Ministerieel besluit tot vastlegging voor de diensten voor gezinszorg van de voorwaarden voor de toekenning van een subsidiabel urencontingent gezinszorg, vermeld in artikel 49, en van de ontvankelijkheidscriteria voor de aanvraag van extra uren gezinszorg, vermeld in artikel 50 van bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers

Datum 04/02/2021

Inhoud

( ... - ... )

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, artikel 51, § 1, eerste en tweede lid, en artikel 55, § 1, eerste lid, en artikel 56, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019;
- bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers, artikel 49, derde lid, en artikel 50, tweede lid.

Vormvereiste
De volgende vormvereiste is vervuld:
- Er is op 22 december 2020 bij de Raad van State een aanvraag ingediend voor een advies binnen dertig dagen, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Het advies is niet meegedeeld binnen die termijn. Daarom wordt artikel 84, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toegepast.

DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID, GEZIN EN ARMOEDEBESTRIJDING BESLUIT:

Artikel 1. ( 04/02/2021 - ... )

In dit besluit wordt verstaan onder bijlage 2: bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers.

Artikel 2. ( 01/01/2024 - ... )

Binnen de beschikbare begrotingskredieten behoudt een erkende dienst voor gezinszorg minstens zijn maximale subsidiabele uren, zoals toegewezen ter uitvoering van artikel 49, derde lid, van bijlage 2, van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de extra uren gezinszorg worden toegekend.

In afwijking van het eerste lid krijgt een erkende dienst waarvan de realisatie van het urencontingent gezinszorg, zoals berekend in Vesta, lager is dan 80 % in het derde en tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor het maximale aantal subsidiabele uren wordt bepaald, een urencontingent toegewezen dat gelijk is aan de hoogste realisatie van zijn urencontingent in een van die twee kalenderjaren, verhoogd met 3 %. Een erkende dienst behoudt minstens een urencontingent van 15.390 uur.

Het verschil tussen het urencontingent gezinszorg dat toegewezen is voor het kalenderjaar en het urencontingent gezinszorg van het voorgaande kalenderjaar wordt toegevoegd aan de extra te verdelen uren gezinszorg.

Als een dienst in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor het maximale aantal subsidiabele uren wordt bepaald, een verlaagd urencontingent gezinszorg heeft gekregen ter uitvoering van het tweede lid, is het tweede lid niet van toepassing.

Vanaf het werkingsjaar 2022 wordt het percentage van 80 %, vermeld in het tweede lid, vervangen door 85 % en wordt de realisatie van het urencontingent en de afname van de uren gezinszorg berekend op het niveau van een regionale stad.

Een urencontingent op het niveau van een regionale stad bedraagt minimaal 1539 uur. Bij een afname van uren gezinszorg in een regionale stad behoudt de dienst minimaal 1539 uur in die regionale stad.

De realisatie van het urencontingent, vermeld in het vijfde lid, wordt berekend door de procentuele verhouding te nemen van de prestaties gezinszorg van de dienst op het niveau van een regionale stad ten opzichte van het urencontingent dat aan de dienst toegewezen is voor die regionale stad, van hetzelfde jaar als het jaar waarin de uren gezinszorg in de regionale stad in kwestie gepresteerd zijn.

De prestaties gezinszorg op het niveau van een regionale stad bestaan uit de som van de gesubsidieerde gepresteerde uren gezinszorg, zoals berekend in Vesta, de gesubsidieerde uren dagopvang en de gelijkgestelde gesubsidieerde uren op het niveau van die regionale stad.

De gesubsidieerde uren dagopvang, vermeld in het achtste lid, worden berekend door de gesubsidieerde uren dagopvang, zoals geregistreerd in Vesta, te verdelen over de regionale steden in verhouding tot de gefactureerde uren dagopvang, vermeld in artikel 84, tweede lid, van bijlage 2.

De gelijkgestelde gesubsidieerde uren, vermeld in het achtste lid, worden verdeeld over de regionale steden waarin de dienst actief is, in verhouding tot de gesubsidieerde gepresteerde uren. De gesubsidieerde gepresteerde uren gezinszorg bevatten de gesubsidieerde uren dagopvang, vermeld in het achtste lid.

Het verschil tussen het urencontingent gezinszorg op het niveau van een regionale stad, dat toegewezen is voor het kalenderjaar, en het urencontingent gezinszorg op het niveau van dezelfde regionale stad, dat toegewezen is voor het voorgaande kalenderjaar, wordt toegevoegd aan de extra te verdelen uren gezinszorg in diezelfde regionale stad.

Het tweede lid is niet van toepassing op de urencontingenten gezinszorg die aan de diensten zijn toegewezen voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel 2/1. ( 01/01/2024 - ... )

Voor de werkingsjaren 2024, 2025 en 2026 kan een dienst een gemotiveerde aanvraag tot afwijking van artikel 2, tweede lid, indienen.

De gemotiveerde aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een beknopte omschrijving van de reden van de toegewezen uren gezinszorg die niet zijn gerealiseerd in het derde en tweede kalenderjaar die voorafgaan aan het werkingsjaar in kwestie; 
2° een voorstel van uren gezinszorg op het niveau van een regionale stad die de dienst in de toekomst wil realiseren. Het voorstel kan nooit hoger zijn dan het aantal uren dat aan de dienst voor die regionale stad is toegewezen in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het werkingsjaar waarop het voorstel betrekking heeft;
3° een inspanningsverbintenis om het voorgestelde urencontingent gezinszorg te realiseren en een puntsgewijze opsomming van de mogelijkheden die de dienst daarvoor ziet.

De dienst bezorgt de gemotiveerde aanvraag, vermeld in het eerste lid, via het mailadres thuiszorg@vlaanderen.be aan de administratie vóór 1 februari 2024. 

Vanaf 2025 bezorgt de dienst de gemotiveerde aanvraag, vermeld in het eerste lid, via het mailadres thuiszorg@vlaanderen.be aan de administratie vóór 1 november van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de gemotiveerde aanvraag betrekking heeft.

Als de minister de gemotiveerde aanvraag, vermeld in het eerste lid, heeft goedgekeurd, behoudt de dienst het urencontingent gezinszorg dat aan hem toegewezen is op het niveau van een regionale stad, in het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop die gemotiveerde aanvraag betrekking had.
 

Artikel 3. ( 01/01/2024 - ... )

§ 1. Een aanvraag van extra uren gezinszorg als vermeld in artikel 50 van bijlage 2, is alleen ontvankelijk als de dienst voldoet aan de criteria, vermeld in paragraaf 2 en 3.

§ 2. De dienst moet voldoen aan minstens twee van de vier volgende criteria:
1° minstens 35 % van zijn gebruikers aan wie gezinszorg is verleend, heeft een BEL-score van 35 punten of hoger. Per dossier wordt de gewogen gemiddelde BEL-score genomen, zoals berekend in Vesta;
2° minstens 14 % van zijn gebruikers heeft een gebruikersbijdrage gezinszorg van maximaal 4,50 euro. Per dossier wordt de gewogen gemiddelde gebruikersbijdrage genomen, zoals berekend in Vesta;
3° minstens 2,7 % van de gesubsidieerde gepresteerde uren gezinszorg bij gebruikers zijn onregelmatige prestaties als vermeld in artikel 53 van bijlage 2;
4° bij minstens 17 % van de gebruikers aan wie gezinszorg is verleend, geldt een van de volgende redenen voor de opstart van hulp, zoals geregistreerd in Vesta:
a) personen met een beperking;
b) psychisch probleem;
c) sociaal probleem;
d) dementie;
e) palliatieve zorg;
f) kraamzorg.

De percentages, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4°, worden in 2021 en daarna driejaarlijks geëvalueerd.

De gebruikersbijdrage gezinszorg, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basisindex is de index die van toepassing is op 1 januari 2019. De koppeling aan het prijsindexcijfer gebeurt op 1 januari van het jaar dat op de indexsprong volgt.

§3. De dienst heeft op het niveau van een regionale stad minstens 85% van zijn urencontingent van het derde of tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, voor die regionale stad betrekking heeft, gerealiseerd.

In het werkingsjaar 2026 wordt het percentage, vermeld in het eerste lid, vervangen door 90%.

Vanaf het werkingsjaar 2027 wordt het percentage, vermeld in het eerste lid, vervangen door 95%.

De realisatie van het urencontingent, vermeld in het eerste lid, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2, zevende tot en met tiende lid.

Artikel 4. ( 04/02/2021 - ... )

De extra uren gezinszorg worden verdeeld over de regionale steden in verhouding tot de invulling van de programmacijfers voor gezinszorg in die regionale steden.

Voor elke regionale stad wordt het programmacijfer voor gezinszorg verminderd met de uren gezinszorg die in dat jaar effectief gepresteerd zijn in die regionale stad, zoals geregistreerd in Vesta.

De programmacijfers gezinszorg, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn de programmacijfers van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de aanvraag van de extra uren gezinszorg betrekking heeft.

De effectief gepresteerde uren gezinszorg, vermeld in het tweede lid, bevatten de uren dagopvang.

Artikel 5. ( 04/02/2021 - ... )

Per regionale stad worden de extra uren gezinszorg verdeeld over de diensten die een ontvankelijke aanvraag hebben ingediend voor extra uren gezinszorg in die regionale stad, volgens de volgende principes:
1° 50 % van de extra uren wordt gelijk verdeeld over de diensten in kwestie;
2° 50 % van de extra uren wordt in verhouding tot de effectief gepresteerde uren van de diensten in kwestie in die regionale stad verdeeld. De effectief gepresteerde uren gezinszorg bevatten de uren dagopvang.

Voor de effectief gepresteerde uren gezinszorg, vermeld in het eerste lid, worden de gegevens gebruikt van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag van extra uren gezinszorg is ingediend, en die doorgestuurd zijn naar Vesta.

Aan een dienst worden niet meer extra uren gezinszorg toegekend dan hij aangevraagd heeft.

Een dienst waaraan in het vorige kalenderjaar geen uren gezinszorg toegewezen waren voor een bepaalde regionale stad, kan voor het volgende kalenderjaar alleen uren toegewezen krijgen voor die regionale stad als de toepassing van de principes, vermeld in het eerste lid, ertoe leidt dat er minimaal 1539 uren voor de regionale stad in kwestie toegewezen kunnen worden aan die dienst.

Extra uren voor een bepaalde regionale stad die niet aan de diensten in kwestie kunnen worden toegewezen omdat er meer uren beschikbaar zijn dan aangevraagd, worden gelijkmatig overgedragen aan de vijf regionale steden met de laagste invulling van de programmatie waar er nog aanvragen zijn die niet volledig gehonoreerd zijn.

Artikel 6. ( 01/01/2024 - ... )

Een dienst die het percentage van 85 %, vermeld in artikel 2, vijfde lid, of in artikel 3, § 3, eerste lid, van dit besluit, niet haalt door de uren acute zorg, vermeld in artikel 6, § 3, derde lid, van bijlage 2, of door onregelmatige prestaties die korter zijn dan twee of acht uur, of door de verdeling van de uren dagopvang over de regionale steden, vermeld in artikel 2, negende lid, kan een herberekening van de realisatie van het urencontingent per regionale stad, vermeld in artikel 2, zevende lid, van dit besluit, vragen aan de administratie. De dienst bezorgt daarvoor de nodige bewijsstukken aan de administratie.

de administratie bezorgt de dienst een gemotiveerde beslissing over de herberekening, vermeld in het eerste lid.

Artikel 7. ( 04/02/2021 - ... )

Het ministerieel besluit van 4 februari 2019 houdende de vastlegging voor de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg van de voorwaarden voor de toekenning van een subsidiabel urencontingent gezinszorg, vermeld in artikel 8 en 9/1, en van de ontvankelijkheidscriteria voor de aanvraag van extra uren gezinszorg, vermeld in artikel 9, van bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 juni 2019, wordt opgeheven.

Artikel 8. ( 04/02/2021 - ... )

Dit besluit treedt in werking op datum van ondertekening.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 04/04/2025