( ... - ... )
De Vlaamse Regering,
Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, inzonderheid op de artikelen 1, 4 en 6;
Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
Gelet op het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, inzonderheid op artikel 25, § 3 tot 5;
Gelet op het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995, 26 juni 1996, 22 oktober 1996, 12 januari 1999, 15 juni 1999, 29 september 2000, 20 april 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 7 september 2001, 5 oktober 2001, 31 mei 2002, 19 september 2003, 28 november 2003, 12 december 2003, 9 januari 2004, 6 februari 2004, 23 april 2004, 14 mei 2004, 14 juli 2004, 14 juli 2004, 4 februari 2005, 29 april 2005, 3 juni 2005, 12 mei 2006 en het decreet van 18 mei 1999;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 september 1995, 23 juni 1996, 3 juni 1997, 17 december 1997, 24 maart 1998, 6 oktober 1998, 19 januari 1999, 15 juni 1999, 3 maart 2000, 17 maart 2000, 17 juli 2000, 13 oktober 2000, 19 januari 2001, 20 april 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 18 januari 2002, 25 januari 2002, 31 mei 2002, 14 maart 2003, 21 maart 2003, 19 september 2003, 28 november 2003, 12 december 2003, 9 januari 2004, 6 februari 2004, 26 maart 2004, 2 april 2004, 23 april 2004, 23 april 2004, 14 mei 2004, 4 februari 2005, 7 januari 2005, 22 juli 2005, 27 januari 2006 en 12 mei 2006;
Overwegende de richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen, inzonderheid artikel 8;
Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 6 oktober 2004;
Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 9 september 2004;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 26 mei 2004;
Gelet op het advies 41.222/VR/3 van de Raad van State, gegeven op 3 oktober 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;
Na beraadslaging,
Besluit :
Artikel 1. ( 04/10/2014 - ... )
De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de centrale stooktoestellen die in hoofdzaak gebruikt worden voor het verwarmen van gebouwen en optioneel voor het aanmaken van warm verbruikswater.
Artikel 2. ( 01/07/2024 - ... )
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
2° ...;
3° titel I van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;
4° titel II van het Vlarem : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
5° de toezichthouder : de toezichthouder, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die het toezicht uitoefent op de toepassing van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
6° stooktoestel : technisch toestel waarin vaste, vloeibare of gasvormige brandstof verbrand wordt om de gegenereerde warmte te gebruiken voor ruimteverwarming en optioneel voor de aanmaak van warm verbruikswater;
7° stooktoestel aangesloten als type B (open stooktoestel): een stooktoestel aangesloten op een rookgasafvoerkanaal, waarbij de verbrandingslucht ontnomen wordt uit het stooklokaal;
8° stooktoestel aangesloten als type C (gesloten stooktoestel): een stooktoestel, waarvan de verbrandingskamer gesloten is ten opzichte van het stooklokaal. De leidingen voor de aanvoer van de verbrandingslucht en de afvoer van de rookgassen en het eindstuk vormen een geheel met het toestel;
9° centraal stooktoestel : een stooktoestel met een centrale stookketel, en, optioneel, een aparte brander, waarbij de gegenereerde warmte via een geleid en gekanaliseerd transportsysteem gedistribueerd wordt naar meerdere, afzonderlijke ruimten waar deze warmte aangewend wordt om het binnenklimaat van de betreffende ruimte te conditioneren en, optioneel, naar een voorziening voor de productie van warm verbruikswater;
10° nieuw centraal stooktoestel : een centraal stooktoestel dat na de inwerkingtreding van dit besluit een van onderstaande handelingen heeft ondergaan :
a) het stooktoestel werd voor het eerst in gebruik genomen;
b) de ketel of brander van het stooktoestel werd vervangen;
c) het stooktoestel werd verbouwd;
d) het stooktoestel werd verplaatst.
11° bestaand centraal stooktoestel : een centraal stooktoestel dat niet beantwoordt aan de definitie van een nieuw centraal stooktoestel;
12° gasvormige brandstof : elke brandstof die bij een temperatuur van 15 °C onder een druk van 1 bar (0,1 MPa) in een gasvormige toestand verkeert;
13° gastoestel : een centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof;
14° categorie : categorie waartoe een gastoestel behoort naargelang de gebruikte gasvormige brandstof en de technologische kenmerken, overeenkomstig de Europese norm EN 437 en addendum 1 - 1993;
15° ...
16° ...
17° ...
18° rookgasafvoerkanaal : constructie, bedoeld voor het afvoeren van de rookgassen;
19° stooklokaal : het lokaal waarin het stooktoestel zich bevindt;
20° bouwjaar : Het bouwjaar van het toestel, bepaald uit de informatie vermeld op de kenplaat van de ketel of brander. Indien geen kenplaat aanwezig is of indien de kenplaat onleesbaar is, dan wordt het bouwjaar van het toestel afgeleid uit de factuur van plaatsing, uit het keuringsrapport of uit de technische documentatie van de ketel. Indien het bouwjaar van de ketel verschilt van het bouwjaar van de brander, wordt het bouwjaar van het stooktoestel gelijkgesteld aan het bouwjaar van de ketel;
21° rookgassen (of verbrandingsproducten) : de gasvormige uitstoot van een stooktoestel als resultaat van de verbranding, met daarin vaste, vloeibare en gasvormige emissies;
22° controleproeven omtrent de goede werking : de controleproeven, beschreven in bijlage I bij dit besluit;
23° rookindex : maat voor de zwarting van de rookgassen van een stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof; het getal dat met de rookindexpomp wordt gemeten tijdens de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
24° verbrandingsrendement : het verbrandingsrendement, berekend volgens de formule van Siegert;
25° code van goede praktijk : een geheel van geschreven en publiek toegankelijke regels over de bouw, de plaatsing, de aansluiting, het gebruik en het onderhoud van stooktoestellen, met inbegrip van de
toepasselijke productnormen en de algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap bij de beroepscategorieën in kwestie. Als code van goede praktijk gelden in elk geval :
a) de toepasselijke bepalingen in Belgische wetten en koninklijke besluiten, en in Vlaamse decreten en besluiten;
b) de bij het Belgisch Instituut voor Normalisatie geregistreerde toepasselijke normen;
c) de toepasselijke Europese normen;
d) de regels, uitgegeven door de beroepsfederaties van de fabrikanten en distributeurs van stooktoestellen.
Bij tegenstrijdigheden is de opgegeven volgorde bepalend;
26° erkende technicus vloeibare brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;
27° erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;
28° erkende technicus gasvormige brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;
29° erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;
30° ...;
31° ...;
32° reinigingsattest: het attest dat opgemaakt wordt na het beëindigen van de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel of het rookgasafvoerkanaal;
33° verbrandingsattest: het attest dat opgemaakt wordt na de verbrandingscontrole van het centrale stooktoestel;
34° keuringsrapport: het rapport dat opgemaakt wordt na de keuring voor de eerste ingebruikname van het centrale stooktoestel;
35° ...;
36° ...;
37° schoorsteenveger : persoon, die vakbekwaam is in het reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal van een stooktoestel;
38° geschoolde vakman : persoon die vakbekwaam is in het onderhouden van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof;
39° energieaudit : audit uitgevoerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit;
40° gebouw : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;
41° nominaal vermogen : het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald.
42° niet-premix-brander: een brander waarbij maar een deel van de verbrandingslucht gemengd wordt met de brandstof vóór de aanvang van de verbranding;
43° premix-brander: een brander waarbij alle verbrandingslucht gemengd wordt met de brandstof vóór de aanvang van de verbranding;
44° ketel met ventilatorbrander: een ketel met brander die los van de verwarmingsketel verkocht mag worden, waarbij de verbrandingslucht wordt aangevoerd met behulp van een ventilator. De ketel beantwoordt aan de norm EN 676 voor gasvormige brandstoffen en aan de norm EN 267 voor vloeibare brandstoffen;
45° toestel type B1: toestel type B uitgerust met een valwindafleider/trekonderbreker, dat zijn verbrandingslucht haalt uit het lokaal waar het geplaatst is en dat aangesloten dient te worden op een leiding voor de afvoer voor verbrandingsgassen met natuurlijke trek.
.
Artikel 3. ( 01/06/2007 - ... )
Wijzigingsbevoegdheid
De minister kan de bepalingen opgenomen in de bijlagen bij dit besluit wijzigen.
Artikel 4. ( 01/10/2019 - ... )
Goede en veilige staat van werking van een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit. 1° het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en de goede werking ervan altijd verzekerd is, en in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -5 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden; 2° het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht. Voor stooktoestellen met een vermogen kleiner dan 70 kW betekent dit een lage en hoge verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van respectievelijk minstens 3 cm²/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen en 1 cm²/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, welke beiden niet kleiner mogen zijn dan 50 cm², als er geen andere waarden bepaald zijn in de code van goede praktijk. Voor stooktoestellen met een vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW betekent dit een verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van minstens 150 cm² per 17,5 kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, als er geen andere waarde bepaald is in de code van goede praktijk. §3. Een centraal stooktoestel aangesloten als type C, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als: 1° de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn; 2° de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.
§ 1. Een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het zo is afgesteld dat :
1° geen spoor van brandstof, rokende roetdeeltjes of samengeklonterde gesuspendeerde deeltjes zichtbaar is op het filterpapier dat gebruikt wordt om de rookindex van de verbrandingsgassen te bepalen, wat kan blijken uit een gele verkleuring van het filterpapier of een afzetting van zwarte deeltjes;
2° in het rookgasafvoerkanaal geen condensatie optreedt, tenzij het ervoor is voorzien;
3° voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor de rookindex van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) van de rookgassen en het verbrandingsrendement op basis van de onderste verbrandingswaarde van de brandstof (Hi). De metingen moeten worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
maximale rookindex (Bacharach)
maximaal CO-gehalte (mg/kWh)
minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)
centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof
1
150
90
§2. Een centraal stooktoestel aangesloten als type B, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als:
Artikel 5. ( 01/10/2019 - ... )
Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof
§ 1. Een centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn als het zo afgesteld is dat :
1° er geen condensatie optreedt in het rookgasafvoerkanaal, tenzij het ervoor is voorzien;
2° voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen en het verbrandingsrendement op basis van de onderste verbrandingswaarde van de brandstof (Hi). De metingen worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof
maximaal CO-gehalte (mg/kWh)
minimaal verbrandingsrendement (Hi) (%)
B1-toestellen
150
88
niet B1-toestellen
150
90
De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit. Het CO-gehalte is de onverdunde waarde of de waarde bij 0 % restzuurstof.
Indien het bouwjaar van het centraal stooktoestel niet bepaald kan worden op de wijze beschreven in de definitie onder artikel 2, 20°, dan wordt het centrale stooktoestel ingedeeld in de eerste groep (gebouwd vóór 1/1/1988).
§ 2. Een centraal stooktoestel aangesloten als type B, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als :
1° het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en de goede werking ervan altijd verzekerd is, en in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -3 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden. Bij een druk tussen -3 Pa en -5 Pa wordt dit als opmerking op het reinigings- en verbrandingsattest vermeld;
2° het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht; dit betekent een verluchting in overeenstemming met de code van goede praktijk;
3° de dichtheid van de toevoerleidingen van de gasvormige brandstof altijd verzekerd is.
§ 3. ...
§ 4. Een centraal stooktoestel aangesloten altype C, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn indien :
1° de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn;
2° de dichtheid van de toevoerleiding van de gasvormige brandstof steeds verzekerd is;
3° de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.
Artikel 6. ( 01/10/2019 - ... )
Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof
§ 1. Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het voldoet aan de voorwaarde dat het slechts zelden en op kortstondige wijze hinderlijke en milieuverontreinigende rook verspreidt.
§ 2. Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn, indien :
1° het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst is en de goede werking ervan altijd verzekerd is, en in het rookgasafvoerkanaal steeds een voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen, overeenkomstig de code van goede praktijk;
2° het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat voldoende verlucht is, en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht, dit betekent volgens de code van goede praktijk.
Artikel 7. ( 04/10/2014 - ... )
Keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel
§ 1. De eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel zorgt ervoor dat de goede en veilige staat van werking van het toestel, vóór de ingebruikname door de gebruiker, gekeurd wordt.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof dat in gebruik werd genomen vóór 1 juni 2010, niet verplicht tot keuring voor eerste ingebruikname.
§ 2. Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, wordt de keuring, bedoeld onder § 1, uitgevoerd door respectievelijk een erkende technicus vloeibare brandstof en een erkende technicus gasvormige brandstof. In geval van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, kan eveneens een geschoolde vakman de keuring, bedoeld onder § 1, uitvoeren.
§ 3. Een nieuw centraal stooktoestel mag enkel in gebruik genomen worden als het keuringsrapport dat uitdrukkelijk toestaat. Als het keuringsrapport ontbreekt, dan wordt het centrale stooktoestel geacht niet te voldoen aan de bepalingen van dit besluit en dan mag het niet in gebruik worden genomen.
Artikel 8. ( 05/09/2016 - ... )
Gebruik en onderhoud van een centraal stooktoestel Centraal stooktoestel gevoed met Nominaal vermogen V Onderhoudsfrequentie Onderhoud moet worden uitgevoerd door Vaste brandstof Alle Jaarlijks geschoolde vakman Vloeibare brandstof >= 20 kW Jaarlijks erkende technicus vloeibare brandstof Gasvormige brandstof >= 20 kW Tweejaarlijks
De gebruiker van een centraal stooktoestel moet :
1° uitsluitend de brandstof gebruiken waarvoor dit toestel gebouwd en afgesteld is;
2° het nodige doen om dit toestel steeds in goede en veilige staat van werking te houden;
3° de gebruikersinstructies van de fabrikant van het centrale stooktoestel respecteren;
4° Het centraal stooktoestel periodiek een onderhoudsbeurt laten geven in overeenstemming met de bepalingen in onderstaande tabel :
erkende technicus gasvormige brandstof gasketels met niet-premix- of premixbrander : niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander : niveau GII
De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid, niet.
Het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal mag steeds door een schoorsteenveger uitgevoerd worden;
Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, het rookgasafvoerkanaal gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van het rookgasafvoerkanaal niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd.
5° zodanig stoken dat de hinder en de uitstoot aan verontreinigende stoffen zo klein mogelijk is.
Artikel 9. ( 01/07/2024 - ... )
...
Artikel 10. ( 04/10/2014 - ... )
Wegwerken van tekortkomingen §1. Als na de keuring vóór de eerste ingebruikname uit het keuringsrapport blijkt dat een verbouwing of een aanpassing van het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal noodzakelijk is, omdat de goede en veilige staat van werking onvoldoende gegarandeerd is, dan mag het toestel niet in gebruik worden genomen en heeft de eigenaar de plicht om het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal te verbouwen of aan te passen en om hiervan het bewijs te leveren. Het bewijs bestaat uit een nieuw keuringsrapport. §2. Als na de onderhoudsbeurt uit het reinigings- en/of verbrandingsattest blijkt dat het centrale stooktoestel niet in goede en veilige staat van werking verkeert, of dat herstellingen aan het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel noodzakelijk zijn, dan hebben de gebruiker en de eigenaar de plicht om het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel binnen de drie maanden na de datum van het reinigings- en/of verbrandingsattest in orde te brengen en om hiervan het bewijs te leveren. Dit bewijs bestaat uit een nieuw attest waaruit minstens blijkt dat deze tekortkoming verholpen werd en dat de meetresultaten van een nieuwe verbrandingscontrole bevat.
Artikel 11. ( 01/07/2024 - ... )
Ter beschikking houden van attesten en rapporten § 2. De gebruiker en eigenaar houden minstens de duplicaten van het reinigings- en verbrandingsattest van de laatste twee onderhoudsbeurten bij. De gebruiker bezorgt een duplicaat van het reinigings- en verbrandingsattest aan de eigenaar.
§ 1. De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport of een duplicaat daarvan bij het toestel blijft zolang dat ongewijzigd in gebruik is.
§ 3. ...
§ 4. De attesten en rapporten, bedoeld in § 1 en § 2, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en voorgelegd op eenvoudig verzoek.
§ 5. De eigenaar van het toestel bezorgt een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in § 1 en § 2 aan een gebruiker.
Artikel 12. ( 01/10/2019 - ... )
Keuring vóór eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel
§ 1. De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit :
1° het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
2° het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
3° de controle van het rookgasafvoerkanaal, met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van het rookgasafvoerkanaal voor het stooktoestel waarmee het verbonden is;
4° de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
5° het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
§ 2. Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
§ 3. De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.
§ 4. De persoon die belast is met het uitvoeren van de keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
§ 5. Bij de plaatsing of de vervanging van een stooktoestel moet het ventilatiesysteem in het lokaal waar dit stooktoestel geplaatst wordt, voldoen aan de van toepassing zijnde normen NBN B 61-001, NBN B 61-002, NBN D 51-003, NBN D 51-004 en NBN D 51-006.
Artikel 13. ( 01/10/2019 - ... )
Uitvoeren onderhoudsbeurt §2. Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit:
§ 1. De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.
De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
2° een reinigingsbeurt:
a) voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b) voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal.
c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
3° de verbrandingscontrole: het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
§3. Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit:
1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van de verbrandingslucht;
2° een reinigingsbeurt:
a) voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b) voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel: het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
3° een verbrandingscontrole: dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.
§4. Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit:
1° het controleren van de algemene staat van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht.
2° het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
3° het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel: het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.
§ 5. De persoon die belast is met het uitvoeren van het onderhoud van een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.
Artikel 14. ( 01/07/2024 - ... )
...
Artikel 15. ( 01/07/2024 - ... )
Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten
§1. De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport en een verbrandingsattest. Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
§2. De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest. Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
§3. ...
§4. ....
§5. Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest of keuringsrapport bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens. Een rapport of attest is enkel geldig indien het behoorlijk werd ingevuld.
§6. De persoon die het keuringsrapport, reinigings- of verbrandingsattest opstelt en overhandigt aan de eigenaar of gebruiker van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof, moet op het moment van de uitreikingen daarvan over een erkenning als vermeld in hoofdstuk IV beschikken.
Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.
§7. De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel zoals het type toestel, de locatie, het vermogen, de brandstof, de brandertechnologie, het bouwjaar en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt, zoals het type activiteit, de datum van uitvoering van de activiteit en de eindbeoordeling, en dit via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt binnen dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt.
Artikel 16. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 17. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 18. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 19. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 20. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 21. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 22. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 23. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 24. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 25. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 26. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 27. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 28. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 29. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 30. ( 01/01/2011 - ... )
...
Artikel 31. ( 28/08/2023 - ... )
In afwijking van artikel 15, §7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.
Artikel 32. ( 04/10/2014 - ... )
Eerste onderhoud en verder periodiek onderhoud van een bestaand centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof
§ 1. ...
§ 2. Als het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking op een centraal stooktoestel, dat vóór 1 juni 2007 voor het eerst in gebruik genomen werd, gevoed met gasvormige brandstof, niet mogelijk is, wegens afwezigheid van de vereiste meetopening en de technische onmogelijkheid tot het aanbrengen van een meetopening, inzonderheid bij een stooktoestel aangesloten als type C, dan motiveert de technicus dit omstandig. In dit geval vervallen de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
Artikel 33. ( 04/10/2014 - ... )
...
Artikel 34. ( 03/05/2013 - ... )
...
Artikel 35. ( 04/10/2014 - ... )
...
Artikel 36. ( 04/10/2014 - ... )
...
Artikel 37. ( 04/10/2014 - ... )
...
Artikel 38. ( 03/05/2013 - ... )
...
Artikel 39. ( 03/05/2013 - ... )
...
Artikel 40. ( 01/09/2013 - ... )
...
Artikel 41. ( 01/06/2007 - ... )
In artikel 1.3.2.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 12 mei 2006, worden de woorden "koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof" vervangen door de woorden "besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater".
Artikel 42. ( 01/06/2007 - ... )
In artikel 6.5.6.3. van hetzelfde besluit worden de woorden "koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof" vervangen door de woorden "besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater".
Artikel 43. ( 01/06/2007 - ... )
In artikel 6.6.0.2, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden "koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof" vervangen door de woorden "besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater".
Artikel 44. ( 01/06/2007 - ... )
Opheffingsbepalingen
Het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof wordt opgeheven.
Artikel 45. ( 01/06/2007 - ... )
Datum van inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Artikel 46. ( 01/06/2007 - ... )
Uitvoering
De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, zijn, elk voor wat hun bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE I ( 01/10/2019 - ... )
Controleproeven omtrent de goede staat van werking : Meetvoorschriften - Meetapparatuur 2 Uitvoering van de metingen Parameter Toestel Resolutie Absolute fout Rookindex Een lekdichte rookindexpomp, filterpapier, referentieschaal 1 Zuurstof (O2) Een zuurstofanalysator 0,1 % ±0,3 % Koolstofdioxide (C O2) Een koolstofdioxideanalysator 0,1 % ± 0,3 % Koolstofmonoxide (CO) Een koolstofmonoxide-analysator 1 ppm ± 20 ppm Rookgastemperatuur Omgevingstemperatuur Een thermometer 1 °C ± 3 °C Druk in het rookgasafvoerkanaal Een drukmeter 1 Pa ± 2 Pa De verschillende meettoestellen bevinden zich steeds in goede staat van werking en onderhoud.
HOOFDSTUK I. - Meetvoorschriften
1 Inleiding
De controleproeven omtrent de goede staat van werking van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, en van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, worden uitgevoerd:
1° tijdens elke periodieke onderhoudsbeurt;
2° na elke interventie aan het verbrandingsgedeelte van het centrale stooktoestel;
3° vóór de ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel, als onderdeel van de keuring.
Daar waar dit besluit het toelaat, kan voor sommige bestaande, centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking wegvallen.
Deze controleproeven omvatten minstens het volgende :
1° Voor centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof :
a) de bepaling van de rookindex van de rookgassen;
b) de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
c) de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het O2-gehalte);
d) de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
e) de bepaling van de temperatuur van de rookgassen.
2° Voor centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof :
a) de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
b) de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het bepaalde O2-gehalte);
c) de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
d) de meting van de temperatuur van de rookgassen.
Verder worden alle variabelen bepaald die noodzakelijk zijn voor het volledig en correct invullen van het reinigingsattest en het verbrandingsattest (o.a. de druk in het rookgasafvoerkanaal, het rookgasrendement, de omgevingstemperatuur, de druk in de vuurhaard, de olie- of gasdruk of het oliedebiet,...) en het beoordelen van de goede en veilige staat van werking en de algemene staat.
2.1 Algemeenheden
De metingen worden uitgevoerd met apparatuur die voldoet aan de technische vereisten van hoofdstuk II van deze bijlage.
De sonde voor het meten en het trekken van het rookgasmonster wordt in de kernstroom gebracht via de door de fabrikant van het stooktoestel daarvoor bestemde meetpunten. Als deze meetpunten niet aanwezig zijn, wordt een meetopening aangebracht volgens de code van goede praktijk.
Bij stooktoestellen aangesloten als type C (gesloten stooktoestellen) moet een meetpunt aanwezig zijn op de aansluiting van de verbrandingsgassen en op de aansluiting van de verbrandingslucht. Indien de verbrandingsluchttoevoer en verbrandingsgasafvoer via een concentrische buis gebeurt, moet hierbij een meetelement met twee meetpunten aanwezig zijn. Een meetpunt zal dienen om de rookgassen (verbrandingsproducten) te meten, het andere om de temperatuur van de verbrandingslucht te meten. Dit houdt in dat de meetapparatuur twee temperatuurvoelers moet kunnen ontvangen om het juiste verbrandingsrendement te kunnen bepalen.
Bij het trekken van het rookgasmonster en tijdens de verbrandingscontroleproeven worden alle maatregelen genomen om het aanzuigen van parasitaire lucht, die de meetresultaten kan beïnvloeden, te voorkomen.
Er worden minstens twee meetreeksen uitgevoerd : een initiële meetreeks en een eindmeetreeks.
1° Initiële meetreeks : Bij aankomst stelt de erkende technicus het stooktoestel in werking, en meet de verschillende parameters nog voor enige onderhouds- of vervangingsactiviteit heeft plaatsgevonden. De meet- en rekenresultaten worden op het verbrandingsattest genoteerd in de kolom 'Proef I : Initiële meting'.
2° Eindmeetreeks : Afhankelijk van de brander worden op het einde van de onderhoudsbeurt, na de reinigingsbeurt en de verbrandingscontrole, een of meerdere meetreeksen uitgevoerd :
a) voor "ketels met een nominaal vermogen lager dan 1 MW en" "alles of niets"-branders : een meetreeks tijdens de periode van continue werking van de brander;
b) voor "alles of weinig"-branders (ketels met een nominaal vermogen vanaf 1 MW): een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen en een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen;
c) voor branders met een door de gebruiker regelbaar gebruiksvermogen (ketels met een nominaal vermogen vanaf 1 MW): een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen, een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen, en drie meetreeksen bij tussenliggend gebruiksvermogen, respectievelijk op 75%, 50% en 25% van het regelbereik.
Deze meetreeksen gebeuren in normale bedrijfsomstandigheden, dit wil zeggen bij normale bedrijfstemperatuur, in afgesloten stooklokaal, en, indien van toepassing, met de branderkap of beschermkap geplaatst.
Tussen de initiële meetreeks en de eindmeetreeks staat het de technicus vrij zo veel metingen uit te voeren als hij nodig en nuttig acht om het centrale stooktoestel in goede staat van werking te kunnen brengen.
Bij meertrapsbranders worden de hierboven bedoelde initiële meetreeks en eindmeetreeks uitgevoerd voor elke trap afzonderlijk. Per trap wordt een corresponderend verbrandingsattest opgemaakt.
Bij het beëindigen van de controlemetingen worden de meetopeningen vakkundig afgesloten.
2.2 Meten van de parameters
2.2.1. Meting van de rookindex van de rookgassen (vloeibare brandstof)
De rookindex wordt bepaald door met behulp van een genormaliseerde rookindexpomp een welbepaalde hoeveelheid rookgassen door een genormaliseerd filterpapiertje te trekken.
Dit filterpapier filtert de onverbrande brandstofdelen uit de rookgassen, wat resulteert in een witte, grijze of zwarte vlek op het filterpapier. Deze vlek wordt visueel vergeleken met tien referentievlekken op een zogenaamde Bacharach-schaal. Het nummer van de referentievlek die het best de grijswaarde van de gemeten vlek benadert bepaalt de rookindex van de rookgassen.
Na het testen van de rookindexpomp op de goede werking (o.a. lekdichtheid pomp en slang) brengt men het uiteinde van de monsternameslang via de meetopening in de kernstroom van de rookgassen. Om het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier te trekken, voert men tien volledige pompslagen uit.
De lengte van de monsternameslang wordt zo klein mogelijk gehouden.
Het handmodel van de rookindexpomp mag vervangen worden door een elektromechanische versie die zodanig geregeld wordt dat het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier getrokken wordt.
Een gelijkwaardige opto-elektronische methode voor de bepaling van de rookindex mag eveneens gebruikt worden.
De rookindex wordt bepaald voor enige andere parameter. Indien de technicus het stooktoestel niet zodanig geregeld krijgt dat aan de voorwaarde van de maximale toegelaten rookindex wordt voldaan, dan hoeven de overige parameters niet verder bepaald te worden. Het centrale stooktoestel wordt dan geacht niet in goede staat van werking te zijn.
2.2.2 Meting van de temperatuur van de verbrandingslucht (omgevingstemperatuur)
De temperatuur van de verbrandingslucht wordt bij stooktoestellen aangesloten als type B gemeten in de buurt van de centrale stookketel, op een hoogte van ca. 1,5 meter.
Bij stooktoestellen aangesloten als type C wordt de temperatuur van de verbrandingslucht gemeten via het daartoe bestemde meetpunt.
2.2.3 Meting van de temperatuur van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide en koolstofdioxide, en de druk in het rookgasafvoerkanaal
Het uiteinde van de meetsensor/monsternameslang wordt via de daartoe bestemde meetopening in de kernstroom van de rookgassen gebracht, waarna de meting begint.
3 Beoordeling goede staat van werking
Het stooktoestel wordt al dan niet in goede staat van werking verklaard op basis van de resultaten van de eindmeetreeks.
Het verbrandingsattest vermeldt de waarden, gemeten met het elektronische rookgasanalysetoestel. De afdruk van het toestel wordt opgenomen in de daarvoor bestemde ruimte.
HOOFDSTUK II. - Technische vereisten meetapparatuur
De toestellen gebruikt voor het meten van de CO-, O2- en CO2-concentratie in verbrandingsgassen, voor het meten van de temperatuur van de verbrandingsgassen en van de temperatuur van de verbrandingslucht, evenals voor het meten van de onderdruk van de leiding voor de afvoer van verbrandingsgassen voldoen aan de technische eisen van tabel 1 van norm NBN EN 50379-1 voor wat de meting van deze parameters betreft.
De toestellen worden zo ontworpen dat ze aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° het is mogelijk om gelijktijdig twee temperatuursensoren aan te sluiten zodat bij verwarmingsketels type C tegelijkertijd de temperatuur van de verbrandingsgassen en die van de omgevingslucht gemeten kan worden;
2° de toestellen kunnen ofwel een afdruk maken waarop de resultaten van de uitgevoerde metingen en de datum en het uur waarop deze uitgevoerd werden, vermeld staan, ofwel deze resultaten doorsturen zonder dat ze gewijzigd kunnen worden naar een informaticaprogramma dat verslagen en attesten kan genereren.
Voor het opmeten van de verschillende parameters worden uitsluitend meettoestellen gebruikt die voldoen aan de volgende minimale technische specificaties :
Vóór elke meting wordt het meettoestel gecontroleerd (goede werking, lekdichtheid) en gekalibreerd (nulpuntinstelling) volgens de voorschriften van de fabrikant. De erkende technicus moet de door hem gebruikte meettoestellen tonen aan de toezichthouder wanneer hem daar om gevraagd wordt.
Elektronische meetapparatuur wordt minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan nagekeken en geijkt. De fabrikant of invoerder bevestigt na controle van het apparaat een klever op de toegangswegen tot het toestel. Op deze klever wordt de datum van de laatste controle en de uiterlijke datum van de eerstvolgende controle genoteerd. De fabrikant of invoerder maakt een zogenaamd attest van goede werking van het toestel op. Dit attest van goede werking bevindt zich steeds bij het desbetreffende apparaat. De erkende technicus moet het attest tonen aan de toezichthouder wanneer hem daar om gevraagd wordt.
( 01/10/2019 - ... )
Eenheden, conversies en berekeningsformules 1 Druk Eenheid: Pa (Pascal) Omzettingen 1 mm H2O = 9,81 Pa 1 bar = 100.000 Pa 1 mbar = 1 hPa 1 mm Hg = 13,6 mm H2O 2 Temperatuur Eenheid: °C (graden Celsius) Omzettingen: T (in Kelvin) = t (in °C) + 273 3 Vloeibare brandstof : conversie van het CO-gehalte in de rookgassen De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 4) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh. 3.1 Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat W (g %O2) = [(21-g) / (21 - Y)] * M met W = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g 3.2 Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 % O2 = 0 % CO 1 ppm = 1 mg/m3 1,101 mg/kWh 0,889 mg/kWh 4 Berekening van het verbrandingsrendement met %O2 = zuurstofpercentage gemeten in de verbrandingsgassen (volumeprocent) 5 Gasvormige brandstof : conversie van het gemeten CO-gehalte in de rookgassen De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 5) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh. 5.1 Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat W (g% O2) = [ (21 - g) / (21 - y) *M met W = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat y y = gemeten zuurstofovermaat g = gewenste zuurstofovermaat 5.2 Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 % O2 = 0% CO Aardgas (G20) Aardgas (G25) LPG (G30) 1 ppm = 1 mg/m3 1,074 mg/kWh 0,859 mg/kWh 1,095 mg/kWh 0,875 mg/kWh 1,091 mg/kWh 0,872 mg/kWh
M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat y
Y = gemeten zuurstofovermaat
g = gewenste zuurstofovermaat
Het verbrandingsrendement (η Hi) wordt berekend met de volgende formule:
η Hi = 100 - [(tg -ta) * (A2/(21 - %O2) + B)]
tg = temperatuur van de verbrandingsgassen
ta = temperatuur van de verbrandingslucht (omgevingstemperatuur)
A2 en B = parameters afhankelijk van de brandstof:
brandstof
A2
B
aardgas
0,65
0,009
propaan
0,63
0,008
stookolie
0,68
0,007
( 01/10/2019 - ... )
Modellen van attesten en rapporten III. Model van het keuringsrapport
I. Model van het reiningingsattest
Reinigingsattest
II. Model van het verbrandingsattest
Keuringsrapport
( 01/01/2011 - ... )
...
( 01/01/2011 - ... )
...
( 01/01/2011 - ... )
...
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 17/10/2026