Hoofdstuk 1. Inleidende bepaling (... - ...)
Artikel 1.
(
01/09/2023
-
...
)
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Hoofdstuk 2. Eindtermen tweede en derde graad en specifieke eindtermen derde graad (... - ...)
Artikel 2.
(
01/09/2023
-
...
)
Dit decreet bevat de onderwijsdoelen voor de tweede graad en, met uitzondering van het derde leerjaar, voor de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, voor zover het eindtermen tweede en derde graad en specifieke eindtermen derde graad betreft.
De eindtermen zijn geformuleerd in functie van de zestien sleutelcompetenties, vermeld in artikel 139, §2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. De specifieke eindtermen zijn ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.
Naast de doelzin maken de volgende elementen, opgenomen in de bijlagen die bij dit decreet zijn gevoegd, telkens integraal deel uit van de eindterm of de specifieke eindterm waarbij ze zijn vermeld:
1° onderliggende (kennis)elementen: een aanvulling of precisering van (kennis)elementen die niet uit de doelzin blijken, maar wel van belang zijn om de doelzin te realiseren;
2° tekstkenmerken: vereisten waaraan de gekozen en aangeboden teksten in de doeltaal moeten voldoen;
3° minimumvereisten: vereisten waaraan de geproduceerde teksten van leerlingen moeten voldoen;
4° voetnoot: verduidelijking met betrekking tot de ontwikkeling van leerlingen, de context of het toepassingsgebied.
Artikel 3.
(
01/09/2023
-
...
)
De onderwijsdoelen zijn:
1° de eindtermen voor de tweede en derde graad van:
a) de doorstroomfinaliteit, onderwijsvormen aso/kso/tso;
b) de dubbele finaliteit, onderwijsvormen kso/tso;
c) de arbeidsmarktfinaliteit, onderwijsvorm bso;
2° de specifieke eindtermen voor de derde graad van:
a) de doorstroomfinaliteit, onderwijsvormen aso/kso/tso;
b) de dubbele finaliteit, onderwijsvormen kso/tso.
Bij de implementatie van de onderwijsdoelen in kwestie worden de volgende bepalingen nageleefd:
1° onderwijsdoelen zijn te bereiken op populatieniveau;
2° onderwijsdoelen worden door de leerling zelfstandig gerealiseerd, tenzij het expliciet anders is vermeld;
3° onderwijsdoelen worden in samenhang gerealiseerd binnen en over sleutelcompetenties en wetenschapsdomeinen heen.
Artikel 4.
(
01/09/2023
-
...
)
De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad zijn opgenomen in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd.
De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad zijn opgenomen in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.
De specifieke eindtermen voor de derde graad zijn opgenomen in bijlage 3, die bij dit decreet is gevoegd.
Artikel 5.
(
01/09/2023
-
...
)
De eindtermen treden in werking:
1° op 1 september 2023: in het eerste leerjaar van de tweede en derde graad;
2° op 1 september 2024: in het tweede leerjaar van de tweede en derde graad.
De specifieke eindtermen treden in werking:
1° op 1 september 2023: in het eerste leerjaar van de derde graad;
2° op 1 september 2024: in het tweede leerjaar van de derde graad.
Hoofdstuk 3. Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 (... - ...)
Artikel 6.
(
01/09/2023
-
...
)
In artikel 147/3, §2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, ingevoegd bij het decreet van 26 januari 2018 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
“In afwijking van paragraaf 1, derde lid, behoeven in het schooljaar 2023-2024 de leerplannen voor de leerjaren van de gemoderniseerde tweede en derde graad secundair onderwijs niet door de Vlaamse Regering te zijn goedgekeurd.”.
Hoofdstuk 4. Inwerkingtreding (... - ...)
Artikel 7.
(
01/09/2023
-
...
)
Dit decreet treedt in werking op 1 september 2023.
BIJLAGE
(
01/09/2023
-
...
)
Bijlage 1 - eindtermen voor de tweede graad doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit en arbeidsmarktfinaliteit
De onderstaande teksten zijn in hun globaliteit de eindtermen die conform de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, letterlijk worden opgenomen in de leerplannen.
| Eindtermen doorstroomfinaliteit 2de graad |
Eindtermen dubbele finaliteit 2de graad |
Eindtermen arbeidsmarktfinaliteit 2de graad |
| Sleutelcompetentie 1: Competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en gezondheid |
| 01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
| 01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgevingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgevingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgevingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
| 01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
| 01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 2: Competenties in het Nederlands |
| 02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Herkenbare structuur
- Herkenbare samenhang
- Standaardnederlands, soms andere taalvariëteiten
- Frequente en minder frequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Vrij algemene inhoud
- Gemiddelde tot vrij hoge informatiedichtheid
- Langere, samengestelde zinnen
- Grote variatie aan tekstsoorten met inbegrip van argumentatieve teksten Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Teksten met een minder duidelijke lay-out Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal spreektempo |
02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Herkenbare structuur
- Herkenbare samenhang
- Standaardnederlands, soms andere taalvariëteiten
- Frequente en minder frequente woorden
- Eenvoudig figuurlijk taalgebruik
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Gemiddelde informatiedichtheid
- Langere, samengestelde zinnen
- Grote variatie aan tekstsoorten met inbegrip van argumentatieve teksten Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal spreektempo |
02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Herkenbare structuur
- Heldere samenhang en duidelijke verbanden
- Standaardnederlands, soms andere taalvariëteiten
- Voornamelijk frequente woorden
- Eenvoudig figuurlijk taalgebruik
- Concrete inhoud
- Lage tot gemiddelde informatiedichtheid
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal spreektempo |
| 02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid,- correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid, correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid, correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
| 02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
| 02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie Minimumvereisten voor de geproduceerde tekst:
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie Minimumvereisten voor de geproduceerde tekst:
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie Minimumvereisten voor de geproduceerde tekst:
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
| 02.05 |
De leerlingen vatten doelgericht een geschreven tekst schriftelijk samen.
Tekstkenmerken voor schriftelijke receptie Minimumvereisten van de geproduceerde tekst:
- Herkenbare tekstopbouw
- Herkenbare tekststructuur
- Herkenbare tekstverbanden
- Herformulering op het vlak van woordgebruik en zinsbouw
- Taal afgestemd op het doel en de doelgroep |
|
|
|
|
| 02.06 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Minimumvereisten voor productie:
- Herkenbare tekstopbouw
- Gepaste en herkenbare tekststructuur
- Herkenbare tekstverbanden
- Frequente en minder frequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Gepast register
- Vrij algemene inhoud
- Gemiddelde informatiedichtheid
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Tekstopbouwende elementen
- Gepaste lay-out
- Standaardnederlands met aandacht voor spelling, interpunctie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Standaardnederlands met aandacht voor uitspraak, intonatie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid Met behulp van ondersteunende middelen |
02.05 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Minimumvereisten voor productie:
- Herkenbare tekstopbouw
- Gepaste en herkenbare tekststructuur
- Herkenbare tekstverbanden
- Frequente en minder frequente woorden
- Eenvoudig figuurlijk taalgebruik
- Gepast register
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Gemiddelde informatiedichtheid
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Tekstopbouwende elementen
- Gepaste lay-out
- Standaardnederlands, met aandacht voor spelling, interpunctie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Standaardnederlands, met aandacht voor uitspraak, intonatie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid Met behulp van ondersteunende middelen |
02.05 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Minimumvereisten voor productie:
- Eenvoudige tekstopbouw
- Eenvoudige tekststructuur
- Redelijk herkenbare samenhang
- Frequente woorden
- Gepast register
- Concrete inhoud
- Lage tot gemiddelde informatiedichtheid
- Eenvoudige, vooral enkelvoudige zinnen
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Gepaste lay-out
- Taalgebruik met aandacht voor Standaardnederlands, woordkeuze, spelling, interpunctie zinsbouw, helderheid, adequaatheid Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Algemeen verstaanbaar taalgebruik met aandacht voor Standaardnederlands, uitspraak, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid
Met behulp van ondersteunende middelen |
| 02.07 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.06 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.06 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.08 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.07 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.07 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
| 02.09 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.08 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.08 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.10 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.09 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie Minimumvereisten voor productie |
02.09 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie Minimumvereisten voor productie |
| 02.11 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Klanken: intonatie
- Woordvorming: tussenklank, verbuiging, vervoeging
- Woordsoorten:
- werkwoord: voltooid deelwoord, infinitief, hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord, koppelwerkwoord
- voornaamwoorden: betrekkelijk, onbepaald, wederkerend
- Herkomst van woorden: leenwoord
- Betekenisrelaties: antoniem
- Gevoelswaarde van woorden: eufemisme, dysfemisme
- Vormen van humor: ironie
- Zinsdelen: werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, voorzetselvoorwerp, handelend voorwerp
- Woordvolgorde: hoofdzin, bijzin, inversie
- Zinssoorten: actieve en passieve zinnen, ondergeschikte en nevengeschikte zinnen
- Spelling met aandacht voor woorden met veranderlijk woordbeeld
- Interpunctietekens: beletselteken, gedachtestreepje |
02.10 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Woordvorming: tussenklank, verbuiging, vervoeging,
- Woordsoorten: betrekkelijk voornaamwoord
- Betekenisrelaties: antoniem
- Beeldspraak: metafoor
- Vormen van humor: ironie
- Zinsdelen: werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, voorzetselvoorwerp
- Woordvolgorde: bijzin, inversie
- Zinssoorten: ondergeschikte en nevengeschikte zinnen
- Spelling met aandacht voor woorden met veranderlijk woordbeeld |
02.10 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Vormen van humor: ironie
- Spelling van frequente woorden met vast en veranderlijk woordbeeld
- Interpunctietekens: komma, dubbele punt, spatie |
| 02.12 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen. |
02.11 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen. |
02.11 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen. |
| |
Onderliggende (kennis)elementen:
- Tekstopbouwende elementen: tussentitel, alinea
- Tekststructuren: inleiding, midden, slot
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Communicatiemodel: effect, ruis
- Verbale en non-verbale communicatie
- Van formele tot informele registers
- Beleefdheidsconventies
- Argumentatieve teksten met inbegrip van: feit en mening, stelling, standpunt, argument, tegenargument, conclusie
- Talige middelen om de mate van subjectiviteit of objectiviteit uit te drukken; modaliteit |
|
Onderliggende (kennis)elementen:
- Tekstopbouwende elementen: tussentitel, alinea
- Tekststructuren: inleiding, midden, slot
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Communicatiemodel: effect, ruis
- Verbale en non-verbale communicatie
- Van formele tot informele registers
- Beleefdheidsconventies
- Argumentatieve teksten met inbegrip van: feit en mening, stelling, standpunt, argument, conclusie |
|
Onderliggende (kennis)elementen:
- Tekstopbouwende elementen: tussentitel, alinea, benadrukte woorden, lay-out, afbeeldingen
- Tekststructuur: inleiding, midden, slot
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Verbale en non-verbale communicatie
- Van formele tot informele registers
- Beleefdheidsconventies
- Elementen van argumentatie: feit en mening, standpunt |
| 02.13 |
De leerlingen geven overeenkomsten en verschillen aan in taaluitingen, taalvariëteiten en talen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Cultuurgebonden aspecten van verbale en non- verbale communicatie
- Standaardtaal, nationale, regionale, sociale en situationele taalvariëteiten in het Nederlands |
02.12 |
De leerlingen geven overeenkomsten en verschillen aan in taaluitingen, taalvariëteiten en talen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Standaardtaal, nationale, regionale, sociale en situationele taalvariëteiten in het Nederlands |
02.12 |
De leerlingen geven overeenkomsten en verschillen aan in taaluitingen, taalvariëteiten en talen. |
| 02.14 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.13 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.13 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.15 |
De leerlingen analyseren hoe in literaire teksten betekenissen worden gecreëerd met narratieve, poëticale en theatrale structuren en technieken.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Personages: held/protagonist, antiheld/antagonist
- Tijd: flashforward, flashback
- Elementen van spanningsopbouw
- Vertelperspectief: ik-verteller, hij-verteller
- Stijlfiguren: vergelijking, metafoor, woordspeling, herhaling, overdrijving
- Ritme en alliteratie
- Presentatie, vormgeving, opvoering Tekstkenmerken:
- Grote variatie aan genres |
|
|
|
|
| 02.16 |
De leerlingen gaan in interactie over de relevantie van literaire teksten voor hun leefwereld, voor de samenleving waarin ze leven en voor de samenleving waarin de teksten ontstonden.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
|
|
|
|
| Sleutelcompetentie 3: Competenties in andere talen |
| 03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans Tekstkenmerken voor receptie:
- Tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit
- Vrij grote en herkenbare samenhang
- Hoofdzakelijk frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke en educatieve domein
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Niet al te hoge informatiedichtheid
- Zinsbouw met een beperkte mate van complexiteit
- Vrij korte en af en toe iets langere teksten
- Ruime variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Vrij duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Met een beperkte mate van achtergrondruis
- Normaal spreektempo met weinig pauzes
- Ondersteunende maar natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met lichte afwijking ten opzichte van de standaardtaal |
03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans Tekstkenmerken voor receptie:
- Eenvoudige, herkenbare tekststructuur
- Grote en herkenbare samenhang
- Hoofdzakelijk frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke, professionele en educatieve domein
- Concrete inhoud
- Lage informatiedichtheid
- Eenvoudige zinsbouw
- Beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Geen of weinig achtergrondruis
- Normaal spreektempo met pauzes
- Ondersteunende maar natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met visuele ondersteuning
- Met ondersteuning van non-verbaal gedrag |
03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerpen de hoofdgedachte bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans Tekstkenmerken voor receptie:
- Zeer eenvoudige, herkenbare, expliciet aangegeven tekststructuur
- Grote samenhang
- Hoofdzakelijk transparante woorden, de meest frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een zeer beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke, educatieve en professionele domein
- Concrete, herkenbare inhoud
- Zeer lage informatiedichtheid
- Zeer eenvoudige zinsbouw
- Beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Geen achtergrondruis
- Normaal spreektempo met frequente pauzes
- Ondersteunende maar natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met visuele ondersteuning
- Met ondersteuning van non-verbaal gedrag |
| 03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie |
03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie |
03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie |
| 03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Gepaste en herkenbare tekststructuur
- Duidelijk herkenbare tekstverbanden
- Beheersing van frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om zich uit te drukken over een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke en educatieve domein al kunnen lexicale beperkingen leiden tot herhaling, tot omhaal van woorden en tot moeite met formulering
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Over het algemeen redelijk goede beheersing van eerder en nieuwverworven grammaticale structuren, maar met merkbare invloed vanuit de moedertaal; fouten komen voor, maar begrip van boodschap door ontvanger komt meestal niet in het gedrang
- Enkelvoudige zinnen en af en toe zinnen met beperkte mate van complexiteit
- Gepast register
- Vrij beperkte lengte
- Ruime variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Duidelijk herkenbare tekstopbouw en gebruik van tekstopbouwende elementen: titel, alinea
- Gepaste lay-out
- Heldere doorlopende tekst die over het algemeen te begrijpen is; spelling, leestekengebruik en lay-out staan tekstbegrip niet in de weg
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak is over het algemeen duidelijk te verstaan en begrip van de boodschap komt meestal niet in het gedrang ondanks mogelijke uitspraakfouten
- Kan zich betrekkelijk vlot uitdrukken ondanks regelmatige pauzes of herstelacties
Met behulp van ondersteunende middelen |
03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Eenvoudige, gepaste tekststructuur
- Duidelijk herkenbare tekstverbanden
- Redelijk herkenbare samenhang
- Beheersing van frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om te voldoen aan concrete, voorspelbare en vertrouwde communicatiebehoeften binnen het persoonlijke, publieke, professionele en educatieve domein, al kunnen lexicale beperkingen leiden tot moeite met formulering en moeite met het overbrengen van de boodschap
- Concrete inhoud
- Beheersing van bepaalde eenvoudige grammaticale constructies; fouten komen voor maar begrip van de boodschap door de ontvanger komt meestal niet in het gedrang
- Eenvoudige zinsbouw
- Gepast register
- Beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Tekstopbouwende elementen: titel, alinea
- Duidelijke, gepaste lay-out
- Redelijk correcte spelling van frequente woorden uit het aangeleerde lexicale repertoire
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak is over het algemeen voldoende helder om te worden verstaan en om begrip van de boodschap niet in het gedrang te brengen ondanks een duidelijk accent, maar gesprekspartners zullen regelmatig om herhaling moeten vragen; mogelijk duidelijke invloed van andere talen op uitspraak
- Kan zich in korte uitingen verstaanbaar maken ondanks duidelijke onderbrekingen, valse starts en herformuleringen
Met behulp van ondersteunende middelen |
03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht met behulp van aangereikte zinnen, sleutelwoorden of een voorbeeld.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Hoogfrequente signaalwoorden: chronologisch verloop, opsomming
- Redelijk herkenbare samenhang
- Beheersing van hoofdzakelijk geïsoleerde woorden, de meest frequente woorden, transparante woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om te voldoen aan de meest elementaire communicatiebehoeften binnen een zeer beperkte waaier aan relevante thema’s uit het persoonlijke, publieke, educatieve en professionele domein
- Concrete inhoud
- Beperkte beheersing van eenvoudige grammaticale constructies en zinspatronen uit een aangeleerd repertoire
- Gepast register
- Zeer beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
- Met behulp van ondersteunende middelen Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Korte woorden en frasen uit het aangeleerde lexicale repertoire zijn correct overgeschreven Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak van een zeer beperkt repertoire van aangeleerde woorden en frasen is met enige inspanning verstaanbaar
- Met talrijke onderbrekingen om naar uitdrukkingen te zoeken, minder vertrouwde woorden uit te spreken en om de communicatie te herstellen |
| 03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge en schriftelijke interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij taalhandelingen
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- Kan onvoorbereid deelnemen aan een gesprek, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en zinnen
- Kan een eenvoudig gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen
- Kan gedeeltelijk herhalen wat iemand anders heeft gezegd om begrip te bevestigen |
03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge en schriftelijke interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij alledaagse taalhandelingen
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- Kan redelijk gemakkelijk interactief zijn in gestructureerde situaties en korte gesprekken, mits er om herhaling of herformulering kan gevraagd worden
- Kan een eenvoudig gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen |
03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij de meest elementaire alledaagse taalhandelingen
- De communicatie is volledig afhankelijk van herhaling, herformulering en herstel; met ondersteuning om het gesprek gaande te houden |
| 03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
| 03.07 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande elementen gelden voor het Frans én het Engels, tenzij gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans of het Engels gelden door de aanduiding van respectievelijk [F] of [E]. |
03.07 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande elementen gelden voor het Frans én het Engels, tenzij gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans of het Engels gelden door de aanduiding van respectievelijk [F] of [E]. |
03.07 |
De leerlingen zetten aspecten van het taalsysteem in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande kenniselementen gelden voor het Frans of het Engels, afhankelijk van de keuze van het schoolbestuur of de scholengroep om Frans of |
| |
- Voornaamwoorden: met nadruk [F], onbepaald, betrekkelijk, en [F], y [F]
- Hoofd- en rangtelwoorden
- Werkwoorden: onderscheid tussen tijden en wijzen [F]; ind. futur simple [F]; conditionnel présent [F], present perfect simple [E], present perfect continuous [E], past continuous [E], past perfect [E], going to future [E]; onregelmatige werkwoorden, onpersoonlijke werkwoorden; do om iets te benadrukken [E]
- Frequente modal verbs [E]
- Frequente voorzetselgroepen
- Genitiefvormen [E]
- Frequente onderschikkende voegwoorden
- Frequente bijwoorden op -ment [F], -ly [E]
- Betrekkelijke bijzinnen met qui, que, dont, où [F]; met that, who, whose, which, when, where, why [E])
- The conditional (realis) [E]
- Uitspraak :
- Specifieke grafieën en klanken
- Liaison, enchaînement [F]
- Letters van het alfabet
- Zinsklemtoon
- Spelling van in te zetten woorden |
|
- Werkwoorden: ind. futur simple [F]; present perfect simple [E], present perfect continuous [E], past continuous [E]
- Frequente bijwoorden op -ment [F], -ly [E]
- Spelling van in te zetten woorden |
|
Engels aan te bieden. Waar gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans gelden, door de aanduiding [F], zijn ze enkel van toepassing indien het schoolbestuur of de scholengroep voor het Frans kiest.
- Relatie klank- en schriftbeeld
- Uitspraak van klanken en klankencombinaties, woordklemtoon, articulatie en intonatie
- Zelfstandige naamwoorden: getal, genus [F]
- Congruentie: onderwerp-persoonsvorm, bijvoeglijk naamwoord- zelfstandig naamwoord [F]
- Lidwoorden: bepaald, onbepaald
- Voornaamwoorden: persoonlijk als onderwerp; bijvoeglijk gebruikte aanwijzende, bezittelijke en vragende
- Frequente hoofdtelwoorden
- Bijvoeglijke naamwoorden: meervoud [F], vrouwelijk [F]
- Hoogfrequente werkwoorden
- Meest courante tijden om verleden, heden en toekomst uit te drukken
- Frequente voorzetsels
- Bouw van enkelvoudige zinnen
- Ontkennende, bevestigende, mededelende, vragende zinnen |
| 03.08 |
De leerlingen illustreren bij het lezen en beluisteren van teksten kenmerkende aspecten van maatschappijen en culturen waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans |
03.08 |
De leerlingen illustreren bij het lezen en beluisteren van teksten kenmerkende aspecten van maatschappijen en culturen waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans |
03.08 |
De leerlingen identificeren bij het lezen en beluisteren van teksten kenmerkende aspecten van maatschappijen en culturen waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans |
| 03.09 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten in de doeltaal.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.09 |
De leerlingen drukken de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten uit.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.09 |
De leerlingen drukken de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten uit.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 4: Digitale competentie en mediawijsheid |
| 04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitaal te communiceren. |
04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitaal te communiceren. |
04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitaal te communiceren. |
| 04.02 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.02 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.02 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 04.03 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te beheren. |
04.03 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te beheren. |
04.03 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te beheren. |
| 04.04 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.04 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.04 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 04.05 |
De leerlingen analyseren de impact van digitale systemen op de maatschappij vanuit principes van computationeel denken. |
04.05 |
De leerlingen analyseren de impact van digitale systemen op de maatschappij vanuit principes van computationeel denken. |
04.05 |
De leerlingen analyseren de impact van digitale systemen op de maatschappij vanuit principes van computationeel denken. |
| Sleutelcompetentie 5: Sociaal-relationele competenties |
| 05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (wiskunde) |
| 06.01 |
De leerlingen leggen de invoering van de reële getallen uit als de vervollediging van de reële getallenas.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Getallen met eindige of oneindige doorlopende decimale vorm, met of zonder repeterend deel. |
06.01 |
De leerlingen leggen de invoering van de reële getallen uit als de vervollediging van de reële getallenas.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Getallen met eindige of oneindige doorlopende decimale vorm, met of zonder repeterend deel. |
06.01 |
De leerlingen voeren met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met gehele getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met betekenisvolle contexten van de tweede graad. |
| 06.02 |
De leerlingen ordenen reële getallen. |
06.02 |
De leerlingen ordenen reële getallen. |
06.02 |
De leerlingen ronden zinvol af en schatten resultaten van bewerkingen in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met bewerkingen en betekenisvolle contexten van de tweede graad. |
| 06.03 |
De leerlingen rekenen met reële getallen. Onderliggende (kennis)elementen:
- Optelling, aftrekking, vermenigvuldiging, deling, machtsverheffing met gehele exponenten, vierkantsworteltrekking met rekenregels en eigenschappen met symbolen
- Schatting grootteorde, afronding |
06.03 |
De leerlingen rekenen met reële getallen. Onderliggende (kennis)elementen:
- Optelling, aftrekking, vermenigvuldiging, deling, machtsverheffing met gehele exponenten, vierkantsworteltrekking met rekenregels en eigenschappen
- Schatting grootteorde, afronding |
06.03 |
De leerlingen leggen het verband tussen een 3D- situatie en 2D-voorstellingen ervan in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met betekenisvolle contexten van de tweede graad. |
| 06.04 |
De leerlingen bepalen de onderlinge ligging van twee rechten, twee vlakken en een rechte en een vlak in ruimtelijke situaties. |
06.04 |
De leerlingen bepalen de onderlinge ligging van twee rechten, twee vlakken en een rechte en een vlak in ruimtelijke situaties. |
06.04 |
De leerlingen interpreteren grafieken, tabellen, diagrammen en (woord)formules in betekenisvolle contexten.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Samenhang tussen voorstellingswijzen
- Relatieve en absolute frequenties
- Misleidingen |
| 06.05 |
De leerlingen bepalen het effect van schaalverandering op vorm, lengte, oppervlakte en inhoud of volume.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Gelijkvormigheidsfactor |
06.05 |
De leerlingen bepalen het effect van schaalverandering op vorm, lengte, oppervlakte en inhoud of volume.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Gelijkvormigheidsfactor |
06.05 |
De leerlingen interpreteren mediaan en rekenkundig gemiddelde van numerieke gegevens in betekenisvolle contexten. |
| 06.06 |
De leerlingen passen de stelling van Pythagoras toe om meetkundige problemen op te lossen in het vlak en in de ruimte. |
06.06 |
De leerlingen passen de stelling van Pythagoras toe om meetkundige problemen op te lossen in het vlak. |
|
|
| 06.07 |
De leerlingen gebruiken de goniometrische getallen sinus, cosinus en tangens in rechthoekige driehoeken om meetkundige problemen op te lossen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Grondformule van de goniometrie |
06.07 |
De leerlingen gebruiken de goniometrische getallen sinus, cosinus en tangens in rechthoekige driehoeken om meetkundige problemen op te lossen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Grondformule van de goniometrie |
|
|
| 06.08 |
De leerlingen passen gelijkvormigheidskenmerken van driehoeken toe om meetkundige problemen op te lossen. |
|
|
|
|
| 06.09 |
De leerlingen tekenen in het vlak de som van vectoren en de vermenigvuldiging van een vector met een getal. |
|
|
|
|
| 06.10 |
De leerlingen lossen eerstegraadsvergelijkingen en - ongelijkheden in één onbekende algebraïsch en grafisch op. |
06.08 |
De leerlingen lossen eerstegraadsvergelijkingen in één onbekende algebraïsch op. |
|
|
| 06.11 |
De leerlingen drukken bij een formule één variabele uit in functie van een andere. |
06.09 |
De leerlingen drukken bij een formule één variabele uit in functie van een andere. |
|
|
| 06.12 |
De leerlingen leggen uit wat een functie is en leggen het verband tussen verschillende representaties van een functie: verwoording, tabel, grafiek en voorschrift. |
06.10 |
De leerlingen herkennen functies en leggen het verband tussen verschillende representaties van een functie: verwoording, tabel, grafiek en voorschrift. |
|
|
| 06.13 |
De leerlingen bepalen het voorschrift, de grafiek, de tabel en de verwoording van een eerstegraadsfunctie als één van de andere representaties gegeven is.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Richtingscoëfficiënt
- Snijpunt met de y-as |
06.11 |
De leerlingen bepalen het voorschrift, de grafiek, de tabel en de verwoording van een eerstegraadsfunctie als één van de andere representaties gegeven is.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Richtingscoëfficiënt
- Snijpunt met de y-as |
|
|
| 06.14 |
De leerlingen analyseren kenmerken van eerstegraadsfuncties: domein, bereik, nulwaarden, tekenverloop en stijgen/dalen. |
06.12 |
De leerlingen analyseren kenmerken van eerstegraadsfuncties: nulwaarden, tekenverloop, stijgen/dalen. |
|
|
| 06.15 |
De leerlingen analyseren kenmerken van tweedegraadsfuncties van de vorm f(x)=ax²: domein, bereik, nulwaarden, tekenverloop, stijgen/dalen, extremum, toenemende/afnemende stijging/daling en symmetrie ten opzichte van een verticale rechte. |
06.13 |
De leerlingen lossen eerstegraadsvergelijkingen en
-ongelijkheden in één onbekende grafisch op. |
|
|
| 06.16 |
De leerlingen lossen stelsels van twee eerstegraadsvergelijkingen in twee onbekenden algebraïsch en grafisch op. |
06.14 |
De leerlingen lossen stelsels van twee eerstegraadsvergelijkingen in twee onbekenden algebraïsch en grafisch op. |
|
|
| 06.17 |
De leerlingen lossen telproblemen op met behulp van boomdiagrammen en venndiagrammen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Somregel, productregel, complementregel |
06.15 |
De leerlingen lossen telproblemen op met behulp van boomdiagrammen en venndiagrammen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Somregel, productregel, complementregel |
|
|
| 6.18 |
De leerlingen analyseren statistische gegevens aan de hand van voorstellingswijzen en centrum- en spreidingsmaten.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Voorstellingswijzen: absolute en relatieve frequentietabel, staafdiagram, cirkeldiagram, lijndiagram, histogram en boxplot
- Centrum- en spreidingsmaten: rekenkundig gemiddelde, mediaan, modus, variatiebreedte, interkwartielafstand en standaardafwijking
- Misleidingen |
06.16 |
De leerlingen analyseren statistische gegevens aan de hand van voorstellingswijzen en centrum- en spreidingsmaten.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Voorstellingswijzen: absolute en relatieve frequentietabel, staafdiagram, cirkeldiagram, lijndiagram, histogram en boxplot
- Centrum- en spreidingsmaten: rekenkundig gemiddelde, mediaan, variatiebreedte, interkwartielafstand
- Misleidingen |
|
|
| 06.19 |
De leerlingen bepalen de waarheidswaarde van logische uitspraken met behulp van waarheidstabellen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Tautologie, contradictie |
|
|
|
|
| 06.20 |
De leerlingen beargumenteren wiskundige redeneringen en maken daarbij ook gebruik van eigenschappen of van een tegenvoorbeeld.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
|
|
|
|
| 06.21 |
De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de tweede graad. |
06.17 |
De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de tweede graad. |
|
|
| 06.22 |
De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
06.18 |
De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
06.06 |
De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.
Voetnoot:
Rekening houdend met wiskundige concepten en vaardigheden en met betekenisvolle contexten van de tweede graad. |
| 06.23 |
De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
06.19 |
De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
|
|
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (wetenschappen) |
| 06.24 |
De leerlingen leggen uit hoe plantaardige en dierlijke organismen prikkels ontvangen. |
06.20 |
De leerlingen leggen aan de hand van een voorbeeld uit dat organismen zich kunnen handhaven dankzij biologische feedback.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Functie van hormonen |
|
|
| 06.25 |
De leerlingen leggen uit hoe bij plantaardige en dierlijke organismen een prikkel verwerkt wordt.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Zenuwstelsel
- Hormonen |
|
|
|
|
| 06.26 |
De leerlingen lichten het onderscheid toe tussen reacties op een prikkel bij plantaardige en dierlijke organismen. |
|
|
|
|
| 06.27 |
De leerlingen leggen uit dat plantaardige en dierlijke organismen zich kunnen handhaven dankzij homeostase. |
|
|
|
|
| 06.28 |
De leerlingen leggen de hormonale regeling van het voortplantingssysteem bij de mens uit. |
06.22 |
De leerlingen leggen de hormonale regeling van het voortplantingssysteem bij de mens uit. |
06.08 |
De leerlingen leggen het verloop van de menstruatiecyclus uit.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Hormoon |
| 06.29 |
De leerlingen leggen het verband tussen eigenschappen van virussen, bacteriën en schimmels en hun positieve en negatieve rol in de natuur.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Microbioom |
06.21 |
De leerlingen leggen de positieve en negatieve rol uit van virussen, bacteriën en schimmels in de natuur en in toepassingen voor de mens.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Microbioom |
06.07 |
De leerlingen leggen de positieve en negatieve rol uit van virussen, bacteriën en schimmels in de natuur en in toepassingen voor de mens.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Microbioom |
| 06.30 |
De leerlingen illustreren interacties tussen organismen van dezelfde soort en van verschillende soorten. |
|
|
|
|
| 06.31 |
De leerlingen leggen het verband tussen materie- en energiestromen in een ecosysteem. |
|
|
|
|
| |
|
|
|
06.09 |
De leerlingen brengen informatie uit product- of materiaallabels in verband met bewust gebruik op vlak van gezondheid en leefmilieu.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Herkomst en duurzaamheid van stoffen
- Voedingsbestanddelen
- Dosis en concentratie van stoffen in relatie tot gebruik |
| 06.32 |
De leerlingen onderzoeken zuivere stoffen en soorten mengsels in het dagelijkse leven aan de hand van eigenschappen en scheidingstechnieken.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Stofeigenschappen: massadichtheid, kookpunt, smeltpunt, deeltjesgrootte, oplosgedrag van stoffen |
06.23 |
De leerlingen onderzoeken zuivere stoffen en mengsels in het dagelijkse leven aan de hand van eigenschappen en scheidingstechnieken.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Stofeigenschappen |
06.10 |
De leerlingen werken op een veilige en duurzame manier met chemische stoffen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Eigenschappen van chemische stoffen
- Scheidingstechniek
- Chemische formule |
| 06.33 |
De leerlingen gebruiken een atoommodel om de structuur van atomen en ionen te beschrijven. |
06.24 |
De leerlingen gebruiken een atoommodel om de structuur van atomen te beschrijven. |
|
|
| 06.34 |
De leerlingen leggen het verband tussen de plaats en de eigenschappen van atomen in het PSE. |
|
|
|
|
| 06.35 |
De leerlingen interpreteren de naam en symbolische schrijfwijze van enkelvoudige en samengestelde stoffen. |
06.25 |
De leerlingen interpreteren de symbolische schrijfwijze van enkelvoudige en samengestelde stoffen. |
|
|
| 06.36 |
De leerlingen leggen het verband tussen de chemische binding en de eigenschappen van een stof.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Oxiden, basen, zuren, zouten en alkanen |
|
|
|
|
| 06.37 |
De leerlingen balanceren gegeven eenvoudige chemische reacties en interpreteren ze in termen van materie- en energie-uitwisseling. |
06.26 |
De leerlingen interpreteren chemische reacties in termen van materie- en energie-uitwisseling. |
|
|
| 06.38 |
De leerlingen brengen pH in verband met het zuur, basisch of neutraal karakter van een waterige oplossing en lichten de functie van een zuur-base indicator toe. |
|
|
|
|
| 06.39 |
De leerlingen interpreteren massaconcentratie en molaire concentratie. |
|
|
|
|
| 06.40 |
De leerlingen lossen fysische problemen met en zonder formularium op.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
|
|
|
|
| |
|
|
|
06.13 |
De leerlingen lichten fenomenen of toepassingen uit het dagelijkse leven toe met betrekking tot geluid met inbegrip van veiligheidsaspecten en de decibelschaal. |
| 06.41 |
De leerlingen interpreteren rechtlijnige bewegingen grafisch en eenparig rechtlijnige bewegingen kwantitatief. |
|
|
|
|
| 06.42 |
De leerlingen stellen krachten vectorieel voor en leggen het verband tussen de verandering van bewegingstoestand van een lichaam en de resulterende kracht.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Zwaartekracht, gewicht, normaalkracht, veerkracht
- Dynamische effecten van een resulterende kracht: versnellen, vertragen, van richting veranderen
- Verschil massa en gewicht |
06.30 |
De leerlingen stellen krachten vectorieel voor en leggen het verband tussen de verandering van de bewegingstoestand van een lichaam en de resulterende kracht.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Dynamische effecten van een resulterende kracht: versnellen, vertragen, van richting veranderen |
|
|
| 06.43 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen uit het dagelijkse leven aan de hand van het concept druk bij vaste stoffen, gassen en vloeistoffen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Druk als grootte van de kracht per oppervlakte
- Invloedsfactoren op de totale druk in een vloeistof |
06.31 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen uit het dagelijks leven aan de hand van het concept druk.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Druk als grootte van de kracht per oppervlakte |
06.12 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen uit het dagelijkse leven aan de hand van snelheid, kracht, hefboom, druk, zichtbaar licht, straling of elektriciteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 06.44 |
De leerlingen stellen de energiebalans van energieomzettingen op aan de hand van de wet van behoud van energie. |
06.27 |
De leerlingen stellen de energiebalans van energieomzettingen op aan de hand van de wet van behoud van energie. |
06.11 |
De leerlingen gebruiken de concepten rendement, vermogen en warmte om energieomzettingen in systemen te beschrijven.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Energiebalans
- Duurzaam energiegebruik |
| 06.45 |
De leerlingen stellen kwantitatief de energiebalans op van energieomzettingen tussen kinetische, gravitationele of elastische energie in eenvoudige situaties. |
|
|
|
|
| 06.46 |
De leerlingen voeren berekeningen uit in verband met vermogen en rendement bij energieomzettingen in systemen. |
06.28 |
De leerlingen voeren berekeningen uit in verband met vermogen en rendement bij energieomzettingen in systemen. |
|
|
| 06.47 |
De leerlingen verklaren het energietransport bij faseovergangen en bij temperatuursveranderingen van stoffen aan de hand van het deeltjesmodel.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Absolute temperatuur |
06.29 |
De leerlingen lichten het verband toe tussen warmte en temperatuursverandering of faseovergang.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Warmtebalans
- Thermisch evenwicht |
|
|
| 06.48 |
De leerlingen analyseren verbanden tussen stroomsterkte, spanning en weerstand in een gelijkstroomkring. |
06.33 |
De leerlingen analyseren verbanden tussen stroomsterkte, spanning en weerstand in een gelijkstroomkring. |
|
|
| 06.49 |
De leerlingen gebruiken de grootheid vermogen en het Joule-effect om fenomenen in elektrische systemen te verklaren. |
06.32 |
De leerlingen leggen het Joule-effect uit aan de hand van toepassingen. |
|
|
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (STEM) |
| 06.50 |
De leerlingen werken op een veilige en duurzame manier met materialen, stoffen, organismen en technische systemen. |
06.34 |
De leerlingen werken op een veilige en duurzame manier met materialen, stoffen, organismen en technische systemen. |
|
|
| 06.51 |
De leerlingen voeren onderzoek aan de hand van een wetenschappelijke methode om kennis te ontwikkelen en om vragen te beantwoorden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
06.35 |
De leerlingen voeren onderzoek aan de hand van een wetenschappelijke methode om kennis te ontwikkelen en om vragen te beantwoorden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad. |
|
|
| 06.52 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.36 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.14 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de tweede graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
| 06.53 |
De leerlingen analyseren de wisselwerking tussen wetenschappen, technologie, wiskunde en de maatschappij aan de hand van maatschappelijke uitdagingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.37 |
De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen wetenschappen, technologie, wiskunde en de maatschappij aan de hand van maatschappelijke uitdagingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
|
|
| Sleutelcompetentie 7: Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven |
| 07.01 |
De leerlingen lichten de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin toe. |
07.01 |
De leerlingen lichten de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin toe. |
07.01 |
De leerlingen lichten de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin toe. |
| 07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 8: Competenties met betrekking tot historisch bewustzijn |
| 08.01 |
De leerlingen bouwen een historisch referentiekader op met structuurbegrippen, scharnierpunten en kenmerken eigen aan de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. |
08.01 |
De leerlingen bouwen een historisch referentiekader op met structuurbegrippen, scharnierpunten en kenmerken eigen aan de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. |
08.01 |
De leerlingen situeren historische fenomenen in tijd en ruimte op een gegeven tijdlijn met de courante historische periodes en op een kaart. |
| 08.02 |
De leerlingen lichten verbanden toe tussen de maatschappelijke domeinen voor westerse en niet- westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. |
08.02 |
De leerlingen lichten verbanden toe tussen de maatschappelijke domeinen voor westerse en niet- westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. |
|
|
| 08.03 |
De leerlingen lichten kenmerken toe van interculturele contacten tussen westerse en niet-westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en uit de vroegmoderne tijd. |
08.03 |
De leerlingen lichten kenmerken toe van interculturele contacten tussen westerse en niet-westerse samenlevingen uit de middeleeuwen en uit de vroegmoderne tijd. |
|
|
| 08.04 |
De leerlingen vergelijken kenmerken van bestudeerde samenlevingen in eenzelfde periode en tussen periodes. |
08.04 |
De leerlingen vergelijken kenmerken van bestudeerde samenlevingen in eenzelfde periode en tussen periodes. |
08.04 |
De leerlingen leggen aan de hand van voorbeelden gelijkenissen, verschillen en verbanden uit tussen vroeger en nu. |
| 08.05 |
De leerlingen vergelijken de courante westerse periodisering met andere periodiseringen in tijd en ruimte. |
08.05 |
De leerlingen vergelijken de courante westerse periodisering met andere periodiseringen in tijd en ruimte.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
|
|
| 08.06 |
De leerlingen analyseren kritisch historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
08.06 |
De leerlingen analyseren kritisch historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
08.02 |
De leerlingen vergelijken bronnen over eenzelfde historisch fenomeen met aandacht voor betrouwbaarheid. |
| 08.07 |
De leerlingen vergelijken historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
|
|
|
|
| 08.08 |
De leerlingen beantwoorden een historische vraag aan de hand van historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes en historische redeneerwijzen. |
08.07 |
De leerlingen beantwoorden een historische vraag aan de hand van historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes en historische redeneerwijzen. |
|
|
| 08.09 |
De leerlingen analyseren de invloed van de eigen standplaatsgebondenheid en die van anderen op historische beeldvorming met betrekking tot de bestudeerde periodes. |
08.08 |
De leerlingen lichten de invloed toe van de eigen standplaatsgebondenheid en die van anderen op historische beeldvorming met betrekking tot de bestudeerde periodes. |
|
|
| 08.10 |
De leerlingen lichten betekenissen toe die men geeft aan historische fenomenen uit de bestudeerde periodes.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Persoonlijke betekenisgeving
- Collectieve herinneringen |
08.09 |
De leerlingen lichten betekenissen toe die men geeft aan historische fenomenen uit de bestudeerde periodes.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Persoonlijke betekenisgeving
- Mythevorming |
08.03 |
De leerlingen lichten betekenissen toe van historische fenomenen. |
| Sleutelcompetentie 9: Competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn |
| 09.01 |
De leerlingen analyseren demografische processen op basis van demografische indicatoren en beïnvloedende factoren |
09.01 |
De leerlingen beschrijven demografische processen op basis van demografische indicatoren en beïnvloedende factoren. |
|
|
| 09.02 |
De leerlingen illustreren de interactie tussen productie en consumptie op mondiale schaal. |
|
|
|
|
| 09.03 |
De leerlingen analyseren factoren die productie en consumptie beïnvloeden aan de hand van voorbeelden uit landbouw, industrie, ontginning van grondstoffen, energieproductie of diensten. |
09.02 |
De leerlingen lichten factoren toe die productie en consumptie beïnvloeden aan de hand van voorbeelden uit landbouw, industrie, ontginning van grondstoffen, energieproductie of diensten. |
|
|
| 09.04 |
De leerlingen illustreren de impact van mondialisering op demografische processen en op de ruimtelijke interactie tussen productie en consumptie. |
09.03 |
De leerlingen illustreren de impact van mondialisering op demografische processen en op de ruimtelijke interactie tussen productie en consumptie. |
|
|
| 09.05 |
De leerlingen analyseren ruimtelijke gevolgen van demografische processen, productie en consumptie. |
09.04 |
De leerlingen analyseren ruimtelijke gevolgen van demografische processen, productie en consumptie. |
09.01 |
De leerlingen illustreren ruimtelijke gevolgen van demografische processen, productie en consumptie. |
| 09.06 |
De leerlingen analyseren oorzaken en gevolgen van het versterkt broeikaseffect. |
09.05 |
De leerlingen leggen oorzaken en gevolgen van het versterkt broeikaseffect uit. |
09.02 |
De leerlingen illustreren oorzaken en gevolgen van het versterkt broeikaseffect. |
| 09.07 |
De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in. |
09.06 |
De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in. |
09.03 |
De leerlingen zetten geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in. |
| 09.08 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de tweede graad aan bod komen. |
09.07 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de tweede graad aan bod komen. |
09.04 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de tweede graad aan bod komen. |
| 09.09 |
De leerlingen illustreren de invloed van de persoonlijke en maatschappelijke context van mensen op ruimtelijke beeldvorming.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
09.08 |
De leerlingen illustreren de invloed van de persoonlijke en maatschappelijke context van mensen op ruimtelijke beeldvorming.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
09.05 |
De leerlingen illustreren de invloed van de persoonlijke en maatschappelijke context van mensen op ruimtelijke beeldvorming.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 10: Competenties inzake duurzaamheid |
| Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met andere sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 6 ‘Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie’, sleutelcompetentie 7 ‘Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven’, sleutelcompetentie 9 ‘Competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 11: Financiële en economische competenties |
| Sleutelcompetentie 12: Juridische competenties |
| Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 7 ‘Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven’, sleutelcompetentie 11 ‘Economische en financiële competenties’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 13: Leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken |
| 13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch en vakspecifiek over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch en vakspecifiek over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch en vakspecifiek over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
| 13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 14: Zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid |
| Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 1 ‘Competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid’, sleutelcompetentie 5 ‘Sociaal-relationele competenties’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 15: Ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties |
| 15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 16: Cultureel bewustzijn en culturele expressie |
| 16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
BIJLAGE
(
01/09/2023
-
...
)
Bijlage 2 - eindtermen voor de derde graad doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit en arbeidsmarktfinaliteit
De onderstaande teksten zijn in hun globaliteit de eindtermen die conform de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, letterlijk worden opgenomen in de leerplannen.
| Eindtermen doorstroomfinaliteit 3de graad |
Eindtermen dubbele finaliteit 3de graad |
Eindtermen arbeidsmarktfinaliteit 3de graad |
| Sleutelcompetentie 1: Competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en gezondheid |
| 01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
01.01 |
De leerlingen passen technieken voor levensreddend handelen toe in een gesimuleerde leeromgeving. |
| 01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.02 |
De leerlingen ontwikkelen gezondheidsvaardigheden in functie van hun fysiek en mentaal welzijn binnen verschillende thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgehvingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgevingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.03 |
De leerlingen voeren conform de beweegrichtlijnen in verschillende bewegingsomgevingen activiteiten uit in verschillende individuele, interactieve en ritmisch expressieve bewegingsdomeinen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals bewegingsomgevingen en bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.04 |
De leerlingen ontwikkelen kracht, lenigheid, uithouding, snelheid, coördinatie en evenwicht, rekening houdend met de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
| 01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
01.05 |
De leerlingen voeren motorische basisvaardigheden uit, rekening houdend met ergonomische principes en de evolutie van hun fysieke capaciteiten. |
| 01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.06 |
De leerlingen passen tactieken en principes toe met respect voor de afgesproken regels en rollen in sport en spel.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
01.07 |
De leerlingen hanteren in verschillende rollen in sport en spel principes van verantwoord en veilig gedrag.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context (zoals de bewegingsdomeinen) waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 2: Competenties in het Nederlands |
| 02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Complexe, niet altijd herkenbare structuur
- Niet altijd herkenbare samenhang
- Standaardnederlands en andere taalvariëteiten
- Frequente en laagfrequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Algemene en abstracte inhoud
- Vrij hoge tot hoge informatiedichtheid
- Langere, complexere zinnen
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Teksten met een minder duidelijke tot complexe lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal tot hoog spreektempo |
02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Complexe structuur
- Herkenbare samenhang
- Standaardnederlands en andere taalvariëteiten
- Frequente en laagfrequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Concrete tot algemene inhoud
- Gemiddelde tot vrij hoge informatiedichtheid
- Langere, complexere zinnen
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal spreektempo |
02.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie:
- Herkenbare structuur
- Herkenbare samenhang en duidelijke verbanden
- Standaardnederlands, soms andere taalvariëteiten
- Frequente en minder frequente woorden
- Eenvoudig figuurlijk taalgebruik
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Gemiddelde informatiedichtheid
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Normaal spreektempo |
| 02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid, correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid, correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
02.02 |
De leerlingen beoordelen doelgericht informatie op betrouwbaarheid, correctheid en bruikbaarheid bij het lezen en luisteren. |
| 02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
02.03 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie |
| 02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten van de geproduceerde tekst
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten van de geproduceerde tekst
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
02.04 |
De leerlingen nemen notities bij het lezen en beluisteren van teksten.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten van de geproduceerde tekst
- Inhoud en vorm afgestemd op het doel en op de doelgroep |
| 02.05 |
De leerlingen vatten doelgericht een geschreven tekst schriftelijk samen.
Tekstkenmerken voor schriftelijke receptie Minimumvereisten van de geproduceerde tekst:
- Duidelijke tekstopbouw
- Duidelijke tekststructuur
- Duidelijke tekstverbanden
- Gepaste lay-out
- Herformulering op het vlak van woordgebruik en zinsbouw
- Taal afgestemd op het doel en de doelgroep |
02.05 |
De leerlingen vatten doelgericht een geschreven tekst schriftelijk samen.
Tekstkenmerken voor schriftelijke receptie Minimumvereisten van de geproduceerde tekst:
Herformulering op het vlak van woordgebruik en zinsbouw |
|
|
| 02.06 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht.
Minimumvereisten voor productie:
- Duidelijke tekstopbouw
- Gepaste tekststructuur; vaste tekststructuren
- Duidelijke tekstverbanden
- Frequente en laagfrequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Gepast register
- Algemene of abstracte inhoud
- Vrij hoge tot hoge informatiedichtheid
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Tekstopbouwende elementen
- Gepaste lay-out
- Standaardnederlands met aandacht voor spelling, interpunctie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Standaardnederlands met aandacht voor uitspraak, intonatie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid Met behulp van ondersteunende middelen |
02.06 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht.
Minimumvereisten voor productie:
- Herkenbare tekstopbouw
- Gepaste tekststructuur; vaste tekststructuren
- Herkenbare tekstverbanden
- Frequente en laagfrequente woorden
- Figuurlijk taalgebruik
- Gepast register
- Concrete tot algemene inhoud
- Gemiddelde tot vrij hoge informatiedichtheid
- Grote variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Tekstopbouwende elementen
- Gepaste lay-out
- Standaardnederlands met aandacht voor spelling, interpunctie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Standaardnederlands met aandacht voor uitspraak, intonatie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid Met behulp van ondersteunende middelen |
02.05 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht.
Minimumvereisten voor productie:
- Herkenbare tekstopbouw
- Gepaste en herkenbare tekststructuur
- Herkenbare tekstverbanden
- Frequente tot minder frequente woorden
- Gepast register
- Concrete inhoud
- Gemiddelde informatiedichtheid
- Langere en samengestelde zinnen
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Gepaste lay-out
- Standaardnederlands met aandacht voor spelling, interpunctie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Varianten van het Nederlands waaronder het Standaardnederlands met aandacht voor uitspraak, intonatie, woordkeuze, zinsbouw, helderheid, adequaatheid, correctheid en vlotheid Met behulp van ondersteunende middelen |
| 02.07 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.07 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.06 |
De leerlingen drukken zich creatief uit met taal. Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.08 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.08 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.07 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
| 02.09 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.09 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.08 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 2.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.10 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.10 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
02.09 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
| 02.11 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Herkomst van woorden
- Woordvolgorde: tangconstructie
- Betekenisrelaties
- Gevoelswaarde van woorden: connotatie en denotatie
- Vormen van humor
- Spelling van in te zetten woorden |
02.11 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Herkomst van woorden
- Gevoelswaarde van woorden: eufemisme en dysfemisme
- Vormen van humor
- Zinsdelen: handelend voorwerp
- Zinssoorten: actieve en passieve zinnen
- Spelling van in te zetten woorden |
02.10 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Gevoelswaarde van woorden
- Beeldspraak
- Vormen van humor
- Spelling van in te zetten woorden |
| 02.12 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Tekstopbouwende elementen: paragraaf
- Vaste tekststructuren
- Tekstconventies
- Effecten van multimediale elementen
- Elementen van argumentatie: drogreden |
02.12 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Vaste tekststructuren
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Effecten van multimediale elementen
- Elementen van argumentatie: tegenargument, drogreden |
02.11 |
De leerlingen passen inzicht in taalgebruik toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Talige elementen om tekstverbanden uit te drukken
- Elementen van argumentatie: argument, tegenargument, conclusie |
| 02.13 |
De leerlingen analyseren het effect van taaluitingen, taalvariëteiten en talen op identiteitsvorming en sociale omgang. |
02.13 |
De leerlingen illustreren het effect van taaluitingen, taalvariëteiten en talen op identiteitsvorming en sociale omgang. |
02.12 |
De leerlingen illustreren de relatie tussen taal en identiteitsvorming. |
| 02.14 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.14 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.13 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 02.15 |
De leerlingen analyseren hoe in literaire teksten betekenissen worden gecreëerd met narratieve, retorische, poëticale en theatrale structuren en technieken.
Onderliggende (kennis)elementen:
- De relatie van literaire teksten tot literaire stromingen en periodes
- Personages: flat character, round character
- Vertelperspectief
- Stijlfiguren: personificatie, enjambement
- Assonantie
- Gelaagdheid
- Elementen van opvoeringsanalyse Tekstkenmerken
- Grote variatie aan genres |
|
|
|
|
| 02.16 |
De leerlingen gaan in interactie over de relevantie van literaire teksten voor hun leefwereld, voor de samenleving waarin ze leven en voor de samenleving waarin de teksten ontstonden.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
02.15 |
De leerlingen gaan in interactie over de relevantie van literaire teksten voor hun leefwereld, voor de samenleving waarin ze leven en voor de samenleving waarin de teksten ontstonden. |
02.14 |
De leerlingen gaan in mondelinge interactie over de relevantie van literaire teksten voor hun leefwereld. |
| Sleutelcompetentie 3: Competenties in andere talen |
| 03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie:
- Tekststructuur met een zekere mate van complexiteit
- Vrij grote en herkenbare samenhang
- Hoofdzakelijk frequente en minder frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een brede waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke en educatieve domein |
03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans Tekstkenmerken voor receptie:
- Tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit
- Vrij grote en herkenbare samenhang
- Hoofdzakelijk frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke, professionele en educatieve domein |
03.01 |
De leerlingen bepalen het onderwerp en de hoofdgedachte bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie:
- Zeer eenvoudige, herkenbare tekststructuur
- Grote samenhang
- Hoofdzakelijk frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen uit een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke, educatieve en professionele domein |
| |
- Vrij concrete tot vrij algemene of abstracte inhoud
- Vrij hoge informatiedichtheid
- Zinsbouw met een zekere mate van complexiteit
- Vrij lange teksten
- Ruime variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Vrij duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Met achtergrondruis
- Normaal spreektempo
- Natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met lichte afwijking ten opzichte van de standaardtaal |
|
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Niet al te hoge informatiedichtheid
- Zinsbouw met een beperkte mate van complexiteit
- Vrij korte en af en toe iets langere teksten
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Vrij duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Met een beperkte mate van achtergrondruis
- Normaal spreektempo met weinig pauzes
- Ondersteunende maar natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met lichte afwijking ten opzichte van de standaardtaal |
|
- Concrete of specifieke inhoud
- Lage informatiedichtheid
- Eenvoudige zinsbouw
- Beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke receptie:
- Duidelijke lay-out
Bijkomend voor mondelinge receptie:
- Weinig achtergrondruis
- Normaal spreektempo met pauzes
- Ondersteunende maar natuurlijke intonatie
- Heldere uitspraak, duidelijke articulatie
- Met visuele ondersteuning
- Met ondersteuning van non-verbaal gedrag |
| 03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans Tekstkenmerken voor receptie |
03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans Tekstkenmerken voor receptie |
03.02 |
De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans Tekstkenmerken voor receptie |
| 03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Gepaste en duidelijk herkenbare tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit
- Duidelijk herkenbare tekstverbanden
- Beheersing van hoofdzakelijk frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om zich uit te drukken over een brede waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke en educatieve domein al kunnen lexicale beperkingen leiden tot herhaling, tot omhaal van woorden en tot moeite met formulering
- Vrij concrete tot vrij algemene of abstracte inhoud
- Over het algemeen goede beheersing van eerder en nieuwverworven grammaticale structuren, maar met merkbare invloed vanuit de moedertaal; fouten komen voor, maar begrip van boodschap door ontvanger komt meestal niet in het gedrang |
03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht. Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Gepaste en herkenbare tekststructuur
- Duidelijk herkenbare tekstverbanden
- Beheersing van frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om zich uit te drukken over een beperkte waaier aan relevante thema’s binnen het persoonlijke, publieke, professionele en educatieve domein, al kunnen lexicale beperkingen leiden tot herhaling, tot omhaal van woorden en tot moeite met formulering
- Concrete tot vrij algemene inhoud
- Over het algemeen redelijk goede beheersing van eerder en nieuwverworven grammaticale structuren, maar met merkbare invloed vanuit de moedertaal; fouten komen voor, maar begrip van boodschap door ontvanger komt meestal niet in het gedrang
- Enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen |
03.03 |
De leerlingen spreken en schrijven doelgericht met behulp van aangereikte zinnen, sleutelwoorden of een voorbeeld.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Minimumvereisten voor productie:
- Redelijk herkenbare samenhang
- Concrete inhoud
- Gepast register
- Variatie aan tekstsoorten
- Met behulp van ondersteunende middelen
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Beheersing van hoofdzakelijk transparante woorden, de meest frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om te voldoen aan de meest elementaire communicatiebehoeften binnen een zeer beperkte waaier aan relevante thema’s uit het persoonlijke, publieke, educatieve en professionele domein
- Beperkte beheersing van eenvoudige grammaticale constructies en zinspatronen uit een aangeleerd repertoire |
| |
- Zinsbouw met een beperkte mate van complexiteit
- Gepast register
- Vrij korte teksten en af en toe langere teksten
- Ruime variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Duidelijk herkenbare tekstopbouw en tekstopbouwende elementen: titel, alinea
- Gepaste lay-out
- Heldere doorlopende tekst die over het algemeen te begrijpen is; spelling, leestekengebruik en lay-out staan tekstbegrip niet in de weg
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak is over het algemeen duidelijk te verstaan en begrip van de boodschap komt meestal niet in het gedrang ondanks mogelijke uitspraakfouten
- Kan zich betrekkelijk vlot uitdrukken ondanks mogelijke pauzes of herstelacties Met behulp van ondersteunende middelen |
|
- Gepast register
- Vrij beperkte lengte
- Variatie aan tekstsoorten
Bijkomend voor schriftelijke productie:
- Duidelijk herkenbare tekstopbouw en tekstopbouwende elementen: titel, alinea
- Gepaste lay-out
- Heldere doorlopende tekst die over het algemeen te begrijpen is; spelling, leestekengebruik en lay-out staan tekstbegrip niet in de weg
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak is over het algemeen duidelijk te verstaan en begrip van de boodschap komt meestal niet in het gedrang ondanks mogelijke uitspraakfouten
- Kan zich betrekkelijk vlot uitdrukken ondanks regelmatige pauzes of herstelacties Met behulp van ondersteunende middelen |
|
- Gebruik van hoogfrequente signaalwoorden: chronologisch verloop, opsomming
- Zeer beperkte lengte
- Korte woorden en frasen uit het aangeleerde lexicale repertoire zijn correct overgeschreven
Bijkomend voor mondelinge productie:
- Beheersing van frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen om te voldoen aan elementaire communicatiebehoeften binnen een beperkte waaier aan relevante thema’s uit het persoonlijke, publieke, educatieve en professionele domein
- Beheersing van bepaalde eenvoudige grammaticale constructies, ondanks het stelselmatig maken van elementaire fouten; begrip van boodschap door ontvanger komt meestal niet in het gedrang
- Hoogfrequente signaalwoorden: chronologisch verloop, opsomming, oorzaak, tegenstelling
- Beperkte lengte
- Gepaste lichaamstaal
- Uitspraak is over het algemeen voldoende helder om te worden verstaan ondanks een duidelijk accent, maar gesprekspartners zullen regelmatig om herhaling moeten vragen
- Vrij vlot gebruik van frequente woorden, woordcombinaties en vaste uitdrukkingen, ondanks duidelijke aarzelingen en valse starts |
| 03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge en schriftelijke interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij taalhandelingen
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- Kan onvoorbereid met enig vertrouwen communiceren in minder alledaagse situaties
- Kan een gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen
- Kan ingrijpen in een discussie en de juiste frase gebruiken om aan het woord te komen |
03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge en schriftelijke interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij taalhandelingen
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- Kan onvoorbereid deelnemen aan een eenvoudig gesprek, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en zinnen
- Kan een eenvoudig gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen
- Kan elementen uit het gesprek herhalen om begrip te bevestigen |
03.04 |
De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie
Bijkomend voor mondelinge en schriftelijke interactie:
- Gepaste beleefdheidsconventies bij de meest elementaire alledaagse taalhandelingen
Bijkomend voor mondelinge interactie:
- De communicatie is afhankelijk van herhaling, herformulering en herstel; met ondersteuning om het gesprek gaande te houden |
| 03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.05 |
De leerlingen zetten doelgericht strategieën in ter ondersteuning van informatieverwerking en communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Voetnoot:
Dit minimumdoel wordt doelgericht ingezet in functie van alle andere minimumdoelen binnen sleutelcompetentie 3.
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels en in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
03.06 |
De leerlingen zetten eerder en nieuwverworven woordenschat in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
In het Engels of in het Frans
Tekstkenmerken voor receptie
Minimumvereisten voor productie |
| 03.07 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande elementen gelden voor het Frans én het Engels, tenzij gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans of het Engels gelden door de aanduiding van respectievelijk [F] of [E].
- Voornaamwoorden: plaats van de meest frequente combinaties [F]
- Werkwoorden: gérondif [F]; frequente vormen van conditionnel passé [F]; subjonctif présent [F]; gerund [E]
- Frequente semi-auxiliaires [F], semi-auxiliaries [E]
- Voorzetsels en voorzetselgroepen
- Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden
- Bijwoorden: op -ment [F], -ly [E] en andere vormen, trappen van vergelijking
- Indirecte vraag en rede
- Actieve en passieve zinnen
- Gebruik van de subjonctif na werkwoorden
(sentiment, volonté, nécessité) [F]
- Spelling van in te zetten woorden |
03.07 |
De leerlingen passen inzicht in het taalsysteem toe ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande elementen gelden voor het Frans én het Engels, tenzij gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans of het Engels gelden door de aanduiding van respectievelijk [F] of [E].
- Voornaamwoorden: persoonlijk (met nadruk [F]), onbepaald, betrekkelijk, en [F], y [F]
- Hoofd- en rangtelwoorden
- Werkwoorden: conditionnel présent [F], going to future [E]; do om iets te benadrukken [E]
- Frequente modal verbs [E]
- Frequente voorzetselgroepen
- Genitiefvormen [E]
- Frequente onderschikkende voegwoorden
- Betrekkelijke bijzinnen met qui, que, dont, où [F]; met that, who, whose, which, when, where, why [E]
- The conditional (realis) [E]
- Uitspraak:
- Specifieke grafieën en klanken
- Liaison, enchaînement [F]
- Letters van het alfabet
- Zinsklemtoon
- Spelling van in te zetten woorden |
03.07 |
De leerlingen zetten aspecten van het taalsysteem in ter ondersteuning van hun communicatieve handelingen.
Onderliggende (kennis)elementen:
Onderstaande kenniselementen gelden voor het Frans of het Engels, afhankelijk van de keuze van het schoolbestuur of de scholengroep om Frans of Engels aan te bieden. Waar gespecificeerd dat ze enkel voor het Frans gelden, door de aanduiding [F], zijn ze enkel van toepassing indien het schoolbestuur of de scholengroep voor het Frans kiest.
- Voornaamwoorden: pronom tonique [F]
- Frequente rangtelwoorden
- Werkwoorden: imperatief
- Frequente nevenschikkende en hoogfrequente onderschikkende voegwoorden
- Frequente bijwoorden
- Bouw van eenvoudige samengestelde zinnen: nevenschikking, onderschikking
- Bevelende, uitroepende zinnen |
| 03.08 |
De leerlingen geven bij het lezen en beluisteren van teksten overeenkomsten en verschillen aan tussen de eigen en andere maatschappijen en culturen, waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans |
03.08 |
De leerlingen geven bij het lezen en beluisteren van teksten overeenkomsten en verschillen aan tussen de eigen en andere maatschappijen en culturen, waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans |
03.08 |
De leerlingen illustreren bij het lezen en beluisteren van teksten kenmerkende aspecten van maatschappijen en culturen waarin de doeltaal wordt gesproken.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans |
| 03.09 |
De leerlingen verwoorden de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten in de doeltaal.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.09 |
De leerlingen drukken de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten uit.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels en in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
03.09 |
De leerlingen drukken de eigen beleving en interpretatie van literaire teksten uit.
Onderliggende (kennis)elementen:
Teksten in het Engels of in het Frans
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 4: Digitale competentie en mediawijsheid |
| 04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.01 |
De leerlingen gebruiken doelgericht courante functionaliteiten van vergelijkbare toepassingen om digitale inhouden te creëren.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 04.02 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.02 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
04.02 |
De leerlingen respecteren ethische, sociale en legale regels bij het gebruiken van digitale technologie.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 5: Sociaal-relationele competenties |
| 05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
05.01 |
De leerlingen gaan respectvol en constructief met anderen in interactie rekening houdend met elkaars grenzen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (wiskunde) |
| 06.01 |
De leerlingen rekenen met reële getallen. Onderliggende (kennis)elementen:
- Machten met rationale exponent, n-de machtswortels en logaritmen met willekeurig grondtal met rekenregels en eigenschappen met symbolen |
06.01 |
De leerlingen rekenen met reële getallen. Onderliggende (kennis)elementen:
- Machten met rationale exponent, n-de machtswortels en logaritmen met willekeurig grondtal |
06.01 |
De leerlingen voeren met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met gehele getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met betekenisvolle contexten van de derde graad. |
| |
|
|
|
06.02 |
De leerlingen ronden zinvol af en schatten resultaten van bewerkingen in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met bewerkingen en betekenisvolle contexten van de derde graad. |
| |
|
|
|
06.03 |
De leerlingen interpreteren grafieken, tabellen, diagrammen en (woord)formules in betekenisvolle contexten.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Samenhang tussen voorstellingswijzen
- Lineaire en niet-lineaire groei
- Relatieve en absolute frequenties
- Misleidingen |
| 06.02 |
De leerlingen brengen met behulp van de grafiek, kenmerken van een functie in verband met de betekenisvolle situatie die door de functie beschreven wordt. |
06.02 |
De leerlingen brengen met behulp van de grafiek, kenmerken van een functie in verband met de betekenisvolle situatie die door de functie beschreven wordt. |
|
|
| 06.03 |
De leerlingen interpreteren de afgeleide als limiet van een differentiequotiënt en als richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de grafiek. |
06.03 |
De leerlingen bepalen en vergelijken gemiddelde veranderingen over intervallen met behulp van differentiequotiënten. |
|
|
| 06.04 |
De leerlingen leggen grafisch het verband tussen een functie en haar afgeleide functie. |
|
|
|
|
| 06.05 |
De leerlingen analyseren kenmerken van de functie f(x)=a^x: domein, bereik, stijgen/dalen, toenemende stijging/afnemende daling, horizontale asymptoot en gedrag op oneindig. |
06.04 |
De leerlingen analyseren kenmerken van de functie f(x)=b.a^x: stijgen/dalen, toenemende stijging/afnemende daling en gedrag op oneindig. |
|
|
| 06.06 |
De leerlingen gebruiken modellen voor exponentiële groei.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Beginwaarde, groeifactor |
06.05 |
De leerlingen gebruiken modellen voor exponentiële groei.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Beginwaarde, groeifactor |
|
|
| 06.07 |
De leerlingen gebruiken transformaties van de vorm f(x) + k en k·f(x) om de grafiek van een algemene exponentiële functie f(x)=b·a^x+c op te bouwen vanuit de grafiek van f(x)=a^x. |
|
|
|
|
| 06.08 |
De leerlingen tekenen de grafiek van de functie f(x)=sin x vanuit de goniometrische cirkel. |
|
|
|
|
| 06.09 |
De leerlingen gebruiken transformaties van de vorm f(x)+k, f(x-k), f(x/k) en k·f(x) om de grafiek van een algemene sinusfunctie f(x)= a·sin[b(x-c)]+d op te bouwen vanuit de grafiek van f(x)=sin x. |
|
|
|
|
| 06.10 |
De leerlingen analyseren kenmerken van een algemene sinusfunctie aan de hand van de grafiek: domein, bereik, nulwaarden, tekenverloop, stijgen/dalen, extrema, symmetrie, periodiciteit en amplitude. |
|
|
|
|
| 06.11 |
De leerlingen lossen vergelijkingen grafisch op met behulp van ICT. |
|
|
|
|
| 06.12 |
De leerlingen gebruiken rekenkundige en meetkundige rijen om patronen te beschrijven.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Recursief voorschrift, formule voor de algemene term
- Formule voor de som van de eerste n termen |
|
|
|
|
| 06.13 |
De leerlingen bepalen kansen met behulp van kruistabellen, boomdiagrammen en de wet van Laplace.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Verband tussen relatieve frequentie en kans |
06.06 |
De leerlingen bepalen kansen met behulp van boomdiagrammen en de wet van Laplace.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Verband tussen relatieve frequentie en kans |
06.05 |
De leerlingen interpreteren kansen in betekenisvolle contexten. |
| 06.14 |
De leerlingen verklaren het belang van randomisatie en representativiteit bij steekproeven voor het formuleren van statistische besluiten over een populatie.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Variabiliteit van steekproeven
- Aselecte steekproef |
06.07 |
De leerlingen verklaren het belang van representativiteit bij steekproeven voor het formuleren van statistische besluiten over een populatie. |
|
|
| 06.15 |
De leerlingen leggen in concrete situaties het verschil uit tussen samenhang en causaliteit. |
06.08 |
De leerlingen leggen in concrete situaties het verschil uit tussen samenhang en causaliteit. |
06.04 |
De leerlingen benoemen het verschil tussen samenhang en causaliteit in betekenisvolle contexten.
Voetnoot:
Rekening houdend met betekenisvolle contexten van de derde graad. |
| 06.16 |
De leerlingen gebruiken de normale verdeling als continu model bij gegeven data.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Grafische beoordeling van de toepasbaarheid van het model |
06.09 |
De leerlingen gebruiken de normale verdeling als continu model bij gegeven data.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Grafische beoordeling van de toepasbaarheid van het model |
|
|
| |
- Rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de gegeven data als schatting voor de parameters van het model
- Grafische betekenis van gemiddelde en standaardafwijking van een normaal verdeelde kansvariabele in termen van de Gausskromme |
|
- Rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de gegeven data als schatting voor de parameters van het model
- Grafische betekenis van gemiddelde en standaardafwijking van een normaal verdeelde kansvariabele in termen van de Gausskromme |
|
|
| 06.17 |
De leerlingen berekenen kansen bij een normaal verdeelde kansvariabele. |
06.10 |
De leerlingen berekenen kansen bij een normaal verdeelde kansvariabele. |
|
|
| 06.18 |
De leerlingen beargumenteren wiskundige redeneringen.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
|
|
|
|
| 06.19 |
De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de derde graad. |
06.11 |
De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de derde graad. |
|
|
| 06.20 |
De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
06.12 |
De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
06.06 |
De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.
Voetnoot:
Rekening houdend met wiskundige concepten en vaardigheden en met betekenisvolle contexten van de derde graad. |
| 06.21 |
De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
06.13 |
De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
|
|
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (wetenschappen) |
| 06.22 |
De leerlingen leggen het verband tussen celtypen en hun functie in weefsels en organen met inbegrip van celademhaling en fotosynthese. |
|
|
|
|
| 06.23 |
De leerlingen leggen het belang van mitose en meiose uit voor groei en doorgeven van erfelijk materiaal. |
|
|
|
|
| 06.24 |
De leerlingen leggen uit dat het immuunsysteem bij de mens noodzakelijk is om te overleven.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Specifieke en niet-specifieke afweer |
|
|
|
|
| 06.25 |
De leerlingen lichten bij de mens de bevruchting en factoren toe die de ontwikkeling van embryo en foetus beïnvloeden. |
06.14 |
De leerlingen lichten bij de mens de bevruchting en factoren toe die de ontwikkeling van embryo en foetus beïnvloeden. |
06.08 |
De leerlingen illustreren de invloed van gezondheidsgedrag en leefmilieu op de ontwikkeling van embryo en foetus. |
| 06.26 |
De leerlingen lichten toe hoe hormonale regeling en gezondheidsgedrag de vruchtbaarheid bij de mens beïnvloeden. |
06.15 |
De leerlingen illustreren bij de mens hoe hormonale regelingen gezondheidsgedrag de vruchtbaarheid beïnvloeden. |
06.07 |
De leerlingen lichten de beheersing van de vruchtbaarheid bij de mens toe. |
| 06.27 |
De leerlingen lichten de structuur van genetische informatie toe en de wetmatigheden bij overerven.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Gen als drager van genetische informatie |
06.16 |
De leerlingen leggen het overerven en de expressie van kenmerken bij organismen uit. |
06.09 |
De leerlingen illustreren het overerven van kenmerken bij organismen. |
| 06.28 |
De leerlingen leggen uit hoe genetische informatie tot expressie komt en hoe die informatie beïnvloed kan worden door de mens. |
|
|
|
|
| 06.29 |
De leerlingen verklaren met wetenschappelijk onderbouwde argumenten biologische evolutie. |
06.17 |
De leerlingen verklaren met wetenschappelijk onderbouwde argumenten biologische evolutie. |
06.10 |
De leerlingen geven voorbeelden van natuurlijke selectie als mogelijke oorzaak voor biologische evolutie. |
| 06.30 |
De leerlingen leggen natuurlijke selectie uit als een evolutieproces dat de genetische samenstelling van een populatie kan wijzigen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Tree of life
- Biologische soort |
06.18 |
De leerlingen leggen natuurlijke selectie uit als een evolutieproces dat de genetische samenstelling van een populatie kan wijzigen.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Biologische soort |
|
|
| |
|
06.19 |
De leerlingen verklaren de chemische informatie op product- en materiaallabels in functie van veiligheid, gezondheid en leefmilieu.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Chemische eigenschappen en risico’s van oplosmiddelen en zuren
- Voedingsbestanddelen
- Dosis en concentratie van stoffen in relatie tot gebruik |
|
|
| 06.31 |
De leerlingen brengen de structuur van eenvoudige organische moleculen en van kunststoffen in verband met eigenschappen of toepassingen. |
06.23 |
De leerlingen verklaren aan de hand van eigenschappen van permanente magneten en elektromagneten fenomenen of toepassingen uit het dagelijks leven. |
|
|
| 06.32 |
De leerlingen tonen aan de hand van de structuur het belang van (poly)sachariden, lipiden en proteïnen aan voor biologische processen. |
|
|
|
|
| 06.33 |
De leerlingen leggen structuur en toepassingsmogelijkheden van nanomaterialen uit. |
|
|
|
|
| 06.34 |
De leerlingen interpreteren de dynamiek van een chemische reactie en beïnvloedende factoren. |
|
|
|
|
| 06.35 |
De leerlingen reflecteren over aangereikte toepassingen of processen in het kader van duurzame chemie. |
06.20 |
De leerlingen reflecteren over aangereikte toepassingen of processen in het kader van duurzame chemie. |
|
|
| 06.36 |
De leerlingen lossen fysische problemen met en zonder formularium op.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
|
|
|
|
| 06.37 |
De leerlingen lichten eigenschappen van elektrische krachtwerking toe. |
|
|
|
|
| 06.38 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen van permanente magneten, elektromagneten en elektromagnetische inductie. |
|
|
|
|
| 06.39 |
De leerlingen verklaren het effect van inwerkende krachten op de bewegingsverandering van een systeem in één en twee dimensies aan de hand van de drie wetten van Newton. |
|
|
|
|
| 06.40 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen van trillingen en golven met inbegrip van geluid, de decibelschaal en het elektromagnetisch spectrum.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Kenmerken van een harmonische trilling
- Verband tussen frequentie, golflengte en golfsnelheid
- Golf als energietransport |
06.22 |
De leerlingen verklaren aan de hand van eigenschappen van golven fenomenen of toepassingen uit het dagelijks leven.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Geluid: decibelschaal en veiligheidsaspecten |
06.11 |
De leerlingen verklaren fenomenen of toepassingen uit het dagelijkse leven aan de hand van snelheid, kracht, hefboom, druk, zichtbaar licht, straling of elektriciteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 06.41 |
De leerlingen beschrijven kernfusie en kernsplitsing in het kader van energievoorziening met bijbehorende veiligheidsaspecten. |
06.21 |
De leerlingen beschrijven kernfusie en kernsplitsing in het kader van energievoorziening met bijbehorende veiligheidsaspecten. |
|
|
| 06.42 |
De leerlingen lichten het spontaan radioactief verval van isotopen toe en de effecten van de vrijgekomen ioniserende straling op organismen. |
|
|
|
|
| Sleutelcompetentie 6: Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie (STEM) |
| 06.43 |
De leerlingen werken op een veilige en duurzame manier met materialen, stoffen, organismen en technische systemen. |
06.24 |
De leerlingen werken op een veilige en duurzame manier met materialen, stoffen, organismen en technische systemen. |
|
|
| 06.44 |
De leerlingen voeren onderzoek aan de hand van een wetenschappelijke methode om kennis te ontwikkelen en om vragen te beantwoorden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
06.25 |
De leerlingen voeren onderzoek aan de hand van een wetenschappelijke methode om kennis te ontwikkelen en om vragen te beantwoorden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad. |
|
|
| 06.45 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.26 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.12 |
De leerlingen ontwerpen een oplossing voor een probleem door wetenschappen, technologie of wiskunde geïntegreerd aan te wenden.
Voetnoot:
Rekening houdend met concepten van de derde graad en de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
| 06.46 |
De leerlingen analyseren de wisselwerking tussen wetenschappen, technologie, wiskunde en de maatschappij aan de hand van maatschappelijke uitdagingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
06.27 |
De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen wetenschappen, technologie, wiskunde en de maatschappij aan de hand van maatschappelijke uitdagingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin dit minimumdoel aan bod komt. |
|
|
| Sleutelcompetentie 7: Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven |
| 07.01 |
De leerlingen reflecteren over de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin. |
07.01 |
De leerlingen reflecteren over de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin. |
07.01 |
De leerlingen reflecteren over de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin. |
| 07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.02 |
De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.03 |
De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
07.04 |
De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 8: Competenties met betrekking tot historisch bewustzijn |
| 08.01 |
De leerlingen bouwen een historisch referentiekader op met structuurbegrippen, scharnierpunten en kenmerken eigen aan de moderne en de hedendaagse tijd. |
08.01 |
De leerlingen bouwen een historisch referentiekader op met structuurbegrippen, scharnierpunten en kenmerken eigen aan de moderne en de hedendaagse tijd. |
08.01 |
De leerlingen situeren historische fenomenen in tijd en ruimte op een gegeven tijdlijn met de courante historische periodes en op een kaart. |
| 08.02 |
De leerlingen lichten verbanden toe tussen de maatschappelijke domeinen voor westerse en niet-westerse samenlevingen uit de moderne en de hedendaagse tijd. |
08.02 |
De leerlingen lichten verbanden toe tussen de maatschappelijke domeinen voor westerse en niet-westerse samenlevingen uit de moderne en de hedendaagse tijd. |
|
|
| 08.03 |
De leerlingen lichten kenmerken toe van interculturele contacten tussen westerse en niet-westerse samenlevingen uit de moderne en de hedendaagse tijd. |
08.03 |
De leerlingen lichten kenmerken toe van interculturele contacten tussen westerse en niet-westerse samenlevingen uit de moderne en de hedendaagse tijd. |
|
|
| 08.04 |
De leerlingen vergelijken kenmerken van bestudeerde samenlevingen in eenzelfde periode en tussen periodes. |
08.04 |
De leerlingen vergelijken kenmerken van bestudeerde samenlevingen in eenzelfde periode en tussen periodes. |
|
|
| 08.05 |
De leerlingen reflecteren over verschillen tussen periodiseringen in tijd en ruimte. |
08.05 |
De leerlingen vergelijken de courante westerse periodisering met andere periodiseringen in tijd en ruimte.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
|
|
| 08.06 |
De leerlingen analyseren kritisch historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
08.06 |
De leerlingen analyseren kritisch historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
08.02 |
De leerlingen vergelijken bronnen over historische fenomenen met aandacht voor betrouwbaarheid. |
| 08.07 |
De leerlingen beantwoorden een historische vraag aan de hand van historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes en historische redeneerwijzen. |
08.07 |
De leerlingen beantwoorden een historische vraag aan de hand van historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes en historische redeneerwijzen. |
|
|
| 08.08 |
De leerlingen beoordelen voorbeelden van historische beeldvorming aan de hand van historische redeneerwijzen. |
|
|
|
|
| 08.09 |
De leerlingen lichten betekenissen toe die men geeft aan actuele fenomenen en historische fenomenen uit de bestudeerde periodes.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Persoonlijke betekenisgeving
- Collectieve herinneringen |
08.09 |
De leerlingen lichten betekenissen toe die men geeft aan historische fenomenen uit de bestudeerde periodes.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Persoonlijke betekenisgeving
- Collectieve herinneringen |
08.03 |
De leerlingen lichten betekenissen toe van historische fenomenen uit westerse en niet-westerse samenlevingen. |
| 08.10 |
De leerlingen analyseren de invloed van de eigen standplaatsgebondenheid en die van anderen op historische beeldvorming met betrekking tot de bestudeerde periodes. |
08.08 |
De leerlingen analyseren de invloed van de eigen standplaatsgebondenheid en die van anderen op historische beeldvorming met betrekking tot de bestudeerde periodes. |
08.04 |
De leerlingen lichten mythevorming van een historisch fenomeen toe. |
| Sleutelcompetentie 9: Competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn |
| 09.01 |
De leerlingen lichten het ontstaan en de evolutie van het heelal, het Zonnestelsel en van de Aarde in een tijd-ruimtekader toe. |
09.01 |
De leerlingen lichten het ontstaan en de evolutie van het heelal, het Zonnestelsel en van de Aarde in een tijd-ruimtekader toe. |
|
|
| 09.02 |
De leerlingen lichten de gelaagde opbouw en samenstelling van de aarde en de atmosfeer toe. |
09.02 |
De leerlingen lichten de gelaagde opbouw en samenstelling van de aarde en de atmosfeer toe. |
|
|
| 09.03 |
De leerlingen beschrijven kenmerken en verklaren gevolgen van rotatie en revolutie van Aarde en Maan. |
09.03 |
De leerlingen beschrijven kenmerken en verklaren gevolgen van rotatie en revolutie van de Aarde. |
09.03 |
De leerlingen beschrijven gevolgen van de bewegingen van de Aarde. |
| 09.04 |
De leerlingen beschrijven oorzaken van platentektoniek en verklaren de gevolgen ervan. |
09.04 |
De leerlingen beschrijven oorzaken en gevolgen van platentektoniek. |
09.02 |
De leerlingen beschrijven oorzaken, spreiding en gevolgen van natuurfenomenen. |
| 09.05 |
De leerlingen verklaren de werking en gevolgen van geomorfologische processen. |
09.05 |
De leerlingen lichten de werking en gevolgen van geomorfologische processen toe. |
|
|
| 09.06 |
De leerlingen lichten atmosferische processen toe aan de hand van neerslag, temperatuur en winden en de invloed van deze processen op weerpatronen. |
09.06 |
De leerlingen lichten atmosferische processen toe aan de hand van neerslag, temperatuur en winden. |
|
|
| 09.07 |
De leerlingen verklaren klimaatveranderingen vanuit geologisch perspectief. |
|
|
|
|
| 09.08 |
De leerlingen reflecteren over mogelijke maatregelen met betrekking tot klimaatverandering. |
09.07 |
De leerlingen reflecteren over mogelijke maatregelen met betrekking tot klimaatverandering. |
|
|
| 09.09 |
De leerlingen verklaren een landschap vanuit de landschapsgenese. |
09.08 |
De leerlingen verklaren een landschap vanuit de landschapsgenese. |
|
|
| 09.10 |
De leerlingen evalueren de inrichting van een gebied in het Vlaams Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op basis van principes van duurzame ontwikkeling. |
09.09 |
De leerlingen evalueren de inrichting van een gebied in het Vlaams Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op basis van principes van duurzame ontwikkeling. |
09.01 |
De leerlingen illustreren acties die een duurzaam ruimtegebruik mogelijk maken. |
| 09.11 |
De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
09.10 |
De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
09.04 |
De leerlingen zetten geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in.
Voetnoot:
Rekening houdend met de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 09.12 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de derde graad aan bod komen. |
09.11 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de derde graad aan bod komen. |
09.05 |
De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen, patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.
Voetnoot:
Rekening houdend met personen, plaatsen, patronen en processen die in de derde graad aan bod komen. |
| Sleutelcompetentie 10: Competenties inzake duurzaamheid |
| Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met andere sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 6 ‘Competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie’, sleutelcompetentie 7 ‘Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven’, sleutelcompetentie 9 ‘Competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 11: Financiële en economische competenties |
| 11.01 |
De leerlingen beargumenteren binnen een persoonlijk of gezinsbudget keuzes bij aankopen rekening houdend met de totale kostprijs en de financieringskost.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Belang van financiële engagementen op korte en lange termijn
- Eenmalige en terugkerende kosten
- Consumentenkrediet |
11.01 |
De leerlingen beargumenteren binnen een persoonlijk of gezinsbudget keuzes bij aankopen rekening houdend met de totale kostprijs en de financieringskost.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Belang van financiële engagementen op korte en lange termijn
- Eenmalige en terugkerende kosten
- Consumentenkrediet |
11.01 |
De leerlingen beargumenteren binnen een persoonlijk of gezinsbudget keuzes bij aankopen rekening houdend met de totale kostprijs en de financieringskost.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Belang van financiële engagementen op korte en lange termijn
- Eenmalige en terugkerende kosten
- Consumentenkrediet |
| 11.02 |
De leerlingen vergelijken sparen en beleggingsvormen op het vlak van risico en rendement.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Inflatie |
11.02 |
De leerlingen vergelijken sparen en beleggingsvormen op het vlak van risico en rendement.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Inflatie |
11.02 |
De leerlingen vergelijken sparen en beleggingsvormen op het vlak van risico en rendement.
Onderliggende (kennis)elementen:
- Inflatie |
| 11.03 |
De leerlingen lichten gevolgen van het werken met een arbeidsovereenkomst toe. |
11.03 |
De leerlingen lichten gevolgen van het werken met een arbeidsovereenkomst toe. |
11.03 |
De leerlingen lichten gevolgen van het werken met een arbeidsovereenkomst en de toegang tot de arbeidsmarkt toe. |
| 11.04 |
De leerlingen lichten verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij een schadegeval toe. |
11.04 |
De leerlingen lichten verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij een schadegeval toe. |
11.04 |
De leerlingen lichten verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij een schadegeval toe. |
| 11.05 |
De leerlingen illustreren het marktmechanisme op de productmarkt. |
11.05 |
De leerlingen illustreren het marktmechanisme op de productmarkt. |
|
|
| 11.06 |
De leerlingen lichten toe hoe de overheid via inkomsten en uitgaven een impact heeft op de samenleving en ongelijkheid tracht te beperken. |
11.06 |
De leerlingen lichten toe hoe de overheid via inkomsten en uitgaven een impact heeft op de samenleving en ongelijkheid tracht te beperken. |
11.05 |
De leerlingen lichten toe hoe de overheid via inkomsten en uitgaven een impact heeft op de samenleving en ongelijkheid tracht te beperken. |
| Sleutelcompetentie 12: Juridische competenties |
Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 7 ‘Burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven’,
sleutelcompetentie 11 ‘Economische en financiële competenties’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 13: Leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken |
| 13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch, vakspecifiek en vakoverschrijdend over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch, vakspecifiek en vakoverschrijdend over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
13.01 |
De leerlingen reflecteren cyclisch, vakspecifiek en vakoverschrijdend over het eigen leerproces en sturen het op basis daarvan doelgericht bij. |
| 13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.02 |
De leerlingen zetten (meta)cognitieve leer- en regulatiestrategieën in om zich leerinhouden eigen te maken.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.03 |
De leerlingen gebruiken school- en vaktaal. Voetnoot:
Vakterminologie relevant voor het realiseren van de eindtermen basisvorming en de specifieke eindtermen.
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
13.04 |
De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 14: Zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid |
| Omwille van de verwevenheid van deze sleutelcompetentie met sleutelcompetenties zoals sleutelcompetentie 1 ‘Competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid’, sleutelcompetentie 5 ‘Sociaal-relationele competenties’ zijn er geen aparte eindtermen geformuleerd. |
| Sleutelcompetentie 15: Ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties |
| 15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.01 |
De leerlingen doorlopen bewust hun studie- of beroepskeuzeproces.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
15.02 |
De leerlingen genereren creatieve ideeën om een probleem op te lossen en bespreken de uitvoerbaarheid ervan aan de hand van criteria.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| Sleutelcompetentie 16: Cultureel bewustzijn en culturele expressie |
| 16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.01 |
De leerlingen brengen kunst- en cultuuruitingen in verband met de context waarin ze voorkomen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.02 |
De leerlingen reflecteren over eigen beleving bij uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.03 |
De leerlingen lichten toe hoe een kunstwerk vanuit vorm en inhoud betekenis geeft.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
| 16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
16.04 |
De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding.
Voetnoot:
Rekening houdend met de ontwikkeling van leerlingen en de context waarin het minimumdoel aan bod komt. |
(
01/09/2023
-
...
)
Bijlage 3 - specifieke eindtermen voor de derde graad doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit
De onderstaande teksten zijn in hun globaliteit de specifieke eindtermen die conform de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, letterlijk worden opgenomen in de leerplannen.
OVERZICHT WETENSCHAPSDOMEINEN EN ONDERDELEN VANWETENSCHAPSDOMEINEN
1 Algemene doorstroomcompetenties
1.1 Generieke doorstroomcompetenties
1.2 Historisch bewustzijn
1.3 Ondernemingszin
2 Moderne talen
2.1 Taalwetenschappen: algemene aspecten m.b.t. taalsystematiek
2.2 Taalwetenschappen: sociolinguïstiek m.i.v. interculturele aspecten
2.3 Taalwetenschappen: taalverwerving en taalontwikkeling
2.4 Taalwetenschappen: pragmatiek
2.5 Taalwetenschappen: aspecten van interculturele communicatie
2.6 Taalwetenschappen: uitgebreide pragmatiek
2.7 Taalwetenschappen: introductie tot taaltechnologie
2.8 Nederlands: algemene uitbreiding
2.9 Nederlands: taalsystematiek
2.10 Nederlands: literatuur
2.11 Nederlands: communicatieve vaardigheden
2.12 Nederlands: pakket uit communicatieve vaardigheden
2.13 Nederlands: communicatieve vaardigheden: mondelinge teksten samenvatten
2.14 Frans en Engels: algemene uitbreiding
2.15 Frans en Engels: communicatieve vaardigheden
2.16 Frans en Engels: communicatieve vaardigheden: teksten samenvatten
2.17 Frans en Engels: pakket uit communicatieve vaardigheden
2.18 Frans en Engels: taalsystematiek
2.19 Frans en Engels: pakket uit taalsystematiek
2.20 Frans en Engels: literatuur
2.21 Frans en Engels: interactie over literatuur en samenleving
2.22 Frans en Engels: sociolinguïstiek
2.23 Frans en Engels: pragmatiek
2.24 Duits: communicatieve vaardigheden
2.25 Duits: pakket uit communicatieve vaardigheden
2.26 Duits: taalsystematiek
2.27 Duits: pakket uit taalsystematiek
2.28 Duits: Landeskunde
2.29 Duits: literatuurbeleving
2.30 Vierde moderne vreemde taal: communicatieve vaardigheden
2.31 Vierde moderne vreemde taal: taalsystematiek
2.32 Vierde moderne vreemde taal: interculturele aspecten
3 Klassieke talen
3.1 Latijn en/of Grieks of Hebreeuws: taalsystematiek
3.2 Latijn en/of Grieks of Hebreeuws: literatuur
3.3 Latijn en/of Grieks of Hebreeuws: cultuurgeschiedenis
4 Kunst en cultuur
4.1 Artistieke expressie
4.2 Kunstbeschouwing
4.3 Pakket uit kunstbeschouwing
5 Filosofie
5.1 Filosofie
5.2 Pakket uit filosofie
6 Wiskunde
6.1 Statistiek
6.2 Pakket uit statistiek
6.3 Beschrijvende statistiek
6.4 Uitgebreide wiskunde i.f.v. wetenschappen
6.5 Uitgebreide wiskunde i.f.v. economie
6.6 Uitgebreide wiskunde
6.7 Pakket uit uitgebreide wiskunde
6.8 Gevorderde wiskunde
6.9 Goniometrie en vectoren
6.10 Uitgebreide analyse en algebra
6.11 Toegepaste ruimtemeetkunde
7 Informaticawetenschappen
7.1 Algoritmen en programmeren
7.2 Pakket uit algoritmen en programmeren
7.3 Softwareontwikkeling
7.4 Pakket uit softwareontwikkeling
7.5 Informatie- en databeheer
7.6 Pakket uit Informatie- en databeheer
7.7 Datacommunicatie, computer- en netwerkarchitectuur
7.8 Pakket uit Datacommunicatie, computer- en netwerkarchitectuur
7.9 Toegepaste informaticawetenschappen: software bewerken
8 Biologie
8.1 Uitgebreide biologie
8.2 Pakket uit uitgebreide biologie
8.3 Fysiologie en anatomie van de mens
8.4 Toegepaste fysiologie en anatomie van de mens
8.5 Algemene biologie
8.6 Fysiologie en anatomie van dieren
8.7 Fysiologie en anatomie van planten
8.8 Plant- en dierkunde
8.9 Celleer
9 Chemie
9.1 Uitgebreide chemie
9.2 Pakket uit uitgebreide chemie
9.3 Algemene chemie
9.4 Biotechnologische en chemische technieken
9.5 Toegepaste materiaalkunde
9.6 Toegepaste chemie
10 Aardwetenschappen
10.1 Uitgebreide aardwetenschappen
10.2 Toegepaste aardwetenschappen
11 Fysica
11.1 Uitgebreide fysica
11.2 Uitgebreid pakket uit uitgebreide fysica
11.3 Pakket uit uitgebreide fysica
11.4 Beperkt pakket uit uitgebreide fysica
11.5 Gevorderde fysica: elektromagnetisme
11.6 Gevorderde fysica: pakket uit elektromagnetisme
11.7 Gevorderde fysica: elektrodynamica
11.8 Gevorderde fysica: elektronica
11.9 Gevorderde fysica: mechanica
11.10 Gevorderde fysica: pakket uit mechanica
11.11 Gevorderde fysica: beperkt pakket uit mechanica
11.12 Gevorderde fysica: thermodynamica
11.13 Gevorderde fysica: pakket uit thermodynamica
11.14 Gevorderde fysica: fluïdomechanica
11.15 Gevorderde fysica: pakket uit fluïdomechanica
11.16 Gevorderde fysica: golven
11.17 Gevorderde fysica: bouwkunde
11.18 Toegepaste fysica: basis toegepaste fysica
11.19 Toegepaste fysica: toegepaste elektriciteit en elektronica
11.20 Toegepaste fysica: toegepaste mechanica
11.21 Toegepaste fysica: pakket uit toegepaste mechanica
11.22 Toegepaste fysica: toegepaste constructieleer
11.23 Toegepaste fysica: toegepaste bouwkunde
11.24 Toegepaste fysica: toegepaste optica en geluid
11.25 Toegepaste fysica: toegepaste optica
12 STEM
12.1 STEM - Engineering
12.2 Onderzoeksvaardigheden wetenschappen
12.3 Labo
13 Bewegingswetenschappen
13.1 Uitgebreide bewegingswetenschappen
13.2 Toegepaste bewegingswetenschappen
13.3 Topsport
14 Gedragswetenschappen
14.1 Uitgebreide algemene gedragswetenschappen
14.2 Algemene gedragswetenschappen
14.3 Toegepaste gedragswetenschappen: psychologie
14.4 Toegepaste gedragswetenschappen: pedagogiek
15 Sociale wetenschappen
15.1 Samenleving en politiek: sociale en humane wetenschappen
15.2 Samenleving en politiek: pakket uit sociale en humane wetenschappen
15.3 Samenleving en politiek: communicatiewetenschappen
15.4 Sociale aspecten van recht
15.5 Toeristische geografie
16 Economie
16.1 Uitgebreide algemene economie
16.2 Pakket uit uitgebreide algemene economie
16.3 Beperkt pakket uit uitgebreide algemene economie
16.4 Algemene economie
16.5 Uitgebreide bedrijfswetenschappen en recht
16.6 Pakket uit uitgebreide bedrijfswetenschappen en recht
16.7 Bedrijfswetenschappen en recht
16.8 Toegepaste bedrijfswetenschappen en recht
16.9 Pakket uit toegepaste bedrijfswetenschappen en recht
SPECIFIEKE EINDTERMEN PER ONDERDEEL VAN WETENSCHAPSDOMEIN: link naar de bijlage