( ... - ... )
Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, artikel 51, § 1, eerste en tweede lid, artikel 55, § 1, eerste lid, en artikel 56, eerste lid.
Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 30 juni 2021.
- De Raad van State heeft advies 69.975/1/V gegeven op 2 september 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding.
Na beraadslaging,
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
Artikel 1. ( 01/06/2023 - ... )
In dit besluit wordt verstaan onder:
1° administratie: het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;
2° besluit van 28 juni 2019: het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers;
3° dienst: een dienst voor gezinszorg;
4° evaluatiecriteriabesluit: het ministerieel besluit van 4 februari 2021 tot vastlegging voor de diensten voor gezinszorg van de evaluatiecriteria voor de programmatie, vermeld in artikel 4 van bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers;
5° verdelingsbesluit: het ministerieel besluit van 4 februari 2021 tot vastlegging voor de diensten voor gezinszorg van de voorwaarden voor de toekenning van een subsidiabel urencontingent gezinszorg, vermeld in artikel 49, en van de ontvankelijkheidscriteria voor de aanvraag van extra uren gezinszorg, vermeld in artikel 50 van bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers;
6° Vesta: het systeem van elektronische gegevensuitwisseling dat elke dienst gebruikt om de gegevens over zijn personeel en zijn gebruikers, die nodig zijn om de subsidies te berekenen en om operationele en beleidsinformatie te genereren, aan de administratie te bezorgen.
Artikel 2. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 49, derde tot en met vijfde lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 worden bij de berekening van de procentuele ruimte in de programmatie voor het werkingsjaar 2022 en 2023 de gegevens gebruikt die in 2019 naar Vesta zijn doorgestuurd om de effectief gepresteerde uren gezinszorg te bepalen. Die gegevens worden voor het werkingsjaar 2022 verhoogd met de extra uren die zijn toegekend in het werkingsjaar 2020, en voor het werkingsjaar 2023 met de extra uren die zijn toegekend in het werkingsjaar 2020 en 2021.
Artikel 3. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 3, § 1, tweede lid, en § 2, van het evaluatiecriteriabesluit worden de effectief gepresteerde uren gezinszorg van 2019 gebruikt om te beoordelen of de ontvankelijke aanvragen tot erkenning als dienst voor de werkingsjaren 2023 en 2024 passen in de programmatie.
Artikel 4. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 5, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, van het evaluatiecriteriabesluit worden de gegevens van 2019 gebruikt om het werkgebied van de diensten waarvoor een aanvraag als vermeld in artikel 3 van dit besluit, is ingediend en die passen in de programmatie, te toetsen aan de regio's die prioritair zijn door een lage invulling van de programmacijfers.
Artikel 5. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 50, tweede lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 worden de middelen van VIA6 voor extra uren gezinszorg in het kader van de werkbaarheid van onregelmatige prestaties verdeeld op basis van de onregelmatige prestaties van de diensten, vermeld in artikel 53 van de voormelde bijlage. Die uren komen boven op de extra uren voor het werkingsjaar 2021.
Aan de openbare diensten worden 17.368 extra uren gezinszorg toegekend en aan de private diensten 83.218 uren. Die uren worden verhoudingsgewijs verdeeld over diensten op basis van hun gesubsidieerde onregelmatige prestaties in 2018, 2019 en 2020, zoals berekend in Vesta.
In het werkingsjaar 2021 wordt 89,81% van de uren, vermeld in het tweede lid, effectief toegekend aan de openbare en private diensten. Vanaf het werkingsjaar 2022 worden de uren, vermeld in het tweede lid, voor 100% toegekend aan de openbare en private diensten.
In dit artikel wordt verstaan onder VIA6: het zesde Vlaams intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren voor de periode 2021-2025.
Artikel 6. ( 01/01/2023 - ... )
In afwijking van artikel 50, tweede lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 houdt de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, bij de bepaling van de criteria voor de beoordeling van de aanvraag van extra uren gezinszorg voor het werkingsjaar 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 alleen rekening met de realisatie van het toegekende urencontingent gezinszorg van de dienst.
Artikel 7. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 50, derde lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 wordt bij de toekenning van het extra urencontingent gezinszorg voor het werkingsjaar 2022, 2023 en 2024 de realisatie, vermeld in artikel 6 van dit besluit, getoetst op het niveau van de dienst.
Artikel 8. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 50, vierde lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 wordt de aanvraag voor extra uren gezinszorg voor 2022 vóór 1 november 2021 aan het agentschap bezorgd.
Artikel 9. ( 01/01/2023 - ... )
Artikel 2, vijfde lid tot en met elfde lid, en artikel 3, § 1 en § 3, van het verdelingsbesluit zijn niet van toepassing voor het werkingsjaar 2022, 2023 en 2024.
Artikel 3, § 2, van het verdelingsbesluit is niet van toepassing voor het werkingsjaar 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026.
Artikel 10. ( 30/09/2021 - ... )
Voor het werkingsjaar 2022, 2023 en 2024 is een aanvraag van extra uren gezinszorg als vermeld in artikel 50, eerste lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019, alleen ontvankelijk als de dienst 80% van zijn urencontingent gezinszorg gerealiseerd heeft in het derde of tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, zoals berekend in Vesta.
Artikel 11. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 4, tweede lid, van het verdelingsbesluit wordt voor het werkingsjaar 2022 en 2023 voor elke regionale stad het programmacijfer voor gezinszorg verminderd met de som van de volgende gegevens:
1° de uren gezinszorg die in 2019 effectief gepresteerd zijn in die regionale stad, zoals geregistreerd in Vesta;
2° voor het werkingsjaar 2022 de extra uren die toegekend zijn in het werkingsjaar 2020 en voor het werkingsjaar 2023 de extra uren die toegekend zijn in het werkingsjaar 2020 en 2021.
Artikel 12. ( 30/09/2021 - ... )
In afwijking van artikel 5, eerste lid, 2°, van het verdelingsbesluit wordt per regionale stad 50% van de extra uren voor de werkingsjaren 2022 en 2023 verdeeld in verhouding tot het maximale aantal subsidiabele uren van de diensten in kwestie in die regionale stad.
Onder het maximale aantal subsidiabele uren, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan: de uren die conform artikel 49, derde lid, van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019 aan de diensten in kwestie zijn toegewezen in het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag van extra uren gezinszorg is ingediend.
Artikel 13. ( 30/09/2021 - ... )
Dit besluit treedt in werking op 30 september 2021.
Artikel 14. ( 30/09/2021 - ... )
De Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 04/04/2025