coëfficiënt, numerieke parameter, gebruiksfactor

-

b

coëfficiënt, numerieke parameter

-

c

correctiefactor

-

c

soortelijke warmte

J/(kg.K)

c

coëfficiënt

-

d

dikte

m

f

factor

-

g

zonnetoetredingsfactor

-

h

hoogte

m

l

lengte

m

m

vermenigvuldigingsfactor

-

m

maand

-

n

ventilatievoud

h-1

q

warmtestroomdichtheid

W/m²

r

reductiefactor, correctiefactor

-

t

tijd, tijdstip

s

z

diepte

m

α

absorptiecoëfficiënt

-

αh

horizonhoek

graden

αv, αsL, αsR

overstekhoeken

graden

γ

winst-verlies verhouding

-

η

rendement

-

λ

verlies-winst verhouding, warmtegeleidingscoëfficiënt

- , W/(m.K)

ω

uurhoek

graden

θ

temperatuur

°C

Φ

warmtestroom, vermogen

W

ρ

volumemassa

kg/m3

τ

tijdconstante

s

ψ

lijnwarmtedoorgangscoëffiënt

W/(m.K)

χ

invalshoek

graden

χ

puntwarmtedoorgangscoëfficiënt

W/K

 

 

3.2 Indices

< betekent: afgeleid van

a

jaar

abs

bij afwezigheid

adj

afstelling (< adjustment)

AHU

luchtbehandelingskast (< air handling unit)

al

luchtlaag

all

alle

ann

jaarlijks (< annual)

annih

vernietiging (< annihilation)

app

toestel (< apparatus)

artif

kunstlicht

artif area

kunstlichtdeel

as

actief zonne-energiesysteem (< active solar)

aux

hulp(-energie)

ave

gemiddeld

b

water in ketel

bath

badkamer

bf

keldervloer

boiler

ketel

bw

keldermuur

c

zonnewering

calc

berekend

char

karakteristiek

circ

circulatie, circulatieleiding

cogen

warmtekracht (koppeling)

cons

verbruik

cool

koeling

ctrl

regeling

cw

gordijngevel

D

naar buitenlucht en water

D

deur

day

dag

dayl

daglicht

dayl area

daglichtdeel

dedic

bewust

def

bij ontstentenis

demand

energievraag

depth

diepte

design

ontwerp

dh

externe warmtelevering (< district heating)

dif

diffuus

dir

direct

distr

verdeling

duct

luchtkanaal

e

buiten, extern

eb

basis buitentemperatuur

eff

effectief

elec

elektrisch

em

afgifte (< emission)

en

energie

EPW

‘EPW-volume’

equiv

equivalent

excess

overtollig

exh

afvoeropening

extr

afvoer

f

f vloer (< floor)

F

raamprofiel (< frame)

fans

ventilatoren

final

eindverbruik

fitting

armatuur

f

flow debiet

fl.h

vloerverwarming

g

beglazing (< glazing)

g

(warmte)winst (< gain)

g

grond

gen

opwekking

gross

bruto

h

hemisferische instraling

heat

(ruimte-)verwarming

hr

warmteterugwinning (heat recovery)

hor

horizontaal

HP

warmtepomp (< heat pump)

horshad

beschaduwing door horizon (< horizon shading)

hum

bevochtiging

i

intern, ranggetal

i

opaak deel

in

in, ingaand

in/exfilt

in/exfiltratie

instal

geïnstalleerd

int

binnen

insul

isolatie (< insulation)

j

ranggetal

k

ranggetal

kitchen

keuken

L

warmteverlies (transmissie + ventilatie) (< loss)

l

lineair

leak

lek, ondichtheid

light

verlichting

m

getal, aantal

m

maandelijks (op maandbasis)

max

maximaal

meas

gemeten

mech

mechanisch

min

minimaal

mod

modulerend

n

getal, aantal

nat

natuurlijk

net

netto

night

nacht

nom

nominaal

npref

niet-preferent

on

aan

oper

tijdens bedrijf

out

uit

over

overventilatie

overh

oververhitting (< overheating)

p

paneel

p

primair

pref

preferent

preh

voorverwarming

pres

aanwezig

prim

primair

ps

passief zonne-energiesysteem

pumps

pompen

pv

fotovoltaïsch (< photovoltaic)

r

getal, aantal

r

straling

rad

radiator

real

reëel

red, reduc

reductie

ref

referentie

refl

reflectie

req

vereist

return

retour

rm

(per) ruimte

RTO

regelbare toevoeropening

s

zon, bezonning

s

via de bodem (< soil)

se

constructie uitgaande warmtestroom

sec

energiesector

setpoint

instelpunt

sh+wh

ruimte- en waterverwarming (< space heating + water heating)

shad

beschaduwd (< shaded)

si

constructie ingaande warmtestroom

sink

aanrecht

stack

afvoerkanaal

stor

opslag

supply

toevoer

switch

schakel

sys

(installatie-)systeem

T

transmissie

t

transparant

test

onder testvoorwaarden

th

thermisch

thresh

drempelwaarde (< threshold)

tubing

tapleidingen

U

aangrenzende onverwarmde ruimte (< unheated)

unshad

onbeschaduwd (< unshaded)

util

benutting

V

ventilatie

vent

ventilatie

vert

verticaal

w

venster (< window)

wall

gevel

wall.h

muurverwarming

water

warm tapwater

wC

met zonnewering (< with curtain)

well

bron

woC

zonder zonnewering

ws

combinatie venster & luik

x

kruipruimte of kelder

z

rangetal

 

 

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

7. Netto energiebehoefte voor ruimteverwarming en warm tapwater

7.1 Principe

De netto energiebehoefte voor ruimteverwarming wordt per energiesector voor alle maanden van het jaar berekend. Hiertoe worden telkenmale de totale maandverliezen door transmissie en ventilatie bij een conventioneel vastgelegde temperatuur bepaald, evenals de totale maandwinsten door interne warmtewinsten en bezonning. Met behulp van de benuttingsfactor voor de warmtewinsten wordt dan de maandelijkse energiebalans opgesteld.

De maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater wordt forfaitair berekend in functie van het ‘EPW-volume’. Daarbij kan in voorkomend geval rekening gehouden worden met warmteterugwinning. Enkel de volgende verbruikspunten worden beschouwd:
• de tappunten in de keuken(s);
• de douche(s) en/of het bad (of baden) in de badkamer(s).

Alle andere tappunten in het ‘EPW-volume’ (dus ook lavabo('s) in de badkamer) worden niet in beschouwing genomen.

7.2 Maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming per energiesector
 

Bepaal de maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming per energiesector als:

Qheat,net,seci,m = QL,heat,seci,m - ηutil,heat,seci,m . Qg, heat,net,seci,m               (MJ)

met:

Qheat,net,seci,m

de maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector i, in MJ;

QL,heat,seci,m

het maandelijks warmteverlies door transmissie en ventilatie van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.4;

ηutil,heat,seci,m

de maandelijkse benuttingsfactor van de warmtewinsten van energiesector i, bepaald volgens 7.6;

Qg, heat,net,seci,m

de maandelijkse warmtewinst door bezonning en interne warmteproductie in energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.5.

 

 

7.3 Maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater

De maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater van een douche of bad i wordt gegeven door:

Qwater,bath i,net,m = rwater,bath i,net x fbath i x max[64, 64 + 0.220(VEPW - 192)] x tm               (MJ)

De maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater van een aanrecht i in een keuken2 wordt gegeven door:

Qwater,sin k i,net,m = rwater,sin k i,net x fsin k i x max[16, 16 + 0.055(VEPW - 192)] x tm               (MJ)

met:

Qwater,bath i,net,m

de maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater van douche of bad i, in MJ;

Qwater,sin k i,net,m

de maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater van keukenaanrecht i , in MJ;

rwater,bath i,net

een reductiefactor voor het effect van de voorverwarming van de koudwatertoevoer naar douche of bad i d.m.v. warmteterugwinning uit de afloop, te bepalen volgens vooraf door de minister erkende regels (-);

rwater,sin k i,net

een reductiefactor voor het effect van de voorverwarming van de koudwatertoevoer naar keukenaanrecht i d.m.v. warmteterugwinning uit de afloop, te bepalen volgens vooraf door de minister erkende regels (-);

fbath i

het aandeel van douche of bad i in de totale netto energiebehoefte voor warm tapwater van alle douches en baden in het ‘EPW-volume’, zoals hieronder bepaald (-);

fsink i

het aandeel van keukenaanrecht i in de totale netto energiebehoefte voor warm tapwater in de/alle keuken(s) van het ‘EPW-volume’, zoals hieronder bepaald (-);

VEPW

het totaal volume van het ‘EPW-volume’, in m3, zie 6;

tm

de lengte van de betreffende maand in Ms, zie Tabel 1.

Indien in het ‘EPW-volume’ geen enkele douche of bad aanwezig zou zijn3, dan wordt er hiervoor geen warm tapwater verbruik beschouwd. Analoog, indien in het ‘EPW-volume’ geen enkel keukenaanrecht aanwezig zou zijn3, dan wordt er ook hiervoor geen warm tapwater verbruik beschouwd.

 

De aandelen van de diverse tappunten worden als volgt bepaald:

fbath i = 1 / Nbath

fsink i = 1 / Nsink

met:

Nbath

het totaal aantal douches en baden in het ‘EPW-volume’;

Nsink

het totaal aantal keukenaanrechten in het ‘EPW-volume’;

Tabel 1: Het dagnummer, de maandlengte, de gemiddelde buitentemperatuur en de gemiddelde totale en diffuse bezonning op een niet beschaduwd horizontaal vlak

Maand

Karakteristieke dag

Lengte van de maand tm (Ms)

Maandgemiddelde buitentemperatuur

Θe,m (°C)

Is,tot,hor,m

(MJ/m2)

Is,dif,hor,m

(MJ/m2)

Januari

15

2.6784

3.2

71.4

51.3

Februari

46

2.4192

3.9

127.0

82.7

Maart

74

2.6784

5.9

245.5

155.1

April

105

2.5920

9.2

371.5

219.2

Mei

135

2.6784

13.3

510.0

293.5

Juni

166

2.5920

16.2

532.4

298.1

Juli

196

2.6784

17.6

517.8

305.8

Augustus

227

2.6784

17.6

456.4

266.7

September

258

2.5920

15.2

326.2

183.6

Oktober

288

2.6784

11.2

194.2

118.3

November

319

2.5920

6.3

89.6

60.5

December

349

2.6784

3.5

54.7

40.2

2 Eventuele andere warm water tappunten (bv. voor (vaat)wasmachine) worden buiten beschouwing gelaten. In voorkomend geval worden meerdere aanrechten in 1 keuken apart beschouwd.

3 Bv. ingeval van een uitbreiding waaraan een enrgieprestatie-eis gesteld wordt.

 

 

7.4 Maandelijkse warmteverliezen door transmissie en ventilatie

7.4.1 Principe

De maandelijkse warmteverliezen door transmissie in een energiesector worden verkregen door het maandelijks specifiek warmteverlies door transmissie te vermenigvuldigen met de lengte van de betreffende maand en met het verschil tussen de gemiddelde binnentemperatuur en de maandgemiddelde buitentemperatuur.

De berekening van de maandelijkse warmteverliezen door ventilatie gebeurt op analoge manier.

7.4.2 Rekenregel
 

Bepaal het maandelijks warmteverlies door transmissie en ventilatie als:

QL,heat,seci,m = QT,heat,seci,m + QV,heat,seci,m               (MJ)

met:

QT,heat,seci,m = HT,seci,m . (18 - θe,m).tm               (MJ)

QV,heat,seci,m = HV,heat,seci . (18 - θe,m).tm               (MJ)

waarin:

QT,heat,seci,m

het maandelijks warmteverlies door transmissie van energiesector i, in MJ;

QV,heat,seci,m

het maandelijks warmteverlies door ventilatie van energiesector i, in MJ;

HT,seci,m

het maandelijks specifiek warmteverlies door transmissie van energiesector i, in W/K, bepaald volgens 7.7;

HV,heat,seci

het specifiek warmteverlies door ventilatie van energiesector i, in W/K, bepaald volgens 7.8;

18

de door deze bijlage opgelegde rekenwaarde voor de binnentemperatuur, in °C;

θe,m

de maandgemiddelde buitentemperatuur, in °C, zie tabel 1;

tm 

de lengte van de betreffende maand, in Ms, zie tabel 1.

 

 

7.5 Maandelijkse warmtewinsten door bezonning en interne warmteproductie
 

Bepaal de maandelijkse warmtewinsten door bezonning en interne warmteproductie van energiesector i als:

Qg,heat,seci,m = Qi,seci,m + Qs,heat,seci,m               (MJ)

met:

Qi,seci,m  

de maandelijkse warmtewinst door interne warmteproductie in energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.9;

Qs,heat,seci,m

de maandelijkse warmtewinst door bezonning in energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.10.

 

 

7.6 Benuttingsfactor van de maandelijkse warmtewinsten
 

Bepaal de benuttingsfactor van de maandelijkse warmtewinsten per energiesector als:

• indien γheat,seci,m groter is dan of gelijk is aan 2.5, geldt:

ηutil,heat,seci,m = 1/γheat,seci,m

• indien γheat,seci,m kleiner dan 2.5, geldt:

ηutil,heat,seci,m = a/(a + 1) voor γheat,seci,m = 1               (-)

ηutil,heat,seci,m = 1-(γheat,seci,m)a / 1 - (γheat,seci,m)a+1 voor alle overige gevallen               (-)

met

γheat,seci,m = Qg,heat,seci,m/QL,heat,seci,m               (-)

a = 1 + τheat,seci,m/54000               (-)

waarbij:

γheat,sec i,m

de verhouding tussen de maandelijkse warmtewinsten en de maandelijkse warmteverliezen van energiesector i;

Qg,heat,sec i,m

de maandelijkse warmtewinsten door bezonning en interne warmteproductie van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.5;

QL,heat,sec i,m 

de maandelijkse warmteverliezen door transmissie en ventilatie van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.4;

a

een numerieke parameter;

τheat,seci,m 

de tijdconstante van energiesector i, in s.

Stel de tijdconstante van de energiesector i gelijk aan:

τheat,seci,m = Cseci / HT,seci,m+HV,heat,seci               (s)

met:

Csec i 

de effectieve thermische capaciteit van energiesector i, in J/K;

HT,sec i,m

het maandelijks specifiek warmteverlies door transmissie, in W/K, bepaald volgens 7.7;

HV,heat,sec i 

het specifiek warmteverlies door ventilatie, in W/K, bepaald volgens 7.8.

Neem voor de effectieve thermische capaciteit van energiesector i de waarden van Tabel 2.

• De term ‘zwaar’ in deze tabel geldt voor energiesectoren waarvan minstens 90% van de oppervlakte van de horizontale, hellende en verticale constructiedelen massief is.

• De term ‘halfzwaar’ geldt voor energiesectoren waarvan minstens 90% van de horizontale constructiedelen massief is zonder afscherming door binnenisolatie, of energiesectoren waarvan minstens 90% van de verticale en hellende constructiedelen massief zijn.

• De term ‘matig zwaar’ geldt voor energiesectoren waarvan 50 tot 90% van de horizontale constructiedelen massief zijn zonder afscherming door binnenisolatie, of energiesectoren waarvan 50 tot 90% van de verticale en hellende constructiedelen massief zijn.

• De term ‘licht’ geldt voor alle overige energiesectoren.

 

Constructiedelen worden hier als massief beschouwd indien hun massa minstens 100 kg/m2 bedraagt, bepaald vertrekkende van binnenuit tot aan een luchtspouw of een laag met thermische geleidbaarheid kleiner dan 0.20 W/(m.K).

 

Tabel 2: Waarde van de effectieve thermische capaciteit Csec i van energiesector i

Type constructie

Csec i (J/K)

Zwaar

217 000 Vsec i

Halfzwaar

117 000 Vsec i

Matig zwaar

67 000 Vsec i

Licht

27 000 Vsec i

met:

Vsec i

het volume van energiesector i, in m3.

 

 

7.7 Specifiek warmteverlies door transmissie

7.7.1 Principe

Het specifiek warmteverlies door transmissie ontwikkelt zich zoals de gebouwgeometrie driedimensionaal. Het zou dan ook driedimensionaal berekend moeten worden, zie de normen NBN EN ISO 13789 en NBN EN ISO 10211. Dergelijke driedimensionale berekening geldt als referentie.

De driedimensionale referentieberekening wordt in deze bijlage vervangen door een vereenvoudigde berekening. Die gaat ervan uit dat:
1) de hoofdcomponent van de transmissieverliezen ééndimensionaal is,
2) het oppervlak rond het beschermd volume continu is tenzij ter plaatse van de scheidingsconstructies met aangrenzende verwarmde ruimten,
3) en de scheidingsconstructies vlak zijn.

Elke vlakke scheidingsconstructie met oppervlakte A wordt gekenmerkt door een warmtedoorgangscoëfficiënt U. Alle snij- en contactlijnen met lengte l tussen scheidingsconstructies krijgen een lijnwarmtedoorgangscoëfficiënt ? en alle snijpunten tussen snij- en contactlijnen een puntwarmtedoorgangscoëfficiënt ?. Lijn- en puntkoudebruggen die eigen zijn aan een scheidingsconstructie en over het oppervlak ervan verdeeld zijn, worden opgenomen in de warmtedoorgangscoëfficiënt van die scheidingsconstructie.

Het specifiek warmteverlies door transmissie wordt bepaald voor alle scheidingsconstructies tussen de energiesector en de buitenomgeving (lucht of water), de energiesector en de bodem en de energiesector en de aangrenzende onverwarmde ruimten. Ook indien dergelijke scheidingsconstructies uitgeven op een belendend perceel, dienen ze meebeschouwd te worden bij de bepaling van het specifiek warmteverlies, zie ook 5.2.

7.7.2 Rekenregel
 

Bepaal het maandgemiddeld specifiek warmteverlies door transmissie per energiesector als:

HT,seci,m = HD,seci + Hg,seci,m + HU,sec i,m               (W/K)

met:

HT,sec i,m

het maandgemiddeld specifiek warmteverlies door transmissie van energiesector i, in W/K;

HD,sec i

het specifiek warmteverlies door transmissie doorheen alle scheidingsconstructies tussen energiesector i en de buitenlucht en tussen energiesector i en water, in W/K;

Hg,sec i,m

het maandgemiddeld specifiek warmteverlies door transmissie doorheen alle scheidingsconstructies tussen energiesector i en de bodem, in W/K;

HU,sec i,m

het maandgemiddeld specifiek warmteverlies door transmissie doorheen alle inwendige scheidingsconstructies tussen energiesector i en de aangrenzende onverwarmde ruimten, in W/K.

 

 

De verschillende termen worden berekend volgens nadere specificaties vanwege de minister.

Voor nadere toelichting bij de verschillende mogelijkheden om koudebruggen (zowel lijnvormige als puntvormige) in rekening te brengen, wordt verwezen naar bijlage IV bij dit besluit.

Voor componenten waarvan de thermische eigenschappen niet gekend zijn of bepaald kunnen worden (bv. complex gestructureerde lagen in wandelementen, enz.), mag steeds aangenomen worden dat de eigen warmteweerstand van de laag of de component gelijk is aan nul. De totale warmtedoorgangscoëfficiënt wordt dan volledig bepaald door de oppervlakteweerstanden met de binnen- en buitenomgeving (rekening houdend met de ontwikkelde oppervlakte) en eventueel door de warmteweerstanden van de andere lagen van de component.

Hou geen rekening met leidingdoorvoeren (water, gas, elektriciteit, riolering, enz.) en daarmee vergelijkbare elementen in de uitwendige scheidingsconstructies, voor zover de totale oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan 0,25% van de totale oppervlakte (AT,E) van het betrokken ‘EPW-volume’ waardoorheen transmissieverliezen optreden (dus met uitzondering van scheidingsconstructies met aangrenzende verwarmde ruimten). Genoemde elementen krijgen in dit geval dezelfde U-waarde als de scheidingsconstructies waarin ze zitten.

Voor luiken dient bij conventie aangenomen te worden dat ze 8 uren per etmaal dicht zijn4.


7.8 Specifiek warmteverlies door ventilatie en in/exfiltratie

7.8.1 Principe

Het specifiek warmteverlies door ventilatie en in/exfiltratie wordt bepaald door de voelbare warmtecapaciteit van 1 m3 lucht te vermenigvuldigen met de som van volgende luchtdebieten:
• het maandgemiddeld luchtdebiet ingevolge de in- en exfiltratie,
• het maandgemiddeld luchtdebiet ingevolge de bewuste ventilatie, rekening houdend met een eventuele reductiefactor voor voorverwarming,
• en desgevallend het maandgemiddeld luchtdebiet ingevolge overventilatie bij toepassing van een warmtepomp op de afgevoerde ventilatielucht voor de bereiding van warm tapwater.

Een mechanische afzuiging, die tijdens het koken de waterdamp afvoert, wordt genegeerd. Hetzelfde geldt voor een mechanische afzuiging in een toilet of badkamer, wanneer die tijdelijk zorgt voor een hogere afvoer maar niet nodig is om aan de ventilatie-eisen van bijlagen V of VI bij dit besluit te voldoen. Voor het energieverbruik van de ventilatoren bij mechanische systemen wordt verwezen naar 11.1.3.

7.8.2 Rekenregel
 

Bepaal het specifiek warmteverlies door ventilatie van energiesector i met:

• voor de verwarmingsberekeningen:

HV,heat,seci = 0.34[V·in/exfilt,heat,seci + rpreh,heat,seci dedic,seci + V·over,seci]               (W/K)

• voor de koelberekeningen:

HV,cool,seci = 0.34[V·in/exfilt,cool,seci + rpreh,cool,seci dedic,seci + V·over,seci]               (W/K)

met:

V·in/exfilt,heat,seci

V·in/exfilt,cool,seci 

het in/exfiltratiedebiet doorheen de ondichte gebouwschil in energiesector i, voor respectievelijk de verwarmings- en de koelberekeningen, bepaald volgens 7.8.3, in m3/h;

V·dedic,seci

het bewust ventilatiedebiet in energiesector i, bepaald volgens 7.8.4, in m3/h;

rpreh,heat,sec i

rpreh,cool,sec i

de waarde van de reductiefactor voor het effect van voorverwarming op de netto energiebehoefte voor respectievelijk ruimteverwarming en ruimtekoeling, bepaald volgens bijlage B (-);

V·over,seci

het extra luchtdebiet bepaald volgens 7.8.5, als gevolg van overventilatie in energiesector i in geval bij systemen met mechanische afvoer een warmtepomp voor de bereiding van warm tapwater de afgevoerde lucht als warmtebron gebruikt, in m3/h.

 

 7.8.3 In- en exfiltratiedebiet
 

 

Het te hanteren gemiddeld in/exfiltratiedebiet in energiesector i, in m³/h, wordt bij conventie gegeven door:

• voor de verwarmingsberekeningen:

V·in/exfilt,heat,sec I = 0.04 x V·50,heat x AT,E,seci

• voor de koelberekeningen:

V·in/exfilt,cool,sec I = 0.04 x V·50,cool x AT,E,seci

waarin:

V·50,heat

V·50,cool

het lekdebiet bij 50 Pa per eenheid oppervlakte, voor respectievelijk de verwarmings- en koelberekeningen, zoals hieronder bepaald, in m3/(h.m2);

AT,E,sec i 

de totale oppervlakte van alle scheidingsconstructies die energiesector i omhullen en waardoorheen transmissieverliezen beschouwd worden bij de bepaling van de energieprestatie5 (zie ook 5.2 en 7.7), in m2.

Indien een luchtdichtheidsmeting van het volledige ‘EPW-volume’ (of desgevallend van een groter deel van het beschermd volume) conform NBN EN 13829 voorgelegd wordt, geldt voor het lekdebiet bij 50 Pa per eenheid oppervlakte, en, in m3/(h.m2):

V·50,heat = V·50,cool = V·50 / Atest

met:

Atest

de totale oppervlakte (op basis van uitwendige afmetingen) van de scheidingsconstructies die het volume, dat in de luchtdichtheidstest gemeten werd, omhullen, met uitzondering van de scheidingsconstructies naar aangrenzende verwarmde ruimten, in m2;

V·50   

het lekdebiet bij 50 Pa van de uitwendige schil, in m3/h, afgeleid uit de luchtdichtheidstest gemeten conform NBN EN 13829.

Zoniet zijn de volgende ontstenteniswaarden van toepassing, in m³/(h.m²):

• voor verwarmingsberekeningen:

V·50,heat = 12

• voor koelberekeningen:

V·50,cool = 0

 

 

7.8.4 Bewust ventilatiedebiet
 

Bepaal het bewust ventilatiedebiet van energiesector i als:

V·dedic,seci = [0.2 + 0.5 exp (-VEPW / 500).mseci.Vseci               (m3/h)

met:

msec i

een vermenigvuldigingsfactor die functie is van het ventilatiesysteem in energiesector i en de kwaliteit van de uitvoering ervan;

VEPW

het totaal volume van het ‘EPW-volume’, in m3, zie 6;

Vsec i 

het volume van energiesector i, in m3.

De waarde van de vermenigvuldigingsfactor msec i kan variëren tussen 1.0 en 1.5. De waarde bij ontstentenis van msec i is 1.5. Voor het bepalen van gunstigere waarden wordt verwezen naar bijlage B.

 

 

7.8.5 Overventilatie bij de ventilatiesystemen met mechanische afvoer

De afgevoerde lucht van ventilatiesystemen met mechanische afvoer wordt soms gebruikt als warmtebron van een warmtepomp voor de bereiding van warm tapwater. In dit geval is overventilatie een feit indien de hoeveelheid afvoerlucht, die voor de goede werking van de warmtepomp op een bepaald ogenblik nodig is, boven het bewust ventilatiedebiet op dat ogenblik ligt.

Gezien er momenteel nog geen operationele methodologie beschikbaar is die toelaat alle mogelijke opwekkingstoestellen voor de bereiding van warm tapwater op een coherente manier te beoordelen, wordt voor het opwekkingsrendement in hoofdstuk 10.3.3 met vaste waarden gerekend. Daarom wordt ook het effect van overventilatie nog niet in rekening gebracht, en geldt:

V·over,seci = 0

 

 

7.9 Maandelijkse interne warmtewinsten

7.9.1 Principe

Interne warmtewinsten worden gevormd door alle warmte die in een energiesector geproduceerd wordt door interne bronnen, met uitzondering van het ruimteverwarmingssysteem: bv. de warmteafgifte door personen, verlichting en apparatuur. In het kader van de regelgeving wordt de waarde ervan op een forfaitaire manier vastgelegd. In aangrenzende onverwarmde ruimten worden de interne warmtewinsten gelijk gesteld aan nul.

7.9.2 Rekenregel

Bepaal de interne warmtewinsten in een energiesector i gedurende een bepaalde maand als:

Qi,seci,m = (0.67 + 220/VEPW).Vseci.tm               (MJ)

met:

VEPW

het totaal volume van het ‘EPW-volume’, in m3, zie 6;

Vsec i 

het volume van energiesector i, in m3;

tm 

de lengte van de betreffende maand, in Ms, zie Tabel 1.

 

 

7.10 Maandelijkse zonnewinsten

7.10.1 Principe

De zonnewinsten voor een bepaalde maand bestaan uit de som van 3 termen:
• zonnewinsten door de vensters;
• zonnewinsten door de ongeventileerde passieve zonne-energiesystemen;
• zonnewinsten ingevolge aangrenzende onverwarmde ruimten.

Met buiten- of binnenlucht geventileerde passieve zonne-energiesystemen dienen op basis van het principe van gelijkwaardigheid behandeld te worden volgens bijlage F van NBN EN ISO 13790.

7.10.2 Rekenregel

Bepaal de zonnewinsten in een energiesector i gedurende een bepaalde maand als:

Qs,heat,seci,m = ∑mj=1Qs,heat,w,m,j + ∑nk=1Qs,heat,ps,m,k + ∑pl=1Qs,heat,seci,U,m,l               (MJ)

met:

Qs,heat,w,m,j

de zonnewinst door venster j gedurende de beschouwde maand, in MJ, bepaald volgens 7.10.3;

Qs,heat,ps,m,k

de zonnewinst door ongeventileerd passief zonne-energiesysteem k gedurende de beschouwde maand, in MJ, bepaald volgens 7.10.4;

Qs,heat,sec i,U,m,l 

het deel van de zonnewinst van de aangrenzende onverwarmde ruimte l gedurende de beschouwde maand dat indirect de energiesector i ten goede komt, in MJ, bepaald volgens bijlage A en C.

 

 

Hierbij dient gesommeerd te worden over alle vensters m, alle niet-geventileerde passieve zonne-energiesystemen n en alle aangrenzende onverwarmde ruimten p van de energiesector i. Voor de behandeling van aangrenzende onverwarmde ruimten wordt verwezen naar bijlage A.

De index ‘heat’ (d.w.z. de waarde gebruikt voor de bepaling van de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming) wordt vervangen door de index ‘overh’ voor de bepaling van het risico op oververhitting, en door de index ‘cool’ voor de bepaling van de netto energiebehoefte voor ruimtekoeling.

7.10.3 Zonnewinsten door een venster

7.10.3.1 Definities

Een venster is een scheidingsconstructie die (gedeeltelijk) transparant is. Het raamprofiel, de eventuele vulpanelen en eventuele roosters vormen het opake deel. Van glas voorziene deuren worden als vensters behandeld. De grootte van de zonnewinsten door een venster hangt af van de afscherming door gebouwvreemde en gebouwgebonden omgevingselementen, door vaste zonneweringen en door beweegbare zonneweringen. De afscherming door omgevingselementen wordt in rekening gebracht bij de berekening van de invallende bezonning; de afscherming door een zonnewering via aanpassing van de zonnetoetredingsfactor g.

7.10.3.2 Rekenregel
 

Bepaal de zonnewinsten door venster j als:

Qs,heat,w,m,j = 0.95gjAg,jIs,m,j,shad               (MJ)

met:

0.95

de reductiefactor voor vervuiling;

gj

de gemiddelde zonnetoetredingsfactor van venster j, bepaald volgens 7.10.3.3 (-);

Ag,j

de beglaasde oppervlakte van venster j in m2;

Is,m,j,shad

de bezonning op venster j voor de beschouwde maand rekening houdend met de beschaduwing van vaste obstakels, in MJ/m2, bepaald volgens bijlage C.

Indien de U-waarde van venster j bepaald wordt met de vereenvoudigde methode, neem dan steeds:

-          indien Ug  ≤ Uf : Ag, j = 0.7 Aw, d, j

-          indien Ug  > Uf : Ag, j = 0.8 Aw, d, j

waarin

Aw, d, j  de oppervlakte van de dagopening van venster j.

 

 

7.10.3.3 Gemiddelde zonnetoetredingsfactor g van een venster

7.10.3.3.1 Principe

De gemiddelde zonnetoetredingsfactor van een venster (g) wordt bepaald door de zonnetoetredingsfactor van het transparante deel ervan en de aard van de zonnewering. Daarbij dient een onderscheid gemaakt tussen binnenzonnewering, buitenzonnewering en tussenzonnewering. Binnenzonnewering bevindt zich aan de binnenkant van het venster, buitenzonnewering aan de buitenkant en tussenzonnewering tussen de glasschijven, die samen het transparante deel vormen. Buitenzonneweringen kunnen in het vlak en buiten het vlak van het venster staan. Luiken, rolluiken, blinden en jaloezieën zijn voorbeelden van zonneweringen in het vlak. Markiezen, uitvalschermen en knikarmschermen zijn voorbeelden van zonneweringen buiten het vlak. Een zonnewering, die uitsluitend uit bouwkundige afschermingen bestaat, wordt behandeld als een gebouwgebonden omgevingselement. Verder kunnen zonneweringen vast, handbediend of automatisch zijn (belangrijk voor de bepaling van de gebruiksfactor ac). Bij een vaste zonnewering is de positie onveranderlijk; handbediende en automatische zonneweringen kennen minstens twee standen. Automatische bediening vereist een automatische gestuurde activator (bv. motor) en minstens 1 zonnesensor per geveloriëntatie of een afwezigheidssensor die de zonnewering sluit bij afwezigheid. Voor een tussenzonnewering waarbij de tussenruimte met binnen- of buitenlucht geventileerd wordt, dient de zonnetoetredingsfactor bepaald te worden via het gelijkwaardigheidsprincipe.

7.10.3.3.2 Rekenregel

Bepaal de gemiddelde zonnetoetredingsfactor van een venster als:

g = 0.9 · (acFc + (1 - ac)) · gg,┴               (-)

met:

0.9

een vaste waarde voor de invalshoekcorrectie;

Fc

de reductiefactor voor zonnewering, bepaald volgens 7.10.3.4;

ac

de gemiddelde gebruiksfactor van de zonnewering, bepaald volgens 7.10.3.5;

gg,┴

de zonnetoetredingsfactor van de beglazing bij normale inval, bepaald volgens NBN EN 410.

 

Indien een venster met meerdere beweegbare zonneweringssystemen (bv. binnen- en buitenzonnewering) uitgerust is, dient voor de verwarmingsberekeningen het systeem met de hoogste Fc waarde beschouwd te worden. Voor de bepaling van de oververhittingsindicator en van de netto energiebehoefte voor ruimtekoeling dient het systeem met de laagste Fc waarde beschouwd te worden.

 

 

7.10.3.4 Reductiefactor FC voor zonnewering

7.10.3.4.1 Zonnewering in het vlak van het venster

De reductiefactor voor een zonnewering in het vlak van het venster wordt gegeven door de verhouding tussen de zonnetoetredingsfactor bij normale inval van de combinatie van transparante deel en zonnewering en de zonnetoetredingsfactor bij normale inval van enkel het transparante deel:

Fc = gg+C,┴ / gg,┴               (-)

met:

gg+C,┴

de zonnetoetredingsfactor bij normale inval van de combinatie transparant deel en zonnewering, bepaald volgens NBN EN 13363-1, NBN EN 13363-2 of ISO 15099. EN 13363-1 mag enkel toegepast worden indien voldaan is aan alle voorwaarden die in de norm gesteld worden;

gg,┴

de zonnetoetredingsfactor bij normale inval voor het transparante deel van het venster, bepaald volgens NBN EN 410.

Indien gg+C,┴ niet opgegeven wordt, dienen de waarden bij ontstentenis van Tabel 3 gebruikt te worden.  Deze waarden zijn onafhankelijk van de zonnetoetredingsfactor van het transparante deel en blijven constant over het jaar.

 

Zonneweringssysteem

FC

Buitenzonnewering

0.50

Ongeventileerde tussenzonnewering

0.60

Binnenzonnewering

0.90

Alle andere gevallen

1.00

 

 

 

7.10.3.4.2 Zonnewering niet in het vlak van het venster

Enkel zonneweringen met een (oppervlaktegemiddelde) zonnetransmissiefactor τe,dir,h (loodrechte inval, hemisferische transmissie) van minder dan 30% worden in beschouwing genomen.  Zonneweringen die niet aan dit criterium voldoen worden genegeerd bij de bepaling van het E-peil.

 

De maandgemiddelde reductiefactor Fc voor zonnewering niet in het vlak van het venster wordt gegeven door de verhouding tussen de maandelijkse zonne-instraling op het door de zonnewering beschaduwde venster en de maandelijkse zonne-instraling op het onbeschaduwde venster:

Fc = Is,m,j,shad,wC/ Is,m,j,shad,woC               (-)

met:

Is,m,j,shad,wC

de bezonning op venster j voor de beschouwde maand rekening houdend met de beschaduwing van zowel de vaste obstakels als de zonnewering, in MJ/m2, bepaald volgens bijlage C. Dit vergt de bepaling van de verticale overstekhoek αv.  De zonnewering wordt daarbij als opaak behandeld.

Is,m,j,shad,woC

de bezonning op venster j voor de beschouwde maand enkel rekening houdend met de beschaduwing van vaste obstakels, in MJ/m2, bepaald volgens bijlage C.

 

 

7.10.3.5 Gemiddelde gebruiksfactor ac

Stel bij een vaste zonnewering ac steeds gelijk aan 1.

Ontleen in geval van een mobiele zonnewering ac aan Tabel 4. De waarde varieert al naar gelang het gaat om de bepaling van de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming of ruimtekoeling, of van het risico op oververhitting.

 

ruimteverwarming

oververhitting

ruimtekoeling

handbediend

0.0

0.5

0.2

automatisch

0.0

0.6

0.5

 

 

7.10.4 Zonnewinsten door een ongeventileerd passief zonne-energiesysteem

7.10.4.1 Definities

Een ongeventileerd passief zonne-energiesysteem is een constructie die bestaat uit een transparant buitendeel en een opaak binnendeel, waarbij in de (eventueel) aanwezige luchtspouw(en) geen stroming van buiten- of van binnenlucht optreedt. Voorbeelden zijn (massieve) wanden met voorzetbeglazing, al dan niet in combinatie met extra transparante isolatie.

7.10.4.2 Rekenregel

Bepaal de zonnewinst van ongeventileerd passief zonne-energiesysteem k gedurende de beschouwde maand als:

Qs,heat,ps,m,k = geff,t,m,kAps,g,kIs,m,k,shad               (MJ)

met:

geff,t,m,k 

de effectieve zonnetoetredingsfactor van het systeem k, zoals hieronder bepaald (-);

Aps,g,k

de transparante oppervlakte van het passief zonne-energiesysteem k, in m2;

Is,m,k,shad

de bezonning op het systeem k voor de beschouwde maand rekening houdend met de beschaduwing van vaste obstakels, in MJ/m2, bepaald volgens bijlage C.

Bepaal geff,t,m,k met:

• voor voorzetconstructies met een niet verwaarloosbare transmissie voor zonne-energie, is de effectieve waarde evenredig met de absorptie van het opake deel:

geff,t,m,k  = α(gt,h - cm,k.gt,┴)U/Ute

• voor voorzetconstructies met een verwaarloosbare transmissie voor zonne-energie (bv. constructies waarin een absorber geïntegreerd is), wordt de waarde die op basis van metingen bepaald is, aangepast om rekening te houden met de thermische weerstand van de (ongeventileerde) luchtspouw tussen de voorzetconstructie en het opake deel:

geff,t,m,k  = (Rse + Rt)(gt,h - cm,k.gt,┴).U

met:

U = 1/(Rse + Rt + Ral + Ri + Rsi)

Ute = 1/(Rse + Rt + Ral)

waarin:

α

de absorptiecoëfficiënt van het opake deel;

gt,h

de zonnetoetredingsfactor van de voorzetconstructie bij diffuse, hemisferische instraling;

cm,k

een coëfficiënt ontleend aan tabel 5;

gt,┴

de zonnetoetredingsfactor van de voorzetconstructie onder normale invalshoek;

U

de warmtedoorgangscoëfficiënt van het constructiedeel, van binnen tot buiten, in m2.K/W;

Ute

de externe warmtedoorgangscoëfficiënt van het constructiedeel, vanaf het oppervlak dat grenst aan de voorzetconstructie tot de buitenomgeving, in m2.K/W;

Rse

de externe thermische oppervlakteweerstand, in m2.K/W;

Rt

de thermische weerstand van de voorzetconstructie, in m2.K/W;

Rsi

de interne thermische oppervlakteweerstand, in m2.K/W;

Ral

de thermische weerstand van de (ongeventileerde) luchtlaag tussen het opake deel en de voorzetconstructie, in m2.K/W;

Ri

de thermische weerstand van het opake bouwdeel achter de voorzetconstructie, in m2.K/W.

 

 

Tabel 5: coëfficiënten cm,k voor de berekening van de effectieve zonnetoetredingsfactor van transparante isolatie uitgaande van de gemeten waarden voor loodrechte en hemisferische inval (voor verticale muren)

 

J

F

M

A

M

J

Z

-0,105

-0,067

-0,023

0,042

0,073

0,089

ZW/ZO

-0,034

-0,027

-0,010

0,002

0,022

0,037

W/O

0,054

0,033

0,016

-0,012

-0,005

-0,002

NW/NO

0,002

0,008

0,016

0,030

0,018

0,013

N

0,000

0,000

0,000

0,011

0,021

0,031

 

 

J

A

S

O

N

D

Z

0,094

0,062

0,005

-0,054

-0,093

-0,105

ZW/ZO

0,036

0,013

-0,015

-0,025

-0,034

-0,026

W/O

-0,012

-0,007

-0,001

0,024

0,049

0,052

NW/NO

0,013

0,024

0,033

0,014

0,004

0,000

N

0,042

0,012

0,000

0,000

0,000

0,000

 















 

BIJLAGE ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

8. Oververhitting en koeling

8.1 Principe

In een koel klimaat zoals in België blijft bij een juiste combinatie van bouwkundige en bewoningsingrepen de kans op zomerse oververhitting in woongebouwen klein genoeg om het zonder actieve koeling te kunnen stellen. Het volstaat de oppervlakte van de vensters niet te groot te nemen, indien nodig buitenzonnewering te voorzien, de binnenwanden, plafonds en vloeren een voldoende hoge, toegankelijke thermische massa mee te geven en 's nachts extra te ventileren.

Komen er toch klachten, dan zijn die doorgaans kamergebonden. De zonnewinsten per kamer, de interne warmtewinsten, de toegankelijke thermische massa, de ventilatiemogelijkheden en de gewenste temperatuur (die bv. anders is in een badkamer dan in een slaapkamer) bepalen mee de kans op oververhitting in die kamer en de eventuele beslissing om toch actieve koeling te voorzien. Een evaluatie van het oververhittingsrisico zou bijgevolg op kamerniveau moeten gebeuren. In het kader van deze bijlage wordt een sterk vereenvoudigde methode gebruikt, die oververhitting per energiesector raamt zonder uitsluitsel te geven over mogelijke oververhitting in een kamer.

De berekening gebeurt in 3 stappen.

In een 1e stap wordt per energiesector een conventionele inschatting gemaakt van het risico op oververhitting. Als indicator voor het oververhittingsrisico worden de genormaliseerde overtollige warmtewinsten beschouwd. Indien het oververhittingsrisico in een energiesector onaanvaardbaar groot is, moeten verplicht maatregelen genomen worden om het risico terug te dringen tot onder de toegelaten maximale waarde, ongeacht of er al dan niet actieve koeling geplaatst wordt.

Het feit dat de oververhittingsindicator onder de toegelaten maximale waarde (dit is de grens van het aanvaardbare) blijft, biedt op zich echter nog helemaal geen absolute garantie dat er achteraf geen oververhittingsproblemen zullen optreden. Wanneer de indicator niet veel onder de maximale waarde ligt, blijft er een reëel gevaar bestaan. In geval er achteraf toch oververhittingsproblemen optreden, is de kans reëel dat er dan alsnog een installatie voor actieve koeling geplaatst wordt, met het geassocieerde energieverbruik van dien. Om tijdens het ontwerp en de bouw al op een evenwichtige manier met de invloed van dit energieverbruik op de energieprestatie van het gebouw rekening te kunnen houden, wordt het begrip fictieve koeling ingevoerd. Op die manier wordt op conventionele wijze geanticipeerd op een eventueel later koelverbruik.

In een 2e stap wordt daarom in functie van de oververhittingsindicator een soort conventionele waarschijnlijkheid gedefinieerd dat er achteraf alsnog actieve koeling geplaatst wordt.
- Indien reeds van in het begin een koelinstallatie aanwezig is, wordt de koelbehoefte vanzelfsprekend volledig ingerekend. De waarschijnlijkheid op plaatsing bedraagt dan natuurlijk altijd 1, ongeacht de grootte van de oververhittingsindicator.
- Indien er tijdens de bouw geen actieve koeling voorzien wordt, wordt er een drempelwaarde voor de oververhittingsindicator beschouwd. Beneden deze drempel wordt het gevaar op oververhitting zo klein geacht dat de conventionele waarschijnlijkheid op plaatsing van koeling achteraf gelijk genomen wordt aan nul. Tussen de drempelwaarde en de toegelaten maximale waarde wordt conventioneel een lineaire toename van de waarschijnlijkheid tussen 0 en 1 aangenomen.

In geval de conventionele waarschijnlijkheid verschillend is van nul, wordt in een 3e stap de netto energiebehoefte voor koeling berekend aan de hand van de overtollige warmtewinsten boven de instelwaarde voor koeling, waarvoor bij conventie de rekenwaarde van 23°C wordt aangenomen. In geval het comfort verwezenlijkt wordt d.m.v. actieve koeling, zullen de bewoners minder gebruik maken van eventuele zonnewering of de mogelijkheden tot intensieve (nachtelijke) ventilatie. Deze voorzieningen worden daarom anders beoordeeld dan bij de evaluatie van het risico op oververhitting.

Men is dus steeds verplicht het woongebouw zo te ontwerpen dat de oververhittingsindicator in elke energiesector altijd onder het toegelaten maximum blijft. Het is bovendien sterk aan te bevelen om ook onder de drempelwaarde voor fictieve koeling te blijven.

8.2 Bepaling van de oververhittingsindicator

Stel de indicator voor oververhitting van energiesector i gelijk aan de jaarlijkse genormaliseerde overtollige warmtewinsten van energiesector i t.o.v. de insteltemperatuur voor verwarming. Deze vormen de som van de overeenkomstige maandelijkse waarden:

Ioverh,seci = Qexcessnorm,seci,a = ∑Qexcessnorm,seci,m               (Kh)

met

Qexcessnorm,seci,m = (1 - ηutil,overh,seci,,m).Qg,overh,seci,m/HT,overh,seci,m+HV,overh,seci,m . 1000/3.6               (Kh)

waarin:

Qg,overh,seci,m = Qi,seci,m + Qs,overh,seci,m               (MJ)

ηutil,overh,seci,m = a/(a + 1) voor γoverh,seci,m = 1               (-)

ηutil,overh,seci,m = 1 - (γoverh,seci,m)a / 1 - (γoverh,seci,m)a+1 voor de overige gevallen               (-)

en:

γoverh,seci,m = Qg,overh,seci,m/QL,overh,seci,m               (-)

a = 1 + τoverh,seci,m/54000               (-)

QL,overh,seci,m = QT,overh,seci,m + QV,overh,seci,m               (MJ)

QT,overh,seci,m = HT,overh,sec i,m.(18-θe,m).tm               (MJ)

QV,overh,seci,m = HV,overh,sec i,m.(18-θe,m).tm               (MJ)

τoverh,seci,m = Cseci/HT,overh,sec i,m+HV,overh,sec i,m               (s)

met:

ηutil,overh,sec i,m

de benuttingsfactor van de maandelijkse warmtewinsten van energiesector i, voor de evaluatie van het oververhittingsrisico (-);

Qg,overh,sec i,m

de maandelijkse warmtewinsten door bezonning en interne warmteproductie in energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in MJ;

Qi,sec i,m

de maandelijkse warmtewinst door interne warmteproductie in energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.9.2;

Qs,overh,sec i,m

de maandelijkse warmtewinst door bezonning in energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in MJ, bepaald volgens 7.10;

γoverh,sec i,m

de verhouding tussen de maandelijkse warmtewinsten en de maandelijkse warmteverliezen in energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico (-);

QL,overh,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen van energiesector i door transmissie en ventilatie voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in MJ;

a

een numerieke parameter;

QT,overh,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen door transmissie van energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in MJ;

QV,overh,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen door ventilatie van energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in MJ;

θe,m

de maandgemiddelde buitentemperatuur, in °C, zie Tabel 1;

HT,overh,sec i,m

het maandelijks specifiek warmteverlies van energiesector i door transmissie voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in W/K, zoals hieronder bepaald;

HV,overh,sec i,m

het maandelijks specifiek warmteverlies van energiesector i door ventilatie voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in W/K, bepaald volgens nader door de minister vast te leggen regels;

τoverh,sec i,m

de tijdconstante van energiesector i voor de evaluatie van het oververhittingsrisico, in s;

Csec i

de effectieve thermische capaciteit van energiesector i, in J/K, bepaald volgens 7.6;

tm

de lengte van de betreffende maand, in Ms, zie Tabel 1.

 

 

Een wooneenheid voldoet aan de eis m.b.t. de beperking van het risico op oververhitting7 indien de oververhittingsindicator van elke energiesector kleiner is dan de maximaal toegelaten waarde van 17500 Kh.

Indien de oververhittingsindicator van een energiesector groter is dan de maximaal toegelaten waarde, pas dan het bouwkundig ontwerp aan. Gunstige aanpassingen om het risico op oververhitting te verminderen zijn:
- De glasoppervlakte verminderen.
- Zonnewering (met inbegrip van selectieve beglazing) voorzien bij de vensters die directe bezonning krijgen.
- De effectieve thermische massa opdrijven. Binnen het kader van de conventionele bepaling van de energieprestatie beperkt deze ingreep zich tot een verhoging van licht naar matig zwaar, van matig zwaar naar half zwaar en van half zwaar naar zwaar.
- Voorzieningen voor intensieve ventilatie aanbrengen, in het bijzonder voor nachtelijke ventilatie.

HT,overh,sec i,m wordt bepaald volgens 7.7.2. Indien echter de koudebruggen op forfaitaire manier ingerekend worden (volgens optie 5 van bijlage IV bij dit besluit), wordt deze forfaitaire toeslag buiten beschouwing gelaten bij de evaluatie van het oververhittingsrisico.


8.3 Conventionele waarschijnlijkheid op de plaatsing van actieve koeling
 

Bij de bepaling van de energieprestatie wordt als waarschijnlijkheid op de plaatsing van actieve koeling bij conventie de volgende waarde gehanteerd (zie 8.1 voor toelichting):

1. indien actieve koeling geplaatst is, geldt:

pcool,seci = 1               (-)

2. indien geen actieve koeling geplaatst is, geldt:

pcool,seci = max               (-)

met:

Ioverh,thresh

de drempelwaarde waarboven bij de bepaling van de energieprestatie moet rekening gehouden worden met een risico op plaatsing achteraf van actieve koeling. Neem deze waarde gelijk aan 8000 Kh;

Ioverh,max

de maximaal toegelaten waarde, zoals hierboven vastgelegd, in Kh.

 

 

8.4 Koeling

Bepaal de netto energiebehoefte voor koeling per maand en per energiesector i als het product van de conventionele waarschijnlijkheid dat actieve koeling geplaatst wordt en de overtollige warmtewinsten t.o.v. de insteltemperatuur voor koeling:

Qcool,net,seci,m = pcool,seci.Qexcess,cool,seci,m               (MJ)

met

pcool,sec i 

de conventionele waarschijnlijkheid op plaatsing van actieve koeling, bepaald volgens 8.3 (-);

Qexcess,cool,sec i,m

de overtollige warmtewinsten t.o.v. de insteltemperatuur voor koeling, in MJ, zoals hieronder bepaald.

Bepaal de overtollige warmtewinsten t.o.v. de insteltemperatuur voor koeling, Qexcess,cool,sec i,m met:

Qexcess,coolseci,m = (1 - ηutil,cool,sec i,m) . Qg,cool,seci,η               (MJ)

waarbij:

Qg,cool,seci,m = Qi,seci,m + Qs,cool,seci,m               (MJ)

ηutil,cool,seci,m = a/(1 + a) voor γcool,seci,m = 1               (-)

ηutil,cool,seci,m = 1 - (γcool,seci,m)a / 1 - (γcool,seci,m)a+1 voor de overige gevallen               (-)

en:

γcool,seci,m = Qg,cool,seci,m/QL,cool,seci,m               (-)

a = 1 + τcool,seci,m/54000               (-)

QL,cool,seci,m = QT,cool,seci,m + QV,cool,seci,m               (MJ)

QT,cool,seci,m = HT,cool,seci,m . [23- (θe,m + Δθe,m)].tm               (MJ)

QV,cool,seci,m = HV,cool,seci.[23 - (θe,m) + Δθe,m)].tm               (MJ)

τcool,seci,m = Cseci/HT,cool,seci,m+HV,cool,seci               (s)

ηutil,cool,sec i,m

de benuttingsfactor van de maandelijkse warmtewinsten van energiesector i, voor de bepaling van de koelbehoefte (-);

Qg,cool,sec i,m

de maandelijkse warmtewinsten door bezonning en interne warmteproductie in energiesector i voor de bepaling van de koelbehoefte, in MJ;

Qi,sec i,m

de maandelijkse warmtewinst door interne warmteproductie in energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.9.2;

Qs,cool,sec i,m

de maandelijkse warmtewinst door bezonning in energiesector i voor de bepaling van de koelbehoefte, in MJ, bepaald volgens 7.10, waarbij de invallende bezonning (Tabel 1) evenwel verhoogd wordt met 10%;

γcool,sec i,m

de verhouding tussen de maandelijkse warmtewinsten en de maandelijkse warmteverliezen in energiesector i voor de bepaling van de koelbehoefte (-);

QL,cool,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen van energiesector i door transmissie en ventilatie voor de bepaling van de koelbehoefte, in MJ;

a

een numerieke parameter;

QT,cool,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen van energiesector i door transmissie voor de bepaling van de koelbehoefte, in MJ;

QV,cool,sec i,m

de maandelijkse warmteverliezen van energiesector i door ventilatie voor de bepaling van de koelbehoefte, in MJ;

θe,m

de maandgemiddelde buitentemperatuur, in °C, zie Tabel 1;

∆θe,m

een verhoging van de maandgemiddelde buitentemperatuur voor de berekening van de netto energiebehoefte voor koeling, gelijk te nemen aan 2°C;

HT,cool,sec i,m

het maandelijks specifiek warmteverlies van energiesector i door transmissie voor de bepaling van de koelbehoefte, in W/K. Neem deze waarde gelijk aan HT,overh,sec i,m zoals bepaald in 8.2;

HV,cool,sec i

het specifiek warmteverlies van energiesector i door ventilatie voor de bepaling van de koelbehoefte, in W/K, bepaald volgens 7.8.2;

τcool,sec i,m

de tijdconstante van energiesector i voor de bepaling van de koelbehoefte, in s;

Csec i

de effectieve thermische capaciteit van energiesector i, in J/K, bepaald volgens 7.6;

23

de binnentemperatuur door deze bijlage opgelegd voor de bepaling van de koelbehoefte, in °C:

tm

de lengte van de betreffende maand, in Ms, zie Tabel 1.

 

 

OPMERKING

De koelbehoefte in het Belgisch klimaat hangt sterk af van de actuele weersomstandigheden. De koelbehoefte van een gemiddeld meteorologisch jaar is niet gelijk aan de gemiddelde koelbehoefte over verschillende jaren omdat warme jaren relatief zwaarder doorwegen. Bij de berekeningen wordt met dit verschijnsel rekening gehouden door de temperaturen en bezonning wat hoger te nemen dan het langjarig gemiddelde.

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE A ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

Bijlage A: Behandeling van aangrenzende onverwarmde ruimten (AOR)

M.b.t. aangrenzende onverwarmde ruimten wordt een reductiefactor b bepaald, zie NBN EN ISO 13789.

Voor de behandeling van aangrenzende onverwarmde ruimten bij de bepaling van de energieprestatie, worden standaard volgende 2 vereenvoudigde mogelijkheden voorzien.

Mogelijkheid 1

Het is steeds toegelaten de buitengeometrie van de AOR buiten beschouwing te laten.
* Voor de bepaling van de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming wordt er dan aangenomen dat de temperatuur van de AOR gelijk is aan de buitentemperatuur (d.w.z. de reductiefactor b = 1). Er wordt geen doorzonning naar het beschermd volume beschouwd.
* Voor de bepaling van de oververhittingsindicator en van de netto energiebehoefte voor ruimtekoeling wordt er aangenomen dat de AOR zich op dezelfde temperatuur bevindt als het beschermd volume (d.w.z. de reductiefactor b = 0). Er worden m.a.w. geen transmissiewarmtestromen van het beschermd volume naar de AOR beschouwd. Voor de bezonning wordt er aangenomen dat de AOR geen enkele belemmering vormt.

Mogelijkheid 2

* Deze mogelijkheid is enkel van toepassing indien de AOR maar aan 1 energiesector grenst en indien er geen bewuste ventilatie tussen de AOR en het beschermd volume optreedt.
* Voor de gevallen waarbij de AOR aan meerdere energiesectoren grenst, kan de minister eventueel bijkomende regels opgeven die toelaten de AOR op te delen in een aantal kleinere, fictieve aangrenzende onverwarmde ruimten die elk op zich maar aan 1 energiesector grenzen.

Wanneer meerdere aangrenzende onverwarmde ruimten ook onderling aan elkaar grenzen wordt bij conventie aangenomen dat er geen warmtetransmissie of luchtuitwisseling (bewust of door in/exfiltratie) tussen de aangrenzende onverwarmde ruimten plaatsvindt. Tevens wordt de scheidingsconstructie als opaak beschouwd.

In aangrenzende onverwarmde ruimten worden de interne warmtewinsten gelijk aan nul gesteld.

De reductiefactor b wordt berekend volgens NBN EN ISO 13789. Voor de behandeling van koudebruggen gelden dezelfde regels als in 7.4 (onderscheid tussen enerzijds verwarmingsberekeningen en anderzijds berekeningen voor koeling en oververhitting).

De indirecte zonnewinsten van de aangrenzende energiesector (zie 7.10.2) zijn gelijk aan de fractie (1-b) van de geabsorbeerde zonnewinsten in de AOR. Zowel de reductiefactor b als de zonnewinsten kunnen verschillen voor enerzijds de berekeningen voor ruimteverwarming en anderzijds de berekeningen voor het risico op oververhitting en ruimtekoeling, omwille van een verschil in ventilatievoud en/of de gebruiksfactor van eventuele zonnewering.

Directe doorzonning van de AOR wordt enkel beschouwd indien loodrecht op het middelpunt van het venster tussen de AOR en het beschermd volume (BV) ook de buitenwand van de AOR transparant is. Bij de bepaling van de beschaduwingshoeken van het AOR-BV venster wordt rekening gehouden met de geometrie van de AOR (bv. opaak dak). De invallende bezonning op het AOR-BV venster wordt verminderd met het product 0.95 x FF x gg van de tegenoverliggende transparante buitenwand. De directe doorzonning van de AOR wordt in mindering gebracht van de totale binnenkomende zonnewinsten van de AOR om de in de AOR geabsorbeerde zonnewinsten te bepalen.

BIJLAGE B ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE C ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE D ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

Bijlage D: Het afgifterendement

De hier gegeven detailberekening is enkel van toepassing op energiesectoren die slechts één enkel systeem van warmteafgifte hebben bestaande uit radiatoren, vloerverwarming of muurverwarming.

Wat meer in detail wordt berekend zijn de extra warmteverliezen doorheen de uitwendige scheidingsconstructie achter of onder de systemen van warmteafgifte.

In deze bijlage wordt meermaals onderscheid gemaakt tussen een variabele en een constant instelwaarde van de vertrektemperatuur van het kringwater: zie 9.2.2.2 voor een verdere omschrijving van dit onderscheid.

D. 1 Conventionele werkingstijd van het systeem van warmteafgifte

Bepaal de conventionele maandelijkse werkingstijd van het systeem van warmteafgifte van energiesector, als volgt:
 

- Indien de instelwaarde van de vertrektemperatuur van het kringwater variabel is, geldt:

Theat, seci, m = Qheat, net, seci, m / [29(HT, seci, m + 0.27Vseci] (18 – θe, m) / 29

(Ms)

- Indien de instelwaarde van de vertrektemperatuur van het kringwater constant is, geldt:

Theat, seci, m = Qheat, net, seci, m = 29(HT, seci, m + 0.27Vseci) + 10Vseci

(Ms)

In beide formules zijn:

Qheat, net, sec i, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.2;

HT, seci, m

Het maandgemiddeld specifiek warmteverlies door transmissie van energiesector i bij basis buitentemperatuur, in W/K;

Vsec i

Het volume van energiesector i, in m3

θe, m

De maandgemiddelde buitentemperatuur, zie Tabel 1.

     

 

 

D. 2 Gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring

Bepaal voor elke maand van het stookseizoen de gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring van energiesector i tijdens de werkingstijd als volgt:
 

- Indien de instelwaarde van de vertrektemperatuur van het kringwater variabel is, geldt:

θc, seci, m = 21 + (θc, seci, θeb – 21) [21 – θe, m /29]0,75

(°C)

- Indien de instelwaarde van de vertrektemperatuur van het kringwater constant is, geldt:

θc, sec i, m = θc, seci, θeb

(°C)

maar bij een standaardketel zonder namenging m.b.v. een driewegmengkraan moet steeds gerekend worden met θc, sec i, m = 80° C, onafgezien van de ontwerptemperaturen van de afgiftekring.

Waarin:

θc, sec i, θeb

De gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring bij basis buitentemperatuur, zoals hieronder bepaald, in °C;

θe, m

De maandgemiddelde buitentemperatuur, zie Tabel 1.

Bepaal de gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring bij basis buitentemperatuur (d.w.z. bij ontwerpomstandigheden), als volgt:

θc, sec i, θeb = 0.5 (θdesign, supply, sec i + θdesign, return, sec i)

Met

θdesign, supply, sec i

De ontwerpvertrektemperatuur van het water in de afgiftekring van energiesector i (bij basistemperatuur), in °C;

θdesign, return, sec i

De ontwerpretourtemperatuur van het water in de afgiftekring van energiesector i (bij basisbuitentemperatuur), in °C.

Als waarden bij ontstentenis mogen gehanteerd worden:

- voor vloer- en muurverwarming:

 

θdesign, supply, sec i = 55° C

 

θdesign, return, sec I = 45° C

- voor radiatoren:

 

θdesign, supply, sec i = 90° C

 

θdesign, return, sec I = 70° C

     

 

 

Beter waarden kunnen ingebracht worden overeenkomstig vooraf door de minister erkende regels.

D. 3 Radiatoren
 

- Bereken de maandelijkse extra warmteverliezen (ΔQrad, sec i, m) voor de radiatoren van energiesector i, doorheen de achterliggende scheidingsconstructie als:

ΔQrad, sec i, m = theat, seci, m Σj

(MJ)

Met

θc, sec I, m

De gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring van energiesector I tijdens de conventionele werkingstijd voor de beschouwde maand, bepaald volgens D.2, in °C;

θe,m

De maandgemiddelde buitentemperatuur, zie Tabel 1;

theat, sec i, m

De conventionele maandelijkse werkingstijd van het systeem van warmteafgifte in energiesector i, bepaald volgens D.1, in Ms;

W

Een weegfactor. Deze wordt 0.4 in geval achter radiator j een stralingsscherm met een emissiefactor kleiner dan 0.2 aanwezig is en 0.8 in alle andere gevallen, (-);

Uj

De u-waarde van de uitwendige scheidingsconstructies achter radiator j, in W/m2K;

Arad, j

De geprojecteerde radiatoroppervlakte van radiator j, in m2.

Er dient gesommeerd te worden over alle radiatoren j van energiesector i, die geplaatst zijn tegen een uitwendige scheidingsconstructie.

- Stel het maandelijkse afgifterendement voor energiesector i (ŋem, heat, seci, m) gelijk aan:

ŋem, heat, seci, m = ŋ Qheat, net, seci, m / Qheat, net, seci, m + ΔQrad, seci, m

(-)

Met:

 

Ŋ

De vermenigvuldiger uit Tabel 18. Deze vermenigvuldiger houdt rekening met extra regelingsverliezen en de verliezen als gevolg van temperatuurstratificatie;

Qheat, net, seci, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.2;

ΔQrad, sec i, m

Het maandelijkse extra warmteverlies achter de radiatoren van energiesector i, in MJ.

     

 

 

Tabel 18: Vermenigvuldiger ŋ

Centrale verwarming met warm water

Regeling van de binnentemperatuur

Regeling van de vertrektemperatuur van het kringwater

Constante instelwaarde

Variabele instelwaarde

Temperatuurgestuurd per ruimte

0.92

0.94

Andere

0.90

0.92

 

 

 

 

- Bereken het maandelijkse extra warmteverlies doorheen de vloeren van energiesector i (ΔQfl.h, sec i, m) als:

ΔQfl.h, sec i, m = (θc, seci, m – 18).theat, seci, m Σ (U*f, jAf, j)

(MJ)

Met

θc, seci, m

De gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring van energiesector I tijdens de conventionele werkingstijd voor de beschouwde maand, bepaald volgens D.2, in °C;

theat, sec i, m

De conventionele maandelijkse werkingstijd van het systeem van warmteafgifte in energiesector i, bepaald volgens D.1, in Ms;

Af, j

De vloeroppervlakte ingenomen door vloerverwarming j, a rato van het deel van deze vloer waardoorheen transmissieverliezen optreden, in m2;

U*f, j

De equivalente U-waarde van de vloer onder de vloerverwarming j, gelijk aan:

 

° in geval van vloeren op volle grond:

1/U*f, j = 1/Uf, j + 0.75

 

(m2 K/W)

Met:

Uf, j

De U-waarde van de vloer gerekend vanaf de binnenomgeving tot aan het scheidingsvlak met de grond, in W/m2K.

1/U*f, j = 1/Uf, j – 0.25 + 1/Ug, j + Ux, j

(m2 K/W)

 

waarbij Uf, j , Ug, j en Ux, j berekend worden volgens nadere specificaties vanwege de minister

 

 

° in geval van vloeren in contact met de buitenlucht:

1/U*f, j = 1/Uf, j – 0.25

 

(m2 K/W)

 

met Uf, j   de warmtedoorgangscoëfficiënt van de vloer van binnenomgeving tot buitenlucht, berekend volgens nadere specificaties vanwege de minister, in W/ (m2K).

Er dient gesommeerd te worden over alle vloerverwarmingen j van energiesector i, die ingebed zijn in uitwendige scheidingsconstructies.

- Stel het maandelijkse afgifterendement voor energiesector i  gelijk aan:

(ŋem, heat, seci, m)

 

ŋem, heat, sec i, m = ŋ  Qheat, net, seci, m / Qheat, net, seci, m + Qfl.h, seci, m

(-)

Met:

 

Ŋ

De vermenigvuldiger uit Tabel 18;

Qheat, net, sec i, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector i, in MJ, bepaald volgens 7.2;

ΔQfl.h, sec i, m

Het maandelijkse extra warmteverlies door de vloeren in energiesector i, in MJ.

       

 

 

 

D. 5 Muurverwarming
 

- Bereken het maandelijkse extra warmteverlies via de muren van energiesector i (ΔQwall.h, sec i, m) als

ΔQwall.h, seci, m = (θc,seci, m – 18) . theat, seci, m Σj (U*wall, jAwall, j)

(MJ)

met:

θc,sec i, m

De gemiddelde watertemperatuur in de afgiftekring van energiesector I tijdens de conventionele werkingstijd voor de beschouwde maand, bepaald volgens D.2, in °C;

theat, seci, m

De conventionele maandelijkse werkingstijd van het systeem van warmteafgifte in energiesector i, bepaald volgens D.1 in Ms;

Awall, j

De oppervlakte van de uitwendige verticale scheidingsconstructie j, achter het vlak met de muurverwarming, in m2;

U*wall, j

De equivalente warmtedoorgangscoëfficiënt van de uitwendige verticale scheidingsconstructie j achter het vlak met de muurverwarming, gegeven door:

U*wall, j = 1 / 1/Uwall, j – 0.175

(W/m2K)

met:

Uwall, j

De warmtedoorgangscoëfficiënt van de uitwendige verticale scheidingsconstructie j achter het element.

Er dient gesommeerd te worden over alle uitwendige verticale scheidingsconstructies j van energiesector i, waarin muurverwarming ingebed is.

- Stel het maandelijkse afgifterendement voor energiesecotr i (ŋem, heat, sec i, m) gelijk aan:

ŋem, heat, sec i, m = ŋ  Qheat, net, seci, m / Qheat, net, seci, m + ΔQwall.h, seci, m

(-)

met:

Ŋ

De vermenigvuldiger uit Tabel 18;

Qheat, net, sec i, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector I, in MJ, bepaald volgens 7.2;

ΔQwall.h, sec i, m

Het maandelijkse extra warmteverlies via de muren in energiesector i, in MJ.

       

 

 

BIJLAGE E ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE F ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen. (... - ...)

BIJLAGE II ( 01/01/2006 - ... )

BEPALINGSMETHODE VAN HET PEIL VAN PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK VAN KANTOOR- EN SCHOLGEBOUWEN

Inhoud

1.

INLEIDING ….

2.

DEFINITIE VAN DE GEBRUIKSOPPERVLAKTE ….

3.

SCHEMATISERING VAN HET GEBOUW ….

 

3.1

Principe ….

 

3.2

Opdeling van het gebouw ….

 

3.3

Opdeling van het ‘EPU-volume’ in energiesectoren ….

 

 

3.3.1

Principe ….

 

 

3.3.2

Verdeling in energiesectoren ….

4.

HET PEIL VAN PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK ….

5.

NETTO ENERGIEBEHOEFTE VOOR RUIMTEVERWARMING, EN RUIMTEKOELING EN VOOR BEVOCHTIGING ….  

 

5.1

Principe ….

 

5.2

Maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming per energiesector ….

 

5.3

Maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimtekoeling per energiesector ….

 

5.4

Specifiek warmteverlies door transmissie per energiesector ….

 

5.5

Specifiek warmteverlies door ventilatie en in/exfiltratie per energiesector ….

 

 

5.5.1

Principe ….

 

 

5.5.2

Rekenregel ….

 

 

5.5.3

Bepaling van het in/exfiltratiedebiet ….

 

 

5.5.4

Reductiefactor ingevolge voorverwarming ….

 

 

5.5.5

Tijdsfractie dat de ventilatie in bedrijf is ….

 

5.6

Interne warmteproductie ….

 

5.7

Zonnewarmtewinsten ….

 

5.8

Effectieve thermische capaciteit ….

 

 

5.8.1

Principe ….

 

 

5.8.2

Effectieve thermische capaciteit aan de hand van de vloermassa ….

 

 

5.8.3

Effectieve thermische capaciteit aan de hand van een berekening ….

 

5.9

Maandelijkse netto energiebehoefte voor bevochtiging ….

6.

BRUTO ENERGIEBEHOEFTE VOOR RUIMTEVERWARMING EN RUIMTEKOELING ….

 

6.1

Principe ….

 

6.2

Bepaling van de bruto energiebehoefte voor ruimteverwarming en ruimtekoeling ….

 

6.3

Systeemrendementen voor verwarming en koeling ….

 

6.4.

Fracties van de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming en ruimtekoeling ….

 

 

6.4.1

Fractie netto energiebehoefte voor ruimtekoeling ….

 

 

6.4.2

Fractie netto energiebehoefte voor ruimteverwarming ….

7.

ENERGIEVERBUIJK VOOR RUIMTEVERWARMING EN RUIMTEKOELING EN VOOR BEVOCHTIGING ….

 

7.1

Principe ….

 

7.2

Maandelijks eindenergieverbruik voor ruimteverwarming en ruimtekoeling en voor bevochtiging ….

 

 

7.2.1

Ruimteverwarming en bevochtiging ….

 

 

7.2.2

Ruimtekoeling ….

 

7.3

Verdeling van de bruto energiebehoefte over preferente en niet-preferente opwekkers ….

 

 

7.3.1

Verwarming ….

 

 

7.3.2

Koeling ….

 

7.4

Opwekkingsrendementen voor verwarming en koeling ….

 

 

7.4.1

Opwekkingsrendement voor verwarming ….

 

 

7.4.2

Opwekkingsrendement voor koeling ….

8.

HULPENERGIEVERBRUIK VAN VENTILATOREN, POMPEN EN WAAKVLAMMEN ….

 

8.1

Elektriciteitsverbruik van ventilatoren voor ventilatie en circulatie ….

 

 

8.1.1

Principe ….

 

 

8.1.2

Elektriciteitsverbruik van de ventilatoren ….

 

 

8.1.3

Elektriciteitsverbruik voor ventilatoren per energiesector aan de hand van waarden bij ontstentenis ….

 

 

8.1.4

Elektriciteitsverbruik voor ventilatoren per energiesector aan de hand van de werkelijk opgestelde vermogens ….

 

 

8.1.5

Tijdfractie dat de ventilatoren in bedrijf zijn ….

 

8.2

Elektriciteitsverbruik van circulatiepompen ….

 

 

8.2.1

Principe ….

 

 

8.2.2

Rekenregel ….

 

 

8.2.3

Reductiefactoren voor de toegepaste pompregeling ….

 

8.3

Energieverbruik van waakvlammen ….

9.

ENERGIEVERBRUIK VOOR VERICHTING ….

 

9.1

Principe ….

 

9.2

Elektriciteitsverbruik voor verlichting …

 

9.3

Elektriciteitsverbruik voor verlichting aan de hand van waarden bij ontstentenis ….

 

9.4

Elektriciteitsverbruik voor verlichting aan de hand van het werkelijk geïnstalleerde vermogen …

 

 

9.4.1

Principe ….

 

 

9.4.2

Bepaling van de hupvariabele Lrm r ….

 

 

9.4.3

Bepaling van het elektriciteitsverbruik per energiesector ….

 

 

9.4.4.

Rekenwaarde voor het vermogen per ruimte ….

 

 

9.4.5

Verdeling in daglicht- en kunstlichtdeel ….

10.

PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK ….

 

10.1

Principe ….

 

10.2

Het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik ….

 

10.3

Het primair energieverbruik voor verwarming en koeling ….

 

10.4

Het primair hulpenergieverbruik ….

 

10.5

Het primair energieverbruik voor verlichting ….

 

10.6

De primaire energiebesparing ingevolge gebouwgebonden warmtekrachtkoppeling (WKK) ….

BIJLAGE A:

WARMTEKRACHTKOPPELING ….

 

A.1.

Principe ….

 

A.2.

Bepaling van de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit ….

 

A.3.

Bepaling hoeveelheid warmte die door WKK gedekt wordt ….

 

 

A.3.1.

Rekenregel ….

 

 

A.3.2.

Door WKK gedekte bruto energiebehoefte voor ruimteverwarming ….

 

 

A.3.3.

Door WKK gedekte netto energiebehoefte voor bevochtiging ….

 

 

A.3.4.

Door WKK gedekte bruto warmtebehoefte voor absorptiekoeling ….

           

 

BIJLAGE II ( 01/01/2006 - Datum te bepalen door de minister )

1. Inleiding

Deze bijlage bevat de methode voor de bepaling van het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen.

De globale opbouw van de methode is analoog aan deze voor woongebouwen: zie hoofdstuk 4 van bijlage I bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen).

Voor een opsomming van de normatieve verwijzingen wordt verwezen naar hoofdstuk 1 van bijlage I bij dit besluit.

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

5. Netto energiebehoefte voor ruimteverwarming, en ruimtekoeling en voor bevochtiging

5.1 Principe

De netto energiebehoefte voor ruimteverwarming of voor ruimtekoeling wordt per energiesector voor alle maanden van het jaar berekend. Hiertoe worden telkenmale de totale maandverliezen door transmissie en ventilatie bij een conventioneel vastgelegde temperatuur bepaald, evenals de totale maandwinsten door interne warmtewinsten en bezonning. Met behulp van de benuttingsfactor voor de warmtewinsten wordt dan de maandelijkse energiebalans opgesteld.

De netto energiebehoefte voor ruimtekoeling wordt steeds berekend, ook als er geen actieve koeling geplaatst wordt. In dat geval wordt een weegfactor van 1.0 toegepast. In geval er wel actieve koeling geplaatst wordt bedraagt de weegfactor 1.5.

Indien er in de gebouwinstallaties voorzieningen aanwezig zijn om de buitenlucht te bevochtigen die in (een deel van) het ‘EPU-volume’ ingebracht wordt, bepaal dan per bevochtigingstoestel de maandelijks benodigde hoeveelheid verdampingsenergie, rekening houdend met eventuele vochtterugwinning uit de afvoerlucht.

Tabel 1 Maandwaarden voor de lengte van de maand, de gemiddelde buitentemperatuur en de rekenwaarde voor de temperatuur van de toegevoerde buitenlucht voor de berekening van de energiebehoefte voor ruimtekoeling.

Maand

Lengte van de maand2

Maandgemiddelde buitentemperatuur

Rekenwaarde voor de temperatuur van de toegevoerde buitenlucht bij koelberekeningen

tm

(Ms)

θe, m

(°C)

θe, V, cool, m

(°C)

Januari

2.6784

3.2

16.0

Februari

2.4192

3.9

16.0

Maart

2.6784

5.9

16.0

April

2.5920

9.2

16.0

Mei

2.6784

13.3

16.0

Juni

2.5920

16.2

18.2

Juli

2.6784

17.6

19.6

Augustus

2.6784

17.6

19.6

September

2.5920

15.2

17.2

Oktober

2.6784

11.2

16.0

November

2.5920

6.3

16.0

December

2.6784

3.5

16.0

 

 

2 1 Ms, 1 Megaseconde, is 1 miljoen seconden.

Tabel 2 Aan te houden binnentemperatuur voor de bepaling van de energiebehoefte voor ruimteverwarming en ruimtekoeling

Bestemming

Ruimteverwarming

Ruimtekoeling

θi, heat

(°C)

θi, cool

(°C)

Kantoorbestemming

 

Schoolbestemming

 

19

 

23

 

 

Tabel 3 Numerieke parameters bij de bepaling van de benuttingsfactor

Bestemming

Ruimteverwarming

Ruimtekoeling

ao, heat

(-)

τo, heat

(h)

bo, cool

(-)

τo, cool

(h)

Kantoorbestemming

 

Schoolbestemming

 

0.80

 

70

 

1.83

 

83

 

 

5. 2 Maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming per energiesector

Bepaal de maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimteverwarming per energiesector met:

Qheat, net, seci, m = QL, heat, seci, m – ŋutil, heat, seci, m . Qg, heat, seci, m

met

QL, heat, seci, m = QT, heat, seci, m + QV, heat, seci, m

Qg, heat, seci, m = Qi, heat, seci, m + Qs, heat, seci, m

waarin:

Qheat, net, seci, m

De netto energiebehoefte voor ruimteverwarming van energiesector I voor de maand m, in MJ;

QL, heat, seci, m

Het maandelijks warmteverlies door transmissie en ventilatie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in MJ;

ŋutil, heat, seci, m

De maandelijkse benuttingsfactor voor de warmtewinst van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, zoals hieronder bepaald (-);

Qg, heat, seci, m

De maandelijkse warmtewinst door bezonning en interne warmteproductie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in MJ;

QT, heat, seci, m

Het maandelijks warmteverlies door transmissie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, zoals hieronder bepaald, in MJ;

QV, heat, seci, m

Het maandelijks warmteverlies door ventilatie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, zoals hieronder bepaald, in MJ;

Qi, heat, seci, m

De maandelijkse interne warmteproductie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, bepaald volgens 5.6, in MJ;

Qs, heat, seci, m

De maandelijkse zonnewarmtewinst van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, bepaald volgens 5.7, in MJ.

en

QT, heat, seci, m = HT, seci, m . (θi, heat – θe, m) . tm

QV, heat, seci, m = Hv, heat, seci . (θi, heat – θe, m) . tm

Waarin:

θi, heat

De bij conventie vastgelegde gemiddelde binnentemperatuur voor de bepaling van de energiebehoefte voor verwarming, ontleend aan Tabel 2, in °C;

θe, m

De maandgemiddelde buitentemperatuur, ontleend aan Tabel 1, in °C;

tm

De duur van de maand, ontleend aan Tabel 1, in Ms;

HT, seci, m

Het specifieke warmteverlies door transmissie van energiesector i voor de maand m, in W/K, bepaald volgens 5.4;

Hv, heat, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in W/K, bepaald volgens 5.5.

De benuttingsfactor voor de warmtewinsten wordt per maand bepaald aan de hand van de voor warmte toegankelijke massa en de verhouding tussen warmtewinst en warmteverlies. Bereken de benuttingsfactor voor verwarming per energiesector per maand, ŋutil, heat, sec i, m, met:

• indien γsec i, m groter is dan of gelijk is aan 2.5, geldt:

Ŋutil, heat, sec i, m = 1/γsec i, m

· indien γsec i, m kleiner is dan 2.5, geldt:

Ŋutil, heat, sec i, m = 1 – (γsec i, m)a / 1 - (γsec i, m)a + 1

Indien γ ≠ 1

Ŋutil, heat, sec i, m = a / a + 1

Indien γ = 1

waarbij de maandelijkse winst-verliesverhouding per energiesector, γsec i, m, gedefinieerd is als:

γsec i, m = Qg, heat, sec i, m / QL, heat, sec, i , m

en waarbij de numerieke parameter a voor energiesector I gegeven wordt door:

a = a0, heat + τheat, sec i, m / τ0, heat

met als maandelijkse tijdconstante voor verwarming van energiesector I, τheat, sec i, m = Csec i / 3.6 (HT, sec i, m + Hv, heat, sec i)

waarin:

a0, heat

Een constante, ontleend aan Tabel 3 (-);

τ0, heat

Een constante, ontleend aan Tabel 3 (h);

Csec i

De effectieve thermische capaciteit van energiesector i, in kJ/K, bepaald volgens 5.8;

HT, seci, m

Het specifieke warmteverlies door transmissie van energiesector i voor de betreffende maand, in W/K, bepaald volgens 5.4;

Hv, heat, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i, in W/K, bepaald volgens 5.5.

       

 

 

5. 3 Maandelikse netto energiebehoefte voor ruimtekoeling per energiesector

Bepaal de maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimtekoeling per energiesector met:

Qcool, net, seci, m = 1.1 w (Qg, cool, seci, m – ŋutil, cool, seci, m . QL, cool, seci, m)

met

Qg, cool, seci, m = Qi, cool, seci, m + Qs, cool, seci, m

QL, cool, seci, m = QT, cool, seci, m + Qv, cool, seci, m

waarin:

Qcool, net, seci, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor ruimtekoeling van energiesector i, in mj.

w

Een weegfactor, bij conventie gelijk te nemen aan:

Indien actieve koeling geplaatst wordt: w = 1.5;

Indien geen actieve koeling geplaatst wordt: w = 1.0;

 

Qg, cool, seci, m

De maandelijkse warmtewinst van energiesector i door bezonning en interne warmteproductie voor de koelberekening, in MJ;

ŋutil, cool, seci, m

De maandelijkse benuttingsfactor voor warmteverliezen van energiesector i voor de koelberekeningen, zoals hieronder bepaald (-);

QL, cool, seci, m

Het maandelijks warmteverlies door transmissie en ventilatie van energiesector i voor de koelberekeningen, in MJ;

Qv, cool, seci, m

Het maandelijks warmteverlies door ventilatie van energiesector i voor de koelberekeningen, zoals hieronder bepaald, in MJ;

Qi, cool, seci, m

De maandelijkse interne warmteproductie van energiesector i voor de koelberekeningen, bepaald volgens 5.6, in MJ;

Qs, cool, seci, m

De maandelijkse zonnewarmtewinst van energiesector i voor de koelberekeningen, bepaald volgens 5.7, in MJ.

en

QT, cool, seci, m = HT, seci, m . (θi, cool – (θe, m + Δθe, m) ) . tm

Qv, cool, seci, m = Hv, cool, seci . (θi, cool – θe, v, cool, m) . tm

waarin:

θi, cool

De bij conventie vastgelegde gemiddelde binnentemperatuur voor de bepaling van de energiebehoefte voor ruimtekoeling, ontleend aan Tabel 2, in °C;

θe, m

De maandgemiddelde buitentemperatuur, ontleend aan Tabel 1, in °C;

Δθe, m

Een verhoging van de maandgemiddelde buitentemperatuur voor de berekening van de netto energiebehoefte voor koeling, gelijk te nemen aan 2 °C;

θe, v, cool, m

De conventionele rekenwaarde voor de toevoertemperatuur van de ventilatielucht voort de koelberekeningen, ontleend aan Tabel 1, in °C;

tm

De duur van de maand, ontleend aan Tabel 1, in Ms;

HT, seci, m

Het specifieke warmteverlies door transmissie van energiesector i voor de betreffende maand, in W/K, bepaald volgens 5.4;

Hv, cool, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i voor de koelberekeningen, in W/K, bepaald volgens 5.5.

OPMERKING

De koelbehoefte in het Belgisch klimaat hangt sterk af van de actuele weersomstandigheden. De koelbehoefte van een gemiddeld meteorologisch jaar is niet gelijk aan de gemiddelde koelbehoefte over verschillende jaren omdat warme jaren relatief zwaarder doorwegen. Bij de berekeningen wordt met dit verschijnsel rekening gehouden door de temperaturen en bezonning (zie ook 5.7) wat hoger te nemen dan het langjarig gemiddelde.

De benuttingsfactor voor de warmteverliezen wordt per maand bepaald aan de hand van de voor warmte toegankelijke massa en de verhouding tussen warmteverlies en warmtewinst.

Bereken de benuttingsfactor per energiesector per maand, ŋutil, cool, sec i, m, met:

• indien λseci, m groter is dan of gelijk is aan 2.5, geldt:

 

Ŋutil, cool, sec i, m = 1/λsec i, m

• indien λseci, m kleiner is dan 2.5, geldt:

 

Ŋutil, cool, sec i, m = 1 – (λseci, m)b / 1 - (λseci, m)b + 1

indien λ ≠ 1

 

Ŋutil, cool, sec i, m = b / b + 1

indien λ = 1

waarbij de maandelijkse verlies-winstverhouding per energiesector, λsec i, m, gedefinieerd is als:

 

λsec i, m = QL, cool, sec i, m / Qg, cool, sec i, m

en waarbij de numerieke parameter b voor energiesector I gegeven wordt door:

 

b = b0, cool + τcool, sec i, m / τ0, cool

met als maandelijkse tijdconstante voor koeling van energiesector i, τcool, seci, m, in h:

 

Τcool, sec i, m = Csec i / 3.6 (HT, sec I, m + Hv, cool, sec i)

waarin:

b0, cool

Een constante, ontleend aan Tabel 3 (-);

τ0, cool

Een constante, ontleend aan Tabel 3 (h);

Cseci

De effectieve thermische capaciteit van energiesector i, in kJ/K, bepaald volgens 5.8;

HT, seci, m

Het specifieke warmteverlies door transmissie van energiesector i voor de betreffende maand, in W/K, bepaald volgens 5.4;

Hv, cool, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i voor de koelberekeningen, in W/K, bepaald volgens 5.5.

 

 

5. 4 Specifiek warmteverlies door transmissie per energiesector

Bepaal het specifiek warmteverlies door transmissie van energiesector i, HT, seci, m, per maand volgens 7.7 van bijlage I bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen). Scheidingsconstructies met aangrenzende verwarmde ruimten het ‘EPU-volume’, aangrenzende verwarmde gebouwen, enz.) blijven daarbij buiten beschouwing. Voor koelberekeningen geldt daarenboven het volgende: als de koudebruggen op forfaitaire manier ingerekend worden (volgens optie 5 van bijlage IV bij dit besluit), wordt die forfaitaire toeslag buiten beschouwing gelaten bij de koelberekeningen.

 

 

 

5. 5 Specifiek warmteverlies door ventilatie en in/exfiltratie per energiesector
5. 5. 1 Principe

De regelgeving (zie bijlage VI bij dit besluit) legt minimale ontwerpventilatiedebieten per ruimte op. Grotere ontwerpventilatiedebieten zijn steeds toegelaten. Deze moeten door het bouwteam per ruimte eenduidig vastgelegd worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 4 soorten ventilatiesysteem:
- natuurlijke toevoerventilatie
- mechanische toevoerventilatie
- mechanische afvoerventilatie
- mechanische toe- en afvoerventilatie

Verder in deze tekst worden de laatste 3 categorieën samen omschreven als mechanische ventilatie.

Ingevolge de regels voor het afbakenen van de energiesectoren (zie 3.3), mag er in 1 enkele energiesector slechts 1 soort ventilatiesysteem voorkomen.

Vooreerst moet per energiesector het totale ontwerptoevoerdebiet aan buitenlucht, in de zin van de ventilatie-eisen, opgegeven worden. Desgevallend dienen de verschillende deelstromen opgegeven te worden volgens de van toepassing zijnde voorverwarming (5. 5. 4) door middel van warmteterugwinning. Het ontwerptoevoerdebiet bepaalt mede het referentie karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik (zie 4). Tevens wordt per energiesector het aantal personen bepaald waarvoor het ventilatiesysteem ontworpen wordt. Op basis van het infiltratiedebiet, het ontwerpdebiet aan buitenlucht en eventuele warmteterugwinning wordt het ventilatieverlies bepaald.

5. 5. 2 Rekenregel

Bepaal het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewust ventilatie van energiesector i met:

• voor verwarming

Hv, heat, sec i = 0.34 [V•in/exfilt, heat, sec i + rpreh, heat, seci Σj fvent, heat, j x V•supply, sec I, j]

• voor koeling

Hv, cool, sec i = 0.34 [V•in/exfilt, cool, seci + rpreh, cool, seci Σj fvent, cool, j x V•supply, seci, j]

Waarin:

Hv, heat, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in W/K;

Hv, cool, seci

Het specifieke warmteverlies door in/exfiltratie en bewuste ventilatie van energiesector i voor de koelberekeningen, in W/K;

V• in/exfilt, heat, sec i

 

V•in/exfilt, cool, seci

Het in/exfiltratiedebiet doorheen de ondichte gebouwschil in energiesector I, voor respectievelijk de verwarmings- en de koelberekeningen, bepaald volgens 5.5.3, in m3/h;

fvent, heat, j

De conventionele tijdsfractie dat toevoer j in bedrijf is voor de verwarmingsberekeningen, bepaald volgens 5.5.5;

fvent, cool, j

De conventionele tijdsfractie dat toevoer j in bedrijf is voor de koelberekeningen, bepaald volgens 5.5.5;

V•supply, sec I, j

De deelstroom j van het ontwerptoevoerdebiet aan buitenlucht in energiesector i, in m3/h;

rpreh, heat, seci

Een reductiefactor voor het effect van voorverwarming op de netto energiebehoefte voor ruimteverwarming in energiesector i, bepaald volgens 5.5.4;

rpreh, cool, seci

Een reductiefactor voor het effect van voorverwarming op de netto energiebehoefte voor ruimtekoeling in energiesector i, bepaald volgens 5.5.4.

 

Er dient gesommeerd te worden over alle deelstromen j waaruit het totale ontwerptoevoerdebiet aan buitenlucht van energiesector i is samengesteld.

 

Indien het ontwerptoevoerdebiet aan de buitenlucht in een ruimte kleiner is dan de minimale waarde (V•supply, min, rm r in hoofdstuk 4) zoals opgelegd door de minister (zie bijlage VI bij dit besluit), dan wordt voor de bepaling van Hv gerekend met het minimaal geëist debiet. Deze regel geldt echter niet voor speciale ruimten zoals bedoeld in hoofdstuk 6.3 van bijlage VI bij dit besluit.

 

 

5. 5. 3 Bepaling van het in/exfiltratiedebiet

Het te hanteren gemiddeld in/exfiltratiedebiet van energiesector i, in m3/h, wordt bij conventie gegeven door:

• voor verwarming

V•in/exfilt, heat, sec i = 0.04 x v•50 x AT, E, sec i

• voor koeling:

V•in/exfilt, cool, sec I = 0.48 x AT, E, sec i

Waarin:

V•50

Het lekdebiet bij 50 Pa per eenheid oppervlakte, zoals hieronder bepaald, in m3/(h.m2);

AT, E, sec i

De totale oppervlakte van alle scheidingsconstructies die energiesector i omhullen en waardoorheen transmissieverliezen beschouwd worden bij de bepaling van de energieprestatie 3 (zie ook 3.2 en5.4), in m2;

3 Dus enkel constructies die de scheiding vormen tussen de energiesector en aangrenzende verwarmde ruimten, worden niet meegerekend bij de bepaling van AT, E, sec i

0.48

Voor de koelberekeningen wordt steeds gerekend met de vaste waarde van 12 m3/ (h.m2) voor v•50.

Indien een luchtdichtheidsmeting van het volledige ‘EPU-volume’ (of desgevallend van een groter deel van het beschermd volume) conform NBN EN 13829 voorgelegd wordt, geldt voor het lekdebiet bij 50 Pa per eenheid oppervlakte, v•50 in m3 / (h.m2):

V•50 = V•50 / Atest

Zoniet is volgende ontstenteniswaarde van toepassing voor v50, in m3/(h.m2):

V•50 = 12

Met:

Atest

De totale oppervlakte (op basis van uitwendige afmetingen) van de scheidingsconstructies die het volume, dat in de luchtdichtheidstest gemeten werd, omhullen, met uitzondering van de scheidingsconstructies naar aangrenzende verwarmde ruimten, in m2;

V•50

Het lekdebiet bij 50 Pa van de uitwendige schil, in m3/h, afgeleid uit de luchtdichtheidsmeting conform NBN EN 13829.

 

 

5. 5. 4 Reductiefactor ingevolge voorverwarming

De reductiefactor voor voorverwarming r van een energiesector i is gelijk aan de reductiefactor voor voorverwarming van de ventilatiezone z waarvan de energiesector deel uitmaakt:

Rpreh, heat, sec i = rpreh, heat, zone z

rpreh, cool, sec i = rpreh, cool, zone z

 

 

De bepaling van de reductiefactor voor voorverwarming van ventilatiezone z d.m.v. een warmteterugwinapparaat gebeurt zoals hieronder beschreven. Voorverwarming d.m.v. doorgang doorheen een aangrenzende onverwarmde ruimte en/of doorheen een ondergronds aanvoerkanaal dient op basis van het gelijkwaardigheidsprincipe behandeld te worden.

Als er geen voorverwarming plaatsvindt, is de waarde voor r in elk van de gevallen 1.

Een warmtepomp voor ruimteverwarming die als warmtebron de afgevoerde lucht gebruikt, wordt niet in deze bijlage behandeld, maar in 10.2.3.3 van bijlage I bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen).

Warmteterugwinapparaat in geval van mechanische toe- en afvoerventilatie

In een ventilatiezone z met mechanische toe- en afvoerventilatie is het mogelijk de toevoer van buitenlucht in min of meerdere mate voor te verwarmen m.b.v. een warmtewisselaar die warmte onttrekt aan de afvoerlucht naar buiten. Het is mogelijk dat de toevoer van buitenlucht in de ventilatiezone z op meerdere plaatsen gebeurt. In dat geval kan het voorkomen dat niet alle luchttoevoeren voorverwarmd worden. Omgekeerd is het mogelijk dat de mechanische afvoer naar buiten via meer dan 1 luchtuitlaat gebeurt en kan het voorkomen dat op sommige van deze luchtstromen geen warmterecuperatie plaatsvindt. Indien het totaal mechanisch toevoerdebiet verschilt van het totaal mechanisch afvoerdebiet in de ventilatiezone z, dan zal er noodzakelijkerwijs een extra (in- of uitwaartse) ongecontroleerde luchtstroom doorheen de schil optreden4.

4 Omwille van de eenvoud wordt net zoals in § 5.5.2 bij conventie de mogelijke interactie tussen de in/exfiltratieterm en de term voor bewuste ventilatie buiten beschouwing gelaten.

 

 

In het meest algemene geval kan de reductiefactor voor ruimteverwarming ingevolge de voorverwarming van de buitenluchttoevoer in een ventilatiezone z m.b.v. warmteterugwinning aan de hand van de volgende formule bepaald worden:

rpreh, heat, zonez = Σp + max / max (Σp V•in, p’ Σp V• out, p)

met:

eheat, hr, p

Een dimensieloze factor die de mate van warmteterugwinning op plaats p aangeeft, als volgt bepaald:

 

* indien de buitenlucht toevoerstroom p niet voorverwarmd wordt, geldt eheat, hr, p  = 0

 

* indien de buitenlucht toevoerstroom p wel voorverwarmd wordt m.b.v. een warmteterugwinapparaat, geldt eheat, hr, p = rp . ŋtest, p

 

De factor rp wordt bepaald zoals hieronder beschreven en ŋtest, p is het thermisch rendement van warmteterugwinapparaat p, gemeten volgens NBN EN 308 bij debieten die niet kleiner zijn dan respectievelijk Vin, p eb Vout, p. De warmte-isolatie van het apparaat moet minstens even goed zijn als in de test;

V•in, p

Het ingaand luchtdebiet op plaat p, in m3/h, bepaald zoals hieronder beschreven;

V•out, p

Het uitgaand luchtdebiet op plaats p, in m3/h, bepaald zoals hieronder beschreven.

 

Bepaal het binnenkomende buitenlucht debiet op plaats p als volgt:

- gebeurt op plaats p een continue meting van het ingaand debiet en vindt op basis daarvan een continue en automatische aanpassing aan de instelwaarde plaats zodat het ingaand debiet bij geen enkele ventilatorstand meer dan 5 % van de instelwaarde afwijkt, dan geldt:

V•in, p = V•supply, setpoint, nom, p

waarbij de instelwaarde van het debiet op plaats p bij nominale ventilatorstand beschouwd wordt, in m3/h;

- in alle andere gevallen geldt:

V•in, p = V•supply, design, p

waarbij het ontwerpdebiet van de binnenkomende verse lucht op plaats p beschouwd wordt, in m3/h.

 

Bepaal het afvoerdebiet naar buiten op plaats p als volgt:

- gebeurt op plaats p een continue meting van het uitgaand debiet en vindt op basis daarvan een continue en automatische aanpassing aan de instelwaarde plaats zodat het uitgaand debiet bij geen enkele ventilatorstand meer dan 5 % van de instelwaarde afwijkt, dan geldt:

V•out, p = V•extr, setpoint, nom, p

waarbij de instelwaarde van het debiet bij nominale ventilatorstand beschouwd wordt, m3/h;

- in alle andere gevallen geldt:

V• out, p = v•extr, design, p

waarbij het ontwerpdebiet van de naar buiten gaande lucht op plaats p beschouwd wordt, in m3/h.

 

Bepaal in geval er warmteterugwinning plaatsvindt op plaats p rp als volgt:

- gebeurt in het warmteterugwinapparaat een continue meting van zowel ht ingaand als het uitgaand debiet en vindt op basis daarvan een continue en automatische aanpassing aan de instelwaarden plaats zodat in- en uitgaand debiet bij geen enkele ventilatorstand meer dan 5 % van hun respectievelijke instelwaarde afwijken, dan geldt:

rp = 0.95

- in alle andere gevallen geldt:

rp = 0.85

 

Bepaal de reductiefactor te hanteren bij de koelberekeningen als volgt:

rpreh, cool, zonez = Σp + max / max (Σp V•in, p’ Σp V•out, p)

waarbij de verschillende termen dezelfde zijn als hierboven, met uitzondering van ecool, hr, p, waarvan de waarde als volgt bepaald wordt:

• indien warmteteruwinapparaat p van een by-pass voorzien is waarbij de doorgang doorheen de warmtewisselaar volledig afgesloten wordt, of op een andere manier volledig geïnactiveerd kan worden (bv. stilzetten van een roterend warmtewiel), geldt: ecool, hr, p = 0

 

• indien warmteterugwinapparaat p van een bij-pass voorzien is maar de doorgang doorheen de warmtewisselaar daarbij niet volledig afgesloten wordt of niet op een andere manier volledig geïnactiveerd wordt, geldt: ecool, hr, p = 0.5 x eheat, hr, p

• in alle andere gevallen geldt: ecool, hr, p = eheat, hr, p

 

 

5. 5. 5 Tijdsfractie dat de ventilatie in bedrijf is

Ontleen de conventionele tijdsfracties dat een deelstroom j van de ventilatie ingerekend moet worden voor de verwarmings- en voor de koelberekeningen aan Tabel 4.

Tabel 4 Fractie van de tijd dat er bij conventie geventileerd wordt

Bestemming

Fvent, heat, j

Fvent, cool, j

 

 

Natuurlijke ventilatie

Met automatische nachtwerking

Zonder automatische nachtwerking

Kantoorbestemming

 

Schoolbestemming

 

0.3

 

1.0

 

1.0

 

0.3

 

 

Opmerking: automatische nachtwerking betekent dat de ventilatoren zonder menselijke tussenkomst tijdens periodes met een koelbehoefte ’s nachts kunnen blijven doordraaien om warmte uit het gebouw af te voeren.

De reële werkingstijd en/of het debiet dienen daarbij automatisch te variëren van nacht tot nacht in functie van de behoefte tot koeling. Zoniet wordt gerekend met de waarden die gelden voor de situatie zonder automatische nachtwerking.

Tevens dienen alle ventilatoren van de ventilatiezone waartoe de energiesector behoort met een automatische regeling uitgerust te zijn. Is dit niet het geval, dan wordt weer gerekend met de waarden die gelden voor de situatie zonder automatische nachtwerking.

5. 6 Interne warmteproductie

De beschouwde interne warmtebronnen zijn: personen, verlichting, ventilatoren en overige apparatuur. Bepaal de maandelijkse interne warmteproductie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen en voor koelberekeningen met:

Qi, heat, seci, m = Φi, heat, seci, m . tm

Qi, cool, seci, m = Φi, cool, seci, m . tm

met:

Φi, heat, seci, m = 0.8 (freal, sec i . fpres, sec i . ndesign, sec i . 100 + qi, app . Af, sec i + (rlight, sec i . wlight, sec i) / 8.76 + rfans, heat, sec i . wfans, sec i, m . 3.6/tm

Φi, cool, seci, m = freal, sec i . fpres, sec i . ndesign, sec i . 100 + qi, app . Af, sec i + (rlight, sec i . wlight, sec i) / 8.76 + rfans, cool, sec i . wfans, sec i, m . 3.6/tm

Waarin:

Qi, heat, seci, m

De maandelijkse interne warmteproductie van energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in MJ;

Qi, cool, seci, m

De maandelijkse interne warmteproductie van energiesector i voor de koelberekeningen, in MJ;

Φi, heat, seci, m

De gemiddelde warmtestroom door interne warmteproductie in energiesector i voor de verwarmingsberekeningen, in W;

Φi, cool, seci, m

De gemiddelde warmtestroom door interne warmteproductie in energiesector i voor de koelberekeningen, in W;

freal, sec i

De conventioneel vastgelegde verhouding van de gemiddelde reële bezetting tijdens de gebruiksuren t.o.v. de maximale ontwerpbezetting (-). Ze wordt bepaald als het naar gebruiksoppervlakte gewogen gemiddelde per energiesector van de waarden uit Tabel 5;

fpres, sec i

De conventionele tijdsfractie dat er mensen in het gebouw aanwezig zijn (-). Ze wordt bepaald als het naar gebruiksoppervlakte gewogen gemiddelde per energiesector van de waarden voor fvent, heat, j volgens Tabel 4;

ndesign, sec  i

Het aantal personen in de energiesector overeenkomend met de maximale bezetting waarvoor de ventilatiesystemen ontworpen zijn (-);

qi, app

De gemiddelde specifieke interne warmteproductie in de beschouwde energiesector ingevolge de apparatuur, in W/m2, ontleend aan Tabel 5;

Af, sec i

De gebruiksoppervlakte van de beschouwde energiesector, in m2;

rlight, sec i

Een reductiefactor waarvan de waarde bedraagt:

 

- 0.3 indien het energieverbruik voor verlichting is bepaald volgend 9.3 (forfaitaire methode);

 

- 0.5 indien tenminste 70 % van de verlichtingsarmaturen in de betreffende energiesector, gewogen naar het opgenomen vermogen, worden afgezogen;

 

- 1.0 in de overige gevallen;

wlight, sec i

De interne warmteproductie in de beschouwde energiesector door verlichting in kWh, bepaald volgens 9.3 of 9.4.3.1;

rfans, heat, sec i

 

rfans, cool, sec i

Een reductiefactor voor verwarming respectievelijk koeling, waarvan de waarde bedraagt:

 

- 0 indien alleen mechanische afzuiging plaatsvindt;

 

- 0.6 indien mechanische toe- en afvoer plaatsvindt;

 

- 0.8 indien recirculatie of warmteterugwinning plaatsvindt;

 

- 0.3 indien mechanisch lucht wordt toegevoerd en het vermogen van ventilatoren is bepaald volgens 8.1.3 (forfaitair);

 

- 0.5 overige gevallen;

wfans, sec i, m

De interne warmteproductie in de beschouwd energiesector door ventilatoren in kWh, bepaald volgens 8.1;

 

 Tabel 5 Interne warmtewinsten ingevolge apparatuur en de reële bezettingsfractie in functie van de bestemming

 

Bestemming

Interne warmtelast van apparatuur

qi, app

(W/m2)

Reële bezettingsfractie

freal

(-)

Kantoorbestemming

Schoolbestemming

 

3

 

0.30

 

 

5. 7 Zonnewarmtewinsten

Bepaal de maandelijkse zonnewarmtewinst per energiesector voor verwarmingsberekeningen Qs, heat, sec i, m en voor koelberekeningen Qs, cool, sec i, m volgens 7.10 van bijlage I bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen). Daarbij wordt gesommeerd over alle transparante scheidingsconstructies, niet geventileerde passieve zonne-energiesystemen en aangrenzende onverwarmde ruimten van de energiesector. Voor de koelberekeningen dient de invallende bezonning met 10 % verhoogd te worden (zie ook 5.3).

 

In afwijking van bijlage I (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen) dienen voor de gebruiksfactor van zonnewering voor kantoor- en schoolgebouwen volgende waarden gehanteerd te worden:

• bij de verwarmingsberekeningen ac = 0.4

• bij de koelberekeningen:

 

• handbediende zonnewering:

 

 

• indien wel een koelinstallatie aanwezig is: ac = 0.4

 

 

• indien geen koelinstallatie aanwezig is: ac = 0.5

 

• automatische zonnewering:

 

 

• ac = 0.6

 

 

• indien de zonnewering tijdens warme perioden de ganse dag gesloten blijft indien het gebouw niet in gebruik is (bv. weekends): ac = 0.7

Als een venster met meerdere beweegbare zonneweringssystemen (bv. binnen- en buitenzonnewering) uitgerust is, moet voor de verwarmingsberekeningen het systeem met de hoogste Fc waarde beschouwd worden, en voor koelberekeningen het systeem met de laagste Fc waarde.

 

 

 

5. 8 Effectieve thermische capaciteit

5. 8. 1 Principe

Voor de bepaling van de effectieve thermische capaciteit heeft men de keuze tussen 2 methoden:

- hetzij aan de hand van de specifieke thermische capaciteit per m2 gebruiksoppervlakte van de energiesector volgens 5.8.2,
- hetzij aan de hand van een gedetailleerde berekening volgens 5.8.3.

5. 8. 2 Effectieve thermische capaciteit aan de hand van de vloermassa

Bepaal de effectieve thermische capaciteit van energiesector i, Cseci, in kJ/K, aan de hand van de vloermassa met:

Csec i = ∑j Dj . Af, sec i, j

waarin:

Dj

De specifieke affectieve thermische capaciteit, ontleend aan Tabel 6, in kJ/ (m2 . K). De waarde bij ontstentenis bedraagt 55 kJ/ (m2 . K);

Af, seci, j

De gebruiksoppervlakte van deel j van de energiesector i, in m2.

 

 Er dient gesommeerd te worden over alle delen j die samen de gebruiksoppervlakte van sector i uitmaken.

Tabel 6 Specifieke effectieve thermische capaciteit Dj per eenheid gebruiksoppervlakte van de energiesector

 

Minimum van de massa van de plafond- en vloerconstructie per eenheid gebruiksoppervlakte (kg/m2)

Dj

kJ /  (m2 . K)

Gesloten verlaagd plafond en verhoogde vloer

Gesloten verlaagd plafond of verhoogde vloer

Geen gesloten verlaagd plafond en geen verhoogde vloer

Minder dan 100

55

55

55

100 tot 400

55

110

180

Meer dan 400

55

180

360

 

 

Een verlaagd plafond geldt als gesloten van zodra minder dan netto 15 % van de plafondoppervlakte open is.

5. 8. 3 Effectieve thermische capaciteit aan de hand van een berekening

Bereken de effectieve thermische capaciteit van de energiesector i, Cseci, in kJ/K, als de som van de werkzame massa van alle constructiedelen die in de energiesector i zijn gelegen of de energiesector i omhullen, met dien verstande dat niet dragende binnenwanden buiten beschouwing moeten blijven, volgens:

 

Cseci = Σk ρk • ck • dk • Ak

Waarin:

ρk

De volumieke massa van het materiaal k, in kg/m3;

ck

de soortgelijke warmte van het materiaal k, in kJ/kg . K; 

dk

De werkzame dikte van het materiaal k, in m, bepaald als de dikte van het constructiedeel voorzover de warmteweerstand van het constructiedeel gerekend loodrecht vanaf het binnenoppervlak minder dan 0.25 m2 . K/W bedraagt, met dien verstande dat dk niet meer dan 100 mm en niet meer dan de helft van de totale dikte van de constructie bedraagt en dat voor de bepaling van de warmteweerstand van het constructiedeel vanaf het binnenoppervlak, voor vrijhangende plafondconstructies waarvan een aandeel van ten minste netto 15 % van de plafondoppervlakte open is, buiten beschouwing mag blijven;

Ak

De oppervlakte van constructiedeel k, in m2.

 

 

Er dient gesommeerd te worden over alle constructiedelen k die in de energiesector zijn gelegen of die de energiesector omhullen, met uitzondering van niet dragende wanden.

5. 9 Maandelijkse netto energiebehoefte voor bevochtiging

Indien er in de gebouwinstallaties voorzieningen aanwezig zijn om de toegevoerde buitenlucht naar (een deel van) het ‘EPU-volume’ te bevochtigen, wordt de maandelijkse netto energiebehoefte voor bevochtiging van een toestel j gegeven door:

Qhum, net, j, m = 2.5 x rhum x Xh, m x V•supply, design

Waarin:

Qhum, net, j, m

De maandelijkse netto energiebehoefte voor bevochtiging van een toestel j, in MJ;

rhum

Een reductiefactor, met de volgende waarde:

- indien de bevochtigingsinstallatie speciaal geschikt is gemaakt voor het transporteren van vocht vanuit de afvoerlucht naar de toevoerlucht: rhum = 0.4

- zoniet: rhum = 1.0

Xh, m

De maandelijkse hoeveelheid toe te voeren vocht per eenheid toevoerluchtdebiet, in kg . h/m3, ontleend aan Tabel 7;

V•supply, design

Het ontwerpdebiet aan binnenkomende verse lucht doorheen bevochtigingstoestel j, in m3/h.

 

 

OPMERKING

- Een warmtewiel waarop een vochtabsorberende laag is aangebracht kan als een voorziening voor vochtterugwinning worden aangemerkt.
- Recirculatie wordt in het kader van deze paragraaf niet als vochtterugwinning gezien. Het effect van recirculatie is reeds bij het te hanteren luchtdebiet in rekening gebracht.

Tabel 7 Maandwaarden voor de toe te voeren hoeveelheid vocht per eenheid luchtdebiet Xh, m, in kg . h/m3

Maand

Kantoorbestemming

Schoolbestemming

Januari

0.38

Februari

0.37

Maart

0.23

April

0.08

Mei

0.03

Juni

0.00

Juli

0.00

Augustus

0.00

September

0.00

Oktober

0.02

November

0.25

December

0.36

 

 

 

 

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE II ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE III Maximaal toelaatbare U-waarden of minimaal te realiseren R-waarden (... - ...)

BIJLAGE III ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE IV Behandeling van koudebruggen (... - ...)

BIJLAGE IV ( 16/07/2009 - Datum te bepalen door de minister )

BEHANDELING VAN KOUDEBRUGGEN

Bij de bepaling van het specifiek warmteverlies door transmissie doorheen de scheidingsconstructies tussen het beschermd volume en de buitenomgeving of een aangrenzende onverwarmde ruimte (LD) moet rekening gehouden worden met de invloed van koudebruggen. Het specifiek warmteverlies door transmissie wordt gebruikt voor de bepaling van zowel het K-peil als het E-peil.

 

Koudebruggen zoals bedoeld in hoofdstuk 7.7 van bijlage I bij dit besluit (Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen) dienen in het kader van de regelgeving ingerekend te worden op 1 van de volgende vijf manieren naar keuze:

 

1) Het specifiek warmteverlies (L3DD) kan volgens de richtlijnen van NBN EN ISO 13789 en NBN EN ISO 10211 rechtstreeks berekend worden op basis van een gevalideerde 3D-computerberekening, waarbij alle invloeden van eventueel aanwezige koudebruggen inbegrepen zijn. In dit geval geldt:

LD = L3DD

[W/K]

2) Het specifiek warmteverlies (L2DD) kan volgens richtlijnen van NBN EN ISO 10211 berekend worden, waarbij de lineaire Ψ-waarden en/of punt-χ-waarden bepaald worden op basis van een gevalideerde 2D- of 3D-computerberekening of benaderend volgens tabelwaarden uit NBN EN ISO 14683. In dit geval geldt:

LD = L2DD = Σni = 1 Ui . Ai + Σmk = 1 lk . Ψk + Σrl = 1 χ1

[W/K]

Hierbij dient gesommeerd te worden over alle lijnkoudebruggen m en alle puntkoudebruggen r die aanwezig zijn in het deel van het verliesoppervlak waarvoor LD berekend wordt, in zoverre ze nog niet bij de bepaling van de ui-waarde van de constructieonderdelen ingerekend werden.

3) Indien

a) alle bouwdetails van mogelijke koudebruggen uitgevoerd worden in overeenstemming met voorschriften die door de minister bepaald of erkend zijn,

b) en hun precieze invloed niet in detail berekend wordt,

dan moet een forfaitaire toeslag Δuc bijgeteld worden:

LD = Σni = 1 (Ui . Ai) + ΔUc . Σni = 1 Ai

[W/K]

De forfaitaire toeslag ΔUc wordt door de minister in combinatie met elk van de voorschriften vastgelegd.

4) Indien

a) de bouwdetails van mogelijke koudebruggen slechts gedeeltelijk uitgevoerd worden in overeenstemming met de voorschriften die door de minister bepaald of erkend zijn,

b) en hun precieze invloed niet in detail berekend wordt,

dan moet extra bijgeteld worden:

 

a) de onder 3) vernoemde forfaitaire toeslag ΔUc,

 

b) en bovendien de invloed van de andere koudebruggen:

LD = Σni = 1 (Ui . Ai) + ΔUc . Σni = 1 Ai + (Σpk = 1 lk . (Ψk - Ψk, 1im,gd) + Σql = 1 χl)

[W/K]

Ψk, 1im,gd is de limietwaarde van de lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt waaraan een koudebrug van het type k moet voldoen om als goed detail beschouwd te mogen worden. De minister legt hieromtrent nader voorschriften vast

 

Hierbij dient gesommeerd te worden over alle lijnkoudebruggen p en alle puntkoudebruggen q

a) die aanwezig zijn i het deel van het verliesoppervlak waarvoor LD berekend wordt,

b) die niet in overeenstemming zijn met de door de minister erkende voorschriften,

c) en in zoverre ze nog niet bij de bepaling van de Ui-waarde van de constructieonderdelen ingerekend werden.

5) Indien de invloed van eventueel aanwezige koudebruggen helemaal niet berekend wordt, dan moet een forfaitaire toeslag ΔUb bijgeteld worden:

LD = Σni = 1 (Ui . Ai) + ΔUb . Σni = 1 Ai

[W/K]

De forfaitaire toeslag ΔUb  (W/m2 – K) is functie van de volumecompactheid c en wordt als volgt bepaald:

Indien C ≤ 1, dan is ΔUb = 0.1

Indien 1 < C < 4, dan is ΔUb = 0.1* (C + 2) / 3

Indien 4 ≤ C, dan is ΔUb = 0.2

Hierin is C = V/AT de volumecompactheid met V het volume (m³) en  AT  de verliesoppervlakte (m²) van het beschermd volume, beide bepaald volgens nadere specificaties vanwege de minister.

     

 

 

OPMERKINGEN:

1) Het effect van lijn- en puntkoudebruggen die eigen zijn aan een scheidingsconstructie en over het oppervlak ervan verdeeld zitten, worden opgenomen in het specifieke warmteverlies van die scheidingsconstructie. Zie daarvoor de nadere specificaties met betrekking tot transmissieberekeningen vanwege de minister.
2) voor de lengte van lijnkoudebruggen dient met de buitenafmetingen gerekend te worden.

BIJLAGE V Ventilatievoorzieningen in woongebouwen (... - ...)

BIJLAGE V ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI Ventilatievoorzieningen in niet-residentiële gebouwen (... - ...)

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...

BIJLAGE VI ( 01/01/2011 - ... )

...


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 25/09/2026