Besluit van de Vlaamse Regering over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid

Datum 26/09/2025

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
  2. Hoofdstuk 2. Toezicht en opsporing
    1. Afdeling 1. Aanstelling van de toezichthouders
    2. Afdeling 2. Opleiding
  3. Hoofdstuk 3. Bestuurlijke sanctionering
  4. Hoofdstuk 4. Herstel
    1. Afdeling 1. Herstelinstanties
    2. Afdeling 2. Herstelschikkingen
    3. Afdeling 3. Handhavingsverzoeken
    4. Afdeling 4. Beroep tegen herstelbeslissingen
  5. Hoofdstuk 5. Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken
  6. Hoofdstuk 6. De toebedeling van handhavingsopbrengsten
  7. Hoofdstuk 7. Opheffingsbepaling
  8. Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Inhoud

( ... - ... )

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
- het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, artikel 15, gewijzigd bij de decreten van 8 juni 2018, 7 december 2018, het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2019, bekrachtigd bij het decreet van 3 juli 2020, en het decreet van 7 juli 2023, en het Implementatiedecreet van 26 april 2024 en artikel 17, §1 en §2 gewijzigd bij het Implementatiedecreet van 26 april 2024;
- het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, artikel 2, 3° en 15°, artikel 8, §2 en §3, artikel 10, §2, derde lid, artikel 22, §1, eerste lid, artikel 62, §1 en §2, artikel 66, artikel 71, §1, tweede lid, artikel 73, artikel 96, vierde lid, en artikel 98.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 17 april 2025
- De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 19 mei 2025
- De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 10 juni 2025
- De Raad van State heeft advies 77.952/1/V gegeven op 18 augustus 2025, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Initiatiefnemers
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management en de Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk.

Na beraadslaging,
    
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (01/04/2026 - ...)

Artikel 1. ( 01/04/2026 - ... )

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° het agentschap: het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) dat is opgericht bij het decreet van 20 november 2015 houdende diverse maatregelen inzake de herstructurering van het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie; 
2° het decreet van 15 juli 2016: het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.

Artikel 2. ( 01/04/2026 - ... )

Dit besluit is van toepassing op de handhaving van het decreet van 15 juli 2016.

Artikel 3. ( 01/04/2026 - ... )

Toezichthouders en herstelinstanties sturen een afschrift van de waarschuwing, vermeld in artikel 10, §2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, naar het agentschap, en naar de gemeente op het grondgebied waarvan de vaststellingen betrekking hebben.

Hoofdstuk 2. Toezicht en opsporing (01/04/2026 - ...)

Afdeling 1. Aanstelling van de toezichthouders (01/04/2026 - ...)

Artikel 4. ( 01/04/2026 - ... )

De leidend ambtenaar van het agentschap kan personeelsleden van het agentschap, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, aanstellen als toezichthouder bevoegd voor de handhaving van het decreet van 15 juli 2016. De leidend ambtenaar van het agentschap kan die bevoegdheid delegeren tot op het meest functionele niveau.

Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4°, en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouders, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 6 van dit besluit.

Artikel 5. ( 01/04/2026 - ... )

Toezichthouders, die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 4, eerste lid van dit besluit, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, §1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van het agentschap.

Afdeling 2. Opleiding (01/04/2026 - ...)

Artikel 6. ( 01/04/2026 - ... )

§1. In dit artikel wordt verstaan onder agentschap: het Agentschap Justitie en Handhaving dat is opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving".

§2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
2° verslagen van vaststelling opstellen;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
4° verdachten en getuigen verhoren;
5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het voormelde decreet.

§3. De modules, vermeld in paragraaf 2, worden aangeboden door instellingen die de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, daarvoor heeft erkend. 

§4. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3, een aanvraag tot de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.

De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, over de erkenning of opheffing van de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3, worden bekendgemaakt op de website van het agentschap.

Wijzigingen van de leerplannen, vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.

§5. De instelling die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2, heeft verstrekt, verleent een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.

§6. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, worden van toepassing één jaar nadat een of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3. 

De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.

De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, gelden niet voor de aanwijzing als toezichthouder van personen vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Deze personen volgen niettemin modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, zodra ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap.

§7. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen, die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma’s en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2.

§8. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 6 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.

§9. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen van de modules, vermeld in paragraaf 2, als ze daarvoor worden opgeroepen door het agentschap. Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.

Hoofdstuk 3. Bestuurlijke sanctionering (01/04/2026 - ...)

Artikel 7. ( 01/04/2026 - ... )

De leidend ambtenaar van het agentschap en de personeelsleden van het agentschap die de leidend ambtenaar aanwijst, treden op als beboetingsinstantie als vermeld in artikel 17, §2, van het decreet van 15 juli 2016. 

Hoofdstuk 4. Herstel (01/04/2026 - ...)

Afdeling 1. Herstelinstanties (01/04/2026 - ...)

Artikel 8. ( 01/04/2026 - ... )

De leidend ambtenaar van het agentschap en de personeelsleden van het agentschap die de leidend ambtenaar aanwijst, treden op als de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, voor het herstel en de beveiliging van inbreuken op de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli 2016, met betrekking tot handelingen waarvoor de Vlaamse Regering of de provincie in eerste administratieve aanleg bevoegd is.

De bevoegdheid van de herstelinstanties, vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016, is beperkt tot het herstel van en de beveiliging tegen inbreuken op de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli 2016, met betrekking tot handelingen waarvoor de gemeente in eerste administratieve aanleg bevoegd is.

Afdeling 2. Herstelschikkingen (01/04/2026 - ...)

Artikel 9. ( 01/04/2026 - ... )

Binnen de grenzen van hun bevoegdheid kunnen ook herstelinstanties als vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016, die niet tot de Vlaamse overheid behoren, herstelschikkingen sluiten. Artikel 62, §1 en §3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van overeenkomstige toepassing.

Herstelschikkingen, andere dan deze in het eerste lid, worden gesloten door: 
1° de door de leidend ambtenaar aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 8, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, §2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro niet overstijgt;
2° de leidend ambtenaar, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, §2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van 500.000 euro overstijgt.

Herstelschikkingen worden in de volgende gevallen bekrachtigd door de volgende instanties of personen:
1° als ze uitgaan van een herstelinstantie als vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, 2° tot en met 4°, van het decreet van 15 juli 2016: het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de publieke schade zich heeft voorgedaan;
2° als ze uitgaan van een herstelinstantie van de Vlaamse overheid zoals vermeld in het tweede lid, 1°: de leidend ambtenaar van het agentschap.

In afwijking van het derde lid worden herstelschikkingen bekrachtigd  door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, of door de gemachtigde  van de minister, als de financiële tegenwaarde van de publieke schade, vermeld in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die  niet feitelijk hersteld is, conform artikel 48, §2, van het Kaderdecreet Vlaamse  Handhaving van 14 juli 2023, een begroot bedrag van meer dan 500.000 euro  overstijgt.

Afdeling 3. Handhavingsverzoeken (01/04/2026 - ...)

Artikel 10. ( 01/04/2026 - ... )

§ 1. Het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, wordt ingediend met een beveiligde zending bij de bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8. 

Als een handhavingsverzoek gericht wordt aan een onbevoegde persoon of instantie, stuurt die persoon of die instantie het verzoek zo snel mogelijk door naar de bevoegde herstelinstantie.

Het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, is onontvankelijk als het wordt ingediend bij meer dan een bevoegde herstelinstantie.

Als de bevoegdheid om te oordelen over het handhavingsverzoek, vermeld in artikel 96, eerste lid, van het voormelde decreet, volgens de verzoeker toekomt aan herstelinstanties van verschillende overheden, maakt hij daarvan melding in zijn verzoek. De bevoegde herstelinstantie die het verzoek ontvangt, betrekt de andere bevoegde herstelinstantie of herstelinstanties en ze nemen samen een beslissing.

§2. Een handhavingsverzoek is ontvankelijk als het voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het handhavingsverzoek bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de verzoeker of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de verzoeker. Als de verzoeker een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de verzoeker dat aan in het handhavingsverzoek;
2° de verzoeker of de raadsman van de verzoeker heeft het verzoek ondertekend. In geval van ondertekening door een raadsman wordt een schriftelijke machtiging bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het handhavingsverzoek bevat de gegevens, vermeld in artikel 96, tweede lid, 1° tot en met 3°, van het voormelde decreet;
4° in voorkomend geval bevat het handhavingsverzoek een inventaris van de bijgevoegde overtuigingsstukken.

Wanneer het handhavingsverzoek niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vraagt de bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, met een beveiligde zending aan de verzoeker om het handhavingsverzoek te regulariseren. De verzoeker regulariseert het handhavingsverzoek met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek met beveiligde zending.

§3. De bevoegde herstelinstantie, vermeld in artikel 8, brengt de verzoeker zo snel mogelijk en in elk geval binnen zestig dagen na de kennisgeving van een handhavingsverzoek met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing.

Zolang de bevoegde herstelinstantie niet definitief heeft beslist over een eerder handhavingsverzoek voor dezelfde schade, kan de verzoeker geen nieuw handhavingsverzoek voor diezelfde schade indienen. Desalniettemin kan de verzoeker het handhavingsverzoek wijzigen of uitbreiden in geval van gewijzigde feitelijke omstandigheden die betrekking hebben op dezelfde schade.

Afdeling 4. Beroep tegen herstelbeslissingen (01/04/2026 - ...)

Artikel 11. ( 01/04/2026 - ... )

§1. De adressant van een bestuurlijke herstelbeslissing waarin hem een publieke herstelmaatregel of inperkende maatregel wordt opgelegd, kan tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, conform artikel 98, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Dat beroep heeft geen schorsende werking.

Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt, binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, op het adres van het agentschap. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.

Het beroepschrift voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan de volgende voorwaarden:
1° het beroepschrift bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de maatschappelijke zetel van de beroepsindiener. Als de beroepsindiener een woonplaatskeuze doet bij diens raadsman, geeft de beroepsindiener dat aan in het beroepschrift;
2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroepschrift ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het beroepschrift vermeldt het voorwerp van het beroep en de argumenten die de beroepsindiener inroept;
4° het beroepschrift bevat een kopie van de bestreden beslissing.

Als de beroepsindiener het beroep, vermeld in het eerste lid, indient via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.

De beroepsindiener voegt de overtuigingsstukken, die al in het hersteldossier zijn opgenomen, niet bij het beroepschrift, vermeld in het derde lid. Het beroepschrift bevat, in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken.

Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt het agentschap via een melding in het maatregelenregister of met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van zeven dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.

§2. Het agentschap onderzoekt of het beroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ontvankelijk is:
1° als het beroep onontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen. In dat geval is de procedure voor het niet-ontvankelijke beroep beëindigd;
2° als het beroep ontvankelijk is, brengt het agentschap de beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, daarvan gelijktijdig met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen nadat het beroep is ontvangen.

§3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, en het agentschap nemen kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.

In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal te bezorgen aan het agentschap binnen de termijn die het agentschap bepaalt.

§4. Bij een ontvankelijk beroep als vermeld in paragraaf 2, 2°, geeft het agentschap binnen vijfenveertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving van de ontvankelijkheid, vermeld in paragraaf 2, 2°, een advies over het beroep. Het agentschap bezorgt dat advies aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie.

In geval van technische onmogelijkheid als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, pas te lopen de dag nadat het agentschap het integrale dossier van de herstelinstantie heeft ontvangen.

§5. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen nadat het beroep ingediend is, conform paragraaf 1, tweede lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, een beslissing over het beroep en, in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan ook een beslissing nemen over de dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.

Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van een termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de herstelbeslissing die met het administratief beroep is bestreden, definitief. Het agentschap brengt degene aan wie het bestuurlijk herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, schriftelijk op de hoogte van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.

§6. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 5, eerste en tweede lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.

Hoofdstuk 5. Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken (01/04/2026 - ...)

Artikel 12. ( 01/04/2026 - ... )

§ 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 71, §1, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden meegevoerd en opgeslagen, meldt de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, dat in een verslag van bewaring. Een afschrift van het verslag van bewaring wordt verstrekt aan degene die de zaken onder beheer had en, als dat een andere persoon dan de rechthebbende is en als de rechthebbende bekend is, aan de rechthebbende.

§ 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in artikel 17, §1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.

De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, is bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of een houder van rechten als vermeld in artikel 71 §2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van bewaring.

§3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaken om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.

De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, wordt niet afgewacht als de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.

Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan niet plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift van het verslag van bewaring conform paragraaf 1, tenzij het zaken betreft die gevaarlijk zijn of die onderhevig zijn aan bederf.

Hoofdstuk 6. De toebedeling van handhavingsopbrengsten (01/04/2026 - ...)

Artikel 13. ( 01/04/2026 - ... )

§1. Een deel van de opbrengst van de bestuurlijke vervolging van een inbreuk als vermeld in artikel 16 van het decreet van 15 juli 2016 en artikel 103 en 104 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die op jaarbasis wordt geïnd door de Vlaamse overheid, komt toe aan de gemeente waar de inbreuk is vastgesteld, op voorwaarde dat gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of personeelsleden van de lokale politie het verslag van vaststelling waarop de bestuurlijke vervolging is gebaseerd, hebben opgesteld.

Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis wordt geïnd.

In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten die gemaakt zijn voor de gedwongen invordering van die gelden.

§2. Zolang het materieel onmogelijk is om de geïnde opbrengst per verslag van vaststelling te berekenen conform paragraaf 1, wordt 25% van het totaal van de opbrengst van de bestuurlijke vervolgingen, vermeld in paragraaf 1, die op jaarbasis wordt geïnd, pro rata verdeeld onder de gemeenten volgens het aantal aanvankelijke processen-verbaal en verslagen van vaststelling voor het grondgebied van elke gemeente in datzelfde jaar die de gemeentelijke personeelsleden, de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of de personeelsleden van de lokale politie hebben opgesteld.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, stelt de datum vast waarop de materiële onmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, ophoudt te bestaan.

§3. De handhavingsopbrengsten, vermeld in artikel 73 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die toekomen aan het agentschap, worden overgemaakt aan en beheerd door het Fonds voor Innoveren en Ondernemen, dat is opgericht bij artikel 41 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002.

Hoofdstuk 7. Opheffingsbepaling (01/04/2026 - ...)

Artikel 14. ( 01/04/2026 - ... )

Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2018 houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid wordt opgeheven.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen (01/04/2026 - ...)

Artikel 15. ( 01/04/2026 - ... )

Dit besluit treedt in werking op 1 april 2026.

Artikel 16. ( 01/04/2026 - ... )

De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, en de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, zijn, ieder wat de eigen bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 13/08/2026