Besluit van de Vlaamse Regering over de toewijzing van diercategorieën bij de vaststelling van de PAS-referentie 2030

Datum 19/07/2024

Inhoud

( ... - ... )

 

Samenvatting
Met dit besluit regelt de Vlaamse Regering de toewijzing van de diercategorieën overeenkomstig de Mestbankaangifte aan de diercategorieën vermeld in bijlage 1 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, voor de diersoorten waarvoor de overeenstemming met de diercategorieën niet duidelijk is. Dit is nodig om de referentiesituatie 2021 te kunnen bepalen als basis van de PAS-referentie 2030, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof.

1. ALGEMENE TOELICHTING

Het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof (hierna: Stikstofdecreet) hanteert het concept ‘PAS-referentie 2030’ als de maximale jaarhoeveelheid ammoniak die een varkens-, pluimvee- of rundveehouderij na eind 2030 nog mag uitstoten. De PAS-referentie 2030 wordt bepaald op basis van de emissietoestand van de betreffende ingedeelde inrichting of activiteit (IIOA) in 2021 (‘referentiesituatie 2021’). De referentiesituatie 2021 wordt overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van het Stikstofdecreet, bepaald door de gemiddelde veebezetting van de IIOA, gespecificeerd per stalsysteem waarin de dieren in kwestie gehouden werden, overeenkomstig de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021, te vermenigvuldigen met de relevante ammoniakemissiefactoren en in voorkomend geval te verhogen met de leegstandspercentages die opgenomen zijn in de lijst die als bijlage 1 bij het Stikstofdecreet is gevoegd.

De onderverdelingen in diercategorieën van de diersoorten, zoals bepaald in het Mestdecreet en vermeld in de Mestbankaangifte, komen in een aantal specifieke gevallen niet één-op-één overeen met de onderverdelingen, zoals vermeld in de lijst die als bijlage 1 bij het Stikstofdecreet is gevoegd. Daarom werd in artikel 5, laatste lid, 4°, van het Stikstofdecreet, een delegatie aan de Vlaamse Regering opgenomen. De Vlaamse Regering moet nadere regels bepalen voor de toewijzing van de in de Mestbank vermelde diercategorieën aan een welbepaalde diercategorie van bijlage 1 van het Stikstofdecreet.

Omdat de bepaling van de PAS-referentie 2030 op basis van de referentiesituatie 2021 overeenkomstig het Stikstofdecreet de standaardaanpak is, wordt in dit verslag uitgegaan van de toewijzing van de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021. Uiteraard moet de toewijzing op overeenkomstige wijze gebeuren in de situatie waarin overeenkomstig artikel 5, zevende lid, van het Stikstofdecreet een afwijkende referentiesituatie werd bekomen die een ander productiejaar inhoudt als referentiesituatie.

Om deze reden is in het voorliggend besluit, in artikel 1, een definitie toegevoegd van referentiejaar, zijnde het referentiejaar bepaald overeenkomstig artikel 5, zevende lid, van het Stikstofdecreet. In de meeste gevallen zal dit het productiejaar 2021 zijn, tenzij er, in uitvoering van artikel 5, zevende lid, van het Stikstofdecreet, een afwijkende berekeningsmethode gebruikt wordt, op basis waarvan andere gegevens dan deze van het productiejaar 2021 gebruikt worden.

2. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

ARTIKEL 1

De exploitant van een varkens-, pluimvee- of rundveehouderij berekent zelf zijn PAS-referentie 2030. Dit blijkt zowel uit artikel 5, zesde lid, van het Stikstofdecreet als uit de toelichting bij het op 12 december 2023 ingediende amendement 1 op het voorstel van decreet over de programmatische aanpak (Parl. St. Vl. Parl. 2022-2023, 1801, nr. 5) betreffende artikel 5.

In artikel 5, zesde lid, van het Stikstofdecreet staat vermeld: ‘De Mestbank stelt de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021 ter beschikking van de exploitant’. Op die manier beschikt de exploitant over de nodige gegevens om zelf tot berekening van de PAS-referentie 2030 over te kunnen gaan. In de toelichting bij het amendement op het voorstel van Stikstofdecreet staat vermeld bij artikel 5: ‘De Vlaamse Regering kan een online toepassing ter beschikking stellen om de PAS-referentie 2030 of de referentiesituatie 2021 te bepalen.’ De Vlaamse Regering kan met andere woorden een hulpmiddel voorzien, een online toepassing, zodat de exploitant zelf zijn PAS- referentie 2030 kan bepalen. De Vlaamse Overheid beoogt ook daadwerkelijk de ontwikkeling van een ondersteunende tool waarbij eenduidige en verifieerbare basisgegevens ter beschikking worden gesteld aan de exploitant van een varkens-, pluimvee- of rundveehouderij.

De exploitant van een varkens,- pluimvee- of rundveehouderij berekent zelf zijn PAS-referentie 2030 via een manuele berekening of gebruik makend van de ondersteunende tool, van zodra deze beschikbaar is. Het toezicht op de al dan niet correcte vaststelling van de PAS-referentie 2030 gebeurt door de vergunningverlenende overheid. Naast de eigen beoordeling zal deze zich ook beroepen op de adviezen van de desbetreffende adviesinstanties (Agentschap voor Natuur en Bos, Departement Omgeving (afdeling GOP)).

Opmaak bijlage

De keuze van toewijzing in de bijlage behoeft voor de meeste diercategorieën redelijkerwijze geen bijkomende uitleg. In de meeste gevallen is het immers duidelijk dat dezelfde dieren bedoeld worden ondanks een andersluidende formulering. Dit is bijvoorbeeld zo voor de diercategorie ‘zoogkoeien’ van de Mestbankaangifte die overeenstemt met de diercategorie ‘zoogkoeien ouder dan 2 jaar’ van bijlage 1 van het Stikstofdecreet. Een ander voorbeeld betreft de aangifte in de Mestbank van vervangingsmelkvee waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het vee jonger dan 1 jaar en het vee van 1 jaar tot 2 jaar. Beide categorieën betreffen duidelijk jongvee tot 2 jaar. Aangezien bijlage 1 bij het Stikstofdecreet geen onderscheid maakt tussen vee ouder of jonger dan 1 jaar, kunnen alle dieren die aangegeven werden voor deze diercategorieën, toegewezen worden aan de diercategorie voor jongvee tot 2 jaar.

Een specifieke categorie waarvoor de toewijzing aan de diercategorieën uit bijlage 1 bij het Stikstofdecreet niet éénduidig is, betreft de in de Mestbankaangifte vermelde vleesveerunderen jonger dan 2 jaar. In de Mestbankaangifte wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke dieren, waar dat bij de betreffende diercategorie in bijlage 1 van het Stikstofdecreet wel het geval is. Voor het jongvee van vleesveerassen worden de runderen jonger dan 1 jaar toegewezen aan de categorie vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. De mannelijke dieren tot 1 jaar worden immers op dezelfde manier gehuisvest als het vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Deze mannelijke dieren tot 1 jaar hebben ook een lagere emissie dan de dieren die worden beschouwd onder de categorie ‘vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (roodvleesproductie)’. De runderen van 1 jaar tot jonger dan 2 jaar worden toegewezen aan een overeenstemmende diercategorie waar het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke dieren wel wordt gemaakt, zijnde vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (roodvleesproductie). Dit is redelijkerwijs de meest aannemelijke toewijzing.

De categorie ‘andere runderen’ wordt opgesplitst in twee overeenstemmende diercategorieën in het geval er melkkoeien aangegeven werden. De jaarlijkse Mestbankaangifte van de runderen is gebaseerd op de Sanitelgegevens. Een melkkoe die pas kalft na 24 maanden wordt pas vanaf de kalfdatum meegeteld als melkkoe. Voor de periode tussen de tweede verjaardag van het dier en de eerste kalving, wordt het dier ingedeeld bij de diercategorie ‘andere runderen’. In de praktijk zitten deze dieren in dezelfde stal als de andere melkkoeien. De emissiefactor van de melkkoeien werd ook bepaald op praktijksituaties, dus stallen met vaarzen die nog voor de eerste keer moeten kalven. Wat de toewijzing aan de overeenstemmende diercategorie van de andere runderen betreft, moet dan ook aan een deel van de aangegeven andere runderen dezelfde emissiefactor als die factor van de melkkoeien toegekend worden. Daarnaast dient er bij de categorie ‘andere runderen’ nog een correctie te gebeuren voor melkkoeien, die bij de andere runderen ingedeeld werden, omdat op basis van de toen beschikbare gegevens de laatste kalfdatum meer dan 12 maanden geleden was. Een melkkoe wordt aanzien als melkkoe voor de gehele periode, vanaf de eerste kalving tot 12 maand na de laatste kalving. Vanaf 12 maand na de laatste kalving wordt het een ‘ander rund’. Voor de jaarlijkse Mestbankaangifte gebeurt de indeling op basis van de dan beschikbare Sanitelgegevens. Voor een aantal dieren is het mogelijk dat op basis van de toen beschikbare gegevens er meer dan 12 maanden verstreken waren na de laatste gekende kalfdatum, waardoor dat dier niet langer als melkkoe aangemerkt werd en ingedeeld werd bij de ‘andere runderen’. Echter blijkt ondertussen dat er voor dit dier nog een (of meerdere) volgende kalving kwam, en dat, op basis van de nu beschikbare gegevens, het duidelijk is dat dit dier dus nog steeds als melkkoe beschouwd moest worden. Voor deze dieren, met dus een tussenkalftijd van meer dan 12 maand, wordt er daarom in voorliggend besluit nog een correctie doorgevoerd.

Voor de mestkalveren wordt een onderscheid gemaakt naargelang deze al dan niet op een mestkalverbeslag zitten. Op een melkveebedrijf zullen de aangegeven mestkalveren immers de stierkalveren zijn die op dezelfde manier gehuisvest en gevoederd worden als de vaarskalveren. Deze kunnen dan ook redelijkerwijze toegewezen worden aan de diercategorie ‘vrouwelijk jongvee tot 2 jaar’.

Toepassen bijlage

Het eerste artikel van het besluit bepaalt dat het besluit moet worden toegepast voor de diercategorieën van de diersoorten, als vermeld in artikel 27, §1 van het Mestdecreet van 22 december 2006, die opgenomen zijn in de eerste kolom van de tabel in de bijlage bij dit besluit. De diercategorieën van de diersoorten vermeld in artikel 27, §1, van het Mestdecreet zijn deze die vermeld worden in de Mestbankaangiftes. Voor de diercategorieën opgenomen in de eerste kolom van de tabel in bijlage bij dit besluit, moeten de relevante ammoniakemissiefactoren en de leegstandspercentages toegepast worden, van de overeenstemmende diercategorie die opgenomen is in de tweede kolom van de tabel van de bijlage bij dit besluit.

Waar voor een diercategorie van artikel 27, §1 van het Mestdecreet meerdere diercategorieën zijn opgenomen in de tweede kolom, moet rekening gehouden worden met de vergunde situatie. Dit is immers de wettige situatie die ook door de overheid en derden gekend is en gecontroleerd kan worden. Dit wordt uiteengezet in artikel 1, derde en vierde lid van het besluit. Met ‘het opgenomen zijn van meerdere diercategorieën in de tweede kolom’, wordt bedoeld dat er in de tweede kolom meerdere rijen van de tabel betrekking hebben op de betreffende diercategorie van de eerste kolom. De verdeling van andere runderen onder een punt a) en b) in dezelfde rij van de tabel (zoals hierboven toegelicht), wordt hier dus niet mee bedoeld. De vergunde situatie in 2021 kan in eerste instantie gestaafd worden aan de hand van de tekst van het vergunningsbesluit of van de meldingsakte. Wanneer daaruit niet duidelijk blijkt voor welke diercategorieën de exploitatie vergund is, moet dit nagegaan worden op het uitvoeringsplan van de IIOA of andere documenten in de aanvraag of melding, die deel uitmaken van de in 2021 geldende vergunning of meldingsakte. Het uitvoeringsplan is krachtens het aanvraagformulier vereist en moet voor de VLAREM-indelingsrubrieken 9.3. tot en met 9.8 per stal minstens het aantal standplaatsen, alsook de ligging ervan in de stal, gespecifieerd volgens de diersoorten (categorieën), vermelden.

Aan de hand van de gegevens van de vergunde situatie in 2021 kunnen de dieren van de betreffende diercategorie uit de Mestbankaangifte waarvoor meerdere diercategorieën zijn opgenomen in de tweede kolom van de tabel van de bijlage van het besluit, toegewezen worden aan een diercategorie van bijlage 1 van het Stikstofdecreet. Als meerdere diercategorieën toegepast moeten worden op basis van de gegevens van de vergunning, dan wordt het in de Mestbank aangegeven aantal dieren procentueel verdeeld over deze diercategorieën in overeenstemming met de vergunde situatie in 2021.

Dit kan verduidelijkt worden aan de hand van volgend voorbeeld. In de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021 is de jaargemiddelde veebezetting van zeugen opgegeven, dit zijn alle vrouwelijke varkens die na de eerste worp in productie worden gehouden. In bijlage 1 van het Stikstofdecreet worden de zeugen opgedeeld naargelang de huisvesting. Zeugen verblijven in de periode van de worp in kraamhokken (te beschouwen als kraamzeugen), de overige tijd zijn ze gehuisvest in stallen voor guste en dragende zeugen. De procentuele verdeling van het aantal zeugen uit de Mestbankaangifte over kraamzeugen versus guste en dragende zeugen is in overeenstemming met de aantallen in de geldende omgevingsvergunning van 2021. Cijfervoorbeeld: De gemiddelde veebezetting in 2021 bedraagt 200 zeugen. In de geldende omgevingsvergunning van 2021 zijn 250 zeugen vergund: 50 kraamzeugen en 200 guste en dragende zeugen (20/80). De procentuele verdeling van het aantal zeugen uit de Mestbankaangifte is: 40 kraamzeugen en 160 guste en dragende zeugen.

In uitzonderlijke gevallen zou het kunnen voorkomen dat geen enkel element van de vergunning of meldingsakte uitsluitsel mogelijk maakt over welke diercategorie toegepast moet worden als in de tweede kolom van de tabel van de bijlage er meerdere diercategorieën vermeld zijn. In het vijfde lid van het eerste artikel wordt bepaald dat voor die gevallen gewerkt moet worden met de diercategorie van bijlage 1 van het Stikstofdecreet die de laagste ammoniakemissiefactor vermeldt. Er is dan immers geen objectieve en controleerbare basis beschikbaar die een hogere ammoniakemissiefactor kan staven. In dat geval kan, mede om een ongelijke behandeling tussen exploitanten te vermijden, dus enkel rekening gehouden worden met de potentieel laagste emissie. Dit is een worst-case-benadering die past binnen het voorzorgsbeginsel. Evenwel biedt het zesde lid de mogelijkheid aan de exploitant om in de hier bedoelde gevallen, alsnog schriftelijke bewijsstukken aan te brengen die een andere toewijzing aan de betreffende rijen van de tweede kolom verantwoorden. Aan de hand van die bewijsstukken kan de exploitant zo gemotiveerd afwijken van de in het vijfde lid vermelde toewijzing aan de diercategorie met de laagste ammoniakemissiefactor. De aangehaalde motivering en bewijsstukken moeten pertinent zijn, ze moeten kunnen volstaan om de gevraagde afwijking te staven.

ARTIKEL 2

Het besluit zal in werking treden op de dag na publicatie van het besluit in het Belgisch Staatsblad. Hiermee wordt afgeweken van de algemene regel van inwerkingtreding die inhoudt dat regelgeving in werking treedt tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De reden om te kiezen voor een snellere inwerkingtreding is dat dit besluit een noodzakelijke bouwsteen is voor het bepalen, in uitvoering van het Stikstofdecreet, van de referentiesituatie 2021 van elke varkens-, pluimvee- of rundveehouderij die op 23 februari 2024, datum van de inwerkingtreding van het Stikstofdecreet, vergund is. Elk van die veehouderijen moet op de referentiesituatie 2021 de ammoniakreductiemaatregelen, opgelegd door het Stikstofdecreet, en eventuele vrijstellingen, toepassen. Op die manier kan een veehouderij zijn ‘PAS-referentie 2030’ berekenen. Dit is de maximale ammoniakemissie die op het bedrijf nog mag plaatsvinden na 31 december 2030. Voorliggend ontwerpbesluit is noodzakelijk voor de berekening van de PAS-referentie 2030, voor alle gevallen waarin de onderverdelingen in diercategorieën van de diersoorten, zoals bepaald in het Mestdecreet en vermeld in de Mestbankaangifte, niet duidelijk overeenkomen met de onderverdelingen, zoals vermeld in de lijst van bijlage 1 bij het Stikstofdecreet. Met oog op continuïteit in de vergunningverlening, moet die berekening zo snel als mogelijk kunnen uitgevoerd worden. Zolang een bedrijf zijn PAS-referentie 2030 niet kan berekenen, kan een bedrijf geen vergunning van onbepaalde duur of zelfs geen vergunning met een looptijd na 31 december 2030 bekomen. Bovendien zal het bedrijf in die omstandigheden niet starten met de nodige investeringen ter realisatie van de PAS-referentie 2030; het zal met andere woorden nog geen uitvoering geven aan de op bedrijfsniveau geldende ammoniakreductiedoelstellingen van het Stikstofdecreet. Het besluit moet daarom zo snel als mogelijk kunnen in werking treden.

ARTIKEL 3

Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.

( ... - ... )

RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving

advies 76.646/16 van 3 juli 2024

over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘over de toewijzing van diercategorieën bij de vaststelling van de PAS referentie 2030’ 

Op 3 juni 2024 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘over de toewijzing van diercategorieën bij de vaststelling van de PAS-referentie 2030’.

Het ontwerp is door de zestiende kamer onderzocht op 25 juni 2024. De kamer was samengesteld uit Pierre LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, Toon MOONEN en Tim CORTHAUT, staatsraden, Jan VELAERS en Johan PUT, assessoren, en Wim GEURTS, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Dries VAN EECKHOUTTE, eerste auditeur.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 juli 2024.

*

1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.

*

VOORAFGAANDE OPMERKING

2. Rekening houdend met het ogenblik waarop dit advies wordt gegeven, vestigt de Raad van State de aandacht van de adviesaanvrager erop dat de verkiezingen van 9 juni 2024 tot gevolg hebben dat de Vlaamse Regering sedert die datum en totdat een nieuwe regering is verkozen, niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens die de Vlaamse Regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van verordeningen noodzakelijk is.

STREKKING VAN HET ONTWERP

3. Het om advies voorgelegde besluit vormt een nadere uitvoering van het decreet van 26 januari 2024 ‘over de programmatorische aanpak stikstof’ (hierna: PAS-decreet). Om de “referentiesituatie 2021”, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het PAS-decreet te bepalen, worden de overeenstemmende diercategorieën aangeduid (artikel 1 van het ontwerp). Het te nemen besluit treedt in werking op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad (artikel 2).

Tegen het PAS-decreet werd een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing ingediend bij het Grondwettelijk Hof, er gekend onder het rolnummer 8221.

RECHTSGROND

4. Voor de bronmaatregelen voor de varkens-, pluimvee- of veehouderij wordt in artikel 5 van het PAS-decreet in een “PAS-referentie 2030” voorzien die een doelstelling vormt voor een door een exploitant te behalen ammoniakemissiereductie.

Overeenkomstig artikel 5, derde en vierde lid, van het PAS-decreet wordt de PAS referentie 2030 in beginsel als volgt bepaald:
“De PAS-referentie 2030 wordt bepaald aan de hand van de ammoniakemissies in de referentiesituatie 2021 waarop de reductiedoelstellingen en de vrijstellingen, vermeld in dit decreet, worden toegepast.

De referentiesituatie 2021 wordt bepaald door de gemiddelde veebezetting van de IIOA in kwestie, gespecificeerd per stalsysteem waarin de dieren in kwestie gehouden werden, overeenkomstig de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021, te vermenigvuldigen met de relevante ammoniakemissiefactoren en in voorkomend geval te verhogen met de leegstandspercentages die opgenomen zijn in de lijst die als bijlage 1 bij dit decreet is gevoegd.”

In het voorliggende ontwerp wordt een verband gelegd tussen de diercategorieën van de Mestbank en de diercategorieën van de bijlage 1 bij het PAS decreet.

Hiervoor wordt in beginsel rechtsgrond gevonden in artikel 5, negende lid, 4°, van het PAS-decreet, dat de Vlaams Regering machtigt nadere regels te bepalen voor de toepassing van dat artikel en voor de toewijzing van dieren aan een welbepaalde diercategorie overeenkomstig de gegevens van de Mestbankaangifte.

ALGEMENE OPMERKINGEN

5. Gelet op de feitelijke aannames bij het ontwerp die kennelijk gebaseerd zijn op bijzonder technische kennis waarover de Raad van State niet beschikt, is het aanbevelenswaardig om de in de nota aan de Vlaamse Regering en de door de gemachtigde verleende nadere toelichting bij dit ontwerp om te werken tot een verslag aan de Vlaamse Regering, dat samen met het advies van de Raad van State over het ontwerp en het besluit zelf in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Deze nadere duiding en toelichting van de ontworpen regeling verhoogt de leesbaarheid van het te nemen besluit voor de rechtzoekenden, en in het bijzonder voor de exploitanten, die het te nemen besluit immers zelfstandig moeten kunnen toepassen. 

6. Aan de gemachtigde werd de volgende vraag gesteld:
“Artikel 1, zesde lid: wie bepaalt de PAS-referentie 2030? (Het PAS-decreet bepaalt dit niet duidelijk, maar uit samenlezing van artikel 5 en 58 van het PAS-decreet en artikel 20 BWHI lijkt dit de Vlaamse Regering op voorstel van de VLM te zijn? In blz. 4 van de nota VR lijkt daarentegen te worden gesuggereerd dat de exploitant dit eigenhandig doet: ‘kan de exploitant zo gemotiveerd afwijken van’?)”

De gemachtigde antwoordde:
“Uit artikel 58 van het PAS-decreet blijkt dat de VLM de informatie noodzakelijk in het kader van de vaststelling van de PAS-referentie 2030 verwerkt. Dit betekent echter niet dat de VLM ook de PAS-referentie 2030 bepaalt.

Het is de exploitant zelf die zijn PAS-referentie 2030 berekent. Dit blijkt zowel uit artikel 5, zesde lid van het PAS-decreet als uit de toelichting bij het op 12 december 2023 ingediende amendement 1 op het voorstel van decreet over de programmatische aanpak (Parl. St. Vl. Parl. 2022-2023, 1801, nr. 5) betreffende artikel 5.

In artikel 5, zesde lid van het PAS-decreet staat vermeld: ‘De Mestbank stelt de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021 ter beschikking van de exploitant’. Op die manier beschikt de exploitant over de nodige gegevens om zelf tot berekening van de PAS-referentie 2030 over te kunnen gaan. In de toelichting bij het amendement op het voorstel van PAS-decreet staat vermeld bij artikel 5: ‘De Vlaamse Regering kan een online toepassing ter beschikking stellen om de PAS-referentie 2030 of de referentiesituatie 2021 te bepalen.’ De Vlaamse Regering kan met andere woorden een hulpmiddel voorzien, een online toepassing, zodat de exploitant zelf zijn PAS referentie 2030 kan bepalen. De Vlaamse Overheid beoogt ook daadwerkelijk de ontwikkeling van een ondersteunende tool waarbij eenduidige en verifieerbare basisgegevens ter beschikking worden gesteld aan de exploitant van een varkens-, pluimvee- of rundveehouderij.”

7. Aan de gemachtigde werd tevens de volgende vraag gesteld:
“Hoe zal het toezicht door de overheid gebeuren op de al dan niet correcte vaststelling van de PAS-referentie 2030 door de exploitant?”

De gemachtigde antwoordde:
“De exploitant van een varkens,- pluimvee- of rundveehouderij berekent zelf zijn PAS-referentie 2030 via een manuele berekening of gebruik makend van de ondersteunende tool, van zodra deze beschikbaar is. 

Het toezicht op de al dan niet correcte vaststelling van de PAS-referentie 2030 gebeurt door de vergunningverlenende overheid. Naast de eigen beoordeling zal deze zich ook beroepen op de adviezen van de desbetreffende adviesinstanties (ANB, afdeling GOP).”

ONDERZOEK VAN DE TEKST

Artikel 1

8. Aan de gemachtigde werd de volgende vraag gesteld:
“Artikel 1, zesde lid – ‘gemotiveerde diercategorie’ en ‘op voorwaarde dat de exploitant schriftelijke bewijsstukken aanbrengt’: we veronderstellen dat de motivering en de bewijsstukken ook ‘pertinent’ moeten zijn?”

De gemachtigde antwoordde:
“Het klopt dat de motivering en de bewijsstukken voor de afwijking pertinent moeten zijn. De aangehaalde motivering en bewijsstukken moeten kunnen volstaan om de gevraagde afwijking te staven. Deze term kan aan de tekst in artikel 1, zesde lid worden toegevoegd.”

Hiermee kan worden ingestemd.

( ... - ... )

Rechtsgrond
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, artikel 5, negende lid, 4°.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 18 maart 2024; 
- De Raad van State heeft advies 76.646/16 gegeven op 3 juli 2024, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Motivering
Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven:
- Overeenkomstig artikel 5, negende lid, 4°, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, bepaalt de Vlaamse Regering, om de referentiesituatie 2021, vermeld in artikel 5, vierde lid, van het voormelde decreet, te kunnen bepalen voor de diercategorieën van de Mestbankaangifte waarvoor de toewijzing aan de diercategorieën, vermeld in de lijst van ammoniakemissiefactoren en leegstandspercentages, die is opgenomen in bijlage 1, die bij het voormelde decreet is gevoegd, niet eenduidig kan gebeuren, nadere regels voor de toewijzing.
- De toewijzing is voor de meeste diercategorieën logisch te bepalen, omdat het duidelijk is dat dezelfde dieren bedoeld worden ondanks een andersluidende formulering. Waar verschillende diercategorieën mogelijk zijn uit de lijst die is opgenomen in bijlage 1 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt rekening gehouden met de vergunde situatie. Dat is immers de wettige situatie, die ook door de overheid en derden gekend is en gecontroleerd kan worden.

Juridisch kader
Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:
- het Mestdecreet van 22 december 2006;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2023 tot vaststelling van een programmatische aanpak stikstof.

Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Artikel 1. ( 24/08/2024 - ... )

Om de referentiesituatie 2021, vermeld in artikel 5, vierde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, te bepalen, worden voor de diercategorieën van de diersoorten rundvee, varkens of pluimvee, vermeld in artikel 27, §1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, die opgenomen zijn in de eerste kolom van de tabel die is opgenomen in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, de relevante ammoniakemissiefactoren en de leegstandspercentages toegepast van de overeenstemmende diercategorie, vermeld in bijlage 1, die gevoegd is bij het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof. De overeenstemmende diercategorieën van bijlage 1, die gevoegd is bij het voormelde decreet, zijn opgenomen in de tweede kolom van de voormelde tabel.

De overeenstemmende diercategorie, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Als voor een diercategorie uit de eerste kolom van de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, twee of meer overeenstemmende diercategorieën opgenomen zijn in de tweede kolom van die tabel, gebeurt de toewijzing aan de overeenstemmende diercategorie op basis van het geldende vergunningsbesluit in het referentiejaar voor de IIOA in kwestie of de geldende meldingsakte in het referentiejaar voor die IIOA. Als op basis van het voormelde vergunningsbesluit of de voormelde meldingsakte de toewijzing niet op eenduidige wijze kan gebeuren, worden de gegevens op het uitvoeringsplan van de IIOA of andere documenten in de aanvraag of melding, die deel uitmaken van de in het referentiejaar geldende vergunning of meldingsakte gebruikt voor de toewijzing.

Als een diercategorie uit de eerste kolom van de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, met toepassing van het derde lid aan verschillende diercategorieën van de tweede kolom wordt toegewezen, wordt de gemiddelde veebezetting van die diercategorie uit de eerste kolom, conform de gegevens van de Mestbankaangifte voor het referentiejaar, procentueel verdeeld, op basis van de vergunning of meldingsakte, vermeld in het derde lid, over de overeenstemmende diercategorieën van de tweede kolom.

Als op basis van de bepalingen, vermeld in het derde en het vierde lid, de toewijzing niet op eenduidige wijze kan gebeuren, worden de dieren van de diercategorie waarvoor geen eenduidige toewijzing kan gebeuren, toegewezen aan de overeenstemmende diercategorie van de tweede kolom van de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, met de laagste ammoniakemissiefactor, vermeld in de lijst die is opgenomen in bijlage 1, die gevoegd is bij het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof.

Als op basis van de bepalingen, vermeld in het derde en het vierde lid, de toewijzing niet op eenduidige wijze kan gebeuren, kunnen de dieren van de diercategorie waarvoor geen eenduidige toewijzing kan gebeuren, in afwijking van het vijfde lid, toegewezen worden aan de door de exploitant gemotiveerde overeenstemmende diercategorie van de tweede kolom van de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, op voorwaarde dat de exploitant schriftelijke bewijsstukken aanbrengt voor die motivering. Die motivering en de schriftelijke bewijsstukken moeten pertinent zijn.

Voor de toepassing van dit artikel wordt begrepen onder referentiejaar, het referentiejaar bepaald overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof.

Artikel 2. ( 24/08/2024 - ... )

Dit besluit treedt in werking op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 3. ( 24/08/2024 - ... )

De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE ( 24/08/2024 - ... )

Bijlage. Tabel als vermeld in artikel 1
 

diercategorie van de diersoorten rundvee, varkens of pluimvee, vermeld in artikel 27, §1, van het Mestdecreet van 22 december 2006 diercategorie, vermeld in bijlage 1, die gevoegd is bij het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof
RUNDVEE  
melkkoeien melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, overige huisvestingssystemen, permanent opstallen
vervangingsvee jonger dan 1 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
vervangingsvee van 1 jaar tot 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
zoogkoeien zoogkoeien ouder dan 2 jaar
runderen jonger dan 1 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
runderen van 1 jaar tot jonger dan 2 jaar vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (roodvleesproductie)
andere runderen
  1. ‘melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, overige huisvestingssystemen, permanent opstallen, voor het aandeel dat andere runderen betreft die gehuisvest zijn in een melkveestal met melkkoeien, als vermeld in de Mestbankaangifte, voor het referentiejaar bepaald overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, en dit hetzij voor wat betreft de periode tussen 24 maanden en de eerste kalving, hetzij voor het gedeelte van de tussenkalftijd van meer dan 12 maanden na een eerdere kalving tot een volgende kalving. Om te bepalen of bij de andere runderen er nog een aandeel is dat beschouwd moet worden als ‘melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, overige huisvestingssystemen, permanent opstallen’, wordt rekening gehouden met de meest actuele Sanitelgegevens voor het referentiejaar in kwestie;
  2. andere dan de onder a) opgenomen andere runderen: fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar
mestkalveren op een vleeskalverbeslag vleeskalveren tot 8 maanden
mestkalveren niet op een vleeskalverbeslag vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
VARKENS  
biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg biggen: hok opp. max. 0,35 m²
  biggen: hok opp. > 0,35 m²
beren dekberen, 7 maanden en ouder
zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg kraamzeugen
  guste en dragende zeugen
andere varkens van 20 tot 110 kg vleesvarkens: hok opp. max. 0,8 m²
  vleesvarkens: hok opp. > 0,8 m²
andere varkens van 110 kg en meer guste en dragende zeugen (indien gedekte opfokzeugen)
  vleesvarkens: hok opp. > 0,8 m² (indien niet-gedekte opfokzeugen of indien vleesvarkens)
PLUIMVEE  
legkippen legkippen: kooi of batterij
  legkippen: grondhuisvesting
(groot)ouderdieren legkippen: kooi of batterij
  legkippen: grondhuisvesting
opfokpoeljen van legkippen opfok(poeljen) legkippen: kooi of batterij
  opfok(poeljen) legkippen: grondhuisvesting
slachtkuikens slachtkuikens
slachtkuikenouderdieren slachtkuikenouderdieren
opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren
struisvogels fokdieren struisvogelouderdieren
struisvogels slachtdieren vleesstruisvogels (4 tot 12 maanden)
struisvogels (van 0 tot 3 maand) opfokstruisvogels (tot 4 maanden)
kalkoenen slachtdieren vleeskalkoenen
kalkoenen ouderdieren ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; tot 6 weken
  ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; van 6 tot 30 weken
  ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; van 30 weken en ouder
ander pluimvee ouderdieren van vleeseenden tot 24 maanden
  vleeseenden
  parelhoenders voor vleesproductie


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 03/02/2026