( ... - ... )
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING
Betreft: Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de waterregelgeving betreft.
1 Algemene toelichting
Titel II van het VLAREM (Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne) bevat o.a. de algemene en sectorale voorwaarden die van toepassing zijn op ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Deze voorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze ook het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.
De wijzigingen hebben betrekking op een reeks bepalingen uit titel II van het VLAREM, het VLAREL en het Omgevingsvergunningsbesluit, die tot doel hebben het beheer van grondwater te verbeteren.
De publieke consultatie heeft aanleiding gegeven tot een aantal wijzigingen aan het voorstel.
Het gaat hierbij o.a. over de volgende aanpassingen:
• Aanpassingen definities
o Definitie “hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen” werd uitgebreid.
o Definitie “potentieel verontreinigd bemalingswater” werd verduidelijkt.
o Definitie “infiltratievoorziening” wordt afgestemd op die in de gewestelijk stedenbouwkundige verordening hemelwater.
• Aanpassing van de overgangstermijn bij het van toepassing worden van nieuwe normen.
• Aanpassingen aan de sectorale milieuvoorwaarden:
o Aanpassing aan de voorwaarden bij bemalingen m.b.t. peilputten, mogelijkheid tot vorstbeveiliging, voorwaarde rond retour, analyses.
o Aanpassing aan de voorwaarden bij inrichtingen voor de energieopslag in watervoerende lagen.
• Aanpassingen aan de indelingslijst:
o Rubriek 3.8 wordt aangepast, o.a. naar uitzonderingen, maar ook indeling.
o Uitzonderingen aan de rubriek 53 worden aangepast.
o Omschrijving van de rubriek 60 wordt verder verduidelijkt.
o Aanpassing aan de omschrijving van rubriek 64.
Het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 heeft geleid tot enkele aanpassingen van het besluit en verdere onderbouwing in het verslag en de nota, die desgevallend bij de betreffende artikelen worden besproken (o.m. artikelen 1, 4, 11, 14, 20, 24, 25, 28, 37, 41, 43, 49, 55 en 61).
2 Artikelsgewijze bespreking
Hoofdstuk 1: Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
ARTIKEL 1
Het eerste artikel wijzigt definities en voegt nieuwe definities toe aan artikel 1.2.2 van het VLAREM-II Besluit.
De wijziging aan de definitie van bemalingswater treft een verduidelijking in die zin dat niet elk ander type grondwaterwinning door deze definitie wordt gevat.
De wijziging aan de definitie van afvalwater is in analogie met de bestaande uitzondering voor niet-verontreinigd hemelwater. Water afkomstig van een drainering wordt niet als afvalwater beschouwd . Er worden geen stoffen aan toegevoegd of uitgehaald.
Definitie “hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen”: met de invoering van deze definitie wordt verduidelijkt welke hemelwaters niet te aanzien zijn als afvalwater.
Van hemelwater dat afstroomt van een dak of parkeerplaatsen, opstijg-, start-, landingsbanen of -plaatsen en taxiwegen, omlopen voor motorvoertuigen, wandel- en fietspaden veronderstelt de wetgever dat dit niet of slechts in beperkte mate vervuild is waardoor het aanzien wordt als niet-verontreinigd hemelwater.
Dezelfde redenering geldt bij hemelwater afkomstig van verhardingen zoals een terras, oprit bij niet ingedeelde inrichtingen, wegen e.d. Ook voor deze waterstromen is het niet de bedoeling deze als afvalwater te beschouwen.
Op bedrijfsterreinen of andere ingedeelde inrichtingen kan het hemelwater in contact komen met verontreinigende stoffen. Hemelwater dat valt op verharde terreinen die verontreinigd zijn door de exploitatie van een ingedeelde inrichting (bijv. containerparken, schroothandelaars, tankpistes) is het hemelwater verontreinigd en te beschouwen als bedrijfsafvalwater.
De wijziging aan de definitie van bedrijfsafvalwater is in analogie met de bestaande uitzonderingen voor huishoudelijk afvalwater en koelwater. Dit is een gevolg van de invoering van het nieuwe kader voor bemalingen waarin voorzien wordt in een apart statuut voor de lozing van bemalingswater, los van het reeds bestaande kader voor bedrijfsafvalwater. Zoals verder zal blijken is het de bedoeling om voor de lozing van bemalingswater een nieuwe rubriek te creëren in de indelingslijst zodat hiervoor een ander beoordelingskader kan gehanteerd worden. Bemalingswater is qua belasting en samenstelling en dus ook qua impact immers niet te vergelijken met bedrijfsafvalwater en het is in dat opzicht dan ook logisch om dit anders te benaderen.
De definities van directe en indirecte lozing in grondwater worden afgestemd op artikel 4.3.1.1 dat stelt dat “het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan van producten en stoffen, die in een zodanige geringe hoeveelheid en concentratie stoffen bevatten van de lijsten I en II van de bijlage 2B, dat elk gevaar voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten” niet binnen het toepassingsgebied valt van afdeling 4.3.1 “Algemene bepalingen” van hoofdstuk 4.3 “Beheersing van bodem- en grondwaterverontreiniging”. Deze bepaling wordt verwerkt in de definities van direct en indirect lozen, namelijk “in een zodanige hoeveelheid en concentratie dat er potentieel een gevaar is voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater”.
Zowel kunstmatig aanvullen van grondwater als het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater worden uitgesloten van de definities voor directe en indirecte lozing in grondwater. Bij indirecte lozing wordt irrigatie eveneens uitgesloten. Deze definities komen terug in de rubrieksomschrijving van de rubriek 52. Het normenkader is voor deze uitgesloten activiteiten zodanig verduidelijkt bij de respectievelijke rubrieken, nl. 64, 54, 53.2 en 53.5.
Potentieel verontreinigd bemalingswater wordt gedefinieerd. Potentieel verontreinigd bemalingswater is bemalingswater dat mogelijk in aanraking is gekomen met verontreinigende stoffen. Voor de definitie wordt verwezen naar de definities die opgenomen zijn in artikel 2 van het Bodemdecreet (verontreinigde gronden, risicogrond en schadegeval). Indien een geheel van bemalingsstrengen volledig of deels gelegen is op dergelijk perceel, wordt ervan uit gegaan dat het potentieel verontreinigd is. Daarnaast moet ook nagegaan worden of er binnen een afstand van 20 meter van deze strengen dergelijk perceel aanwezig is. Dit geldt zowel voor bemalingsstrengen die gelegen zijn op openbaar domein, als voor bemalingsstrengen die op kadastrale percelen gelegen zijn. De afstand van 20 meter betreft een veiligheidsmarge waardoor vb. bemalingen op openbaar domein de afstand tot de as van de weg overschrijden en potentieel verontreinigde locaties langsheen het openbaar domein gevat worden.
Een bemalingsproject kan zowel bemalingsstrengen hebben met een lozing van potentieel verontreinigd bemalingswater, als met de lozing van niet-potentieel verontreinigd bemalingswater. Het is immers de bedoeling om enkel dit deel van de lozingen te vatten waarvoor er een verhoogd risico is op het voorkomen van verontreiniging.
Aanvullend wordt gesteld dat bemalingswater ook beschouwd wordt als potentieel verontreinigd bemalingswater als het afkomstig is van een perceel waarop door de overheid beperkende maatregelen of voorwaarden op het gebruik van grondwater afgekondigd werden omwille van de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen. Dit zijn bijvoorbeeld de no regret zones die omwille van het vermoedelijk of aangetoond voorkomen van PFAS zijn vastgesteld. De afbakening van de no regret zones is raadpleegbaar op publieke websites zoals de PFAS-verkenner op de databank ondergrond vlaanderen (https://www.dov.vlaanderen.be/portaal/?module=pfasverkenner). Voor andere zorgwekkende stoffen kunnen gelijkaardige afbakeningen nodig blijken en daarom wordt de omschrijving niet beperkt tot enkel PFAS.
Definitie 4° tot en met 16° in het gewijzigde artikel zijn een verduidelijking bij de rubrieken 53.1, 53.2, 53.3 en 53.5 van de indelingslijst. Definitie 11° is een verduidelijking bij rubriek 53. Definitie 12° is een verduidelijking bij rubriek 54.
• Definitie ‘netto debiet of netto volume’: het netto debiet/volume is het verschil tussen het debiet dat onttrokken wordt en hetgeen terug in de ondergrond gebracht wordt. Het is dus een maat voor het debiet/volume dat finaal uit het grondwaterreservoir onttrokken wordt.
• Definitie ‘drainering’: momenteel is er geen definitie voor een drainering. Gelet op het effect dat draineringen hebben op het aanvullen van de grondwaterreserves is een duidelijke definitie vereist. In deze definitie wordt naast het capteren van grondwater, ook het capteren van bodemwater opgenomen. Een drainage die bodemwater capteert, neemt voeding weg van onderliggende watervoerende lagen en heeft dus ook een impact op het beheer van de grondwatervoorraden. Om hier via voorwaarden sturing aan te kunnen geven, is het vereist dat deze ondiepe draineringen mee gevat zijn in de definitie van drainering. In de definitie wordt gesproken over een ‘constructie’. Constructie wordt gedefinieerd in het artikel 4.1.1, 3° van de VCRO als: “een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds”. Mol- of woeldrainage zonder het inbrengen van buizen, of grachten of sloten worden hierdoor dus niet gevat.
• Definities ‘historische drainering’, ‘bestaande drainering’ en ‘nieuwe drainering’: er wordt met deze definities vastgelegd welke draineringen als historisch, bestaand en nieuw beschouwd worden en welke niet. Op basis hiervan is de rubrieksindeling vastgelegd en worden sectorale voorwaarden uitgewerkt. In het licht van het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 worden de ijkdata als volgt verantwoord: Bij historische drainering is de ijkdatum van 1 mei 1999 gebaseerd op de datum waarop de rubriek 53.3 in de indelingslijst (op dat moment bijlage 1 van titel I van het VLAREM) werd ingevoegd. Bij bestaande en nieuwe drainering is de ijkdatum van 7 oktober 2022 gebaseerd op de datum waarop het akkoord over een integraal Vlaams Klimaatadaptatieplan 2030, met inbegrip van het betreffende document, op de website van het departement Omgeving werd gepubliceerd (https://omgeving.vlaanderen.be/nl/akkoord-klimaatadaptatieplan-2030).
• Definitie ‘infiltratievoorziening’: deze definitie is gebaseerd op de definities van “infiltratie” en “infiltratievoorziening” in artikel 1 van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, namelijk: “8° infiltratie: het insijpelen van hemelwater in de bodemen de ondergrond” en “9° infiltratievoorziening: een voorziening voor de opvang van hemelwater die geledigd wordt door de infiltratie van hemelwater”. Infiltratievoorzieningen kunnen voorzien zijn van een overloop boven het grondwaterpeil. Dit is mogelijk voor zover er niet voortdurend water vanuit de infiltratievoorziening overloopt in oppervlaktewater. Een vijver kan onder deze voorwaarden eveneens aanzien worden als een infiltratievoorziening.
• Definitie ‘Pompproef’, ‘putproef’ en ‘proefbemaling’: momenteel wordt enkel in de bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM omschreven wat proefpompingen zijn, namelijk putproeven en pompproeven. Met deze gebundelde aanpassingen in titel II van het VLAREM wordt voorzien om rubriek 53.1 aan te passen, zodat er een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds proefpompingen voor bemalingen (proefbemalingen) en anderzijds proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bemalingen (put- en pompproeven). Voor de duidelijkheid wordt voor al deze termen in titel II van het VLAREM een definitie toegevoegd. In het bijzonder dienen deze definities ter verduidelijking van de termen zoals gebruikt in de aangepaste rubriek 53.1.
• Definitie ‘Huishoudelijke doeleinden’:
De term “huishoudelijke doeleinden” wordt gebruikt in uitzondering b. bij rubriek 53. Een grondwaterwinning tot maximaal 150 m3 per jaar, waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt, is niet ingedeeld.
Grondwaterwinningen die deel uitmaken van een ingedeelde inrichting of activiteit (iioa) zijn in de regel ingedeeld en vallen niet onder de uitzondering b. bij rubriek 53 van de indelingslijst. Het gaat hier onder meer over het winnen van grondwater voor het sanitair/douche in een bedrijf, gebruik in de bedrijfsrefter, reinigen van kantoren, bedrijfsruimten en stallen.
Indien de iioa louter dient voor particulier gebruik (vb. een stookolietank voor de verwarming van de woning, een KWO bij een woning) valt de winning van grondwater die gebruikt wordt in het huishouden onder de uitzondering b. bij rubriek 53 (mits debiet < of = 150 m³).
Bij woningen met een gedeelde functie waar het grondwater deels gebruikt wordt voor huishoudelijke doeleinden in een commerciële context maar buiten de intrinsieke commerciële activiteit (vb. thuiskantoor waarbij klanten het toilet mogen gebruiken), valt dit grondwatergebruik onder de uitzondering b. bij rubriek 53 (mits debiet kleiner of gelijk aan 150 m³).
• Definitie ‘Kunstmatig aanvullen van grondwater’:
Een omschrijving van het kunstmatig aanvullen van grondwater is reeds terug te vinden in de “Handleiding onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater”, van 24 september 2014, ter beschikking op de webpagina’s van het team MER van het departement Omgeving. Werken voor het kunstmatig aanvullen van grondwater zijn immers ook terug te vinden op de bijlages van het MER-besluit. De tekst uit de handleiding is als volgt: “Bij het kunstmatig aanvullen van grondwater neemt de hoeveelheid grondwater toe als gevolg van menselijke, niet-natuurlijke werkzaamheden die gericht zijn op het verhogen van het natuurlijk aanvullings- en infiltratievermogen van aquifers (i.e. watervoerende lagen of grondwaterlagen). Het kunstmatig aanvullen van grondwater is verder te interpreteren als een actieve aanvulling waarbij een pomp, een installatie of ander materiaal wordt ingezet.” Verder stelt de handleiding dat -indien er voor een activiteit geen aparte vergunning op basis van rubriek 54 wordt aangevraagd- deze activiteit niet getoetst dient te worden aan de project-m.e.r.-plicht voor het kunstmatig aanvullen van grondwater. Dit betekent dat infiltratievoorzieningen voor hemelwater zoals wadi’s en onder- en bovengrondse infiltratiebekkens, overstromingszones voor water- of natuurbeheer, vernattingsmaatregelen (bv. het plaatsen van een stuw in een waterloop) en retourbemalingen of –bevloeiingen niet project-m.e.r.-plichtig zijn op basis van de rubrieken m.b.t. het kunstmatig aanvullen van grondwater. Het toevoegen van een definitie verduidelijkt de reikwijdte van deze rubriek 54. Projecten als MAR (Managed Aquifer Recharge) en ASR (Aquifer Storage and Recovery) vallen onder deze definitie.
• Definitie “droogleggingsproject via regelbare constructie”: met deze definitie wordt meer duidelijkheid verschaft over de term “droogleggingsprojecten”. Deze term vindt zijn oorsprong in de Europese project-MER-richtlijn, maar is verder niet verduidelijkt in de interpretatiegids van de Europese Commissie. Om een eenduidige interpretatie mogelijk te maken, voegen we een definitie in. Voor het begrip regelbare constructie wordt dezelfde definitie als in artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering over het peilbeheer op onbevaarbare waterlopen en grachten gehanteerd.
ARTIKEL 2
De afdeling 2.4.3.mag worden geschrapt aangezien alle relevante bepalingen gedekt worden door de omzetting van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn.
ARTIKEL 3
Gelet op de aparte omschrijving en apart statuut voor bemalingswater, moeten de bepalingen in verband met metingen, het statuut van gemengde stromen en controle voor het lozen van afvalwater (onder hoofdstuk 4.2) aangepast worden. Hierin is enkel sprake van bedrijfsafvalwater, maar bemalingswater wordt uit dit statuut gehaald en daarom moeten de bepalingen uitgebreid worden voor bemalingswater.
ARTIKEL 4
Naar analogie met het bestaande artikel 4.2.1.2 wordt het statuut van een gemengde lozing van bemalingswater en hemelwater dat niet in contact geweest is met verontreinigende stoffen vastgelegd. Voor de bepaling van het debiet en de emissiegrenswaarden bij bemalingen, die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die reeds gebouwd werden mogelijk te maken of te houden kan via de omgevingsvergunning een voorstel goedgekeurd worden hoe het aandeel van beide stromen, die niet apart controleerbaar zijn, toch afzonderlijk te bepalen. Gelet op het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 werd de formulering als volgt aangepast: “In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de verschillende deelstromen. Voor een bemaling als vermeld in rubriek 53.5 van de indelingslijst, die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die al gebouwd waren, mogelijk te maken of te houden, kan in de omgevingsvergunning of de aktename van de melding een werkwijze worden vastgesteld om bij lozing van een gemengde stroom, van bemalingswater en van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, het aandeel van beide stromen in het totale dag- en jaardebiet en de emissiegrenswaarden te bepalen.”
ARTIKEL 5
Gelet op de aparte omschrijving en apart statuut voor bemalingswater, is een aanpassing van deze tussentitel vereist.
ARTIKEL 6
Voor bemalingswater wordt verwezen naar de staalnamewijze zoals uitgewerkt in het wateranalysecompendium monstername van bemalingswater. Het betreft een administratieve aanpassing.
ARTIKEL 7
Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 4.2.9. in onder het hoofdstuk 4.2.
Er wordt, los van het reeds bestaande kader voor lozing van bedrijfsafvalwater voorzien in een apart statuut voor de lozing van bemalingswater. De nieuwe afdeling 4.2.9 regelt de voorwaarden die specifiek op de lozing van bemalingswater van toepassing zijn.
Voor §1:
Het toepassingsgebied van dit artikel beperkt zich tot het lozen van bemalingswater dat, in navolging van de artikels zoals vermeld, pas kan gebeuren nadat de voorgaande stappen van de bemalingscascade zijn doorlopen.
Voor §2:
De hoeveelheid van het geloosde bemalingswater en wijze van staalname, kan worden bepaald met een meetmethode zoals bepaald in afdeling 5.53.3 van titel II van het VLAREM. Deze meetmethode is een evenwaardig alternatief en kan in voorliggende situatie meer geschikt zijn dan de voorziene meetmethodes voor lozing van bedrijfsafvalwater.
De hoeveelheid bemalingswater die wordt geloosd, is af te leiden van de hoeveelheden die gemeten moeten worden volgens de bepalingen van hoofdstuk 5.53 betreffende de winning van grondwater van dit besluit. Er wordt hierin voor tijdelijke en permanente bemalingen bijkomend voorzien dat debietmeters worden geplaatst zodat per watervoerende laag het volume bemalingswater dat niet terug in de watervoerende laag kan gebracht worden en het volume bemalingswater dat nuttig gebruikt wordt, bepaald kan worden.
Om de kwaliteit van het geloosde grondwater te bepalen, volstaat het om staalnames te doen via een aftapkraan. Deze verplichting is eveneens gevat in afdeling 5.53.3, namelijk in artikel 5.53.3.1.
Voor §3:
Voor de lozing van bemalingswater wordt vertrokken van dezelfde algemene voorwaarden als voor de lozing van bedrijfsafvalwater. Voor deze dossiers zullen voor gevaarlijke stoffen bijzondere voorwaarden opgenomen worden na een duidelijke afweging en motivatie in de advies- en vergunningsprocedure.
Er wordt een onderscheid in de voorwaarden gemaakt voor lozingen op riolering die aansluit op een RWZI (3°) en voor lozingen die rechtstreeks of onrechtstreeks uitmonden in de gewone oppervlaktewateren (2°). Aangezien een RWZI uiteindelijk ook loost in oppervlaktewater worden deze expliciet uitgesloten onder 2°. Er wordt niet verwezen zoals bij bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater naar de ligging in een gebied met een bepaalde riolerings- en zuiveringsstatus (centraal gebied, collectief te optimaliseren gebied, individueel te optimaliseren gebied, …) omdat het voor lozing van bemalingswater de bemalingscascade is en de hieraan gekoppelde voorwaarden die bepalen waarin geloosd kan worden.
Om een goed beeld te krijgen van de kwaliteit van het opgepompte grondwater in het kader van bemalingen is de monitoring van bemalingswater volgens specifieke voorschriften opgenomen in art. 5.53.6.1.6 meer geschikt dan het voorziene zelfcontroleprogramma voor lozing van bedrijfsafvalwater.
Vanuit het voorzorgsprincipe wordt hierbij voor de noodzakelijke controlestaalname van het bemalingswater en te analyseren pakket de link gelegd met de potentiële verontreinigingsrisico’s van het grondwater.
Een aantal voorwaarden die wel relevant zijn voor bedrijfsafvalwater worden hier niet opgenomen omdat ze voor bemalingswater niet relevant zijn. Zo is bv de aanwezigheid van oliën en vetten in een zichtbare drijflaag hier niet aan de orde omdat het in dat geval over een bodemsaneringsproject zou moeten gaan en via het bodemdecreet geregeld moet worden. Ook de temperatuursnorm is gelet op de temperatuur van het grondwater bij bemalingen niet relevant. Ook de aanwezigheid van pathogene kiemen wordt niet relevant geacht.
In paragraaf 3, 4de lid wordt vastgelegd wanneer een lozingsnorm moet aangevraagd worden. Deze bepaling is analoog aan de bepaling voor bedrijfsafvalwater.
Omdat er geen overgangstermijn van toepassing is bij het wijzigen van een toetsingswaarde na de inwerkingtreding, wordt een overgangstermijn voorzien van 18 maanden na publicatie van de nieuwe waarden, en dit voor reeds vergunde of geakteerde IIOA en voor IIOA waarvoor de vergunningsaanvraag of melding werd ingediend. Binnen deze periode kan, indien vereist, een bijstelling aan de vergunning of aktename ingediend worden.
ARTIKEL 8
Paragraaf 1 van artikel 4.3.1.1 met het toepassingsgebied van de reeds bestaande artikels wordt verhuisd naar een nieuwe paragraaf onder art. 4.3.1.2. Paragraaf 2 en 3 van hetzelfde artikel worden geschrapt. De handelingen vermeld in die paragraaf 2 en 3 en die daarin buiten het toepassingsgebied van afdeling 4.3.1 van titel II van VLAREM worden gesteld, worden opgenomen als uitzondering onder de hoofdrubriek 52. In de huidige lezing blijft een indeling en vergunningsaanvraag nodig, maar zijn voor deze handelingen geen voorwaarden. Dit is niet logisch en wenselijk.
ARTIKEL 9
Door het schrappen van artikel 4.3.1.1. wordt het toepassingsgebied ingevoegd ter vervanging van de paragraaf 1 van artikel 4.3.1.2. De paragraaf 1 wordt deels hernomen als paragraaf 1/1 waarbij de 3de alinea wordt geschrapt aangezien de betrokken indelingsrubrieken worden opgeheven (zie artikel 55.4° en 5°). De activiteiten uit deze rubrieken worden door de wijzigingen elders gevat.
ARTIKEL 10
Er wordt een nieuw artikel 4.3.1.3 ingevoerd dat voor bemalingen verduidelijkt dat een mengstroom van bemalingswater en hemelwater dat niet in contact geweest is met verontreinigende stromen als bemalingswater beschouwd wordt. Voor de bepaling van het debiet bij bemalingen, die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die reeds gebouwd werden mogelijk te maken of te houden, kan via de omgevingsvergunning een voorstel goedgekeurd worden hoe het aandeel van beide stromen toch afzonderlijk kan bepaald worden. Hierop kunnen de te vergunnen debieten afgestemd worden. Dit is ook relevant om bij grotere dagdebieten te bepalen of de rubriek 53.11 al dan niet van toepassing is.
ARTIKEL 11
In art 4.3.2.1 wordt in punt 3° de mogelijkheid voorzien om gemotiveerd van de afstandsregels af te wijken. De term ‘besterfput’ wordt vervangen door infiltratievoorziening, aangezien deze elders in de regelgeving wordt gedefinieerd als ‘een voorziening waarbij het opgevangen water in de bodem insijpelt en waarbij het water in de infiltratievoorziening niet in permanente verbinding staat met oppervlaktewater’. Deze omschrijving is duidelijker dan de niet nader gedefinieerde term ‘besterfput’ en zodoende kunnen ook wadi’s worden begrepen onder de term infiltratievoorziening. De bepaling dat er geen overloop mag zijn uit 3°, c) is overbodig aangezien de definitie van een infiltratievoorziening reeds vastlegt dat er geen permanente verbinding mag zijn met oppervlaktewater.
De minimale afstand tot een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater uit punt 3°, b) 1° en 2° wordt geschrapt. Het schrappen van deze afstandsregels bevordert het lokaal vasthouden van niet verontreinigd water, in plaats van het af te voeren naar oppervlaktewater. Dit kan bijdragen tot een kwantitatief betere toestand van het freatische grondwater. Belangrijk hierbij zijn de kwaliteitsvereisten van art. 4.3.2.1 4° die garanderen dat door deze activiteit geen verontreiniging veroorzaakt wordt en dus de milieubescherming blijft gegarandeerd worden. Afvalwater dat een doorgedreven waterbehandeling ondergaan heeft, behoudt het statuut van afvalwater en mag omwille van de huidige afstandsregel zonder deze aanpassing niet geïnfiltreerd worden als er zich een oppervlaktewater of kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in de buurt bevindt. Met deze aanpassing wordt het mogelijk gemaakt om de afweging te maken tussen lozing in oppervlaktewater of het ter plaatse vasthouden waardoor verdroging tegengegaan wordt. De kwalitatieve toestand van het grondwaterlichaam blijft door het schrappen van deze afstandsregel voldoende beschermd.
De minimale afstand tot een grondwaterwinning uit punt 3°, b), 3° wordt beperkt tot de grondwaterwinningen uit een niet afgesloten watervoerende laag op max. 100m. De afstand wordt hierbij gelijkgesteld aan de afstand die geldt bij indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater uit art. 4.3.3.1. De indirecte lozing vindt, volgend uit de definitie elders in deze regelgeving, immers altijd plaats na doorsijpeling door de bodem en ondergrond en dus in de onverzadigde zone. Bijgevolg is het enkel relevant voor grondwaterwinningen uit een niet afgesloten watervoerende laag. Het begrip afgesloten watervoerende laag is gedefinieerd in het Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer. Het beperken van de afstandsregel tot grondwaterwinningen uit niet afgesloten watervoerende lagen doet geen afbreuk aan het beschermingsniveau van afgesloten watervoerende lagen.
De minimale afstand tot elke bron van drinkwater, thermaal water of mineraal water (punt 3, b), 4° van het artikel) wordt geschrapt. Dit is enerzijds ondervangen door de generiekere minimale afstand tot een grondwaterwinning. Rond drinkwaterwinningen voor openbare drinkwatervoorzieningen zijn bijkomend in uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, beschermingszones afgebakend waarbinnen beperkingen gelden van de toegelaten activiteiten. Deze activiteiten zijn vastgelegd in art 2 tot 4 van Besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de watergebieden en de beschermingszones. Via deze weg is het indirect lozen van stoffen van lijst I en II ook verboden. De grootte van de beschermingszones is aangepast in functie van de lokale geologie en de omvang en kenmerken zoals diepte van de drinkwaterwinning. Een dergelijke werkwijze is te verkiezen boven één afstandsregel die niet afgestemd is op de lokale situatie.
Er wordt generieker omschreven dat het geloosde afvalwater bemonsterbaar moet zijn. Dit is nodig omdat ook andere infiltratievoorzieningen dan enkel besterfputten toegelaten zijn.
Het normenkader voor de kwaliteit van het te infiltreren water wordt in art 4.3.2.1 in punt 4° aangepast. In de huidige versie is er geen afwijkmogelijkheid voorzien van het normenkader. Een dergelijk afwijking kan waardevol zijn in situaties waarbij uit een lokale risico inschatting blijkt dat het niet respecteren van het generieke normenkader geen achteruitgang van de toestand van het grondwaterlichaam veroorzaakt. De uitgangsprincipes van de Europese kaderrichtlijn water dienen te worden gerespecteerd bij het benutten van de afwijkingsmogelijkheid. Dit wordt voorzien samen met een aanpassing voor de milieukwaliteitsnormen grondwater en een verruiming van het normenkader waarvoor vandaag geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is.
In eerste instantie wordt verwezen naar de milieukwaliteitsnormen grondwater voor ongewenste en toxische stoffen. Voor microbiologische parameters moet het normenkader niet gevolgd worden bij het aanvullen. Het betreft hier organismen die algemeen voorkomen in freatisch grondwater. Van de stoffen bij de milieukwaliteitsnormen grondwater opgesomd onder “A. Fysisch-chemische parameters” worden voor bepaalde stoffen zoals geleidbaarheid, en chloride, temperatuur en pH aangepaste criteria voorzien, andere met beperkte milieueffecten wordt niet weerhouden in het normenkader of beperkt door andere stoffen te normeren. Verzilt water wordt gekenmerkt door een hogere concentratie aan chloriden en door een hogere geleidbaarheid. De elektrische geleidbaarheid en het chloridegehalte, beide indicaties voor de verziltingsgraad, worden afzonderlijk genormeerd. Het principe dat hier gehanteerd wordt is dat brak of zout afvalwater niet indirect mag geloosd worden in een zoeter water. Door de geleidbaarheid te normeren zijn andere stoffen die van nature voorkomen in verzilt grondwater zoals natrium, kalium en sulfaat eveneens beperkt. Kalium en sulfaat kunnen ook van antropogene oorsprong zijn en als meststof aan het grondwater toegevoegd worden. Kalium wordt ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar vormt enkel een “aanvullende parameter”. De milieutechnische effecten van het inbrengen van stoffen die als meststof uitgespreid worden is reeds ondervangen via wettelijke bepalingen in andere decreten zoals het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan evenals in het Waterwetboek. Het verspreiden van meststoffen wordt geregeld in het Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Calcium en magnesium zijn parameters die ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt worden om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar enkel “aanvullende parameters” vormen. Ze zijn bepalend voor de hardheid van het water. Stoffen die vanuit gezondheidskundig oogpunt niet meegenomen worden om drinkbaarheid van water te beoordelen worden geacht dat ze in het water mogen aanwezig zijn dat gebruikt wordt voor het kunstmatig aanvullen. Een gelijkaardig principe als voor de geleidbaarheid wordt gehanteerd voor de temperatuur: afvalwaters met een temperatuur boven 25°C mogen enkel geloosd worden als de temperatuur van het ontvangende grondwater even hoog of hoger is. Bij pH wordt de bovengrens vastgelegd op 9 pH eenheden naar analogie met de bovengrens voor water bestemd voor menselijke consumptie (Besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (B.S.08/03/2023)). Voor de ondergrens geldt de grondwaterkwaliteitsnorm. Het toetsingskader wordt uitgebreid met de richtwaarden voor grondwater zoals vastgesteld in bijlage II van het VLAREBO. Aluminium komt alleen in zeer lage concentraties voor door de zeer geringe oplosbaarheid bij neutrale pH. Door de aanvaarde pH range te beperken is de aluminiumconcentratie eveneens beperkt. Sulfaat kan ook zijn oorsprong vinden in pyrietoxidatie en gaat dan gepaard met vrijstelling van zware metalen zoals arseen, nikkel en zink en een verlaagde pH. Door de normering van deze laatste stoffen is een voldoende beschermingsniveau gegarandeerd.
Indien er voor gevaarlijke stoffen geen milieukwaliteitsnorm voor grondwater vastgesteld zijn en er ook in het VLAREBO geen richtwaarde voor is vastgesteld, geldt dat de rapportagegrens in grondwater zoals vastgesteld in de wateranalysecompendia, opgesteld door VITO, als richtwaarde geldt.
Omdat er geen overgangstermijn van toepassing is bij het wijzigen van een norm na de inwerkingtreding, wordt een overgangstermijn voorzien van 18 maanden na publicatie van de nieuwe waarden, en dit voor reeds vergunde of geakteerde IIOA en voor IIOA waarvoor de vergunningsaanvraag of melding werd ingediend. Binnen deze periode kan, indien vereist, een bijstelling aan de vergunning of aktename ingediend worden.
In art 4.3.2.1 wordt in punt 5° de mogelijkheid voorzien om gemotiveerd van het verbod tot lozing in grondwater af te wijken in het geval er kan geloosd worden op de openbare riolering. In specifieke gevallen kan het wenselijk zijn om het afvalwater, eventueel na doorgedreven zuivering, toch lokaal in de ondergrond te brengen in plaats van af te voeren via een riolering. Het verbod op lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater als er een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in de nabijheid aanwezig is wordt geschrapt.
ARTIKEL 12
In art. 4.3.2.2. wordt in paragraaf 1 generieker omschreven dat het over elke lozing in grondwater gaat, niet enkel die via een besterfput.
In art. 4.3.2.2. §3 wordt het plaatsen van een peilputtennetwerk pas verplicht bij lozingsvolumes groter dan 10 m³ per dag of 2.500 m³ per jaar. Dezelfde ondergrenzen worden gehanteerd in art 4.3.2.3 §1 2de alinea i.v.m. het uitvoeren van analyses op deze peilputten. Er wordt eveneens een afwijkmogelijkheid voorzien op het plaatsen van een peilputtennetwerk. De wenselijkheid van een meetnet voor dergelijke kleine installaties kan beoordeeld worden binnen de vergunningsprocedure, o.a. op basis van de samenstelling van het water dat geloosd zal worden en het daaraan gekoppelde risico naar het grondwater.
ARTIKEL 13
In art 4.3.2.3 wordt in paragraaf 1 de term ‘besterfput’ vervangen door infiltratievoorziening. Voor verdere motivatie wordt verwezen naar deze bij artikel 5. De aanleg van peilputten is verplicht bij geloosde volumes groter dan 10m³/d en 2500m³/j. Hierbij wordt het maanddebiet van 250m³ niet langer weerhouden als criterium.
ARTIKEL 14
Artikel 4.3.3.1. van hetzelfde besluit bevat voorwaarden die van toepassing zijn op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater. In het artikel wordt de verwijzing naar rubriek 52.2.1° geschrapt, aangezien deze rubriek 52.2.1° (indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater, buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II of III) wordt geschrapt in de indelingslijst. De voorwaarden van afdeling 6.9.2 van titel II van VLAREM zijn van toepassing op deze activiteiten. Bijgevolg kan de verwijzing naar de rubriek 52.2.1° in artikel 4.3.1.1. van titel II van VLAREM geschrapt worden.
In art 4.3.3.1 3° wordt de term ‘besterfput’ vervangen door infiltratievoorziening, aangezien deze elders in de regelgeving wordt gedefinieerd als ‘een voorziening waarbij het opgevangen water in de bodem insijpelt en waarbij het water in de infiltratievoorziening niet in permanente verbinding staat met oppervlaktewater’. Deze omschrijving is duidelijker dan de niet nader gedefinieerde term ‘besterfput’ en zodoende kunnen ook wadi’s worden begrepen onder de term infiltratievoorziening. De bepaling dat er geen overloop mag zijn uit 3°, c) is overbodig aangezien de definitie van een infiltratievoorziening reeds vastlegt dat er geen permanente verbinding mag zijn met oppervlaktewater. Deze wordt geschrapt.
De belangrijkste bepaling van dit artikel is hetgeen opgenomen is onder 4° en die niet gewijzigd wordt. Deze bepaling stelt dat wanneer er kan aangesloten worden op een collectieve zuivering, dit een verplichting is. Enkel op die locaties waar er geen collectieve voorzieningen zijn, is lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater na de gepaste behandeling toegelaten. De minimale behandeling is vastgelegd in 5° en wijzigt eveneens niet. Met deze bepalingen wordt aannemelijk gemaakt dat de indirecte lozing geen verontreiniging veroorzaakt. Voor deze gevallen zijn er in art. 4.3.3.1 3° bijkomende voorwaarden opgenomen.
In art 4.3.3.1 3° wordt de mogelijkheid voorzien om gemotiveerd van de voorwaarden af te wijken. De minimale afstand tot een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater uit punt 3°, b) 1° en 2° wordt geschrapt. Het schrappen van deze afstandsregels maakt het lokaal vasthouden van het behandelde huishoudelijke afvalwater mogelijk, in plaats van het verplicht te moeten afvoeren naar oppervlaktewater als dit aanwezig is. Dit kan bijdragen tot een kwantitatief betere toestand van het freatische grondwater. Belangrijk hierbij is de bepaling van 5° van hetzelfde artikel waarmee afgedwongen wordt dat het huishoudelijke afvalwater wanneer niet kan aangesloten worden op een collectieve zuivering, een minimale zuivering moet ondergaan. De kwalitatieve toestand van het grondwaterlichaam blijft door het schrappen van deze afstandsregel voldoende beschermd.
De minimale afstand tot elke bron van drinkwater, thermaal water of mineraal water (punt 3°, b), 4° van het artikel) wordt geschrapt. Dit is enerzijds ondervangen door de generiekere minimale afstand tot een grondwaterwinning uit een niet afgesloten watervoerende laag. Rond drinkwaterwinningen voor openbare drinkwatervoorzieningen zijn bijkomend in uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, beschermingszones afgebakend waarbinnen beperkingen gelden van de toegelaten activiteiten. Deze activiteiten zijn vastgelegd in art 2 tot 4 van Besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de watergebieden en de beschermingszones. Via deze weg is het indirect lozen van stoffen van lijst I en II ook verboden. De grootte van de beschermingszones is aangepast in functie van de lokale geologie en de omvang en kenmerken zoals diepte van de drinkwaterwinning. Een dergelijke werkwijze is te verkiezen boven één afstandsregel die niet afgestemd is op de lokale situatie.
Voor de grondwaterwinningen wordt de afstandsregel beperkt tot enkel de grondwaterwinningen uit niet afgesloten watervoerende lagen aangezien uit de definitie van indirecte lozing elders in deze regelgeving volgt dat het altijd na doorsijpeling door boden en ondergrond is. Bijgevolg zal het enkel dit compartiment potentieel beïnvloeden. Het beperken van de afstandsregel tot grondwaterwinningen uit niet afgesloten watervoerende lagen doet geen afbreuk aan het beschermingsniveau van afgesloten watervoerende lagen Het begrip afgesloten watervoerende laag is gedefinieerd in het Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer.
In art 4.3.3.1 3°d) wordt generieker omschreven dat het geloosde afvalwater bemonsterbaar moet zijn. Dit is nodig omdat ook andere infiltratievoorzieningen dan enkel besterfputten toegelaten zijn, waarbij aandacht moet blijven voor de gemakkelijke mogelijkheid om een monster te nemen.
In art 4.3.3.1 4° wordt het woord “indirecte” geschrapt. Zowel indirecte als directe lozing van huishoudelijk afvalwater is verboden in de in dit artikel opgesomde gevallen. Het verbod op lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater als er een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in de nabijheid aanwezig is wordt geschrapt.
In art 4.3.3.1 5° wordt generieker omschreven dat het over elke lozing in grondwater gaat, niet enkel die via een besterfput.
ARTIKEL 15
Het toevoegen van de nieuwe afdeling 4.3.4. laat toe om voor de controle een gelijke behandeling te bekomen in het kader van toezicht, hetzij bij lozing, hetzij bij het terug in de ondergrond brengen van water. Hierdoor wordt duidelijk welke meetonzekerheden toegepast moeten worden. Voor het debiet wordt op basis van de meetonzekerheden opgenomen in de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater (VITO, 2019) voor de meest courante types debietmeters als meetonzekerheid 10% gehanteerd. Een andere nauwkeurigheid dan voor lozen van afvalwater is te verantwoorden omdat de debietmeetmethodes voor grondwater meestal niet dezelfde zijn als voor lozing van (bedrijfs)afvalwater.
ARTIKEL 16
In artikel 5.9.7.1, §1, derde lid van hetzelfde besluit worden de woorden “de toezichthoudende overheid” vervangen door de zinsnede “een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, als vermeld in artikel 6, 1°, d),4), van het VLAREL”.
De toezichthoudende overheid (de gewestelijke of de lokale toezichthouders) kunnen geen structurele meerwaarde bieden bij de voorafgaande evaluatie van de peilputmeetnetten. De primaire focus en tijdsbesteding ligt bij de toezichthouders grondwater op het handhaven van deskundig opgelegde bepalingen en niet het zelf invullen daarvan. De vereiste technisch-hydrogeologische kennis wordt geacht aanwezig te zijn bij de daartoe erkende deskundigen. Deze kunnen best het nut van de meetnetten of de alternatieven beoordelen in functie van de lokale hydrogeologie en bodemgesteldheid, zoals ook voorzien bij peilputten opgelegd in hoofdstukken 17 en 53 van titel II van VLAREM.
ARTIKEL 17
Dit artikel wijzigt artikel 5.53.1.2 van het VLAREM-II besluit. Er wordt verduidelijkt welke werken minstens die door een erkend boorbedrijf moeten uitgevoerd worden. Dit zijn de ingrepen waarbij er wijzigingen aan de constructieve elementen uitgevoerd worden. Het in- en uitbouwen van een pomp en peilbuis in de pompput hoort hier niet bij.
ARTIKEL 18
Dit artikel wijzigt artikel 5.53.2.2 van het VLAREM-II besluit. Het betreft een generieke vrijstelling op het plaatsen van een peilbuis in grondwaterwinningen met een voldoende grote binnendiameter zoals voor vijvers en steenputten. De vrijstelling kan generiek worden toegestaan omdat voor grote diameters het risico op beschadiging van meetapparatuur quasi onbestaande is. De vrijstelling geldt ook voor winningen met een bovengrondse pomp. In dit laatste geval zijn er geen ophangkabels, elektriciteitskabels en dergelijke in de put waartussen het peillint verstrengeld kan geraken, waardoor het risico op beschadiging van meetapparatuur eveneens quasi onbestaande is.
ARTIKEL 19
In artikel 5.53.3.2 van hetzelfde besluit, worden de woorden “De meetinrichting” vervangen door de woorden “Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is de meetinrichting”. De beoordeling of een andere meter of meetmethode mag gebruikt worden, moet gemaakt worden in de procedure van de omgevingsvergunning, en niet via een aparte vraag. Op deze manier wordt dit verduidelijkt.
ARTIKEL 20
In artikel 5.53.3.3 van hetzelfde besluit worden in de verschillende alinea’s wijzigingen aangebracht, mede gelet op het advies van de Raad van State. Voor de rechtszekerheid verdient het volgens de Raad de voorkeur om naar de specifieke regelgeving te verwijzen.
In de eerste paragraaf wordt verwezen naar de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater (VITO, 2019) die werd gepubliceerd. Deze Code van Goede Praktijk beschrijft de richtlijnen voor de installatie, een aantal periodieke controles en het onderhoud van een meetinrichting voor debietmeting van opgepompt grondwater. Volgens deze Code moet voor elke meter een technisch dossier worden aangelegd. Dit technisch dossier omvat het register met de tellerstanden, herijkings-, kalibratie-, installatie-, verificatie- of onderhoudsrapporten of eventuele controles, de installatievoorschriften van de fabrikant, en een logboek waarin alle afwijkingen en wijzigingen aan de meter worden geregistreerd. Dit technische dossier moet ter inzage gehouden worden van de met toezicht belaste ambtenaar. Deze verplichting wordt als voorwaarde opgenomen. Er wordt voorzien in een overgangsbepaling waardoor gegevens van voor 1 juli 2025 niet verplicht moeten opgenomen worden in het technisch dossier,. mede gelet op het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 met betrekking tot een overgangsregeling. Een zo uniform mogelijke overgangsregeling is eveneens toegepast op de andere artikelen 24, 25, 26, 29, 30, 37, 48 en 49. De overgangsbepalingen werden opgemaakt rekening houdend met enerzijds bij het moment van schrijven nog onbekende concrete datum van inwerkingtreding. Die is immers afhankelijk van de publicatiedatum in het Belgisch Staatsblad en de afstemming met de eerstvolgende release van het Omgevingsloket. Anderzijds is het noodzakelijk om exploitanten bij de inwerkingtreding een redelijke termijn te geven om zich in regel te stellen.
De vierde paragraaf wordt vervangen door de volgende zin: “Op elke meter staan permanent leesbaar de noodzakelijke aanduidingen volgens de voorschriften in de betrokken regelgeving.” Deze aanduidingen zijn afkomstig uit federale metrologische reglementering. Over de jaren heen is deze aan wijzigingen onderhevig. Het in deze paragraaf origineel opgenomen KB van 18 februari 1977 werd inmiddels ook opgeheven. Het betreft bovendien federale wetgeving en het is niet wenselijk om hier -zelfs op een dynamische wijze- naar te verwijzen, gelet op de bevoegdheidsverdeling. De opsomming van de noodzakelijke aanduidingen is opgenomen in de code van goede praktijk. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om deze meldingen leesbaar te houden zodat deze tijdens controles ook kunnen worden geverifieerd.
In de vijfde paragraaf wordt een zin geschrapt omdat het ijkingsattest in het technisch dossier moet zitten, zoals verplicht in §1.
Aan de zesde paragraaf wordt volgende zin toegevoegd: ““Voor bemalingen ingedeeld onder rubriek 53.2 kan dit via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen”. Er wordt een webapplicatie ontwikkeld waarin de aanvang en het beëindigen van een bemaling en de gegevens van de debietmeters die bij deze installatie geplaatst werden kunnen gerapporteerd worden. De toezichthouders hebben hier toegang toe. De melding via deze applicatie is dan ook evenwaardig aan de rechtstreekse rapportering aan de toezichthouders.
In paragraaf 7 wordt het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving’ vervangen door ‘de toezichthouder’. Debietmeters kunnen door verschillende instanties worden verzegeld. Courant gebeurt dit door de VMM i.k.v. de controle op de grondwaterheffing, maar dit kan ook door de gewestelijke of lokale toezichthouders worden uitgevoerd. De desbetreffende toezichthouder die de verzegeling heeft uitgevoerd dient te worden verwittigd, wat niet noodzakelijk overeenkomt met de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving.
Paragraaf 8 wordt opgeheven aangezien de vergunningstermijn van de in deze paragraaf aangehaalde bestaande grondwaterwinningen inmiddels is verstreken waardoor de bepaling zonder voorwerp wordt.
ARTIKEL 21
In artikel 5.53.4.1, §1, van hetzelfde besluit wordt “inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse” vervangen door “activiteiten die in de eerste klasse ingedeeld zijn van rubriek 53.5.2°, c), 53.6, 53.7, 53.8 en 53.12”.
Aangezien er voor de rubriek 53.2 specifieke voorwaarden worden geformuleerd naar aantal peilputten, en analyses, zijn de voorwaarden onder afdeling 5.53.4 niet meer vereist voor deze rubriek. De rubriek 53.9 is een rubriek die gekoppeld is aan een andere rubriek (op dit ogenblik enkel gecombineerd met de huidige rubrieken 53.4.2 en 53.7). De rubriek 53.10 kent als indelingscriterium oppervlakte en niet debiet, zodat voor deze rubriek eventueel gewenste peilputten, e.d. via bijzondere voorwaarden moeten opgelegd worden. De rubriek 53.11 is eveneens altijd een gekoppelde rubriek (bv. samen met rubriek 53.8 of 53.2). Het is aangewezen de verplichting tot peilputten e.d. te koppelen met deze andere rubriek. Indien vereist kunnen via bijzondere milieuvoorwaarden in specifieke omstandigheden bijkomende peilputten, metingen of analyses worden opgelegd.
ARTIKEL 22
Het artikel wijzigt artikel 5.53.4.7 van het VLAREM-II besluit.
De wijze van aanlevering van de resultaten van het voorgaande kalenderjaar van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen worden bepaald in het besluit betreffende het integrale milieujaarverslag. Aangezien de aangifteformulieren van het milieujaarverslag onderhevig kunnen zijn aan evoluties is het niet meer wenselijk om te verwijzen naar de specifieke deelformulieren maar generiek te verwijzen naar de bepalingen van dit besluit.
Daarnaast wordt de mogelijkheid voorzien aan drinkwatermaatschappijen om data in bulk aan te leveren op een wijze die verwerking bij de bevoegde administratie gemakkelijk mogelijk maakt.
ARTIKEL 23
In artikel 5.53.5.1 van hetzelfde besluit wordt de eerste paragraaf geschrapt en vervangen door een gewijzigde versie van de tweede paragraaf. De bestaande formuleringen ‘ontsluiting van de watervoerende laag’ en ‘potentieel gevaar’ zijn onduidelijk, moeilijk handhaafbaar en voor interpretatie vatbaar. Sinds de invoering van de methode voor het (tijdelijk) buitengebruik stellen van grondwaterwinningen in de code van goede praktijk in bijlage 5.53.1, zijn hierin de voorwaarden en de te volgen methodologie duidelijk omschreven. Het volstaat hier dan ook om enkel nog naar deze bijlage te verwijzen zodat de verlaten winningsputten correct (tijdelijk) worden buiten gebruik gesteld of omgevormd en gebruikt als peilput zoals omschreven in artikels 5.53.2.3.5° en 5.53.6.3.3.5°
ARTIKEL 24
Onderafdeling 5.53.6.1. die bestaat uit artikel 5.53.6.1.1 tot en met 5.53.6.1.2, wordt vervangen door een nieuwe onderafdeling 5.53.6.1. die bestaat uit artikel 5.53.6.1.1 tot en met 5.53.6.1.6.
1. Artikel 5.53.6.1.1. herneemt de bestaande bepalingen onder het vroegere artikel 5.53.6.1.1.§1.
2. In de eerste paragraaf van het artikel 5.53.6.1.2 wordt de eerste zin van de bestaande bepalingen onder het vroegere artikel 5.53.6.1.1.§2. hernomen.
De wijzigingen aan paragraaf 2 hebben de volgende motivering:
- Het doorgeven van tijdstip van plaatsen en ontmantelen van de bemaling laat toe om te allen tijde een actueel overzicht van geïnstalleerde bemalingen te maken. Dit is belangrijk in het kader van toezicht, maar ook om vb. lokale mogelijkheden voor nuttig gebruik in beeld te brengen, en om transparantie te bieden naar de burger. Het doorgeven van merk en serienummer van debietmeters, alsook de tellerstanden bij plaatsen en ontmantelen zorgt eveneens voor een vereenvoudiging van het toezicht op de bemalingen.
- Met dit artikel wordt eveneens opgelegd dat een bemalingspomp geplaatst moet worden door een erkend boorbedrijf, in de discipline ‘bemalingen’. Aangezien men voor de plaatsing van de bemalingspomp beroep moet doen op een erkend boorbedrijf, is het aangewezen dat dit erkend boorbedrijf de tellerstanden doorgeeft. Dit zal eveneens worden opgenomen als gebruikseis in artikel 53/6 van VLAREL.
- De verplichting om de plaatsing van de bemalingspomp door een erkend boorbedrijf te laten doen, is te motiveren omdat er hierdoor ten eerste een borging van de informatieverplichting jegens de klanten is, zoals opgenomen in de gebruikseisen voor erkende boorbedrijven (opgenomen in de VLAREM-trein 2019). De aanleg van een drain of open bemaling kan immers zonder de medewerking van een erkend boorbedrijf (draineringen zijn uitgesloten van de disciplines zoals opgenomen in artikel 6, 7°, a) van het VLAREL, en voor open bemalingen zijn geen boringen nodig). Ten tweede hebben erkende boorbedrijven reeds een beveiligde toegang tot het eDOV-loket en zijn zij vertrouwd met de werking van dit loket, waardoor een veilige en efficiënte gegevensdoorstroming mogelijk is.
Het invoegen paragraaf 3 van artikel 5.53.6.1.2 heeft de volgende reden:
o Door het bijkomend registeren van de tellerstanden van de debietmeter gedurende de eerste vijf werkdagen en vervolgens wekelijks, controleert de exploitant dat de bemaling wordt geëxploiteerd binnen de vergunde of geakteerde debieten, of aannames van de bemalingsstudie. Het laat tevens toe om de werking van de debietmeter te controleren, wat ook belangrijk is in het kader van de opvolging van de bemaling. In opstartfase zijn de dagdebieten het hoogst, omdat men de gewenste verlaging wil bekomen. Het daarop volgende stationaire debiet ligt lager, waardoor een lagere periodiciteit van registratie mogelijk is.
o Verder wordt verduidelijkt dat tellerstanden op het einde van het jaar niet vereist zijn indien de bemalingen niet meer actief is en de tellerstand bij stopzetting al is gerapporteerd.
Het invoegen van paragraaf 4 en 5 hebben de volgende reden:
Deze bepalingen voeren de belangrijke verplichting in om bemalingen peilgestuurd uit te voeren. Al lijkt het niet meer dan logisch om het grondwaterpeil niet meer te verlagen dan noodzakelijk voor een bepaalde fase van de werken onder maaiveld, toch blijkt dit in de praktijk nog te weinig te worden toegepast. Peilbewaking wordt tot hiertoe meestal louter vanuit veiligheidsoogpunt toegepast, om opdrijven of onder water lopen van de bouwput te vermijden. Door toepassen van peilgestuurde bemaling wordt in één of meerdere referentiepunten, meestal peilputten, een referentiepeil bepaald dat overeenkomt met de gewenste verlaging ter hoogte van de uitgraving. Indien dit referentiepeil wordt bereikt, slaan de bemalingspompen aan, anders niet. Dit betekent dus ook een energetische kostenbesparing. Het aantal peilbuizen voor een bouwput wordt gebaseerd op de omtrek van de bouwput en het aantal wordt afgeleid van de Richtlijn bemalingen ter bescherming van het milieu (VMM). Hierin werd uitgegaan van 1 peilbuis per 1.250 m² oppervlakte, omgerekend betekent dit een omtrek van ca. 150 m. Voor een lijnbemaling wordt het aantal eveneens gebaseerd op de Richtlijn bemalingen ter bescherming van het milieu (VMM). Door deze verplichting als sectorale voorwaarde te verankeren, en hier tevens een korte overgangsfase voor te voorzien, wordt de sector aangezet om zich hieraan aan te passen en dit in de toekomstige projecten te voorzien. Navraag bij de sector heeft geleerd dat de kosten voor aan te schaffen materiaal aanvaardbaar zijn. Voor elke bemaling wordt het toegestaan om een minimaal debiet te verpompen om bevriezing van de installatie te vermijden. Specifiek voor retourbemalingen wordt voorzien dat een minimaal debiet mag blijven opgepompt worden, om het retouren van bemalingswater niet te fnuiken. Het retouren van bemalingswater, naast het peilgestuurd bemalen, betekent immers een bijkomende beperking van het netto onttrokken debiet grondwater.
3. Artikel 5.53.6.1.3 van het besluit herneemt de bemalingscascade uit het vroegere artikel 5.53.6.1.1.§2. en wijzigt deze. Om het effect van de bemaling op de grondwatervoorraad maximaal te beperken, worden, in volgorde van prioritering, de volgende stappen toegepast: 1) het beperken van het onttrokken volume bemalingswater, 2) het nuttig gebruik van bemalingswater, 3) het lozen van bemalingswater in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering bestemd voor de afvoer van hemelwater, en 4) het lozen van bemalingswater in de openbare riolering.
Bemalingscascadestap 1: het beperken van het onttrokken volume bemalingswater
In het tweede en derde lid wordt het kwaliteitskader hernomen voor bemalingswater dat terug in de grond wordt gebracht met een aanpassing voor de milieukwaliteitsnormen grondwater. Enkel de milieukwaliteitsnormen voor ongewenste, voor toxische stoffen en voor pH worden meegenomen. De stoffen opgesomd onder “A. Fysisch-chemische parameters” worden niet langer aanzien als beperkend voor het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater. Het betreft immers bemalingswater met zijn opgeloste anionen en kationen dat reeds lokaal aanwezig grondwater was.
De niet meer weerhouden kationen en anionen worden hieronder per stof besproken. Gelet dat de typische temperatuur van ondiep grondwater 11 à 13° C bedraagt zal het schrappen van een temperatuursnorm van max. 25°C geen afbreuk doen aan het beschermingsniveau van het grondwater. Voor pH wordt de milieukwaliteitsnorm behouden. De elektrische geleidbaarheid en het chloridegehalte, beide indicaties voor de verziltingsgraad, zijn reeds afzonderlijk genormeerd. Door de geleidbaarheid te normeren is het natriumgehalte eveneens beperkt. Calcium en magnesium zijn parameters die ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt worden om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar enkel “aanvullende parameters” vormen. Ze zijn bepalend voor de hardheid van het water. Aluminium komt alleen in zeer lage concentraties voor door de zeer geringe oplosbaarheid bij neutrale pH. Door de aanvaarde pH range te beperken is de aluminiumconcentratie eveneens beperkt. Kalium en sulfaat kunnen van natuurlijke oorsprong zijn gelinkt aan verzilting. Door de geleidbaarheid te normeren is het kalium- en sulfaatgehalte gelinkt aan verzilting eveneens beperkt. Kalium en sulfaat kunnen ook van antropogene oorsprong zijn en als meststof in het grondwater terechtkomen. Kalium wordt ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar vormt enkel een “aanvullende parameter”. De milieutechnische effecten van het inbrengen van stoffen die als meststof uitgespreid worden, is reeds ondervangen via wettelijke bepalingen in andere decreten zoals het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan evenals in het Waterwetboek. Het verspreiden van meststoffen wordt geregeld in het Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Sulfaat kan ook zijn oorsprong vinden in pyrietoxidatie en gaat dan gepaard met vrijstelling van zware metalen zoals arseen, nikkel en zink en een verlaagde pH. Door de normering van deze laatste stoffen is een voldoende beschermingsniveau gegarandeerd.
Deze aanpassing aan het normenkader voor terug in de ondergrond brengen van bemalingswater zal geen betekenisvolle effecten genereren maar wel het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater faciliteren.
De overgangstermijn bij het wijzigen van een norm na de inwerkingtreding, wordt in lijn gesteld met deze zoals momenteel opgenomen in het ontwerp van wijziging van VLAREM voor wat betreft de lozing van bedrijfsafvalwater.
Er wordt een afstand vooropgesteld waarbinnen de exploitant het bemalingswater terug in de grond moet brengen. Dit is van toepassing op bemalingen gekoppeld aan een bouwput, die langer dan 30 kalenderdagen duren. De verplichting geldt dus niet voor lijnbemalingen gelet op het opschuiven van de werkzaamheden. De verplichting geldt evenmin voor kortlopende bemalingen. Er wordt rekening gehouden met de moeilijkheid om terreinen van derden te kruisen met afvoerbuizen van het bemalingswater, waardoor gesteld wordt dat deze afstandsregel geldt over openbaar domein of via de terreinen van de werf. Het betreft dus geen afstand in vogelvlucht. De terreinen waarop het grondwater terug in de ondergrond gebracht wordt, kunnen ook andere terreinen zijn dan openbaar domein of van de werf. Hier kan enkel gemotiveerd van afgeweken worden in de vergunning. Voor bemalingen van bouwputten met de hoogste projectdebieten, en die minstens 6 maanden actief zijn, moeten de infiltratiemogelijkheden binnen een grotere afstand bekeken worden. Vanwege de projectomvang zijn in dat geval de extra kosten die hiermee gepaard kunnen gaan, te verantwoorden. Ook in dit geval kan hiervan enkel op gemotiveerde wijze in de vergunning van afgeweken worden.
Bovendien wordt, naast de verplichting om te zoeken naar een infiltratiemogelijkheid binnen een bepaalde afstand van de bemalingspomp, ook de verplichting opgelegd om bij delen van een bemalingsinstallatie met een voorziene grondwaterpeilverlagingen van meer dan 6 m onder maaiveld minstens 75% van het onttrokken grondwaterdebiet te retourneren. In het project Herbronnen en in het COOCK project Grondwater in de bouw wordt voor verschillende case studies aangetoond dat retour veel vaker mogelijk is dan de huidige praktijk en dat in veel gevallen 75-100% retour of infiltratie mogelijk is. Dit is van toepassing op bemalingen gekoppeld aan een bouwput, die langer dan 30 kalenderdagen duren. De verplichting geldt dus niet voor lijnbemalingen gelet op het opschuiven van de werkzaamheden. De verplichting geldt evenmin voor kortlopende bemalingen. Ook hier wordt rekening gehouden met de omvang van het project, om de extra kosten die hiermee gepaard gaan te verantwoorden. Ook in dit geval kan hiervan enkel op gemotiveerde wijze in de vergunning van afgeweken worden.
Voor de bepaling van de ‘grens’ van 6 m onder maaiveld werd uitgegaan van de verlaging die nodig is voor minstens 2 ondergrondse bouwlagen.
De overgangsbepaling laat toe aan de sector om zich hierop te organiseren, hierover kennis op te doen en kennis te delen. Verschillende initiatieven hiertoe zijn opgestart.
Bemalingscascade stap 2: nuttig gebruik van het bemalingswater
In dit artikel worden bepalingen uit het vroegere artikel 5.53.6.1.1.§2. hernomen en gewijzigd. Vanuit het voorzorgsprincipe wordt in een aantal situaties de mogelijkheid tot nuttig gebruik van bemalingswater (zoals voor groendiensten, veegwagens,…) niet standaard toegestaan. Het gaat hier dan met name over situaties waar het bemalingswater potentieel verontreinigd is. Er kan hiervan enkel op gemotiveerde wijze afgeweken worden in de vergunning.
Bemalingscascade stap 3: lozen van bemalingswater in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering bestemd voor de afvoer van hemelwater
Voor het deel van het bemalingswater waarvoor terug in de grond brengen of nuttig gebruik niet mogelijk is, wordt voorzien dat dit geloosd mag worden. In stap 3 van de bemalingscascade wordt lozen in de openbare riolering nog uitgesloten.
Bemalingscascade stap 4: lozen van bemalingswater in de openbare riolering
In dit artikel worden bepalingen uit het vroegere artikel 5.53.6.1.1§2 hernomen en gewijzigd. Voor het deel van het bemalingswater waarvoor terug in de grond brengen of nuttig gebruik niet mogelijk is, wordt voorzien dat dit geloosd mag worden. In stap 4 van de bemalingscascade wordt lozen van bemalingswater op openbare riolering enkel toegelaten indien ander water niet bereikbaar is conform de BBT. Voor de afstand van 200 meter tussen de bemalingspomp en een kunstmatige afvoer voor hemelwater of oppervlaktewater wordt verduidelijkt dat dit de afstand van het traject van de leiding vanaf de bemalingspomp over de openbare weg en niet de afstand in vogelvlucht is. Het tweede en derde lid blijven behouden uit de huidige bepalingen voor bemalingen.
4. In artikel 5.53.6.1.4. worden bepalingen in verband met debietmeting uit het vroegere artikel 5.53.6.1.1.§5. hernomen en aangevuld. Er wordt bepaald dat het debiet van elke stap van de cascade apart bepaald moet kunnen worden. Standaard gebeurt dit met een debietmeter maar in gemotiveerde gevallen kunnen andere methodes (bv. meetgoot) ook toegestaan worden. De aanvulling betreft een verduidelijking dat een ontluchtingssysteem (onder de vorm van een bak of snelontluchter) geen aftappunt is. Hieraan worden voorwaarden gekoppeld, die hun oorsprong vinden in de Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater (VITO, 2019).
5. Met artikel 5.53.6.1.5. wordt beoogd om de bemalingsdebieten aan te passen zodat enkel de werkelijk noodzakelijke verlaging van het grondwater gerealiseerd wordt. Bij een project met meerdere bouwfasen zou in principe, naarmate de werf vordert en de werken onder het maaiveld afgerond worden, de bemaling afgebouwd kunnen worden. Het is echter niet mogelijk een algemene regeling uit te werken voor het afstemmen van het bemalingspeil op de bouwfase, of een algemene regeling in VLAREM II op te nemen met betrekking tot een langdurige stillegging van de werf. Dit zal steeds een geval tot geval benadering vergen (in toepassing van artikel 4.1.3.2 van VLAREM II). Elke situatie is immers uniek en vraagt een eigen aanpak om de stabiliteit van de constructie, het vermijden van opdrijven van de vloerplaat en de planning van de werf te vrijwaren. Bij een langdurige stillegging van de werf door onvoorziene omstandigheden (vb. een faillissement van een aannemer) wordt een plan van aanpak gevraagd, om de impact op de omgeving minimaal te houden. De deskundige moet iemand met kennis van zake zijn, dit kan vb. het bemalingsbedrijf zijn, of een studiebureau, en het doel moet zijn om de bemaling dusdanig aan te passen dat de effecten op de omgeving maximaal gemilderd worden, zonder de veiligheid en stabiliteit van de werf in het gedrang te brengen.
6. In artikel 5.53.6.1.3.6. wordt vanuit het voorzorgsprincipe in een aantal situaties verplicht om een controlestaalname te doen van het bemalingswater. Het gaat hier dan met name over situaties waar er wordt verwacht dat het bemalingswater potentieel verontreinigd is. Voor de te analyseren parameters bij locaties gelinkt aan decretale bodemonderzoeken, aan risicogronden en aan schadegevallen wordt gelinkt naar het SAP-pakket zoals opgenomen in bijlage 3 van de Standaardprocedure voor Oriënterend Bodemonderzoek (OVAM, 1/4/2023). Voor locaties waarvoor gebruiksbeperkingen door de overheid werden afgekondigd omwille van de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen, zoals bv. PFAS, moeten de betreffende verontreinigende stoffen geanalyseerd worden. Dit kan aangevuld worden met parameters waarvan op basis van het vooronderzoek een analyse nuttig wordt geacht.
Het monster mag een mengstaal zijn van de verschillende strengen die tegelijkertijd op een werkende pomp zijn aangesloten.
Belangrijk om op te merken is dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning of melding de exploitant reeds de effecten van de bemaling op de omgeving moet onderzoeken. Dit houdt onder andere in dat het effect van de bemaling op de gekende bodemverontreinigingen binnen de invloedstraal beschreven moet worden (zie addendum R53, zoals terug te vinden op https://omgevingsloket.be/addendabibliotheek), en dit voor het geheel van de bemaling (ook als deze dus bv. langsheen een lijntraject wordt uitgevoerd). Ook indien uit dit onderzoek blijkt dat in het te lozen bemalingswater voor bepaalde parameters de grenswaarden overschreden zullen worden, wordt het effect hiervan beschreven in de aanvraag of melding. Bij de beoordeling zal de bevoegde overheid dit mee in overweging nemen en desgevallend (vanuit het voorzorgsbeginsel of het beginsel van preventief handelen) bijzondere milieuvoorwaarden opleggen of de vergunning weigeren (zie hiervoor de beoordelingscriteria in artikel 5.3.1 van het Decreet Algemene bepalingen milieubeleid). De hier voorgestelde bemonstering en analyse is dus een staalname ter controle, ter bevestiging van het onderzoek voorafgaand aan het indienen van de aanvraag of de melding, en de beslissing van de bevoegde overheid, en dus een exponent van een zorgvuldige exploitatie.
Deze staalname van het bemalingswater is niet vereist als binnen een periode van maximaal 3 jaar voor de start van de aanleg van de bemaling representatieve peilbuizen bemonsterd zijn op de werkwijze zoals vastgelegd in het wateranalysecompendium (dat erkende laboratoria verplicht moeten volgen). Er wordt geopteerd voor een termijn van max. 3 jaar gelet op de doorlooptijd van een vergunningsaanvraag én een aanbesteding.
Er wordt verduidelijkt wat representatieve peilbuizen zijn.
Er wordt eveneens in de mogelijkheid tot bijstelling van dit artikel voorzien, vb. indien op basis van een oriënterend bodemonderzoek blijkt dat er in de bodem waar de bemaling zal plaatsvinden geen verontreiniging van het grondwater aanwezig is. Deze toelichting komt tegemoet aan het advies van de Raad van State van 4 januari 2024.
ARTIKEL 25
Een nieuwe onderafdeling 5.53.6.1/1, die bestaat uit artikel 5.53.6.1/1.1 tot en met 5.53.6.1/1.4, wordt ingevoegd.
1. In artikel 5.53.6.1/1.1 wordt het toepassingsgebied van deze onderafdeling bepaald op de bemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gebouwen of terreinen mogelijk te maken of te houden, of voor onderhoudswerken uit te voeren aan deze gebouwen of op het terrein aanwezige constructies.
2. In artikel 5.53.6.1/1.2 wordt met de eerste en tweede paragraaf ook de verplichting ingevoerd voor permanente bemalingen om deze peilgestuurd uit te voeren. Ook al lijkt het niet meer dan logisch om het grondwaterpeil niet meer te verlagen dan noodzakelijk, toch blijkt dit in de praktijk nog niet veel te worden toegepast. Door toepassen van peilgestuurde bemaling wordt in één of meerdere referentiepeilputten of in de pompput of in een verzamelput een referentiepeil bepaald dat overeenkomt met de gewenste verlaging ter hoogte van de constructie. Indien dit referentiepeil wordt overschreden slaan de bemalingspompen aan, anders niet. Dit betekent dus ook een energetische kostenbesparing. Voor vergunningsplichtige bemalingen die niet werken via een verzamelput moet er ook minimaal 1 peilput worden aangelegd voor de opvolging van het grondwaterpeil. Door deze verplichting als sectorale voorwaarde te verankeren en hier tevens een korte overgangsfase voor te voorzien, wordt de sector aangezet om zich hieraan aan te passen en dit in de toekomstige projecten te voorzien.
De huidige paragraaf 2 van artikel 5.53.6.1.2 wordt niet hernomen. Het Grondwettelijk Hof erkende meermaals het algemene rechtsbeginsel “dat de gestrengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd”. De uitdrukkelijke bevestiging van dit beginsel voor mijnverzakkingsgebieden weegt niet op tegen de indruk die hiermee wordt gewekt dat andere overmachtssituaties bij mijnverzakkingsgebieden of overstromingsgevaar in andere gevallen niet als overmacht kan worden gekwalificeerd (cfr. advies van de Raad van State van 4 januari 2024).
3. In artikel 5.53.6.1/1.3 wordt voor permanente bemalingen ook de bemalingscascade ingevoerd. De focus bij dit type bemalingen ligt nog veel meer op voorkomen dat er water moet opgepompt worden. Hiertoe moeten alle mogelijk haalbare technische maatregelen genomen worden. Voor reeds vergunde of voor reeds aangelegde constructies (bv. vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen) is dit vaak niet meer mogelijk zonder grote ingrepen, waardoor er ook kan aangetoond worden dat door de specifieke aard van de aanpassing aan de constructieve elementen er geen maatregelen mogelijk zijn. Daarom wordt hiervoor een uitzondering voorzien. Logischerwijs geldt dit ook niet voor mijnverzakkingsgebieden waar de verlaging van het grondwaterpeil in de omgeving de doelstelling is. Enkel voor hetgeen niet voorkomen kan worden, geldt de klassieke cascade met prioritair terug in de grond brengen onder dezelfde voorwaarden wat betreft het normenkader als deze voorzien in bij de bemalingen voor uitvoeren van bouwwerken (art. 24), gevolgd door hergebruik als het niet potentieel verontreinigd is, dan pas lozen in een oppervlaktewater en enkel als het echt niet anders kan lozing in de riolering. Naar analogie met bemalingswater bij het uitvoeren van werken wordt voorzien dat van de generieke kwaliteitskaders voor zowel terug in de ondergrond brengen als hergebruik kan afgeweken worden mits grondige motivatie. Omdat er geen overgangstermijn van toepassing is bij het wijzigen van een norm na de inwerkingtreding, wordt een overgangstermijn voorzien van 18 maanden na publicatie van de nieuwe waarden in het Belgisch Staatsblad, en dit voor reeds vergunde of geakteerde IIOA en voor IIOA waarvoor de vergunningsaanvraag of melding werd ingediend.
4. In artikel 5.53.6.1/1.4 wordt bepaald dat het debiet van elke stap van de cascade apart moet kunnen bepaald worden. Standaard gebeurt dit met een debietmeter maar in gemotiveerde gevallen kunnen andere methodes (bv. meetgoot) ook toegestaan worden. Het betreft verder een verduidelijking dat een ontluchtingssysteem (onder de vorm van een bak of snelontluchter) geen aftappunt is. Hieraan worden voorwaarden gekoppeld, die hun oorsprong vinden in de Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater (VITO, 2019).
ARTIKEL 26
Een nieuwe onderafdeling 5.53.6.1/2, die bestaat uit artikel 5.53.6.1/2.1 tot en met 5.53.6.1/2.4, wordt ingevoegd.
1. In artikel 5.53.6.1/2.1 wordt het toepassingsgebied van deze onderafdeling bepaald op draineringen om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden, met inbegrip van herinfiltratie en lozing van drainagewater. Subrubriek 53.3 wordt overeenkomstig aangepast in bijlage 1 bij dit besluit (infra)
2. In artikel 5.53.6.1/2.2 wordt een verplichting ingevoerd om drainages, aangelegd na 30 juni 2025, uit te rusten met een mogelijkheid tot sturing van de installatie. Drainering worden momenteel nog niet standaard op die wijze aangelegd. Hierdoor kan ook grond- en bodemwater afgevoerd worden op momenten dat het niet strikt noodzakelijk is. Met de nieuwe voorwaarden voor draineringen, aangelegd na 30 juni 2025, wordt het voorzien van een sturing verplicht en moeten draineringen stopgezet kunnen worden, tenzij de indiener via een verzoek tot afwijking aantoont dat peilgestuurde drainage voor de betrokken percelen geen relevante extra voeding van het grondwater zal creëren.
Om de administratieve last voor exploitanten en vergunningverlenende overheden te beperken wordt voorzien dat de minister binnen de 6 maanden na inwerkingtreding van deze sectorale voorwaarde (zie slotbepaling) een kaart publiceert met gebieden waarbinnen de kansen en meerwaarde van peilsturing generiek als reëel kunnen worden ingeschat. De criteria zoals hellingsgraad en doorlatendheid zullen hier in belangrijke mate sturend zijn. De kennis en inzichten op vlak van peilsturing van drainages die wordt opgedaan in verschillende lopende projecten (bv: VLAIO-project ‘Op peil’, VMM-project ‘Potenties om zoetwaterbeschikbaarheid in het Kust-en Poldersysteem te verbeteren’) zal bij de opmaak van deze kaart worden meegenomen. Binnen deze gebieden geldt generiek de verplichting tot het peilgestuurd zijn van drainering.
In gebieden die hier onder vallen, blijft de mogelijkheid tot afwijking wel noodzakelijk op basis van de lokale omstandigheden, zoals hierboven toegelicht, die zorgen dat peilsturing geen meerwaarde heeft. Dit kan bv. door de sturing van peilen in grachten of waterlopen waardoor ingrepen op het perceel zelf geen relevante extra voeding van het grondwater meer zal creëren.
De exploitatie moet ook gericht zijn op enkel de strikt noodzakelijke drainering in kader van het gebruik van de grond of het terrein. De drainering mag dus enkel geëxploiteerd worden in periodes waarbinnen dit essentieel is en mag niet lager ingesteld staan dan het peil dat vereist is om het gebruik van de grond of het terrein mogelijk te maken.
3. In artikel 5.53.6.1/2.3 wordt een uitzondering ingeschreven op de verplichting tot debietmeting voor draineringen, aangezien dergelijke meting niet is uit te voeren met de debietmeters zoals voorzien in de Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater (VITO, 2019).
ARTIKEL 27
De wijziging aan artikel 5.53.6.2.1. zorgt dat de verplichting tot onderhoud en nazicht elke 5 jaar voor in de 2de klasse ingedeelde systemen ook van toepassing wordt voor de activiteiten die ten gevolge van de rubriekswijziging aanvullend klasse 2 of 3 geworden zijn.
ARTIKEL 28
Thermische energieopslag in watervoerende lagen wordt meestal bij nieuwe projecten voorzien, vaak in combinatie met de aanleg van wadi’s. Tot nog toe wordt voor de spui meestal voor de gemakkelijkheidsoplossing gekozen, nl. lozen in de openbare riolering. Via deze wijziging wordt aangegeven dat geen aparte vergunning vereist is voor infiltratie in de freatische watervoerende laag. Dit geldt enkel voor het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten. In het spuiwater van een KWO zal er bij mechanische regeneratie (wat de standaard werkwijze is, ook toegepast bij regulier onderhoud) enkel een opconcentratie zijn van mineralen die van nature voorkomen in het grondwater. Bij chemische regeneratie kunnen er toeslagstoffen in het spuiwater aanwezig zijn, waardoor herinfiltratie niet wenselijk is. De bepaling werd naar aanleiding van het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 aangepast.
ARTIKEL 29
Via deze wijziging wordt een bijkomende bescherming voorzien naar het grondwater. Door te werken met dubbelwandige warmtewisselaars bij toekomstige systemen wordt afgedwongen dat er geen contaminatie van het grondwater kan plaatsvinden door het gebouwwater. Bij dergelijk systeem is er immers een fysieke scheiding tussen beide systemen. De bestaande enkelwandige systemen kunnen behouden blijven tot op het moment dat deze vervangen moeten worden. Hierbij wordt dit risico ondervangen door het systeem in overdruk te houden t.o.v. het gebouwsysteem, maar een dergelijk systeem biedt minder garantie.
Voor in de 1ste klasse ingedeelde systemen was er een verplichting tot bijhouden van de drukmetingen en de in werkingtreding van de beveiliging. Ten gevolge van de rubriekswijziging wordt dit artikel gewijzigd zodat hetzelfde principe van toepassing blijft bij de nieuwe rubrieksnummers.
ARTIKEL 30
Via deze wijziging aan artikel 5.53.6.2.5. wordt een nieuwe paragraaf ingevoerd in verband met de aanleg van peilputten. Aangezien systemen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen door de aanpassing van rubriek 53.6 pas bij onttrokken debieten van meer dan 100.000m³/j in de eerste klasse ingedeeld zijn, wordt vanaf die debietsgrens pas het aanleggen van peilputten verplicht. Voor de aantallen wordt het huidige systeem dat geldt bij winningen uit afgesloten watervoerende lagen de regel. De locatie van de peilputten moet zo bepaald worden dat minstens in 1 van de peilputten de thermische interferentie van het geothermiesysteem door meting kan opgevolgd worden. Dit is immers een indicator van de performantie van het systeem. Bij meerdere peilputten mag de locatie van andere peilputten ofwel in functie van de thermische interferentie ofwel in functie van de afpompingskegel gekozen worden. Voor reeds vergunde systemen worden peilputten enkel gelokaliseerd in functie van de afpompingskegel ook aanvaard.
De bestaande bepalingen van dit artikel worden hernomen als paragraaf 2. Hierin wordt in overeenstemming met de bepalingen in art. 5.53.4.5, §2 die gelden voor andere grondwaterwinningen de analysefrequentie terug gebracht tot 1 keer per jaar. Met deze vermindering van de analyselast wordt de transitie in de energievoorziening ondersteund.
ARTIKEL 31
Deze wijziging aan artikel 5.53.6.2.6. is gevolg van de rubriekswijzigingen die aan de rubriek 53.6 worden doorgevoerd. De voor de in de 1ste klasse ingedeelde systemen verplichting tot analyse wordt aangepast aan de nieuwe rubrieksnummers ten gevolge van deze rubriekswijziging.
ARTIKEL 32
Via de wijzigingen aan artikel 5.53.6.2.7 worden wijzigingen ingevoerd op de specifieke voorschriften voor grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen met inbegrip van terugpompingen. Thermische energieopslag in watervoerende lagen wordt meestal bij nieuwe projecten voorzien, vaak in combinatie met de aanleg van wadi’s. Tot nog toe wordt voor de spui meestal voor de gemakkelijkheidsoplossing gekozen, nl. lozen in de openbare riolering. Door deze bijkomende bepaling wordt een stimulans ingebouwd om het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten, maximaal terug in de grond te brengen of, indien dit niet mogelijk is, nuttig te gebruiken. De mogelijkheid tot lozen in riolering wordt open gehouden indien er geen andere oplossing is. Dergelijke lozingen worden uitgezonderd bij rubriek 3 en via deze sectorale voorwaarden wordt de prioritering terug in de ondergrond brengen / hergebruik / lozing in oppervlaktewater / lozing in riolering ook hier ingevoerd.
ARTIKEL 33
Met dit artikel wordt de voorwaarde rond maximale injectietemperatuur voor retour bij geothermische systemen in watervoerende lagen. Bij diepe geothermiesystemen is de natuurlijke temperatuur van het grondwater veel hoger dan 25°C. Daarom wordt de temperatuursgrens van max. 25°C niet meer opgelegd voor dergelijke systemen. Bij de ondiepe geothermiesystemen wordt een afwijkmogelijkheid voorzien. Op die manier kan afgeweken worden wanneer ook daar van nature al hogere temperaturen vastgesteld worden.
Er wordt bijkomend een temperatuursmeting in de peilputten bij de grotere systemen (klasse 1) verplicht waarmee de thermische interferentie kan opgevolgd worden.
ARTIKEL 34
Met dit artikel wordt een wijziging doorgevoerd aan de specifieke voorschriften voor de grondwaterwinningen voor de openbare watervoorziening. Om op het ogenblik van het verstrijken van de geldigheidsperiode van 20 jaar van een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur over voldoende gegevens te beschikken om een evaluatie te kunnen doen van de winning, is het aangewezen dat de 5-jaarlijkse evaluatie zoals verplicht volgens art 5.53.6.3.2 van titel II van het VLAREM uiterlijk 2 jaar voor het verstrijken van de geldigheidsperiode van 20 jaar gebundeld wordt tot een evaluatie van de volledige periode en dat de hydrogeologische studie op hetzelfde ogenblik geüpdatet wordt. Dit wordt in de huidige werkwijze bij grondwaterwinningen voor openbare watervoorzieningen in de bijzondere voorwaarden opgenomen. Met voorliggend voorstel wordt beoogd dit sectoraal vast te leggen.
De rapporten worden overgemaakt aan de instanties die ook al in de huidige regeling de 5-jaarlijkse rapporten ontvangen. Indien ANB bij een niet afgesloten winning ook aangeduid is als adviesinstantie worden de rapporten ook aan hen overgemaakt. Een niet afgesloten watervoerende laag is gedefinieerd in art 2 van het grondwaterdecreet.
ARTIKEL 35
Het herboren van winningsputten is volgens art 5.53.2.3 toegestaan op een afstand van minder dan 10m van de te vervangen grondwaterwinningsput. Dit artikel is opgenomen onder de hoofding 5.53.2 “Algemene voorwaarden” van hoofdstuk 5.53 “Winning van grondwater” en is dus van toepassing op grondwaterwinningen die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 5.53 vallen. Voor drinkwaterwinningen zijn er -binnen hoofdstuk 5.53- specifieke voorschriften opgenomen in de onderafdeling “Grondwaterwinningen voor de openbare watervoorziening”. In deze specifieke voorschriften is een artikel opgenomen dat, in afwijking van artikel 5.53.2.3, herboren van grondwaterwinningsputten en het boren van reservegrondwaterwinningsputten toelaat binnen een afgebakend waterwingebied. Niet elke drinkwaterwinning beschikt echter over een afgebakend waterwingebied. Voor sommige drinkwaterwinningen is er enkel een beschermingszone type I afgebakend en geen waterwingebied. In deze zone gelden dezelfde beperkingen als in waterwingebied. Daarom wordt de ligging binnen een beschermingszone type I toegevoegd. Voor gevallen waarbij er noch een waterwingebied, noch een beschermingszone type I afgebakend is moet het mogelijk zijn om gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 5.53.2.3 waarbij men dan de put mag boren binnen een afstand van max. 10 m. Het is immers onlogisch dat een exploitant van een grondwaterwinningsput voor een ander doeleinde, wél van deze afwijking gebruik kan maken, terwijl een exploitant van een drinkwaterwinningsput zonder afgebakend waterwingebied, en bij strikte lezing van artikel 5.53.6.3.3, een vergunningsprocedure moet doorlopen. Vanuit het oogpunt van de bescherming van de grondwatervoorraden en het leefmilieu, heeft dit immers geen meerwaarde. Om de wetgeving hierover sluitend te maken, wordt daarom artikel 5.53.6.3.3 aangepast, zodat ook de afstand van 10 m kan gelden als criterium, wanneer er geen afgebakend waterwingebied of beschermingszone type I is.
ARTIKEL 36
Een nieuwe onderafdeling 5.53.6.5, die bestaat uit artikel 5.53.6.5.1 tot en met 5.53.6.5.3, wordt ingevoegd voor proefpompingen en proefbemalingen. Hiermee kunnen specifieke sectorale voorwaarden uitgeschreven worden, gekoppeld aan activiteiten die ingedeeld zijn in de rubriek 53.1.
1. Het toepassingsgebied wordt opgenomen in artikel 5.53.6.5.1.
2. De voorwaarden omschrijven welke gegevens minimaal verzameld moeten worden. Omdat deze gegevens ook gebruikt kunnen worden voor andere projecten in de omgeving, wordt gevraagd de gegevens in rapportvorm aan de overheid over te maken, zodat deze digitaal beschikbaar kunnen gesteld worden. Het delen van deze gegevens betekent tijdswinst, en is kostenbesparend voor de exploitanten/studiebureaus, en is ook een milieuwinst omdat ook bij een proefpomping aanzienlijke debieten opgepompt kunnen worden.
Aansluitend worden in paragraaf 3 de voorwaarden van de bemalingscascade hernomen, in lijn met andere grondwateronttrekkingen.
3. Voor proefbemalingen wordt een bijkomende specifieke sectorale voorwaarde opgenomen. In artikel 5.53.6.5.3, §2, wordt opgelegd dat tijdens de proefbemaling geen uitgravingen onder het natuurlijk grondwaterpeil uitgevoerd mag worden. Door deze voorwaarde wordt vermeden dat men misbruik maakt van de aanleg van een proefbemaling (die gemeld kan worden aangezien het een klasse 3-inrichting is) om reeds te starten met het bouwproject, en de hieraan gekoppelde uitgraving met bemaling. Proefbemalingen dienen immers om de geohydrologische karakteristieken van de ondergrond te bepalen, waarna deze gegevens in de bemalingsstudie gebruikt kunnen worden. Het is deze bemalingsstudie die uiteindelijk bij de melding of aanvraag voor de eigenlijke bemaling voor het bouwproject gevoegd moet worden.
ARTIKEL 37
Een nieuwe onderafdeling 5.53.6.6, die bestaat uit artikel 5.53.6.6.1, wordt ingevoegd. Dit artikel bevat de sectorale verplichting dat voor huishoudelijke doeleinden het grondwatergebruik beperkt is tot maximaal 30m³ per jaar en per gedomicilieerde
Grondwaterwinningen voor huishoudelijke toepassingen zijn vrijgesteld van indeling tot 150 m³ per jaar (zie wijzigingen aan rubriek 53.). Indien voor huishoudelijke toepassingen een groter gebruik gewenst is, kan men tot en met een debiet van 5.000 m³ per jaar, en op voorwaarde dat alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit, een melding indienen. In toepassing van artikel 111 van het omgevingsvergunningsdecreet is het gevraagde debiet geen weigeringsgrond bij een loutere aktename. Voor alle andere grondwaterwinningen voor huishoudelijke toepassingen, is een vergunningsaanvraag nodig. Om een rationeel en duurzaam gebruik van grondwater ook voor huishoudelijke toepassingen te stimuleren, zowel in geval van een melding als van een vergunning, wordt er via de sectorale voorwaarden vastgelegd dat het debiet dat voor huishoudelijke toepassingen gebruikt mag worden, wordt beperkt tot 30 m³ per jaar en per gedomicilieerde. In het kader van de regeling voor gedeeld verblijf, kunnen kinderen van gescheiden of uit elkaar gegane ouders tijdelijk verblijven bij de ouder op een ander adres dan de hoofdverblijfplaats. Dit gedeeld verblijf kan worden geregistreerd in het bevolkingsregister. Bij dergelijke registratie mag voor deze persoon 15 m³ per jaar in het toegestane debiet verrekend worden, omdat wordt uitgegaan van een verblijf gedurende 50% van de tijd. Als voor een huishouden een hoger debiet noodzakelijk is, zal hiervoor een bijstelling van de voorwaarde moeten gevraagd worden, met een motivatie waarom dit bijkomend debiet noodzakelijk is. De bijstelling van een milieuvoorwaarde kan zowel in de procedure van een melding en van een aanvraag, als via een aparte procedure tot bijstelling van de voorwaarde.
De gemiddelde behoefte aan water van hoogwaardige kwaliteit per persoon zijn reeds opgenomen in de verbruikscijfers uit het addendum R9 van het omgevingsloket, en bedraagt 30 m³ per jaar.
Waterverbruikscijfers in sectorale voorwaarden zijn reeds opgenomen in titel II van VLAREM, vb. in artikel 5.15.0.9 voor wat betreft automatische carwashinstallaties.
Grondwaterwinningen, die overeenkomstig rubriek 53.8 van de indelingslijst in klasse 1 of 2 zouden zijn ingedeeld, mogen niet worden aangelegd in ruimtelijk kwetsbare gebieden (zie definitie VCRO) in functie van activiteiten die niet verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften. Bij de vergunningverlening van een dergelijke grondwaterwinning wordt het geheel van de exploitatie (en niet enkel het bronperceel) meegenomen, zoals voorzien in de beoordelingscriteria van art. 5.3.1, 2°, b) van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid.
Bij controles van grondwaterwinningen is de meest frequente vaststelling deze dat deze gebrekkig worden onderhouden. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de regionale grondwaterkwantiteit en -kwaliteit en het correcte beheer van de inrichting. Een periodiek toezicht door een erkend boorbedrijf van de vergunningsplichtige grondwaterwinningen kan, naar analogie met het verplichte onderhoud op de geothermische installaties binnen rubriek 53.6 en 55, of periodieke keuring van stookolietanks, veel van deze tekortkomingen veel ruimer en sneller remediëren die anders maar worden ondervangen als reactie op een controle door een handhaver. De controles door de handhavers kunnen zich hierdoor concentreren op andere aspecten binnen het thema aangezien dat aspect dan deels wordt uitbesteed aan een deskundige externe partij.
Dit onderhoud is niet van toepassing op grondwaterwinningen die niet door een erkend boorbedrijf worden aangelegd zoals bv. gegraven vijvers en evenmin voor in de derde klasse ingedeelde grondwaterwinningen. Deze laatste zijn freatische grondwaterwinningen met een beperkt debiet. De focus wordt bij de controle gelegd op de gespannen grondwaterwinningen en de grotere installaties.
ARTIKEL 38
In art 5.54.2 §1 wordt verduidelijkt dat een peilbuizennetwerk enkel sectoraal verplicht is bij kunstmatig aanvullen bij aanvulvolumes van meer dan 30.000m³/j. Kleinere debieten zijn immers een beperkte aanvulling waarbij wijzigingen in peil beperkt zijn en peilmetingen beperkte of geen meerwaarde hebben. Indien relevant kunnen ze via bijzondere voorwaarden nog opgelegd worden. Er wordt de mogelijkheid gegeven om van de verplichting tot aanleg van een peilmeetnet af te wijken via de omgevingsvergunningsaanvraag. Voor beperkte aanvullingen in de onverzadigde zone moet deze mogelijkheid bestaan, mits motivatie.
Er wordt een §3 aan artikel 5.54.2 toegevoegd waarin gesteld wordt dat geen wateroverlast voor derden mag worden veroorzaakt door het kunstmatig aanvullen van grondwater, naar analogie met de bepalingen voor infiltratie en retour van bemalingswater.
ARTIKEL 39
Met de wijzigingen aan artikel 5.54.3 §1 wordt de frequentie, waarmee de peilen minimaal opgevolgd moeten worden, verminderd. Een peilopvolging gedurende minstens 6 maanden voor opstart van de installatie verlengt de termijn tot opstart en is daarom niet generiek wenselijk. Bij kleine aanvulvolumes (30.000 m³ per jaar of minder) wordt de generieke wekelijkse of maandelijkse peilopvolging geschrapt. In de gevallen waar dergelijke opvolging wenselijk is omwille van specifieke omstandigheden kan het opgenomen worden in bijzondere voorwaarden. Verschillende aanvullingen zullen slechts in bepaalde periodes actief zijn (bv. enkel in de wintermaanden). Daarom wordt voorzien dat er minstens één peilmeting moet gebeuren in de maand nadat de aanvulling gestopt is en een nieuwe referentiemeting net voor heropstart. In de tussenperiode moeten er geen peilmetingen gebeuren.
Met artikel 5.54.3 §1/1 wordt ook een minimale monitoring van de waterkwaliteit van het aangevulde grondwater opgenomen in de sectorale voorwaarden. Van de frequentie en de te analyseren stoffenlijst kan afgeweken worden, bv. indien het risico om bepaalde stoffen aan te treffen klein is.
De paragraaf 4 uit artikel 5.54.3 §4 wordt geschrapt. Dit is met deze wijziging geïntegreerd in paragraaf 1 van hetzelfde artikel.
ARTIKEL 40
In de huidige versie van art 5.54.4 §1 is er geen afwijkmogelijkheid voorzien van de milieukwaliteitsnormen van grondwater voor het aanvulwater. Een dergelijke afwijking kan waardevol zijn in situaties waarbij uit een lokale risico inschatting blijkt dat het niet respecteren van het generieke normenkader geen achteruitgang van de toestand van het grondwaterlichaam veroorzaakt. De uitgangsprincipes van de Europese kaderrichtlijn water dienen te worden gerespecteerd bij het benutten van de afwijkingsmogelijkheid. Dit kan wenselijk zijn, bv. waar het ontvangende water ook al een afwijkende samenstelling heeft. Dit wordt voorzien, samen met een verruiming van het normenkader voor stoffen waarvoor er vandaag geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is. In eerste instantie worden enkel de milieukwaliteitsnormen grondwater voor ongewenste en toxische stoffen meegenomen. Voor microbiologische parameters moet het normenkader niet gevolgd worden bij het aanvullen. Het betreft hier organismen die algemeen voorkomen in freatisch grondwater.
Van de stoffen bij de milieukwaliteitsnormen grondwater opgesomd onder “A. Fysisch-chemische parameters” worden voor bepaalde stoffen zoals geleidbaarheid, chloride, temperatuur en pH aangepaste criteria voorzien, andere met beperkte milieueffecten worden niet weerhouden in het normenkader of beperkt door andere stoffen te normeren. Verzilt water wordt gekenmerkt door een hogere concentratie aan chloriden en door een hogere geleidbaarheid. De elektrische geleidbaarheid en het chloridegehalte, beide indicaties voor de verziltingsgraad, worden afzonderlijk genormeerd. Het principe dat hier gehanteerd wordt is dat brak of zout water niet mag gebruikt worden voor aanvulling van zoeter water. Door de geleidbaarheid te normeren zijn andere stoffen die van nature voorkomen in verzilt grondwater zoals natrium, kalium en sulfaat eveneens beperkt. Kalium en sulfaat kunnen ook van antropogene oorsprong zijn en als meststof in water terecht komen. Kalium wordt ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar vormt enkel een “aanvullende parameter”. De milieutechnische effecten van het inbrengen van stoffen die als meststof uitgespreid worden, is reeds ondervangen via wettelijke bepalingen in andere decreten zoals het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan evenals in het Waterwetboek. Het verspreiden van meststoffen wordt geregeld in het Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Calcium en magnesium zijn parameters die ook in het Besluit van de Vlaamse Regering over de kwaliteit, kwantiteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie (VR 20/1/2023), niet gebruikt worden om de kwaliteit voor menselijke consumptie te beoordelen maar enkel “aanvullende parameters” vormen. Ze zijn bepalend voor de hardheid van het water. Stoffen die vanuit gezondheidskundig oogpunt niet meegenomen worden om drinkbaarheid van water te beoordelen worden geacht dat ze in het water mogen aanwezig zijn dat gebruikt wordt voor het kunstmatig aanvullen. Een gelijkaardig principe als voor de geleidbaarheid wordt gehanteerd voor de temperatuur: water met een temperatuur boven 25°C mag enkel gebruikt worden voor aanvulling als de temperatuur van het ontvangende grondwater even hoog of hoger is. Bij pH wordt de bovengrens vastgelegd op 9 pH eenheden naar analogie met de bovengrens voor water bestemd voor menselijke consumptie. Voor de ondergrens geldt de grondwaterkwaliteitsnorm. Het toetsingskader wordt uitgebreid met de richtwaarden voor grondwater zoals vastgesteld in bijlage II van het VLAREBO. Aluminium komt alleen in zeer lage concentraties voor door de zeer geringe oplosbaarheid bij neutrale pH. Door de aanvaarde pH range te beperken is de aluminiumconcentratie eveneens beperkt. Sulfaat kan ook zijn oorsprong vinden in pyrietoxidatie en gaat dan gepaard met vrijstelling van zware metalen zoals arseen, nikkel en zink en een verlaagde pH. Door de normering van deze laatste stoffen is een voldoende beschermingsniveau gegarandeerd.
Indien er voor gevaarlijke stoffen geen milieukwaliteitsnorm voor grondwater vastgesteld is en er ook in het VLAREBO geen richtwaarde voor is vastgesteld, geldt dat de rapportagegrens in grondwater zoals vastgesteld in de wateranalysecompendia, opgesteld door VITO, als richtwaarde.
Omdat er geen overgangstermijn van toepassing is bij het wijzigen van een norm na de inwerkingtreding, wordt een overgangstermijn voorzien van 18 maanden na publicatie van de nieuwe waarden, en dit voor reeds vergunde of geakteerde IIOA en voor IIOA waarvoor de vergunningsaanvraag of melding werd ingediend.
In art. 5.54.4 §2 worden de woorden “kunstmatig aan te vullen water” vervangen door “water dat in de ondergrond wordt ingebracht” om de onduidelijkheid over wat hiermee bedoeld wordt weg te werken.
Onder punt 1 wordt de toegelaten erkenning van het laboratorium, voor wat betreft het deeldomein, gewijzigd en ruimer geformuleerd, zodat naar gelang het type water dat gebruikt wordt voor de kunstmatige aanvulling, de gepaste erkenning benut wordt.
Onder punt 3 worden de voorafgaandelijk te analyseren parameters aangepast in functie van het aangepaste toetsingskader en bevat onder andere de stoffen uit het standaard analysepakket op grondwater bij bodemonderzoeken. Op basis van dit uitgebreid analysepakket voor opstart, kan dan een analysepakket worden opgelegd in toepassing van het nieuwe artikel 5.54.5, §1.
Onder pesticiden worden zowel gewasbeschermingsmiddelen als biociden en hun relevante metabolieten, degradatie- en afbraakproducten verstaan. Voor de individuele pesticiden wordt verduidelijkt dat het met inbegrip is van de relevante metabolieten. De Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bepaalt of metabolieten relevant zijn op basis van de richtlijnen van de Europese Commissie voor drinkwater uitgewerkt in het document SANCO/221/2000-rev.10. De lijst wordt gepubliceerd op de website van VMM.
Doorheen de tijd zijn een groot aantal verschillende individuele pesticiden op de markt geweest, ook nu nog. Het is niet haalbaar om deze allemaal te gaan analyseren. Daarom wordt de focus gelegd op die stoffen die naar alle waarschijnlijkheid kunnen voorkomen, rekening houdend met de bron en gebruikmakend van een risico gebaseerde strategie voor de opvolging van pesticiden in drinkwater.
ARTIKEL 41
In art. 5.54.5 §1 worden de woorden “kunstmatig aan te vullen water” vervangen door “water dat in de ondergrond wordt ingebracht” om de onduidelijkheid over wat hiermee bedoeld wordt weg te werken.
Uit de voorafgaandelijke analyse zal blijken welke parameters een risico vormen. Daarom wordt mogelijk gemaakt dat een gevalspecifiek pakket van te analyseren parameters met eventueel een afwijkende frequentie kan opgelegd worden in plaats van het generieke. De voorafgaandelijk te analyseren parameters vastgesteld in art. 5.54.4 §2 zijn omwille van de uitbreiding van het toetsingskader ook verruimd en bevat onder andere de stoffen uit het standaard analysepakket op grondwater bij bodemonderzoeken. Voor al deze parameters met uitzondering van de anionen (b) en kationen (c) is er een toetsingskader vastgesteld. Voor de opvolging van de kwaliteit van het water dat in de ondergrond wordt ingebracht wanneer de kunstmatige aanvulling operationeel is (art. 5.54.5 §1), is jaarlijks een volledige analyse van alle parameters uit het vooronderzoek vereist en driemaandelijks op pH, geleidbaarheid en temperatuur aangevuld met de stoffen waarvoor er een toetsingswaarde is vastgelegd en die in de voorafgaandelijke jaarlijkse analyse in meer dan 50% van de toetsingswaarde werden aangetroffen. Van de te analyseren stoffenlijst zowel de jaarlijkse als de driemaandelijkse, kan afgeweken worden, bv. indien het risico om bepaalde stoffen aan te treffen klein is.
In artikel 5.54.5 worden de paragrafen 2 en 3 geschrapt. Deze verplichtingen zijn nu opgenomen in artikel 5.54.3. De registratie van de gegevens in §2 van dat artikel verwijst ook naar de gegevens van artikel 5.54.5, §2 en in §3 zit via die verwijzing ook de rapportering vervat.
ARTIKEL 42
Met deze aanpassing wordt verduidelijkt welke werken minstens door een erkend boorbedrijf moeten uitgevoerd worden. Dit zijn naast de boring de ingrepen waarbij er wijzigingen aan de constructieve elementen uitgevoerd worden.
ARTIKEL 43
In art. 5.55.2.7. §2. (en ook art. 6.9.1.3. §2.) wordt momenteel verwezen naar twee stoffen die als antivriesmiddel kunnen gebruikt worden (bietenderivaat en monopropyleenglycol). Om sneller in te kunnen spelen op veranderingen, om stoffen die minder milieuschadelijk zijn toe te staan, en om bij te blijven met de stand der techniek, voorziet de VMM in de opmaak van een lijst met de producten en stoffen die toegepast kunnen die gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. De VMM kan deze lijst aanvullen of wijzigen en de elementen waarmee de VMM rekening moet houden, worden opgelijst. De Raad van State wijst in haar advies op de noodzaak om de elementen in het BVR op te nemen waar de VMM rekening mee moet houden bij het opstellen van de lijst. Het artikel werd in die zin aangepast.
ARTIKEL 44
Dit nieuwe hoofdstuk geldt voor de nieuw ingevoerde rubriek 64. Er worden heden nog geen sectorale voorwaarden voorzien, maar er wordt verwezen naar de algemene en eventuele bijzondere voorwaarden.
ARTIKEL 45
Artikel 5.65.1 bepaalt het toepassingsgebied van dit hoofdstuk. Hierop zijn geen sectorale voorwaarden van toepassing, maar er wordt verwezen naar de algemene en eventuele bijzondere voorwaarden.
ARTIKEL 46
De wijziging van dit artikel is gericht op de verhoging van de leesbaarheid.
ARTIKEL 47
Een goed beheer van onze grondwatervoorraden is belangrijk. De voorbije jaren was er vooral door de droogte en de droogtemaatregelen veel aandacht voor het lozen van bemalingswater. Daarom werd de bemalingscascade in artikel 5.53.6.1.3 nog verder aangescherpt en hergebruik van dit water gefaciliteerd.
In dit artikel wordt deze aanpassing in het kader van de lozing van bemalingswater ook opgenomen door naar de artikels in het deel 5.53 te verwijzen.
Het gaat hierbij om lozingsvoorwaarden voor pH, BZV en ZS. Deze invoeging is noodzakelijk om te garanderen dat er geen schade ontstaat aan het ontvangende oppervlaktewater bij lozing van dit bemalingswater. Bij bijvoorbeeld het leegpompen van vijvers kan het meepompen van slib voor verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater zorgen (plotse daling zuurstofgehalte waterloop, ophopen nutriëntrijk slib in de waterloop, …). Deze voorwaarden ondervangen dit.
ARTIKEL 48
In dit artikel wordt de huidige vrijstelling om de aanleg van handpompen door een erkend boorbedrijf te laten uitvoeren geschrapt. Het type pomp dat op een grondwaterwinning wordt geïnstalleerd staat los van de noodzaak tot deskundige aanleg door een erkend boorbedrijf. Ook ondiepe of diepe winningsputten die met dergelijke handpompen worden uitgerust vallen onder deze erkenningsplicht. Daarnaast vormt de huidige bepaling nog een ontoelaatbare achterpoort om zonder erkenning grondwaterwinningen te kunnen aanleggen indien de initiële melding zou zijn dat daar enkel een handpomp op zou worden geplaatst. Er wordt verduidelijkt welke werken minstens door een erkend boorbedrijf moeten uitgevoerd worden. Dit zijn naast de boring de ingrepen waarbij er wijzigingen aan de constructieve elementen uitgevoerd worden. Het in- en uitbouwen van een pomp en peilput hoort hier niet bij.
ARTIKEL 49
Voor grondwaterwinningen tot 500 m³/jaar waarvan het water alleen gebruikt wordt voor huishoudelijke doeleinden, is vandaag geen vergunning of aktename nodig, noch is een debietmeter verplicht. Via dit verzamelbesluit wordt de grens van 500 m³/jaar verlaagd naar een jaarlijks debiet van 150 m³.
Om controle op naleving van deze grens mogelijk te maken en om gebruikers bewust te houden van de hoeveelheid grondwater die gebruikt wordt, wordt ook voor niet ingedeelde grondwaterwinningen voor huishoudelijke doeleinden een meet- en registratieverplichting ingevoerd. Indien het grondwater met een hand-, neus- of voetpomp wordt opgepompt, geldt deze verplichting niet.
Door het invoeren van niet-ingedeelde bemalingen is ook voor deze inrichtingen een behoud van debietmeterplicht aangewezen.
Gelet op het advies van de Raad van State van 4 januari 2024 wordt verduidelijkt dat voor het plaatsen van een debietmeter de installatievoorschriften uit hoofdstuk 3 van de “Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater” moeten gevolgd worden. Het gaat enerzijds om algemene voorschriften zoals een makkelijke en veilige toegankelijkheid om het debiet af te lezen, en een zodanige constructie dat een langdurig gebruik van de debietmeter onder normale gebruiksomstandigheden gewaarborgd is en vervalsing uitgesloten is. Anderzijds zijn er ook technische voorschriften zoals een installatie conform de montagevoorschriften van de fabrikant, het garanderen van een laminaire aanstroming van het grondwater, de plaatsing van de debietmeter voor het eerste aftakpunt van water, het kiezen van een locatie die het ontstaan van luchtbellen in de meter vermijdt, en -indien noodzakelijk- het inbouwen van een voorziening tegen terugstroom in de afvoerklep of -pakking van de meter, en het voorzien van bescherming tegen risico’s op schade. Bij de installatie van een nieuwe grondwaterwinning zal de exploitant met al deze elementen rekening moeten houden. De datum van 1 juli 2025 werd als vaste datum vooropgesteld bij de opmaak van dit ontwerp enerzijds om toekomstige nieuwe exploitanten een periode te geven om zich hierop voor te bereiden, anderzijds om een vaste ijkdatum te hebben die kort volgt op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling. Voor grondwaterwinningen die voor 1 juli 2025 zijn geïnstalleerd, wordt een overgangstermijn van 10 jaar voorzien. Deze periode is nodig om de uitrol van de debietmeters mogelijk te maken op niet-ingedeelde grondwaterwinningen. Het voldoen aan de technische voorschriften zal vaak een aanpassing van de vaste constructie van de bestaande installatie vergen. Hiervoor moet een erkend boorbedrijf worden aangesteld. Het precieze aantal winningen die van een debietmeter moeten worden voorzien, is niet gekend, maar is minimaal 50.000 (op basis van het aangemeld aantal eigen waterwinners) en het wordt op basis van een aantal enquêtes ingeschat dat het om meer dan 200.000 installaties kan gaan. Dit betekent dus ook dat een analoog aantal debietmeters op de markt beschikbaar moet zijn. Daarnaast moet er ook een communicatie gebeuren naar exploitanten van niet-ingedeelde grondwaterwinningen, daar zij over een reeds geïnstalleerde put beschikken en dus niet via de informatieplicht (zoals opgenomen in artikel 53/6, 10° van het VLAREL) op de hoogte zijn gesteld van deze milieuvoorwaarde. Rekening houdend met deze elementen (technische aanpassingen, beschikbaarheid debietmeters, capaciteit installateurs, periode voor communicatie) is een overgangsperiode van 10 jaar nodig.
ARTIKEL 50
In art. 6.9.1.3. §2. (en ook art. 5.55.2.7. §2.) wordt momenteel verwezen naar twee stoffen die als antivriesmiddel kunnen gebruikt worden (bietenderivaat en monopropyleenglycol). Om sneller in te kunnen spelen op veranderingen, en om bij te blijven met de stand der techniek, voorziet de VMM in de opmaak van een lijst met de producten en stoffen die voor die toepassing gebruikt kunnen worden en die gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad.
ARTIKEL 51
Aangezien er in de indelingslijst een uitzondering wordt ingevoerd voor kortlopende bemalingen in het kader van bijvoorbeeld het plaatsen van ondergrondse prefabconstructies en beperkte herstellingen aan ondergrondse leidingen en rioleringen, zijn aangepaste voorwaarden voor deze activiteiten vereist. Hiervoor wordt het artikel 6.9.1.4. opnieuw ingevoegd (het artikel 6.9.1.4. werd opgeheven door de VLAREM-trein 2019).
Een opvolging van deze activiteiten en de opgepompte debieten is aangewezen in het kader van controle op naleving van de voorwaarden van de uitzondering naar tijdsduur van de werken en maximaal opgepompte debieten.
Er wordt ook een uitdrukkelijke verplichting voorzien dat de exploitant de nodige maatregelen moet treffen om de bemaling na 14 kalenderdagen te kunnen stopzetten, ook al zijn de ondergrondse werken nog niet voltooid. Dit kan een opvulling van de uitgraving inhouden, het verzwaren van de aanwezige constructies tegen opdrijven en dergelijke meer.
ARTIKEL 52
In de titel van de afdeling 6.9.2 wordt het woord “indirecte” geschrapt omdat deze afdeling elke lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater regelt. Dezelfde aanpassing wordt doorgevoerd in het eerste lid van art 6.9.2.2.
ARTIKEL 53
Het huidige art 6.9.2.1 wordt opgeheven aangezien het zonder voorwerp geworden is. Er zijn zoneringsplannen voor heel Vlaanderen vastgesteld.
De inhoud van art 6.9.2.2, 5° verhuist naar een nieuw art 6.9.2.1. Dit artikel legt vast welke minimale behandeling er moet gebeuren op huishoudelijk afvalwater. In dit artikel wordt de term ‘besterfput’ vervangen door infiltratievoorziening.
ARTIKEL 54
In art 6.9.2.2. worden verschillende wijzigingen aangebracht:
De belangrijkste bepaling van de afdeling 6.9.2 is hetgeen opgenomen is in art. 6.9.2.2. 4°. Deze bepaling stelt dat wanneer er kan aangesloten worden op een collectieve zuivering, dit een verplichting is. Deze verplichting blijft behouden. Enkel op die locaties waar er geen collectieve voorzieningen zijn, is lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater na de gepaste behandeling toegelaten. De minimale behandeling is vastgelegd in nieuw art 6.9.2.1 en wijzigt eveneens niet. Met deze bepaling wordt aannemelijk gemaakt dat de indirecte lozing geen significante verontreiniging veroorzaakt. Voor de gevallen waarvoor indirecte lozing in grondwater toegestaan wordt, zijn er in art. 6.9.2.2 bijkomende voorwaarden opgenomen.
In 3°b) wordt de term ‘besterfput’ eveneens vervangen door infiltratievoorziening, aangezien deze elders in de regelgeving wordt gedefinieerd als ‘een voorziening waarbij het opgevangen water in de bodem insijpelt en waarbij het water in de infiltratievoorziening niet in permanente verbinding staat met oppervlaktewater’. Deze omschrijving is duidelijker dan de niet nader gedefinieerde term ‘besterfput’ en zodoende kunnen ook wadi’s worden begrepen onder de term infiltratievoorziening.
In 3°b) wordt eveneens de minimale afstand tot een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater uit punt 3°, b) 1° en 2° geschrapt. Het schrappen van deze afstandsregels maakt de keuze voor het lokaal vasthouden van het behandelde huishoudelijke afvalwater mogelijk, in plaats van het verplicht te moeten afvoeren naar oppervlaktewater als dit aanwezig is. Belangrijk hierbij is de bepaling van artikel 6.9.2.1 waarmee afgedwongen wordt dat het huishoudelijke afvalwater wanneer niet kan aangesloten worden op een collectieve zuivering, een minimale zuivering moet ondergaan. In dezelfde paragraaf wordt de minimale afstand tot een grondwaterwinning (3°) en tot elke bron van drinkwater, thermaal water of mineraal water (4°) eveneens geschrapt. Het betreft hier lozingen die niet gelegen zijn in een beschermingszone rond een drinkwaterwinning in uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, beschermingszones afgebakend. Indirecte lozingen in dergelijke gebieden zijn immers ingedeeld en op die manier al onderworpen aan een beoordeling. Daarenboven is er geen mogelijkheid om aan te sluiten op de riolering en is een minimale behandelding op de wijze zoals bepaald in art 6.9.2.1. verplicht.
De bepaling dat er geen overloop mag zijn uit art 6.9.2.2 3°, c) is overbodig aangezien de definitie van een infiltratievoorziening reeds vastlegt dat er geen permanente verbinding mag zijn met oppervlaktewater. Deze wordt geschrapt.
In 3°d) wordt generieker omschreven dat het geloosde afvalwater moet bemonsterbaar zijn. Dit is nodig omdat ook andere infiltratievoorzieningen dan enkel besterfputten toegelaten zijn.
In 4° wordt het woord “indirecte” geschrapt. Zowel indirecte als directe lozing van huishoudelijk afvalwater is verboden in de in dit artikel opgesomde gevallen. De verwijzing naar de afstandsregels wordt in lijn gebracht met de aanpassingen van art 6.9.2.2 3°.
ARTIKEL 55
Via dit artikel worden verschillende wijzigingen aan de indelingslijst aangebracht:
1. De omschrijving van de rubriek wordt aangepast.
De verschillende subrubrieken van rubriek 3 geven aan dat het in deze rubriek handelt over het lozen van afval- en koelwater op riool, oppervlaktewater,… via daartoe bestemde afvoerkanalen (zie definitie lozen van afvalwater). In de titel van de rubriek wordt echter enkel gesproken over afval- en koelwater. Er wordt nu verduidelijkt dat deze rubriek handelt over het lozen van afval- en koelwater, en dit op een andere wijze dan vermeld in de rubriek 52 (lozing in grondwater) en rubriek 54 (kunstmatig aanvullen van grondwater). Het moet immers duidelijk zijn dat het in de grond brengen van water, of dit nu het statuut van afvalwater heeft of niet, niet dubbel gerubriceerd is in deze rubriek 3.
Daarnaast worden enerzijds 3 nieuwe niet-ingedeelde inrichtingen toegevoegd.
De eerste toevoeging (punt h)) kadert in de verdere administratieve vereenvoudiging.
Het lozen van bemalingswater van niet-ingedeelde bemalingen zijn steeds niet ingedeeld. Het is nodig om dit te verduidelijken. Dit is te verantwoorden gelet op de zeer beperkte uitzonderingen om als niet-ingedeelde bemaling te worden beschouwd. De debieten of tijdsduur zijn dermate beperkt dat er geen technieken voldoen aan de omschrijving van beste beschikbare techniek. De bemalingscascade blijft uiteraard wel gelden. De voorwaarden van deel 6 zijn hierop van toepassing.
De tweede toevoeging (punt i)) betreft het niet-indelingsplichtig maken van de lozing van het spoelwater van de filters (spui) van het mechanisch regenereren van de putten voor grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in de watervoerende lagen laat toe om dit water niet meer als bedrijfsafvalwater te moeten beschouwen. Hierdoor is deze lozing niet meer vergunningsplichtig (klasse 2) en kan het onttrokken grondwater eenvoudig opnieuw geïnfiltreerd worden in de bodem.
Het betreft het lozen van water dat geen bedrijfsproces heeft ondergaan en bovendien enkel een beperkte hoeveelheid zand en mineralen bevat, die van nature aanwezig zijn in het grondwater.
Deze wijziging hangt samen met de toevoeging/aanvullende bepaling in artikel 5.53.6.2.7 van titel II van het VLAREM.
De derde toevoeging (punt j)) betreft een beperkte stroom aan waswater van tunnels. Op vandaag wordt deze afvalwaterstroom als bedrijfsafvalwater beschouwd waardoor bij menging de ganse stroom opnieuw bedrijfsafvalwater wordt.
Het niet-indelingsplichtig maken van de lozing van deze beperkte hoeveelheid waswater afkomstig van de reiniging van wanden van bestaande tunnels laat toe om dit afvalwater niet meer als bedrijfsafvalwater te moeten beschouwen. Hierdoor is deze lozing niet meer vergunningsplichtig. Voorwaarde hierbij is dat de gebruikte reinigingsproducten biologisch afbreekbaar zijn en voldoen aan de detergentenverordening 648/2004.
2. Een nieuwe subrubriek 3.8 wordt ingevoegd.
Het lozen van niet-verontreinigd bemalingswater wordt momenteel beschouwd als een niet-ingedeelde activiteit.
Indien het opgepompte grondwater echter gevaarlijke stoffen (GS), als vermeld in bijlage 2C bij titel II van het VLAREM bevat dan wordt de lozing ervan momenteel ingedeeld onder rubriek 3 als lozing van verontreinigd afvalwater (bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen) en dus steeds vergunningsplichtig. De belasting en samenstelling van bemalingswater is van een heel andere grootte-orde dan van bedrijfsafvalwater en dus is ook de mogelijke impact op oppervlaktewater zeer verschillend. Vaak zijn de enige gevaarlijke stoffen die ertoe leiden dat het bemalingswater moet ingedeeld worden als bedrijfsafvalwater ook al van nature in het grondwater aanwezig, met name bv voor arseen is dit frequent het geval. Bovendien is de lozing van bemalingswater in het kader van werken of aanleg van nutsvoorzieningen in tegenstelling tot de lozing van bedrijfsafvalwater ook vaak van beperkte duur. Het is dan ook logisch om deze tijdsduur mee in het beoordelingskader op te nemen.
Bovendien is er sinds de invoering van de verplichtingen voor erkende boorbedrijven en de droogteproblematiek, een verhoogde aandacht voor de kwaliteit van het geloosde bemalingswater. De uitwerking van een generiek kader voor bemalingen dringt zich op.
Om hieraan tegemoet te komen wordt er, naast het kader voor de lozing van bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater en koelwater een apart kader voor de lozing van bemalingswater opgemaakt, door toevoeging van een nieuwe subrubriek 3.8 onder de rubriek 3 “lozen van afvalwater en koelwater” en bijhorende afdeling 4.2.9 met specifieke algemene voorwaarden.
Via een integrale benadering wordt beoogd om tot een aanvaardbare oplossing te komen rekening houdende met de impact zowel naar grondwater als naar oppervlaktewater en een aantal factoren zoals mate van verontreiniging, duur en aard van de bemaling, opgepompt debiet, … zonder dat de milieukwaliteit in zijn geheel erop achteruitgaat. De voorwaarden specifiek voor bemalingen, zoals opgenomen in hoofdstuk 5.53, moeten dan ook samen gelezen worden met de voorwaarden die worden opgenomen voor de lozing van bemalingswater. Hierbij werd vertrokken vanuit een logische lezing van de voorwaarden door de exploitant, namelijk vertrekkende vanuit het concipiëren van een bemaling.
Uitgangspunt hierbij is de optimalisatie van de bemalingscascade vanuit kwantitatief en kwalitatief oogpunt: minder bemalen, retourneren/herinfiltreren waar mogelijk om de verplaatsing van milieudruk naar andere milieucompartiment te beperken en in laatste instantie afvoeren. Opzet is om bijkomende belasting op oppervlaktewater door een bemaling maximaal terug te dringen.
Lozingen van bemalingswater van niet-ingedeelde bemalingen zijn steeds niet ingedeeld. Enkel lozingen van bemalingen die ingedeeld zijn in de rubrieken 53.1.1°, 53.2 of 53.5 kunnen onder deze rubriek 3.8 vallen.
Indien er geen gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in concentraties hoger dan toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, §3, 4° van dit besluit, mag aangenomen worden dat de impact op de ontvangende waterloop of riolering aanvaardbaar is en hoeft dit niet het voorwerp te zijn van een aanvraag. Dit wordt gevat in de uitzondering a).
Voor lozingen van bemalingen beperkt in tijd (zes maanden) en debiet (maximaal 1000 m³/dag) laten we bij de lozing een zekere mate van verontreiniging toe (tot 10 x de toetsingswaarde voor alle gevaarlijke stoffen) omdat we ervan uitgaan dat met deze 10-malige verdunning de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet in het gedrang zal komen. Lozingen van bemalingen beperkt in tijd en debiet en met concentraties van maximaal 10 keer de toetsingwaarde (gebaseerd op de jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm (JG-MKN)) zullen over het algemeen een beperkt risico inhouden voor het milieu. Bij kortlopende bemalingen is voornamelijk de acute impact van de lozing van belang. De maximale concentraties en maximale debieten zullen immers maar tijdelijk (en bovendien vaak niet gelijktijdig) geloosd worden. De milieukwaliteitsnorm voor het maximum (MAC-MKN) is hierbij de meest relevante waarde om de kortdurende impact van dergelijke bemalingen mee te vergelijken. Deze MAC-MKN is over het algemeen een factor 10 hoger dan het indelingscriterium.
Voor de periode van 6 maanden kijkt men naar de termijn van de bemaling (dus de termijn tussen de start- en stop van de bemaling). Het lozingsdebiet van 1.000 m³ per dag is het debiet aan bemalingswater dat wordt geloosd. Dit wordt gevat in uitzondering b).
Lozingen van bemalingen beperkt in tijd (zes maanden) en debiet (maximum 1000 m³ per dag) van niet potentieel verontreinigd bemalingswater zijn eveneens uitgezonderd. Voor deze bemalingen is te verwachten dat het bemalingswater niet verontreinigd zal zijn. De debieten of tijdsduur zijn beperkt waardoor de impact indien er onverwacht toch nog verontreinigende stoffen in het bemalingswater zouden zitten boven de toetsingswaarde, beperkt is. Dit wordt gevat in uitzondering c).
Uitzondering d) is een variant op uitzondering c) voor de aanleg van lijninfrastructuur met een openbaar karakter (bv. riolering, waterleiding, andere nutsleidingen). Dergelijke projecten worden gekenmerkt door een bemaling die mee opschuift met de werken en waarvoor per traject de bemalingsduur beperkt is. Daarom is het te verantwoorden om voor dergelijke projecten de beperking in de tijd te laten samenvallen met de duur van de werken.
De klasse 1 of 2-indeling wordt gemaakt naargelang het debiet van de bemaling. Het opgenomen dagdebiet van 2500 m³/dag is overeenkomstig MER-plicht voor het onttrekken van grondwater i.k.v. infrastructuurwerken, zoals opgenomen in bijlage II, rubriek 10 o) van het project-mer-besluit. Ongeacht de tijdsduur wordt er vanuit gegaan dat bij dergelijke lozingen hinderlijke milieu-effecten niet uit te sluiten zijn en bijgevolg een vergunningsplicht en advisering door de VMM voor deze klasse 1 en 2-dossiers aangewezen zijn.
Enkel voor de bemalingen die niet onder de uitzonderingen vallen en met een duurtijd tot maximaal twaalf maanden, waarbij het geloosde debiet maximaal 2.500 m³ per dag bedraagt en waarbij de concentraties in het geloosde bemalingswater lager zijn dan de 1 x de toetsingswaarden voor de prioritair gevaarlijke stoffen, en lager zijn dan 10 x de toetsingswaarden voor de overige gevaarlijke stoffen, kan een melding volstaan (= klasse 3-melding).
Voor de tijdelijke lozingen van bemalingswater waarvoor meldingsplicht volstaat, worden de toegelaten concentraties van de prioritaire gevaarlijke stoffen beperkt tot maximaal 1 keer de toetsingswaarde omdat deze stoffen persistent, bioaccumelerend en toxisch zijn (bv. PFAS). Hiervoor wordt rekening houdend met de tijdsduur (maximale duur van 12 maanden) en het debiet (maximaal 2500 m³ per dag) niet uitgegaan van een standaardverdunning van 10. Indien hoger dan 1 keer de toetsingswaarde bij een prioritair gevaarlijke stof zal de impact ervan op het ontvangende oppervlaktewater bekeken worden tijdens de vergunningsprocedure. Zonodig kunnen bijkomende lozingsvoorwaarden worden opgelegd om de milieu-impact te beperken.
3. Verschillende activiteiten kunnen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van rubriek 52 aangezien de milieutechnische aspecten ervan al elders worden of zullen worden geregeld:
Uitzondering 1°: De Europese verordening 2020/741 voorziet in een kader voor hergebruik van gezuiverd RWZI-water. Hieraan wordt een vergunningenkader gekoppeld dat herzienbaar moet zijn en dit alsook voor korte duur. Dit kader, met garanties naar kwaliteit & gebruik, is in de Vlaamse wetgeving omgezet via het Besluit van de Vlaamse Regering houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van het teruggewonnen water (VR 14/07/2023), maar dan buiten de omgevingsvergunning aangezien hier voornamelijk het permanente karakter centraal staat. Activiteiten die in uitvoering van dit besluit een toelating hebben of die in een periode van droogte of waterschaarste van vrijstelling genieten en onder de meldingsplicht zullen vallen tijdens die periode van vrijstelling, moeten niet bijkomend over een vergunning voor rubriek 52 beschikken.
Uitzondering 2°a): De milieutechnische effecten van het uitspreiden van meststoffen en pesticiden worden reeds ondervangen via wettelijke bepalingen in andere decreten en het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan evenals in het Waterwetboek. Het verspreiden van meststoffen wordt geregeld in het Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Het verspreiden van pesticiden wordt geregeld op verschillende bestuursniveaus in zowel het Decreet van 8 februari 2013 betreffende het duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest en zijn uitvoeringsbesluiten, het Besluit van 5 december 2014 de Vlaamse Regering houdende de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming door professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, en het Koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik en het Koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.
Uitzondering 2°b): De injectie van koolstofdioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties wordt geregeld via het decreet diepe ondergrond.
Uitzondering 2°c): Het terugpompen van water bij geothermische toepassingen wordt geregeld onder rubriek 53.6.
De verwijzing naar de verbodsbepalingen die voortvloeien uit het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en de uitvoeringsbesluiten ervan worden niet meer vermeld in de rubrieksomschrijving. Deze bepalingen zijn ook nog herhaald in de algemene bepalingen bij het hoofdstuk 4.3 Beheersing van bodem- en grondwaterverontreiniging (afd. 4.3.1 van titel II van VLAREM).
4. De zinsnede “voor zover ze niet verboden zijn krachtens het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en de uitvoeringsbesluiten ervan, met uitzondering van de uitspreiding van meststoffen en andere stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde normen of toegelaten hoeveelheden worden nageleefd” wordt geschrapt in de rubriek 52.1 aangezien dit nu ondervangen wordt in de uitzonderingen bij hoofdrubriek 52. Het is nutteloos om te verwijzen naar een verbod op niveau van de rubriek. Dit is immers geregeld binnen een ander wettelijk kader en sowieso ook na te leven.
5. In de rubriek 52.2 worden verschillende wijzigingen aangebracht.
Indirecte lozing in grondwater van de gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2B van dit besluit, met uitzondering van de uitspreiding van meststoffen en andere stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde normen of toegelaten hoeveelheden of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd” wordt geschrapt want is opgenomen onder de hoofdrubriek 52.
Gelet op de reeds bestaande voorwaarden in afdeling 6.9.2. van titel II van VLAREM, kunnen lozingen in grondwater van huishoudelijke afvalwater buiten waterwingebieden en beschermingszones type I, II of III als niet hinderlijk beschouwd worden. De voorwaarden in deze afdeling zijn gelijk met de voorwaarden onder artikel 4.3.3.1. die nu reeds van toepassing zijn voor de ingedeelde lozingen in grondwater van huishoudelijk afvalwater. Na het doorvoeren van de voorgestelde wijziging aan de indelingslijst, blijft dit laatste artikel nog van toepassing voor activiteiten ingedeeld in de rubriek 52.1.1.1°.
De regelgeving met het voorwaardenkader in de afdeling 6.9.2 ging blijkbaar dus al uit van het niet-ingedeeld zijn van deze lozingen. Er was tot op heden echter geen aanpassing aan de indelingslijst doorgevoerd wat met dit voorstel wordt rechtgezet.
Rubriek 52.2.3° wordt opgeheven. Deze handelingen zijn vandaag reeds ofwel ingedeeld als ingedeelde inrichtingen of activiteit, ofwel als stedenbouwkundige handeling, ofwel hebben ze zo een beperkte milieu-impact dat ze niet behoren ingedeeld te zijn, ofwel zijn ze al verboden in toepassing van artikel 4.3.1.2. Met deze wetswijziging worden voor boringen ook de relevante ingrepen binnen een beschermingszone ingedeeld. Met eerdere wetswijzigingen werden al de uitzonderingen op de vergunningsplicht voor grondwaterwinningen binnen beschermingszones type III opgeheven. Voor deze subrubriek werden geen sectorale voorwaarden vastgelegd.
6. Er worden met dit punt enkele aanpassingen doorgevoerd aan de uitzondering onder de rubriek 53.
Enerzijds wordt het debiet voor het niet-ingedeeld zijn in het kader van een grondwaterwinning voor huishoudelijk gebruik verlaagt en anderzijds worden 3 nieuwe niet-ingedeelde inrichtingen ingevoerd.
Voor grondwaterwinningen tot 500 m³/jaar waarvan het water alleen wordt gebruikt voor huishoudelijke doeleinden, is vandaag geen vergunning of melding nodig, noch is een debietmeter verplicht.
Uitgaande van de gemiddelde behoefte aan water van hoogwaardige kwaliteit per persoon (verbruikscijfers uit het addendum R9 van het omgevingsloket, 30 m³) en een gezin van 5 personen, wordt de niet-ingedeelde grondwaterwinning voor huishoudelijke doeleinden teruggebracht naar een jaarlijks debiet van 150 m³.
Bestaande grondwaterwinningen voor huishoudelijke doeleinden die alsnog meer dan 150 m³ per jaar onttrekken worden hierdoor -afhankelijk van het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van titel II van VLAREM- een klasse 3- of klasse 2-inrichting. Deze grondwaterwinningen moeten bijgevolg ook voldoen aan de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53 van titel II van VLAREM. Overeenkomstig afdeling 5.53.3.1 van titel II van VLAREM moeten deze grondwaterwinningen voorzien worden van een debietmeter.
Het omgevingsvergunningsdecreet voorziet in een overgangsregeling in beide gevallen:
- De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig (klasse 2) is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging, overeenkomstig artikel 51 van het omgevingsvergunningsdecreet. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning;
- De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die meldingsplichtig (klasse 3) is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, overeenkomstig artikel 110 van het omgevingsvergunningsdecreet. De exploitatie mag worden voortgezet.
De verplichtingen inzake debietmeting moeten bijgevolg binnen deze overgangsperiode in orde worden gebracht.
Door het invoegen van artikel 6.9.1.1 quater met ditzelfde wijzigingsbesluit wordt op termijn ook een debietmeterverplichting ingevoerd voor niet-ingedeelde grondwaterwinningen.
De invoeren van de 1ste extra uitzondering is gekoppeld aan de ondergrens in de nieuwe rubriek 53.5.3. Deze drempelwaarde voor indeling zorgt ervoor dat dompelpompen in kelders bij particulieren niet ingedeeld zijn. Deze drempel wordt gelijkgesteld met het van indeling vrijgestelde debiet bij particuliere winningen voor huishoudelijke toepassingen. Om te vermijden dat deze dan alsnog onder de rubriek 53.8 zouden ingedeeld zijn, is onder rubriek 53 een bijkomende uitzondering vereist.
Door de invoering van de 2de extra uitzondering worden tijdelijke bemalingen voor de aanleg van ondergrondse prefab constructies zoals regenwaterputten en de kortstondige herstellingen aan ondergrondse leidingen en rioleringen niet ingedeeld. Met deze uitzondering wordt de administratieve last aanzienlijk verminderd. In het kader van de opvolging van de voorwaarden van de uitzondering (max. debiet en termijn) worden onder hoofdstuk 6.9 wel voorwaarden voor dergelijke niet-ingedeelde bemalingen voorzien rond o.a. rapportering van installatie, ontmanteling en debieten.
Ook wanneer in het kader van een archeologisch vooronderzoek, zoals bedoeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, door de aangesteld erkende archeoloog beslist wordt tot het uitvoeren van een vooronderzoek met ingreep in de bodem, en hiervoor is een bemaling noodzakelijk (vb. voor proefsleuven) dan kan de bemaling eveneens als niet ingedeeld beschouwd worden, onder dezelfde voorwaarden. De uitzondering beperkt zich tot het archeologisch vooronderzoek, aangezien dit een wettelijke verplichting is vooraleer een omgevingsvergunningsaanvraag wordt ingediend. Wanneer uit de archeologienota blijkt dat verdere opgravingen nodig zijn, en als hiervoor ook een bemaling nodig is, dan dient deze bemaling aangevraagd/geakteerd te worden in het kader van de vergunningsprocedure.
De uitzondering geldt enkel voor bemalingen die uitgevoerd worden binnen een aaneengesloten periode van 14 kalenderdagen, met een beperkt debiet en een beperkte verlaging, waarvan de impact beperkt en zeer tijdelijk is.
Door de invoering van de extra uitzondering, ongeacht de ligging in beschermingszone type III, worden drainages bij particuliere woningen niet gevat door een meldingsplicht. Ook voor drainages die wettelijk verplicht zijn wordt geen meldingsplicht ingevoerd. Constructievoorschriften e.d. vallen hier uiteraard niet onder. Ook voor drainage onder openbare wegen (met inbegrip van tunnels) of infrastructuur voor openbaar vervoer is de uitzondering van toepassing. Deze uitzondering is van toepassing ongeacht de ligging in beschermingszone type III. Dergelijke draineringen hebben een ondiepe ligging. Bij een diepe ligging zal er verpompt worden vanuit een verzamelput en betreft het een bemaling.
7. Met deze aanpassing wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds proefbemalingen, en anderzijds proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bemalingen.
Bij een proefbemaling kunnen o.a. volgende zaken worden onderzocht: K-waarde, verwachte debieten, zettingsproeven (geotechnisch onderzoek), analyse op grondwater.
Het is mogelijk – zeker voor onderzoek naar zettingen – dat de hele bemaling reeds wordt geplaatst. Het is evenwel verboden om al enige uitgraving onder de natuurlijke grondwatertafel voor het project in deze proeffase te doen. De resultaten van de proefbemalingen worden gebruikt om de aanvraag voor de effectieve bemaling te onderbouwen. In die zin is het niet aangewezen om tegelijkertijd de rubrieken R53.1 en R53.2 aan te vragen aangezien de resultaten van de proefbemaling net dienen te worden gebruikt als staving voor de volumes, verlaging en tijdsduur van de effectieve bemaling. Door het toevoegen van de zinsnede “met inbegrip van het terug in de ondergrond brengen van grondwater in dezelfde watervoerende laag en het nuttig gebruik tot maximaal 5.000m³ grondwater” worden ook retourproeven gevat in de rubriek 53.1.1. en wordt het nuttig gebruik van het grondwater dan niet terug in de ondergrond kan worden gebracht, gefaciliteerd. Een duurtijd van één maand volstaat voor een proefbemaling, en bijgevolg wordt deze termijn specifiek aangepast voor de proefbemalingen.
Proefpompingen omvatten put- en pompproeven. Putproeven en pompproeven zijn omschreven in bijlage 5.53.1 van VLAREM II. Voor de duidelijkheid wordt een definitie toegevoegd in VLAREM II. Een proefperiode van drie maanden kan behouden blijven voor proefpompingen die niet uitgevoerd worden in functie van een bemaling, maar vb. wel voor een grondwaterwinning voor drink- of drenkwater. Putproeven maken onderdeel uit van de aanleg van een grondwaterwinning en kunnen zowel inbegrepen zijn in deze rubriek als bij rubriek 53.7 (grondwaterwinningen voor openbare watervoorziening) als 53.8 (andere grondwaterwinningen). Voor putproeven wordt er eveneens een definitie toegevoegd.
Door deze aanpassingen kunnen specifieke voorwaarden gekoppeld worden aan de beide subrubrieken.
8. Gelet op het beperkt aantal meldingen en aanvragen voor de rubriek 53.2.1 (in 2021 slechts 1,3 % van de gemelde of aangevraagde bemalingen voor rubriek 53.2) wordt geoordeeld dat deze specifieke indeling op basis van bestemming van het gebied (niet enkel op gewestplan, maar ook de latere plannen van aanleg) niet langer aangewezen is. Enerzijds zorgt de soms moeilijk te achterhalen bestemming voor onnodig opzoekwerk, en geldt er in duingebied een bouwverbod, en anderzijds is de rubriek 53.11 m.b.t. effecten op speciale beschermingszones (SBZ’s) nog steeds van toepassing (rubriek ingevoerd in 2006). Algemeen kan gesteld worden dat in de rubriek 53.2 het opgepompt debiet en de gewenste verlaging van het grondwaterpeil bepalend is voor de indeling.
Een belangrijke aanpassing voor de tijdelijke bemalingen is om het debiet niet langer op jaarbasis te bepalen, maar per IIOA. IIOA wordt in artikel 5.1.1, 8° van het DABM gedefinieerd als volgt: “één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd.”
Elke bemaling met een netto opgepompt debiet tot 30 000 m³ (met minder dan 1000 m³/dag) blijft klasse 3. Met een netto opgepompt debiet voor de IIOA van 30 000 m³ tot 180 000 m³ wordt de klasse afhankelijk gemaakt van de verlaging én het dagdebiet. Bemalingen die maximaal tot 4 meter onder maaiveld verlagen en met een opgepompt debiet minder dan 1 000 m³/dag zijn klasse 3, en bemalingen die meer dan 4 meter onder maaiveld verlagen of met een opgepompt debiet van 1 000 m³/dag of meer zijn klasse 2. Dit is een verstrenging van de vergunningsplicht. Bemalingen met een opgepompt debiet voor de IIOA van meer dan 180 000 m³ worden klasse 1. Vandaag zijn deze in de 2de klasse ingedeeld. De grens voor indeling in klasse 1 werd op 180.000 m³, grofweg betekent dit dat een bemaling die langer duurt dan 6 maanden aan 1.000m³/d, gevat wordt als klasse 1.
Voor de daggrens van 1.000 m³ werd rekening gehouden met een klassieke bemalingsinstallatie met één pomp (met een capaciteit van 40 m³/u). Indien deze een etmaal pompt, wordt er ca. 1.000 m³ grondwater opgepompt.
Het terug in de ondergrond brengen kan zowel door het er in te pompen, als het bemalingswater gravitair in de ondergrond te laten dringen. De generieke verplichting om bemalingswater terug in de grond te brengen in dezelfde watervoerende laag wordt vermeld in de sectorale bepalingen, maar niet meer in de rubrieksomschrijving. Op deze wijze is een gemotiveerde afwijking in uitzonderlijke gevallen mogelijk. De rubrieksindeling is op netto opgepompte volumes. Deze zijn vastgelegd in een definitie en aftrek van het terug in de grond gebrachte volume bemalingswater kan enkel als het wordt teruggebracht in dezelfde watervoerende laag.
9. In de omschrijving van de rubriek 53.3 wordt cultuurgrond vervangen door gronden of terreinen om de onduidelijkheid die er nu soms heerst weg te nemen. Er is voorzien dat herinfiltratie en lozing van drainagewater kan zonder dat dit een bijkomende rubriek vereist. In deze rubriek wordt tevens verduidelijkt dat voor het niet-gravitair afvoeren van grondwater, vb. door het effectief oppompen van grondwater na de drainage ervan, andere specifieke rubrieken van toepassing zijn.
Omwille van het opheffen van de rubriek 53.10.2°, wordt een nieuwe eerste subrubriek van 53.3 ingevoerd voor draineringen voor landbouwdoeleinden op aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van 50 ha of meer. De opheffing van de rubriek 53.10.3° wordt, wat betreft draineringen, opgevangen door de nieuwe subrubrieken 53.3.3° en 53.3.4° waar een vergunningsplicht gekoppeld is aan de ligging in of ten opzichte van de bijzonder beschermde gebieden. Dit wordt meer in detail beschreven in volgende paragraaf.
De klasse-indeling van draineringen wordt gewijzigd zoals vastgelegd in het Vlaams Klimaatadaptatieplan:
1. Voor bestaande draineringen (zie definitie in artikel 1) blijft de huidige klasse 3 behouden, ongeacht de ligging. Omdat een bestaande drainering ook een historische drainering kan zijn (vb. als de drainering werd aangelegd voor 1/5/1999 en voor 8/10/2022 werd geakteerd, zie definitie in artikel 1) wordt de bestaande drainering in de tweede subrubriek van 53.3 vermeld (namelijk rubriek 53.3.2°).
2. De derde subrubriek van 53.3 handelt over de historische draineringen (tenzij het over een drainering voor landbouwdoeleinden gaat op aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van 50 ha of meer), die geen bestaande drainering zijn. Het gaat hier dus enkel over de draineringen die aangelegd werden voor 1/5/1999 en die niet geakteerd werden voor 8/10/2022. Tijdens de 1ste stap (9°) zijn deze ingedeeld in klasse 3. In de 2de stap (10°) wordt vanaf 3 jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad (gelet op de slotbepaling in artikel 64) een vergunningsplicht ingevoerd als deze draineringen minstens gedeeltelijk gelegen zijn in of op een afstand van minder dan 500 m van een habitatrichtlijngebied. Indien niet minstens gedeeltelijk gelegen in of op een afstand van minder dan 500 m van een habitatrichtlijngebied, blijft de indeling in de 2de stap (10°) klasse 3.
3. De vierde subrubriek van 53.3 handelt in de 1ste stap (9°) over de nieuwe draineringen (tenzij het over een drainering voor landbouwdoeleinden gaat op aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van 50 ha of meer) die minstens deels gelegen zijn in of op een afstand van minder dan 500 meter van een speciale beschermingszone of het Vlaams Ecologisch Netwerk of “valleigebied” of “vallei- en brongebied” en waarvoor een vergunningsplicht wordt ingevoerd. Onder “valleigebied” vallen de gewestplanbestemmingen 0911, onder “vallei- en brongebied” vallen de gewestplanbestemmingen met code 0912. In de 2de stap (10°) wordt de vergunningsplicht van deze subrubriek niet enkel van toepassing op nieuwe draineringen, maar ook op draineringen die aangelegd werden na 1/5/1999 en die niet geakteerd werden voor 8/10/2022 (tenzij het over een drainering voor landbouwdoeleinden gaat op aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van 50 ha of meer). Deze stap 2 treedt pas in werking 3 jaar na bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad (gelet op de slotbepaling in artikel 64).
4. De vijfde subrubriek van 53.3 handelt over de overige draineringen die ingedeeld zijn in klasse 3.
Voor draineringen die door de nieuwe definitie van draineringen indelingsplichtig worden (door het bijkomend opnemen van “bodemwater”), gelden de generieke overgangsbepalingen van artikel 51 en artikel 110 van het omgevingsvergunningsdecreet.
10. Zie punt 9.
11. Zie punt 12.
12. Zowel de rubrieken 53.4 en 53.5 vatten bemalingen die permanent nodig zijn, in tegenstelling tot de tijdelijke bemalingen, die gevat zijn in rubriek 53.2. Er wordt daarom voor gekozen om de permanente bemalingen in één rubriek te vatten, en deze onder te verdelen in drie subrubrieken.
De term “bedrijfsterreinen” wordt vervangen door “terreinen” omdat de verenging tot terreinen van bedrijven niet relevant is. Permanente bemalingen vb. voor het drooghouden van een droogdok of een begraafplaats, kunnen ook onder deze rubriek ingedeeld zijn. Anders zouden deze ingedeeld zijn in de rubriek 53.8, wat tot een hogere klasse-indeling kan leiden.
Voor exploitaties die op een groot terrein plaatsvinden, waarbij vele ondergrondse constructies aanwezig zijn (vb. bedrijfsterreinen in de Antwerpse haven), moeten regelmatig constructies nagekeken of hersteld worden. In praktijk betekent dit dat er zo goed als permanent op het bedrijfsterrein, maar telkens op een andere locatie, een kleinschalige bemaling plaatsvindt. Hiervoor zou telkens een melding voor een tijdelijke bemaling moeten gebeuren (rubriek 53.2). Om de administratieve last hiervan te beperken, wordt de mogelijkheid gecreëerd om het geheel van bemalingen in het kader van onderhoudswerken als een permanente bemaling aan te vragen. Onderhoudswerken worden in artikel 4.1.1, 9° van de VCRO gedefinieerd als “werken, andere dan stabiliteitswerken, die het gebruik van een constructie voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door het bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde of versleten materialen of onderdelen”. Onderhoudswerken zijn overeenkomstig artikel 4.2.1 van de VCRO ook vrijgesteld van een omgevingsvergunning voor een stedenbouwkundige handeling. Door deze bemalingen als een geheel te melden of aan te vragen, kan de impact beter beoordeeld worden, en kan ook meer ingezet worden op beheersmaatregelen zoals retour en nuttig gebruik.
Herstel of heraanleg van infrastructuur met openbaar karakter (zoals openbare rioleringen) worden voor alle duidelijkheid niet gevat door “onderhoudswerken aan op het terrein aanwezige constructies”.
In plaats van te spreken over terugpompingen van “onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater”, wordt verwezen naar “bemalingswater”. De sectorale voorwaarden beschrijven de kwaliteit waaraan het teruggepompte bemalingswater moet voldoen.
Naar analogie met rubriek 53.2 kan het terug in de ondergrond brengen zowel door het er in te pompen, als het bemalingswater gravitair in de ondergrond te laten dringen. Daarom wordt de term “terugpompingen” vervangen door de woorden “terug in de ondergrond brengen”. De generieke verplichting om bemalingswater terug in de grond te brengen in dezelfde watervoerende laag zal worden vermeld in de sectorale bepalingen, maar niet meer in de rubrieksomschrijving. Op deze wijze is een gemotiveerde afwijking in uitzonderlijke gevallen mogelijk. De rubrieksindeling bij rubrieken 53.5.1° en 53.5.3° is evenwel op netto opgepompte volumes. Deze zijn vastgelegd in een definitie en aftrek van het terug in de grond gebrachte volume bemalingswater kan enkel als het wordt teruggebracht in dezelfde watervoerende laag.
Het teruggebrachte bemalingswater is vrijgesteld van bijkomende indeling in rubriek 53.8 tot 5 000 m³/j. Dit is gelijk aan dan de 5 000 m³/j bij de tijdelijke bemalingen.
In de rubriek 53.5.1 wordt de loutere verwijzing naar tunnels vervangen. Wegen en infrastructuur voor openbaar vervoer kunnen ook lager dan het maaiveld aanwezig zijn, waarbij een permanente bemaling nodig is. Het loutere feit dat er dan geen dak op deze verlaagde bedding ligt is niet relevant voor de milieu-impact en indeling. De drempel voor de indeling in de subrubrieken 53.5.1° a) en b) zijn analoog aan die voor de huidige rubriek 53.5. Dit betekent een verstrenging van de klasse-indeling voor bemalingen in het kader van infrastructuur van meer dan 30.000 m³/jaar. De klasse-indeling kan behouden blijven indien de exploitant inspanningen levert om het opgepompte grondwater geheel of gedeeltelijk terug te brengen in de watervoerende laag. Voor permanente bemalingen moet dit zoveel mogelijk gestimuleerd worden.
In de rubriek 53.5.2 wordt voor de mijnverzakkingsgebieden een duidelijkere formulering opgenomen voor wat betreft de “diepte waarop het water wordt gewonnen”. De drempel voor indeling wordt van 500 m³/j naar 5.000 m³/j opgetrokken, naar analogie met de drempels in de rubriek 53.8.
De rubriek 53.5.3 is van toepassing op permanente bemalingen voor alle andere toepassingen dan gevat onder rubriek 53.5.1 (infrastructuur) en 53.5.2 (mijnverzakkingsgebied). Er wordt een drempelwaarde voor indeling ingevoerd waardoor dompelpompen in kelders bij particulieren niet ingedeeld zijn. Deze drempel wordt gelijkgesteld met het van indeling vrijgestelde debiet bij particuliere winningen voor huishoudelijke toepassingen. Om te vermijden dat deze dan alsnog onder de rubriek 53.8 zouden ingedeeld zijn, wordt onder rubriek 53 een bijkomende uitzondering c) voorzien.
De drempels voor de indeling in de subrubrieken 53.5.3° a), b) en c) zijn analoog aan deze in de rubriek 53.5.2° en 53.8. Dit betekent een verstrenging van de klasse-indeling voor alle permanente bemaling van meer dan 5.000 m³/jaar. De klasse-indeling kan behouden blijven indien de exploitant inspanningen levert om het opgepompte grondwater geheel of gedeeltelijk terug te brengen in de watervoerende laag. Voor permanente bemalingen moet dit zoveel mogelijk gestimuleerd worden.
13. Grondwaterwinningen die gebruikt worden voor thermische energieopslag met een beperkt opgepompt debiet, en in een freatische watervoerende laag (dit wordt bepaald door het dieptecriterium), hebben een beperkte milieu-impact. Deze kunnen als meldingsplichtig in plaats van vergunningsplichtig beschouwd worden. Grondwaterwinningen die gebruikt worden voor thermische energieopslag met een opgepompt debiet van meer dan 30.000m³/j tot en met 100.000m³/j zijn vandaag klasse 1 maar worden door de voorgestelde aanpassing klasse 2. Op de spui na moet het volledige debiet bij een dergelijk systeem terug in dezelfde watervoerende laag geïnjecteerd worden als waaruit het onttrokken wordt. Hierdoor is het netto onttrokken debiet beperkt en de kwantitatieve impact veel kleiner dan bij klassieke waterwinningen met eenzelfde opgepompt debiet. Een hogere klassegrens voor een klasse 2 activiteit is daardoor te verantwoorden.
Met deze administratieve vereenvoudiging kan de transitie in de energievoorziening worden ondersteund.
Er wordt specifiek een subrubriek gemaakt voor boringen met een diepte van 500 m of meer ten opzichte van het maaiveld. Hiermee wordt een onduidelijkheid over een dubbele rubricering met rubriek 55.2 weggenomen. Bij rubriek 55.2 wordt een verduidelijking opgenomen dat de dubbele rubricering niet van toepassing is.
Door het maken van een aparte rubriek voor systemen met een diepte van 500m of meer ten opzichte van maaiveld kunnen er ook specifieke voorwaarden of mogelijkheden tot afwijking van sectorale voorwaarden worden opgenomen. Zo moet het mogelijk zijn om vb. via de omgevingsvergunning een afwijking toe te staan op de peilfilterstelling in alle bovenliggende watervoerende lagen, op de temperatuur van het teruggebrachte water,… Voor geothermiesystemen op een diepte van 500 m of meer zijn de standaard sectorale voorwaarden hiervoor niet relevant. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging aangezien er geen aparte afwijkingsprocedure voorafgaand aan de omgevingsvergunningsaanvraag bij de minister moet worden ingediend.
Door het maken van een aparte rubriek kan deze activiteit ook gekoppeld worden aan de erkenningscategorie 7° 5) van artikel 6 van VLAREL. Er heerste onduidelijkheid of ook bedrijven met erkenningscategorie 7° 2) de boringen voor dergelijke diepe geothermiesystemen mochten uitvoeren, maar dit is niet wenselijk. VLAREL wordt hiertoe ook aangepast.
Nuttig gebruiken van het spuiwater wordt gefaciliteerd door te voorzien dat hiervoor geen aparte rubriek moet aangevraagd worden. Het volume spui is beperkt tot 500m³/j per put (art 5.53.6.2.7 van titel II van VLAREM).
14. Met deze aanpassing wordt een onduidelijkheid over de rubricering van drinkwaterwinningen in mijnverzakkingsgebied weggewerkt. Deze moeten zowel over de rubriek 53.4.2 als de 53.7 beschikken. De beperkte gevallen die hieronder vallen, beschikken over beide rubrieken waardoor overgangsbepalingen niet nodig zijn.
15. In de rubriek 53.2 is het volgende opgenomen: “bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar”. Het nuttig gebruik van 5000 m³ bemalingswater is bijgevolg vrijgesteld van de vergunningsplicht. Wanneer meer dan 5000 m³ bemalingswater nuttig gebruikt wordt, is de rubriek 53.8.2 of 53.8.3 van toepassing. Om het aanvragen van deze rubriek procedureel niet te verzwaren, wordt de mogelijkheid voorzien om deze als tijdelijke inrichting of activiteit aan te vragen. Hiervoor wordt in kolom 3 de letter T toegevoegd, dit staat voor een inrichting of activiteit waarvoor een tijdelijke vergunning kan worden verkregen. Tijdelijke inrichtingen en activiteiten worden als volgt gedefinieerd in het DABM: “de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu”.
Door toevoeging van de letter T kunnen ook kortdurende grondwaterwinningen (maximaal 3 maanden) en niet-bemalingsgerelateerde, doch werfgebonden grondwaterwinningen (vb. voor een tijdelijke betoncentrale, gedurende maximaal een jaar) als tijdelijke inrichting aangevraagd worden. Aangezien in de vereenvoudigde procedure een adviesbevoegdheid voor VMM geldt, wordt deze mogelijkheid opengelaten.
16. Voor grootschalige irrigatieprojecten voor landbouwdoeleinden (100ha of meer) die ook opgenomen zijn in bijlage II, 1, c, eerste streepje van het projectMER-besluit 2004 wordt een afzonderlijke rubriek voorzien onder rubriek 64 – irrigatie voor landbouwdoeleinden. Dergelijke projecten waren ingedeeld in subrubriek 53.10.1. Dit is een subrubriek van rubriek 53 – winning van grondwater. Aangezien grootschalige irrigaties inhoudelijk geen grondwaterwinningen zijn, worden dergelijke projecten geschrapt in subrubriek 53.10.
Droogleggingsprojecten voor landbouwdoeleinden waren ingedeeld in subrubriek 53.10.2° (meer dan 50ha) en 3° (meer dan 15ha met aanzienlijk negatief effect op de freatische grondwatertafel in een bijzonder beschermd gebied). De subrubrieken 53.10, 2° en 3° worden opgeheven en ondergebracht in de bestaande rubriek 53.3 e in een nieuwe rubriek 65, aangezien de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53 van titel II van VLAREM niet bedoeld zijn voor dergelijke projecten.
17. Bij de rubrieken 53.2 en 53.5 wordt in de rubrieksomschrijving de term “niet-verontreinigd” geschrapt, alsook wordt de zinsnede “in dezelfde watervoerende laag” geschrapt omdat dit in de sectorale voorwaarden wordt ingeschreven. Ook “terugpompingen” werd vervangen door “terug in de ondergrond brengen” omdat dit proces evengoed gravitair van verlopen.
Met de VLAREM-trein 2017 werd ook de term “onbehandeld” uit de omschrijving van rubriek 53.2 geschrapt. De omschrijving van rubriek 53.2 wordt: “bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, beide met inbegrip van terug in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m³ bemalingswater per jaar”. Voor rubriek 53.2 kan een dubbele rubricering gelden met rubriek 53.11. Deze rubriek is een omzetting van categorie 10, o) uit bijlage II van het MER-besluit.
Tussen deze beide rubrieken ontstaat bijgevolg een discrepantie door het schrappen van de termen “niet-verontreinigd”, “onbehandeld” en “in dezelfde watervoerende laag”. Ook in de nieuwe rubriek 53.5 wordt opgenomen dat het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater, is inbegrepen in deze rubriek.
Een gelijkaardige aanpassing van rubriek 53.11 dringt zich dus op om te vermijden dat projecten die onder bijlage II van het MER-besluit vallen, beperkt zouden zijn in de mogelijkheden tot het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater.
In de bijlagen I en II van de project-MER-richtlijn worden deze termen niet gebruikt. De rubriek 53.11 is een vertaling van categorie 10, o) uit bijlage II van het project-MER-besluit. De omschrijving “met inbegrip van terugpomping van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, en” is in oktober 2014 toegevoegd in het project-MER-besluit, in samenspraak met de toenmalige dienst MER, om in lijn te zijn met een aanpassing aan de rubrieksomschrijving van rubriek 53.2. Met andere woorden, vanuit de Europese regelgeving is er geen noodzaak om deze termen te behouden in functie van de verplichtingen met betrekking tot milieueffectrapportage.
Bij een (geplande) herziening van de bijlagen van het project-MER-besluit wordt deze aanpassing op dat moment ook best meegenomen. Dit zal worden bewaakt, om de omschrijving in lijn te houden met de rubriek 53.11.
De zinsnede “netto onttrokken debiet” kan behouden blijven. Hiervoor is een definitie opgenomen.
De mogelijk dubbele rubricering van rubriek 53.11.2° met rubriek 53.11.1° wordt geschrapt. Dit heeft geen impact naar voorwaarden, noch m.e.r.-plicht en betreft louter een administratieve vereenvoudiging.
18. Onder de hoofdrubriek 54 worden de rubrieken bij “op een andere wijze dan” geactualiseerd. Voor alle subrubrieken van rubriek 53 waarbij terugpompingen van gewonnen grondwater inbegrepen zijn in de rubriek (rubrieken 53.1, 53.2, 53.5, 53.6 en 53.12), moet geen bijkomende rubriek 54 aangevraagd worden. De rubrieken 53.4 en 53.5 worden samengevoegd tot rubriek 53.5, met ditzelfde besluit. De rubriek 53.7 wordt geschrapt, gezien het terugbrengen van water bij deze activiteit wordt ondervangen door de uitzondering b) onder rubriek 54.
De huidige rubrieken 54.1 en 54.2 worden samengevoegd in de rubriek 54. De wijze waarop het water kunstmatig wordt ingebracht (via geboorde putten, waterbekkens of vijvers) is minder relevant, wel de zone in de ondergrond waarin het water wordt ingebracht (onverzadigde of verzadigde) en het type watervoerende laag. Om in de toekomst verdere differentiatie in de sectorale voorwaarden mogelijk te maken, wordt ervoor gekozen om de opdeling te maken in deze verschillende zones en watervoerende lagen.
Er wordt met dit wijzigingsbesluit een definitie toegevoegd voor het kunstmatig aanvullen van grondwater.
In de rubriek 54 worden aanvullend aan deze definitie een aantal verduidelijkingen toegevoegd.
Punt a) heeft betrekking op de infiltratie van niet-verontreinigd hemelwater, wat niet beschouwd wordt als het kunstmatig aanvullen van grondwater. . We voegen met dit besluit een nieuwe definitie in van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, zie de laatste definitie onder artikel 1. Dit gaat over vb. wadi’s en onder- en bovengrondse infiltratiebekkens en -kratten. Van hemelwater dat afstroomt van een dak, terras, oprit, parkeerplaats, een weg die niet hoort bij een IIOA e.d. veronderstelt de wetgever dat dit niet of slechts in beperkte mate vervuild is waardoor het aanzien wordt als niet-verontreinigd hemelwater. Dit hemelwater moet worden opgevangen, hergebruikt en maximaal ter plaatse vastgehouden en/of geïnfiltreerd in de bodem. Op bedrijfsterreinen kan het hemelwater echter in contact komen met verontreinigende stoffen. Hemelwater dat valt op verharde terreinen die verontreinigd zijn door de exploitatie van een ingedeelde inrichting (bijv. containerparken, schroothandelaars, tankpistes) is verontreinigd hemelwater en te beschouwen als bedrijfsafvalwater.
Punt b) heeft betrekking op de infiltratie vanuit bekkens bij installaties voor openbare watervoorziening. Tijdens verschillende fases van het drinkwaterproductieproces kan ingenomen water of proceswater in bekkens opgeslagen worden en van daaruit infiltreren. Dit wordt niet beschouwd als een vergunningsplichtige aanvulling. Vanuit de bescherming van de drinkwatervoorraden heeft de exploitant van de winning er trouwens alle belang bij om het gewonnen grondwater kwalitatief te beschermen.
Punt c) heeft betrekking op irrigatie. Ook dit wordt niet aanzien als een vorm van kunstmatig aanvullen van grondwater. Het doel bij irrigatie is immers voldoende bodemvocht te voorzien, niet het aanvullen van aquifers. Omdat niet alle vormen van irrigatie ingedeelde handelingen zijn onder de nieuw in te voeren rubriek 64 wordt de verduidelijking bij de rubrieksomschrijving van kunstmatige aanvulling gegeven.
De drempel van 2.500 m³ per dag is in overeenstemming met de MER-categorieën zoals opgenomen in Bijlage I en II van het MER-besluit. De drempel van jaarlijks 10 miljoen m³ of meer wordt niet meer vermeld aangezien dit ondervangen is door een dagdebiet van 2.500m³ of meer.
19. Funderingsboringen kunnen onder meer het volgende bevatten: micropalen, grindpalen, grondverdringende palen (beton- of groutpalen), grout- en trekankers.
Ingeheide palen en damplanken werden sowieso al niet beschouwd als een boring.
Het uitvoeren van funderingsboringen moet niet uitgevoerd worden door een erkend boorbedrijf, zoals bedoeld in artikel 7°, a) van VLAREL. Dit is reeds zo voorzien in de wetgeving. Het is logisch om deze uitzondering ook door te trekken naar de indelingslijst, en dezelfde terminologie te gebruiken.
Bovendien wordt dergelijk type boringen in de praktijk zelden aangevraagd of gemeld, maken de funderingspalen onderdeel uit van een constructie en zijn er in titel II van VLAREM reeds voldoende milieuvoorwaarden opgenomen onder deel 6 Milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen, met name:
• Artikel 6.9.1.1.: Grondwaterwinningen en boringen, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, worden aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geëxploiteerd volgens de regels van goed vakmanschap, die opgenomen zijn in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vermeld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit, als die activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit;
• Artikel 6.9.1.1ter.: Het is verboden grondwaterwinningen en boringen, met uitzondering van peilputten, aan te leggen of te gebruiken als deze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones;
• Artikel 6.9.1.2.: Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen. Het is verboden om verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen, zowel via meerdere filters in één boorgat als via de ruimte tussen de boorput en de wand van het boorgat. Het plaatsen van kleistoppen ter hoogte van de scheidende lagen of het cementeren van de ruimte tussen de ingebrachte buizen en de wand van het boorgat is verplicht.
Voor alle bij rubriek 55 uitgezonderde boringen van meer dan 2,5m onder maaiveld die gelegen zijn in beschermingszone type III, uitgezonderd die voor peilputten, geldt vandaag dat ze ingedeeld zijn onder rubriek 52.1.2 – “niet elders ingedeelde handelingen die krachtens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones verboden zijn binnen de beschermingszones type II”. Rubriek 52.1.2 is een klasse 2 rubriek waaraan geen sectorale bepalingen gekoppeld zijn. Door bij de rubriek 55 te vermelden dat dit gaat over andere boringen dan vermeld in rubriek 52, voorkom je dat volgens rubriek 55 niet-ingedeelde boringen alsnog in rubriek 52 ingedeeld kunnen worden als ze in beschermingszone type III gelegen zijn. Door deze aanpassing moeten de niet-ingedeelde boringen nu wel voldoen aan de voorwaarden van deel 6 van titel II van VLAREM, dewelke voldoende bescherming van de watervoerende lagen vooropstelt.
Door het schrappen van deze activiteiten onder rubriek 52.1.2, komt voor deze activiteiten de verplichting tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek te vervallen (kenletter A in de kolom ‘VLAREBO’).
Voor boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten gelegen in beschermingszone type III geldt vandaag reeds dat ze vergunningsplichtig zijn. Met voorgestelde aanpassing worden ook geotechnische boringen van meer dan 2,5m diep en gelegen binnen beschermingszone type III ingedeeld in de rubriek 55, en niet langer in de rubriek 52.1.2. De uitzondering op de indelingsplicht blijft behouden voor alle boringen in functie van de aanleg van peilputten (al zo voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones), voor boringen ter naleving van wettelijke verplichtingen en voor funderingsboringen. Het is niet wenselijk dat het naleven van een wettelijke verplichting apart onderworpen wordt een vergunningsaanvraag. Deze activiteiten zijn reeds beoordeeld bij het al dan niet toestaan van de activiteit waarbij de wettelijke verplichting geldt. Funderingsboringen maken deel uit van een constructie en worden reeds beoordeeld bij de omgevingsvergunning voor deze constructie.
20. Er is onder rubriek 53.6 specifiek een subrubriek gemaakt voor boringen met een diepte van 500 m of meer ten opzichte van het maaiveld. Door deze aanvulling onder rubriek 55.2 wordt een verduidelijking opgenomen dat een dubbele rubricering niet van toepassing is.
21. Met het schrappen van het begrip “uitgravingen” wordt de toepassing van deze rubriek verduidelijkt. Het begrip “uitgravingen” kan zeer ruim geïnterpreteerd worden. Het is niet de bedoeling om bij werken aan kanalen, grachten e.d. een gedeeltelijke opvulling (vb. in het kader van het verleggen van een waterloop of werken aan oevers of kades) in te delen. Daarom wordt dit te ruime begrip geschrapt. Voor dergelijke werken blijft de regeling rond het grondverzet gelden. Deze verduidelijking doet dus geen afbreuk aan de bescherming van het milieu.
Met deze aanpassing wordt ook verduidelijking gegeven aan het begrip “put”. Waterplassen en vijvers worden beschouwd als een put en worden in de omschrijving van put opgenomen. Voor de toepassing van de rubriek en de sectorale voorwaarden is naast de opvulcapaciteit ook een minimale diepte van de put relevant. Verondiepingen boven 1,5 m onder maaiveld hebben naar stabiliteit geen ingrijpende effecten, de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.60 van VLAREM II zijn hiervoor weinig relevant. Voor deze verondiepingen blijft de grondverzetsregeling evenzeer van kracht, waardoor de kwaliteit van de gebruikte bodemmaterialen gewaarborgd blijft. Bovendien is in artikel 5.60.2 van VLAREM II momenteel al opgenomen dat voor de bovenste laag van 150 cm het standstillbeginsel geldt voor wat betreft de milieukwaliteit.
Het is niet de bedoeling om constructies als kelders e.d. in te delen. De omschrijving van deze rubriek en de voorwaarden zijn eerder gericht op zichtbare putten in het landschap, die men wil opvullen en afwerken. Een kelder onder een gebouw komt pas bloot liggen naar aanleiding van het slopen of renoveren van een gebouw, en het opvullen ervan kadert in datzelfde renovatie- of sloopproject. Het (gedeeltelijk) opvullen van een kelder onder een gebouw in het kader van een renovatie- of sloopproject kunnen we beschouwen als niet ingedeeld in rubriek 60.
Een dok wordt beschouwd als een put.
Constructie is gedefinieerd in VCRO artikel 4.1.1, 3°: “constructie: een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds”.
Bij de uitzondering wordt tevens een kwaliteitseis voor de gebruikte bodemmaterialen vermeld.
22. Met de invoering van deze nieuwe rubriek, wordt de subrubriek 53.10.1 omgezet in een aparte rubriek 64. Naar leesbaarheid van de indelingslijst is het immers logischer om een irrigatieproject niet onder te brengen bij een grondwaterwinning maar een aparte rubriek te voorzien. Onder irrigatie worden zowel bevloeiing als beregening gevat, inclusief ondergrondse bevloeiing aangezien irrigatie ook kan gebeuren via ingegraven buisjes.
Enkel voor grootschalige irrigatieprojecten voor landbouwdoeleinden (100 ha en meer) die ook opgenomen zijn in het MER-besluit wordt een vergunningsplicht voorzien.
23. Droogleggingsprojecten voor landbouwdoeleinden waren ingedeeld in subrubriek 53.10.2° (meer dan 50ha) en 3° (meer dan 15ha met aanzienlijk negatief effect op de freatische grondwatertafel in een bijzonder beschermd gebied). Deze subrubrieken worden omgezet in nieuwe subrubrieken van de rubriek 53.3 (voor wat betreft de draineringen) en in een aparte rubriek 65, drooglegginsprojecten via regelbare constructie. Naar leesbaarheid van de indelingslijst is het immers logischer om een waterbeheersingsproject niet onder te brengen bij een grondwaterwinning maar een aparte rubriek te voorzien. De rubrieksomschrijving wordt via artikel 1 in dit besluit gedefinieerd, en het toepassingsgebied van deze rubriek wordt hierdoor dan ook verduidelijkt, namelijk dat deze rubriek de inrichtingen of activiteiten omvat die geëxploiteerd worden als IIOA en waarop VLAREM kan ingrijpen, niet de handelingen die stedenbouwkundige handelingen zijn en onder een ander beoordelingskader vallen.
Door opname in een aparte rubriek is het ook mogelijk om specifieke sectorale voorwaarden uit te werken en in titel II van het VLAREM op te nemen.
Er wordt verduidelijkt dat draineringen ingedeeld zijn onder rubriek 53.3 en er geen dubbele rubricering geldt met rubriek 65.
De door deze rubriek gevatte droogleggingsprojecten via regelbare constructies worden vaak uitgevoerd door waterbeheerders en kunnen moeilijk los gezien worden van het globale peilbeheer van de waterbeheerders. In uitvoering van punt 3° van artikel 21 van de wet betreffende de onbevaarbare waterlopen is hiervoor een aparte regeling rond peilbeheer uitgewerkt, onder de bepalingen van het algemeen reglement van de onbevaarbare waterlopen en grachten. Deze regeling is opgenomen in het Besluit van de Vlaamse Regering over het peilbeheer op onbevaarbare waterlopen en grachten (VR 5/5/2023). In de nieuwe rubriek 65 wordt daarom opgenomen dat droogleggingsprojecten via regelbare constructies die voldoen aan het besluit van de Vlaamse Regering over het peilbeheer op onbevaarbare waterlopen en grachten, uitgezonderd zijn van indeling. Logischerwijze blijven droogleggingsprojecten via regelbare constructies die niet voldoen aan dit besluit wel vergunningsplichtig indien de ondergrenzen voor oppervlakte overschreden worden.
ARTIKEL 56
De codering van de watervoerende lagen in Vlaanderen werd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij geupdated (Deckers J., De Koninck R., Rombaut B., 2019. Update Hydrogeologische Codering van Vlaanderen: HCOV-versie 2. Ref. 2019/RMA/R/1899). De nieuwe versie wordt in deze bijlage ook juridisch verankerd.
De conversie tussen de oude en nieuwe versie is terug te vinden in bijlage D van het eerder geciteerde rapport en kan geraadpleegd worden op https://www.dov.vlaanderen.be/page/hydrogeologische-codering-van-vlaanderen-hcov-versie-2.
ARTIKEL 57
Het huidige dieptecriterium voor “rubriek 53.8 - andere grondwaterwinningen” houdt rekening met de geologie, het van nature voorkomen van verzilt grondwater en de ligging van de Habitat- en Vogelrichtlijngebieden. Met deze wijziging wordt het dieptecriterium in of nabij VEN-gebieden verlaagd tot 0m waardoor elke grondwaterwinning onder rubriek 53.8 in dit gebied vergunningsplichtig wordt.
Voor inrichtingen met een grondwaterwinningen die ten gevolge van deze wijziging vergunningsplichtig worden moet conform artikel 51 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning het bestaan van de exploitatie meegedeeld worden aan de bevoegde overheid binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die wijziging.
ARTIKEL 58
Met dit artikel wordt een kaart met het dieptecriterium ingevoegd voor de rubriek 53.6. Rubriek 53.6 -grondwaterwinningen die gebruikt worden voor thermische energieopslag in watervoerende lagen- wordt zo aangepast dat dergelijke installaties met een beperkt opgepompt debiet, in een freatische watervoerende laag en gelegen buiten een beschermingszone rond een drinkwaterwinning meldings- in plaats van vergunningsplichtig worden. Het criterium van diepte en ligging is vertaald in een dieptecriterium voor rubriek 53.6. Het dieptecriterium zal eenvoudig kunnen geconsulteerd worden in het webloket van DOV (http://dov.vlaanderen.be). Via dit webloket zijn de dieptecriteria voor rubriek 53.8 en 55 ook ontsloten.
Hoofdstuk 2: Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL)
ARTIKEL 59
Artikel 6, 7°, a) van het VLAREL bevat een opsomming de disciplines van de erkende boorbedrijven.
Een nieuwe rubriek 53.1.1° voor proefbemalingen, vereist een specifieke vermelding in de disciplines van de erkende boorbedrijven zodat het duidelijk is dat deze ook geïnstalleerd moeten worden door boorbedrijven die erkend zijn in de discipline uit punt 1.
Voor de discipline in punt 2 van het artikel wordt de maximale diepte beperkt tot minder dan 500 meter onder maaiveld. Boren tot grotere dieptes dient voorbehouden te blijven voor bedrijven die hier voldoende ervaring in opbouwen en ook over het nodige materiaal beschikken. Dit type boringen dient uitgevoerd te worden door boorbedrijven die erkend zijn in de discipline 5. Dit loopt ook samen met de aanpassing aan de indelingslijst voor de rubriek 53.6 waar een nieuwe rubriek 53.6.4° wordt ingevoerd voor diepe geothermische systemen.
Verder wordt er ook gezorgd voor een verhoogde éénvormigheid in de verwijzing naar de indelingslijst die voor de discipline uit punt 3 anders is dan voor de discipline uit punt 4.
ARTIKEL 60
Het te wijzigen artikel 53/6 bevat gebruikseisen voor erkende boorbedrijven vermeld in artikel 6, 7°, a) van het VLAREL.
Onder punt 7 van de gebruikseisen van de erkenning als boorbedrijf wordt verduidelijkt dat alle werken voor het boren of opvullen voorafgaandelijk gemeld moeten worden. Dit betreft een doorvertaling van de sectorale voorwaarden die gelden voor de exploitant, naar een gebruikseis van het erkende boorbedrijf dat instaat voor de werken.
Verder wordt een verplichting ingevoerd dat installatie en ontmanteling van bemalingen moeten gemeld worden door het erkende boorbedrijf. In realiteit worden het merendeel van de bemalingen nu al opgestart door een erkend boorbedrijf. Via deze verplichting wordt het mogelijk om een actueel beeld te krijgen van de actieve bemalingen. Dit is relevant om mogelijkheden tot hergebruik beter in kaart te brengen en zo ook aanbod en vraag te verbinden (verder te ontsluiten via bestaande platformen uit de privésector zoals Werfwater die nu nog afhankelijk zijn van goodwill van betrokken bedrijven). Door het rapporteren van de tellerstanden van de debietmeters zal er enerzijds een beter zicht komen op het naleven van het voorwerp van aktename en melding, maar ook een beter inzicht komen in hoeverre waterbesparende maatregelen tijdens de werken effect hebben en welk debiet er effectief onttrokken worden. Een inschatting op basis van aangevraagde debieten voor bemalingen in het jaar 2020 geeft namelijk aan dat het debiet aanzienlijk is (hoger dan het vergunde debiet voor de sector industrie).
Er wordt ook een verplichting ingevoerd voor 10-jaarlijkse controles op vergunningsplichtige grondwaterwinningen onder rubriek 53.8. De rapportering van deze controles door het erkende boorbedrijf via een webapplicatie naar de Databank Ondergrond Vlaanderen wordt opgelegd via deze gebruikseis. Dit maakt toezicht op naleving van de verplichting (vanuit artikel 53.6.6.1., vierde lid van titel II van het VLAREM) mogelijk.
Hoofdstuk 3: Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
ARTIKEL 61
De laatste paragraaf van artikel 68 van het omgevingsvergunningendecreet stelt dat de Vlaamse Regering een minimale en maximale geldigheidsduur kan vaststellen van de in de 2de paragraaf van dit artikel opgesomde gevallen.
In uitvoering hiervan wordt voor grondwaterwinningen (geval 3°) de termijn vastgesteld op max. 20 jaar voor de subrubrieken onder 53.5, 53.8 en 53.12. Voor deze rubrieken is het aangewezen dat er geen vergunningen van onbepaalde duur verleend worden om te kunnen bijsturen n.a.v. evoluties in de beschikbare grondwatervoorraden o.a. ten gevolge van klimaatsveranderingen en de toestandbepaling in de grondwaterspecifieke delen van stroomgebiedbeheerplannen.
Bemalingen voor de verwezenlijking van werken of aanleg van nutsvoorzieningen hebben een tijdelijk karakter. Naar analogie met art. 99 van het omgevingsvergunningendecreet dat stelt dat omgevingsvergunningen van rechtswege vervallen als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen 5 jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning wordt de termijn beperkt voor bemalingen zoals bedoeld in rubriek 53.2 die gekoppeld zijn aan de uitvoeren van de bouw- of infrastructuurwerken. Niet in alle omgevingsvergunningen wordt opgenomen dat deze bemaling slechts vergund zijn voor een bepaalde termijn, vandaar dat het noodzakelijk is om deze tijdelijkheid generiek te voorzien.
Voor grootschalige en langlopende werven kunnen aaneensluitend en overlappend binnen dezelfde uitvoeringsvergunning tijdelijke bemalingen uitgevoerd worden in functie van verschillende werken die noodzakelijk zijn, waarvan de individuele duurtijd per deelwerk max. vijf jaar betreft, maar waarvan de cumulatieve duur de vijf jaar kan overschrijden. In dergelijke vergunningen is het belangrijk dat een fasering voor de rubriek 53.2 wordt voorgesteld door de aanvrager, overeenkomstig artikel 80 van het Omgevingsvergunningendecreet.
Bij rubriek 53.9 en 53.11 is er altijd een dubbele rubricering van toepassing. Door beperking van de termijn van de gekoppelde rubriek wordt het geheel beperkt in termijn. De gekoppelde rubriek is niet altijd beperkt en daarom is ervoor gekozen om rubriek 53.9 en 53.11 niet generiek te beperken.
Eerder verleende vergunningen met een langere geldigheidsduur worden door deze aanpassing van rechtswege teruggebracht tot deze termijnen. Hierbij wordt ingegrepen op reeds verleende rechten omwille van algemeen belang, namelijk vanuit het beheer van grondwatervoorraden. Deze zijn een gemeen goed.
Het stelsel van omgevingsvergunningen voor ingedeelde inrichtingen is nog relatief nieuw. Er zijn nog geen dergelijke vergunningen die met toepassing van deze regeling al zouden verstreken zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit die hun looptijd tot 20 jaar beperkt, noch zijn er vergunningen die -rekening houdend met deze 20 jaar- weldra zouden verstrijken. Voor bemalingen die vallen onder de rubriek 53.2 is er nood aan een overgangsregeling om geen afbreuk te doen aan gewekte, rechtmatige verwachtingen, vermits daar wel het risico bestaat dat de termijn van vijf jaar reeds verstreken is of dreigt te verstrijken (bv. bij bemalingen in het kader van grootschalige en langdurige werven, of bij bemalingen waar geen eindtermijn in de vergunning werd opgenomen).
Voor dit artikel werd een slotbepaling uitgewerkt.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
ARTIKEL 62
De regeling waarmee in artikel 16 het plaatsen van waarnemingsbuizen of peilputten de inschakeling van een MER-deskundige vereist, is enkel zinvol toe te passen op waarnemingsbuizen of peilputten die aangebracht worden na de inwerkingtreding van dit besluit.
ARTIKEL 63
In artikel 26 wordt een verplichting tot peilsturing opgelegd voor nieuwe draineringen binnen gebieden die door de Vlaamse minister worden aangeduid op kaart. Dit artikel bepaalt dat deze kaart uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding wordt gepubliceerd.
ARTIKEL 64
De klasse-indeling van draineringen wordt in 2 stappen gewijzigd, zoals vastgelegd in het Vlaams Klimaatadaptatieplan. Zo zullen historische draineringen die minstens gedeeltelijk gelegen zijn in of op een afstand van minder dan 500 meter van een habitatrichtlijngebied 3 jaar de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen. Ook draineringen die aangelegd werden na 1/5/1999 en die niet geakteerd werden voor 8/10/2022 en die minstens gedeeltelijk gelegen zijn in of op een afstand van minder dan 500 meter van een speciale beschermingszones of het Vlaams Ecologisch Netwerk of “valleigebied” of vallei- of brongebied” krijgen 3 jaar de tijd om een vergunning aan te vragen.
Om dit te implementeren, wordt de rubriek 53.3 met een tussenperiode 2 maal gewijzigd via dit wijzigingsbesluit.
ARTIKEL 65
De artikelen 1,1°, 3 tot en met 10, 14, 21, 24, 25, 27 tot en met 33, 36, 39,2° en 3°, 44 tot en met 47, 51 en 55 (m.u.v. 10° gelet op artikel 64) tot en met 60 bevatten bepalingen die de indelingslijst, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en de daarmee samenhangende sectorale milieuvoorwaarden wijzigen. Omdat dit een aanpassing van het omgevingsloket vereist, treden deze bepalingen later in werking, en dit op een door de minister te bepalen datum die echter binnen het jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad moet gebeuren .
ARTIKEL 66
Dit artikel voorziet in een overgangsbepaling voor peilputten die aangelegd zijn voor de inwerkingtreding van het artikel 38, 1° van dit besluit.
ARTIKEL 67
Dit artikel voorziet in een overgangsbepaling voor lozingen van bemalingswater die voor de inwerkingtreding van artikel 47 van dit besluit gestart zijn.
ARTIKEL 68
Dit artikel dat aanvragen met betrekking tot een omgevingsvergunning of een melding die ingediend is voor de datum van de inwerkingtreding van een relevante wijzigingsbepaling van dit besluit, wordt behandeld en beslist op basis van de indelingslijst zoals opgenomen in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals die geldig was op het tijdstip waarop de aanvraag of melding is ingediend.
ARTIKEL 69
Deze slotbepaling houdt een overgangsbepaling in voor de rubrieken die vermeld worden in het nieuwe artikel 53/1 van het Omgevingsvergunningenbesluit. De Raad van State verwees in zijn advies naar de noodzaak van een overgangsbepaling voor ‘bestaande’ vergunningen, rekening houdend met het vertrouwensbeginsel en de rechtmatige verwachtingen van de rechtsonderhorigen. Er wordt voor een uniforme overgangsbepaling gekozen gelet op de gelijkheid en non-discriminatie tussen enerzijds de verschillende rubrieken, en anderzijds tussen de duur van de verleende vergunningen (onbepaald vs. bepaald).
Het herleiden van de geldigheidsduur zou als overgangsbepaling vanaf de datum van vergunning voor de inrichting of activiteit dan wel vanaf de datum van inwerkingtreding van het artikel kunnen geijkt worden. De datum van de inwerkingtreding van het artikel zou echter potentieel tot rechtsonzekerheid kunnen leiden. Voor vergunningen van onbepaalde duur is er immers momenteel een periodieke evaluatiemogelijkheid na twintig jaar. Deze evaluatiemogelijkheid valt weg wanneer de vergunningen van onbepaalde duur herleid worden tot bepaalde duur cf. het artikel. Daarnaast zou de datum van inwerkingtreding van het artikel als ijkpunt tot gevolg hebben dat de vergunningen op dezelfde moment vervallen, wat een aanzienlijke piek in vergunningsdossiers zou creëren naar de vervaldatum toe. Deze piek zou impact kunnen hebben op de dienstverlening in die periode. Bijgevolg wordt als ijkpunt de datum van de definitieve vergunning voor de betrokken inrichting of activiteit genomen.
De nieuwe regeling in het Omgevingsvergunningenbesluit voorziet een maximale vergunningsduur van twintig jaar, dan wel vijf jaar afhankelijk van de rubriek. Voor de rubrieken die voortaan voor maximaal twintig jaar vergund kunnen worden, strookt de voormelde termijn met de vroegere maximale vergunningstermijn van een milieuvergunning, de evaluatiemogelijkheid voor omgevingsvergunningen van onbepaalde duur (of milieuvergunningen van bepaalde duur die cf. art. 390 OVD geacht voor onbepaalde duur verleend zijn). Het is dan ook verantwoord om als overgangsbepaling twintig jaar na de datum van definitieve vergunning te hanteren.
Bij gebrek aan een overgangsbepaling zou voor de rubrieken die voortaan voor maximaal vijf jaar vergund kunnen worden, de kans zeer groot zijn dat de betrokken inrichting of activiteit reeds vervallen is. Het is evenwel inherent aan de nieuwe rubriek 53.2 dat deze in tijd beperkt zijn, vermits deze inrichting of activiteit in functie van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen plaatsvinden. Het is niet evenredig, noch in lijn met de gecreëerde verwachtingen om voor dergelijke (vergunningsplichtige) inrichtingen of activiteiten nieuwe aanvragen in te dienen in de wetenschap dat deze nog maar een heel beperkte tijd nodig zouden zijn. Het is mogelijk dat er vergunningen van onbepaalde duur of langere tijd verleend zijn m.b.t. de rubriek 53.2. Een overgangsbepaling blijft bijgevolg noodzakelijk, doch is vijf jaar gelet op voorgaande niet opportuun.
De termijn wordt bijgevolg uniform herleid tot twintig jaar na de datum van de definitieve vergunning m.b.t. de inrichting of activiteit voor zowel de vergunningen van bepaalde als onbepaalde duur en ongeacht de betrokken rubriek van het vermelde artikel. Dit biedt een duidelijke, eenvoudige en uniforme overgangsbepaling.
De keuze voor de datum van de definitieve vergunning als ijkpunt cf. bovenstaande redenering, kan als resultaat hebben dat de vergunning voor de betrokken inrichting of activiteit vervallen is. Let wel, het betreft de duur voor de specifieke inrichting of activiteit en niet per se de gehele vergunning. Inrichtingen of activiteiten die vergund zijn voor minder dan twintig jaar, behouden hun einddatum.
ARTIKEL 70
Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.
( ... - ... )
Raad van State De aanhef Artikel 1
afdeling Wetgeving
advies 74.986/16
van 4 januari 2024
over
een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de waterregelgeving betreft’
Op 28 november 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 5 januari 2024, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de waterregelgeving betreft’.
Het ontwerp is door de zestiende kamer onderzocht op 19 december 2023. De kamer was samengesteld uit Pierre Lefranc, wnd. kamervoorzitter, Toon Moonen en Tim Corthaut, staatsraden, Johan Put, assessor, en Greet Verberckmoes, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Lennart Nijs, adjunct-auditeur.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 januari 2024.
*
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
*
Strekking van het ontwerp
2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe om diverse wijzigingen aan te brengen aan de regelgeving inzake bemalingen, drainages en grondwaterwinningen, teneinde het beheer van grondwater te verbeteren.
3. Daartoe voert het ontwerp wijzigingen door in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: VLAREM II) (artikelen 1 tot 59), het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu’ (hierna: VLAREL) (artikelen 60 en 61) en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: Omgevingsvergunningsbesluit) (artikel 62).
4. Artikel 1 voorziet in een aanvulling van de definities, opgenomen onder artikel 1.1.2 van VLAREM II. Artikel 2 heft de afdeling 2.4.3, houdende de beleidstaken voor bodem en grondwater, op. De artikelen 3 tot 7 wijzigen diverse aspecten aangaande de algemene milieuvoorwaarden met betrekking tot de beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging. De artikelen 8 tot 15 brengen wijzigen aan in de regeling inzake de algemene milieuvoorwaarden met betrekking tot de beheersing van bodem- en grondwaterverontreiniging. De artikelen 16 tot 44 bevatten wijzigingen aan de sectorale milieuvoorwaardenkaders, van toepassing op respectievelijk de controle-inrichtingen bij inrichtingen met mengmest waarin ofwel meer dan 2.500 varkens, ofwel meer dan 1.500 grote zoogdieren andere dan varkens, ofwel meer dan 40.000 stuks pluimvee kunnen worden gehouden (artikel 16; rubriek 9), grondwaterwinningen (artikelen 17 tot 37; rubriek 53), het kunstmatig aanvullen van grondwater (artikelen 38 tot 42; rubriek 54) en boringen (artikelen 43 en 44; rubriek 55). Artikel 45 voorziet in de invoeging van een nieuw hoofdstuk 5.64 ‘Irrigatie voor landbouwdoeleinden’. Artikel 46 voegt een nieuw hoofdstuk 5.65 ‘Droogleggingsprojecten via regelbare constructies voor landbouwdoeleinden’ in. De artikelen 47 en 48 en 49 tot 55 hebben betrekking op de milieuvoorwaarden inzake de beheersing van oppervlaktewater-, respectievelijk bodem- en grondwaterverontreiniging, die gelden voor niet-ingedeelde inrichtingen. Artikel 56 van het ontwerp wijzigt de indelingslijst vervat in bijlage 1 bij VLAREM II. Artikel 57 vervangt bijlage 2bis ‘Watervoerende lagen – hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen (hcov-codering)’ bij VLAREM II. Artikel 58 vervangt bijlage 2ter ‘Kaart met de dieptecriteria voor rubriek 53.8’ bij VLAREM II. Artikel 59 voegt een nieuwe bijlage 2quater ‘Kaart met dieptecriteria voor rubriek 53.6’ bij VLAREM II in.
5. Het ontworpen artikel 6, 7°, a), van het VLAREL (artikel 60) voorziet in een aanvulling en verduidelijking van de disciplines waarin boorbedrijven slechts actief mogen zijn mits zij hiertoe zijn erkend. Artikel 61 brengt wijzigingen aan in artikel 53/6 van het VLAREL en legt een voorafgaandelijke meldingsplicht op van boorwerken of opvullingen, alsook een tienjaarlijkse controleplicht op vergunningsplichtige grondwaterwinningen, als gebruikseisen voor erkende boorbedrijven.
6. Het ontworpen artikel 53/1 van het Omgevingsvergunningsbesluit (artikel 62) legt, in afwijking van het algemene beginsel dat de omgevingsvergunning voor een onbepaalde duur wordt verleend,[1] beperkingen op aan de maximale looptijd van omgevingsvergunningen voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten zoals vermeld in de indelingsrubrieken 53.2 (maximaal vijf jaar), 53.4, 53.5, 53.8 en 53.12 (maximaal twintig jaar).
7. De artikelen 63 en 67 bepalen het temporele toepassingsgebied van de artikelen 16 en 56 van het ontwerp. Artikel 64 belast de bevoegde minister met de aanduiding van de in artikel 26 van het ontwerp bedoelde gebieden (ontworpen artikel 5.53.6.1/2.2, derde lid, van VLAREM II) binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding ervan. De artikelen 65 en 66 van het ontwerp bevatten een afwijkende regeling voor de inwerkingtreding van artikel 56, 10°, en de bepalingen “die de indelingslijst (…) en de daarmee samenhangende sectorale milieuvoorwaarden wijzigen”.
Rechtsgrond van het ontwerp
8. Voor het ontwerp wordt rechtsgrond gezocht in artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, de artikelen 6 en 9 van het decreet van 24 januari 1984 ‘houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer’,[2] de artikelen 3.5.1, 5.2.1, 5.4.1, 5.4.3, 5.4.6, 5.6.1 tot 5.6.7 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), de artikelen 1.2.1, 1.2.2, 1.7.2.1.1, en 2.2.1, § 5, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: Waterwetboek),[3] en de artikelen 24, 25, 26 en 68 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: Omgevingsvergunningsdecreet).
De gemachtigde bezorgde de hiernavolgende rechtsgrondentabel.
Artikel ontwerp
Wijzigt artikel
Rechtsgrond
1
Art. 1.1.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
2
Art. 2.4.3 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
3
Art. 4.2.1.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
4
Art. 4.2.1.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
5
Art. 4.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
6
Art. 4.2.6.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
7
Afdeling 4.2.9 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
8
Art. 4.3.1.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
9
Art. 4.3.1.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
10
Art. 4.3.1.3 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
11
Art. 4.3.2.1 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
12
Art. 4.3.2.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
13
Art. 4.3.2.3, § 1, VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
14
Art. 4.3.3.1 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
15
Afdeling 4.3.4 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
16
Art. 5.9.7.1, § 1, derde lid, VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.6.2, tweede en zesde lid, DABM en art. 9 DMG
17
Art. 5.53.1.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.6.2, tweede en zesde lid, DABM en art. 9 DMG
18
Art. 5.53.2.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
19
Art. 5.53.3.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1 en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
20
Art. 5.53.3.3 VLAREM II
Artt. 5.2.1, § 1, en 5.4.1 DABM en art. 9 DMG
21
Art. 5.53.4.1, § 1, VLAREM II
Artt. 5.2.1, § 1, en 5.4.1 DABM en art. 9 DMG
22
Art. 5.53.4.7 VLAREM II
Artt. 3.5.1, eerste lid, en 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
23
Art. 5.53.5.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
24
Art. 5.53.6 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, 5.4.6, 5.6.2, tweede en zesde lid, DABM, artt. 2.2.1, § 1, 2.2.1, § 1/1, 2.2.1, § 4, DIW, en art. 9 DMG
25
Onderafdeling 5.53.6.1/1 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM, artt. 2.2.1, § 1, 2.2.1, § 1/1, 2.2.1, § 4, DIW en art. 9 DMG
26
Onderafdeling 5.53.6.1/2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM, en art. 9 DMG
27
Art. 5.53.6.2.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
28
Art. 5.53.6.2.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
29
Art. 5.53.6.2.3 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM en art. 9 DMG
30
Art. 5.53.6.2.5 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM en art. 9 DMG
31
Art. 5.53.6.2.6 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
32
Art. 5.53.6.2.7 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM
33
Art. 5.53.6.2.9 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM, en art. 2.2.1, § 1/1, DIW
34
Art. 5.53.6.3.2/1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM, en art. 9 DMG
35
Art. 5.53.6.3.3 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
36
Onderafdeling 5.53.6.5 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6, DABM, en artt. 2.2.1, § 1, 2.2.1, § 1/1, en 2.2.1, § 4, DIW, en art. 9 DMG
37
Onderafdeling 5.53.6.6 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, 5.4.6 en 5.6.2, zesde lid, DABM en art. 9 DMG
38
Art. 5.54.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM
39
Art. 5.54.2 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM
40
Art. 5.54.3 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM
41
Art. 5.54.4 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM
42
Art. 5.54.5 VLAREM II
Artt. 5.4.1, eerste lid, en 5.4.6 DABM
43
Art. 5.55.1.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM, en art. 9 DMG
44
Art. 5.55.2.7 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM, en art. 9 DMG
45
Hoofdstuk 5.64 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM, en art. 9 DMG
46
Hoofdstuk 5.65 VLAREM II
Art. 5.4.1, eerste lid, DABM, en art. 9 DMG
47
Opschrift afdeling 6.2.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
48
Art. 6.2.2.1.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM, en art. 9 DMG
49
Art. 6.9.1.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM, en art. 9 DMG
50
Art. 6.9.1.1quater VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
51
Art. 6.9.1.3 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
52
Art. 6.9.1.4 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM, en art. 9 DMG
53
Opschrift afdeling 6.9.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
54
Art. 6.9.2.1 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
55
Art. 6.9.2.2 VLAREM II
Art. 5.4.1, tweede lid, DABM
56
Bijlage 1 bij VLAREM II
Art. 5.2.1, § 1, DABM, art. 24 Omgevingsvergunningsdecreet, en art. 9 DMG
57
Bijlage 2bis bij VLAREM II
-
58
Bijlage 2ter bij VLAREM II
Art. 5.2.1, § 1, DABM, en art. 9 DMG
59
Bijlage 2quater bij VLAREM II
Art. 5.2.1, § 1, DABM en art. 9 DMG
60
Art. 6, 7°, a), VLAREL
Art. 5.6.2, tweede en zesde lid, DABM
61
Art. 53/6 VLAREL
Art. 5.6.5, tweede lid, DABM, en art. 9 DMG
62
Art. 53/1 Omgevingsvergunningsbesluit
Art. 68, vierde lid, Omgevings-vergunningsdecreet
63
Overgangsbepaling
64
Delegatie
Zie rechtsgrond bij art. 26
65
Inwerkingtredingsbepaling
66
Inwerkingtredingsbepaling
67
Overgangsbepaling
68
Uitvoeringsbepaling
Hierbij worden volgende opmerkingen gemaakt.
9. Artikel 6 van het decreet van 24 januari 1984 ‘houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer’ machtigt de Vlaamse Regering om de wijze te bepalen waarop en de termijnen waarbinnen vergunningsaanvragen ter uitvoering van de besluiten die genomen zijn in uitvoering van dit decreet, en die erop gericht zijn het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan op of in de bodem van stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen te verbieden, reglementeren of aan een vergunning te onderwerpen, worden ingediend en behandeld.
Het is niet duidelijk welke bepaling(en) van het ontwerp rechtsgrond zou(den) vinden in deze machtiging, aangezien noch de indiening, noch het onderzoek of de behandeling van vergunningsaanvragen door het ontwerp worden geregeld. Artikel 6 van het decreet van 24 januari 1984 strekt het ontwerp niet tot rechtsgrond.
10. Artikel 9 van hetzelfde decreet machtigt de Vlaamse Regering om:
“1° aan een vergunning of melding onderwerpen en de voorwaarden opleggen voor het aanleggen, wijzigen, verbouwen en exploiteren van bestaande of nieuwe grondwaterwinningen, in het bijzonder de voorwaarden betreffende de bescherming en het behoud van de grondwaterlagen en van de openbare en private bovengrondse eigendommen. Hierbij worden in ieder geval de economische, landbouwkundige, ecologische en stabiliteitsaspecten in aanmerking genomen;
2° het gebruik reglementeren van grondwater, dat beschikbaar komt bij werken, inzonderheid bij het ontginnen van mijnen, groeven en graverijen;
3° bepalen dat het aanleggen, wijzigen of verbouwen van een constructie die gebruikt kan worden als grondwaterwinning enkel mag gebeuren door een daartoe erkende persoon ongeacht of dit gebeurt voor eigen rekening dan wel voor rekening van derden.
(…)
Zij kan tevens aan de erkende personen verplichtingen opleggen, met inbegrip van de verplichting tot aanleggen, bijhouden en jaarlijks indienen bij de bevoegde overheid van een register van de door hem aangelegde, gewijzigde en/of verbouwde constructies die gebruikt kunnen worden als grondwaterwinningen; zij kan de gegevens bepalen die voormeld register dient te bevatten.”
Deze bepaling vormt (mede) de rechtsgrond voor diverse artikelen van het ontwerp.
11. Verschillende van de in de rubriek ‘Rechtsgronden’ aangehaalde bepalingen van het DABM strekken het voorliggende ontwerp niet tot rechtsgrond.[4] Zo worden alle bepalingen van het hoofdstuk inzake erkenningen (artikelen 5.6.1 tot 5.6.7 van het DABM) als rechtsgrond aangevoerd voor de wijzigingen aan het VLAREL. In overeenstemming met de door de gemachtigde bezorgde rechtsgrondentabel kan worden vastgesteld dat artikel 60 van het ontwerp rechtsgrond ontleent aan artikel 5.6.2 van het DABM en dat artikel 61 van het ontwerp rechtsgrond vindt in artikel 5.6.5. De overige aangevoerde bepalingen van het hoofdstuk ‘Erkenningen’ strekken het ontwerp niet tot rechtsgrond.
Zo bevat artikel 5.6.1 DABM geen machtiging aan de Vlaamse Regering en strekken de overige bepalingen ertoe de Vlaamse Regering te machtigen om de procedure voor het aanvragen, verlenen of weigeren, en bekendmaken van erkenningen vast te stellen (artikelen 5.6.3 en 5.6.4 DABM), de erkenning te schorsen of op te heffen (artikel 5.6.6) en retributies vast te stellen (artikel 5.6.7 DABM).
12. In de bezorgde rechtsgrondentabel is geen rechtsgrond opgenomen voor artikel 57 van het ontwerp, dat bijlage 2bis bij VLAREM II, houdende de hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen (“hcov-codering”), vervangt. Het hoofddoel van deze hcov-codering bestaat eruit alle belanghebbenden een adequaat administratief hulpmiddel voor de karakterisering en identificatie van de verschillende hydrogeologische lagen ter beschikking te stellen.[5]
De in de rubriek ‘Rechtsgronden’ aangehaalde artikelen 1.2.1 en 1.2.2 van het Waterwetboek behelzen de algemene doelstellingen en beginselen die worden nagestreefd met het integraal waterbeleid. Artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met artikelen 1.2.1 en 1.2.2 van het Waterwetboek, strekt artikel 57 van het ontwerp tot rechtsgrond. In het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag voor grondwaterwinningen en de kunstmatige aanvulling van grondwater dient de hcov-code te worden vermeld, teneinde de vergunningverlenende overheid in staat te stellen een onderbouwde beslissing over de impact van het aangevraagde project op het grondwater te maken.[6] Voor zover deze toepassing (hcov-codering) niet onder voormelde rechtsgrond zou kunnen worden ondergebracht, kan zij minstens geacht worden rechtsgrond te vinden in artikel 18 van het Omgevingsvergunningsdecreet, luidens hetwelk de Vlaamse Regering de inhoud van de vergunningsaanvraag bepaalt.[7][8]
Die bepaling moet worden toegevoegd aan de rubriek “Rechtsgronden” van de aanhef.
13. De Vlaamse Regering stelt overeenkomstig artikel 1.7.2.1.1, § 1, van het Waterwetboek milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, grondwater en waterbodems vast door middel van milieukwaliteitsnormen of milieukwantiteitsdoelstellingen.
Niettegenstaande artikel 2 van het ontwerp voorziet in de opheffing van afdeling 2.4.3, die ressorteert onder het hoofdstuk houdende milieukwaliteitsnormen voor bodem en grondwater en beleidstaken ter zake, wordt door deze opheffing niet geraakt aan de milieukwaliteits- of milieukwantiteitsnormen zelf. Het ontwerp vindt dan ook evenmin rechtsgrond in artikel 1.7.2.1.1 van het Waterwetboek.
14. Onder de rubriek ‘Rechtsgronden’ wordt verwezen naar artikel 2.2.1, § 5, van het Waterwetboek, “ingevoegd bij het decreet van (diverse bepalingen waterregelgeving)”.
Gevraagd naar welk artikel van het ontwerp hierin rechtsgrond vindt, en wat de stand van zaken met betrekking tot de invoeging van deze paragraaf 5 is, antwoordde de gemachtigde:
“Uit nazicht is gebleken dat met het artikel 2.2.1, §5 DIW uit de rubriek rechtsgronden eigenlijk artikel 2.2.1, §1/1 DIW wordt bedoeld. Zie ook de rechtsgrondentabel onder vraag 1.1. Om die reden kan overwogen worden om de rubriek rechtsgronden aan te passen.”
In het licht daarvan dient de vermelding van paragraaf 5 te worden geschrapt.
15. Luidens artikel 24 van het Omgevingsvergunningsdecreet wijst de Vlaamse Regering de instanties aan die advies verlenen over een vergunningsaanvraag. Deze bepaling strekt (mede) artikel 56 van het ontwerp tot rechtsgrond.[9] De artikelen 25 en 26 van het Omgevingsvergunningsdecreet, die de Vlaamse Regering machtigen om de gevallen te bepalen waarin de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar, dan wel de provinciale of gewestelijke omgevingsvergunningscommissie om advies dienen te worden verzocht, respectievelijk om de adviestermijnen en de elementen die hierin opgenomen moeten zijn, vast te stellen, strekken het ontwerp niet tot rechtsgrond.
Vormvereisten
16.1.1. De vraag rijst of het voorliggend ontwerp niet moet worden beschouwd als een plan of programma in de zin van artikel 2, a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (hierna: SMB-richtlijn), waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die richtlijn een milieubeoordeling moet worden uitgevoerd voor zover het aanzienlijke milieueffecten kan hebben.[10] Volgens artikel 3, lid 2, a), van die richtlijn, geldt die verplichting voor alle plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot, onder meer, waterbeheer, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de projecten genoemd in de bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’.
16.1.2. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft “het begrip ‘plannen en programma’s’ betrekking (…) op iedere handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben”.[11] Het Hof voegt eraan toe dat het begrip “plannen en programma’s” ook betrekking kan hebben op normatieve handelingen die bij wet of besluit zijn vastgesteld.[12] In zijn arrest met nummer C-24/19 van 25 juni 2020, dat specifiek betrekking had op de kwalificatie van de sectorale milieuvoorwaarden van VLAREM II (en Omzendbrief EME/2006/01-RO/2006/02 van 12 mei 2006 ‘Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines’), bevestigde het Hof van Justitie dat een besluit van de Vlaamse Regering kan worden aangemerkt als een plan opgesteld of vastgesteld door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Bovendien verduidelijkte het Hof dat een maatregel moet worden beschouwd als “voorgeschreven”, zodra de bevoegdheid om de maatregel vast te stellen of te wijzigen haar rechtsgrondslag vindt in een specifieke bepaling, ook al bestaat er strikt genomen geen enkele verplichting om die maatregel te nemen.[13]
Het Grondwettelijk Hof gaat er niettemin van uit dat oordelen dat elke wetgeving en elke regelgeving die aanzienlijke effecten op het milieu kan hebben, overeenkomstig de SMB-richtlijn aan een milieubeoordeling zou moeten worden onderworpen, niet overeenstemt met het doel van de Europese wetgever, die beoogt “dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben overeenkomstig die richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen” (artikel 1 SMB-richtlijn).[14]
16.2. Overeenkomstig artikel 4.2.3, § 3bis, van het DABM, kan de administratie (lees: Team Omgevingseffecten van de Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (hierna: afdeling GOP)) een voorgenomen plan of programma dat aan de plan-MER-plicht onderworpen is, van deze verplichting ontheffen indien zij oordeelt dat (a) het voorgenomen plan of programma een uitwerking, wijziging, herziening of voortzetting inhoudt van een plan of programma, waarvoor reeds eerder een plan-MER werd goedgekeurd, en een nieuw plan-MER redelijkerwijze geen nieuwe of extra gegevens betreffende aanzienlijke milieueffecten kan bevatten, of (b) indien in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu gemaakt werd, die voldoet aan de essentiële kenmerken van een plan-MER.
Uit de MER-ontheffingsbeslissing(-en)[15] blijkt dat te dezen geen plan-MER werd opgesteld omdat de afdeling GOP oordeelde dat “de rapportages, studies en beoordeling die gebruikt werden om te komen tot voorliggend besluit een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie bevatten van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu en dat ze voldoen aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4 § 2 van het DABM”.
Aldus blijkt toepassing te zijn gemaakt van artikel 4.2.3, § 3bis, b), van het DABM. De rechtmatigheid van deze toepassing zal evenwel afhankelijk zijn van het antwoord op de vraag of geen passende beoordeling in de zin van artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: Natuurdecreet) diende te worden opgemaakt (zie sub 17.1 tot 17.5).[16]
17.1. De ontworpen regeling geldt voor bemalingen, drainages en grondwaterwinningen in het ganse Vlaamse Gewest, waartoe ook speciale beschermingszones behoren. In de MER-ontheffingsbeslissing wordt overwogen dat “[u]it navraag bij ANB blijkt dat een passende beoordeling op het strategisch niveau van het plan niet noodzakelijk is. Een passende beoordeling kan wel op individueel vergunningsniveau spelen. Het plan doet geen afbreuk aan de eventuele noodzaak tot het opstellen van een passende beoordeling op projectniveau.”[17]
Gevraagd om toe te lichten om welke redenen werd besloten dat geen passende beoordeling diende te worden opgemaakt, gelet op artikel 36ter van het Natuurdecreet, antwoordde de gemachtigde:
“In het kader van het verzoek en de beslissing tot plan-MER-ontheffing voor het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering werd beoordeeld of een passende beoordeling noodzakelijk is, overeenkomstig artikel 4.2.3, § 3bis DABM juncto artikel 4.2.1, tweede lid DABM. Gelet op de expertise van ANB ter zake en hun conclusie dat geen betekenisvolle aantasting te verwachten is, werd de opmaak van een passende beoordeling niet nodig geacht. ANB formuleerde het als volgt ‘(…) Evident kan de plicht tot het opmaken van een passende beoordeling wel spelen op individueel vergunningsniveau. Akkoord dus met jullie voorstel om te verwijzen naar het onderzoek naar mogelijke betekenisvolle impact op SBZ gebieden ikv de concrete passende beoordelingen tijdens de specifieke vergunningsprocedures.
Een bijkomend element waarom we akkoord kunnen gaan met deze zienswijze, is omdat er in hoofdzaak een verstrenging van vergunningen en dergelijke plaatsvindt middels deze wetswijziging, en er bijgevolg geen betekenisvolle aantasting verwacht wordt.’”
17.2. Artikel 6 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna: Habitatrichtlijn) schrijft een geheel van verplichtingen en specifieke procedures voor die, zoals blijkt uit artikel 2, lid 2, van deze richtlijn, tot doel hebben de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of in voorkomend geval te herstellen met het oog op de verwezenlijking van het algemenere doel van die richtlijn, te weten het waarborgen van een hoog niveau van milieubescherming in de op grond van diezelfde richtlijn beschermde gebieden.[18]
Artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn voorziet in een beoordelingsprocedure, die ertoe strekt om middels een voorafgaande controle te waarborgen dat voor een plan of een project dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van het betrokken gebied, maar dat voor dat gebied significante gevolgen kan hebben, alleen toestemming wordt verleend voor zodat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.[19]
Artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn maakt een onderscheid tussen twee fasen in de beoordelingsprocedure waarin het voorziet. In de eerste fase dienen de lidstaten een passende beoordeling te maken van de gevolgen van een plan of project voor een beschermd gebied, wanneer dit plan of project waarschijnlijk significante gevolgen heeft voor dat gebied. In de tweede fase, die volgt op de bovengenoemde passende beoordeling, mag voor het plan of project slechts toestemming worden verleend, indien het de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet aantast, onder voorbehoud van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn.[20]
Voorts brengt een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor een beschermd gebied mee dat alle aspecten van dit plan of project die op zichzelf of samen met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied in gevaar kunnen brengen, voordat goedkeuring wordt verleend voor dat plan of project, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake moeten worden geïnventariseerd. De bevoegde nationale instanties geven slechts instemming voor een activiteit in het betreffende gebied wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat deze activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van dat gebied. Dat is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer over bestaat dat dergelijke gevolgen uitblijven.[21]
17.3. Blijkens de aangehaalde toelichting van de gemachtigde werd het om advies voorgelegde ontwerp om twee redenen niet passend beoordeeld, namelijk omdat een passende beoordeling kan worden opgemaakt op het niveau van de individuele vergunningverlening en omdat “in hoofdzaak” een verstrenging plaatsvindt.
Deze argumentatie is niet sluitend.
17.3.1. Het Europees Hof van Justitie heeft, aangaande de milieueffectrapportageplicht, meermaals bevestigd dat de beoordeling van milieueffecten zo vroeg mogelijk in het besluitvormingsproces moet plaatsvinden, om rekening te houden met de effecten van alle technische plannings- en beslissingsprocessen om het ontstaan van verontreiniging of hinder van meet af aan te vermijden, in plaats van later de gevolgen ervan te bestrijden.[22] Daarmee geeft het Hof invulling aan het beginsel van preventief handelen en het voorzorgsbeginsel, die ook vervat liggen in artikel 191, lid 2, van het Verdrag ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: VWEU).[23]
Ook met betrekking tot de passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn heeft het Hof een strenge toetsingsmaatstaf vastgesteld in het licht van het voorzorgsbeginsel. De passende beoordeling dient volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies te bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de effecten van de geplande werkzaamheden op het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen.[24] Anders is het niet mogelijk toestemming te geven voor een plan of project in de zin van artikel 6, lid 3, en is toestemming volgens artikel 6, lid 4, hoogstens mogelijk om dwingende redenen van groot openbaar belang.
Deze norm, schrijft Advocaat-Generaal Kokott in haar conclusie in de zaak Craeynest e.a., heeft hetzelfde effect als een vermoeden dat een plan of project een beschermingszone zal aantasten en derhalve in beginsel niet dient te worden uitgevoerd. Dat vermoeden kan alleen worden weerlegd wanneer elke redelijke wetenschappelijke twijfel wordt weggenomen.[25]
Het integraal doorschuiven van de verplichting om een passende beoordeling op te maken naar het individuele vergunningsniveau staat aldus op gespannen voet met deze beginselen. Bovendien komt dit de rechtszekerheid niet ten goede.
17.3.2. Daarnaast zou er geen sprake zijn van een betekenisvolle aantasting in de zin van artikel 36ter, § 3, van het Natuurdecreet, omdat er “in hoofdzaak een verstrenging van vergunningen en dergelijke” voorligt.
Zoals uiteengezet sub 22.2, voorziet het ontwerp onder meer in de opheffing van bestaande afstandsregels, waardoor de indirecte lozing van bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater nabij oppervlaktewateren kan gebeuren. Het ontwerp sluit niet uit dat deze oppervlaktewateren gelegen kunnen zijn in de nabijheid, of zelfs binnen de contouren, van een speciale beschermingszone. Bovendien moet, door de wijzigingen aan de bemalingscascade (sub 22.3) bemalingswater dat opnieuw in het grondwater wordt geloosd, niet langer voldoen aan de grondwaterkwaliteitsnormen inzake onder andere zuurtegraad (pH), aluminium[26] en sulfaat[27].[28]
17.4. Tenzij op een voldoende volledige, precieze en definitieve wijze kan worden aangetoond dat er geen enkele redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat het ontworpen besluit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient alsnog een passende beoordeling te worden opgemaakt. De toelichting van de gemachtigde noch enig ander element dat aan de afdeling Wetgeving werd bezorgd, blijken te volstaan om elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van dergelijke lozingen voor speciale beschermingszones weg te nemen.
17.5. Uit wat voorafgaat (sub 17) volgt dat de toepassing van artikel 4.2.3, § 3bis, b), van het DABM niet kan worden aangenomen.
18.1. Onder de rubriek ‘Vormvereisten’ van de aanhef wordt melding gemaakt van het advies van de Inspectie van Financiën van 27 juni 2022. In dit gunstig advies merkte de Inspectie van Financiën op dat twee aspecten onderbelicht lijken te zijn, namelijk de sancties bij niet-naleving en het minimaal noodzakelijk contingent ambtenaren om sluitend toezicht op de uitvoering van de ontworpen regelgeving te garanderen.
Overeenkomstig artikel 16.1.1, eerste lid, 1°, 12°, 13°, 17°bis en 19°ter, van het DABM, zijn de bepalingen van titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’ van toepassing op de door het ontwerp gewijzigde bepalingen. Voor zover de Inspectie van Financiën stelt dat vragen rijzen omtrent het noodzakelijk contingent ambtenaren om sluitend toezicht te kunnen garanderen, dient erop te worden gewezen dat met het Kaderdecreet van 14 juli 2023 ‘over de handhaving van Vlaamse regelgeving’ (aan te halen als “Kaderdecreet Vlaamse Handhaving”,[29] een nieuw algemeen kader vastgesteld werd voor de handhaving van Vlaamse regelgeving.
Dit decreet voorziet in een aantal fundamentele wijzigingen in vergelijking met de bestaande toezichts- en handhavingsregeling van titel XVI van het DABM. Zo worden de toezichthouders, die conform artikel 16.4.1 van het DABM thans hun toezichtrechten enkel kunnen uitoefenen in kader van toezicht en de fase van de bestuurlijke handhaving, maar geen opsporings‑ en onderzoeksdaden kunnen stellen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek,[30] door het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving verregaande bevoegdheden toegewezen die zij ook behouden in het kader van het (strafrechtelijk) opsporingsonderzoek.[31]
Het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving is niet uit zichzelf van toepassing op de Vlaamse regelgeving. Artikel 3 KVH vereist dat een afzonderlijk decreet het kaderdecreet van toepassing verklaart op de Vlaamse regelgeving die in dat decreet wordt aangewezen. Voor wat onder meer het DABM betreft, maakt de vantoepassingverklaring van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving het voorwerp uit van het voorontwerp van decreet ‘tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van [datum]’, waarover de afdeling Wetgeving van de Raad van State op 13 november 2023 advies 73.747/1 heeft gegeven. Het voorontwerp van decreet werd op datum van onderhavig advies nog niet in het Vlaams Parlement ingediend.
18.2. De Inspectie van Financiën moet haar advies geven in het licht van de begrotingstoestand van het ogenblik. Opdat dit advies relevant zou zijn, moet de tijd die verstrijkt tussen het advies enerzijds, en de beslissing anderzijds, in principe kort zijn. Een advies van de Inspectie van Financiën kan moeilijk in aanmerking worden genomen als uitgangspunt voor een veel later genomen beslissing, als de budgettaire omstandigheden waarvan is uitgegaan door de Inspectie van Financiën gewijzigd kunnen zijn.
Hierop gewezen, heeft de gemachtigde verklaard:
“Gelet op intrinsiek beperkte budgettaire impact die dit besluit heeft op de begroting van de Vlaamse Regering en aangezien dit ook na de wijzigingen naar aanleiding van de publieke consultatie zo blijft, is het advies nog actueel.”
18.3. De vraag rijst of de feitelijke en juridische omstandigheden waarop de Inspectie van Financiën zich heeft gebaseerd bij het afleveren van haar advies, niet zodanig zijn gewijzigd dat de eerdere raadpleging als niet meer ter zake dienend of niet langer als voldoende actueel kan worden aangemerkt, zodat een nieuw advies zou moeten worden ingewonnen.
18.3.1. Niettegenstaande het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving nog geen toepassing vindt op de aangelegenheden die geregeld worden in het DABM en het implementatiedecreet dat hiertoe zal strekken nog niet is ingediend in het parlement, lijkt de wijziging in de juridische context voldoende vaststaand te zijn gelet op het feit dat het Kaderdecreet Vlaamse handhaving zelf reeds is bekrachtigd en bekendgemaakt en de beleidsintentie om dit decreet toe te passen binnen het sectoraal milieurecht afdoende blijkt.
18.3.2. Bovendien moet op dat punt worden gewezen op het advies van de IF en het begrotingsakkoord in het kader van het hoger vermelde voorontwerp van decreet ‘tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van [datum]’.
In het advies met nummer TM/2022005497 van 23 december 2022 over dit voorontwerp, adviseerde de Inspectie van Financiën deels gunstig, deels ongunstig. Meer bepaald werd gunstig advies verleend wat betreft de wettelijkheid en regelmatigheid, en ongunstig advies verleend voor “wat betreft de budgettaire inpasbaarheid en personeelsinzet. Minstens moet de nota VR duidelijkheid scheppen inzake de impact”. Op 13 maart 2023 verleende de minister van Begroting zijn akkoord, “op voorwaarde dat de budgettaire impact wordt opgevangen binnen de beschikbare refertekredieten en niet kan leiden tot een meervraag”.
18.4. Gelet op de wijziging in de juridische context, valt niet uit te sluiten dat ook de budgettaire context niet meer dezelfde is als op het ogenblik waarop de Inspectie van Financiën haar advies heeft afgeleverd. In principe dient te worden gesteund op een actueel advies, zodat een nieuw advies moet worden gevraagd.
19. Het ontwerp bevat (verwijzingen naar) technische voorschriften in de zin van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 ‘betreffende de informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij’.
19.1. Gevraagd of deze technische voorschriften overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die richtlijn werden meegedeeld aan de Europese Commissie, antwoordde de gemachtigde:
“In het ontwerpbesluit worden geen codes van goede praktijk, noch compendia inhoudelijk vastgesteld.
Wat de verwijzing in het ontwerpbesluit naar de compendia betreft, gaat het specifiek om de compendiummethode WAC/I/A/007. Deze methode is opgenomen in een nieuwe versie van het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water (ministerieel ontwerpbesluit) dat momenteel een goedkeuringstraject doorloopt. Het compendium is op 14 juli 2023 meegedeeld aan de Europese Commissie conform richtlijn 2015/1535 (kennisgeving 2023/449/B).
Art. 18, 23 en 39 bepalen dat de peilbuis/grondwaterwinning/peilputten worden geplaatst/buiten dienst gesteld/aangelegd cf. de voorschriften in de code van goede praktijk, vastgesteld in bijlage 5.53.1 van titel II van VLAREM. Deze bijlage wordt niet gewijzigd bij dit besluit. De wijziging heeft tevens niet tot gevolg dat de bijlage voortaan pas toegepast moet worden, de toepassing is reeds verplicht. De bijlage 5.53.1 werd al toegevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008. Voor zover moet worden aangenomen dat deze bijlage alsnog onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2015/1535 valt, zal het nodige gedaan moeten worden in een afzonderlijk BVR.
Art. 20 van het wijzigingsbesluit bepaalt dat het plaatsen, de periodieke controle en het onderhoud van de meters dient te gebeuren volgens een code van goede praktijk. Het verslag aan de Vlaamse Regering duidt dat het gaat om de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater (VITO, 2019). Deze code van goede praktijk is voor zover wij kunnen beoordelen nooit meegedeeld aan de Commissie. Dit kan strikt genomen evenwel ook een andere ‘code van goede praktijk’ inhouden, vermits art. 1.1.2 van titel II van het VLAREM het begrip code van goede praktijk definieert als volgt:
- ‘code van goede praktijk’: geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de bouw, het transport, het plaatsen, het uitbaten, het onderhouden en het eventueel ontmantelen van een inrichting of een onderdeel ervan, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.
Worden in elk geval beschouwd als code van goede praktijk
1. de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten,
2. de Belgische normen,
3. de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (C.E.N.),
4. de normen uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO),
5. de normen uitgegeven door de International Organisation for Standardisation (I.S.O.),
6. de regels uitgegeven door de erkende controle-instellingen of de milieudeskundigen, erkend in de toepasselijke disciplines,
7. de regels uitgegeven door de constructeurs of verdelers van installaties of onderdelen ervan;
in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend;
Art. 50 van het wijzigingsbesluit bepaalt dat de meetinrichting wordt geplaatst volgens een code van goede praktijk. Het gaat hier, net zoals bij artikel 20, om de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater (VITO, 2019). Een analoge redenering als hierboven kan gevolgd worden.
Art. 24 en 52 van het wijzigingsbesluit bepalen dat een bemaling dient te worden gedimensioneerd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk cf. bovenstaande definitie. Vermits er geen specifieke code verplicht wordt gesteld, is het niet mogelijk om een mededeling te doen aan de Commissie. De opzet is om overeenkomstig de definitie van code van goede praktijk een bepaalde kwaliteit op algemene wijze te waarborgen.
Art. 37, §4 van het wijzigingsbesluit bepaalt dat de conformiteit met de code van goede praktijk van de staat van de winningsputten, de peilputten en de debietmeters wordt gecontroleerd. Het gaat om de voormelde codes van goede praktijk.”
19.2. Artikel 1, lid 1, f), van richtlijn (EU) 2015/1535 definieert technische voorschriften als “een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 7, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden”.
Als ‘de facto technische voorschriften’ worden onder meer aangemerkt, de “wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die hetzij verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, hetzij naar beroepscodes of codes voor goede praktijken die zelf verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten waarvan de naleving een vermoeden geeft met de voorschriften bij deze wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld, in overeenstemming te zijn” (artikel 1, lid 1, f), tweede alinea, i), van richtlijn (EU) 2015/1535).
Bijgevolg moet de ontworpen regeling worden beschouwd als een de facto technisch voorschrift in de zin van richtlijn (EU) 2015/1535, en dient deze overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn onverwijld te worden aangemeld bij de Europese Commissie. Wat betreft bijlage 5.53.1 bij VLAREM II, mag daarbij niet uit het oog worden verloren dat de verplichtingen van richtlijn (EU) 2015/1535 in beginsel ook gelden voor bepalingen die niets meer doen dan het hernemen van reeds bestaande bepalingen, aangezien dergelijke herneming te beschouwen valt als een nieuwe wilsuiting van de regelgever.[32]
20. Gevraagd of met betrekking tot de ontworpen regeling overleg met de overige gewestregeringen is gepleegd zoals artikel 6, § 2, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorschrijft wat betreft “de waterlagen die zich over meer dan één gewest uitstrekken”, antwoordde de gemachtigde:
“Gelet op de aard van de wijzigingen en daarenboven een grondwaterstroming die overwegend vanuit de andere gewesten richting Vlaanderen plaatsvindt, is er slechts een verwaarloosbare impact op de gewestoverschrijdende watervoerende lagen te verwachten.
Daarom werd er geen overleg georganiseerd met de andere gewesten.”
In zoverre de ontworpen regeling betrekking heeft op grondwaterlagen die zich over het grondgebied van meer dan één gewest uitstrekken, dient te worden voldaan aan de overlegverplichting, bedoeld in artikel 6, § 2, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het gegeven dat deze impact niet aanzienlijk zou zijn, doet aan deze conclusie geen afbreuk.
21. Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het vervullen van de voornoemde vormvereisten nog wijzigingen zou ondergaan,[33] moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
Algemene opmerkingen
22.1. Het om advies voorgelegde ontwerp voorziet in diverse versoepelingen van het bestaande beschermingsniveau.
22.2. Meerdere bepalingen van het ontwerp[34] voorzien in het opheffen of versoepelen van afstandsregels.
22.2.1. Zo moet de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater overeenkomstig het vigerende artikel 4.3.2.1, 3°, b), van VLAREM II plaatsvinden via een
besterfput op een afstand van minstens 75 meter van oppervlaktewater (1°), 75 meter van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater (2°), 200 meter van een grondwaterwinning (3°) en 200 meter van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater (4°).
Artikel 11, 2°, van het ontwerp voorziet dat een dergelijke indirecte lozing in beginsel via een infiltratievoorziening zal gebeuren, en voorziet als enige afstandsregel dat deze zich moet bevinden op een afstand van ten minste 100 meter van een freatische grondwaterwinning.[35]
22.2.2. De indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater moet overeenkomstig de vigerende artikelen 4.3.3.1, 3°, b),[36] en 6.9.2.2, 3°, b),[37] van VLAREM II plaatsvinden via een besterfput op een afstand van minstens 50 meter van oppervlaktewater (1°), 50 meter van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater (2°), 100 meter van elke grondwaterwinning (3°) en 100 meter van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater (4°).
Artikel 14, 3°, van het ontwerp voorziet dat een dergelijke indirecte lozing in beginsel via een infiltratievoorziening zal gebeuren, en voorziet als enige afstandsregel dat deze zich moet bevinden op een afstand van ten minste 100 meter van een freatische grondwaterwinning. Artikel 55, 3°, van het ontwerp heft voor wat betreft de niet-ingedeelde inrichtingen de bestaande afstandsregels op zonder de afstandsregel ten overstaan van de freatische grondwaterwinningen te hernemen.
22.3.1. Het bestaande artikel 5.53.6.1.1, § 2, van VLAREM II bevat de zogeheten “bemalingscascade”.[38] Overeenkomstig dit beginsel wordt het onttrokken bemalingswater in afnemende graad van prioriteit: (i) in volume beperkt, (ii) opnieuw in het grondwater gebracht, (iii) nuttig gebruikt, (iv) geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, of (v) geloosd in de openbare riolering.
Diverse artikelen van het ontwerp voeren wijzigingen door met betrekking tot deze bemalingscascade.[39]
22.3.2. Bemalingswater dat opnieuw in het grondwater wordt gebracht, moet door de ontworpen wijzigingen niet langer voldoen aan de grondwaterkwaliteitsnormen voor fysisch‑chemische parameters vermeld in bijlage 2.4.1 bij VLAREM II, maar enkel nog aan de parameters voor ongewenste stoffen en toxische stoffen.[40]
In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt die versoepeling als volgt verantwoord:
“In het tweede en derde lid [van het ontworpen artikel 5.53.6.1.3] wordt het kwaliteitskader hernomen voor bemalingswater dat terug in de grond wordt gebracht met een aanpassing voor de milieukwaliteitsnormen grondwater. Enkel de milieukwaliteitsnormen voor ongewenste en toxische stoffen worden meegenomen. Gelet dat het bemalingswater reeds lokaal aanwezig grondwater is, zal deze versoepeling geen onaanvaardbare effecten genereren maar wel het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater faciliteren.”
22.4. Het ontworpen artikel 5.54.4, § 2, van VLAREM II (artikel 41 van het ontwerp) bevat een aantal parameters die moeten worden bemonsterd voor het kunstmatig aanvullen van het grondwater. In het bestaande artikel 5.54.4 wordt verwezen naar de milieukwaliteitsnormen van artikel 2.4.1.1 van VLAREM II (dat op zijn beurt verwijst naar de waarden vermeld in bijlage 2.4.1 bij VLAREM II). Diverse van de in bijlage 2.4.1 vernoemde parameters worden in het ontworpen artikel 5.54.4, § 2, van VLAREM II, niet langer weerhouden (bijvoorbeeld aluminium, barium en boor).
Bevraagd waarom verschillende parameters, waarvoor thans richtwaarden gelden, niet langer moeten worden bemonsterd, antwoordde de gemachtigde:
“De te analyseren stoffen zijn diegene die ook bij grotere ‘klassieke’ grondwaterwinningen moeten geanalyseerd worden (art. 5.53.4.5 van titel II van VLAREM) gecombineerd met de stoffen opgenomen in het standaardanalysepakket grondwater (SAP) zoals beschreven in bijlage 3 van de standaardprocedure voor een oriënterend bodemonderzoek (OVAM, 01/04/2023). Door gebruik te maken van het SAP van OVAM worden al de stoffen die relevant worden geacht om te onderzoeken n.a.v. antropogene verontreiniging meegenomen. Op basis van sitespecifieke kenmerken kan de analyseverplichting voor extra stoffen in bijzondere milieuvoorwaarden opgenomen worden.”
23.1. De voormelde wijzigingen moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, waarin het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu wordt gewaarborgd, zoals uitgewerkt in artikel 1.2.1, § 2, van het DABM.
Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet bevat, met betrekking tot het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording.[41] De opname van het standstill-beginsel in artikel 1.2.1, § 2, van het DABM verleent er in die context een specifieke juridische waarde aan.[42]
De voormelde standstill-verplichting kan echter niet zo worden begrepen dat ze de bevoegde overheid zou verbieden wijzigingen aan te brengen aan de indelingslijst. Zij verbiedt enkel maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van het bij artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde recht, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Zij ontzegt de bevoegde overheid evenwel niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze kan worden gewaarborgd.[43]
23.2.1. In arrest nr. 244.351 van 2 mei 2019 liet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State artikel 5.9.5.3, § 5, van VLAREM II, zoals gewijzigd door artikel 99 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming ter doorvoering van technische actualisering’ buiten toepassing op grond van artikel 159 van de Grondwet, omwille van het feit dat nergens uit bleek dat de hierin opgenomen versoepeling van de afstandsregels voor pluimveehouderijen (van 500 meter naar 250 meter) getoetst was aan “de luidens artikel 1.2.1, § 2, DABM te eerbiedigen standstill-werking van het te voeren milieubeleid en bijgevolg de Vlaamse regering vanuit dat oogpunt met voldoende kennis van zaken een oordeel heeft gevormd voor het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan”.[44]
In arrest nr. 249.746 van 8 februari 2021, liet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State artikel 5.32.10.1, § 3, van VLAREM II, zoals toegevoegd door artikel 217 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ buiten toepassing op grond van artikel 159 van de Grondwet, omwille van het feit dat nergens uit bleek dat die nieuwe regel van de principiële niet-toepasselijkheid van de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5 van VLAREM II, voor omlopen voor motorvoertuigen getoetst was aan “de luidens artikel 1.2.1, § 2, DABM te eerbiedigen standstill-werking van het te voeren milieubeleid en bijgevolg de Vlaamse regering vanuit dat oogpunt met voldoende kennis van zaken een oordeel heeft gevormd voor het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan”.[45]
23.2.2. De gemachtigde lichtte de versoepelingen van de afstandsregels vanuit het oogpunt van het standstill-beginsel als volgt toe:
“De motivatie hiervoor is terug te vinden in het Verslag aan de Vlaamse Regering, onder punt 2, artikel 11: ‘De minimale afstand tot een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater uit punt 3°, b) 1° en 2° wordt geschrapt. Voor water dat voldoet aan de kwaliteitsvereisten van art. 4.3.2.1 4° kan water ter plaatse houden door het te infiltreren de voorkeur genieten boven het verplicht afvoeren naar een oppervlaktewater of RWA. De minimale afstand tot een grondwaterwinning uit punt 3°, b), 3° wordt beperkt tot de freatische grondwaterwinningen op max. 100m. De indirecte lozing vindt immers altijd plaats in de onverzadigde zone, en is bijgevolg enkel relevant voor freatische grondwaterwinningen. De minimale afstand tot een bronwater, thermaal water of mineraal water (punt 3, b), 4° van het artikel) wordt geschrapt aangezien dit ondervangen is door de generiekere minimale afstand tot een grondwaterwinning.’
Voor wat betreft het schrappen van de minimale afstand tot een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater uit punt 3°, b) 1° en 2°: artikel 4.3.2.1, 4° legt de kwaliteitseisen vast waaraan het geloosde afvalwater moet voldoen. Deze kwaliteitseisen zijn gelijk aan de kwaliteitseisen voor vb. het terug in het grond brengen van bemalingswater, en het kunstmatig aanvullen van grondwater. Het schrappen van de afstandsregels bevordert het lokaal vasthouden van water, in plaats van het af te voeren naar oppervlaktewater.
Voor wat betreft de afstandsregel tot een grondwaterwinning, die nu wordt omschreven als een “freatische grondwaterwinning”: zie vraag 1.2.1.1. Een indirecte lozing zal altijd plaatsvinden in de onverzadigde zone, en is bijgevolg enkel relevant voor freatische grondwaterwinningen.”
23.2.3. De verantwoording voor het afschaffen van de afstandsregels komt erop neer dat deze verantwoord is door de kwaliteitseisen waaraan het geloosde afvalwater moet voldoen, overeenkomstig het ontworpen artikel 4.3.2.1, 4°, van VLAREM II.
Nog afgezien van de vaststelling dat ook de kwaliteitseisen worden versoepeld en reeds daarvoor een verantwoording moet kunnen worden geboden,[46] neemt het loutere gegeven dat kwaliteitseisen dienen te worden nageleefd niet weg dat het afschaffen van de afstandsregels op het eerste gezicht wel degelijk de vraag legitimeert of de standstill-werking van artikel 1.2.1, § 2, DABM geëerbiedigd wordt.
23.3. In het licht van artikel 1.2.1, § 2, DABM verdient het aanbeveling een verantwoording in het verslag aan de Vlaamse Regering op te nemen, waaruit duidelijk blijkt dat de ontworpen wijzigingen het standstill-beginsel bij het bepalen van het decretaal opgedragen milieubeleid eerbiedigt. Die verantwoording zal uiteraard een coherent geheel moeten vormen met de gebeurlijke verantwoording van het gebrek aan passende beoordeling, dan wel met de resultaten ervan (sub 17.4).
24.1. De ontworpen regeling voorziet dat diverse verplichtingen moeten worden nageleefd conform de voorschriften in een code van goede praktijk.
Zo verwijzen artikelen 18, 23 en 39 van het ontwerp naar de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij VLAREM II. Ook de artikelen 20, 24, 37, 50 en 52 van het ontwerp verwijzen naar “een code van goede praktijk”. In het geval van de artikelen 20 en 50 wordt blijkens de toelichting van de gemachtigde gedoeld op de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van debietmeters voor grondwater.[47] Staalnames van het geloosde bemalingswater in het kader van de technische controle op de lozing van afvalwater moeten gebeuren op de wijze zoals vastgelegd in het wateranalysecompendium monstername van bemalingswater (artikel 6 van het ontwerp).[48]
Wat de algemene verwijzingen naar “een code van goede praktijk” in de artikelen 20, 24, 37, 50 en 52 van het ontwerp betreft, is niet voorzien in een bekrachtiging ervan door de minister of door de Vlaamse Regering.
24.2. Het verlenen van verordenende bevoegdheid aan een openbare instelling en aan particulieren, zoals de entiteiten opgesomd in artikel 1.1.2, vijfde streepje, tweede lid, punten 1 tot 7, van VLAREM II,[49] is in beginsel niet in overeenstemming met de algemene publiekrechtelijke beginselen omdat erdoor geraakt wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht en een rechtstreekse parlementaire controle ontbreekt. Bovendien ontbreken de waarborgen waarmee de klassieke regelgeving gepaard gaat, zoals die inzake de bekendmaking, de preventieve controle van de Raad van State, afdeling Wetgeving, en de duidelijke plaats in de hiërarchie der normen. Dergelijke delegaties kunnen dan ook enkel worden gebillijkt voor zover zij zeer beperkt zijn en een niet-beleidsmatig karakter hebben, door hun detailmatige of hoofdzakelijk technische draagwijdte. De instellingen die de betrokken reglementering dienen toe te passen moeten hierbij zowel aan rechterlijke controle als aan politieke controle onderworpen zijn.[50]
Hoewel de codes van goede praktijken die in het ontwerp worden geviseerd een hoofdzakelijk technische draagwijdte hebben, rijst de vraag of deze kunnen worden beschouwd als uitvoeringsmaatregelen die van bijkomstige of detailmatige aard zijn, gelet op de mogelijke sanctioneerbaarheid van inbreuken daarop.
Ter wille van de rechtszekerheid en teneinde de ontworpen regeling in overeenstemming te brengen met de beginselen inzake de delegatie van verordenende bevoegdheid, verdient het aanbeveling minstens te voorzien in een bekrachtiging van de codes van goede praktijk door de minister[51] of in een bekrachtiging door de Vlaamse Regering wanneer de codes van goede praktijk zich niet beperken tot bijkomstige, detailmatige aangelegenheden.
25. Bij artikel 44 van het ontwerp wordt een delegatie verleend aan de Vlaamse Milieumaatschappij om de toegelaten antivriesmiddelen vast te stellen.[52] Een lijst ervan wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Gevraagd op basis van welke criteria de Vlaamse Milieumaatschappij de lijst van toegelaten antivriesmiddelen zal vaststellen, antwoordde de gemachtigde:
“Een beoordeling op het niveau van de Vlaamse Regering lijkt niet passend. VMM bezit gelet op de zeer technische materie de expertise om de beoordeling te doen over de geschiktheid van de toegelaten koelmiddelen en kan hierdoor ook sneller inspelen op technische evoluties van de markt (bv. nieuwe producten). De beoordeling zal rekening houden met het voorkomen van risico naar verontreiniging van het grondwater bij een eventueel lekken van het antivriesmiddel.”
Gelet op de hierboven geschetste beginselen inzake de delegatie van verordenende bevoegdheid aan openbare instellingen, dient de ontworpen regeling te worden aangevuld met de elementen waarmee de Vlaamse Milieumaatschappij rekening moet houden bij het opstellen van de lijst van toegelaten antivriesmiddelen.[53]
26.1. Overeenkomstig het ontworpen artikel 5.53.3.3, § 4, van VLAREM II (artikel 20 van het ontwerp) staan op elke meter de noodzakelijke aanduidingen permanent leesbaar “volgens de voorschriften van de regelgeving in kwestie”. Het ontworpen artikel 6.9.1.1quater, §§ 5 en 6, van VLAREM II (artikel 50 van het ontwerp), bepaalt dat op elke meter de noodzakelijke aanduidingen permanent leesbaar “volgens de voorschriften in de regelgeving in kwestie” worden aangebracht, en elke meter wordt herijkt “met een periodiciteit en volgens de voorschriften in de wetgeving in kwestie”.
De gemachtigde verduidelijkte dat het regelgevend/wetgevend kader zoals bedoeld in deze bepalingen, bestaat uit de regelgeving die is opgenomen onder punt 2.4 van de Code van goede praktijken ‘voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater’ van 1 oktober 2019. Meer bepaald gaat het om richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 ‘betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten’,[54] het koninklijk besluit van 25 maart 2016 ‘betreffende de opvolging in bedrijf van de koudwatermeters’ en het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’, dat de bepalingen van richtlijn 2014/32/EU in de interne rechtsorde heeft omgezet.[55]
26.2. Ter wille van de rechtszekerheid verdient het de voorkeur om niet te verwijzen naar een algemeen geheel van regels, maar om naar de specifieke regelgeving te verwijzen.
Dit geldt des te meer gelet op de strafrechtelijke implicaties van deze verwijzing. Overeenkomstig artikel 16.1.1, eerste lid, 1° en 12°, DABM vinden de bepalingen van titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’ van het DABM ook toepassing op de uitvoeringsbesluiten van het DABM en het decreet van 24 januari 1984 ‘houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer’. De artikelen 20 en 50 van het ontwerp geven uitvoering aan deze decreten, zodat de niet-naleving van de “regelgeving in kwestie” tevens onder de strafbaarstelling van artikel 16.6.1 van het DABM valt.
De algemene verwijzing naar “de regelgeving in kwestie” lijkt bovendien moeilijk te verenigen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens[56] en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
26.3. Bij het verduidelijken van de verwijzingen in de voormelde artikelen 20 en 50, zullen de stellers van het ontwerp bovendien rekening moeten houden met de hiernavolgende aandachtspunten, voor zover de steller van het ontwerp inderdaad een verwijzing naar federale regelgeving zou beogen.
26.3.1. Een dynamische verwijzing naar federale regelgeving is niet aan te bevelen, aangezien teksten van de federale overheid te allen tijde kunnen worden gewijzigd zonder dat de Vlaamse Regering daarvan op de hoogte wordt gesteld, hetgeen tot moeilijkheden of zelfs rechtsonzekerheid kan leiden en in ieder geval een indirecte aantasting van haar autonomie kan vormen. Indien ervoor geopteerd wordt dynamisch te verwijzen, zal de steller van het ontwerp erop moeten toezien dat eventuele wijzigingen die de federale overheid aan haar regeling aanbrengt, wel degelijk nog overeenstemmen met de eigen beleidsintenties.[57]
26.3.2. Zoals sub 26.2 reeds werd aangehaald, heeft de verwijzing naar de koninklijke besluiten van 25 maart 2016 en 15 april 2016 bovendien tot gevolg dat miskenningen van de relevante voorschriften daarvan zullen kunnen worden gesanctioneerd overeenkomstig titel XVI van het DABM.
26.3.2.1. De gemeenschappen en gewesten beschikken over de volledige bevoegdheid tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Zodoende is de gewestwetgever in beginsel bevoegd om bepalingen, inclusief deze met betrekking tot naleving en handhaving, aan te nemen die hij meent te moeten uitvaardigen om zijn beleid in de aangelegenheden die onder zijn bevoegdheden ressorteren tot een goed einde te brengen.[58] De bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten om handelingen die tot hun bevoegdheidssfeer behoren strafbaar te stellen, behelst tevens de bevoegdheid om te oordelen over de graad van ernst van de verstoring van de openbare orde, en hieraan een gepaste bestraffing te koppelen.[59]
Bijgevolg zijn de gewesten bevoegd om de bescherming van het leefmilieu en de natuur op hun grondgebied te handhaven, al dan niet via strafrechtelijke weg. Deze bevoegdheid houdt de bevoegdheid voor de decreetgever in om ervoor te kiezen om de bepalingen die hij aanneemt, gepaard te laten gaan met strafrechtelijke sancties op grond van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, om ervan af te zien, om andere maatregelen te kiezen of om de lokale overheden ertoe te machtigen administratieve sancties op te leggen.[60] De voormelde bevoegdheden worden wel begrensd door de bevoegdheden van de federale overheid.
26.3.2.2. Op grond van artikel 6, § 1, VI, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, is de federale overheid op het vlak van economie bevoegd om vorm te geven aan het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid, waartoe hij het algemeen normatief kader van de economische unie kan vaststellen. Met dat doel is hij onder meer bevoegd voor het vaststellen van de metrologie en de normalisatie (punt 9°). De koninklijke besluiten van 25 maart 2016 en 15 april 2016, waarnaar wordt verwezen in de Code van goede praktijken, zijn inpasbaar binnen deze federale bevoegdheid.
Voor zover de ontworpen verwijzingen ook het strafbaar stellen van inbreuken op deze bepalingen beoogt, kunnen zij dan ook niet worden ingepast in de bevoegdheden van de gewesten.
Onderzoek van de tekst
Daarbij worden twee ijkdata gebruikt: draineringen aangelegd vóór 1 januari 1999 zijn historische draineringen, draineringen aangelegd vanaf 1 januari 1999 tot en met 23 september 2022 worden beschouwd als bestaande draineringen. Nieuwe draineringen zijn deze draineringen die zijn aangelegd na 23 september 2022.
Onder de te wijzigen indelingsrubriek 53.3 wordt deze opdeling tussen historische, bestaande en nieuwe draineringen toegepast (artikel 56, 9°, van het ontwerp). Onder rubriek 53.3 wordt bepaald dat historische en bestaande draineringen, die niet vallen onder punt 1° (landbouwdoeleinden op aaneengesloten percelen met een oppervlakte van 50 ha of meer), en die (minstens gedeeltelijk) gelegen zijn op een afstand van minder dan 500 meter van een speciale beschermingszone, VEN-gebied, valleigebied of vallei- en brongebied, IIOA’s van klasse 3 zullen uitmaken, terwijl nieuwe draineringen met eenzelfde ligging onder klasse 2 zullen vallen. Onder de vigerende rubriek 53.3 is de “drainering die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van cultuurgrond mogelijk te maken of te houden” ingedeeld als klasse 3-inrichting. Lopende aanvragen worden overeenkomstig artikel 67 van het ontwerp nog behandeld overeenkomstig de huidige indelingslijst.
Gevraagd naar de verantwoording voor deze ijkdata, stelde de gemachtigde:
“De datum van 23 september 2022 is afkomstig uit het Vlaams Klimaatadaptatieplan 2030 (https://omgeving.vlaanderen.be/nl/klimaat-en-milieu/klimaat/vlaams-klimaatadaptatieplan), zie p 36.
Voor de datum van 1 januari 1999 was het de bedoeling om gebruik te maken van de datum waarop de rubriek 53.3 in de indelingslijst (op dat moment bijlage 1 van titel I van het VLAREM) werd ingevoegd. Uit nazicht blijkt dat dit 1 mei 1999 is. Het zou kunnen overwogen worden om deze datum te corrigeren naar 1 mei 1999.”
In het Klimaatadaptatieplan wordt echter geen verduidelijking geboden van de keuze voor tot de datum van 23 september 2022.[61] De stellers van het ontwerp doen er goed aan de ijkdata voor het onderscheid tussen historische, bestaande en nieuwe draineringen correct vast te stellen op te verantwoorden tijdstippen.[62]
Artikel 4
29. In artikel 4, 2°, van het ontwerp wordt bepaald dat het mengsel van bemalingswater met hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen integraal wordt beschouwd als bemalingswater, wanneer de verschillende deelstromen niet apart kunnen worden gecontroleerd en samen worden geloosd.
Verderop in die bepaling staat dat in de omgevingsvergunning emissiegrenswaarden kunnen worden bepaald “in functie van de verhouding tussen de verschillende soorten afvalwater”. Artikel 1.1.2 van VLAREM II, zoals ontworpen, definieert afvalwater als “het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, en water afkomstig van een drainering”. Het “hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen” als component van het bemalingswater lijkt op zichzelf dan ook niet te kunnen worden gekwalificeerd als een apart soort afvalwater in de zin van deze bepaling.
De gemachtigde erkende daaromtrent:
“Uit de definitie van afvalwater volgt dat hemelwater dat niet in contact geweest is met verontreinigende stoffen, geen afvalwater is. De regeling heeft, naar analogie met het bestaande artikel 4.2.1.2, betrekking op situaties waarin bemalingswater met hemelwater dat niet in contact geweest is met verontreinigende stoffen, vermengd wordt. Herformulering van art. 4, 2°, tweede zin zou kunnen overwogen worden als volgt: ‘In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de verschillende deelstromen.’”
Met dit voorstel kan worden ingestemd.
30. In hetzelfde artikel 4, 2°, van het ontwerp wordt bepaald dat voor een bemaling bedoeld in rubriek 53.5, 1° (bemalingen noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen), “voor de bestaande constructies” in de omgevingsvergunning een werkwijze kan worden goedgekeurd om bij de lozing van een gemengde stroom het aandeel van beide stromen in het dag- en jaardebiet en de emissiegrenswaarden te bepalen.
30.1. De notie “bestaande constructies” is niet gekend in VLAREM II, maar wel in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Gevraagd of met het gebruik van het begrip “bestaande constructies” een analoge draagwijdte wordt beoogd als hieraan gegeven wordt in de VCRO, zodat het vermoeden zich niet uitstrekt tot bijvoorbeeld het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens,[63] antwoordde de gemachtigde:
“Als antwoord op [deze vraag]: het is niet de bedoeling om aansluiting te vinden bij het begrip bestaande constructies uit de VCRO. Bedoeld wordt constructies die reeds gebouwd werden. Het kan overwogen worden om de formulering in die zin aan te passen.
Aansluitend hierbij kan, gelet op het correcte gebruik van de termen ‘gebouwen’ en ‘constructies’, overwogen worden om de omschrijving van de rubriek 53.5 als volgt te wijzigen: ‘bemaling noodzakelijk om:
1) het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden, of;
2) onderhoudswerken uit te voeren aan die constructies die op het terrein aanwezig zijn.’
(…) gelet op de parkeerplaatsproblematiek in de aangehaalde arresten (…) en de gelijkenis met het begrip bestaande constructie in de VCRO, kan uit voorzorg overwogen worden om de formulering aan te passen.”
30.2. Rubriek 53.5, 1°, a), zoals vervangen door artikel 56 van het ontwerp, heeft betrekking op een inrichting van de derde klasse, zodat deze – voor zover niet onlosmakelijk verbonden met een vergunningsplichtig project in de zin van artikel 5, 1°, van het Omgevingsvergunningsdecreet –, slechts meldingsplichtig is. De zinsnede “kan voor de bestaande constructies in de omgevingsvergunning een werkwijze worden goedgekeurd” dient dan ook te worden vervangen door “kan voor de bestaande constructies in de omgevingsvergunning of in de aktename van de melding een werkwijze worden goedgekeurd”.
30.3. Gevraagd naar een verantwoording voor het feit dat de wegbeheerder overeenkomstig de ontworpen bepaling, in samenhang gelezen met de ontworpen rubriek 53.5, 1°, een afwijkende en voordeligere berekeningswijze zou kunnen hanteren dan andere publieke en private exploitanten van bemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie mogelijk te houden of onderhoudswerken uit te voeren, antwoordde de gemachtigde:
“Als antwoord op [deze vraag]: een sluitende verantwoording kan hiervoor niet gegeven worden. Het zou kunnen overwogen worden om de formulering van dit artikel aan te passen, in die zin dat het van toepassing is op bemalingen, zoals bedoeld in rubriek 53.5.”
30.4. In het licht van de gestelde vragen, stelde de gemachtigde de hiernavolgende herformuleringen voor:
“Rekening houdend met bovenstaande punten kan dus overwogen worden om de formulering als volgt aan te passen: “In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de verschillende deelstromen. Voor een bemaling, zoals bedoeld in rubriek 53.5 van de indelingslijst, die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die reeds gebouwd werden mogelijk te maken of te houden, kan in de omgevingsvergunning of de aktename van de melding een werkwijze worden vastgesteld om bij lozing van een gemengde stroom, van bemalingswater en van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, het aandeel van beide stromen in het totaal dag- en jaardebiet en de emissiegrenswaarden te bepalen.
Aansluitend hierbij kan overwogen worden om in artikel 10 volgende aanpassing te doen aan artikel 4.3.1.3, §2: “Indien in de omgevingsvergunning of de aktename van de melding voor een bemaling, zoals bedoeld in rubriek 53.5 van de indelingslijst, die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die reeds gebouwd werden mogelijk te maken of te houden, een werkwijze wordt goedgekeurd om bij een gemengde stroom, van bemalingswater en van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, het aandeel van beide stromen in het totaal dag- en jaardebiet te bepalen, dan kan dit in rekening worden gebracht voor de bepaling van het dag- en jaardebiet voor de betrokken stroom.”
Hiermee kan worden ingestemd.
Artikel 11
31. Het ontworpen artikel 4.3.2.1, 4°, tweede lid, van VLAREM II verwijst naar bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten, waaronder begrepen deze IIOA’s “die vergund zijn of waarvan akte genomen is of waarvoor een melding of aanvraag tot milieuvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de datum van publicatie van deze nieuwe waarde”.
Gelet op artikel 388, § 1, eerste lid, en § 3, van het Omgevingsvergunningsdecreet dient de zinsnede “aanvraag tot milieuvergunning” te worden vervangen door “aanvraag tot milieu‑ of omgevingsvergunning”.
Artikel 24
32.1. Overeenkomstig het ontworpen artikel 5.53.6.1.6 van VLAREM II, wordt het bemalingswater bemonsterd en geanalyseerd na de aanleg en het schoonpompen van bemalingsfilters of onttrekkingspunten die gelegen zijn op minder dan 20 meter van een perceel dat onder één van de onder punt i) tot punt iv) opgesomde gevallen valt. Het betreft vier gevallen waarin een vermoeden speelt dat er mogelijke bodem- en/of grondwaterverontreinigingen kunnen worden aangetroffen, of waar dergelijke verontreinigingen in het verleden reeds werden vastgesteld.
De bemalingsinstallatie mag pas in gebruik genomen worden zodra de analyseresultaten beschikbaar zijn (ontworpen artikel 5.53.6.1.6, derde lid, van VLAREM II). Wanneer een extra bemalingsfilter of onttrekkingspunt wordt ingeschakeld die onder de onder punt i) tot punt iv) vermelde gevallen valt, is de stillegging in afwachting van het analyseresultaat echter niet vereist (ontworpen artikel 5.53.6.1.6, vierde lid, van VLAREM II).
32.2. Zoals bepaald in artikel 2.1.2, § 1, van het DABM, alsook in artikel 191, lid 2, van het VWEU, moet het milieubeleid streven naar een hoog beschermingsniveau, en onder meer berusten op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen.
32.3. Gevraagd hoe de regeling waarbij extra bemalingsfilters en onttrekkingspunten mogen worden geplaatst in de onder punt i) tot punt iv) vermelde gevallen, zonder de resultaten van de bemalingswateranalyse af te wachten, inpasbaar is binnen deze beginselen, antwoordde de gemachtigde:
“De voorgestelde bemonstering en analyse is een controlestaal. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning of melding moet de exploitant reeds de effecten van de bemaling op de omgeving onderzoeken. Dit houdt onder andere in dat het effect van de bemaling op de gekende bodemverontreinigingen binnen de invloedstraal beschreven moet worden (zie addendum R53, vraag 7, zoals terug te vinden op https://omgevingsloket.be/addendabibliotheek). Ook indien uit dit onderzoek blijkt dat in het te lozen bemalingswater voor bepaalde parameters de indelingscriteria overschreden zullen worden, wordt het effect hiervan beschreven in de aanvraag of melding. Bij de beoordeling zal de bevoegde overheid dit mee in overweging nemen en desgevallend bijzondere milieuvoorwaarden opleggen of de vergunning weigeren.”
De geboden toelichting verklaart echter niet waarom, handelend vanuit het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, de analyseresultaten van controlestalen dienen te worden afgewacht alvorens de bemalingsinstallatie in werking mag worden gesteld, maar het daarentegen toegestaan is de extra bemalingsfilters of onttrekkingspunten onmiddellijk op te starten. Zo is het bijvoorbeeld niet uitgesloten dat een initiële bemalingsinstallatie geplaatst wordt op een locatie die stroomopwaarts gelegen is van een gekende risicogrond (met al dan niet gekende locatie van de puntbron), terwijl het extra onttrekkingspunt zich stroomafwaarts bevindt.
Artikel 25
33. Luidens het ontworpen artikel 5.53.6.1/1.2, § 3, van VLAREM II is de exploitant van een bemaling die noodzakelijk is voor de waterbeheersing van de mijnverzakkingsgebieden, vermeld in subrubriek 53.5, 2°, van de indelingslijst, niet verplicht het vergunde dagdebiet na te leven bij overmacht door overstromingsgevaar.
33.1. Het Grondwettelijk Hof erkende meermaals het algemene rechtsbeginsel “dat de gestrengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd”.[64] De vraag rijst dan ook of de meerwaarde van een uitdrukkelijke bevestiging van dit beginsel voor mijnverzakkingsgebieden wel opweegt tegen de indruk die hiermee wordt gewekt dat andere overmachtssituaties bij mijnverzakkingsgebieden of overstromingsgevaar in andere gevallen niet als overmacht kan worden gekwalificeerd.[65]
33.2. Gevraagd waarom deze afwijkingsmogelijkheid enkel voorzien is voor mijnverzakkingsgebieden, antwoordde de gemachtigde:
“Het betreft een formulering die is overgenomen uit de bestaande wetgeving, zie het huidige artikel 5.53.6.1.2, §2 van titel II van het VLAREM. Ze is van toepassing in de specifieke situatie die zich voordoet in voormalige gebieden met steenkoolontginningen. Door de daling van het grondniveau over verschillende meters, moet er bemaald worden om de bebouwing te vrijwaren van wateroverlast.
Er kan overwogen worden om de formulering als volgt aan te passen: ‘In situaties waarin door dreigend overstromingsgevaar een uitzonderlijke en onvoorziene situatie ontstaat, is de exploitant van een bemaling, die noodzakelijk is voor de waterbeheersing in mijnverzakkingsgebieden zoals omschreven in subrubriek 53.5, 2°, van de indelingslijst, vrijgesteld van het naleven van het in de omgevingsvergunning vastgestelde toegestane dagelijkse debiet. Deze uitzondering geldt alleen zolang en voor zover de uitzonderlijke situatie dit vereist en de exploitant redelijkerwijs niet in staat is het vergunde debiet na te leven.’”
Op grond van deze toelichting is het evenwel niet duidelijk waarom dergelijke overmachtsregeling enkel uitdrukkelijk wordt bevestigd voor mijnverzakkingsgebieden en niet voor andere (publieke) inrichtingen.
Gelet op het bovenstaande, zou van deze bepaling het best worden afgezien.
Artikel 28
34. Luidens het ontworpen artikel 5.53.6.2.2 van VLAREM II, mag spuiwater dat gegenereerd wordt bij grondwaterwinningen voor thermische energie-opslag geherinfiltreerd worden in de freatische watervoerende laag.
Ondervraagd over de samenstelling van dergelijk spuiwater, stelde de gemachtigde:
“Nee[, de samenstelling van het spuiwater bij grondwaterwinningen voor thermische energie-opslag is niet vergelijkbaar qua samenstelling met spuiwater van bijvoorbeeld luchtwassers, waarin concentraties aan ammoniumsulfaten en zwavelzuur (kunnen) voorkomen], in het spuiwater van een KWO zal er bij mechanische regeneratie (wat de standaard werkwijze is, ook toegepast bij regulier onderhoud) enkel een opconcentratie zijn van mineralen die van nature voorkomen in het grondwater. Er worden geen stoffen aan het KWO systeem toegevoegd tijdens het spuien. Bij chemische regeneratie kunnen er wel toeslagstoffen in het spuiwater aanwezig zijn.
Er kan ter verduidelijking overwogen worden om de formulering van artikel 28 van het wijzigingsbesluit aan te passen als volgt: ‘Spuiwater mag geherinfiltreerd worden in de freatische watervoerende laag, behalve wanneer het afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten.’
Aansluitend hierbij kan overwogen worden om ook in artikel 32 de formulering van lid 2 tot 5 als volgt aan te passen:
‘Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar. Spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten wordt bij voorkeur geherinfiltreerd of, als dat niet mogelijk is, nuttig gebruikt.
Het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten en dat niet geherinfiltreerd of nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, tenzij deze conform de beste beschikbare technieken niet bereikbaar zijn.
Lozing van het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Volumes groter dan 10 m³ per uur worden alleen geloosd in een openbare riolering die aangesloten is op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.’”
Ter wille van de rechtszekerheid valt aan te bevelen in de tekst van het ontwerp te verduidelijken dat enkel het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten geherinfiltreerd mag worden.
Artikel 37
35. Het ontworpen artikel 5.53.6.6.1, § 3, van VLAREM II stipuleert dat het vanaf 1 januari 2025 verboden is grondwaterwinningen aan te leggen indien voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden dat deze (1) geheel of gedeeltelijk liggen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, zoals bepaald in artikel 1.1.2 van de VCRO, en (2) niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een grondwaterwinning, de vergunningverlenende overheid niet enkel moet onderzoeken of de aangevraagde grondwaterwinning in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften voor het perceel waarop de waterput gelegen is, maar ook met de voorschriften voor de percelen waarop de daaraan verbonden activiteiten worden uitgevoerd.[66]
Gevraagd of de voorwaarden in de ontworpen verbodsbepaling enkel op het bronperceel slaan, dan wel of het verbod ook geldt indien het perceel waarop de activiteit zal worden uitgevoerd aan deze voorwaarden voldoet, antwoordde de gemachtigde het volgende:
“De sectorale voorwaarde viseert inderdaad het bronperceel. Dat sluit niet uit dat bij de vergunningverlening ook het geheel van de exploitatie (en niet enkel het bronperceel) wordt meegenomen. (Zie beoordelingscriteria art. 5.3.1, 2°, b) DABM). De vergunningverlener zal zich moeten richten op de regelgeving waarop het arrest is gebaseerd.”
Het verdient aanbeveling een verduidelijking op dit punt op te nemen in het verslag aan de Vlaamse Regering.
Artikel 38
36. Artikel 38 van het ontwerp voorziet in de opheffing van artikel 5.54.1, § 2, van VLAREM II. Deze paragraaf werd reeds opgeheven.[67] Dit artikel is dan ook zonder voorwerp en dient te worden weggelaten.
Artikel 50
37. Het ontworpen artikel 6.9.1.1quater, § 10, van VLAREM II stelt dat de bepalingen van dit artikel voor inrichtingen die vóór 1 januari 2025 zijn geïnstalleerd,[68] pas gelden vanaf 1 januari 2035.
De gemachtigde verklaarde de keuze voor een dergelijke lange overgangsperiode als volgt:
“Er is gekozen voor een overgangstermijn van 10 jaar. Er wordt ingeschat dat deze termijn nodig is om communicatie te voeren, en de levering en plaatsing van debietmeters mogelijk te maken.”
Hoewel het in de eerste plaats aan de stellers van het ontwerp toekomt om te bepalen of een overgangsregeling van tien jaar opportuun of zelfs noodzakelijk is, dienen ze daarbij wel een aantal principes in acht te nemen.
De afdeling Wetgeving van de Raad van State wees er in het verleden reeds op dat een overgangsperiode om een besluit ten uitvoer te leggen in de tijd beperkt moet zijn en toepassingen moet vermijden die strijden met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet‑discriminatie.[69]
In het voorliggende geval rijst, mede in het licht van de toelichting van de gemachtigde, de vraag of de overgangsregeling zoals die in het ontwerp vormgegeven is wel in overeenstemming is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Het komt namelijk op het eerste gezicht tegenstrijdig voor dat een periode van tien jaar nodig wordt geacht om de nieuwe verplichting te communiceren en de debietmeters te plaatsen bij inrichtingen die voorafgaand aan de datum van 1 januari 2025 (en dus mogelijk ook reeds enige tijd na de inwerkingtreding van het ontworpen artikel 6.9.1.1quater van VLAREM II) worden geïnstalleerd, terwijl die verplichting wel onmiddellijk geldt voor inrichtingen die geïnstalleerd worden vanaf 1 januari 2025. Op dit punt zou een sluitende verantwoording moeten kunnen worden geboden, die bij voorkeur wordt geïntegreerd in het verslag aan de Vlaamse Regering.
Artikel 62
38. Bij het ontworpen artikel 53/1, eerste lid, van VLAREM II wordt de geldigheidsduur van de omgevingsvergunningen voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.4, 53.5, 53.8 en 53.12 bepaald op maximaal twintig jaar. Naar luid van het tweede lid is de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.2, maximaal vijf jaar.
Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, hij vermag te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en hij in beginsel niet ertoe gehouden is in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat[70] of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.[71] Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden.[72]
Er lijkt nood te zijn aan een overgangsregeling om geen afbreuk te doen aan gewekte, rechtmatige verwachtingen,[73] inzonderheid bij de bemalingen die vallen onder rubriek 53.2 (met een maximumtermijn van vijf jaar), waarvoor in het verleden een omgevingsvergunning van onbepaalde duur werd verleend en waarvan de geldigheidsduur van vijf jaar inmiddels verstreken zou zijn of weldra verstrijkt.
Artikel 66
39. Bij artikel 66 van het ontwerp wordt de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, gemachtigd om de datum van inwerkingtreding te bepalen van de bepalingen van het ontwerp die de indelingslijst, zoals opgenomen in bijlage 1 bij VLAREM II, en “de daarmee samenhangende sectorale milieuvoorwaarden” wijzigen. Een dergelijke formulering werkt rechtsonzekerheid in de hand, zowel voor wat betreft de datum van inwerkingtreding van de verschillende bepalingen van het te nemen besluit, alsook voor wat betreft de draagwijdte van de delegatie die aan de minister wordt verleend (zie tevens de opmerking sub 40).
Op de vraag welke bepalingen van het ontwerp hieronder dienen te worden begrepen, antwoordde de gemachtigde:
“Volgende artikelen zullen in werking treden op een door de minister te bepalen datum:
Ter wille van de rechtszekerheid dient de omschrijving in artikel 66 van het ontwerp in die zin te worden herwerkt.
40. Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden reeds meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft.
Het vaststellen van de datum van inwerkingtreding van onderdelen van een besluit van de Vlaamse Regering kan derhalve slechts aan de minister worden gedelegeerd indien het gaat om onderdelen die betrekking hebben op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden. De afdeling Wetgeving heeft omwille van die reden in het verleden reeds meermaals aangegeven dat een delegatiebepaling aan de minister om de inwerkingtreding te regelen, zonder dat daarbij voorzien wordt in een uiterlijke datum van inwerkingtreding waaraan de minister zich dient te houden, niet in overeenstemming is met de algemene principes inzake delegatie.[74] Een dergelijke bepaling maakt het de minister namelijk mogelijk om de ontworpen regeling voor onbepaalde tijd uit te stellen of zelfs uit te sluiten.[75]
Gevraagd of er redenen zijn om hiervan af te wijken antwoordde de gemachtigde:
“De delegatie is verantwoord omwille van de noodzakelijke aanpassingen die gepaard gaan met dit wijzigingsbesluit aan het Omgevingsloket. De aanpassingen aan het Omgevingsloket en de inwerkingtreding dienen op elkaar afgestemd te zijn. Gelet op de onzekere timing van de bekendmaking van dit besluit en de nog ongekende timing van de eerstvolgende release van een update voor het Omgevingsloket, is het onmogelijk om de gebruikelijke inwerkingtreding te hanteren. We schatten in dat de inwerkingtreding in het najaar van volgend jaar zal kunnen plaatsvinden.
Het kan overwogen worden om de formulering van artikel 66 aan te passen als volgt: ‘De bepalingen van dit besluit die de indelingslijst, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en de daarmee samenhangende sectorale milieuvoorwaarden wijzigen, treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, vast te stellen datum en ten laatste op 1 april 2025.’”
Met deze wijziging kan worden ingestemd, weliswaar met inachtneming van hetgeen sub 39 werd opgemerkt.
Artikel 67
41. De overgangsregeling waarin artikel 67 van het ontwerp voorziet, heeft enkel betrekking op aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning of meldingen die zijn ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van een relevante wijzigingsbepaling van dit besluit.
De vraag rijst of niet ook moet worden voorzien in een overgangsregeling waarin de procedure wordt geregeld voor de wijziging van reeds eerder verkregen omgevingsvergunningen of reeds gedane aktenames van meldingen van inrichtingen van de derde klasse.[76]
Artikel 68
42. De uitvoering van een besluit moet gewaarborgd blijven over de wisseling van ministers heen. Derhalve moet de minister, bevoegd voor de bij het besluit geregelde aangelegenheid, op abstracte wijze aangewezen worden, en niet individueel met vermelding van de bevoegdheden zoals die voorkomen in diens benoemingsbesluit.[77]
Slotopmerking
43. Het ontwerp dient aan een bijkomend redactioneel en taalkundig nazicht te worden onderworpen.[78]
[1] Artikel 68, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet.
[2] In de door de gemachtigde bezorgde rechtsgrondentabel aangeduid als “DMG”.
[3] In de door de gemachtigde bezorgde rechtsgrondentabel aangeduid als “DIW”.
[4] Het in de rubriek ‘Rechtsgronden’ vermelde artikel 5.4.3 van het DABM wordt niet in de rechtsgrondentabel hernomen. Aangezien dit artikel de factoren verduidelijkt waarmee de Vlaamse Regering bij het vaststellen van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden rekening dient te houden, kan dit artikel, in samenhang gelezen met artikel 5.4.1 van het DABM, beschouwd worden als rechtsgrond voor de bepalingen van het ontwerp die de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wijzigen.
[5] Zie uitgebreider de doelstellingen vermeld in Concept Vlaams Grondwater Model (VGM) – Technisch concept van het VGM – Deelrapport 1 – Hydrogeologische Codering van de Ondergrond van Vlaanderen (HCOV), 2000, 14. Digitaal raadpleegbaar via de hiernavolgende link: https://www.dov.vlaanderen.be/sites/default/files/pfiles_files/Meyus_etal_2000_HCOV.pdf.
[6] Artikel 15, § 1, tweede lid, 2°, in samenhang gelezen met bijlage 2, van het Omgevingsvergunningsbesluit.
[7] Het is dan bovendien artikel 15, § 1, tweede lid, 2°, van het Omgevingsvergunningsbesluit dat deze toepassing regelt en rechtsgrond vindt in artikel 18 van het Omgevingsvergunningsdecreet, en in beginsel niet bijlage 2bis bij VLAREM II waarvoor op deze rechtsgrond beroep zou moeten worden gedaan.
[8] Het is omwille van de rechtszekerheid aanbevolen om bij gelegenheid een specifiekere rechtsgrond te creëren voor deze hcov-codering.
[9] Zie bijvoorbeeld artikel 56, 2°, van het ontwerp, dat een nieuwe indelingsrubriek 3.8 invoegt, waarbij wordt voorzien dat de Vlaamse Milieumaatschappij advies verstrekt bij omgevingsvergunningsaanvragen (code ‘M’ in kolom “Opmerkingen”; zie ‘Verklaring van de symbolen die gebruikt worden in de kolom 4 tot en met 8’ van bijlage 1 bij VLAREM II).
[10] Bijlage II bij richtlijn 2001/42/EG bevat een aantal criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten, waaronder de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen (punt 1, eerste streepje), de relevantie voor de toepassing van milieuwetgeving van de Gemeenschap (bv. plannen en programma’s in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming) (punt 1, vijfde streepje), en de effecten op gebieden die door de lidstaat, de Gemeenschap of in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend (punt 2, zevende streepje).
[11] HvJ 27 oktober 2016, C-290/15, d’Oultremont, ECLI:EU:C:2016:561, punt 49.
[12] Ibid., punt 52.
[13] HvJ 25 juni 2020, C-24/19, A e.a., ECLI:EU:C:2020:503, punten 32 tot 53 en 61 tot 63.
[14] GwH 28 februari 2019, nr. 33/2019, B.21.3 en GwH 17 oktober 2019, nr. 145/2019, B.9.3.
[15] Gelet op de toelichting door de gemachtigde wordt hierna met de MER-ontheffingsbeslissing de MER-ontheffingsbeslissing met referte OPL0026 bedoeld die inhoudelijk nagenoeg identiek is aan de MER-ontheffingsbeslissing met referte OPL0025.
[16] Artikel 4.2.1, tweede lid, van het DABM. Zie ook: HvJ 21 december 2016, nr. C-444/15, Associazione Italia Nostra Onlus, ECLI:EU:C:2016:978, punt 48.
[17] In de nota aan de Vlaamse Regering, het verslag aan de Vlaamse Regering, de ontheffingsaanvraag en het ontheffingsbesluit wordt nergens ingegaan op de motieven op grond waarvan ANB tot de conclusie is gekomen dat een passende beoordeling op strategisch niveau van het plan niet noodzakelijk is.
[18] HvJ 17 april 2018, C-441/17, Commissie/Polen, ECLI:EU:C:2018:255, punt 106 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
[19] Ibid., Commissie/Polen, punt 108 en de aldaar aangehaalde rechtspraak; HvJ 25 juli 2018, C-164/17, Grace en Sweetman, ECLI:EU:C:2018:593, punt 38.
[20] Ibid., Grace en Sweetman, punt 32.
[21] HvJ 7 november 2018, nr. C-461/17, Holohan e.a., ECLI:EU:C:2018:883, punt 33.
[22] HvJ 28 mei 2020, nr. C-535/18, IL e.a., ECLI:EU:C:2020:391, punt 78; HvJ 29 juli 2019, nr. C-411/17, Inter-Environnement Wallonie ASBL e.a., ECLI:EU:C:2019:622, punt 83; HvJ 28 februari 2018, nr. C-117/17, Comune di Castelbellino, ECLI:EU:C:2018:129, punt 25; HvJ 26 juli 2017, nr. C-196/16, Comune di Corridonia e.a., ECLI:EU:C:2017:589, punt 33; HvJ 3 juli 2008, nr. C-215/06, Commissie/Ierland, ECLI:EU:C:2008:380, punt 58. Zie ook: RvS 14 oktober 2011, nr. 215.768, overw. 21, en (impliciet) RvS 20 september 2013, nr. 224.750, overw. 52.
[23] Zie ook: HvJ 25 juni 2020, nr. C-24/19, A e.a., ECLI:EU:C:2020:503, punt 47.
[24] HvJ 17 april 2018, C-441/17, Commissie/Polen, ECLI:EU:C:2018:255, punt 114; HvJ 21 juli 2016, nrs. C-387/15 en C-388/15, Orleans e.a., ECLI:EU:C:2016:583, punt 50; HvJ 11 april 2013, nr. C-258/11, Sweetman e.a., ECLI:EU:C:2013:220, punt 44.
[25] Conclusie van Advocaat-Generaal J. Kokott van 28 februari 2019 in de zaak C-723/17, Craeynest e.a., ECLI:EU:C:2019:168, punt 59.
[26] Aluminium in bodem en grondwater is evenwel potentieel giftig voor fauna en flora. Zie voor een overzicht: W. De Vries, Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid, Wageningen, 2008, Alterra-rapport 1699.
[27] Een verhoogde concentratie aan sulfaat in grond- en oppervlaktewater kan leiden tot eutrofiëring van oppervlaktewater. Zie: B. Fraters en A. de Goffau, Sulfaat in grondwater en oppervlaktewater in Nederland – Overzicht van meetresultaten van nationale meetnetten, 2014, RIVM Briefrapport 2014-0120.
[28] Deze milieukwaliteitsnormen voor grondwater zijn wel vermeld in bijlage 2.4.1 bij VLAREM II, waarnaar artikel 2.4.1.1, § 2, eerste lid, van VLAREM II verwijst. Zij vallen echter niet onder de ongewenste stoffen (categorie B) of de toxische stoffen (categorie C), maar wel onder de fysisch-chemische parameters (categorie A).
[29] Artikel 1 KVH.
[30] GwH 1 oktober 2015, nr. 134/2015, B.5.2.
[31] Artikelen 20 tot 24 KVH. Zie ook de definitie van het begrip “opsporing” in artikel 2, 22°, KVH.
[32] Adv.RvS 58.501/1 van 24 november 2015 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 26 december 2015 ‘houdende wijziging van de wet van 17 juli 2013 houdende de minimale nominale volumes duurzame biobrandstoffen die de volumes fossiele motorbrandstoffen die jaarlijks tot verbruik worden uitgeslagen, moeten bevatten’.
[33] Namelijk andere wijzigingen dan diegene waarvan in dit advies melding wordt gemaakt of wijzigingen die ertoe strekken tegemoet te komen aan hetgeen in dit advies wordt opgemerkt.
[34] Artikel 11, 2°, artikel 14, 3°, en artikel 55, 3°, van het ontwerp.
[35] Het Waterwetboek, DABM, Omgevingsvergunningsdecreet en VLAREM II bevatten geen van alle een definitie van het begrip “freatisch grondwater” of een afgeleide daarvan zoals “freatische grondwaterlaag” of “freatische grondwaterwinning”. In de spraakgebruikelijke betekenis doelt men met freatisch of ondiep grondwater op “de bovenste laag grondwater, het grondwater dat bovenaan wordt begrensd door de atmosfeer”, i.e. de grondwaterlagen die gevoed worden door insijpelend hemelwater.
[36] Dat van toepassing is op de ingedeelde inrichtingen en/of activiteiten (hierna: IIOA’s).
[37] Dat van toepassing is op de niet-ingedeelde inrichtingen (waarvoor dus geen vergunnings- of meldingsplicht geldt).
[38] Het principe van de bemalingscascade stemt in zekere zin overeen met toepassing van de ladder van Lansink op de verwerking van hemelwater (zie artikel 4.2.1.3, § 5, van VLAREM II).
[39] De artikelen 7, 24, 25, 36 en 48 van het ontwerp.
[40] Vgl. huidig artikel 5.53.6.1.1, § 4, 1°, van VLAREM II met het ontworpen artikel 5.53.6.1.3, § 2, tweede lid, 1°, van VLAREM II.
[41] Zie GwH 21 september 2023, nr. 127/2023, B.5.3; GwH 21 september 2023, nr. 129/2023, B.12; Vergelijk GwH 21 januari 2021, nr. 6/2021, B.4.2: “Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet bevat, met betrekking tot het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang; GwH 25 februari 2021, nr. 30/2021, B.33.2, GwH 14 oktober 2021, nr. 142/2021, B.30.2 en GwH 21 oktober 2021, nr. 148/2021, B.25: “Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang”; GwH 20 oktober 2022, nr. 133/2022, B.14.1.
[42] Parl.St. Vl.Parl. 1994-95, nr. 718/1, 24; RvS 2 mei 2019, nr. 244.351, vzw Aktiegroep Leefmilieu Kempen, nr. 33; RvS 8 februari 2021, nr. 249.746, vzw Aktiegroep Leefmilieu Kempen, nr. 22; RvS 19 november 2021, nr. 252.163, Monsieurs e.a., nr. 9.2.
[43] GwH 6 oktober 2016, nr. 125/2016, B.17.1; Adv.RvS 72.683/1 van 30 december 2022 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 mei 2023 ‘houdende wijzigingen aan het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, II, IC, ID en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen’, opm. 6.1.
[44] RvS 2 mei 2019, nr. 244.351, overw. 32 tot 37.
[45] RvS 8 februari 2021, nr. 249.746, overw. 21 tot 25.
[46] Aangezien dus niet langer richtwaarden voor de fysisch-chemische parameters moeten worden nageleefd, zie ook sub 17.3.2.
[47] De Code van goede praktijken is digitaal raadpleegbaar via de hiernavolgende link: https://reflabos.vito.be/onderzoeksrapporten/2019_CVGP_installatie_controle_van_meetinrichtingen_voor_opgepompt_grondwater.pdf.
[48] De gemachtigde verduidelijkte op dit punt: “Met het “wateranalysecompendium” wordt het “compendium voor monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC” bedoeld. Conform de definitie van ‘referentiemeetmethode’ in artikel 1.1.2 van VLAREM II onder “DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54, 5.55 en 6.9 (grondwater)” en artikel 45, §1, tweede lid van het VLAREL wordt het compendium voor monsterneming, meting en analyse van water goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstafel bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De methode “WAC/I/A/007 (monstername van bemalingswater)” is opgenomen in een ministerieel ontwerpbesluit dat momenteel het goedkeuringstraject doorloopt voor actualisatie van het compendium WAC.”
[49] Deze bepaling stelt dat in elk geval worden beschouwd als code van goede praktijk, (1) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten, (2) de Belgische normen, (3) de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (C.E.N.), (4) de normen uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), (5) de normen uitgegeven door de International Organisation for Standardisation (I.S.O.), (6) de regels uitgegeven door de erkende controle-instellingen of de milieudeskundigen, erkend in de toepasselijke disciplines, en (7) de regels uitgegeven door de constructeurs of verdelers van installaties of onderdelen ervan.
[50] Vergelijk met de toetsingscriteria die het Grondwettelijk Hof gebruikt om delegaties van verordenende bevoegdheid door de wetgever aan een autonome administratieve overheid of een gedecentraliseerde openbare instelling te beoordelen; zie GwH 11 juni 2015, nr. 86/2015, B.22.4 en GwH 9 juni 2016, nr. 89/2016, B.9.6.4: “De artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet verzetten zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderworpen, en verbieden de wetgever niet om delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies.”; zie GwH 19 november 2015, nr. 162/2015, B.8.4: “Artikel 33 van de Grondwet en artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 [tot hervorming der instellingen] staan niet eraan in de weg dat de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een gedecentraliseerde openbare instelling die aan een bestuurlijk toezicht en aan een rechterlijke toetsing is onderworpen.” Zie ook GwH 14 mei 2020, nr. 67/2020, B.41.2: “Een delegatie aan een gedecentraliseerde openbare instelling die aan een bestuurlijk toezicht en aan een rechterlijke toetsing is onderworpen is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.”
[51] Daarbij zal er dan ook op moeten worden toegezien dat de delegatie aan de minister voldoende gespecificeerd is, en enkel betrekking heeft op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden. Vgl. bijvoorbeeld met de voorziene bekrachtiging door de minister van een code van goede praktijken: Adv.RvS 73.394/1 van 9 mei 2023 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023 ‘tot vaststelling van een tijdelijk handelingskader voor het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen en voor de invulling van het saneringscriterium van artikel 19, § 1, van het Bodemdecreet voor PFAS-houdende bodem’, opm. 11.
[52] Thans geregeld op het niveau van een besluit van de Vlaamse Regering, en nominatim aangeduid door artikel 5.55.2.7, § 2, van VLAREM II.
[53] Vgl. adv.RvS 73.296/3 van 27 april 2023 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 22 juni 2023 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden voor de aflevering van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen in het kader van thuishospitalisatie’, opm. 6.
[54] In de Code van goede praktijken wordt ook verwezen naar de norm NBN EN ISO 4064 (‘Water meters for cold potable water and hot water’), gepubliceerd in 2014, die een “vrijwillige manier” aanbiedt om te voldoen aan de essentiële eisen voor watermeters, zoals beschreven in richtlijn 2014/32/EU.
[55] De instrumenten die wel nog in de Code van goede praktijken zijn opgenomen maar niet langer van toepassing zijn, zijn niet in deze opsomming weerhouden.
[56] EHRM (grote kamer), 29 mei 2020, advies P16-2019-001 ‘relatif à l’utilisation de la technique de ‘législation par référence’ pour la définition d’une infraction et aux critères à appliquer pour comparer la loi pénale telle qu’elle était en vigueur au moment de la commission de l’infraction et la loi pénale telle que modifiée’, §§ 72-73; Adv.RvS 71.734/1/V van 27 juli 2022 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 ‘tot bepaling van de reisvoorwaarden en de regels voor de handhaving ervan door de VMM – De Lijn’, opm. 5.
[57] Adv.RvS 26.663/4 van 30 juli 1997 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997 ‘relatif aux conditions d’agrément et de subventionnement des services résidentiels, d’accueil de jour et de placement familial pour personnes handicapées’; Adv.RvS 72.556/3 van 16 januari 2023 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’, opm. 3.2.
[58] GwH 24 februari 2011, nr. 29/2011, B.4 en B.6.2 tot B.6.4; GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, B.106.2; GwH 28 oktober 2004, nr. 168/2004, B.3.2 en B.5.2 tot B.5.4; Adv.RvS 33.334/VR van 24 juni 2003 over een voorstel van ordonnantie ‘betreffende de bodemsanering’.
[59] Vgl. GwH 27 november 2002, nr. 170/2002, B.4 tot B.6.3.
[60] GwH 27 mei 2010, nr. 62/2010, B.5.1.
[61] Er wordt enkel aangegeven dat “[d]e financiering van de structurele Blue Deal (…) tijdens de begrotingsbesprekingen van september 2022 [wordt] besproken. (…) Om een klimaatbestendig grondwaterbeheer mogelijk te maken, wordt de VLAREM-regelgeving aangepast, onder meer met betrekking tot bemalingen, drainages en peilverlagingen. (…) Ook bestaande installaties die onder de huidige meldingsplicht vallen, en die niet beschikken over een meldingsakte die werd opgesteld uiterlijk 23 september 2022, worden gevat.”
[62] Zo zou voor het verschil tussen bestaande en nieuwe draineringen de datum van inwerkingtreding van het te nemen besluit een logischer ijkpunt zijn, naar analogie met het onderscheid tussen historische en nieuwe bodemverontreiniging, waarvan de ijkdatum samenvalt met de datum van inwerkingtreding van het eerste Vlaamse decreet dat een regeling inzake de bodemsanering bevatte (decreet van 22 februari 1995 ‘betreffende de bodemsanering’).
[63] RvS 23 juni 2022, nr. 254.093; RvVb 2 september 2021, nr. A/2122/0009.
[64] GwH 4 april 1995, nr. 32/95, B.5.3; GwH 21 december 2017, nr. 148/2017, B.39.3.
[65] De gemachtigde bevestigde bovendien dat dit allerminst de bedoeling is. Hij verwees ook naar de regeling inzake risicobeheersing (afdeling 4.1.12 van VLAREM II) die generiek van toepassing blijft.
[66] RvVb 16 juni 2022, nr. RvVb-A-2122-0866.
[67] Artikel 35 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013 tot regeling van de informatie-, preventie-, inperkings- en herstelplicht inzake milieuschade, het verzoek om maatregelen en de beroepsprocedure, het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw’.
[68] De installatie vóór 1 januari 2025 zal kunnen worden aangetoond doordat overeenkomstig het ontworpen artikel 6.9.1.1quater, § 9, van VLAREM II een register dient te worden bijgehouden waarin wordt genoteerd wat de stand van de debietmeter is op de laatste kalenderdag van het jaar waarin grondwater is opgepompt en telkens als de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.
[69] Vgl. adv.RvS 52.814/3 van 12 februari 2013 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 22 maart 2013 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de ambten van gemeentesecretaris, gemeentelijk financieel beheerder, secretaris van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en financieel beheerder van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deeltijds kunnen worden uitgeoefend, en houdende vaststelling van sommige gevallen waarin de ambten van gemeentelijk financieel beheerder en van financieel beheerder van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen worden uitgeoefend door een gewestelijke ontvanger’, opm. 7.
[70] GwH 26 april 2007, nr. 71/2007, B.7.3.
[71] Zie o.m.: GwH 17 april 2008, nr. 67/2008, B.5.2; GwH 18 juni 2009, nr. 100/2009, B.6; GwH 16 juli 2009, nr. 115/2009, B.5; GwH 17 september 2009, nr. 141/2009, B.5; GwH 20 oktober 2009, nr. 163/2009, B.8; GwH 20 januari 2010, nr. 2/2010, B.7; GwH 27 januari 2011, nr. 13/2011, B.4; GwH 8 mei 2013, nr. 63/2013, B.4.1; GwH 8 mei 2014, nr. 80/2014, B.28.3.2.
[72] Zie o.m.: GwH 17 april 2008, nr. 67/2008, B.5.2; GwH 18 juni 2009, nr. 100/2009, B.6; GwH 20 oktober 2009, nr. 163/2009, B.8; GwH 20 januari 2010, nr. 2/2010, B.7; GwH 27 januari 2011, nr. 13/2011, B.4; GwH 8 mei 2013, nr. 63/2013, B.4.1; GwH 8 mei 2014, nr. 80/2014, B.28.3.2.
[73] In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt hierover op pagina 44 gesteld: “Eerder verleende vergunningen met een langere geldigheidsduur worden door deze aanpassing van rechtswege teruggebracht tot deze termijnen. Hierbij wordt ingegrepen op reeds verleende rechten omwille van algemeen belang, namelijk vanuit het beheer van grondwatervoorraden. Deze zijn een gemeen goed.”
[74] Zie ook Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nrs. 154.1 en 154.1.1, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst‑consetat.be).
[75] Zie o.a.: Adv.RvS 57.598/3 van 30 juni 2015 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015 ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft diverse bepalingen inzake energie’, opm. 13; adv.RvS 59.016/3 van 29 maart 2016 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 ‘inzake diverse bepalingen met betrekking tot dierenwelzijn’, opm. 10.2; adv.RvS 59.537/3 van 7 juli 2016 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft diverse bepalingen inzake energie-efficiëntie’, opm. 15; adv.RvS 59.834/1/V van 29 augustus 2016 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 9 februari 2017 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen’, opm. 14; adv.RvS 61.117/3 van 7 april 2017 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft technische wijzigingen van de certificatentoekenning en de invoering van biomassacertificatie, van duurzaamheidscriteria voor vaste en gasvormige biomassa en van ILUC-voorwaarden’, opm. 16.
[76] Vgl. adv.RvS 60.811/3 van 8 februari 2017 over een ontwerp van koninklijk besluit ‘tot vaststelling van het vergunningsstelsel van de inrichtingen voor berging van radioactief afval’, opm. 17.2.
[77] Zie Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nr. 167, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst‑consetat.be).
[78] Zie bijvoorbeeld artikel 1, 1° (“peerceel” in plaats van “perceel”), artikel 4, 2° (“er wordt een alinea toegevoegd” in plaats van “er wordt een lid toegevoegd”), artikel 54 (“kalenderdagen” in plaats van “dagen”), en artikel 62 (“hetzelfde besluit” in plaats van “het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”).
( ... - ... )
Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;
- het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, artikel 9, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996, 1 maart 2013 en 25 april 2014;
- het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 3.5.1, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 23 december 2011 en 25 april 2014, artikel 5.2.1, 5.4.1, 5.4.3, 5.4.6, 5.6.2, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, en artikel 5.6.5, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017;
- het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, artikel 1.2.1, 1.2.2 en artikel 2.2.1, gewijzigd bij de decreten van 26 april 2019 en 24 juni 2022;
- het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 18, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2016, 8 december 2017 en 26 april 2019, artikel 24 en artikel 68, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 15 juli 2016 en 8 december 2017.
Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft gunstig advies gegeven op 27 juni 2022.
- Het voorontwerp van dit besluit van de Vlaamse Regering werd van 30 januari 2023 tot en met 1 maart 2023 gepubliceerd op de website van het Departement Omgeving en werd gedurende die periode ook ter inzage gelegd. Tijdens die termijn kon iedereen opmerkingen meedelen.
- De Minaraad, de SALV en de SERV hebben een gezamenlijk advies gegeven op 20 maart 2023.
- De Raad van State heeft advies 74.986/16 gegeven op 4 januari 2024, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
- Het ontwerp werd op 16 februari 2024 meegedeeld aan de Europese Commissie, met toepassing van artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.
- Gelet op de aanbeveling van de Raad van State, werd overleg gepleegd met de overige gewestregeringen met toepassing van artikel 6, §2, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
- Naar aanleiding van het bijkomend advies van de Inspectie van Financiën op 3 mei 2024 heeft de Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, zijn akkoord gegeven op 27 mei 2024.
- Het team Omgevingseffecten heeft een beslissing genomen over de opmaak van een plan-MER op 27 mei 2024.
Motivering
Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven:
- Dit initiatief geeft invulling aan doelstellingen uit de Beleidsnota van het beleidsdomein Omgeving 2019-2024. Onder het thema water zit strategische doelstelling (SD) 3: “Plannen maken en uitvoeren met engagementen voor gezond en duurzaam watersysteem”. Daarin zijn de operationele doelstellingen (OD) 1 en 3 opgenomen.
- Er wordt met dit besluit ook invulling gegeven aan het Actieplan Droogte en Wateroverlast.
- Er wordt met dit besluit ook invulling gegeven aan het Vlaams Klimaatadaptatieplan.
Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.
Na beraadslaging,
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
Artikel 1. ( ... - ... )
In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2024, worden in DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (hoofdstuk 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54, 5.55 en 6.9 (grondwater)) de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder “ALGEMEEN” worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) aan de definitie ““bemalingswater”: opgepompt grond- en bodemwater” worden de woorden “bij een bemaling” toegevoegd;
b) aan de definitie ““afvalwater”: het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen” wordt de zinsnede “, en water afkomstig van een drainering” toegevoegd;
c) tussen de definitie “afvalwater” en de definitie “bedrijfsafvalwater” wordt de volgende definitie ingevoegd:
“hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen”: hemelwater afkomstig van:
1° dakoppervlakken en parkeerplaatsen, opstijg-, start-, landingsbanen of -plaatsen en taxiwegen, omlopen voor motorvoertuigen, wandel- en fietspaden;
2° andere verharde oppervlakken die niet behoren tot een ingedeelde inrichting of activiteit;
3° andere verharde oppervlakken die behoren tot een ingedeelde inrichting of activiteit, als er op die oppervlakken geen verontreinigende stoffen terechtkomen ingevolge de activiteiten van die ingedeelde inrichting of activiteit.”;
d) in de definitie ““bedrijfsafvalwater”: alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater” worden de woorden “of koelwater” vervangen door de zinsnede “, koelwater of bemalingswater”;
e) de definitie ““directe lozing in grondwater” : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond” wordt vervangen door de definitie “directe lozing in grondwater: de inleiding in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond van stoffen als vermeld in bijlage 2B, die bij dit besluit is gevoegd, in een zodanige hoeveelheid en concentratie dat er potentieel een gevaar is voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater, op een andere wijze dan via de kunstmatige aanvulling van grondwater of het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater”;
f) de definitie ““indirecte lozing in grondwater” : de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond” wordt vervangen door de definitie “indirecte lozing in grondwater: de inleiding in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond van stoffen als vermeld in bijlage 2B, die bij dit besluit is gevoegd, in een zodanige hoeveelheid en concentratie dat er potentieel een gevaar is voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater, op een andere wijze dan via irrigatie, de kunstmatige aanvulling van grondwater of het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater”;
g) tussen de definitie “indirecte lozing in grondwater” en de definitie “watervoerende laag” wordt de volgende definitie ingevoegd:
“potentieel verontreinigd bemalingswater: bemalingswater dat is opgepompt op een locatie waar verontreinigende stoffen potentieel in het grondwater aanwezig zijn. Daaronder wordt verstaan:
bemalingswater dat afkomstig is van een of meer filters of onttrekkingspunten die hetzij volledig of gedeeltelijk liggen op, hetzij op een afstand van minder dan twintig meter liggen van een perceel dat aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° het perceel behoort tot een risicogrond als vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, tenzij er voor de betreffende risicoactiviteit een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is uitgevoerd;
2° voor het perceel is een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 uitgevoerd;
3° op het perceel heeft zich een schadegeval voorgedaan als vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
4° op minstens een deel van het perceel zijn door de overheid voorwaarden of beperkende maatregelen voor het gebruik van grondwater afgekondigd vanwege de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen;”;
2° onder “GRONDWATER” worden een punt 4° tot en met 16° toegevoegd, die luiden als volgt:
”4° nettodebiet of nettovolume: het volume opgepompt grond- of bemalingswater (al dan niet uitgedrukt per tijdseenheid), verminderd met het volume grond- of bemalingswater dat in dezelfde watervoerende laag wordt teruggebracht als waaruit het is opgepompt;
5° drainering: het gravitair capteren en afvoeren van grond- of bodemwater via een ondergrondse constructie;
6° historische drainering: een drainering die is aangelegd voor 1 mei 1999. Bij volledige vernieuwing van de ondergrondse constructie wordt die niet langer als historische drainering beschouwd;
7° bestaande drainering: een drainering die uiterlijk op 7 oktober 2022 zowel aangelegd is als waarvan akte genomen is. Bij volledige vernieuwing van de ondergrondse constructie wordt die niet langer als bestaande drainering beschouwd;
8° nieuwe drainering: een drainering die na 7 oktober 2022 aangelegd is;
9° infiltratievoorziening: een voorziening voor de opvang van water die geledigd wordt door de insijpeling van het opgevangen water in de bodem en de ondergrond, waarbij het water in de infiltratievoorziening niet in permanente verbinding staat met oppervlaktewater;
10° proefbemaling: pompproef die specifiek voor een bemaling is;
11° proefpomping: putproef of pompproef;
12° pompproef: tijdelijke onttrekking uit een of meer putten, al dan niet gecombineerd met terugbrenging in de ondergrond, waarbij metingen van debiet, peil, kwaliteit of zettingen worden uitgevoerd om de geohydrologische karakteristieken van de ondergrond te bepalen;
13° putproef: tijdelijke onttrekking uit een individuele grondwaterwinning om de maximale capaciteit van een winningsput en het specifieke debiet te bepalen;
14° huishoudelijke doeleinden: gebruiksdoeleinden zoals die voorkomen bij normale huishoudelijke activiteiten bij particuliere wooneenheden;
15° kunstmatig aanvullen van grondwater: het doen toenemen van de hoeveelheid grondwater, al dan niet met de bedoeling om dat grondwater later terug te winnen, als gevolg van menselijke werkzaamheden die tot doel of gevolg hebben dat de natuurlijke aanvulling en infiltratie verhogen. Het kunstmatig aanvullen van grondwater is een actieve aanvulling waarbij een pomp, een installatie of ander materiaal wordt ingezet;
16° droogleggingsproject via regelbare constructie: ingrepen aan of de inzet van ondergrondse of bovengrondse regelbare constructies om een seizoensgebonden of permanente peilverlaging te realiseren. Onder regelbare constructies vallen beweegbare installaties waarmee het peil van een waterloop gestuurd wordt, zoals een pompgemaal of een stuw;”.
Artikel 2. ( 06/10/2024 - ... )
In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2024, wordt afdeling 2.4.3, die bestaat uit artikel 2.4.3.1 tot en met 2.4.3.5, opgeheven.
Artikel 3. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 4.2.1.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 3 mei 2019, wordt de zinsnede “bedrijfsafvalwater en koelwater als vermeld in rubriek 3.4, 3.5 en 3.7;” vervangen door de zinsnede “bedrijfsafvalwater, bemalingswater en koelwater als vermeld in rubriek 3.4, 3.5, 3.7 en 3.8;”.
Artikel 4. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 4.2.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “niet-verontreinigd hemelwater” worden vervangen door de woorden “hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen”;
2° de woorden “soorten afvalwater” worden vervangen door het woord “deelstromen”;
3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het mengsel van bemalingswater met hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, dat samen wordt geloosd zonder dat de verschillende deelstromen apart kunnen worden gecontroleerd, wordt integraal beschouwd als bemalingswater. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden op basis van de verhouding tussen de verschillende deelstromen. Voor een bemaling als vermeld in rubriek 53.5 van de indelingslijst, die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die al gebouwd waren, mogelijk te maken of te houden, kan in de omgevingsvergunning of de aktename van de melding een werkwijze worden vastgesteld om bij lozing van een gemengde stroom, van bemalingswater en van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, het aandeel van beide stromen in het totale dag- en jaardebiet en de emissiegrenswaarden te bepalen.”.
Artikel 5. ( 08/04/2025 - ... )
In hoofdstuk 4.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt de tweede tussentitel “Tussentitel: Metingen en controle bij lozing van bedrijfsafvalwater, koelwater en influent/effluent van waterzuiveringsinstallaties” vervangen door "Tussentitel: Metingen en controle bij lozing van bedrijfsafvalwater, bemalingswater, koelwater en influent/effluent van waterzuiveringsinstallaties “.
Artikel 6. ( 08/04/2025 - ... )
Aan artikel 4.2.6.1, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Bij het nemen van monsters van het geloosde bemalingswater in het kader van de technische controle op de lozing van afvalwater, vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt een staal genomen op een wijze als vermeld in het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, voor monstername van bemalingswater.”.
Artikel 7. ( 08/04/2025 - ... )
Aan hoofdstuk 4.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt een afdeling 4.2.9 toegevoegd, die luidt als volgt:
“Afdeling 4.2.9. Lozing van bemalingswater
Art. 4.2.9.1. §1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het lozen van bemalingswater dat conform de stappen van de bemalingscascade, vermeld in artikel 5.53.6.1.3, artikel 5.53.6.1/1.3 en artikel 5.53.6.5.2, geloosd mag worden.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het lozen van bemalingswater als vermeld in rubriek 3.8 van de indelingslijst.
§2. Het volume en de kwaliteit van het geloosde bemalingswater worden gecontroleerd met een meetmethode conform afdeling 5.53.3 en onderafdeling 5.53.6.1 en 5.53.6.1/1.
§3. Voor het lozen van bemalingswater gelden de volgende lozingsvoorwaarden:
1° onverminderd de emissiegrenswaarden die in dit besluit zijn vastgesteld, wordt de lozing van de gevaarlijke stoffen die zijn opgenomen in bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd, zo veel mogelijk voorkomen door de beste beschikbare technieken toe te passen;
2° voor andere lozingen dan de lozingen, vermeld in punt 3°, gelden de volgende voorwaarden om bemalingswater rechtstreeks of onrechtstreeks in de gewone oppervlaktewateren te lozen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:
a) de pH van het geloosde bemalingswater bedraagt niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5. Voor de bepaling van de grenswaarden van de pH kan de natuurlijke pH van het grondwater, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1, die bij dit besluit is gevoegd, aangenomen worden als die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
b) het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C in het geloosde bemalingswater bedraagt niet meer dan 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
c) in het geloosde bemalingswater worden de volgende gehalten niet overschreden:
1) 0,5 milliliter per liter voor de bezinkbare stoffen (tijdens een statische bezinking van twee uur);
2) 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
3) 5 milligram per liter voor de perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen;
4) 3 milligram per liter voor de som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen;
3° om bemalingswater te lozen in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelden de volgende voorwaarden, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:
a) de pH van het geloosde bemalingswater ligt tussen 6 en 9,5;
b) in het geloosde bemalingswater worden de volgende gehaltes niet overschreden:
1) 1 g/l zwevende stoffen;
2) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
c) het geloosde bemalingswater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geen stoffen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1) ze betekenen een gevaar voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
2) ze kunnen de leidingen beschadigen of verstoppen;
3) ze vormen een beletsel voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
4) ze kunnen een verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken of ze kunnen het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, verontreinigen;
d) om het lozen van bemalingswater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
e) volumes groter dan 10 m³ per uur mogen alleen geloosd worden in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie;
4° gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd, worden alleen geloosd als in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden zijn vastgesteld conform artikel 2.3.6.1 van dit besluit, of als de concentratie lager is dan het indelingscriterium, vermeld in de kolom «indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)» van artikel 3 van bijlage 2.3.1, die bij dit besluit is gevoegd.
§4. Voor bestaande lozingen van bemalingswater gelden nieuwe of geactualiseerde toetsingswaarden als vermeld in paragraaf 3, 4°, binnen een termijn van achttien maanden. Die termijn begint te lopen vanaf de datum van de publicatie van het besluit van de nieuwe of geactualiseerde toetsingswaarden.
In deze paragraaf wordt verstaan onder bestaande lozingen van bemalingswater: de lozingen van bemalingswater die zijn vergund, waarvan akte genomen is, waarvoor een melding is gedaan, of waarvoor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de datum van de publicatie van het besluit van de nieuwe of geactualiseerde toetsingswaarden.
In afwachting gelden de toetsingswaarden, vermeld in paragraaf 3, 4°, als richtwaarde.”.
Artikel 8. ( 08/04/2025 - ... )
Artikel 4.3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 28 oktober 2016, wordt opgeheven.
Artikel 9. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 4.3.1.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in rubriek 52 van de indelingslijst.”;
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
“§1/1. Lozingen van stoffen van lijst I van bijlage 2B.
Elke lozing van stoffen van lijst I van bijlage 2B in het grondwater is verboden.”.
Artikel 10. ( 08/04/2025 - ... )
Aan afdeling 4.3.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en 28 oktober 2016, wordt een artikel 4.3.1.3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 4.3.1.3. §1. Het mengsel van bemalingswater met hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen en dat samen wordt opgepompt zonder dat de verschillende deelstromen apart kunnen worden gecontroleerd, wordt integraal beschouwd als bemalingswater.
§2. Als in de omgevingsvergunning of de aktename van de melding voor een bemaling als vermeld in rubriek 53.5 van de indelingslijst, die noodzakelijk is om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen die al gebouwd werden, mogelijk te maken of te houden, een werkwijze wordt goedgekeurd om bij een gemengde stroom van bemalingswater en van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen, het aandeel van beide stromen in het totaal dag- en jaardebiet te bepalen, kan dat in rekening worden gebracht om het dag- en jaardebiet voor de stroom in kwestie te bepalen.”.
Artikel 11. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 4.3.2.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 3°, inleidende zin, worden de woorden “de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput” vervangen door de zinsnede “tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gebeurt de indirecte lozing via een infiltratievoorziening”;
2° in punt 3°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
“b) zich bevinden op een afstand van ten minste 100 meter van een grondwaterwinning uit een niet-afgesloten watervoerende laag;”;
3° punt 3°, c), wordt opgeheven;
4° in punt 3° wordt punt d) vervangen door wat volgt:
“d) de kwaliteit van het geloosde afvalwater is bemonsterbaar;”;
5° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
“4° a) tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gelden voor de afgevoerde afvalwaters voor de respectieve parameters als emissiegrenswaarden de volgende waarden:
1) de milieukwaliteitsnormen voor grondwater voor ongewenste stoffen en voor toxische stoffen, vermeld in artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
2) de richtwaarde voor grondwater, vermeld in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, als er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
3) voor gevaarlijke stoffen als een waarde voor de stof ontbreekt als vermeld in punt 1) en 2): de rapportagegrens voor grondwater volgens de referentiemeetmethode;
4) Voor bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten geldt een nieuwe, strengere waarde als vermeld in 4° a) 1) tot en met 3), na achttien maanden. Die termijn begint te lopen vanaf de datum van de publicatie van die nieuwe of geactualiseerde waarden. Onder de voormelde bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten worden de ingedeelde inrichtingen of activiteiten verstaan die vergund zijn, waarvan akte genomen is, waarvoor een melding is gedaan, of waarvoor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de datum van de publicatie van die nieuwe waarde;
b) tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt:
1) afvalwater met een geleidbaarheid bij 20 °C hoger dan 1600 μS/cm alleen indirect geloosd als het ontvangende grondwater er dezelfde of een hogere geleidbaarheid heeft;
2) afvalwater met een chlorideconcentratie hoger dan 250 mg/l alleen indirect geloosd als het ontvangende grondwater er dezelfde of een hogere chlorideconcentratie heeft;
3) afvalwater met een temperatuur van meer dan 25 °C alleen indirect geloosd als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere temperatuur heeft;
4) alleen afvalwater met een pH die groter is dan of gelijk is aan 5 en kleiner is dan of gelijk is aan 9,5, indirect geloosd.
6° punt 5 wordt vervangen door wat volgt:
“5° als de openbare weg van openbare riolering is voorzien, is, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten, de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater verboden.”.
Artikel 12. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 4.3.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 7 juni 2013 en 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
“Het bedrijfsafvalwater moet voor het in grondwater geloosd wordt:”;
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede “In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant op zijn kosten in de omgeving van de besterfput tenminste drie grondwatermeetputten aan te leggen teneinde” vervangen door de zinsnede “Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden bij indirect geloosde volumes groter dan 10 m³ per dag of 2500 m³ per jaar in het geval, vermeld in paragraaf 1, in de omgeving van de infiltratievoorziening ten minste drie grondwatermeetputten aangelegd om”.
Artikel 13. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 4.3.2.3, §1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede “de in artikel 4.3.2.1. bedoelde besterfput wordt afgevoerd, groter is dan 10 m³ per dag of 250 m³ per maand of 2.500 m³ per jaar” vervangen door de zinsnede “de infiltratievoorziening, vermeld in artikel 4.3.2.1, wordt afgevoerd, groter is dan 10 m³ per dag of 2500 m³ per jaar”;
2° in punt 1° worden de woorden “in de besterfput geloosde afvalwaters” vervangen door de woorden “afvalwaters die in de infiltratievoorziening worden geloosd”.
Artikel 14. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 4.3.3.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede “, en 52.2, 1°,” opgeheven;
2° in punt 3° wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
“tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gebeurt de indirecte lozing via een infiltratievoorziening die aan de volgende voorwaarden voldoet:”;
3° in punt 3°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
“b) zich bevinden op een afstand van ten minste 100 meter van een grondwaterwinning uit een niet-afgesloten watervoerende laag;”;
4° punt 3°, c), wordt opgeheven;
5° in punt 3° wordt punt d) vervangen door wat volgt:
“d) de kwaliteit van het geloosde afvalwater is bemonsterbaar;”;
6° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
“4° de lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien;”;
7° in punt 5° wordt de zinsnede “in een besterfput geloosd wordt, behandeld” vervangen door de zinsnede “in grondwater geloosd wordt, minimaal behandeld”.
Artikel 15. ( 06/10/2024 - ... )
Aan hoofdstuk 4.3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt een afdeling 4.3.4, die bestaat uit artikel 4.3.4.1.1, toegevoegd, die luidt als volgt:
“Afdeling 4.3.4 Metingen en controle
Subafdeling 4.3.4.1 Beoordeling van de meetresultaten bij controle door de toezichthoudende overheid
Artikel 4.3.4.1.1 §1. De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in rubrieken 52, 53 en 54 van de indelingslijst.
§2. Als bij de analyse van water blijkt dat de waarde die voor de parameters gemeten is, zonder verrekening van precisie en juistheid, hoger is dan twee keer de toetsingswaarde die voor die parameter geldt, wordt de toetsingswaarde geacht te zijn overtreden. Voor de parameters zuurtegraad, temperatuur en voor de stoffen van bijlage 2B wordt de toetsingswaarde evenwel geacht te zijn overtreden als de gemeten waarde, na verrekening van de meetonzekerheidseisen voor die parameters, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2, hoger is dan de toetsingswaarde die voor die parameter geldt. Voor de parameter debiet wordt de toetsingswaarde evenwel geacht te zijn overtreden als de gemeten waarde, na verrekening van een meetonzekerheid van 10%, hoger is dan de toetsingswaarde die voor die parameter geldt.
§3. Als bij de analyse van water blijkt dat de gemeten waarde voor een andere parameter dan debiet, zuurtegraad, temperatuur en de stoffen van bijlage 2B lager is dan of gelijk is aan twee keer de toetsingswaarde die voor die parameter geldt, maar na verrekening van de meetonzekerheidseisen voor die parameter, vermeld in bijlage 4.2.5.2, hoger is dan de toetsingswaarde die voor die parameter geldt, moet worden overgegaan tot de evaluatie van de waarde die voor die parameter gemeten is in een tweede monster. Als de waarde die in dat tweede monster gemeten is, na verrekening van de meetonzekerheidseisen voor die parameters, vermeld in bijlage 4.2.5.2, hoger is dan de toetsingswaarde die voor die parameter geldt, wordt de toetsingswaarde geacht te zijn overtreden.”.
Artikel 16. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.9.7.1, §1, derde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden “de toezichthoudende overheid” vervangen door de zinsnede “een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010,”.
Artikel 17. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.53.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, 1 maart 2013, 18 maart 2016 en 3 mei 2019, wordt de zinsnede “Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning” vervangen door de zinsnede “Het uitvoeren van een boring, aanleggen of wijzigen van de putconstructie van een grondwaterwinning en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning”.
Artikel 18. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 5.53.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.53.2.2. Het grondwaterpeil in elke installatie voor de winning van grondwater, met uitzondering van grondwaterwinningen door middel van vacuümpompen, moet zowel met de winning in rust als in werking altijd gemeten kunnen worden. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt er daarom bij elke installatie voor de winning van grondwater met een diameter van minder dan 600 mm, waarbij het water niet via een bovengrondse pomp wordt opgepompt, in elk boorgat een rechte onvervormbare peilbuis geplaatst met een binnendiameter van ten minste 18 mm. De peilbuis wordt geplaatst conform de voorschriften in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd.”.
Artikel 19. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.53.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “De meetinrichting is” vervangen door de zinsnede “Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de meetinrichting”;
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Artikel 20. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.53.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. De meters worden geplaatst, periodiek gecontroleerd en onderhouden volgens de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater. Per meter wordt overeenkomstig die code van goede praktijk een technisch dossier aangelegd dat ter inzage ligt bij de exploitant en op eenvoudig verzoek kan worden opgevraagd door de ambtenaren die met het toezicht zijn belast. Voor debietmeters die verplicht waren voor 1 juli 2025, bevat het technisch dossier minstens de gegevens vanaf de datum van 1 juli 2025.”;
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
“§4. De aanduidingen die noodzakelijk zijn voor het technische dossier, vermeld in paragraaf 1, zijn op elke meter permanent leesbaar.”;
3° in paragraaf 5 wordt de zin “De exploitant houdt van elke ijking een attest bij dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd.” opgeheven;
4° in paragraaf 6 wordt tussen de zinsnede “aan de toezichthouders.” en de woorden “De stand van de meter” de zin “Voor bemalingen die in rubriek 53.2 van de indelingslijst zijn ingedeeld, kan dat via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen worden meegedeeld.” ingevoegd;
5° in paragraaf 7 wordt de zinsnede “het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving” vervangen door de woorden “de toezichthouder”;
6° paragraaf 8 wordt vervangen door wat volgt:
“§8. De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste dag van elk jaar waarin grondwater is opgepompt en telkens als, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.”;
7° paragraaf 9 wordt opgeheven.
Artikel 21. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 5.53.4.1, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de woorden “inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse” vervangen door de zinsnede “activiteiten die in de eerste klasse ingedeeld zijn van rubriek 53.5.2°, c), 53.6, 53.7, 53.8 en 53.12”.
Artikel 22. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 5.53.4.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.53.4.7. De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m³ per jaar bedraagt, deelt elk jaar op elektronische wijze de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. De exploitant doet die mededeling conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 betreffende het integrale milieujaarverslag. Voor grondwaterwinningen voor openbare watervoorziening kunnen de resultaten, in afwijking van de modelformulieren, vermeld in het voormelde besluit, elektronisch worden bezorgd aan de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering, op een wijze die die entiteit vaststelt.”.
Artikel 23. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.53.5.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. De exploitant stelt een tijdelijk of definitief verlaten grondwaterwinning buiten dienst conform de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd.”;
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Artikel 24. ( 08/04/2025 - ... )
In afdeling 5.53.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt onderafdeling 5.53.6.1, die bestaat uit artikel 5.53.6.1.1 tot en met 5.53.6.1.2, vervangen door wat volgt:
“Onderafdeling 5.53.6.1. Bemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen
Art. 5.53.6.1.1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst.
Art. 5.53.6.1.2. §1. Elke bemaling wordt gedimensioneerd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk.
§2. Een bemalingspomp mag alleen geplaatst worden door een boorbedrijf dat erkend is volgens het VLAREL van 19 november 2010 voor de discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), 1), van het voormelde besluit. Uiterlijk de derde werkdag nadat een bemalingspomp is geplaatst, bezorgt het erkende boorbedrijf van elke debietmeter die bedoeld is voor de registratie van het opgepompte en weer in de ondergrond gebrachte debiet, de volgende informatie via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen:
1° het merk en serienummer;
2° het tijdstip van de plaatsing en de tellerstand op het moment van de plaatsing.
Bij het ontmantelen van de bemalingsinstallatie bezorgt het erkende boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag na de ontmanteling het tijdstip van de ontmanteling en de tellerstand op het moment van de ontmanteling via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.
Als debietmeters worden verplaatst of toegevoegd, gelden de bepalingen van artikel 5.53.3.3, §6.
Het eerste en tweede lid van deze paragraaf zijn niet van toepassing op activiteiten die voor 1 juli 2025 vergund zijn of waarvan akte genomen is, en uiterlijk opgestart zijn op 31 december 2026.
§3. Met behoud van de toepassing van artikel 5.53.3.3, §8, wordt de tellerstand van elke debietmeter op de eerste vijf werkdagen na de opstart en vervolgens wekelijks geregistreerd. Bij die registratie wordt ook de goede werking van de debietmeter gecontroleerd.
In afwijking van artikel 5.53.3.3, §8, hoeft geen tellerstand genoteerd te worden op de laatste dag van het jaar als de bemaling al is stopgezet en de tellerstand met toepassing van paragraaf 2 is doorgegeven via de webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.
Het eerste lid van deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die voor 1 juli 2025 vergund zijn of waarvan akte genomen is, en uiterlijk opgestart zijn op 31 december 2026.
§4. Er wordt per bemaling minimaal één peilput geplaatst met een filter in de watervoerende laag waarin de verlaging beoogd wordt. Die peilput wordt op een zodanige locatie geplaatst dat de peilput representatief is voor het opvolgen van de gewenste grondwaterpeilverlaging en gebruikt kan worden voor de sturing, vermeld in paragraaf 5. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij bouwputten met een omtrek van meer dan 150 meter één bijkomende peilput geplaatst per bijkomende begonnen schijf van 150 meter. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij lijnbemalingen minimaal één peilput per 400 meter traject geplaatst.
Deze paragraaf is niet van toepassing als het bemalingswater gravitair afwatert naar een verzamelput en het bemalingswater vanuit de verzamelput verpompt wordt.
Voor activiteiten die voor 1 juli 2025 zijn vergund of waarvan akte genomen is, gelden de bepalingen van het eerste lid vanaf 1 juli 2026.
§5. De pompen van een bemaling worden zodanig automatisch gestuurd dat het grondwaterpeil niet verder wordt verlaagd dan nodig is om de noodzakelijke verlaging van het grondwaterpeil te bereiken.
Er wordt gestuurd op het grondwaterpeil in de pompput of verzamelput, of op het grondwaterpeil in aparte peilputten.
Bij retourbemalingen mag het technisch minimaal noodzakelijke debiet voor de werking van de retour opgepompt worden.
Om vorstschade te vermijden, mag het hiervoor technisch noodzakelijke minimale debiet verpompt worden.
De noodzakelijke verlaging wordt per bouwfase bepaald en de regeling van de peilsturing wordt bijgesteld naargelang van de vordering van de bouwwerken.
Voor activiteiten die voor 1 juli 2025 zijn vergund of waarvan akte genomen is, gelden de bepalingen van deze paragraaf vanaf 1 juli 2026.
Art. 5.53.6.1.3. §1. Om het effect van de bemaling op de grondwatervoorraad zo veel mogelijk te beperken, wordt een bemalingscascade toegepast waarin in volgorde van prioritering de volgende stappen worden toegepast:
1° stap 1: het beperken van het onttrokken volume bemalingswater als vermeld in paragraaf 2;
2° stap 2: het nuttige gebruik van bemalingswater als vermeld in paragraaf 3;
3° stap 3: het lozen van bemalingswater in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, vermeld in paragraaf 4;
4° stap 4: het lozen van bemalingswater in de openbare riolering, vermeld in paragraaf 5.
§2. Het netto onttrokken volume bemalingswater wordt maximaal beperkt of maximaal weer in de ondergrond gebracht, telkens door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. Bemalingswater weer in de ondergrond brengen is mogelijk door te retourneren via retourputten in de watervoerende laag waaruit het is onttrokken, of door het bemalingswater te infiltreren via een infiltratievoorziening zoals een infiltratieput, een infiltratiebekken of een infiltratiegracht. Het weer in de ondergrond brengen veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voldoet het bemalingswater dat weer in de ondergrond wordt ingebracht, aan:
1° de milieukwaliteitsnormen voor grondwater voor ongewenste stoffen, voor toxische stoffen en voor de pH, vermeld in artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
2° de richtwaarde voor grondwater, vermeld in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, als er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
3° voor gevaarlijke stoffen, als een waarde voor de stof ontbreekt als vermeld in punt 1° en 2°: de rapportagegrens voor grondwater volgens de referentiemeetmethode.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag:
1° bemalingswater met een geleidbaarheid bij 20 °C hoger dan 1600 μS/cm alleen weer in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere geleidbaarheid heeft;
2° bemalingswater met een chlorideconcentratie hoger dan 250 mg/l alleen weer in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere chlorideconcentratie heeft.
Voor bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten geldt een nieuwe, strengere waarde als vermeld in het tweede lid, na achttien maanden. Die termijn begint te lopen vanaf de datum van de publicatie van de nieuwe waarden. Onder bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten worden de ingedeelde inrichtingen of activiteiten verstaan die vergund zijn, waarvan akte genomen is, waarvoor een melding is gedaan, of waarvoor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de publicatie van de nieuwe waarde.
Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt, als het bemalingswater voldoet aan de kwaliteitsvereisten, vermeld in het tweede en derde lid, minstens een gedeelte van het bemalingswater, afkomstig van bemalingen die gekoppeld zijn aan een bouwput die langer actief zijn dan dertig dagen, weer in de ondergrond gebracht als er een infiltratievoorziening aangebracht kan worden, op openbaar domein of op terreinen van de werf, die bereikt kan worden via openbaar domein of via terrein van de werf met een leiding van maximaal 200 meter vanaf de locatie waar de bemalingspomp staat.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de afstand, vermeld in het vijfde lid, verhoogd tot 500 meter voor bemalingen die gekoppeld zijn aan een bouwput die in klasse 1 ingedeeld zijn en die langer dan zes maanden actief zijn.
Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt, als het bemalingswater voldoet aan de kwaliteitsvereisten, vermeld in het tweede en derde lid, bij de delen van de bemalingsinstallatie voor een bouwput die langer actief is dan dertig dagen waarbij de maximale verlaging van het grondwaterpeil meer dan zes meter onder het maaiveld bedraagt, het bemalingswater voor minimaal 75% van het onttrokken debiet weer in de ondergrond gebracht.
Het vijfde, zesde en zevende lid zijn niet van toepassing op activiteiten die voor 1 juli 2025 vergund zijn of waarvan akte genomen is, en die uiterlijk zijn opgestart op 31 december 2026.
§3. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, kan het gedeelte van het bemalingswater dat niet opnieuw in de ondergrond gebracht wordt, nuttig gebruikt worden, behalve het deel van het bemalingswater dat afkomstig is van bemalingsfilters of onttrekkingspunten die hetzij volledig of gedeeltelijk liggen op, hetzij op een afstand van minder dan 20 meter liggen van een perceel dat aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° het perceel behoort tot een risicogrond als vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, tenzij er voor de betreffende risicoactiviteit een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is uitgevoerd;
2° voor het perceel is een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 uitgevoerd;
3° op het perceel heeft zich een schadegeval voorgedaan als vermeld in het VLAREBO-besluit van 27 oktober 2006;
4° op minstens een deel van het perceel zijn door de overheid voorwaarden of beperkende maatregelen voor het gebruik van grondwater afgekondigd vanwege de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen.
Tenzij de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, worden nageleefd, voorziet de exploitant aan elk aftappunt in duidelijke signalisatie dat het water niet bestemd is voor menselijke consumptie.
De exploitant neemt bij het beschikbaar stellen van bemalingswater alle mogelijke maatregelen om bijkomende hinder te voorkomen. Er wordt in aftappunten voorzien op veilig bereikbare plaatsen. Als een motorvoertuig wordt gebruikt om bemalingswater te transporteren, gebeurt het aftappen niet voor 7 uur en niet na 19 uur, en ook niet op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De uren waarop bemalingswater beschikbaar gesteld wordt, worden duidelijk geafficheerd bij het aftappunt.
§4. Het bemalingswater dat niet opnieuw in de ondergrond gebracht wordt of nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, tenzij die conform de beste beschikbare technieken niet bereikbaar zijn.
§5. Lozing op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag bemalingswater niet geloosd worden in de openbare riolering als via openbaar domein een kunstmatige afvoer voor hemelwater of oppervlaktewater bereikt kan worden door een leiding van maximaal 200 meter vanaf de locatie waar de bemalingspomp staat.
Volumes groter dan 10 m³ per uur mogen alleen geloosd worden in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.
De lozing van het bemalingswater veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.
Art. 5.53.6.1.4. Met behoud van de toepassing van artikel 5.53.3.1 wordt in een meetinrichting voorzien zodat per watervoerende laag het volume bemalingswater dat niet opnieuw in de watervoerende laag gebracht kan worden, en het volume bemalingswater dat nuttig gebruikt wordt, bepaald kunnen worden. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de meetinrichting een meetinrichting als vermeld in artikel 5.53.3.2.
In afwijking van artikel 5.53.3.1 wordt een ontluchtingssysteem bij bovengrondse pompen niet beschouwd als een aftappunt, op voorwaarde dat niet-gebruikte aansluitpunten van het ontluchtingssysteem lekdicht afgesloten zijn en de eventueel open delen van het systeem minstens met een aangehecht rooster met openingen van maximaal 50 x 50 mm of met een gelijkwaardig alternatief worden afgedekt.
Art. 5.53.6.1.5. De vereiste verlaging van het grondwaterpeil wordt niet langer aangehouden dan nodig is voor de fase waarin het project, waarvoor de bemaling is aangelegd, zich bevindt.
Als het project waarvoor de bemaling nodig is, door onvoorziene omstandigheden langer dan vier weken stilligt, wordt de bemaling oordeelkundig bijgesteld op basis van een plan van aanpak dat is goedgekeurd door een deskundige. Dat plan van aanpak wordt ter beschikking gehouden van de toezichthouder. Dit lid doet geen afbreuk aan de verplichtingen van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Art. 5.53.6.1.6. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het bemalingswater bemonsterd en geanalyseerd na de aanleg en het schoonpompen van de bemalingsfilters of onttrekkingspunten die hetzij volledig of gedeeltelijk liggen op, hetzij op een afstand van minder dan 20 meter liggen van een perceel dat aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° het perceel behoort tot een risicogrond als vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, tenzij er voor de betreffende risicoactiviteit een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is uitgevoerd;
2° voor het perceel is een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 uitgevoerd;
3° op het perceel heeft zich een schadegeval voorgedaan als vermeld in het VLAREBO-besluit van 27 oktober 2006;
4° op minstens een deel van het perceel zijn door de overheid voorwaarden of beperkende maatregelen voor het gebruik van grondwater afgekondigd vanwege de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen.
Het bemonsteren en analyseren, vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, voor het deeldomein in kwestie, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010. Het bemonsteren gebeurt op het punt waar het bemalingswater de bemalingsinstallatie (met inbegrip van een zandfilter, beluchtings- of bezinkingsbak) verlaat.
De bemalingsinstallatie mag pas in gebruik genomen worden als de analyseresultaten beschikbaar zijn.
Bij het inschakelen van een extra bemalingsfilter die of een onttrekkingspunt dat voldoet aan een van de voorwaarden uit het eerste lid, en die op een afstand van meer dan 20 meter van een reeds geanalyseerde bemalingsfilter of een onttrekkingspunt liggen, worden een nieuwe bemonstering en analyse uitgevoerd. Stillegging van de extra bemalingsfilter of het extra onttrekkingspunt in afwachting van het analyseresultaat is niet vereist.
De te analyseren parameters bij bemalingswater waarop de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, betrekking hebben, zijn minstens:
1° pH, geleidbaarheid en temperatuur;
2° zware metalen: lood (Pb), zink (Zn), cadmium (Cd), koper (Cu), nikkel (Ni), arseen (As), kwik (Hg), chroom 3+ (Cr3+);
3° BTEX: benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen;
4° minerale olie;
5° VOCl: 1,2-dichloorethaan, dichloormethaan, tetrachloormethaan, tetrachlooretheen, trichloormethaan, trichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1- dichloorethaan, cis-1,2-dichlooretheen en trans-1,2-dichlooretheen;
6° vinylchloride.
De te analyseren parameters bij bemalingswater waarop de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, betrekking heeft, zijn de verontreinigende stoffen waarvoor de gebruiksbeperkingen zijn afgekondigd.
De analyse van de parameters, vermeld in het vijfde en zesde lid, kan aangevuld worden met de analyse van andere parameters die als relevant worden beoordeeld op basis van het vooronderzoek.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing als maximaal drie jaar vóór de start van de aanleg van de bemaling op representatieve peilbuizen analyses zijn uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, voor het deeldomein in kwestie, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, op de parameters zoals vereist volgens het vijfde en zesde lid. Een peilbuis is representatief als ze binnen een afstand van 20 meter van de bemalingsinstallatie ligt, en als ze een filterstelling heeft die op een vergelijkbare diepte grondwater onttrekt als de bemalingsinstallatie.
De bepalingen van het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op bemalingsinstallaties die opgestart zijn voor 1 juli 2025. De bepalingen van de overige leden zijn niet van toepassing op bemalingsfilters of onttrekkingspunten die ingeschakeld zijn voor 1 juli 2025.”.
Artikel 25. ( 26/09/2025 - ... )
In afdeling 5.53.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een onderafdeling 5.53.6.1/1, die bestaat uit artikel 5.53.6.1/1.1 tot en met 5.53.6.1/1.4, ingevoegd, die luidt als volgt:
“Onderafdeling 5.53.6.1/1. Bemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren
Art. 5.53.6.1/1.1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.5 van de indelingslijst.
Art. 5.53.6.1/1.2. §1. In afwijking van artikel 5.53.4.1 wordt er bij een vergunningsplichtige bemaling minimaal één peilput geplaatst met een filter in de watervoerende laag waarin de verlaging beoogd wordt. Die peilput wordt op een zodanige locatie geplaatst dat de peilput representatief is voor het opvolgen van de gewenste grondwaterpeilverlaging en gebruikt kan worden voor de sturing, vermeld in paragraaf 2.
Voor activiteiten die voor 1 juli 2025 zijn vergund, gelden de bepalingen van deze paragraaf vanaf 1 juli 2026.
De bepalingen van deze paragraaf gelden niet als het bemalingswater gravitair afwatert naar een verzamelput en het bemalingswater vanuit de verzamelput verpompt wordt.
§2. De pompen van een bemaling worden zodanig automatisch gestuurd dat het grondwaterpeil niet verder wordt verlaagd dan noodzakelijk is.
Er wordt gestuurd op het waterpeil in de pompput of verzamelput, of op het grondwaterpeil in aparte peilputten. De noodzakelijke verlaging wordt per constructie bepaald.
Voor activiteiten die voor 1 juli 2025 zijn vergund of waarvan akte is genomen, gelden de bepalingen van deze paragraaf vanaf 1 juli 2026.
Art. 5.53.6.1/1.3. §1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.5.1, 53.5.2 en 53.5.3 van de indelingslijst, met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 2 die alleen van toepassing zijn op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.5.1 en 53.5.3 van de indelingslijst.
§2. Bij bemalingen mag alleen het lekdebiet verpompt worden. Het netto onttrokken volume bemalingswater wordt maximaal beperkt of maximaal weer in de ondergrond gebracht, telkens door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. Het weer in de ondergrond brengen van het bemalingswater is mogelijk door te retourneren via retourputten, of door te infiltreren via een infiltratievoorziening zoals een infiltratieput, infiltratiebekken of infiltratiegracht. Het weer in de ondergrond brengen veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.
Voor constructies die al voor 1 juli 2025 stedenbouwkundig zijn vergund of waarvan akte genomen is, of zijn aangelegd, geldt deze paragraaf niet, maar worden bij elke wijziging aan de constructieve elementen zo veel mogelijk maatregelen genomen om de bemalingsdebieten te beperken.
§3. Het bemalingswater dat ondanks eventuele beperkende maatregelen nog opgepompt wordt, wordt bij voorkeur en als het voldoet aan de kwaliteitsvereisten van het tweede en derde lid, weer in de ondergrond gebracht. Het weer in de ondergrond brengen van het bemalingswater kan door het te retourneren via retourputten in de watervoerende laag waaruit het is onttrokken, of door het bemalingswater te infiltreren via een infiltratievoorziening zoals een infiltratieput, een infiltratiebekken of een infiltratiegracht.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voldoet het bemalingswater dat weer in de ondergrond wordt gebracht, aan:
1° de milieukwaliteitsnormen voor grondwater voor ongewenste stoffen, voor toxische stoffen en voor de pH, vermeld in artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
2° de richtwaarde voor grondwater, vermeld in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, als er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
3° voor gevaarlijke stoffen als een waarde voor de stof ontbreekt als vermeld in punt 1° en 2°: de rapportagegrens voor grondwater volgens de referentiemeetmethode.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag:
1° bemalingswater met een geleidbaarheid bij 20 °C hoger dan 1600 μS/cm alleen opnieuw in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere geleidbaarheid heeft;
2° bemalingswater met een chlorideconcentratie hoger dan 250 mg/l alleen opnieuw in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere chlorideconcentratie heeft.
Voor bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten geldt een nieuwe, strengere waarde als vermeld in het tweede lid, na achttien maanden. Die termijn begint te lopen vanaf de datum van de publicatie van de nieuwe waarden. Onder bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten worden de ingedeelde inrichtingen of activiteiten verstaan die zijn vergund, waarvan akte genomen is, waarvoor een melding is gedaan, of waarvoor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de publicatie van de nieuwe waarde.
§4. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, kan het deel van het bemalingswater dat niet opnieuw in de ondergrond gebracht kan worden, nuttig gebruikt worden, behalve het deel van het bemalingswater dat afkomstig is van bemalingsfilters of onttrekkingspunten die hetzij volledig of gedeeltelijk liggen op, hetzij op een afstand van minder dan 20 meter liggen van een perceel dat aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° het perceel behoort tot een risicogrond als vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, tenzij er voor de betreffende risicoactiviteit een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is uitgevoerd;
2° voor het perceel is een decretaal bodemonderzoek conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 uitgevoerd;
3° op het perceel heeft zich een schadegeval voorgedaan als vermeld in het VLAREBO-besluit van 27 oktober 2006;
4° op minstens een deel van het perceel zijn door de overheid voorwaarden of beperkende maatregelen voor het gebruik van grondwater afgekondigd vanwege de vermoedelijke of aangetoonde aanwezigheid van verontreinigende stoffen.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verplichtingen van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning als het nuttige gebruik meer dan 5000 m³ per jaar bedraagt.
Tenzij de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie worden nageleefd, voorziet de exploitant aan elk aftappunt in duidelijke signalisatie dat het water niet bestemd is voor menselijke consumptie.
De exploitant neemt bij het beschikbaar stellen van bemalingswater alle mogelijke maatregelen om bijkomende hinder te voorkomen. Er wordt in aftappunten voorzien op veilig bereikbare plaatsen. Als een motorvoertuig wordt gebruikt om bemalingswater te transporteren, gebeurt het aftappen niet voor 7 uur en niet na 19 uur, en ook niet op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De uren waarop bemalingswater beschikbaar gesteld wordt, worden duidelijk geafficheerd bij het aftappunt.
§5. Het bemalingswater dat niet opnieuw in de ondergrond gebracht wordt of nuttig hergebruikt wordt, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, tenzij die conform de beste beschikbare technieken niet bereikbaar zijn.
Lozing van het bemalingswater op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen.
Volumes groter dan 10 m³ per uur mogen alleen geloosd worden in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.
De lozing of het weer in de ondergrond brengen van het bemalingswater veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.
Voor activiteiten die voor 1 juli 2025 zijn vergund of waarvan akte is genomen, gelden de bepalingen van lid 1 en lid 2 van deze paragraaf vanaf 1 juli 2026.
Art. 5.53.6.1/1.4. Met behoud van de toepassing van artikel 5.53.3.1 wordt in een meetinrichting voorzien zodat per watervoerende laag het volume bemalingswater dat niet opnieuw in de watervoerende laag gebracht kan worden, en het volume bemalingswater dat nuttig gebruikt wordt, bepaald kunnen worden. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bestaat de meetinrichting uit een meetinrichting als vermeld in artikel 5.53.3.2.
In afwijking van artikel 5.53.3.1 wordt een ontluchtingssysteem bij bovengrondse pompen niet beschouwd als een aftappunt, op voorwaarde dat niet-gebruikte aansluitpunten van het ontluchtingssysteem lekdicht afgesloten zijn en de eventueel open delen van het systeem minstens met een aangehecht rooster met openingen van maximaal 50 x 50 mm of met een gelijkwaardig alternatief worden afgedekt.”.
Artikel 26. ( 06/10/2024 - ... )
In afdeling 5.53.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een onderafdeling 5.53.6.1/2, die bestaat uit artikel 5.53.6.1/2.1 tot en met 5.53.6.1/2.3, ingevoegd, die luidt als volgt:
“Onderafdeling 5.53.6.1/2. Draineringen
Art. 5.53.6.1/2.1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.3 van de indelingslijst.
Art. 5.53.6.1/2.2. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt een drainering, als die wordt aangelegd vanaf 1 juli 2025, of wanneer de ondergrondse constructie volledig vernieuwd wordt vanaf 1 juli 2025, zo aangelegd dat de afvoer van bodem- en grondwater gestuurd en volledig stopgezet kan worden. De sturing houdt in dat de hoeveelheid bodem- en grondwater die afgevoerd wordt, geregeld wordt op basis van het gebruik van de grond of het terrein. Er mag niet meer en niet langer bodem- en grondwater afgevoerd worden dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.
Het eerste lid is alleen van toepassing binnen de gebieden die de Vlaamse minister aanduidt op advies van de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering. De gebieden worden aangeduid op basis van de volgende criteria:
1° hellingsgraad;
2° doorlatendheid;
3° grondwateraanvoer.
Art. 5.53.6.1/2.3. In afwijking van artikel 5.53.3.1 geldt de opgelegde verplichting om te voorzien in een meetinrichting, niet voor draineringen als vermeld in subrubriek 53.3 van de indelingslijst.”.
Artikel 27. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 5.53.6.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt de zinsnede “vermeld in rubriek 53.6, 1°, van de indelingslijst” vervangen door de zinsnede “vermeld in rubriek 53.6, 1°, en rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst”.
Artikel 28. ( 08/04/2025 - ... )
Aan artikel 5.53.6.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt de volgende zin toegevoegd:
“Spuiwater mag geherinfiltreerd worden in de freatische watervoerende laag, behalve als het afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten.”.
Artikel 29. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 5.53.6.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
“Het grondwater wordt in een leidingsysteem rondgepompt dat fysiek afgesloten is van het water in het gebouwsysteem door een dubbelwandige warmtewisselaar. Bij inrichtingen die vergund zijn vóór 1 juli 2025, mogen enkelwandige warmtewisselaars behouden blijven tot op het moment dat ze vervangen moeten worden. Bij vervanging van de warmtewisselaar wordt een dubbelwandige warmtewisselaar geplaatst.”;
2° in het tweede lid wordt het woord “dubbele” vervangen door het woord “dubbelwandige”;
3° in het derde lid wordt de zinsnede “vermeld onder rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst” vervangen door de zinsnede “vermeld in rubriek 53.6, 3°, en rubriek 53.6, 4°, van de indelingslijst”.
Artikel 30. ( 08/04/2025 - ... )
Artikel 5.53.6.2.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.53.6.2.5. §1. In afwijking van artikel 5.53.4.1, §2, en artikel 5.53.4.2 is voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 3°, van de indelingslijst, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de aanleg van de volgende peilputten verplicht:
1° voor de schijf van 100.001 m³ tot en met 500.000 m³ per jaar vergund debiet: één peilput;
2° voor de schijf van meer dan 500.000 m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 500.000 m³ per jaar vergund debiet met een maximum van drie peilputten.
De peilputten worden aangelegd volgens de regels van het goede vakmanschap, vermeld in artikel 5.53.1.2, 5.53.2.1 en 5.53.2.2. Elke peilput wordt voorzien van peilbuizen met filters in de watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en in alle watervoerende lagen die daarboven liggen. Als de peilbuizen in verschillende peilputten worden geïnstalleerd, worden de gesplitste peilputten maar als één peilput beschouwd bij het bepalen van het aantal peilputten. De ligging van de peilputten moet in overleg met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL, zo worden bepaald dat minstens in één peilput de thermische interferentie van het geothermiesysteem door meting bepaald kan worden. Bij meerdere peilputten wordt de ligging van de bijkomende peilputten zo bepaald dat ofwel de thermische interferentie van het geothermiesysteem door meting bepaald kan worden ofwel de afpompingskegel van de waterwinning in de aangesproken watervoerende laag en de invloed in de bovenliggende watervoerende lagen door meting bepaald kunnen worden. De diameter van de peilbuis in de watervoerende laag waaruit water gewonnen wordt, moet ook het nemen van waterstalen mogelijk maken.
Voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 3°, van de indelingslijst, die aangelegd zijn voor 1 juli 2025, worden peilputten die aangelegd zijn in overeenstemming met artikel 5.53.4.1, §2, ook aanvaard.
§2. In afwijking van artikel 5.53.4.1, §2, en artikel 5.53.4.2 is, voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 4°, van de indelingslijst, de aanleg van peilputten niet verplicht.
§3. Voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 3°, en rubriek 53.6, 4°, van de indelingslijst, wordt in afwijking van artikel 5.53.4.5, §2, het grondwater uit zowel een onttrekkings- als injectiefilter jaarlijks geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als er verschillende bronparen zijn, wordt altijd hetzelfde bronpaar gevolgd en bij voorkeur het paar met het grootste debiet.”.
Artikel 31. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 5.53.6.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, wordt de zinsnede “vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst” vervangen door de zinsnede “vermeld in rubriek 53.6, 3°, en rubriek 53.6, 4°, van de indelingslijst”.
Artikel 32. ( 08/04/2025 - ... )
Artikel 5.53.6.2.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.53.6.2.7. De putten worden geregenereerd op mechanische wijze. Als een chemische reiniging noodzakelijk is, legt de exploitant voorafgaandelijk een plan van aanpak ter goedkeuring voor aan de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar. Spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten, wordt bij voorkeur geherinfiltreerd of, als dat niet mogelijk is, nuttig gebruikt.
Het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten en dat niet geherinfiltreerd of nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, tenzij die conform de beste beschikbare technieken niet bereikbaar zijn.
Lozing van het spuiwater dat niet afkomstig is van de chemische regeneratie van de putten op een openbare riolering, is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Volumes groter dan 10 m³ per uur worden alleen geloosd in een openbare riolering die aangesloten is op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.
De lozing van het spuiwater veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.”.
Artikel 33. ( 08/04/2025 - ... )
Artikel 5.53.6.2.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.53.6.2.9. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, bedraagt bij de inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 1°, rubriek 53.6, 2°, en rubriek 53.6, 3°, de temperatuur van grondwater dat opnieuw wordt geïnjecteerd, maximaal 25 °C.
Voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 3°, en rubriek 53.6, 4°, van de indelingslijst, wordt de temperatuur van het geïnjecteerde grondwater via automatische registratie gevolgd.
Bijkomend wordt voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 3°, in het peilputtennetwerk, zoals verplicht op basis van artikel 5.53.6.2.5, §1, maandelijks een temperatuursmeting ter hoogte van het filterelement in de aangepompte laag uitgevoerd.
De bepalingen van het derde lid gelden vanaf 1 januari 2026.”.
Artikel 34. ( 06/10/2024 - ... )
In onderafdeling 5.53.6.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt een artikel 5.53.6.3.2/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 5.53.6.3.2/1. De exploitant van een grondwaterwinning als vermeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, bezorgt uiterlijk twee jaar voor de geldigheidsperiode van twintig jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning van onbepaalde duur, vermeld in artikel 83, §1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, is verstreken, een rapport dat al de volgende elementen bevat:
1° een evaluatie van de gegevens, vermeld in artikel 5.53.6.3.2 van dit besluit, voor de vergunningsperiode die al is verstreken;
2° een geactualiseerde hydrogeologische studie die minimaal de gegevens bevat, vermeld in addendum RH van de addendabibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd aan de overheid die bevoegd is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en aan de volgende actoren:
1° de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor de grondwateradvisering;
2° het Agentschap voor Natuur en Bos bij winningen uit een niet-afgesloten watervoerende laag als het Agentschap voor Natuur en Bos aangewezen is als adviesinstantie met toepassing van artikel 37, §12, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.
Artikel 35. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.53.6.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, 16 mei 2014 en 18 maart 2016, wordt een punt 4/1° ingevoegd, dat luidt als volgt:
“4/1° alle nieuwe putten binnen het afgebakende waterwingebied of binnen beschermingszone type I liggen. Als er geen waterwingebied of beschermingszone type I afgebakend is, is het toegestaan als de nieuwe grondwaterwinningsputten op een afstand van minder dan tien meter liggen van de putten die al zijn aangelegd;”.
Artikel 36. ( 08/04/2025 - ... )
Aan afdeling 5.53.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een onderafdeling 5.53.6.5, die bestaat uit artikel 5.53.6.5.1 tot en met 5.53.6.5.3, toegevoegd, die luidt als volgt:
“Onderafdeling 5.53.6.5. Proefpompingen en proefbemalingen
Art. 5.53.6.5.1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.1 van de indelingslijst.
Art. 5.53.6.5.2. §1. Tijdens een proef worden minimaal het debiet en het grondwaterpeil in de pompput(ten) geregistreerd. Het meetinterval is voldoende klein om de veranderingen nauwkeurig op te volgen en het meetinterval van debiet en peil zijn op elkaar afgestemd.
§2. Op basis van de resultaten van de proef, vermeld in paragraaf 1, wordt minimaal de doorlatendheid van de watervoerende laag waarin gepompt wordt, bepaald.
De resultaten van de proef, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt in een verslag waarin de gebruikte pomp-, meet-, en interpretatiemethode worden beschreven. Dat verslag wordt binnen negentig dagen na de uitvoering van de proef in digitaal formaat bezorgd aan de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor de grondwateradvisering, tenzij binnen negentig dagen na de uitvoering van de proef een melding of vergunningsaanvraag wordt ingediend waarin dat verslag is opgenomen.
§3. Tijdens de proef, vermeld in pararaaf 1, wordt het onttrokken grondwater met de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk weer in de ondergrond gebracht. Als het technisch of in functie van de parameters die tijdens de proef bepaald worden, niet mogelijk is om het onttrokken grondwater weer in de ondergrond te brengen, wordt het opgepompte grondwater waar mogelijk en als de kwaliteit ervan het toelaat, nuttig gebruikt.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verplichtingen van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning als het nuttige gebruik meer dan 5000 m³ per jaar bedraagt.
Tenzij de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, worden nageleefd, voorziet de exploitant aan elk aftappunt in duidelijke signalisatie dat het water niet bestemd is voor menselijke consumptie.
De exploitant neemt bij het beschikbaar stellen van grondwater alle mogelijke maatregelen om bijkomende hinder te voorkomen. Er wordt in aftappunten voorzien op veilig bereikbare plaatsen. Als een motorvoertuig wordt gebruikt om grondwater te transporteren, gebeurt het aftappen niet voor 7 uur en niet na 19 uur, en ook niet op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie voor de ingedeelde inrichting of activiteit. De uren waarop grondwater beschikbaar gesteld wordt, worden duidelijk geafficheerd bij het aftappunt.
Het grondwater dat niet opnieuw in de ondergrond gebracht wordt of dat niet nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater, tenzij die conform de beste beschikbare technieken niet bereikbaar zijn.
Lozing van het grondwater op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Volumes groter dan 10 m³ per uur mogen alleen geloosd worden in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.
De proef, vermeld in paragraaf 1, veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.
Art. 5.53.6.5.3. §1 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in subrubriek 53.1, 1°, van de indelingslijst.
§2. Tijdens de proefbemaling worden geen uitgravingen onder het natuurlijke grondwaterpeil uitgevoerd.”.
Artikel 37. ( 06/10/2024 - ... )
Aan afdeling 5.53.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een onderafdeling 5.53.6.6, die bestaat uit artikel 5.53.6.6.1, toegevoegd, die luidt als volgt:
“Onderafdeling 5.53.6.6. Andere grondwaterwinningen
Art. 5.53.6.6.1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activiteiten, vermeld in rubriek 53.8 van de indelingslijst.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt voor huishoudelijke doeleinden het grondwatergebruik beperkt tot maximaal 30 m³ per jaar en per gedomicilieerde in de wooneenheden waarvoor de grondwaterwinning gebruikt wordt en tot maximaal 15 m³ per jaar en per geregistreerde in het bevolkingsregister in het kader van gedeeld verblijf voor de betrokken wooneenheden waarvoor de grondwaterwinning gebruikt wordt.
Het is vanaf 1 juli 2025 verboden de vergunningsplichtige grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.8 van de indelingslijst, aan te leggen als ze geheel of gedeeltelijk in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen, zoals bepaald in artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, én niet verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften.
Vergunningsplichtige grondwaterwinningen die langer dan tien jaar in exploitatie zijn, met uitzondering van de grondwaterwinningen waarvan de aanleg uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a), van het VLAREL, worden minimaal één keer om de tien jaar nagekeken en onderhouden door een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a), van het VLAREL dat erkend is volgens de bepalingen van het VLAREL. Bij die controle wordt de staat van de winningsputten, de peilputten en de debietmeters nagekeken op conformiteit met de code van goede praktijk. De conclusies van die controle en alle uitgevoerde en nog uit te voeren aanpassingen en werkzaamheden worden beschreven in een rapport voor de exploitant dat ter inzage van de toezichthouders wordt gehouden.
Voor grondwaterwinningen die voor 1 januari 2020 vergund zijn of waarvan voor 1 januari 2020 akte genomen is, wordt de eerste controle uiterlijk op 31 december 2029 uitgevoerd.”.
Artikel 38. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.54.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt rond de installaties voor het kunstmatig aanvullen van grondwater bij inrichtingen die vergund zijn voor meer dan 30.000 m³ per jaar, een peilmeetnet aangelegd. Dat peilmeetnet omvat zo veel peilputten dat het mogelijk is de invloed van het kunstmatig aanvullen op de grondwaterkwaliteit, op het grondwaterpeil en op de bovengrondse eigendommen te bepalen.
De peilputten worden aangelegd volgens de regels van het goede vakmanschap die zijn opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd.
Elke peilput wordt voorzien van peilbuizen met filters in de watervoerende laag waarin water wordt aangevuld en in alle watervoerende lagen die daarboven liggen. De ligging van de peilputten wordt in overleg met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, bepaald. De diameter van de peilbuis in de watervoerende laag waarin water aangevuld wordt, maakt het mogelijk om waterstalen te nemen.”;
2° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§3. Het kunstmatig aanvullen van grondwater veroorzaakt geen wateroverlast voor derden.”.
Artikel 39. ( ... - ... )
In artikel 5.54.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de volgende peilmetingen uitgevoerd in de peilputten, vermeld in artikel 5.54.2, §1, bij inrichtingen die vergund zijn voor meer dan 30.000 m³ per jaar:
1° ten minste vier metingen met een tussenperiode van minstens een week, voorafgaand aan het opstarten van het kunstmatig aanvullen, waarbij de laatste meting in de week voor de opstart wordt uitgevoerd;
2° ten minste wekelijks gedurende een maand, vanaf de start van het kunstmatig aanvullen;
3° vervolgens maandelijks.
Er wordt telkens geregistreerd wanneer de meting wordt uitgevoerd en of er op dat moment kunstmatig aangevuld wordt. Als er op dat moment niet kunstmatig aangevuld wordt, wordt geregistreerd wanneer de laatste aanvulling gestopt is. Als er meer dan één maand niet meer aangevuld wordt, hoeven er geen peilmetingen meer uitgevoerd te worden. In de week voor de nieuwe opstart wordt het peil eenmalig opnieuw gemeten. Daarna wordt de maandelijkse meetfrequentie, vermeld in het eerste lid, 3°, hernomen.”;
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
“§1/1. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij inrichtingen die vergund zijn onder rubriek 54, a), 2°, 54, a), 3°, 54, b), 1°, 54, b), 2°, of 54, b), 3°, van de indelingslijst, voor meer dan 30.000 m³/j, voor de opstart en vervolgens minstens jaarlijks een staal uit een stroomafwaarts gelegen peilput genomen en een analyse uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, op de parameters, vermeld in artikel 5.54.4, §1, van dit besluit.”;
3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
“§2. De exploitant houdt over de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin de volgende elementen worden ingeschreven:
1° de resultaten van de peilmetingen, vermeld in paragraaf 1;
2° de verslagen van de bemonsteringen en analyses, vermeld in paragraaf 1/1, en artikel 5.54.4, §2, en artikel 5.54.5;
3° de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig is aangevuld.
De exploitant houdt het register, vermeld in het eerste lid, ter inzage van de toezichthoudende overheid.”;
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Artikel 40. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.54.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden paragraaf 1 en 2 vervangen door wat volgt:
“§1. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voldoet het water dat in de ondergrond wordt ingebracht, aan:
1° de milieukwaliteitsnormen voor grondwater voor ongewenste stoffen en voor toxische stoffen, vermeld in artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
2° de richtwaarde voor grondwater, vermeld in bijlage II van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, als er voor de stof geen milieukwaliteitsnorm gedefinieerd is conform artikel 2.4.1.1, §2, eerste lid, van dit besluit;
3° voor gevaarlijke stoffen als een waarde voor de stof ontbreekt als vermeld in punt 1° en 2°: de rapportagegrens voor grondwater volgens de referentiemeetmethode.
Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag:
1° water met een geleidbaarheid bij 20 °C hoger dan 1600 μS/cm alleen in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere geleidbaarheid heeft;
2° water met een chlorideconcentratie hoger dan 250 mg/l alleen in de ondergrond gebracht worden als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere chlorideconcentratie heeft;
3° water met een temperatuur van meer dan 25 °C alleen in de ondergrond worden ingebracht als het ontvangende grondwater dezelfde of een hogere temperatuur heeft;
4° alleen water met een pH groter dan of gelijk aan 5 en kleiner dan of gelijk aan 9,5 in de ondergrond worden ingebracht.
Voor bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten geldt een nieuwe, strengere waarde als vermeld in het eerste lid, na achttien maanden. Die termijn begint te lopen vanaf de datum van de publicatie van die nieuwe waarden. Onder bestaande ingedeelde inrichtingen of activiteiten worden de ingedeelde inrichtingen of activiteiten verstaan die vergund zijn, waarvan akte genomen is, waarvoor een melding is gedaan, of waarvoor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is ingediend voor de publicatie van de nieuwe waarde.
§2. Voor met het kunstmatig aanvullen gestart mag worden, worden ten minste twee bemonsteringen en analyses uitgevoerd van het water dat in de ondergrond wordt ingebracht. Voor die bemonsteringen en analyses gelden de volgende voorwaarden:
1° ze worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, voor het deeldomein in kwestie, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010;
2° de bemonsteringen worden uitgevoerd met een tussenpauze van ten minste een week en zijn maximaal drie maanden oud bij de start van de aanvulling;
3° de analyses worden uitgevoerd voor minstens de volgende parameters:
a) pH, geleidbaarheid (in µS/cm bij 20 °C) en temperatuur (in °C);
b) anionen (in mg/l): sulfaat (SO4--), chloride (Cl-), carbonaat (CO3-), waterstofcarbonaat (HCO3);
c) kationen (in mg/l): calcium (Ca++), kalium (K+), natrium (Na+), magnesium (Mg++);
d) ongewenste stoffen (in mg/l): nitriet (NO2-), nitraat (NO3-), ammonium (NH4+), fluoride (F-) en mangaan (Mn++);
e) metalen (in µg/l): lood (Pb), zink (Zn), cadmium (Cd), koper (Cu), nikkel (Ni), arseen (As), kwik (Hg), chroom 3+ (Cr3+), ijzer totaal;
f) BTEX (in µg/l): benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen;
g) minerale olie (in µg/l);
h) VOCl (in µg/l): 1,2-dichloorethaan, dichloormethaan, tetrachloormethaan, tetrachlooretheen, trichloormethaan, trichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1- dichloorethaan, cis-1,2-dichlooretheen en trans-1,2-dichlooretheen;
i) vinylchloride (in µg/l);
j) pesticide totaal (in µg/l) en individuele pesticiden, met inbegrip van de relevante metabolieten die naar alle waarschijnlijkheid kunnen voorkomen, beide via een LC-MS-analyse.”.
Artikel 41. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 5.54.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 16 mei 2014 en 21 mei 2021, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 5.54.5. Na de start van het kunstmatig aanvullen worden bemonsteringen en analyses uitgevoerd van het water dat in de ondergrond wordt ingebracht. Voor die bemonsteringen en analyses gelden de volgende voorwaarden:
1° ze worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, voor het deeldomein in kwestie, als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010;
2° tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of de activiteit, worden de bemonstering en analyses:
a) minstens jaarlijks uitgevoerd voor elk van de parameters, vermeld in artikel 5.54.4, §2, 3°, van dit besluit;
b) minstens driemaandelijks uitgevoerd voor:
i. pH, geleidbaarheid en temperatuur;
ii. de parameters, vermeld in artikel 5.54.4, §2, 3°, waarvoor in de voorafgaande jaarlijkse analyse, vermeld in punt a), meer dan 50% van de toetsingswaarde, vermeld in artikel 5.54.4, §1, van dit besluit, is aangetroffen. De parameters, vermeld in artikel 5.54.4, §2, 3°, b) en c), worden daarbij uitgezonderd;
c) de analyses kunnen aangevuld worden met de analyse van andere parameters dan de parameters, vermeld in artikel 5.54.4, §2, 3°, van dit besluit, die als relevant worden beoordeeld op basis van het vooronderzoek.”.
Artikel 42. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.55.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 18 maart 2016 en 3 mei 2019, worden de woorden “uitvoeren en” vervangen door de zinsnede “uitvoeren van een boring, aanleggen of wijzigen van de constructie in een boorgat en”.
Artikel 43. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 5.55.2.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
“§2. Als het gebruik van een antivriesmiddel noodzakelijk is, worden alleen toegelaten antivriesmiddelen gebruikt, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.
Toegelaten antivriesmiddelen zijn monopropyleenglycol of bietenderivaat. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de toegelaten antivriesmiddelen aanvullen of wijzigen. De toegelaten antivriesmiddelen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Milieumaatschappij kan alleen een antivriesmiddel toelaten of wijzigen als het gebruik van het antivriesmiddel bij een accidenteel lek niet leidt tot een aantasting van de kwaliteit van het grondwater die ernstiger is dan bij een lek van monopropyleenglycol.”.
Artikel 44. ( 08/04/2025 - ... )
Aan deel 5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021, wordt een hoofdstuk 5.64, dat bestaat uit artikel 5.64.1, toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Hoofdstuk 5.64. Irrigatie voor landbouwdoeleinden
Art. 5.64.1. Voor inrichtingen als vermeld in rubriek 64 van de indelingslijst, worden geen sectorale voorschriften bepaald. De algemene bepalingen en eventuele bijzondere voorwaarden zijn onverminderd van toepassing.”.
Artikel 45. ( 26/09/2025 - ... )
Aan deel 5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021, wordt een hoofdstuk 5.65, dat bestaat uit artikel 5.65.1, toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Hoofdstuk 5.65. Droogleggingsprojecten via regelbare constructies voor landbouwdoeleinden
Art. 5.65.1. Voor inrichtingen als vermeld in rubriek 65 van de indelingslijst, worden geen sectorale voorschriften bepaald. De algemene bepalingen en eventuele bijzondere voorwaarden zijn onverminderd van toepassing.”.
Artikel 46. ( 26/09/2025 - ... )
In het opschrift van afdeling 6.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden “Lozing van niet-verontreinigd hemelwater en of bemalingswater” vervangen door de zinsnede “Niet-ingedeelde lozingen van hemelwater, van bemalingswater”.
Artikel 47. ( 26/09/2025 - ... )
In artikel 6.2.2.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, 27 november 2015 en 3 mei 2019, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
“§5. Bemalingswater mag pas geloosd worden als dat conform de stappen van de bemalingscascade, vermeld in artikel 5.53.6.1.3, 5.53.6.1/1.3 en 5.53.6.5.2, is toegelaten.
Het te lozen bemalingswater dat voor de lozing niet ingedeeld is, voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° de pH van het geloosde bemalingswater bedraagt niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5. Voor de bepaling van de grenswaarden van de pH kan de natuurlijke pH van het grondwater, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1, die bij dit besluit is gevoegd, aangenomen worden als die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
2° het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C in het geloosde bemalingswater bedraagt niet meer dan 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
3° in het geloosde bemalingswater wordt 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen niet overschreden.
Volumes groter dan 10 m³ per uur worden alleen geloosd in een openbare riolering die is aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, na de uitdrukkelijke toelating van de exploitant van die installatie.”.
Artikel 48. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 6.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede “, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen,” wordt telkens opgeheven;
2° de zinsnede “Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring” wordt vervangen door de zinsnede “Het uitvoeren van een boring, aanleggen of wijzigen van de putconstructie van een grondwaterwinning of de constructie in een boorgat, en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning of boring”;
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De bepalingen van het tweede lid zijn van toepassing vanaf 1 juli 2025 voor grondwaterwinningen voor handpompen.”.
Artikel 49. ( 06/10/2024 - ... )
In afdeling 6.9.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een artikel 6.9.1.1quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 6.9.1.1quater §1. De grondwaterwinning wordt uitgerust met een meetinrichting, die geplaatst wordt voor het eerste aftappunt van het gewonnen grondwater.
De meetinrichting wordt zo geïnstalleerd dat het opgepompte volume grondwater per watervoerende laag getotaliseerd kan worden.
Als zich tussen de meetinrichting en de kop van de put een verwijderbaar stuk bevindt, kan dat verzegeld worden door de ambtenaren die met het toezicht belast zijn.
Deze paragraaf geldt niet voor winningen waaruit het water uitsluitend met een hand-, voet- of neuspomp wordt opgepompt, en voor draineringen.
§2. De meetinrichting wordt geplaatst volgens de code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater.
§3. Elke meetinrichting meet en totaliseert het volume van het doorstromende water.
Op de plaats van de meting kan het totale volume eenvoudig afgelezen worden.
De meter wordt zo geplaatst en aangesloten dat al het doorstromende water gemeten wordt, in het bijzonder als de meting elektriciteit vereist.
De mogelijkheid om de aanduiding van het onttrokken volume uit te schakelen, te verzetten of op een andere wijze te wijzigen, kan verzegeld worden door de ambtenaren die met het toezicht zijn belast.
§4. Elke meter wordt zo geplaatst dat een aflezing altijd in alle veiligheid kan plaatsvinden en dat beschadiging of verstoring van de meting vermeden wordt.
§5. De aanduidingen, vermeld in paragraaf 3, zijn op elke meter permanent leesbaar.
§6. Elke meter wordt herijkt met een periodiciteit en volgens de voorschriften in de wetgeving in kwestie.
De ijking wordt uitgevoerd door een ijkingsinstelling die daarvoor is gemachtigd.
De exploitant houdt van elke ijking een attest bij dat op eenvoudig verzoek wordt voorgelegd aan de ambtenaren die met het toezicht belast zijn.
§7. Elke meter die om welke reden ook wordt weggenomen, wordt zo spoedig mogelijk vervangen.
De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen in een register genoteerd.
§8. De ambtenaren die met het toezicht zijn belast, kunnen een meetinrichting of een onderdeel ervan verzegelen.
Als het zegel verbroken wordt, wordt de toezichthouder zo spoedig mogelijk verwittigd.
§9. De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste dag van elk jaar waarin grondwater is opgepompt, en telkens als, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.
§10. Voor inrichtingen die voor 1 juli 2025 zijn geïnstalleerd, gelden de bepalingen van dit artikel vanaf 1 juli 2035.”.
Artikel 50. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 6.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
“§2. Alleen als alle druktesten, vermeld in hoofdstuk 3 van bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water antivriesmiddel worden toegevoegd. Toegelaten antivriesmiddelen zijn monopropyleenglycol of bietenderivaat. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de toegelaten antivriesmiddelen wijzigen of aanvullen, zoals bepaald in artikel 5.55.2.7, §2, van dit besluit. De toegelaten antivriesmiddelen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.”.
Artikel 51. ( 08/04/2025 - ... )
Artikel 6.9.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 en opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
“Art. 6.9.1.4. §1. Elke bemaling wordt gedimensioneerd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk.
§2. Een bemalingspomp mag alleen geplaatst worden door een boorbedrijf dat erkend is conform het VLAREL van 19 november 2010, voor de discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), 1), van het voormelde besluit. Uiterlijk de derde werkdag nadat een bemalingspomp is geplaatst, bezorgt het erkende boorbedrijf van elke debietmeter die bedoeld is voor de registratie van het opgepompte en terug in de ondergrond gebrachte debiet, de volgende informatie via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen:
1° het merk en het serienummer;
2° het tijdstip van de plaatsing en de tellerstand op het moment van de plaatsing.
Bij het ontmantelen van de bemalingsinstallatie bezorgt het erkende boorbedrijf uiterlijk de derde werkdag na de ontmanteling het tijdstip van de ontmanteling en de tellerstand op het moment van de ontmanteling via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.
Elke debietmeter die om welke reden ook weggenomen wordt, wordt zo spoedig mogelijk vervangen. Elke verwijdering en terugplaatsing van een debietmeter wordt onmiddellijk meegedeeld aan de toezichthouders. Dat kan via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen. De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register.
§3. Om het effect van de bemaling op de grondwatervoorraad zo veel mogelijk te beperken, worden, in volgorde van prioritering, de volgende stappen toegepast:
1° het beperken van het onttrokken volume bemalingswater;
2° het nuttige gebruik van bemalingswater;
3° het lozen van bemalingswater in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater;
4° het lozen van bemalingswater in de openbare riolering.
§4. De vereiste verlaging van het grondwaterpeil wordt niet langer aangehouden dan nodig is voor de fase waarin het project, waarvoor de bemaling is aangelegd, zich bevindt.
De bemaling mag nooit langer dan veertien dagen actief zijn. De exploitant neemt de vereiste maatregelen naar stabiliteit van de uitgraving en aanwezige constructies om de bemaling altijd te kunnen stopzetten na veertien dagen.”.
Artikel 52. ( 06/10/2024 - ... )
In het opschrift van afdeling 6.9.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt het woord “indirecte” opgeheven.
Artikel 53. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 6.9.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 6.9.2.1. Huishoudelijk afvalwater wordt minimaal behandeld conform de algemene voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.2.3.1 en 6.2.2.4.1, voor het in een infiltratievoorziening geloosd wordt.”.
Artikel 54. ( 06/10/2024 - ... )
In artikel 6.9.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin wordt het woord “indirecte” opgeheven;
2° in punt 3°, inleidende zin, wordt het woord “besterfput” vervangen door het woord “infiltratievoorziening”;
3° punt 3°, b), wordt opgeheven;
4° punt 3°, c), wordt opgeheven;
5° in punt 3° wordt punt d) vervangen door wat volgt:
“d) de kwaliteit van het geloosde afvalwater moet bemonsterbaar zijn;”;
6° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
“4° lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien.”;
7° punt 5° wordt opgeheven.
Artikel 55. ( ... - ... )
In bijlage 1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in indelingsrubriek 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het opschrift van de rubrieksomschrijving worden de woorden "Afvalwater en koelwater" vervangen door de zinsnede "Lozen van afvalwater en koelwater, op een andere wijze dan de wijze, vermeld in rubriek 52 en 54";
b) aan punt 2 worden een punt h), een punt i) en een punt j) toegevoegd, die luiden als volgt:
"h) de lozing van bemalingswater dat uitgezonderd is in rubriek 53;
i) het lozen van de spui van het mechanisch regenereren van de grondwaterwinningen voor thermische energieopslag;
j) het lozen van waswater, afkomstig van de reiniging van wanden van tunnels, op voorwaarde dat de gebruikte detergenten volledig biologisch afbreekbaar zijn conform verordening 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de detergentia.";
2° er wordt een indelingsrubriek 3.8 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Rubriek 3.8.
3° indelingsrubriek 52 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-kingen
coör-
dinatoraudit
jaar-verslag
VLAREBO
3.8.
Het lozen van bemalingswater, afkomstig van een bemaling, ingedeeld in rubriek 53.1, 1°, 53.2 of 53.5.
Opmerkingen:
Het toepassen van een afvalwaterzuiveringsinstallatie is inbegrepen in deze rubriek.
De volgende inrichtingen zijn niet ingedeeld in deze rubriek:
a) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bemalingswater dat geen gevaarlijke stoffen bevat als vermeld in bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd, in concentraties die hoger zijn dan de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, § 3, 4°, van dit besluit;
b) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bemalingswater dat geen gevaarlijke stoffen bevat als vermeld in bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd, in concentraties die hoger zijn dan tien keer de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, § 3, 4°, van dit besluit, met een maximaal debiet van 1000 m3 per dag bij een bemaling met een duur van maximaal zes maanden;
c) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van ander bemalingswater dan potentieel verontreinigd bemalingswater van maximaal 1000 m3 per dag bij een bemaling van maximaal zes maanden;
d) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van ander bemalingswater dan potentieel verontreinigd bemalingswater van maximaal 1000 m3 per dag bij een bemaling voor de aanleg van lijninfrastructuur met openbaar karakter voor de duur van de werken.
1°
met een geloosd debiet van maximaal 2500 m3 per dag
a) afkomstig van een bemaling met een duur van maximaal twaalf maanden, en de concentraties aan gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd, zijn lager of gelijk aan 1) voor de prioritair gevaarlijke stoffen: de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, § 3, 4°, van dit besluit, en 2) voor de overige gevaarlijke stoffen tien keer de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, § 3, 4°, van dit besluit
b) afkomstig van een andere bemaling dan de bemaling, vermeld in 1°, a)
3
2
M,T
2°
met een geloosd debiet van meer dan 2500 m3 per dag
1
M,T
4° indelingsrubriek 52.1 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijving
klasseopmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
52.
Indirecte lozingen in grondwater
Uitzonderingen:
1° indirecte lozingen in grondwater waarvoor een toelating verleend is of een melding met aktename gedaan is overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 houdende reglementering inzake de kwaliteit en de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water;
2° op voorwaarde dat de wettelijke bepalingen worden toegepast:
a) de uitspreiding van meststoffen en pesticiden;
b) de injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die door hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden;
c) het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir.
5° indelingsrubriek 52.2 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
52.1.
handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszone type I, II of III
52.1.1.
indirecte lozing in grondwater:
1°
indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater
2
W
2°
indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater
1
M,W
A
P
O
6° in indelingsrubriek 53 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-verslag
VLAREBO
52.2.
handelingen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II of III:
Uitzondering: 1° indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater is niet ingedeeld.
2° indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater
2
W
O
a) punt b wordt vervangen door wat volgt:
"b. een grondwaterwinning tot maximaal 150 m3 per jaar, waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt;";
b) er worden een punt c en een punt d toegevoegd, die luiden als volgt:
"c. een bemaling met een netto opgepompt debiet van maximaal 150 m3 per jaar, noodzakelijk om een van de volgende activiteiten uit te voeren:
1) het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk maken of houden;
2) onderhoudswerken uitvoeren aan die constructies die op het terrein aanwezig zijn, en voor andere toepassingen dan de toepassingen die ingedeeld zijn in rubriek 53.5, 1°, of 53.5, 2°, van de indelingslijst;
d. een bemaling die technisch noodzakelijk is voor de volledige verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, of die uitgevoerd wordt in het kader van een archeologisch vooronderzoek als vermeld in en conform het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met inbegrip van het opnieuw in de ondergrond brengen van bemalingswater, met een opgepompt debiet van minder dan 1000 m3 per dag en minder dan 10.000 m3 per jaar en een verlaging van het grondwaterpeil tot maximaal vier meter onder het maaiveld gedurende een periode van maximaal veertien dagen na de opstart van de bemaling. Het nuttige gebruik tot 5000 m3 bemalingswater per jaar is inbegrepen in deze uitzondering.";
c) na het nieuw ingevoegde punt d wordt de volgende zinsnede ingevoegd:
"De hierna vermelde inrichtingen zijn niet ingedeeld, ongeacht de ligging in beschermingszone type III: een drainering bij particuliere wooneenheden uitvoeren of ter naleving van wettelijke verplichtingen voor de exploitatie van inrichtingen of voor de exploitatie van openbare wegen (met inbegrip van tunnels) of infrastructuur voor openbaar vervoer";
7° in indelingsrubriek 53.1 wordt in de tabel de rij:
vervangen door de rij
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.1.
boren van grondwaterwinningsputten of grondwaterwinning voor de uitvoering van proefpompingen gedurende minder dan drie maanden
3
8° indelingsrubriek 53.2 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.1.
aanleg en exploitatie van een grondwaterwinning, met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van grondwater in dezelfde watervoerende laag en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m3 grondwater, voor de uitvoering van:
1° proefbemalingen gedurende minder dan één maand;
2° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bemalingen gedurende minder dan drie maanden.
3
3
9° indelingsrubriek 53.3 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijving
klasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.2.
bemaling die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van werken of de aanleg van nutsvoorzieningen, allebei met inbegrip van het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater en het nuttige gebruik tot maximaal 5000 m3 bemalingswater per jaar:
1°
met een netto opgepompt volume per IIOA van maximaal 30.000 m3;
3
2°
met een netto opgepompt volume per IIOA van meer dan 30.000 m3 en maximaal 180.000 m3, en
a)
de verlaging van het grondwaterpeil wordt beperkt tot maximaal vier meter onder het maaiveld, en
1°
het netto opgepompt volume per dag bedraagt maximaal 1000 m3;
3
2°
het netto opgepompt volume per dag bedraagt meer dan 1000 m3;
2
W,T
N
b)
de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt minstens voor een deel van de bemaling meer dan vier meter onder het maaiveld
2
W, T
N
3°
met een netto opgepompt volume per IIOA van meer dan 180.000 m3
1
W, T
N
10° indelingsrubriek 53.3 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijving
klasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.3.
drainering om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden, met inbegrip van herinfiltratie en lozing van drainagewater.
Als het gedraineerde grondwater niet gravitair wordt afgevoerd, geldt naargelang de toepassing rubriek 53.2, 53.5, 53.8, 53.9, 53.10 of 53.11, en niet rubriek 53.3.
1° een drainering voor landbouwdoeleinden op aaneengesloten percelen met een oppervlakte van 50 ha of meer
2° andere bestaande drainering dan de drainering, vermeld in punt 1°
3° andere historische drainering dan de drainering, vermeld in punt 1° en punt 2°
4° nieuwe drainering, die minstens gedeeltelijk in of op een afstand van minder dan 500 meter van speciale beschermingszones of het Vlaams Ecologisch Netwerk of "valleigebied" of "vallei- en brongebied" ligt
5° andere drainering, dan de drainering, vermeld in punt 1°, punt 2°, punt 3° en punt 4°
1
3
3
2
3
N
11° indelingsrubriek 53.4 wordt opgeheven;
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.3.
drainering om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden, met inbegrip van herinfiltratie en lozing van drainagewater.
Als het gedraineerde grondwater niet gravitair wordt afgevoerd, geldt naargelang de toepassing rubriek 53.2, 53.5, 53.8, 53.9, 53.10 of 53.11, en niet rubriek 53.3.
1° een drainering voor landbouwdoeleinden op aaneengesloten percelen met een oppervlakte van 50 ha of meer
2° andere bestaande drainering dan de drainering, vermeld in punt 1°
3° andere historische drainering dan de drainering, vermeld in punt 1° en punt 2°
a) die minstens gedeeltelijk in of op een afstand van minder dan 500 meter van een habitatrichtlijngebied (SBZ-H) ligt
b) andere drainering dan de drainering, vermeld in a) 4° andere drainering dan de drainering, vermeld in punt 1°, punt 2° en punt 3°, die minstens gedeeltelijk in of op een afstand van minder dan 500 meter van speciale beschermingszones of het Vlaams Ecologisch Netwerk of "valleigebied" of "vallei- en brongebied" ligt
5° andere drainering dan de drainering, vermeld in punt 1°, punt 2°, punt 3° en punt 4°
1
3
2
3
2
3
N
N
N
12° indelingsrubriek 53.5 wordt vervangen door wat volgt:
13° indelingsrubriek 53.6 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.5.
bemaling noodzakelijk om:
1) het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden;
2) onderhoudswerken uit te voeren aan de constructies die op het terrein aanwezig zijn.
In deze rubriek is inbegrepen: het nuttige gebruik van bemalingswater tot maximaal 5000 m3 per jaar en het weer in de ondergrond brengen van bemalingswater.
De bemaling is noodzakelijk voor:
1° de exploitatie van openbare wegen (met inbegrip van tunnels) of infrastructuur voor openbaar vervoer
a) met een netto opgepompt debiet van maximaal 30.000 m3 per jaar
b) met een netto opgepompt debiet van meer dan 30.000 m3 per jaar;
3
2
W
2° de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden, ook als dat water wordt gebruikt voor de openbare watervoorziening, als de diepte van de waterwinning:
a)
minder dan 10 m bedraagt, met een opgepompt debiet van maximaal 5000 m3 per jaar;
3
b)
minder dan 10 m bedraagt, met een opgepompt debiet van meer dan 5000 m3 per jaar tot en met 30.000 m3 per jaar;
2
W
N
c)
10 m of meer bedraagt, of met een opgepompt debiet van meer dan 30.000 m3 per jaar;
1
W
N
3° voor andere doeleinden dan de doeleinden, vermeld in punt 1° en 2°
a)
met een netto opgepompt debiet van meer dan 150 m3 per jaar tot maximaal 5000 m3 per jaar;
3
b)
met een netto opgepompt debiet van meer dan 5000 m3 per jaar tot en met 30.000 m3 per jaar;
2
W
N
c)
met een netto opgepompt debiet van meer dan 30.000 m3 per jaar
1
W
N
14° in indelingsrubriek 53.7 wordt de zinsnede "en 53.4" opgeheven;
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
53.6.
aanleg en exploitatie van een grondwaterwinning die gebruikt wordt voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, met inbegrip van terugpompingen en het nuttige gebruik van het spuiwater:
1°
met een opgepompt debiet van maximaal 30.000 m3/jaar, en
a) alle putten hebben een diepte die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart die is opgenomen in bijlage 2quater, die bij dit besluit is gevoegd;
b) minstens 1 put heeft een diepte die groter is dan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart die is opgenomen in bijlage 2quater, die bij dit besluit is gevoegd, en alle putten zijn minder diep dan 500 m ten opzichte van het maaiveld;3
2
W
N
2°
3°met een opgepompt debiet van meer dan 30.000 m3/jaar en maximaal 100.000 m3/jaar, en alle putten zijn minder diep dan 500 m ten opzichte van het maaiveld;
met een opgepompt debiet van meer dan 100.000 m3/jaar, en alle putten zijn minder diep dan 500 meter ten opzichte van het maaiveld2
1W
WN
N
4°
met een diepte van 500 m of meer ten opzichte van het maaiveld.
1
W, N
N
15° in indelingsrubriek 53.8 wordt in de vierde kolom, onder "opmerkingen" voor de letter "W" telkens de zinsnede "T," ingevoegd;
16° indelingsrubriek 53.10 wordt opgeheven;
17° in indelingsrubriek 53.11, 1°, wordt de zinsnede "terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, en met een netto onttrokken debiet van 2500 m3 per dag of meer" vervangen door de zinsnede "het weer in de ondergrond brengen van grondwater, met een netto onttrokken debiet van 2500 m3 per dag of meer, andere dan die welke ingedeeld zijn in rubriek 53.11, 2° ";
18° indelingsrubriek 54 wordt vervangen door wat volgt:
"Rubriek 54 - kunstmatig aanvullen van grondwater (op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in rubriek 52, 53.1, 53.2, 53.5, 53.6, 53.12 en 64)
19° indelingsrubriek 55.1 wordt vervangen door wat volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
54.
het kunstmatig aanvullen van grondwater
Opmerking:
Onder deze rubriek valt niet:
a. de infiltratie in de verzadigde en in de onverzadigde zone van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;
b. de infiltratie van water via bekkens voor openbare watervoorziening;
c. de irrigatie, zowel oppervlakkig als rechtstreeks in de wortelzone.
a) met een debiet van minder dan 2500 m3 per dag, en de inbrenging van het water gebeurt:
1° volledig in de onverzadigde zone of via een bovengrondse infiltratievoorziening;
2° minstens gedeeltelijk in de verzadigde zone van een freatische watervoerende laag, en niet via een bovengrondse infiltratievoorziening;
3° minstens gedeeltelijk in de verzadigde zone, en niet volledig in een freatische watervoerende laag.
2
1
1
W
W
W
N
N
N
b) met een debiet van 2500 m3 per dag of meer, en de inbrenging van het water gebeurt:
1° volledig in de onverzadigde zone of via een bovengrondse infiltratievoorziening;
1
W
N
2° minstens gedeeltelijk in de verzadigde zone van een freatische watervoerende laag, en niet via een bovengrondse infiltratievoorziening;
1
W
N
3° minstens gedeeltelijk in de verzadigde zone, en niet volledig in een freatische watervoerende laag.
1
W
N
20° in indelingsrubriek 55.2 wordt de zinsnede "boringen vanaf een diepte van 500 meter ten opzichte van het maaiveld" vervangen door de zinsnede "boringen vanaf een diepte van 500 meter ten opzichte van het maaiveld, die niet ingedeeld zijn in de rubriek 53.6.3";
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
55.1.
andere verticale boringen dan de boringen, vermeld in rubriek 52, 53, 54 en 55.3.
De volgende boringen zijn niet ingedeeld:
1) boringen voor de aanleg van peilputten in het kader van bodem- en grondwateranalyses;
2) boringen voor de aanleg van peilputten ter naleving van de milieuvoorwaarden voor de exploitatie van inrichtingen;
3) boringen ter naleving van wettelijke verplichtingen;
4) funderingsboringen;
5) geotechnische boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond tot 2,5 m onder het maaiveld.
De volgende boringen die buiten beschermingszone type III liggen, zijn niet ingedeeld:
1) geotechnische boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond dieper dan 2,5 m onder het maaiveld;
2) boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten waarvan de diepte beperkt blijft tot maximaal het dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2quinquies, die bij dit besluit is gevoegd.
1° tot en met een diepte van het dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2quinquies bij dit besluit, en die liggen buiten een beschermingszone type III;
2° dieper dan het dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2quinquies bij dit besluit, of die liggen binnen een beschermingszone type III, met een diepte van minder dan 500 meter ten opzichte van het maaiveld.3
2
W
N
21° indelingsrubriek 60 wordt vervangen door wat volgt:
22° er wordt een indelingsrubriek 64 toegevoegd, die luidt als volgt:
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
60.
volledig of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen en andere putten
Voor de toepassing van deze rubriek wordt met put bedoeld: een diepte die in de grond gemaakt is (met inbegrip van waterplassen en vijvers), al dan niet waterhoudend. Het diepste punt van de onderkant van de put bevindt zich op minimaal 1,5 m beneden het maaiveld. Hierbij wordt gekeken naar het diepste punt op het moment vóór de eerste opvulling.
Opmerking:
Als afvalstoffen worden gebruikt voor de opvulling,
geldt rubriek 2.
Onder deze rubriek valt niet het gebruik van bodemmaterialen in het kader van functionele ophogingen en aanvullingen die worden uitgevoerd boven het maaiveld met als doel terreinen bouwrijp te maken of een grond- of bouwwerk te realiseren.
Beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bodemmaterialen, vallen in deze rubriek en zijn niet vergunningsplichtig volgens rubriek 30.
Het volledig of gedeeltelijk opvullen met bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, van constructies die zich onder het maaiveld bevinden en die (al dan niet tijdelijk) vrij komen te liggen in het kader van bouw- of sloopwerken (bijvoorbeeld kelders) vallen niet onder deze rubriek.
1°
met een capaciteit van 1000 tot en met 10.000 m3;
2
N,O,W
2°
met een capaciteit van meer dan 10.000 m3.
1
N,O,W
N
O
"Rubriek 64 - irrigatie voor landbouwdoeleinden
";
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
64
Irrigatie door bevloeiing en beregening, zowel oppervlakkig als rechtstreeks in de wortelzone
een irrigatieproject van 100 ha en meer voor landbouwdoeleinden
1
W
N
P
23° er wordt een indelingsrubriek 65 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Rubriek 65 - droogleggingsprojecten via regelbare constructies voor landbouwdoeleinden
".
rubriek
omschrijvingklasse
opmer-
kingencoör-
dinatoraudit
jaar-
verslagVLAREBO
65
Droogleggingsprojecten via een andere regelbare constructie voor landbouwdoeleinden dan de constructies, vermeld in rubriek 53.3.
Er kan overlapping zijn met een of meer subrubrieken van rubriek 56.
Uitzondering: projecten die onder het toepassingsgebied vallen van, en in overeenstemming zijn met, een goedgekeurd peilbesluit als vermeld in artikel 26/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2023 over het peilbeheer op onbevaarbare waterlopen en grachten.
1° een droogleggingsproject via regelbare constructie van 50 ha of meer
2° een droogleggingsproject via regelbare constructie van 15 ha of meer, dat een aanzienlijke verlaging van de freatische grondwatertafel in een bijzonder beschermd gebied tot gevolg kan hebben1
1
N
N
Artikel 56. ( 08/04/2025 - ... )
Bijlage 2bis bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt vervangen door de bijlage die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 57. ( 08/04/2025 - ... )
Bijlage 2ter bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt vervangen door de bijlage die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 58. ( 08/04/2025 - ... )
In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2024, wordt een bijlage 2quater ingevoegd, die als bijlage 3 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel 59. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 6, 7°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt 1) wordt de zinsnede “, met inbegrip van proefbemalingen als vermeld in rubriek 53.1, 1°, van de indelingslijst, die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM” toegevoegd;
2° aan punt 2) wordt de zinsnede “en beperkt tot een diepte van minder dan 500 meter onder het maaiveld” toegevoegd;
3° punt 4) wordt vervangen door wat volgt:
“4) verticale boringen:
a) verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);
b) boringen die vallen onder de uitzondering, vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);”.
Artikel 60. ( 08/04/2025 - ... )
In artikel 53/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
“7° voert alleen werken uit met betrekking tot ingedeelde inrichtingen als de nodige vergunning of aktename daarvoor voorhanden is en meldt de start van alle boor- en opvulwerken voorafgaandelijk via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen aan de bevoegde afdeling en het departement, en houdt zich aan de geldende milieuvoorwaarden;”;
2° er worden een punt 12° en punt 13° toegevoegd, die luiden als volgt:
“12° bezorgt de gegevens, vermeld in artikel 5.53.6.1.2, §2, van titel II van het VLAREM, binnen de vastgestelde termijnen via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.
13° bezorgt het rapport, vermeld in artikel 5.53.6.6.1, vierde lid, van titel II van het VLAREM, binnen twee maanden via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.”.
Artikel 61. ( 06/10/2024 - ... )
In titel 3, hoofdstuk 9, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022, wordt een afdeling 1/1, die bestaat uit artikel 53/1, ingevoegd, die luidt als volgt:
“Afdeling 1/1. Duur van de vergunningen
Art. 53/1. De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.4, 53.5, 53.8 en 53.12, is maximaal twintig jaar.
De geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de inrichtingen of de activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 53.2, is maximaal vijf jaar.”.
Artikel 62. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 16 is van toepassing op waarnemingsbuizen of peilputten die aangebracht worden na de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 63. ( 06/10/2024 - ... )
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, duidt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 26 van dit besluit de gebieden aan, vermeld in artikel 5.53.6.1/2.2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
Artikel 64. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 55, 10°, treedt in werking drie jaar na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 65. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 1, 1°, artikel 3 tot en met 10, 14, 21, 24, 25, 27 tot en met 33, 36, 39, 2° en 3°, artikel 44 tot en met 47, 51, 55, 1° tot en met 9° en 11° tot en met 31°, en artikel 56 tot en met 60 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, vast te stellen datum en uiterlijk één jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 66. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 5.54.2, §1, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals gewijzigd bij artikel 38, 1°, van dit besluit, is alleen van toepassing op peilputten die aangelegd zijn na de inwerkingtreding van artikel 38, 1°, van dit besluit.
Artikel 67. ( 06/10/2024 - ... )
Artikel 6.2.2.1.2, §5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van artikel 47 van dit besluit, blijft van toepassing op lozingen van bemalingswater als vermeld in dat artikel, die gestart zijn voor de inwerkingtreding van artikel 47 van dit besluit.
Artikel 68. ( 06/10/2024 - ... )
Een aanvraag van een omgevingsvergunning of een melding die ingediend is voor de datum van de inwerkingtreding van een relevante wijzigingsbepaling van dit besluit, wordt behandeld en beslist op basis van de indelingslijst die opgenomen is in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals die geldig was op het tijdstip waarop de aanvraag of melding is ingediend.
Artikel 69. ( 06/10/2024 - ... )
Voor de inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 53/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zoals ingevoegd bij artikel 61 van dit besluit, die vergund zijn voor de inwerkingtreding van artikel 61 van dit besluit, wordt de geldigheidsduur van de inrichting of activiteit in de geldende vergunning als volgt herleid:
1° vergunningen van bepaalde duur: de geldigheidsduur van de inrichting of activiteit wordt herleid tot twintig jaar na de datum van de definitieve vergunning, tenzij de termijn waarvoor de inrichting of activiteit is vergund, minder bedraagt dan twintig jaar. De oorspronkelijke termijn blijft in dat geval behouden;
2° vergunningen van onbepaalde duur: de geldigheidsduur van de inrichting of activiteit wordt herleid tot twintig jaar na de datum van de definitieve vergunning.
Artikel 70. ( 06/10/2024 - ... )
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE 1 ( 06/10/2024 - ... )
Vervanging van bijlage 2bis bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Bijlage 2bis. Watervoerende lagen - hydrogeologische codering van de ondergrond van Vlaanderen (hcov-codering)
Hoofdeenheid
Subeenheid
Basiseenheid
A0000
Onbepaald
A0100
Quartaire Aquifersystemen
A0110
Ophogingen
A0120
Duinen
A0130
Polderafzettingen
A0131
Kleiige polderafzettingen
A0132
Zandige Kreekruggen
A0133
Veen-kleiige poelgronden
A0134
Strandafzettingen
A0140
Alluviale deklagen
A0150
Eolische deklagen buiten de Roerdalslenk
A0151
Zandige deklagen
A0152
Zand-lemige deklagen
A0153
Lemige deklagen
A0160
Fluvio-eolische deklagen binnen de Roerdalslenk
A0161
Boxtel zand 1
A0162
Boxtel klei 1
A0163
Boxtel zand 2
A0164
Boxtel klei 2
A0165
Boxtel zand 3
A0170
Pleistocene afzettingen
A0180
Maas- en Rijnafzettingen
A0181
Beegden zand 1
A0182
Beegden klei 1
A0183
Beegden zand 2
A0184
Beegden klei 2
A0185
Beegden zand 3
A0186
Beegden ongedifferentieerd
A0187
Sterksel zand 1
A0188
Sterksel klei 1
A0189
Sterksel zand 2
A0200
Kempens Aquifersysteem
A0210
Klei-zand complex van de Kempen
A0220
Pleistoceen en Plioceen Aquifersysteem - west
A0221
Kleiig zand van Malle
A0222
Zand van Merksplas
A0223
Zanden van Zandvliet en Merksem
A0226
Ongedifferentieerde zanden van Lillo en Poederlee
A0224
Kleiig zand van Kruisschans
A0225
Zanden van Oorderen en Luchtbal
A0230
Pleistoceen en Plioceen Aquifersysteem - oost
A0231
Zand van Mol
A0232
Kiezeloöliet zand 1
A0233
Kiezeloöliet klei 1
A0234
Kiezeloöliet zand 2
A0235
Kiezeloöliet klei 2
A0236
Kiezeloöliet zand 3
A0237
Kiezeloöliet klei 3
A0238
Kiezeloöliet zand 4
A0240
Kleiige zanden van Kattendijk en Kasterlee
A0250
Mioceen Aquifersysteem
A0251
Zand van Diest buiten de Roerdalslenk
A0252
Zanden van Diest en Bolderberg binnen de Roerdalslenk
A0253
Zand van Bolderberg buiten de Roerdalslenk
A0254
Zanden van Berchem en Voort buiten de RDS
A0255
Voort zand 1
A0256
Voort klei 1
A0257
Voort zand 2
A0258
Zandig deel van Eigenbilzen
A0300
Boom Aquitard
A0301
Kleiig deel van Eigenbilzen
A0302
Klei-silt van Boeretang
A0303
Klei van Putte
A0304
Klei van Terhagen
A0305
Silt van Belsele-Waas
A0400
Oligoceen Aquifersysteem
A0410
Zand van Kerniel
A0420
Klei van Kleine-Spouwen
A0430
Ruisbroek-Berg Aquifer
A0432
Zand van Ruisbroek
A0431
Zand van Berg
A0433
Zand van Kerkom
A0434
Kleiig zand van Alden Biesen
A0440
Tongeren Aquitard
A0442
Zandige klei van Watervliet
A0441
Klei van Henis
A0450
Onder-Oligoceen Aquifersysteem
A0453
Kleiig zand van Bassevelde
A0451
Zand van Neerrepen
A0452
Kleiig zand van Grimmertingen
A0500
Bartoon Aquitardsysteem
A0501
Bartoon klei 1
A0502
Bartoon zand 1
A0503
Bartoon klei 2
A0504
Bartoon zand 2
A0505
Bartoon klei 3
A0600
Ledo Paniseliaan Brusseliaan Aquifersysteem
A0610
Wemmel-Lede Aquifer
A0611
Zand van Wemmel
A0612
Zand van Lede
A0620
Zand van Brussel
A0630
Afzettingen van het Paniseliaan
A0631
Zand van Oedelem
A0632
Zandige klei van Beernem
A0633
Zanden van Aalterbrugge en Vlierzele
A0700
Paniseliaan Aquitardsysteem
A0701
Kleiig zand van Pittem
A0702
Klei van Merelbeke
A0800
Ieperiaan Aquifersysteem
A0801
Zand van Egem
A0802
Klei van Egemkapel
A0803
Silt van Kortemark en zand van Mont-Panisel
A0900
Ieperiaan Aquitardsysteem
A0901
Klei van Aalbeke
A0902
Zandige klei van Roubaix
A0903
Kleiig zand van Mons-en-Pévèle
A0904
Kleien van Orchies, Mont-Héribu en Het Zoute
A1000
Paleoceen Aquifersysteem
A1010
Landeniaan Aquifersysteem
A1011
Zand van Knokke
A1012
Zandige afzettingen van Loksbergen en Dormaal
A1013
Zand van Grandglise
A1020
Landeniaan en Heersiaan Aquitard
A1021
Siltige afzettingen van Halen en Tufsteen van Lincent
A1022
Kleien van Waterschei en Beselare
A1030
Heersiaan en Opglabbeek Aquifersysteem
A1031
Kleiige mergels van Maaseik
A1032
Mergels van Gelinden
A1033
Zand van Orp
A1034
Zand van Eisden
A1035
Klei van Opoeteren
A1100
Krijt Aquifersysteem
A1101
Kalkareniet van Houthem
A1102
Kalkarenieten van Maastricht en Kunrade
A1103
Krijtafzettingen van Gulpen en Nevele, zanden en mergels van Vaals en Dorne en de Turoonmergels
A1104
Zand van Aken
A1200
Jura - Trias - Perm
A1210
Jura (incl. Sleen)
A1220
Trias (excl. Sleen) en Perm
A1300
Sokkel
A1310
Boven-Carboon (steenkoolterrein en -lagen)
A1320
Kolenkalk (incl. Wealdiaan)
A1330
Devoon
A1340
Cambro-Siluur
Massief van Brabant
BIJLAGE 2 ( 06/10/2024 - ... )
Vervanging van bijlage 2ter bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Bijlage 2ter. Kaart met dieptecriteria voor rubriek 53.8
Op de kaart die u kunt consulteren via http://dov.vlaanderen.be, duidt u de plaats van de grondwaterwinning aan. De waarde die u dan krijgt, is een criterium voor de indeling in rubriek 53.8.

BIJLAGE 3 ( 06/10/2024 - ... )
Invoeging van bijlage 2quater bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Bijlage 2quater. Kaart met dieptecriteria voor rubriek 53.6
Op de kaart die u kunt consulteren via http://dov.vlaanderen.be, duidt u de plaats van de grondwaterwinning aan die gebruikt wordt voor thermische energieopslag in watervoerende lagen. De waarde die u dan krijgt, is een criterium voor de indeling in rubriek 53.6.

Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 14/10/2026