( ... - ... )
BOUDEWIJN, Koning der Belgen, Aan allen, die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972 inzonderheid op artikel 2, § 4; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen en van Onze Minister van Openbare Werken en Institutionele Hervormingen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
Artikel 1. ( 16/03/2012 - ... )
Dit reglement is van toepassing in de Belgische territoriale zee, in de havens en op de stranden van de Belgische kust.
[Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatie-systeem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad, gewijzigd bij Richtlijn 2009/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 en bij Richtlijn 2011/15/EU van de Commissie van 23 februari 2011 (verv. KB 25 januari 2012, art. 2, I: 16 maart 2012)].
Artikel 2. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. In dit reglement wordt onder "Belgische territoriale zee" verstaan de wateren gelegen binnen een ingebeelde lijn welke parallel loopt met de Belgische kust op een afstand van 3 zeemijlen (5 556 m) te rekenen hetrzij vanaf de laagwaterlijn van deze kust of van bij eb droogvallende bodemverheffingen indien deze zich binnen 3 zeemijlen vanaf die laagwaterlijn bevinden, hetzij vanaf de uiteinden der permanente havenwerken welke buiten voornoemde laagwaterlijn uitsteken, zoals een en ander op de officiële Belgische op grote schaal uitgevoerde zeekaarten is aangeduid. § 2. In dit reglement wordt onder "havens van de Belgische kust" verstaan: 1° Wat de haven van Oostende betreft: de wateren van de haven van Oostende welek zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot het benedenhoofd van de sluis van de Handelsdokken, enerzijds, en tot de benedenhoofden van de sluiten van Slijkens, de afsluitdam van de gewezen spuikom en het benedenhoofd van de sluis van het vlotdok van de vissershaven en van het Zeewezendok anderzijds, met inbegrip van de wateren van het Montgomery dok tot aan de Mercatorsluis en van het tijdok van de vissershaven; 2° Wat de haven van Zeebrugge betreft: de wateren van de haven van Zeebrugge welke zich uitstrekken vanaf de ingebeelde rechte lijn getrokken door de uiterste zeewaartse punte van de havendammen tot de benedenhoofden van de sluiten, met inbegrip van de vissershaven, de jachthaven en het dok van de Belgische Zeemacht alsook de werf- en kielbanken van de vissershaven; 3° Wat de haven van Nieuwpoort betreft: de wateren van de haven van Nieuwpoort welke zich uitstekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot de benedenhoofden van de sluizen der achterhaven, met inbegrip van alle ermede in verbinding staande dokken; 4° Wat de haven van Blankenberge betreft: de wateren van de haven van Blankenberge welke zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot aan de oosterkaaimuur van het bankdok, met inbegrip van de nieuwe jachthaven. § 3. In dit reglement wordt onder "de strande van de Belgische kust" verstaan de strook van de Belgische kust begrepen tussen de in § 1 bedoelde laagwaterlijn en de hoogwaterlijn.
Artikel 3. ( 30/11/2010 - ... )
In dit reglement wordt verstaan onder:
1° Vaartuig: elk drijvend tuig, met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer of verplaatsing te water;
2° Zeeschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
3° Bovenmaats zeeschip: zeeschip dat weges zijn lengte of zijn diepgang ten opzichte van de toestand van de vaargeul, door de Dienst van het Loodswezen als dusdanig wordt aangemerkt overeenkomstig de normen door die dienst bepaald en officieel meegedeeld aan zeevarenden (bericht aan zeevarenden nr. 1 - afgekort B.a.Z. nr.1);
4° Binnenschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is;
5° Pleziervaartuig: het vaartuig dat al dan niet gebruikt voor winstgevende verrichtingen in welke vorm ook, aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is;
6° Kapitein of schipper: elke persoon die belast is met de leiding van een vaartuig of deze in feite neemt, alsmede elke persoon die hem vervangt;
7° Ambtenaren of bedienden der overheid: de in artikel 39 bedoelde personen;
8° Verdrag: het verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, goedgekeurd bij de wet van 24 november 1975;
9° Voorschrift: één van de voorschriften van de internationale bepalingen gevoegd bij het in 8° bedoeld Verdrag;
10° Helder licht: licht dat onder normale weersomstandigheden op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (3 704 m) zichtbaar is.
[11° exploitant : eigenaars, reders, charteraars, beheerders of agenten van een vaartuig, daaronder mede begrepen de kapitein;
12° vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert : ieder vaartuig dat de volgende stoffen vervoert :
- stoffen als omschreven in de I.M.D.G.-Code, gevaarlijke vloeistoffen opgenomen in hoofdstuk 17 van de I.M.O. Bulk Chemical Code, vloeibare gassen opgenomen in hoofdstuk 19 van de I.M.O. Gas Carrier Code en vaste stoffen als bedoeld in aanhangsel B van de BC-code;
- stoffen voor het vervoer waarvan passende voorwaarden zijn neergelegd overeenkomstig paragraaf 1.1.3 van de I.M.O. Bulk Chemical Code of paragraaf 1.1.6 van de I.M.O. Gas Carrier Code;
- oliesoorten als omschreven in bijlage I van het Marpol Verdrag, schadelijke vloeistoffen als omschreven in bijlage II van het Marpol Verdrag, schadelijke stoffen als omschreven in bijlage III van het Marpol Verdrag (verv. KB 17 september 2005, art. 9, I: 11 oktober 2005)];
[13° I.M.O.: Internationale Maritieme Organisatie;
14° I.M.D.G. Code: de meest recente versie van de Internationale Maritieme Code voor gevaarlijke goederen opgemaakt door de I.M.O. en van artikel 108 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement (verv. KB 9 februari 1996, art. 1, I: 13 september 1995)][... (opgeh. KB 17 september 2005, art. 9, I: 11 oktober 2005)];
[15° I.M.O. Gas Carrier Code: de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren, uitgegeven door de I.M.O., en deze van het ministerieel besluit van 17 juli 1981 betreffende aanvullende voorschriften voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren;
16° I.M.O. Bulk Chemical Code: de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, uitgegeven door de I.M.O., en deze van het ministerieel besluit van 24 juni 1975 betreffende aanvullende voorschriften voor schepen die gevaarlijke stoffen in bulk vervoeren (verv. KB 9 februari 1996, art. 1, I: 13 september 1995)][... (opgeh. KB 17 september 2005, art. 9, I: 11 oktober 2005)];
[17° Marpol Verdrag: de meest recente versie van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlagen, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlage, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978 (verv. KB 9 februari 1996, art. 1, I: 13 september 1995)];
[18° INF-code : de meest recente versie van de IMO-code van veiligheidsvoorschriften voor het vervoer van bestraalde splijtstoffen, plutonium en hoogradioactieve afvalstoffen in vaten aan boord van een schip (ing. KB 9 december 1998, art. 2, I: 31 december 1998)];
[19° « IMO-resolutie A.851(20) » : resolutie 851(20) van de Internationale Maritieme Organisatie, aangenomen door de vergadering tijdens haar twintigste zitting op 27 november 1997 betreffende de algemene beginselen voor de positie-indicatie voor schepen en de meldingsvoorschriften, met daarin begrepen de richtlijnen betreffende de melding van incidenten waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke substanties en/of zeeverontreinigende stoffen betrokken zijn (ing. KB 25 juni 2001, art. 1, I: 4 augustus 2001)];
[20° verlader : de persoon door wie, namens wie of ten behoeve van wie een overeenkomst voor het vervoer van goederen over zee is gesloten met een vervoerder;
21° adres : naam en communicatieverbindingen via welke, indien nodig, contact kan worden gelegd met de reder of beheerder van een vaartuig, de agent, de havenautoriteit, de bevoegde instantie of iedere andere gemachtigde persoon of organisatie die beschikt over gedetailleerde gegevens betreffende de lading van het vaartuig;
22° traditionele schepen : historische schepen en replica's daarvan, met inbegrip van schepen die ontworpen zijn om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen, die als levende cultuurmonumenten volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek worden bestuurd;
23° ongeval : een ongeval in de zin van de IMO-code voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee;
24° maatschappij : een maatschappij als bedoeld in voorschrift 1, paragraaf 2, van hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
25° SOLAS-verdrag : het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen;
26° ISM-code : de internationale veiligheidscode voor de scheepvaart en ter voorkoming van verontreiniging, zoals goedgekeurd door de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.741 (18) van 4 november 1993 en verplicht gesteld krachtens het hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
27° BC-code : de IMO-code met praktische voorschriften voor de veiligheid van het vervoer van lading;
28° verkeersbegeleidingssysteem (VBS) : een dienst die is opgezet om de veiligheid en de efficiëntie van het scheepverkeer te verbeteren en het milieu te beschermen en dus in het verkeer kan interveniëren en op verkeerssituaties die zich in het VBS-gebied voordoen, kan reageren;
29° scheepsrouteringssysteem : een systeem van één of meer routes of routeringsmaatregelen om het risico van scheepsongevallen te verkleinen dat bestaat uit verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes;
30° agent : de persoon die opdracht of toestemming heeft om namens de exploitant van een vaartuig informatie te verstrekken;
31° de Minister : de minister tot wiens bevoegdheid de maritieme zaken en de scheepvaart behoren (ing. KB 17 september 2005, art. 9, I: 11 oktober 2005)];
[32° lijndienst : een reeks overtochten door vaartuigen waarmee de verbinding tussen dezelfde twee of meer havens wordt onderhouden, hetzij volgens een gepubliceerde dienstregeling, hetzij met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;
33° vissersvaartuig : elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;
34° vaartuig dat bijstand behoeft : een vaartuig in omstandigheden die gevaar voor verlies van het vaartuig, voor het milieu of voor de scheepvaart kunnen opleveren, onverminderd de bepalingen van het SAR-verdrag inzake opsporing en redding op zee;
35° LRIT : een systeem voor het op lange afstand identificeren en volgen van vaartuigen in overeenstemming met Voorschrift 19-1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag;
36° brutotonnenmaat : de maat van de totale inhoud van een vaartuig vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen (ing. KB 10 september 2010, art. 3, I: 30 november 2010)].
Artikel 4. ( 01/10/1981 - ... )
De in de Voorschriften 3, 21 en 32 gegeven begripsomschrijvingen gelden ook voor de toepassing van dit besluit, tenzij het er uitdrukkelijk van afwijkt.
Artikel 5. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Geen vaartuig mag de havens van de Blegische kust binnenvaren indien het om reden van zijn afmetingen of zijn diepgang of om enige andere reden een gevaar vormt of dreigt te vormen voor de veiligheid van het vaartuig zelf of van de scheepvaart, of voor de haven- en kunstwerken of voor het milieu in 't algemeen. Indien bijzondere omstandigheden dit vereisen kan de overheid echter in door haar te bepalen voorwaarden een vaartuig, dat om een der bovengenoemde redenen niet in de havens van de Belgische kust mag binnenvaren, toegang tot een der Belgische havens verlenen. § 2. De haven van Blankenberge is alleen toegankelijk voor pleziervaartuigen.
Artikel 6. ( 01/10/1981 - ... )
In de havens van de Belgische kust gelden voor de binnenschepen artikel 1, achtste lid, artikel 2, eerste en tweede lid, en de artikelen 4, 5, 7 en 8 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.
Artikel 7. ( 01/10/1999 - ... )
§ 1. Behoudens andersluidende bijzondere bepaling moet ieder vaartuig op de romp of op de bovenbouw, op een goed zichtbare plaats, zijn naam en die van zijn thuishaven voeren. Die namen moeten in duidelijk met de achtergrond contrasterende letters aangebracht worden en bij helder weer op een afstand van ten minste 50 m leesbaar zijn. Zijn die namen op de zijkant van het schip aangebracht, dan moeten ze aan beide zijden voorkomen.
§ 2. [... (opgeh. KB 4 juni 1999, art. 33, I: 1 oktober 1999)].
§ 3. Met uitzondering van de vissersvaartuigen die gewwonlijk een Belgische haven aandoen, moet elk vaartuig zijn nationale vlag hijsen wanneer het een haven in- of uitvaart en bovendien telkens als de ambtenaren of bedienden van de overheid erom verzoeken.
Artikel 7bis. ( 11/12/2014 - ... )
[De reder of beheerder van een vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat op weg is naar een haven van de Belgische kust, deelt ten minste vierentwintig uur voor aankomst of uiterlijk op het tijdstip waarop het vaartuig de vorige haven verlaat, indien de reisduur minder dan vierentwintig uur bedraagt, of zodra de aanloophaven bekend is, indien zij nog niet bekend zou zijn of tijdens de reis wordt gewijzigd, aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest de in bijlage 8 bedoelde informatie mee (ing. KB 17 september 2005, art. 10, I: 11 oktober 2005)].
[Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 4, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 10, I: 11 oktober 2005)];
c) [... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 7, I: 11 december 2014)]
Artikel 7ter. ( 30/11/2010 - ... )
[Ieder vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrapportagesysteem dat overeenkomstig voorschrift 11 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, voldoet aan dat systeem en verstrekt dus de vereiste informatie, onverminderd de aanvullende informatie die wordt verlangd overeenkomstig IMO-resolutie A.851 (20) (ing. KB 17 september 2005, art. 11, I: 11 oktober 2005)].
[Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 4, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen, marineschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 11, I: 11 oktober 2005)];
[c) bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen (verv. KB 10 september 2010, art. 4, I: 30 november 2010)].
Artikel 7quater. ( 11/12/2014 - ... )
[§ 1. Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die internationale reizen maken en een haven van de Belgische kust aandoen, moeten zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (hierna AIS) overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
§ 2. Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die niet-internationale reizen maken, moeten zijn uitgerust met een AIS overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
§ 3. Passagiersschepen van minder dan 15 meter lang of met een brutotonnenmaat van minder dan 300 die niet-internationale reizen maken, worden vrijgesteld van de toepassing van de in dit artikel vastgestelde voorschriften inzake AIS (verv. KB 25 januari 2012, art. 3, I: 16 maart 2012)].
[... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 8, I: 11 december 2014)].
[§ 4. Elk vaartuig dat is uitgerust met een automatisch identificatiesysteem houdt dit te allen tijde operationeel tenzij internationale overeenkomsten, regels of normen voorzien in de bescherming van navigatiegegevens (ing. KB 17 september 2005, art. 12, I: 11 oktober 2005)].
§ 5. [Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 5, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 12, I: 11 oktober 2005)];
c) [... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 8, I: 11 december 2014)]
Artikel 7quinquies. ( 11/12/2014 - ... )
[ Ieder vaartuig (ing. KB 17 september 2005, art. 13, I: 11 oktober 2005)][... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 9, I: 11 december 2014)][dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrouteringssysteem dat overeenkomstig voorschrift 10 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en dat mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, maakt van het systeem gebruik overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO (ing. KB 17 september 2005, art. 13, I: 11 oktober 2005)].
[... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 9, I: 11 december 2014)]
Artikel 7sexies. ( 11/12/2014 - ... )
[Ieder vaartuig (ing. KB 17 september 2005, art. 14, I: 11 oktober 2005)][... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 10, I: 11 december 2014)][ dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart waar een verkeersbegeleidingssysteem wordt toegepast dat mede door het Vlaamse Gewest wordt geëxploiteerd, neemt deel aan dit verkeersbegeleidingssysteem en voldoet aan de regels ervan, overeenkomstig de richtsnoeren van de IMO (ing. KB 17 september 2005, art. 14, I: 11 oktober 2005)].
[Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 4, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 14, I: 11 oktober 2005)];
c) [... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 10, I: 11 december 2014)].
Artikel 7septies. ( 11/12/2014 - ... )
[Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer, die internationale reizen maken en een haven van de Belgische kust aandoen, moeten zijn uitgerust met een reisgegevensrecorder (hierna VDR), overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag. Vrachtschepen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd, mogen zijn uitgerust met een vereenvoudigde reisgegevensrecorder (hierna S-VDR) overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen, met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer, die op of na 1 juli 2002 zijn gebouwd en die niet-internationale reizen maken, moeten zijn uitgerust met een VDR overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Vrachtschepen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd en die niet-internationale reizen maken, moeten worden uitgerust met een VDR of een S-VDR overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Passagiersschepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in andere zeegebieden dan die van klasse A, zoals bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiers-schepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen en van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectie-reglement, worden vrijgesteld van de verplichting om met een VDR te zijn uitgerust.
Vaartuigen, andere dan ro-ro-passagiersschepen, die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd, worden vrijgesteld van de verplichting om met een VDR te worden uitgerust als kan worden aangetoond aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is dat de interfacing tussen een VDR en de bestaande uitrusting van het vaartuig onredelijk en onuitvoerbaar is.
Vrachtschepen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd en die internationale of niet-internationale reizen maken, worden vrijgesteld van de verplichting om met een S-VDR te worden uitgerust als dergelijke schepen permanent buiten dienst worden gesteld binnen twee jaar na de in hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag gespecificeerde tenuitvoerleggings-datum.
Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing op :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 25 januari 2012, art. 4, I: 16 maart 2012)];
c) [... (opgeh. KB 4 november 2014, art. 10, I: 11 december 2014)].
Artikel 7octies. ( 01/10/2020 - ... )
[Elk vissersvaartuig, ongeacht zijn lengte moet in de volgende gevallen zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (AIS) (klasse A) dat voldoet aan de door de IMO ntwikkelde prestatienormen:
1° dienstdoet in de Belgische territoriale wateren of de exclusieve economisch zone van België; of
2° zijn vangst aan land brengt in een Belgische haven.
Vissersvaartuigen houden dit systeem te allen tijde operationeel. In uitzonderlijke omstandigheden mag het AIS worden uitgeschakeld, wanneer dat volgens de schipper noodzakelijk is voor de veiligheid of de beveiliging van zijn vaartuig (verv. KB 26 juni 2020, art. 9, I: 1 oktober 2020)].
Artikel 7novies. ( 30/11/2010 - ... )
[Vaartuigen waarop Voorschrift 19-1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag en de door de IMO aangenomen prestatienormen en functionele eisen van toepassing zijn, worden uitgerust met een LRIT-uitrusting die aan dat voorschrift voldoet, indien zij een haven van de Belgische kust aandoen (ing. KB 10 september 2010, art. 7, I: 30 november 2010)].
Artikel 8. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Geen enkele bepaling van dit reglement ontslaat de reder, de kapitein of de bemanning van het vaartuig ervan, alle voorzorgen te nemen die volgens het gewone zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het vaartuig zich bevindt, geboden zijn. § 2. De reder, de kapitein of de bemanning van een vaartuig houden rekening met de gevaren van de scheepvaart en met het gevaar voor aanvaring, en met de bijzondere omstandigheden, inzonderheid met de beperkingen van het gebruik van het vaartuig, waardoor het geboden mocht zijn dit reglement niet na te komen om een onmiddellijk gevaar te keren.
Artikel 9. ( 01/10/1981 - ... )
Niemand mag, hetzij vrijwillig hetzij onvrijwillig, de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of deze scheepvaart vertragen door nalatigheid of onbekwaamheid of door maneuvers uitgevoerd in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat ten gevolge van het gebruik van verdovende of ahllucinatieverwekkende middelen.
Artikel 10. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 11 worden de Voorschriften 4 tot 9 en 11 tot 19 aan boord van elk vaartuig nageleefd. § 2. Vaartuigen die de in artikel 13, § 2 voor bovenmaatse zeeschepen voorgeschreven lichten of het dagmerk niet voeren, moeten uitwijken voor vaartuigen die deze seinen wel voeren. Bovenmaatse zeeschepen die de in artikel 13, § 2 voorgeschreven seinen voeren moeten zich onderling gedragen naar de Voorschriften en naar de bepalingen van dit reglement. § 3. Ieder vaartuig dat in de havens van de Belgische kust een ander vaartuig ontmoet, moet de rechterzijde van de vaargeul of de strook gelegen aan de rechterkant van het midden van de doorvaart houden, voor zover dit materieel mogelijk is zondere zijn veiligheid in gevaar te brengen. § 4. In afwijking van Voorschrift 3, g, moet een baggervaartuig dat bezig is met baggeren, zo uitwijken dat het de scheepvaart niet hindert, en zijn kabels en kettingen vieren. § 5. In de wateren van de havens van de Belgische kust moeten de vaartuigen tijdug hun vaart verminderen wanneer zij in de nabijheid van kunstwerken, in uitvoering zijnde werken of vaartuigen komen, zodat de door hun doorvaart veroorzaakte golfslag of zuiging geen schade kan berokkenen. § 6. Vaartuigen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen, tenzij dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden. § 7. Iedere kapitein of schipper moet de havenseinen welke door de overheden worden voorgeschreven en vertoond, in acht nemen. § 8. Vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 20 m moeten zo dicht als veilig en uitvoerbaar is de stuurboordwal of het stuurboordstaketsel aanhouden, en in ieder geval bijtijds en ruim uit de weg van andere vaartuigen blijven. § 9. Zeilvaartuigen moegen niet laveren in de toegangsgeulen tot de havens van de Belgische kust of in de wateren van die havens; indien zij uitgerust zijn met middelen tot werktuiglijke voortbeweging, moeten zij deze in die wateren gebruiken. § 10. Pleziervaartuigen nemen in de havens van de Belgische kust de kortste weg om hun bestemming te bereiken, zonder de veiligheid van de scheepvaart in gevaar te brengen. § 11. Het is verboden in de vaargeulen van de havens en op de reden van die havens openigerlei wijze te vissen. Vanaf kunstwerken of aanhorigheden van de havens mag echter met kruisnetten of lijnen worden gevist in zover daardoor de scheepvaart niet worden gehinderd.
Artikel 11. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. De vaartuigen nemen de lig-, meer- en ankerplaats in die hun door de ambtenaren of bedienden van de overheid wordt toegewezen.
De kapiteins en schippers volgen de richtlijnen op die worden gegeven in verband met de wijze van aanleggen, meren of ankeren.
§ 2. Geen enkel vaartuig mag van lig-, meer- of ankerplaats veranderen zonder de toestemming van de ambtenaren of bedienden van de overheid.
§ 3. Behoudens het bepaalde in § 4 is het verboden te ankeren of gestopt te liggen in een vaargeul. In geen geval mag men het anker werpen of het over de bodem laten krabben op plaatsen waar zich kabels, leidingen, zinkers of sluisdrempels bevinden.
§ 4. Vaartuigen die verplicht zijn in de vaargeul te ankeren of te blijven liggen, hetzij om op het tij te wachten, hetzij omdat zij niet rechtstreeks naar de toegewezen lig-, meer- of ankerplaats kunnen doorvaren, mogen de scheepvaart niet hinderen. Zij moeten zodra mogelijk zee kiezen of zich naar de hun toegewezen plaats begeven.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 1 mag geen vaartuig zich in de nabijheid van een sluis ophouden.
Artikel 12. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Bij het in- en uitvaren van de sluizen, moeten de vaartuigen zich gedragen naar de bevelen van de ambtenaren of bedienden van de overheid. § 2. Worden niet door de sluizen toegelaten de vaartuigen die geen voldoende bemanning aan boord hebben om de bewegingen met de nodige spoed uit te voeren. § 3. Bestaat er gevaar voor het bedienen van de sluisdeuren, dan kan de doorvaart verboden worden.
Artikel 13. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 6 en in de artikelen 14 tot 16, gedraagt ieder vaartuig zich naar de Voorschriften 20, 22 tot 31 en 33 tot 38 en naar de daarin vermelde Bijlagen. § 2. Wanneer de loods het heeft aangewezen, voert elk varend bovenmaats zeeschip in de havens van de Belgische kust, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens behalve de lichten die voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen zijn voorgeschreven, drie rondom zichtbare rode lichten loodrecht ten opzichte van elkaar geplaatst en een dagmerk bestaande uit een cilinder, daar waar deze het best kunnen worden gezien. § 3. Elk werktuiglijk voortbewogen vaartuig dat in de havens van de Belgische kust op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens één of meer vaartuigen assisteert, voert, behalve de lichten voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen voorgeschreven, vooraan een tweede wit toplicht. Indien verscheidene werktuiglijk voortbewogen vaartuigen één of meetr vaartuigen assisteren, voert elk assisterend vaartuig vooraan een derde wit toplicht. Deze toplichten staan loodrecht onder elkaar. § 4. Werktuiglijk voortbewogen vaartuigen die voorzien zijn van een stuurinrichting aan de voorsteven en daarvan gebruik maken bij het over de achtersteven in- of uitvaren van een haven van de Belgische kust, moeten zolang zij aldus varende zijn, een dagmerk voeren bestaande uit twee zwarte bollen van tenminste 0,60 m middellijn. De bollen worden op gelijke hoogte en op een onderlinge afstand van ten minste 2 meter gevoerd. Het dagmerk wordt vertoond door waar het het best kan worden gezien. Ten opzichte van de Voorschriften en van dit reglement moeten de vaartuigen die dat dagmerk voeren, zich gedragen en door andere vaartuigen worden beschouwd als vooruitvarende schepen en wordt te dien einde hun stuurboord voor bakboord en omgekeerd hun bakboord voor stuurboord gehouden. § 5. Watervliegtuigen en andere luchtvaartuigen die gebouwd zijn om op het water te maneuvreren zijn aan de Voorschriften en aan dit reglement onderworpen. § 6. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement voert elk vaartuig dat met een bijzondere politieopdracht belast is, tijdens die opdracht, zowel bij dag als bij nacht, daar waar het het best kan worden gezien, een blauw flikkerlicht dat rondom zichtbaar is. Indien verscheidene vaartuigen het bij deze paragraaf voorgeschreven licht voeren, is de tussen die vaartuigen gelegen zone aan de scheepvaart ontzegd.
Artikel 14. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Een vaartuig dat bezig is met het leggen, onderhouden of lichten van een navigatiemerk, een onderzeese kabel of pijpleiding, en vaartuigen die bezig zijn met baggeren, opnamewerkzaamheden of werkzaamheden onder water, voeren de lichten en dagmerken voorgeschreven bij Voorschrift 27 b, en in voorkomend geval d. De onderlinge afstand tussen de lichten en dagmerken mag ten minste 0,50 m en ten hoogste 1,83 m bedragen. § 2. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement mag een vaartuig dat bezig is met hydrografische verrichtingen, zowel bij dag als bij nacht, daar waar dit het best gezien kan worden, een geel flikkerlicht voeren.
Artikel 15. ( 30/06/2011 - ... )
§ 1. Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren zeeschepen welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens, de in bijlage 1 vermelde gevaarlijke stoffen vervoeren, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in die bijlage voorgeschreven lichten en dagmerk.
[§ 2. Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren binnenvaartuigen, welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in artikel 3.14. van de bijlage bij het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk voorgeschreven tekens (verv. KB 4 juli 2011, art. 1, I: 30 juni 2011)].
§ 3. De Minister tot wiens bevoegdheid het bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart behoort is gemachtigd om overeenkomstig de eisen van een veilige scheepvaart, de bepalingen [in bijlage 1 (verv. KB 4 juli 2011, art. 1, I: 30 juni 2011)] in overeenstemming te brengen met de internationale normen of overeenkomsten.
Artikel 16. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Vaartuigen die aan staketsels, kaaien of andere aanlegplaatsen, of terzijde van andere vaartuigen gemeerd liggen, voeren de lichten voorzien bij de Voorschriften voor geankerde schepen. § 2. Vaartuigen die gemeerd of ten anker liggen of aan de grond zitten, en voor welke golfslag of woelingen veroorzaakt door snel voorbijvarende vaartuigen hinderlijk kan zijn, voeren: a) twee rondom zichtbare heldere lichten, loodrecht onder elkaar, het bovenste rood en het onderste wit; b) een dagmerk bestaande uit een vlag of bord met twee horizontale banen van gelijke breedte waarvan de bovenste rood en de onderste wit is en bovendien wanneer het vaartuig betrokken is in duikerswerkzaamheden eveneens een dagmerk bestaande uit de A-vlag of bord van het Internationaal Seinboek. § 3. De lichten worden getoond overeenkomstig Voorschrift 20.
Artikel 17. ( 01/10/1981 - ... )
Indien het vaste installaties betreft, moeten de in uitvoering zijnde werken aan hun uiterste grenzen en zo nodig daartussen aangeduid worden, daar waar het het best kan worden gezien, door een dagmerk bestaande uit twee rode vlaggen boven elkaar en door twee loodrecht geplaatste rode lichten met daarboden een groen licht, met onderlinge afstand van ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m. Die lichten moeten rondom op een afstand van ten minste 1 zeemijl (1 852 m) zichtbaar zijn. Steigers, dukdalven en andere kunstwerken die boven het gemiddelde laagwaterpeil uitsteken, kunnen eveneens aangeduid worden door de in dit artikel voorgeschreven lichten. Die lichten worden getoond in de omstandigheden en op de wijze bepaald in het eerste lid.
Artikel 18. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. De ligging van wrakken en gezonken vaartuigen wordt aangeduid door middel van de lichten en dagmerken, welke in Voorschrift 30 d zijn voorgeschreven voor aan de grond zittende vaartuigen. § 2. Wrakken, gezonken vaartuigen en andere obstakels voor de scheepvaart mogen eveneens worden aangeduid door middel van één of meer lichtboeien of tonnen volgens het gecombineerd Kardinaal en Lateraal betonningsstelsel "A" dat in bijlage 5 is bepaald. § 3. Voor de toepassing van het in § 2 bedoeld betonningsstelsel wordt als stuurboord- of bakboordzijde van het vaarwater beschouwd de zijde, welke een van zee komend vaartuig aan zijn stuurboord- of bakboordkant heeft, met dien verstande dat wat de kustroute betreft, het gehele gebied wordt geacht als deel uitmakend van de toegangsweg naar de Schelde.
Artikel 19. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Ieder kapitein of schipper of bij deze ontstentenis, iedere eigenaar of exploitant van een vaartuig is gehouden: 1° zijn vaartuig behoorlijk vast te maken of te verankeren; 2° het vaartuig zo bij nacht als bij dag te bewaken of te doen bewaken; 3° steeds de nodige manschappen aan boord te hebben of onmiddellijk ter beschikking te stellen, om de maneuvers die door de ambtenaren of bedienden van de overheid zouden bevolen worden, onmiddellijk te kunnen uitvoeren; 4° aan dek van een geankerd vaartuig voldoende bemanning te houden om het zwaaien van het vaartuig bij het kenteren van het tij gade te doen slaan, en om bijtijds de vereiste maneuvers te kunnen uitvoeren, onder meer, om het schip sneller te doen zwaaien of om meer ketting te steken; 5° tuig- of takelwerk dat buiten boord uitsteekt in te halen, wanneer het zo geplaatst is dat het de veiligheid van de scheepvaart of de goede orde in de aanhorigheden van de haven in gevaar kan brengen; 6° wanneer het vaartuig gemeerd ligt, het buitenste anker, en wanneer het de sluizen nadert en doorvaart, alle ankers in kluis te trekken; 7° de aan staketsels en kaaien of ter zijde van andere vaartuigen liggende of gemeerde vaartuigen, buitenboord te voorzien van behoorlijke onzinkbare wrijfhouten of -worsten; 8° gevolg te geven aan elk verzoek om een tros aan te nemen en vast te maken, en eventueel eigen meertouwen los te gooien om het verhalen van andere vaartuigen te vergemakkelijken; 9° elke voorzorgsmaatregel te treffen opdat het proefdraaien van motor met ingeschakelde schroeven geen schade aan derden zou kunnen veroorzaken. § 2. In de havens van de Belgische kust zijn artikel 528, eerste, tweede en vijfde lid, en de artikelen 529 en 531 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming van toepassing.
Artikel 20. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Het is verboden sluisdeuren en draaibruggen als steunpunten te gebruiken. § 2. Ongeacht hun lig- of meerplaats mogen vaartuigen slmechts aan de daartoe dienende bolders, palen, meer- en kabelringen worden vastgemeerd. het is inzonderheid verboden vaartuigen vast te maken aan ladders, palen, oplangers, steunbalken, bovenbalken van borstweringen van staketsels en kaaien, alsook aan gelijk welke bebakeningsinrichting. § 3. Het is verboden een vaartuig vast te meren aan een lichtschip of aan een daartoe niet bestemde boei. Het is eveneens verboden het anker te werpen binnen de zwaaikring van een lichtschip of een boei. § 4. Het is verboden het scheepsverkeer in de vaargeul te belemmeren, onder meer door het spannen van meerlijnen. Is het voor het verhalen van een vaartuig nodig een meerlijn over de vaargeul te brengen dan moet deze tijdig losgemaakt of gevierd worden om een ander vaartuig te laten voorbijvaren.
Artikel 21. ( 30/11/2010 - ... )
[§ 1. Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren (verv. KB 17 september 2005, art. 16, I: 11 oktober 2005)] [en die vertrokken zijn uit een haven buiten de Gemeenschap gelegen met als bestemming een kusthaven, mogen die haven pas binnenvaren op voorwaarde dat de exploitant (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)][uiterlijk bij de afvaart uit de haven van belading of althans zodra de haven van bestemming of ankerplaats bekend is, zo deze niet bij de afvaart bekend zou zijn, (verv. KB 17 september 2005, art. 16, I: 11 oktober 2005)][de havenkapiteindienst van de bestemmingshaven, alle gegevens, zoals voorzien in bijlage 5 heeft medegedeeld.
§ 2. Ten aanzien van de vaststelling of gevaarlijke goederen van klasse I van de I.M.D.G.-Code in massa kunnen exploderen, is het oordeel van het hoofd van de Dienst der Springstoffen van het Ministerie van Economische Zaken bindend.
§ 3. (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)][Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 8, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)];
[b) bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen (verv. KB 10 september 2010, art. 8, I: 30 november 2010)];
[c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 16, I: 11 oktober 2005)].
Artikel 22. ( 30/11/2010 - ... )
[§ 1. Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren (verv. KB 17 september 2005, art. 17, I: 11 oktober 2005)][vanuit een kusthaven mogen die haven slechts verlaten nadat zij de havenkapiteinsdienst alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 hebben medegedeeld . § 2. (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)]; [Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van paragraaf 1 niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 9, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)];
[b) bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen (verv. KB 10 september 2010, art. 9, I: 30 november 2010)];
[c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 17, I: 11 oktober 2005)].
Artikel 22bis. ( 05/05/2016 - ... )
[ § 1. Vrijstelling van de eisen van de artikelen 21, § 1, en 22 kan worden verleend voor lijndiensten tussen de havens van de Belgische kust of tussen een haven van de Belgische kust en een andere Belgische haven wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de maatschappij die deze lijndiensten exploiteert, houdt een lijst bij van de betrokken vaartuigen en deelt die lijst mee aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, en werkt deze bij;
b) telkens als de reis wordt uitgevoerd, wordt de in bijlage 5, indien toepasselijk, genoemde informatie ter beschikking gehouden van de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, indien deze daarom verzoekt. De maatschappij zet een intern systeem op waarmee genoemde inlichtingen 24 uur per dag direct na het verzoek, elektronisch aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest kunnen worden doorgegeven;
c) alle afwijkingen van de verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation van drie uur of meer worden, indien toepasselijk, meegedeeld aan de haven van aankomst of aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest;
d) vrijstellingen worden alleen verleend aan individuele vaartuigen op een specifieke dienst.
De vrijstelling wordt toegekend door de (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][die daartoe aangesteld zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de dienst alleen als lijndienst beschouwd als het de bedoeling is dat hij ten minste één maand wordt geëxploiteerd.
Vrijstellingen van de in de artikelen 21, § 1, en 22 neergelegde eisen blijven beperkt tot reizen met een geplande duur van maximaal 12 uur.
§ 2. Wanneer één internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en een of meer lidstaten wordt geëxploiteerd, kan (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][die daartoe aangesteld is vrijstelling verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1 indien de betrokken lidstaat of lidstaten daarom verzoeken.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, kan (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][daartoe aangesteld is vragen aan de betrokken lidstaat of lidstaten om vrijstelling te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, werkt (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][daartoe aangesteld is samen met alle betrokken lidstaten met inbegrip van de betrokken kuststaten om een vrijstelling voor de betreffende dienst te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
§ 3. De (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][die daartoe aangesteld zijn, controleren regelmatig of aan de voorwaarden van paragraaf 1 wordt voldaan. Wanneer niet meer wordt voldaan aan ten minste één van deze voorwaarden, trekken de (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)][voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden (BVR 18 maart 2016, art. 7, I: 5 mei 2016)][die daartoe aangesteld zijn het voorrecht van de vrijstelling voor de betrokken maatschappij onmiddellijk in (verv. KB 10 september 2010, art. 10, I: 30 november 2010)].
Artikel 23. ( 11/10/2005 - ... )
Artikel 24. ( 13/09/1995 - ... )
[§ 1. Schepen die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen in bulk of in verpakte vorm vervoeren moeten zich minstens 4 uur voor het aanlopen van of het vertrekken uit een kusthaven melden aan Vessel Traffic Service Scheldemonden. § 2. Zij dienen gebruik te maken van de diensten van een loods bevoegd voor het af te leggen traject. § 3. De checklist voorzien in bijlage 6 dient bij het aan boord komen van de loods nauwkeurig en waarheidsgetrouw ingevuld te zijn en moet aan hem afgegeven worden (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)].
Artikel 25. ( 13/09/1995 - ... )
[De melding bedoeld in artikel 24, § 1, dient te omvatten:
1° de gegevens voorzien in bijlage 5 onder de punten 1 tot en met 5 en 9;
2° de opgave van broei, brand, schade aan het zeeschip of lading of een vermoeden daarvan;
3° de mededeling van eventuele tekortkomingen of voorvallen die de normale veilige bestuurbaarheid van het zeeschip kunnen verminderen, een veilige en vlotte doorvaart nadelig kunnen beïnvloeden of een gevaar kunnen meebrengen voor het milieu (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)].
Artikel 26. ( 11/10/2005 - ... )
[§ 1. De kapitein van een (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)][vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert (verv. KB 17 september 2005, art. 21, I: 11 oktober 2005)][dient er zorg voor te dragen:
1. dat het vervoer geschiedt met inachtneming van de I.M.D.G. Code, de I.M.O. Code of Safe Practice for Solid Bulk Cargoes, de I.M.O. Gas Carrier Code en de I.M.O. Bulk Chemical Codes;
3. dat in overeenstemming met de eisen van goed zeemanschap de nodige maatregelen worden getroffen en er aan boord schriftelijke instructies aanwezig zijn, conform met de door de I.M.O. terzake gegeven aanbevelingen, die aangeven welke maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de gevaarlijke stoffen die worden vervoerd indien zich een ongeval of een voorval voordoet dat gevaar kan opleveren;
4. dat nadere aanwijzingen gegeven door de bevoegde autoriteit in aanvulling op de voorzieningen van dit hoofdstuk, worden opgevolgd;
5. dat er steeds marifoonverbinding met de dienst van het loodswezen te Oostende wordt gehandhaafd;
6. dat de voorschriften voor de seinvoering voorzien in bijlage I worden toegepast.
1° er dienen voldoende bekwame bemanningsleden beschikbaar te zijn om het vaartuig veilig te kunnen maneuvreren;
2° er dient zekerheid te bestaan dat in de tanks geen gevaarlijke overdruk aanwezig is;
3° er dient onafgebroken marifoon luisterwacht te worden gehouden;
4° de boordradar moet aanstaan;
5° de tanks mogen niet schoongemaakt, ontgast en gespoeld worden zonder toestemming van de bevoegde overheid;
6° het voornemen te ankeren dient te worden gemeld aan de dienst van het loodswezen te Oostende;
7° de bouw en de uitrusting van het vaartuig moeten beantwoorden aan de I.M.O. Gas Carrier Code en er dienen aan boord geldige bescheiden aanwezig te zijn, ten bewijze daarvan en die zijn afgegeven door of vanwege de vlaggestaat en welke steeds op eerste vordering ter inzage dienen te worden afgegeven aan de bevoegde autoriteiten (ing. KB 9 februari 1996, art. 2, I: 13 september 1995)].
Artikel 26bis. ( 16/03/2012 - ... )
[§ 1. Gevaarlijke of verontreinigende stoffen mogen in een haven van de Belgische kust niet voor vervoer worden aangeboden noch aan boord van een vaartuig worden genomen, ongeacht de grootte van het vaartuig, tenzij aan de kapitein of de exploitant, vooraleer de goederen aan boord worden genomen, een verklaring met de volgende informatie werd overhandigd :
a) de in bijlage 9 genoemde informatie (verv. KB 10 september 2010, art. 11, I: 30 november 2010)];
[b) voor de in bijlage I bij het Marpol Verdrag genoemde stoffen, het veiligheids-informatieblad waarop de fysisch-chemische eigenschappen van de producten zijn vermeld, waar van toepassing, met inbegrip van hun viscositeit, uitgedrukt in cSt bij 50 ° C en hun dichtheid bij 15 ° C, alsook de andere gegevens die conform Resolutie MSC.286(86) van de I.M.O. op het veiligheidsinformatieblad staan (verv. KB 25 januari 2012, art. 5, I: 16 maart 2012)];
[c) de alarmnummers van de verlader of enige andere persoon of organisatie die beschikt over informatie over de fysisch-chemische eigenschappen van de producten en over de bij een calamiteit te nemen maatregelen.
Vaartuigen komende van een haven buiten de Gemeenschap die een haven van de Belgische kust aandoen en gevaarlijke of verontreinigende stoffen aan boord hebben, beschikken over een verklaring van de verlader met de informatie vereist volgens het eerste lid, onder a), b) en c).
De verlader bezorgt deze verklaring aan de kapitein of de exploitant en zorgt ervoor dat de voor vervoer aangeboden vracht werkelijk die is waarover overeenkomstig het eerste lid een verklaring werd afgelegd (verv. KB 10 september 2010, art. 11, I: 30 november 2010)].
§ 2. [Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van paragraaf 1 niet van toepassing op (verv. KB 10 september 2010, art. 11, I: 30 november 2010)]:
[a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter (ing. KB 17 september 2005, art. 2, I: 11 oktober 2005)];
[c) bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen (verv. KB 10 september 2010, art. 11, I: 30 november 2010)].
Artikel 27. ( 04/08/2001 - ... )
[§ 1. Bij incidenten of omstandigheden op zee die een bedreiging vormen voor de kust of daarmede samenhangende belangen, dient de gezagvoerder van het schip aan de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld informatie te verstrekken over de bijzonderheden van het incident alsmede de gegevens voorzien in bijlage 5.
De meldingsplicht ten aanzien van de gegevens voorzien in bijlage 5 wordt als nagekomen beschouwd indien de gezagvoerder mededeelt welke bevoegde instantie binnen de Gemeenschap deze vereiste gegevens bevat.
Artikel 28. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Het is verboden zonder bijzondere machtiging vanwege de ambtenaren of bedienden van de overheid enig werk in de Belgisch territoriale zee, in de havens of op de stranden van de Belgische kust uit te voeren of er om het even welke materialen of voorwerpen, daaronder begrepen de op het strand geworpen wrakken, weg te halen. § 2. Het is verboden: 1° onverminderd het bepaalde in de wetgeving op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, in de Belgische territoriale zee, in de havens van de Belgische kust of op de stranden enig voorwerp te werpen, neer te leggen, te laten drijven of weglopen, waardoor de bodem verhoogd, de scheepvaart gehinderd of de vrije afloop an water belemeerd kan worden; enige vaste of vloeibare stof, onder andere, olie of olieafval en chemische of radio-actieve produkten of afvalstoffen, waardoor de wateren kunnen verontreinigd worden, uit te storten. De terzake door de ambtenaren of bedienden van de overheid gegeven bevelen worden zonder verwijl ingevolgd; 2° zich op de kunstwerken of in ee aanhorigheden van de havens, die niet voor het publiek verkeer openstaan, te begeven, tenzij met toestemming van de met de beaking daarvan belaste ambtenaren of bedienden van de overheid; 3° behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, een vaartuig ten behoeve van herstellingen of om enige andere reden op het droge te zetten. Herstellingen mogen enkel uitgevoerd worden op de plaatsen en in de voorwaarden bepaald in voormelde machtiging; 4° behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, vaartuigen andere dan vissersvaartuigen en pleziervaartuigen op kielbanken, balkroosters en hellingen te plaatsen. De vissersvaartuigen en pleziervaartuigen mogen er geplaatst worden in de voorwaarden te bepalen door deze ambtenaren en bedienden, zonder dat de duur van de plaatsing vijftien dagen te bovengaat; 5° afbraak- en afvalresten, wrakken, wrakstukken of dergelijke voorwerpen op het openbaar domein te plaatsen of achter te laten, alsook in volledig verwaarloosde toestand verkerende vaartuigen in de havens van de Belgische kust te laten liggen. Indien de veiligheid van de scheepvaart of de vrijwaring van het regime of de instandhouding van het vaarwater dit vereist kunnen de in dit lid bedoelde voorwerpen, na schriftelijke ingebrekestelling van de belanghebbende, door de overheid en bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve vernield worden. Van het te vernielen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt. § 3. De kapiteins of schippers nemen alle nodige voorzorgen geen dijken, havenkunstwerken of werk in uitvoering te beschadigen. het is onder meer verboden met bootshaken te steken in het paalwerk, het metselwerk, de kantstukken of de stenen glooiingen van de dokken. Voor het meren mag geen gebruik gemaakt worden van kettingen, tenzij deze omkleed zijn met woeling. § 4. Ieder kapitein of schipper, die zijn vaartuig voert in wateren die noch door reglementaire bepalingen noch door de betonning voor de scheepvaart aangewezen zijn, doet zulks op eigen risico en gevaar, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikelen 22 en 28, § 1.
Artikel 29. ( 01/04/1999 - ... )
§ 1. De eigenaar, exploitant, kapitein of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet onmiddellijk na het ongeval:
1° langs de kortste weg van het feit kennis geven aan de dichtbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid, die onmiddellijk, voor zover het geen [de met de politie te water belaste overheid van de federale politie (verv. KB 3 mei 1999, art. 18, I: 1 april 1999)] of van het loodwezen is, deze laatste diensten hiervan op de hoogte stelt;
2° het aan de grond zittend of gezonken vaartuig door middel van de reglementair voorgeschreven lichten en dagmerken aanwijzen.
§ 2. Personen die wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen hebben laten zinken zijn eveneens onderworpen aan het bepaalde van § 1, 1°. Zij moeten tevens het bepaalde van § 1, 2°, naleven, tenzij de ambtenaar of bediende van de overheid bepaald bij artikel 38, § 1, 1°, oordeelt dat het gezonken wrak, wrakstuk, tuig of voorwerp geen gevaar of belemmering voor de scheepvaart kan uitmaken.
§ 3. Ieder persoon is verplicht langs de kortste weg de dichtsbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid in te lichten over de aanwezigheid van wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen voor zover deze niet officieel gekend zijn.
§ 4. De eigenaar, de kapiteint of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet dit, binnen de termijn opgelegd door de ambtenaar of bediende van de overheid, vlot brengen en verwijderen naar een daartoe door deze laatste aangewezen plaats.
Wrakken, wrakstukken, gezonken voorwerpen of tuign moeten eveneens onder dezelfde voorwaarde door de eigenaar gelicht en aan wal gebracht, en buiten het openbaar domein verwijderd worden.
§ 5. Als niet voldaan is aan de voorschriften van de § 1, 2 en 4, of in spoedgevallen, waarover het Bestuur der Waterwegen oordeelt, of als de eigenaar, de kapiteint of de schipper onbekend zijn, kan het Bestuur der Waterwegen ambtshalve en op risico van de eigenaar, de kapiteint of de schipper, de in § 1, 2° en in § 4, bepaalde verrichtingen uitvoeren en alle nodige maatregelen treffen voor de veiligheid of de vrijheid van de scheepvaart, de vrijwaring van het regime van het vaarwater of de instandhouding van het vaarwater. Eventueel wordt het vaartuig of dezes overblijfselen, wrak, wrakstukken, gezonken tuig of voorwerp ambtshalve vernield.
Van het geborgen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt.
§ 6. De eigenaar, de kapitein of schipper is, onverminderd de toepassing van artikel 46 en volgende van Boek II van het Wetboek van Koophandel, aan de Staat de terugbetaling verschuldigd van de voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis) gedane kosten.
De eigenaar, de kapitein of schipper moet alle sommen terugbetalen welke de Staat voorgeschoten heeft voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis).
Het bedrag van die voorschotten wordt in een staat vastgelegd, welke door de overheid voor waar en echt wordt verklaard.
§ 7. De overheid eist vóór alle uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis), dat de eigenaar, kapitein of schipper de tot dekking van de kosten dier uitvoering nodig geachte som in bewaring geeft. Het in bewaring geven van die som kan, zonder kosten voor de overheid, vervangen worden door het stellen van een borg, die zij toereikend oordeelt.
§ 8. Is de in bewaring gegeven som of de borg ontoereikend, dan worden het geredde vaartuig of dezes overblijfselen of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen genomen als pand voor de gezamenlijke door de Staat voorgeschoten kosten. De overheid beveelt de verkoop tot beloop van het bedrag der voorschotten of van het bedrag ervan dat niet gedekt is door de in bewaring gegeven som of de borg. Wat niet verkocht is geworden, blijft te beschikking van belanghebbenden.
§ 9. Indien het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen door de eigenaar, de kapitein of schipper niet worden teruggenomen of indien deze laatsten onbekend zijn, doet de overheid ze verkopen na aan de verkoop de in deze paragraaf voorziene publiciteit te hebben gegeven. De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de betrokken eigenaar, kapiteint of schipper indien deze gekend is, of van degene die van zijn rechten zal doen blijken, alles na aftrek van het bedrag der onder § 8 bedoelde voorschotten. De overheid bemoeit ich niet met het verdelen onder belanghebbenden van de aldus geconsigneerde sommen.
Biedt zich geen enkel koper aan, dan beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfeselen of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
De overheid laat vóór de in deze paragraaf bedoelde verkoop, in twee der meest verspreide nieuwsbladen van de plaats en met vijftien dagen tussentijd, van de verrichte redding twee kennisgevingen verschijnen, met opgave van de kenmerken en kentekens van dit materiaal en het verzoek tot elke persoon, die er aanspraak op maakt, zijn vordering in te dienen binnen dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste kennisgeving. na het verstrijken van die termijn beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
§ 10. Het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen worden onder de bewaking van de toldienst gesteld op de plaats welke deze aanwijst. De verkoop ervan geschiedt onder voorwaarde dat de tolformaliteiten voor de aangifte, het onderzoek en het betlaen van de in voorkomend geval verschuldigde rechten en taksen vervuld worden vóór alle weghaling of inbezitneming door belanghebbenden.
Artikel 30. ( 01/10/1981 - ... )
De bepalingen van artikel 22, §§ 4 tot 10, zijn toepasselijk op de lading van het aan de grond zittende of gezonken vaartuig.
Artikel 31. ( 01/10/1981 - ... )
Ieder kapiteint of schipper, die gelijk welk vast of drijvend bebakeningsinstrument heeft beschadigd dan wel dit uit welke oorzaak ook heeft verplaatst, is gehouden daarvan onmiddellijk per radio kennis te geven aan het naastbijliggend radio-kuststation. De kapiteint of schipper van een vaartuig dat niet met een radiotoestel is uitgerust, moet het voorval dadelijk bij aankomst in de eerste aanleghaven mondeling of schriftelijk bij de Dienst van het Loodswezen te Oostende aangeven.
Artikel 32. ( 01/10/1981 - ... )
Eenieder is verplicht langs de kortste weg de dichtsbijzijnde overheid kennis te geven van het wegdrijven of verdwijnen van lichtboeien en van de defecte werking van lichtboeien en bakens.
Artikel 33. ( 01/10/1981 - ... )
Het vervoer van ontplofbare, ontvalmbare, radio-actieve en andere gevaarlijke stoffen is onderworpen aan bijzondere bepalingen.
Artikel 34. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is of de doorvaart kan hinderen, telkens als in de havens of op de reden van de Belgische kust werken van openbaar nut uitgevoerd of de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart verzekerd dienen te worden, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers, de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien. § 2. De ambtenaren en bedienden van de overheid zijn gemachtigd de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten om de waterafvoer te vergemakkelijken of het vaarwater te vrijwaren. § 3. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens de paragrafen 1 en 2 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd. § 4. De kapiteints, schippers en gebruikers van vaartuigen zijn gehouden tot inachtneming, wat de scheepvaart betreft, van alle door de overheid medegedeelde berichten, inzonderheid de berichten aan zeevarenden of de dringende berichten aan zeevarenden en, wat de veiligheid van de niet aan het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdend zeevaartinspectiereglement onderworpen vaartuigen betreft, van de maatregelen opgelegd door de ambtenaren en bedienden van de overheid.
Artikel 35. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is, of derwijze ligt dat het gevaar oplevert voor de kunstwerken van de havens of van de kust, of wanneer het dreigt te zinken, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers de maatregelen die zij nodige achten op te leggen, zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien. § 2. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens paragraaf 1 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd. § 3. De ambtenaren of bedienden van de overheid hebben het recht de meertouwen van de gemeerde vaartuigen los te maken of te kappen wanneer zij die maatregel noodzakelijk achten.
Artikel 36. ( 01/10/1981 - ... )
De maatregelen opgelegd door de ambtenaren of bedienden van de overheid, overeenkomstig dit reglement, worden uitgevoerd op kosten en risico van de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers.
Artikel 37. ( 04/07/2019 - ... )
[... (opgeh. KB 28 juni 2019, art. 10.6, I: 4 juli 2019)]
Artikel 37bis. ( 01/07/2016 - ... )
[... (opgeh. KB 22 juni 2016, art. 13, I: 1 juli 2016)]
Artikel 38. ( 04/07/2019 - ... )
§ 1. [Wedstrijden of sport- en ontspanningsactiviteiten in groepsverband worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 juni 2016 betreffende de watersporten (verv. KB 22 juni 2016, art. 14, I: 1 juli 2016)].
§ 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van [waterski (verv. KB 21 februari 2011, art. 5, I: 18 maart 2011)][... (opgeh. KB 22 juni 2016, art. 14, I: 1 juli 2016)] in de havens van de Belgische kust verboden.
§ 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.
Artikel 39. ( 23/01/2026 - ... )
[§ 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de Scheepvaartcontrole of door de bevoegde diensten van het Gewest worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden.
§ 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 meter.
§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven) (verv. KB 18 december 2025, art. 1, I: 23 januari 2026)].
Artikel 40. ( 21/03/2022 - ... )
§ 1. Het uitzetten vanaf het strand van netten of lijnen met haken mag slechts geschieden: § 2. [... (opgeh. KB 6 februari 2022, art. 8, I: 21 maart 2022)]
1° buiten de krachtens artikel 32, § 1, aangeduide plaatsen en de zones die door de gemeenteoverheid als badzones worden aangeduid; en
2° in een zone waarvan de zeewaartse grens niet verder reikt dan op een afstand van 150 m te rekenen vanaf de laagwaterlijn waarvan sprake in artikel 32, § 3.
Die netten of lijnen worden op afdoende wijze door middel van een of meerdere goed zichtbare gele merken gesignaleerd.
Artikel 41. ( 01/10/1981 - ... )
Het is verboden op vogels en op waterwild te schieten hetzij vanaf een vaartuig dat zich in de Belgische teeritoriale zee of in de havens van de Belgische kust bevindt hetzij van op kunstwerken of in de aanhorigheden van deze havens of van op de stranden van de Belgische kust.
Artikel 42. ( 01/10/1981 - ... )
Het is verboden in de territoriale zee of in de ahvens van de Belgische kust vaartuigen te gebruiken voor enige vorm van geluidsreclame.
Artikel 43. ( 01/10/1981 - ... )
Het is verboden in de havens van de Belgische kust te zwemmen of te baden.
Artikel 44. ( 01/10/1981 - ... )
Elk vaartuig waarop dit besluit van toepassing is, moet een exemplaar van dit reglement en een bijgewerkte officiële kaart van de Belgische territoriale zee aan boord hebben. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen betemd voor strandvermaak alsook op zeilplanken.
Artikel 45. ( 05/05/2016 - ... )
§ 1. Moeten, onder voorbehoud van het bepaalde in § 2 tot 6, toezien dat dit reglement wordt uitgevoerd:
1° De [bevoegde personeelsleden van de waterwegbeheerders (verv. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)];
[ 2° a) de (verv. KB 3 mei 1999, art. 18, I: 1 april 1999)][bevoegde personeelsleden van de Vlaamse overheid en de (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)][ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole;
b) de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
c) de ambtenaren van het loodswezen (verv. KB 3 mei 1999, art. 18, I: 1 april 1999)];
3° De ambtenaren van het Bestuur van Douanen en Accijnzen;
4° De havenkapiteins, de adjunct-havenkapiteins, de havenluitenanten, de sasmeesters en kaaimeesters binnen de grenzen van hun ambtsgebied, met dien verstande dat de havenkapitein van Oostende en deze ondergeschikten eveneens mogen toezien op de uitvoering van dit reglement:
a) in de toegangsgeul tot het nieuwe vissersdok van de meest westelijke punt van de noordelijke kaaimuur tot de westelijke punt van de zuidelijke kaaimuur;
b) in de toegangsgeul tot de nieuwe handelsdokken;
c) in het tijdok en het Montgomerydok.
5° De door de stad Brugge aangestelde havenmeester binnen de grenzen van de vissershaven van Zeebrugge, die voor de uitvoering van dit reglement, aanzien wordt als omvattende het dok der vissersvaartuigen tot aan de buitengrens zijner toegangsgeul;
6° De leden van de rijkswacht;
7° De ambtenaren en bedienden van de gemeentepolitie in de gemeenten op wier grondgebied zich een haven bevindt of die langs de kust gelegen zijn.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in de volgende paragrafen moeten alleen de hierna aangewezen ambtenaren [en personeelsleden (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] toezien op de toepassing van de achter hun aawijzing vermelde bepalingen:
[1° de bevoegde personeelsleden van de waterwegbeheerders : artikel 28, § 1 en § 2, 3° en 4°, artikel 29, § 4 tot en met § 10, artikel 30 en artikel 34, § 2 (verv. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] ;
2° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [en de personeelsleden van de Vlaamse overheid (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] bedoeld in § 1, 2°: artikel 9, artikel 10 met uitzondering van paragraaf 3, artikel 13, artikel 15, artikel 16, artikel 19, § 1, 7°, artikel 20 § 4, [artikel 32, artikel 34, § 1, en artikel 35, § 1 en § 3 (verv. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)];
3° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [en de personeelsleden van de Vlaamse overheid (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] bedoeld in § 1, 2°, a (zeevaartpolitie): [artikel 34, § 3, laatste volzin, artikel 35, § 2, laatste volzin, en artikel 42 (verv. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)];
4° de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [en de personeelsleden van de Vlaamse overheid (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] bedoeld in § 1, 2°, b (loodswezen): artikel 5, § 1, artikel 11, [artikel 37 voor zover het vertrek plaatsvindt vanuit de havens van de Belgische kust, en artikel 38 (verv. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)].
§ 3. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 4 moeten de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen: de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen alsook de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [en de personeelsleden van de Vlaamse overheid (ing. BVR 18 maart 2016, art. 8, I: 5 mei 2016)] onderscheidenlijk aangewezen in paragraaf 1, 1° en 2°: artikel 10 § 4, artikel 14, artikel 17 en artikel 18.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, 4°, zien de aldaar vermelde ambtenaren niet toe op de uitvoering van het bepaalde in artikel 5 § 1, in artikel 15, in artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, in artikel 22, §§ 4 tot 10, in artikel 23, in artikel 27, § 2, in artikel 30 en in artikel 32.
Wat de haven van Zeebrugge betreft, gedlt de hiervoren vermelde afwijking niet voor de toepassing van artikel 5 ?1 1, van artikel 15 en van artikel 27, § 2.
Wat de haven van OOstende betreft, zien de bedoelde ambtenaren toe op de uitvoering van dit reglement in de strook van het Montgomerydok gelegen tussen de zuidelijke steiger aan de westkant van het dok en de Mercatorsluis, doch uitsluitend om het verkeer naar of vanuit die sluis te regelen.
§ 5. De in § 1, 5°, bedoelde havenmeester ziet toe dat dit reglement, met uitzondering van de artikelen en paragrafen welke in § 4, eerste lid, vermeld zijn, wordt uitgevoerd.
§ 6. In de havenzone omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 1980 zijn alleen de ambtenaren van de Regie voor Maritiem Transport of hun afgevaardigden bevoegd om de lig-, meer- of ankerplaatsen toe te wijzen of deze te veranderen.
Niettemin zijn in de gevallen waar de algemene veiligheid dit vereist de ambtenaren bedoeld in paragraaf 2, 4°, bij voorrang bevoegd om deze plaatsen toe te wijzen of te veranderen.
§ 7. De gemeentebesturen en alle met openbaar gezag beklede personen moeten, indien zij daartoe verzocht worden, aan de in voorgaande paragrafen vernoemde personen hun hulp verlenen voor de toepassing van dit reglement.
Artikel 46. ( 01/10/1981 - ... )
§ 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1966 betreffende de vlaggebrieven en de uitrusting van pleziervaartuigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 mei 1968, worden 3° en 4° door de volgende bepaling vervangen: "3° in de Belgische zeewateren zoals zij bepaald zijn door artikel 1, 5°, van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen. De grenzen van de havens van de kust zijn die welke bepaald zijn in artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1981". § 2. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 1973, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2 worden de woorden "met uitondering van de zeilplanken" ingevoerd tussen de woorden "pleziervaartuigen" en "moeten"; 2° paragraaf 3 wordt in de volgende redactie hersteld: "Personen die het plankzeilen beoefenen moeten een reddingsvest in goede staat en van een opvallende kleur dragen".
Artikel 47. ( 01/10/1981 - ... )
Opgeheven worden: 1° het koninklijk besluit van 31 mei 1968 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juni 1977; 2° artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juni 1977 ter uitvoering van de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen.
Artikel 48. ( 01/10/1981 - ... )
Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1981.
Artikel 48bis. ( 11/10/2005 - ... )
[Voor binnenschepen die in de Belgische territoriale zee varen treden de artikelen 7quater en 7septies in werking op 1 juli 2007 (ing. KB 17 september 2005, art. 23, I: 11 oktober 2005)].
Artikel 49. ( 01/10/1981 - ... )
Onze MInister van Verkeerswezen en Onze Minister van Openbare Werken en Institutionele Hervormingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE 1 ( 01/10/1981 - ... )
1 Zeeschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
a) meer dan 100 kg (bruto-gezamenlijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1.1. en 1.5.;
b) meer dan 1000 kg (bruto-gezamenlijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1., 1.3. en 1.4. van stoffen van klasse 5.2.;
c) meer dan 1000 kg (bruto-gezamenlijk) blauwzuur, boortrichloride, boortrifluoride, broomwaterstof, chloor, chloorcyamide, chloortrifluoride, diboraan, dicyaan, dimethylamine, ethylamine, ethyleenoxide, fosgeen, fluor, fluorwaterstof, methylacetyleen/propadieen mengsels, monomethylamine, nitrosylchloride, oliegas, silicium titrafluoride, stikstofmonoxide, stikstofmonoxide-stikstof-trioxide mengsels, stikstoftrioxide, trimethylamirue, watergas, zoutzuurgas, zwaveldioxide, zwavelwaterstof, moeten zowel tijdens de vaart als bij stilliggen de navolgende dagtekens en lichten voeren.
(i) des daags: de seinvlag B van het Internationale Seinboek met afmetingen van ten minste 130 × 170 cm;
(ii) des nachts: twee rondschijnende helder rode lichten op gelijke hoogte, op een onderlinge afstand van 1 m;
2 De dagtekens en lichten moeten worden gevoerd op een plaats waar zij het beste gezien kunnen worden en op een hoogte van ten minste 6 m boven het dek
3 Indien het zicht minder dan 2000 m bedraagt moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.
4 Het bepaalde is eveneens van toepassing op zeeschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in bulk hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.
BIJLAGE 2. ( 30/06/2011 - ... )
[... (opgeh. KB 4 juli 2011, art. 2, I: 30 juni 2011)]
BIJLAGE 3. ( ... - ... )
[... (opgeh. KB 4 juli 2011, art. 2, I: 30 juni 2011)]
BIJLAGE 4. ( 30/06/2011 - ... )
[... (opgeh. KB 4 juli 2011, art. 2, I: 30 juni 2011)]
BIJLAGE 5. ( 11/10/2005 - ... )
[Gegevens betreffende de (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)][vaartuigen (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)][ die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)]:
[1. Naam en roepnaam van het vaartuig en eventueel IMO-identificatienummer of MMSI-nummer (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)].
[2. Nationaliteit van het (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)].[vaartuig (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)]
[3. Lengte en diepgang van het (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)][vaartuig (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)]
[4. Haven van bestemming (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)]
[5. Voor een vaartuig dat een haven van de Belgische kust verlaat : verwachte tijd van afvaart uit de haven van vertrek of het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie, en verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming
6. Voor een vaartuig dat vanuit een buiten de Europese Gemeenschap gelegen haven komt en naar een haven van de Belgische kust vaart : verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)].
[7. Geplande vaarroute
8. De correcte technische benamingen van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing, de IMO-gevarenklasse overeenkomstig de IMDG-, IBC-en IGC-codes en, in voorkomend geval, (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)][de klasse van het vaartuig volgens de INF-code, de hoeveelheden van die stoffen en hun plaats aan boord en, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde transporteenheden, behalve tanks (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)][, de identificatiemerktekens daarvan
9. Bevestiging dat zich aan boord een lijst of een manifest of een passend ladingsplan bevindt met een precieze opgave van de vervoerde gevaarlijke en verontreinigende goederen en hun plaats in het (verv. KB 9 december 1998, art. 3, I: 31 december 1998)][vaartuig (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)]
[10. Totaal aantal opvarenden (verv. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)].
[11. Adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen (ing. KB 17 september 2005, art. 24, I: 11 oktober 2005)].
BIJLAGE 6. ( 31/12/1998 - ... )
[ Bijlage 6 (verv. KB 9 december 1998, art. 4, I: 31 december 1998) ]
BIJLAGE 7 ( 28/07/1987 - ... )
[IALA Betonningssysteem (zone "A") 1. Algemeen. 1.1. Toepassingsveld. Het systeem is van toepassing op alle vaste en drijvende markeringen (uitgezonderd vuurtoren, sectorlichten, geleidelichten, lichtschepen en grote navigatieboeien) ter aanduiding van: 1.1.1. De laterale begrenzin van vaarwaters. 1.1.2. Natuurlijke gevaren en andere obstructies, zoals wrakken. 1.1.3. Andere gebieden of zaken van belang voor de scheepvaart. 1.1.4. Nieuwe gevaren. 1.2. Markeringskenmerken. Het betonningssysteem voorziet in vijf soorten markeringen die in iedere samenstelling toegepast kunnen worden: 1.2.1. Laterale markeringen, die worden gebruikt in samenhang met een vastgestelde betooningsrichting. Zij owrden in het algemeen aangewend in duidelijk begrensde vaarwaters. De markeringen geven de bakboord- en stuurboordzijde aan van de route die gevolgd moet worden. 1.2.2. Kardinale markeringen, die worden gebruikt in samenhang met het scheepskompas en aangevan waar zich bevaarbaar water bevindt. 1.2.3. Losliggend gevaar markeringen, die afzonderlijke gevaren van geringe omvang aangeven, waaromheen zich bevaarbaar water bevindt. 1.2.4. Veilig vaarwater markeringen, die aangeven dat rondom een positie veilig genavigeerd kan worden o.a. midvaarwaterboeien. 1.2.5. Bijzondere markeringen, die niet in de eerste plaats bestemd zijn voor navigatie, en een gebied of zaak aanduiden die in de nautische publikaties wordt genoemd. 1.3. Markeringsmethoden. De betekenis van de markering is afhankelijk van één of meer van de volgende kenmerken: 1.3.1. 's nachts: kleur en karakter van het licht. 1.3.2. overdag: kleur, vorm en topteken. 2. Laterale markeringen. 2.1. Definitie van vastgetelde betooningsrichting. De betonningsrichting wordt aan de hand van één van de twee volgende richtlijnen vastgesteld: 2.1.1. De gebruikelijke aanlooprichting vanuit zee naar een haven, rivier, riviermonding of ander vaarwater. 2.1.2. In andere gebieden wordt een betonningsrichting in detail vastgelegd door de verantwoordlijke autoriteit in overleg met de nabuurlanden. In princiep dient de betonningsrichting om de continenten te lopen in de richting van de wijzers van het uurwerk. In ieder geval dient de overeengekomen betooninsrichting bekand gesteld te worden in daartoe bestemde nautische publikaties. 2.2. Beschrijving van de laterale betonning. 2.2.1. Bakboordzijde. - Kleur: rood. - Vorm van de boei: stomp of spar. - Topteken (indien aanwezig): enkele rode cilinder. - Licht (indien aanwezig): ° kleur: rood; ° karakter: naar keuze. 2.2.2. Stuurboordzijde. - Kleur: groen (a). - Vorm van de boei: spits of spar. - Topteken (indien aanwezig): enkele groene kegel (a) met de punt naar boven. - Licht (indien aanwezig): ° kleur: groen; ° karakter: naar keuze. 2.2.3. Indien bakboords- of stuurboordsmerken niet voldoen aan de stompe of spitse identificatievorm, dienen deze, waar dit uitvoerbaar is, voorzien te zijn van het desbetreffende topteken. 2.2.4. Cijfers of lettertekens. Indien de merken, gelegen aan de zijkanten van een vaarwater of route, worden genummerd of van een letter voorzien, dient dit in de vastgestelde betooningsrichting te gebeuren. 3. Kardinale merkaringen. 3.1. Definities van kardinale kwadranten en merken. 3.1.1. De vier kwadranten (Noord, Oost, Zuid en West) worden begrensd door de ware peilingslijnen NW-NE, NE-SE, SE-SW en SW-NW, die vanuit het gevaar getrokken kunnen worden. 3.1.2. Het kardinale merk wordt genoemd naar het kwadrant waarin dit is geplaatst. 3.1.3. De benaming van het kardinale merk duidt de zijde aan waarlangs het gepasseerd moet worden. 3.2. Gebruik van kardinale merken; Een kardinaal merk kan gebruikt worden: 3.2.1. Om aan te geven dat het diepste water in dat gebied zich bevindt aan de genoemde zijde van het merk. 3.2.2. Om de veilige zijd waarlangs een gevaar gepasseerd moet worden, aan te geven. 3.2.3. Om de aandacht te vestigen op een bijzonderheid in het vaarwater zoals een bocht, een samenvloeiing, een splitsing of de begrenzing van een ondiepte. 3.3. Beschrijving van de kardinale betonning. 3.3.1. Noord kardinaal merk. - Topteken (b): twee boven elkaar geplaatste zwarte kegels waarvan de punten naar boven wijzen. - Kleur: bovenste helft zwart, onderste helft geel. - Vorm: torenboei of spar. - Licht (indien aanwezig): ° kleur: wit; ° karakter: snel flikkerlicht (c) of flikkerlicht (d). 3.3.2. Oost kardinaal merk. - Topteken (b): tww boven elkaar geplaatste zwarte kegels met bases naar elkaar toe gericht. - Kleur: zwart met één brede gele horizontale band. - Vorm: torenboei of spar. - LIcht (indien aanwezig): ° kleur: wit; ° karakter: snel flikkerlicht (c) (3) elke 5 seconden of flikkerlicht (d) (3) elke 10 seconden. 3.3.3. Zuid kardinaal merk. - Topteken (b): twee boven elkaar geplaatste zwarte kegels waarvan de punten naar beneden wijzen. - Kleur: geel boven zwart. - Vorm: torenboei of spar. - Licht (indien aanwezig): ° kleur: wit ° karakter: snel flikkerlicht (c) (6) + lange schitter (e) elke 10 seconden of flikkerlicht (d) (6) + lange schitter (e) elke 15 seconden. 3.3.4. West kardinaal merk - Topteken (b): twwe boden elkaar geplaatste zwarte kegels met de puntern naar elkaar toe gericht - Kleur: geel met één brede zwarte horizontale band - Vorm: torenboei of spar - LIcht (indien aanwezig): ° kleur: wit; ° karakter: snel flikkerlicht (c) (9) elke 10 seconden of flikkerlicht (d) (9) elke 15 seconden. 4. Losliggende gevaarmarkeringen 4.1. Definitie van de markeringen van een losliggend gevaar. Een markering van een losliggend gevaar is een merk, dat geplaatst op of bevestigd aan een gevaar waaromheen zich bevaarbaar water bevindt. 4.2. Beschrijving van de markeringen van een losliggend gevaar - Topteken (f): twee boven elkaar geplaatste zwarte bollen - Kleur: zwart met één of meer brede rode horizontale banden - Vorm: torenboei of spar - Licht (indien aanwezig): ° kleur: wit; ° karakter: groep van twee schitteringen. 5. Veilig vaarwater markeringen 5.1. Definitie van de markeringen van veilig vaarwater De markering van veilig vaarwater duidt aan dat zich rond het merk bevaarbaar water bevindt. Hieronder begrepen zijn de merken die een aslijn of het midden van het vaarwater aanduiden. Het merk kan eveneens dienen als alternatief voor een kardinaal dan wel een lateraal merk, waarmede een verkennings- of aanlooppositie wordt aangeduid. 5.2. Beschrijving van de veilig vaarwater betonning - Kleur: rode een witte vertikale strepen - Vorm: bolton, torenboei met bolvormig topteken of spar - Topteken (indien aanwezig): één rode bol - Licht (indien aanwezig): ° kleur: wit ° karakter: isofaas, of onderbroken of lang schitterlicht elke 10 seconden, of overeenkomend met morseteken "A". 6. Bijzondere markeringen 6.1. Definitie van bijzondere markeringen Markeringen wlke niet in de eerste plaats bestemd zijn voor de navigatie, maar die een bepaald gebied of bepaalde zaak aanduiden, waarnaar wordt verwezen in de gebruikelijke nautische publikaties, o.a.: 6.1.1. Betonning ter markering van meetapparatuur (ODAS) 6.1.2. Betonning ter markering van verkeersscheidingsstelsels, indien het gebruik van gewone routemarkeringen verwarring kan stichten 6.1.3. Betonning ter markering van stortplaatsen 6.1.4. Betonning ter markering van militaire oefengebieden 6.1.5. Betonning ter markering van kabels en pijpleidingen 6.1.6. Betonning ter markering van recreatiegebieden 6.1.7. Betonning ter markering van visserijgebieden 6.1.8. Betonning ter markering van ankergebieden 6.1.9. Betonning ter markering van waterbouwkundige werken 6.2. Beschrijving van de bijzondere betonning - Kleur: geel - Vorm: naar keuze, maar niet leidend tot verwarring met markeringen welke inlichtingen geven betreffende de scheepvaart - Topteken (indien aanwezig): enkel geel, X-vormig - Licht (indien aanwezig): ° kleur: geel ° karakter: naar keuze, uitgezonderd die omschreven in 3, 4 en 5 6.3. Andere bijzondere markeringen Bijzondere markeringen andere dan genoemd in 6.1. en omschreven in 6.2. mogen worden uitgelegd door de verantwoordelijke overheid om in buitengewone omstandigheden te voorzien. Deze markeringen mogen niet leiden tot verwarring met markeringen welke inlichtingen geven betreffende de scheepvaart en dienen bekend gesteld te worden in de gebruikelijke nautische publikaties en zo spoedig mogelijk onder aandacht van I.A.L.A. te worden gebracht. 7. Nieuwe gevaren 7.1. Definitie van nieuwe gevaren De term "nieuwe gevaren" wordt gebruikt als omschrijving van nieuw ontdekte gevaren die nog niet in de nautische publikaties zijn opgenomen. De term omvat, naast natuurlijke gevaren, zoals zandbanken en rotsen ook door de mens veroorzaakte gevaren, zoals wrakken 7.2. Het markeren van nieuwe gevaren 7.2.1. Nieuwe gevaren dienen overeenkomstig deze regels gemarkeerd te worden. Indien de varantwoordelijke autoriteit meent dat het nieuwe gevaar bijzonder ernstig is, dan dient ten minste één van de merken ten spoedigste in dubbele uitvoering toegepast te worden 7.2.2. Elke voor dit doel gebruikte lichtboei dient met een geschikt kardinaal of lateraal snelflikkerlicht of flikkerlicht te zijn uitgerust 7.2.3. Van elk dubbel uitgevoerd merk dienen beide eenheden identiek aan elkaar te zijn 7.2.4. Het twee merk kan met een racon worden uitgerust, gevende codeletter "D", als morse-signaal op het radarscherm, met een lengte van 1 zeemijl 7.2.5. Het tweede merk mag worden verwijderd als de betrokken overheid overtuigd is dat de informatie betreffende het nieuw gevaar voldoende gekendgemaakt is (a) indien om uitzonderlijke redenen, de verantwoordelijke overheid van mening is dat de groene kleur niet voldoet, mag de zwarte kleur toegepast worden (b) Het uit twee kegels bestaande topteken is overdag het meest belangrijke kenmerk van de kardinale markering en dient waar dit uitoverbaar is, aangebracht te worden en zo groot mogelijk te zijn met een duidelijke ruimte tussen de kegels (c) Snetl flikkerlicht, d.i. een licht dat lichtflikkeringen toont met een frakwentie van 120 tot 100 flikkeringen per minuut (d) Flikkerlicht, d.I; een licht dat lichtflikkeringen toont met een frekwentie van 60 tot 50 flikkeringen per minuut (e) Lange schitter, d.i. een micht met een flitsduur van niet minder dan 2 seconden (f) Het uit twee bollen bestaande topteken is overdag het meest belangrijke kenmerk van de losliggende gevaarmarkeringen en dient, waar dit uitoverbaar is, aangebracht te worden en zo groot mogelijk te zijn met een duidelijke ruimte tussen de bollen (verv. KB 4 juni 1987, art. 1, I: 28 juli 1987)].
BIJLAGE 8 ( 11/10/2005 - ... )
[Gegevens die de reder, beheerder, agent of kapitein van een vaartuig op weg naar een haven van de Belgische kust meedeelt :
1. Identificatie van het vaartuig (naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer);
2. Haven van bestemming;
3. Verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation zoals verlangd door de bevoegde instantie en verwachte tijd van afvaart uit die haven;
4. Totaal aantal opvarenden (ing. KB 17 september 2005, art. 25, I: 11 oktober 2005)].
BIJLAGE 9. ( 11/10/2005 - ... )
[De verlader moet de volgende informatie over de lading verstrekken :
a) de correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing; de IMO-risicoklassen overeenkomstig de I.M.D.G.-Code, de I.M.O. Bulk Chemical Code en de I.M.O. Gas Carrier Code en, in voorkomend geval, de klasse van het vaartuig die voor INF-ladingen als bedoeld in voorschrift VII/14.2 vereist is, de hoeveelheden van dergelijke stoffen en, wanneer zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde laadeenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan;
b) het adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen (ing. KB 17 september 2015, art. 26, I: 11 oktober 2005)].
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 08/11/2026