Artikel 1. ( 01/01/2026 - ... )
Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Artikel 2. ( 01/01/2026 - ... )
In hoofdstuk 2 van het Programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023 wordt afdeling 3, die bestaat uit artikel 6 tot en met 8, opgeheven.
Artikel 3. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 4, §1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2011 houdende de erkenning van en de subsidieregeling voor het Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding en Vrede worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het jaartal “2011” wordt vervangen door het jaartal “2026”;
2° de woorden “driehonderdtachtigduizend euro” worden vervangen door het bedrag “202.000 euro”.
Artikel 4. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.7.4.2.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juli 2015, 21 december 2018 en 2 april 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede “, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1” toegevoegd;
2° aan paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de volgende zinnen toegevoegd:
“Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.”;
3° in paragraaf 2, 2°, worden de zinnen “Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt:
a) dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
b) de terreinen en gebouwen meer dan 50% uitmaken van het totale actief. De verkrijger kan het tegenbewijs daarvan leveren.
Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder:
a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
b) terreinen en gebouwen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
c) totaal actief: de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;” vervangen door de zin “Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.”.
Artikel 5. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.7.4.2.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 2 april 2021, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
“§2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, §2, 2°;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
3° voor elk van de drie jaar vanaf het overlijden van de erflater wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.”.
Artikel 6. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.7.4.2.4, §1 en §2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
“Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, §2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater.”.
Artikel 7. ( 01/01/2026 - ... )
In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt een artikel 2.7.4.2.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 2.7.4.2.6. Voor de toepassing van artikel 2.7.4.2.2 en van artikel 2.7.4.2.3, §1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.”.
Artikel 8. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.8.6.0.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juli 2015, 21 december 2018 en 2 april 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede “, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1” toegevoegd;
2° aan paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de volgende zinnen toegevoegd:
“De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.”;
3° in paragraaf 2, 2°, worden de zinnen “Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat:
a) de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50% van de totale activa;
b) de terreinen en gebouwen meer dan 50% uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.
Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder:
a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, is het de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
b) terreinen en gebouwen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
c) totaal actief: de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;” vervangen door de zin “Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.”.
Artikel 9. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.8.6.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 2 april 2021, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
“§2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.”.
Artikel 10. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.8.6.0.7, §1 en §2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
“Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte.”.
Artikel 11. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2023, wordt aan punt b) een punt 8) toegevoegd, dat luidt als volgt:
“8) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, §1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;”.
Artikel 12. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 3.12.3.0.1, §5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt aan het tweede lid een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“5° een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is ondertekend en gedateerd voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van de schenking voor elke familiale vennootschap. Het verslag vermeldt al de volgende gegevens:
a) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de gecertificeerde accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, §1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
b) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
c) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
d) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
e) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
f) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt d), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt e), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale ven-nootschap in haar dochtervennootschappen;
g) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt d), en de verkoopwaarde, vermeld in punt f);
h) een motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt d), f) en g), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
i) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt d) en f), namelijk de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald.”.
Artikel 13. ( 01/01/2026 - ... )
In titel 3, hoofdstuk 21, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt vóór artikel 3.21.0.0.1, dat artikel 3.21.0.0.1/1 wordt, een nieuw artikel 3.21.0.0.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 3.21.0.0.1. §1. Voor de aangifte en uiterlijk voor het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, §2, en artikel 3.3.1.0.6, kunnen de erfgenamen, algemene legatarissen, begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest dat op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, de waardering, bedoeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), 8), iv), vi) en vii) bevestigt.
Het verzoek bevat de gegevens en de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b).
Een attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de datum van het verslag, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), 8).
§2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen nadat ze het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, niet alle gegevens of de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, b), bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, met opgave van de gegevens of de bescheiden die ontbreken. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum waarop de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de ontbrekende gegevens of bescheiden heeft ontvangen.
Het attest, vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en wordt gebruikt om de erfbelasting te berekenen.”.
Artikel 14. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 3.21.0.0.1/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021 en vernummerd bij dit decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede “en dat, in voorkomend geval, de waardering, bedoeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, d), f) en g), bevestigt op de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, i), op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker.” toegevoegd;
2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Een voorafgaand attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, i).”;
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “negentig dagen” vervangen door de woorden “zestig dagen”;
4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het attest, vermeld in paragraaf 1, is zestig dagen vanaf de datum van de eindbeslissing geldig en bindend voor de bevoegde autoriteit van de Vlaamse administratie.”.
Artikel 15. ( 01/01/2026 - ... )
Als de authentieke akte van schenking wordt verleden tussen 1 januari 2026 en 31 maart 2026, wordt de termijn om een verslag als vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, in te dienen, verlengd met zestig dagen.
Als het verslag, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, na de authentieke akte wordt opgesteld, wordt in afwijking van artikel 3.12.3.0.1, §5, tweede lid, 5°, i), de datum van de authentieke schenkingsakte als referentiedatum voor de waardebepaling in het verslag vermeld.
Artikel 16. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 2.7.3.2.12 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 6 juli 2018 en 9 december 2022, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§3. Als een persoon met een handicap als vermeld in paragraaf 1, volledig of gedeeltelijk onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op het gedeelte van de verkrijging dat onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, en bij uitputting van dat aandeel op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief wordt berekend, met toepassing van artikel 2.7.4.2.5.”.
Artikel 17. ( 01/01/2026 - ... )
In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt een artikel 2.7.4.2.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 2.7.4.2.5. §1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt voor de verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, het tarief van de erfbelasting verlaagd:
1° tot 3% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat kleiner is dan of gelijk is aan 50.000 euro;
2° tot 9% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat groter is dan 50.000 euro en niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
Het verlaagde tarief wordt toegepast op een nettoverkrijging tot een bedrag van maximaal 100.000 euro per nalatenschap.
Het gedeelte van de nettoverkrijging dat het maximum, vermeld in het tweede lid, te boven gaat, wordt onderworpen aan het tarief voor verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegepast als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° op de datum van het openvallen van de nalatenschap heeft de erflater geen partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, en geen bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn of daarmee gelijkgestelde personen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°;
2° de erflater heeft in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze een of meer natuurlijke personen aangewezen die de toepassing van het verlaagde tarief kunnen vragen.
Als maar één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, exclusief toegepast op de volledige of gedeeltelijke nettoverkrijging van die persoon.
Als meer dan één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast op de nettoverkrijgingen van die personen.
Als het totaal van de nettoverkrijgingen, vermeld in het zesde lid, het maximumbedrag van 100.000 euro te boven gaat, wordt het verlaagde tarief toegepast op dat maximumbedrag. Het maximum wordt verdeeld naar verhouding van de persoonlijke nettoverkrijgingen ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
§2. Als de nettoverkrijging, vermeld in paragraaf 1, goederen omvat die vrijgesteld zijn conform artikel 2.7.6.0.5, wordt het vrijgestelde gedeelte proportioneel verdeeld tussen het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in paragraaf 1, en het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1.
§3. Het gedeelte van de nettoverkrijging waarop het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast, wordt bij voorrang toegerekend op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1, wordt toegepast, en vervolgens op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, wordt toegepast.”.
Artikel 18. ( ... - ... )
In artikel 2.7.5.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2021 en gewijzigd bij het decreet van 9 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd:
“Het testament is vóór 1 januari 2026 gedagtekend.”;
2° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor dezelfde nalatenschap toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, §1, eerste lid.”.
Artikel 19. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.7.6.0.6, §2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt het bedrag “50.000 euro” vervangen door het bedrag “75.000 euro”.
Artikel 20. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 14°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2023, wordt een punt o) toegevoegd, dat luidt als volgt:
“o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, §1, eerste lid;”.
Artikel 21. ( 01/01/2026 - ... )
In deze afdeling wordt verstaan onder:
1° aangever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een regularisatie-aangifte indient, hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde;
2° erfbelasting: de belasting die is of wordt geheven met toepassing van titel 2, hoofdstuk 7, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
3° fiscaal verjaarde bedragen: de sommen, waarden of kapitalen ten aanzien waarvan de erfbelasting of de registratiebelasting voor de aangever niet meer kan worden geheven door de toepassing van artikel 3.3.3.0.1 of 5.0.0.0.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte;
4° registratiebelasting: de belasting die is of wordt geheven met toepassing van titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
5° regularisatieaangifte: de aangifte die is ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst van fiscaal verjaarde of niet-fiscaal verjaarde bedragen die onderhevig zijn of hadden moeten zijn aan de erfbelasting of aan de registratiebelasting, om een regularisatieattest te verkrijgen, op voorwaarde dat de regularisatieheffing, vermeld in deze afdeling, wordt betaald;
6° regularisatieheffing: het totaalbedrag van de som die verschuldigd is ingevolge de regularisatie;
7° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst.
Artikel 22. ( 01/01/2026 - ... )
Deze afdeling is alleen van toepassing op de regularisatieaangiften die:
1° uiterlijk op 31 december 2029 worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst;
2° betrekking hebben op inbreuken die vóór 1 juli 2025 begaan zijn op de regelgeving over de erfbelasting of over de registratiebelasting.
Artikel 23. ( 01/01/2026 - ... )
§1. De niet-fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de erfbelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van:
1° 40% voor een verkrijging in rechte lijn of tussen partners;
2° 75% voor een andere verkrijging dan een verkrijging in rechte lijn of tussen partners.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° partner: een partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
2° verkrijging in rechte lijn: een verkrijging in rechte lijn als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
§2. De fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen zijn geweest aan de erfbelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 40% als de regularisatieaangifte wordt ingediend in 2026, en aan een tarief van 42%, 44% of 45% als de regularisatieaangifte wordt ingediend respectievelijk in 2027, 2028 of 2029.
§3. De niet-fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de registratiebelasting, en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de registratiebelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 25%.
§4. De fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de registratiebelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de registratiebelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 40% als de regularisatieaangifte wordt ingediend in 2026, en aan een tarief van 42%, 44% of 45% als de regularisatieaangifte wordt ingediend respectievelijk in 2027, 2028 of 2029.
§5. Om de regularisatieheffing te berekenen, kan het bedrag dat wordt aangegeven in een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, worden verminderd met het bedrag van een heffing die is betaald met toepassing van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet. De vermindering is alleen mogelijk als de betaalde heffing is berekend op geregulariseerde inkomsten of kapitalen die door de erflater zijn behaald of verkregen.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, kan voor dezelfde betaalde regularisatieheffing niet gecombineerd worden met een aftrek als vermeld in artikel 2.7.3.4.1, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk bij de indiening van de regularisatieaangifte voor de erfbelasting gevraagd.
§6. Behalve in geval van de toepassing van de vermindering, vermeld in paragraaf 5, kunnen bij de berekening van de regularisatieheffing volgens de tarieven, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, geen verminderingen, vrijstellingen of andere gunstmaatregelen worden verkregen of toegepast.
Artikel 24. ( 01/01/2026 - ... )
De betaling van de regularisatieheffing die conform artikel 23 is berekend, heeft tot gevolg dat de aangegeven en aldus geregulariseerde bedragen niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan de erfbelasting, respectievelijk aan de registratiebelasting, met inbegrip van belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten.
Als de vermindering, vermeld in artikel 23, §5, is toegepast, geldt het eerste lid voor het volledig aangegeven bedrag, vóór de toepassing van die vermindering.
Artikel 25. ( 01/01/2026 - ... )
De regularisatieaangifte wordt ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst met een aangifteformulier dat de Vlaamse Belastingdienst ter beschikking stelt. Het aangifteformulier vermeldt de naam van de aangever en, in voorkomend geval, de naam van de gemachtigde en de te regulariseren bedragen. De ingevulde aangifte wordt gedateerd en ondertekend door de aangever of, in voorkomend geval, door de gemachtigde.
Bij de regularisatieaangifte wordt een bondige verklaring over het fraudeschema gevoegd waarin al de volgende elementen worden vermeld:
1° de herkomst van de te regulariseren bedragen;
2° het moment waarop de te regulariseren bedragen aan de erfbelasting of aan de registratiebelasting onderworpen hadden moeten zijn;
3° de financiële rekeningen die voor de te regulariseren bedragen gebruikt zijn.
Bij de regularisatieaangifte worden ook de nodige bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt welk van de tarieven, vermeld in artikel 23, kan worden toegepast.
Als de aangevers de toepassing vragen van de mogelijkheid van de vermindering van de heffingsgrondslag, vermeld in artikel 23, §5, van dit decreet, leggen de aanvragers ook het regularisatieattest voor dat, met toepassing van de bepalingen van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, aan de aangever of de gemachtigde is verzonden. Het bewijs waaruit blijkt dat de geregulariseerde inkomsten zijn behaald of verkregen door de erflater, wordt ook toegevoegd.
De onderliggende stukken kunnen worden ingediend tot zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. De Vlaamse Belastingdienst heeft de mogelijkheid om de onderliggende stukken die met de regularisatieaangifte worden meegestuurd en die betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, na te kijken met het oog op de overeenstemming ervan met de gegevens uit de regularisatieaangifte.
Stukken die naar aanleiding van een regularisatieaangifte worden ingediend en die geen betrekking hebben op de te regulariseren bedragen, worden geacht geen deel uit te maken van de regularisatieaangifte.
Artikel 26. ( 01/01/2026 - ... )
De aangever toont met een schriftelijk bewijs aan welk deel van het aangegeven bedrag de normale belastingregeling eventueel heeft ondergaan. Het gedeelte van de bedragen waarvan de aangever niet kan aantonen dat de normale belastingregeling erop is toegepast, wordt geregulariseerd.
Het schriftelijk bewijs, vermeld in het eerste lid, is bij de aangifte gevoegd en is, in voorkomend geval, aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen.
De aangever toont met een schriftelijk bewijs aan dat de aangegeven bedragen alleen betrekking hebben op belastingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen.
Het schriftelijk bewijs, vermeld in het derde lid, is, als dat nodig is, aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen.
Met behoud van de toepassing van artikel 29 is regularisatie niet mogelijk voor de sommen, waarden of kapitalen die in verband kunnen worden gebracht met:
1° terrorisme of financiering van terrorisme;
2° georganiseerde misdaad;
3° illegale handel in verdovende middelen;
4° illegale handel in wapens en goederen en handelswaren die daaraan verbonden zijn, met inbegrip van antipersoonsmijnen of clustermunitie;
5° handel in clandestiene werkkrachten;
6° mensenhandel;
7° uitbuiting van prostitutie;
8° illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
9° illegale handel in menselijke organen of weefsels;
10° fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie;
11° verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen, en corruptie;
12° ernstige milieucriminaliteit;
13° namaak van muntstukken of bankbiljetten;
14° namaak van goederen;
15° piraterij;
16° beursdelicten;
17° onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning;
18° oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing, of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
Artikel 27. ( 01/01/2026 - ... )
Nadat de Vlaamse Belastingdienst de regularisatieaangifte heeft ontvangen, brengt de Vlaamse Belastingdienst de aangever of de gemachtigde schriftelijk op de hoogte van de ontvankelijkheid ervan. In dezelfde melding brengt de Vlaamse Belastingdienst de aangever op de hoogte van het bedrag van de verschuldigde regularisatieheffing. Tegen of voor die regularisatieheffing is geen bezwaarschrift of ambtshalve ontheffing mogelijk.
De regularisatieheffing wordt definitief en zonder enig voorbehoud betaald binnen de vijftien dagen die volgen op de verzendingsdatum van de ontvangstmelding, met vaststelling van de regularisatieheffing, vermeld in het eerste lid. Na de betaling wordt de regularisatieheffing als definitief verworven beschouwd.
Nadat de Vlaamse Belastingdienst de definitieve en zonder enig voorbehoud uitgevoerde betaling, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen, stuurt de Vlaamse Belastingdienst naar de aangever of de gemachtigde een regularisatieattest dat de volgende gegevens bevat:
1° de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van de gemachtigde;
2° het bedrag van de regularisatieheffing;
3° de belasting waaraan de aangegeven bedragen onderworpen hadden moeten zijn;
4° de geregulariseerde bedragen;
5° het bedrag van de vermindering, als de vermindering, vermeld in artikel 23, §5, is toegepast.
Zodra het regularisatieattest, vermeld in het derde lid, naar de aangever of de gemachtigde is verstuurd, bezorgt de Vlaamse Belastingdienst de Cel voor Financiële Informatieverwerking, opgericht bij de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, een kopie van het regularisatieattest en de gegevens, vermeld in artikel 25 van dit decreet.
De personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst die regularisatieaangiften behandelen, hebben een verplichting tot geheimhouding als vermeld in artikel 3.19.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
Artikel 28. ( 01/01/2026 - ... )
Noch de regularisatieaangifte, noch de betaling van de regularisatieheffing die op basis van de regularisatieaangifte verschuldigd is, noch het regularisatieattest, vermeld in artikel 27 van dit decreet, hebben uitwerking als:
1° de bedragen die in de regularisatieaangifte zijn vermeld, het voorwerp hebben uitgemaakt van een van de misdrijven, vermeld in artikel 505 van het Strafwetboek, behalve als de inkomsten uitsluitend zijn verkregen uit de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1 en 3.15.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
2° de bedragen die in de regularisatieaangifte zijn vermeld, voortkomen uit een misdrijf als vermeld in artikel 4, 23°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, met uitzondering van:
a) het misdrijf, vermeld in artikel 4, 23°, k), van de voormelde wet;
b) het misdrijf misbruik van vertrouwen, vermeld in artikel 4, 23°, v), van de voormelde wet;
c) het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, vermeld in artikel 4, 23°, w), van de voormelde wet;
3° de aangever vóór de indiening van de regularisatieaangifte schriftelijk op de hoogte is gebracht door een Belgische gerechtelijke dienst van lopende specifieke onderzoeksdaden of door de Vlaamse Belastingdienst van een belastingverhoging of administratieve geldboete als vermeld in titel 3, hoofdstuk 18, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
4° voor dezelfde aangever al een regularisatieaangifte voor dezelfde nalatenschap of dezelfde rechtshandeling is ingediend vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit decreet.
Artikel 29. ( 01/01/2026 - ... )
§1. Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als vermeld in artikel 3.15.3.0.1 en 3.15.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, of aan misdrijven als vermeld in artikel 505 van het Strafwetboek, als die betrekking hebben op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit die misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, of op de inkomsten uit de belegde voordelen, en ook de personen die mededaders of medeplichtigen zijn aan die misdrijven als vermeld in artikel 66 en 67 van het Strafwetboek, blijven vrijgesteld van strafvervolging op grond daarvan als ze vóór de datum van de indiening van een regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek op grond van die misdrijven en als er een regularisatieaangifte is gedaan conform dit decreet en als de regularisatieheffing die verschuldigd is als gevolg van die regularisatieaangifte, is betaald.
§2. Voor alle andere misdrijven dan de misdrijven, vermeld in paragraaf 1, kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, nog altijd het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdrijven, vermeld in artikel 193 tot en met 197, artikel 491, artikel 492bis, en artikel 489 tot en met 490bis van het Strafwetboek, artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht, artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 januari 2014 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, de strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, die zijn begaan om de misdrijven, vermeld in paragraaf 1, te plegen of te vergemakkelijken, of er het gevolg van zijn, blijven voor die misdrijven vrij van straf als ze vóór de datum van de indiening van de regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek op grond van die misdrijven en als er een regularisatieaangifte is gedaan conform dit decreet en als de regularisatieheffing die verschuldigd is als gevolg van die regularisatieaangifte, is betaald.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§4. De personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst die regularisatieaangiften behandelen, hebben geen mededelingsplicht als vermeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, voor wat betreft de informatie verkregen bij de behandeling van de regularisatieaangiften.
Artikel 30. ( 01/01/2026 - ... )
Binnen de grenzen, vermeld in artikel 24, en voor zover artikel 28 niet van toepassing is, kan een regularisatieattest gebruikt worden als bewijsmiddel tegenover elke openbare dienst.
Artikel 31. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 2.7.3.4.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Het bedrag van de regularisatieheffing die is geheven en betaald in uitvoering van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, wordt gelijkgesteld met een schuld van de erflater als vermeld in het eerste lid, 1°. Die schuld wordt alleen als passief van de nalatenschap aanvaard als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de geregulariseerde inkomsten of kapitalen en de activa in kwestie die die inkomsten hebben gegenereerd, zijn aangegeven in een aangifte van nalatenschap;
2° de inkomsten en bedragen die zijn aangegeven in de regularisatieaangifte en waarvoor de regularisatieheffing is betaald, zijn door de erflater behaald of verkregen.”.
Artikel 32. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 31 is van toepassing op regularisatieheffingen die zijn geheven en betaald met toepassing van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, ongeacht de datum van het openvallen van de nalatenschap.
Artikel 33. ( 01/01/2026 - ... )
De Vlaamse Belastingdienst kan persoonsgegevens verwerken om de juiste heffing van de regularisatieheffing te kunnen verzekeren.
De Vlaamse Belastingdienst is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.
Artikel 3.23.1.0.2 tot en met 3.12.1.0.4, en artikel 3.23.4.0.1 tot en met 3.23.5.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn van overeenkomstige toepassing bij de gegevensverwerking voor de regularisatieheffing.
Artikel 34. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.9.4.2.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en laatst gewijzigd bij decreet van 20 december 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede “aankoop, waarbij” vervangen door de zinsnede “aankoop van volle eigendom, waarbij uitsluitend”;
2° aan paragraaf 2, eerste lid, punt 2°, wordt de zinsnede “, en die inschrijving gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar te behouden” toegevoegd.
Artikel 35. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.2.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 december 2022, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§9. Voor alle voertuigen als vermeld in dit artikel, met uitzondering van deze, vermeld in paragraaf 4 en paragraaf 6, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, bedraagt de belasting 93,60 euro.
Deze bepaling geldt voor voertuigen van:
1° vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
2° natuurlijke personen en rechtspersonen, andere dan deze, vermeld in punt 1°.”.
Artikel 36. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.2.4.0.3, eerste lid, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 9 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de zinsnede “vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7” en de zinsnede “, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1,” wordt de zinsnede “en artikel 2.2.4.0.1, §9” ingevoegd;
2° de volgende zin wordt toegevoegd:
“Voor de toepassing van de indexatie is het bedrag, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, §9, het bedrag dat geldt alsof het van toepassing was op 1 juli 2025.”.
Artikel 37. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.2.6.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen de woorden “of waterstof” en de woorden “wordt geen belasting” de zinsnede “en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid” ingevoegd;
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.”.
Artikel 38. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 2.3.4.1.1 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 26 juni 2020, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.”.
Artikel 39. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 2.3.4.2.1 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3, bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.”.
Artikel 40. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.3.6.0.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015 en gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden “of waterstof” en de woorden “wordt geen belasting” wordt de zinsnede “en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid” ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.”.
Artikel 41. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 76. §1. Artikel 11 tot en met 14 van de Algemenebepalingenwet zijn van toepassing op subsidies die verleend zijn door een entiteit van de Vlaamse deelstaatoverheid of door een andere rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie krijgt.
§2. De boekhouding die de subsidieontvanger voert, wordt zo georganiseerd dat de aanwending van de subsidie financieel gecontroleerd kan worden door de subsidieverstrekker of de controleactoren, vermeld in artikel 50.
§3. Met behoud van de toepassing van artikel 13 van de Algemenebepalingenwet betaalt de subsidieontvanger in al de volgende gevallen de subsidie onmiddellijke terug:
1° de subsidieontvanger leeft de voorwaarden niet na waaronder de subsidie is verleend;
2° de subsidieontvanger gebruikt de subsidie niet voor de doelstellingen waarvoor die is verleend;
3° de subsidieontvanger verhindert de controle, bedoeld in artikel 76/3 van deze codex;
4° de subsidieontvanger ontvangt al een subsidie met dezelfde effecten op basis van dezelfde verantwoordingsstukken.
De toepassing van het eerste lid, 4°, staat cofinanciering waarin verschillende actoren elk een deel van de totale kosten financieren, niet in de weg.
§4. In het kader van een controle op de aanwending van de toegekende gelden kan de subsidieverstrekker, al dan niet op voorstel van een controleactor, een financiële correctie aanbrengen op het subsidiebedrag bij de vaststelling van tekortkomingen of onregelmatigheden met betrekking tot:
1° de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en de uitvoeringsbesluiten, als die van toepassing is;
2° de supranationale regelgeving inzake staatssteun, als die van toepassing is.
De Vlaamse Regering stelt de hoogte van de financiële correctie en de bijbehorende modaliteiten vast.
§5. Er is geen verantwoording vereist, noch functioneel noch financieel, over het gebruik van statutaire lidmaatschapsbijdragen door de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid aan intergewestelijke, intercommunautaire, nationale of internationale organisaties, tenzij het anders is bepaald bij het aangaan van het lidmaatschap.”.
Artikel 42. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 76/2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
“3° de indicatoren die toelaten om de subsidie tussentijds, op het einde van de duurtijd van de activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend, en bij de beleidsevaluatie, vermeld in artikel 76/1, inhoudelijk en financieel te evalueren;”;
2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“14° met behoud van de toepassing van artikel 75, tweede en derde lid, de uitsluiting of toelating van reservevorming en bijbehorende voorwaarden.”.
Artikel 43. ( 01/01/2026 - ... )
Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2024/1265 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten.
Artikel 44. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, worden punt 20°, 33° en 44° opgeheven.
Artikel 45. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 10, §1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden tussen de woorden “die ze nastreeft” en de woorden “en bepaalt de maatregelen” de woorden “voor de volledige zittingsperiode” ingevoegd;
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“De Vlaamse Regering stelt haar jaarlijkse en meerjarige begrotingsplanning op op basis van de meest actuele macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen, vermeld in artikel 108, eerste lid, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, en de realistische budgettaire prognoses van de bevoegde instantie. De eventuele afwijkingen ten aanzien van de macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen worden uitdrukkelijk vermeld en gemotiveerd in de algemene toelichting.”;
3° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden “het tweede lid” vervangen door de woorden “het derde lid”;
4° het bestaande vierde, vijfde en zesde lid, die het vijfde, zesde en zevende lid worden, worden vervangen door wat volgt:
“De Vlaamse Regering levert een bijdrage aan de opmaak, en in voorkomend geval aan de herziening, van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, zoals bepaald in het preventieve luik van het stabiliteits- en groeipact.”;
5° het bestaande zevende lid, dat het zesde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
“De Vlaamse Regering vertaalt de begrotingsdoelstelling van de Vlaamse deelstaatoverheid in jaarperspectief in het ontwerpbegrotingsplan. De Vlaamse Regering dient uiterlijk op 2 oktober voorafgaand aan het begrotingsjaar het Vlaams ontwerpbegrotingsplan in bij het Vlaams Parlement.”.
Artikel 46. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 29, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd:
“De boekhouding is ingericht zodat de transactiegegevens kunnen worden gegenereerd die nodig zijn om de gegevens op te stellen volgens het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen.”.
Artikel 47. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 42, §1/1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2022, worden tussen de woorden “houdt rekening met de” en de woorden “internationale rapporteringsregels” de woorden “Europese en de” ingevoegd.
Artikel 48. ( 01/01/2026 - ... )
In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 1 juli 2022, wordt een artikel 44/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 44/2. De Vlaamse Regering rapporteert over de Vlaamse begrotingsuitvoering en de Vlaamse hervormings- en investeringstoezeggingen in de Vlaamse bijdrage aan het jaarlijkse voortgangsverslag.
In het eerste lid wordt verstaan onder jaarlijks voortgangsverslag: het verslag van België over de uitvoering van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, vermeld in artikel 10, §1, vijfde lid, van dit decreet, met inbegrip van het netto-uitgavenpad dat de Raad heeft vastgesteld en de hervormingen en investeringen, opgesteld conform hoofdstuk V van verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad.”.
Artikel 49. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 45 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerst lid worden de woorden “tussentijdse of bijkomende jaarlijkse” vervangen door de woorden “periodieke en bijkomende”;
2° in het tweede lid wordt het woord “tussentijdse” vervangen door de woorden “periodieke en bijkomende”.
Artikel 50. ( 01/01/2026 - ... )
In de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 1 juli 2022, wordt een artikel 75/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 75/1. Juridische kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het aanspannen van gerechtelijke procedures tegen de Vlaamse deelstaatoverheid, komen niet in aanmerking als subsidiabele kosten.”.
Artikel 51. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 22 van het Programmadecreet van 20 december 2019 bij de begroting 2020, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Vanaf 2026 wordt op de werkingssubsidie van het voorgaande jaar een jaarlijkse groeivoet van 3,5% toegepast. De werkingssubsidie wordt ook structureel verhoogd met 35 miljoen euro vanaf 2026, bijkomend 10 miljoen euro vanaf 2027 en bijkomend 15 miljoen euro vanaf 2028.”.
Artikel 52. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen de woorden “De algemene werkingssubsidie wordt” en de woorden “onder de gemeenten” de zinsnede “voor de jaren 2020 tot en met 2025” ingevoegd;
2° er worden een vierde tot en met zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
“Vanaf 2026 wordt de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie voor het jaar 2025. Bij een samenvoeging van gemeenten wordt vanaf het tweede jaar van de samenvoeging de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie in het jaar van de samenvoeging.
Bij een samenvoeging van gemeenten vanaf 2026 ontvangt de nieuwe gemeente in het jaar van de samenvoeging een aandeel in de algemene werkingssubsidie dat gelijk is aan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of opgesplitste delen van gemeenten in het jaar van de samenvoeging, berekend conform het vierde lid en artikel 22, vierde lid. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, wordt het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar van de samenvoeging ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de aandelen gekadastreerde oppervlakte open ruimte van de opgesplitste delen.
Het vijfde lid is niet van toepassing bij een samenvoeging met een stad als vermeld in artikel 6, §1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Voornoemde steden zijn uitgesloten van de algemene werkingssubsidie.”.
Artikel 53. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 19bis, §1, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanvullende dotatie in 2026 41.500.000 euro.”.
Artikel 54.
Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".
( 01/01/2027 - ... )In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt hoofdstuk IIIbis, dat bestaat uit artikel 19bis tot en met 19quinquies, opgeheven.
Artikel 55. ( 01/01/2026 - ... )
Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een subsidie ingeschreven voor de gemeenten, vermeld in artikel 8, eerste lid, van de gecoördineerde wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18 juli 1966, die in het Vlaamse Gewest liggen en die minder dan 3000 inwoners hebben.
Artikel 56. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt op de volgende wijze verdeeld:
1° 3% voor elke gemeente met minder dan 1000 inwoners;
2° 13,6% voor elke gemeente met 1000 tot en met 1999 inwoners;
3° 16,7% voor elke gemeente met 2000 tot en met 2999 inwoners;
4° het resterende bedrag wordt verdeeld volgens het aantal inwoners. Het aandeel van elke gemeente wordt vastgesteld in verhouding tot de relatieve waarde van het aantal inwoners van elke gemeente ten opzichte van de som van het aantal inwoners van alle gemeenten.
Het aantal inwoners, vermeld in het eerste lid en artikel 55, wordt vastgesteld op grond van de meest recente cijfers die op 30 september van het betrokken begrotingsjaar gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 57. ( 01/01/2026 - ... )
De Vlaamse Regering stelt jaarlijks het aandeel van elke gemeente in de subsidie, vermeld in artikel 55, vast.
Artikel 58. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt aan de gemeenten betaald uiterlijk op 31 december van het begrotingsjaar.
Artikel 59. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten, vermeld in artikel 55, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Artikel 60. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 3 van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
“De doelstellingen van de lokale energie- en klimaatpacten, vermeld in het eerste lid, omvatten al de volgende elementen:
1° lokale besturen engageren zich om het Burgemeestersconvenant 2030 of 2050 te ondertekenen en uit te werken;
2° lokale besturen engageren zich om een jaarlijkse primaire energiebesparing van minstens 2,09% te realiseren in hun eigen gebouwen ten opzichte van referentiejaar 2019;
3° lokale besturen engageren zich om een reductie van de CO2-uitstoot van hun eigen gebouwen en technische infrastructuur met 40% in 2030 ten opzichte van 2015 te realiseren;
4° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 de openbare verlichting te verledden;
5° lokale besturen engageren zich om het draagvlak voor hernieuwbare energie te verhogen door geen heffing op hernieuwbare energie-installaties in te voeren en om bestaande heffingen niet te verhogen;
6° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 lokale warmte- en sloopbeleidsplannen op te maken;
7° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één boom extra per inwoner te realiseren;
8° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 een halve meter extra haag of geveltuinbeplanting per inwoner te realiseren;
9° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één extra natuurgroenperk per 1000 inwoners te realiseren;
10° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 50 collectief georganiseerde energiebesparende renovaties per 1000 wooneenheden te realiseren;
11° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één coöperatief of participatief hernieuwbaar energieproject per 500 te voorzien, die samen voor een totaal geïnstalleerd vermogen zorgen van 216 megawatt;
12° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 per 1000 inwoners één toegangspunt voor een deelsysteem te realiseren;
13° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 per 100 inwoners één laadpunt te realiseren;
14° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één meter nieuw of structureel opgewaardeerd fietspad extra per inwoner te realiseren;
15° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 1 m2 ontharding per inwoner te realiseren;
16° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 1 m3 extra opvang van hemelwater voor hergebruik, buffering of infiltratie per inwoner te realiseren.
De doelstellingen die opgenomen zijn in de lokale energie- en klimaatpacten, die krachtens dit decreet werden vastgesteld, houden op uitwerking te hebben, als ze niet overeenkomen met de lijst opgenomen in het tweede lid.”.
Artikel 61.
Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".
( 01/01/2027 - ... )Het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten wordt opgeheven, met uitzondering van wat vermeld is in het tweede lid.
Artikel 6 en 7 van het decreet, vermeld in het eerste lid, blijven gelden voor de subsidies die toegekend werden tot en met het begrotingsjaar 2025.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2023 tot uitvoering van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten wordt opgeheven, met uitzondering van wat vermeld is in het vierde lid.
Artikel 2 en 3 van het besluit, vermeld in het derde lid, blijven gelden voor de subsidies die toegekend werden tot en met het begrotingsjaar 2025.
Artikel 62. ( 01/01/2026 - ... )
Vanaf 2026 wordt jaarlijks op de begroting van het Vlaamse Gewest een subsidie ingeschreven als algemene financiering en ondersteuning van plattelandsgemeenten.
Artikel 63. ( 01/01/2026 - ... )
Een lijst met de gemeenten en hun aandeel in de subsidie, vermeld in artikel 62, is opgenomen in bijlage 1 die bij dit decreet wordt gevoegd.
Artikel 64. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 62, wordt aan de gemeenten, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, volledig betaald op 30 juni van elk begrotingsjaar.
Artikel 65. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 62, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Artikel 66. ( 01/01/2026 - ... )
De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot) stedelijke en plattelandsinvesteringen;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023.
Artikel 67. ( 01/01/2026 - ... )
Het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, zoals van kracht op 31 december 2025, blijft van toepassing op de subsidies, vermeld in artikel 6 tot en met 14 van het voormelde decreet, die uiterlijk in het begrotingsjaar 2025 zijn toegekend.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, zoals van kracht op 31 december 2025, blijft van toepassing op de subsidies, vermeld in artikel 6 tot en met 14 van het voormelde decreet, die uiterlijk in het begrotingsjaar 2025 zijn toegekend.
Artikel 68. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, vervangen bij het decreet van 21 november 2008 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, worden een paragraaf 11 en 12 toegevoegd, die luiden als volgt:
“§11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
§12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.”.
Artikel 69. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 12, eerste lid, van het decreet van 8 maart 2013 betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden, wordt de volgende zin toegevoegd:
“De Vlaamse Regering kan initiatieven daarvoor subsidiëren en kan nadere regels voor die subsidiëring bepalen.”.
Artikel 70. ( 01/01/2026 - ... )
Er wordt een Fonds Handhaving Vlaanderen opgericht.
Aan het Fonds Handhaving Vlaanderen worden de volgende ontvangsten en opbrengsten toegewezen:
1° alle ontvangsten die voortkomen uit de retributie, vermeld in artikel 83, §6, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
2° de opbrengsten die overeenkomstig artikel 73, eerste lid, van het voormelde decreet toekomen aan de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld justitie en handhaving.
De middelen van het Fonds Handhaving Vlaanderen worden gebruikt voor de volgende doelstellingen:
1° de uitgaven dekken voor de ontwikkeling en het onderhoud van:
a) het digitale klassement, vermeld in artikel 4, §1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
b) het bestuurlijke sanctieregister, vermeld in artikel 77, eerste lid, van het voormelde decreet;
c) het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° de uitgaven dekken die betrekking hebben op de handhaving van het voormelde decreet en de Vlaamse regelgeving waarop het van toepassing is, en die zijn gemaakt door de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld justitie en handhaving.
Artikel 71. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 83, §6, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“De Vlaamse Regering kan de consultatie van het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, door de instrumenterende ambtenaar, vermeld in paragraaf 4, en de vastgoedmakelaar, vermeld in paragraaf 5, afhankelijk stellen van het betalen van een retributie.”.
Artikel 72. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 198 van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022, gewijzigd bij het decreet van 22 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de datum “1 januari 2026” wordt vervangen door de datum “1 januari 2028”;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“De Vlaamse Regering kan een datum van inwerkingtreding bepalen die voorafgaat aan de datum, vermeld in het eerste lid.”.
Artikel 73. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 4.61 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gewijzigd bij het decreet van 3 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 5° opgeheven;
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
“Het VWF treedt vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025 in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71.”;
3° in het vierde lid wordt de zinsnede “de opdracht vermeld in het eerste lid, 5°” telkens vervangen door de zinsnede “de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71”;
4° het vijfde en het zesde lid worden opgeheven.
Artikel 74. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 4.62, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2021 en 3 juni 2022, wordt punt 5° opgeheven.
Artikel 75. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 5.71 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 3 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “de gunnende entiteit” vervangen door de woorden “het Vlaamse Gewest”;
2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Als er geen overheidsopdracht als vermeld in het tweede lid, gegund kan worden, kan een dienst die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen, belast worden met de opdracht, vermeld in het eerste lid.”;
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
“§3. De Vlaamse Regering duidt de entiteit aan die instaat voor de behandeling van de aanvragen om in aanmerking te komen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die behandeling.
De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij de entiteit, vermeld in het eerste lid, en een verhaalprocedure bij de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.”.
Artikel 76. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 5.71/0, §2, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 april 2023, wordt de zinsnede “de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, §1, van deze codex, beheert,” vervangen door de zinsnede “conform artikel 5.71, §3, belast is met de behandeling van de aanvragen”.
Artikel 77. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, vervangen bij het decreet van 21 november 2008 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt een paragraaf 13 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.”.
Artikel 78. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 4.2.1.1.6, §1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 1° tot en met 3° worden vervangen door wat volgt:
“1° proefbemalingen gedurende minder dan één maand;
2° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
3° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
1) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);”;
2° er worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
“4° spuiwater van grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen dat niet afkomstig is van chemische regeneratie;
5° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden.”.
Artikel 79. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 4.2.1.2.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 4.2.1.2.2. In afwijking van artikel 4.2.1.2.1 van dit decreet, is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden;
4° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen, met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
1) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
5° grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmte-pomp integraal opnieuw in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
6° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest is uitgereikt conform artikel 17 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals van kracht vóór 1 juni 2008, of artikel 50 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
7° het deel van het beluchte grondwater van grondwaterwinningen dat wordt gebruikt voor ondergrondse beluchting als vermeld in de indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van VLAREM, dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.”.
Artikel 80. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 4.1.1, 2°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt de zinsnede “0300, 0500, 0700 of 0900” vervangen door de zinsnede “A0300, A0500, A0700 of A0900”.
Artikel 81. ( 01/01/2026 - ... )
In bijlage 6 bij hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tabel I en II worden vervangen door wat volgt:
“Tabel I. Laagfactor
Tabel II. Gebiedsfactor
code
hydrogeologische hoofdeenheid
laagfactor
A0100
Quartaire aquifersystemen
1
A0200
Kempens aquifersysteem
1
A0300
Boom aquitard
1
A0400
Oligoceen aquifersysteem
1
A0500
Bartoon aquitardsysteem
1
A0600
Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
1
A0700
Paniseliaan aquitard
1
A0800
Ieperiaan aquifer
1
A0900
Ieperiaan aquitardsysteem
1
A1000
Paleoceen aquifersysteem
1
A1100
Krijt aquifersysteem
1
A1200
Jura Trias Perm
1
A1300
Sokkel
1
code gebied
hydrogeologische hoofdeenheid
zone
gebiedsfactor heffingsjaar 2018
jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
A0100_niet afgesloten
A0100
Quartaire aquifersystemen
1,28
0,03125
A0200_niet afgesloten
A0200
Kempens aquifersysteem
1,28
0,03125
A0400_niet afgesloten
A0400niet-afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
1,28
0,03125
code gebied
hydrogeologische hoofdeenheid
zone
gebiedsfactor heffingsjaar 2018
jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
A0400_
afgesloten
A0400afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
1,81
0,0625
A0400_
actiegebied
A0400actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
3,72
0,21875
A0600_niet afgesloten
A0600niet-afgesloten deel van het
Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
1,28
0,03125
A0600_
afgesloten
A0600afgesloten deel van het Ledo-Panise-liaan Brusseliaan aquifersysteem
1,81
0,0625
A0600_
actiegebied
A0600actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo-Panise-liaan Brusseliaan aquifersysteem
2,63
0,125
A0800_niet afgesloten
A0800niet-afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
1,28
0,03125
A0800_
afgesloten
A0800afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
1,81
0,0625
A0800_
actiegebiedA0800
actiegebied in de Ieperiaan aquifer
2,63
0,125
A1000_niet afgesloten
A1000niet-afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
1,28
0,03125
A1000_
afgesloten
A1000afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
1,81
0,0625
A1000_
actiege-bied_4
A1000actiegebied 4 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1,81
0,0625
A1000_
actiege-bied_3
A1000actiegebied 3 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
2,63
0,125
A1000_
actiege-bied_2
A1000actiegebied 2 in het Paleoceen aquifer-systeem binnen het Sokkelsysteem
5,38
0,375
”;
code gebied
hydrogeologische hoofdeenheid
zone
gebiedsfactor heffingsjaar 2018
jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
A1000_
actiege-bied_1
A1000actiegebied 1 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
5,38
0,375
A1100_niet afgesloten
A1100+A1300niet-afgesloten deel van het Krijt aquifersysteem en de Sokkel
1,28
0,03125
A1100_
afgesloten
A1100+A1300afgesloten deel van het Krijt aquifer-systeem en de Sokkel
1,81
0,0625
A1300_
actiege-bied_4
A1100+A1300actiegebied 4 in het Krijt aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1,81
0,0625
A1300_
actiege-bied_3
A1100+A1300actiegebied 3 in het Krijt aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
2,63
0,125
A1300_
actiege-bied_2
A1100+A1300actiegebied 2 in het Krijt
aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
5,38
0,375
A1300_
actiege-bied_1
A1100+A1300actiegebied 1 in het Krijt
aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
5,38
0,375
2° de zinsnede “met code 0100_niet-afgesloten” wordt vervangen door de zinsnede “met code A0100_niet afgesloten”.
Artikel 82. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden het derde en het vierde lid opgeheven.
Artikel 83. ( 01/01/2026 - ... )
Aanvragen van een subsidie als tegemoetkoming voor de actualisatie van de inventaris van de onbebouwde percelen als vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van kracht op 31 december 2025, die volledig en ontvankelijk zijn ingediend uiterlijk op 31 maart 2026, worden afgehandeld conform artikel 5.6.1 van de voormelde codex, zoals van kracht op 31 december 2025.
Artikel 84. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 10.2.5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 december 2018, wordt paragraaf 6 opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
“§6. Aan de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een retributie, vermeld in paragraaf 1, 4°, betaald om metingen, simulaties en analyses uit te voeren voor schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging).
Een dergelijke retributie wordt betaald als de metingen, simulaties en analyses die de Vlaamse Millieumaatschappij uitvoert, kaderen binnen:
1° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
2° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie in de omgevingsvergunning die aan het schrootbedrijf is verleend om een ingedeelde inrichting of activiteit te exploiteren.
De retributie, vermeld in het eerste lid, bij een shredderinstallatie met één meetlocatie bedraagt 15.480,39 euro per jaar, exclusief btw, als eenheidsprijs.
Het bedrag, vermeld in het derde lid, dekt al de volgende elementen:
1° de monstername, inclusief controlebezoeken op één meetlocatie;
2° de analysekosten voor één meetlocatie, met inbegrip van de gedeelde kosten voor de analyse van veldblanco’s en duplo’s;
3° de bijdrage aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor administratieve verwerking, rapportering en bijbehorende taken.
De analyse en rapportering van de meetdata gebeuren op kwartaalbasis. Als een shredderinstallatie gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren onder de toepasselijke jaardrempel blijft, volstaat het om nadien een controlecampagne uit te voeren van één kwartaal.
Als een shredderinstallatie beschikt over twee meetlocaties, wordt op de jaarlijkse eenheidsprijs, vermeld in het derde lid, een supplement toegepast van 4035,00 euro per jaar, of 1008,75 euro per kwartaal, exclusief btw.
Eventuele prijsstijgingen in de kostprijs van het externe laboratorium worden doorgerekend aan de bedrijven, vermeld in het eerste lid. Vóór de prijsstijgingen worden toegepast, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij de bedrijven, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van die prijsstijgingen.
Het bedrijf dat een beroep doet op de Vlaamse Milieumaatschappij om de metingen, simulaties en analyses te laten uitvoeren, stort de verschuldigde retributie nadat het de factuur heeft gekregen, op het rekeningnummer van de Vlaamse Milieumaatschappij met vermelding van de naam van het bedrijf en het inkoopnummer van de factuur.
Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex volgens de volgende formulering:
Ph = Pa * Ih / Ia
waarbij
Ph = aanvankelijke prijs
Pa = gezondheidsindex op 1 januari 2024
Ih = gezondheidsindex op 1 januari 2024
Ia = gezondheidsindex op 1 januari van facturatie.”.
Artikel 85. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.1.4.0.1, §2/1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2018 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt de zinsnede “artikel 4.168 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021” vervangen door de zinsnede “artikel 4.147 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en waarvan de oorspronkelijke hoofd-huurovereenkomst met de woonmaatschappij een aanvangsdatum heeft vóór 1 januari 2026”.
Artikel 86. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 16°, wordt de zinsnede “huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval,” opgeheven;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 16°/1, wordt het woord “bedrijfsafvalstoffen” vervangen door het woord “afvalstoffen”, wordt de zinsnede “25 euro per ton” vervangen door de zinsnede “32 euro per ton” en wordt de zinsnede “met ingang van 1 januari 2022” vervangen door de zinsnede “met ingang van 1 januari 2026”;
3° in paragraaf 1, eerste lid, 17°, wordt de zinsnede “huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval,” opgeheven;
4° in paragraaf 1, eerste lid, 17°/1, wordt het woord “bedrijfsafvalstoffen” vervangen door het woord “afvalstoffen”, wordt de zinsnede “25 euro per ton” vervangen door de zinsnede “32 euro per ton” en wordt de zinsnede “met ingang van 1 januari 2022” vervangen door de zinsnede “met ingang van 1 januari 2026”;
5° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede “de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen” vervangen door de zinsnede “de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd” en wordt de zinsnede “van november 2021” vervangen door de zinsnede “van november 2025”;
6° aan paragraaf 5, vierde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
“De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.”.
Artikel 87. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 46, §2, vijfde lid, punten 8°, 9°, 10° en 11°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 2016, 18 december 2020, 30 juni 2023 en 20 december 2024 worden de jaren “2025”, “2026”, “2027” en “2028” vervangen door respectievelijk de jaren “2026”, “2027”, “2028” en “2029”.
Artikel 88. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2.6.4.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
“De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in de volgende schijven, die elk worden onderworpen aan de volgende een heffingspercentages:
”.
schijf van het kadastraal inkomen in euro
percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte
totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro
tot en met 12.350
168
/
van 12.351 tot en met 37.150
140
20.748
van 37.151 tot en met 74.350
112
55.468
vanaf 74.351
84
97.132
Artikel 89. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 51quater, §2, derde lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede “maximaal 42” vervangen door de zinsnede “maximaal 25,5”.
Artikel 90. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 77quater, §2, derde lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede “maximaal 42” vervangen door de zinsnede “maximaal 25,5”.
Artikel 91. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 72octies, §1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en vervangen bij het decreet van 16 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden punt 1° en 2° opgeheven;
2° het derde lid wordt opgeheven.
Artikel 92. ( 07/08/2025 - ... )
In artikel 113novies van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4, 1°, wordt tussen het woord “onderwijs” en de zinsnede “, voor” de zinsnede “of een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatieniveau 4” ingevoegd;
2° in paragraaf 6 worden tussen het woord “opleiding” en het woord “van” de woorden “van een leergebied van de basiseducatie of” ingevoegd.
Artikel 93. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 196sexies, §1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt een twaalfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende vte, 1.494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.”.
Artikel 94. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.34, §1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 3 juli 2015 en 15 juni 2018, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
“1° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 1995 rechtstreeks heeft betaald. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
2° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;”.
Artikel 95. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel VI.1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 wordt vervangen door wat volgt:
“Art. VI.1. §1. In het kader van de versterking van de digitale infrastructuur en de bevordering van digitale geletterdheid in het onderwijs, kan de Vlaamse Regering, voor de informatisering van het onderwijs jaarlijks een werkingsbudget toekennen aan:
1° de scholen voor gewoon- en buitengewoon basisonderwijs;
2° de scholen en centra voor voltijds secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3° de academies voor deeltijds kunstonderwijs;
4° de centra voor volwassenenonderwijs;
5° de centra voor basiseducatie.
Het werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend met het oog op:
1° de afname van Vlaamse toetsen via digitale middelen;
2° de terbeschikkingstelling van voldoende en geschikte ICT-infrastructuur voor leerlingen of cursisten en personeel;
3° het bevorderen van gelijke toegang tot digitale leermiddelen.
§2. Het werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, wordt toegekend voor een periode van maximaal drie schooljaren, en kan worden aangewend tot en met 31 december van het derde jaar dat volgt op het schooljaar waarin het werkingsbudget wordt toegekend.”.
Artikel 96. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel VI.2. van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2022, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. VI.2. De werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe door de decreetgever vastgestelde globale begrotingskrediet.
De Vlaamse Regering stelt binnen dat krediet jaarlijks de verdeelsleutel en het bedrag per instelling vast op basis van één of meer van de volgende criteria:
1° het aantal gewogen leerlingen per instellingstype;
2° het aantal personeelsleden met een onderwijsopdracht in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
3° de specifieke behoeften voor digitalisering, die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering stelt de gewogen leerlingenaantallen vermeld in het eerste lid, 1°, vast op basis van één of meer van de volgende criteria, zijnde onderwijsniveau, onderwijstype en socio-economische context.
De Vlaamse Regering kan forfaitaire bedragen toekennen aan ziekenhuisscholen en centra voor basiseducatie.”.
Artikel 97. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel VI.3. van dezelfde codificatie wordt vervangen door wat volgt:
“Art. VI.3. §1. De Vlaamse Regering bepaalt de volgende aspecten:
1° de berekening, toekenning en uitbetaling van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1;
2° de aanwending van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, conform een refertelijst;
3° de verplichting tot het opstellen van een ICT-beleidsplan en een professionaliseringsbeleid op vlak van ICT;
4° de sociale correcties ter waarborging van gelijke toegang tot digitale leermiddelen;
5° de rapportering en verantwoording;
6° de monitoring en de evaluatie van het digitaliseringsbeleid.
§2. De Vlaamse Regering bepaalt een controlemechanisme via de bevoegde diensten, die steekproefsgewijs de correcte aanwending van de middelen en de naleving van de regelgeving over overheidsopdrachten en de doorrekening van de kosten in de schoolfactuur controleren. Deze controle heeft geen betrekking op de opportuniteit van de aanwending.
§3. Indien de aspecten bepaald door de Vlaamse Regering op basis van paragraaf 1 niet overeenkomstig de vastgestelde regels worden aangewend, kan aan het betrokken schoolbestuur een gedeeltelijke terugvordering of inhouding van het werkingsbudget worden opgelegd. De terugvordering of inhouding bedraagt ten hoogste 10% van het werkingsbudget van de instelling waar de overtreding werd vastgesteld, conform de bepalingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs.
De sanctie is proportioneel, wordt voorafgegaan door een kennisgeving met vermelding van de vaststellingen en een termijn om te worden gehoord, en wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele sanctieregelingen bepaald in andere decretale regelgeving die op de betrokken instelling van toepassing is.”.
Artikel 98. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 70, §3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017 wordt de zinsnede “maximaal 42” vervangen door de zinsnede “maximaal 25,5”.
Artikel 99. ( 01/01/2026 - ... )
Aan hoofdstuk 7, afdeling 1, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een artikel 98/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 98/1. In afwijking van artikel 100, 101, 102, 114, §2, 115, §1, 117, §1, 118 en 130, §2, kan een schoolbestuur in het schooljaar 2026-2027 geen nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen oprichten en geen nieuwe onderwijsbevoegdheid verkrijgen voor clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument.”.
Artikel 100. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 6, §2, van het decreet van 3 juni 2022 over de organisatie van zomerscholen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord “forfaitair” opgeheven;
2° in het tweede, derde en vierde lid wordt het woord “forfaitaire” opgeheven;
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Met toepassing van artikel 75, eerste lid, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 11, tweede lid, van de wet van 16 mei 2003 betreffende de algemene bepalingen inzake begrotingen, controle op subsidies en boekhouding van de gemeenschappen en gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, ontvangen het lokaal bestuur dat de regierol, vermeld in het derde lid, opneemt en de organiserende onderwijsinstelling die geen beroep doet op een regierol van een lokaal bestuur respectievelijk het subsidiebedrag om die regierol op te nemen en het subsidiebedrag voor de overheadkosten, vermeld in het vierde lid, zonder dat verantwoording hoeft te worden verstrekt over de aanwending ervan.”.
Artikel 101. ( 01/09/2025 - ... )
Er wordt voor het begrotingsjaar 2025 en het begrotingsjaar 2026 een extra werkingsbudget ter beschikking gesteld om de aanvangsbegeleiding te versterken van startende leerkrachten in het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs.
De volgende bedragen worden verdeeld:
1° voor het begrotingsjaar 2025 16.233.000 euro;
2° voor het begrotingsjaar 2026 22.467.000 euro.
Het aandeel in het extra werkingsbudget waarop elke school recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aandeel van de school in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettair voltijdsequivalenten in de maand december van 2022, 2023 en 2024 in de betrokken onderwijsniveaus.
Voor de toepassing van het derde lid worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan beide onderstaande voorwaarden voldoen:
1° personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
2° personeelsleden die tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling hadden.
Het extra werkingsbudget voor 2025 wordt uiterlijk op 31 december 2025 uitbetaald. Het extra werkingsbudget voor 2026 wordt uiterlijk op 30 juni 2026 uitbetaald.
Het extra werkingsbudget wordt in het basisonderwijs aangewend voor startende leerkrachten conform artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
Het extra werkingsbudget wordt in het secundair onderwijs aangewend voor startende leerkrachten conform artikel 251/1 en 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
Het extra werkingsbudget kan ook aangewend worden voor de professionalisering van de startende leerkrachten en de mentoren.
Artikel 102. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.115 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 worden de zinsnede “de Vlerick Business School,” en de woorden “de Antwerp Management School” opgeheven.
Artikel 103. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.118 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014, 20 december 2019 en 16 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 en 3 worden opgeheven;
2° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
“§5. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9.
Het bedrag, vermeld in paragraaf 4, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, §2.
Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.”;
3° paragraaf 10 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 11 worden het eerste en het tweede lid opgeheven.
Artikel 104. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel IV.102 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 maart 2019, wordt de zinsnede “de Vlerick Business School, de Antwerp Management School,” opgeheven.
Artikel 105. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.73 van dezelfde codex wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
“De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Universiteit Antwerpen als Initiërende Universiteit van het Instituut voor Joodse Studies als vermeld in artikel II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:”.
Artikel 106. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.74 van dezelfde codex worden het eerste en het tweede lid opgeheven.
Artikel 107. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel III.41 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 19 december 2014, 18 december 2015 en 23 december 2016, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§4. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
”.
Instelling
begrotingsjaar 2026
begrotingsjaar 2027
begrotingsjaar 2028
begrotingsjaar 2029
vanaf begrotings-jaar 2030
Thomas More Mechelen-Antwerpen
€ 211.970
€ 158.978
€ 105.985
€ 52.993
€ 0
Hogeschool West-Vlaanderen
€ 174.872
€ 131.154
€ 87.436
€ 43.718
€ 0
Artevelde
-hogeschool€ 302.119
€ 226.589
€ 151.060
€ 75.530
€ 0
Hogeschool Gent
€ 373.555
€ 280.166
€ 186.777
€ 93.389
€ 0
Katholieke Hogeschool Vives Noord
€ 86.976
€ 65.232
€ 43.488
€ 21.744
€ 0
Katholieke Hogeschool Vives Zuid
€ 228.960
€ 171.720
€ 114.480
€ 57.240
€ 0
Odisee
€ 570.827
€ 844.643
€ 1.118.460
€ 1.392.276
€ 1.666.093
Erasmushogeschool Brussel
€ 539.802
€ 874.753
€ 1.209.705
€ 1.544.657
€ 1.879.609
UC Leuven
€ 208.307
€ 156.230
€ 104.153
€ 52.077
€ 0
Thomas More Kempen
€ 184.057
€ 138.043
€ 92.028
€ 46.014
€ 0
LUCA School of Arts
€ 239.959
€ 318.916
€ 397.873
€ 476.830
€ 555.787
Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
€ 299.041
€ 224.281
€ 149.521
€ 74.760
€ 0
UC Limburg
€ 119.901
€ 89.926
€ 59.951
€ 29.975
€ 0
Hogeschool PXL
€ 210.844
€ 158.133
€ 105.422
€ 52.711
€ 0
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
€ 331.996
€ 248.997
€ 165.998
€ 82.999
€ 0
Hogere Zeevaartschool
€ 18.302
€ 13.726
€ 9.151
€ 4.575
€ 0
Katholieke Universiteit Leuven
€ 1.461.289,41
€ 1.461.289,41
€ 1.461.289,41
€ 1.461.289,41
€ 1.461.289
Universiteit Hasselt
€ 426.763,95
€ 320.072,97
€ 213.381,98
€ 106.690,99
€ 0
Universiteit Antwerpen
€ 907.257,37
€ 680.443,03
€ 453.628,69
€ 226.814,34
€ 0
Vrije Universiteit Brussel
€ 1.723.476,80
€ 2.546.801,14
€ 3.370.125,47
€ 4.193.449,81
€ 5.016.774
Universiteit Gent
€ 1.959.276,01
€ 1.469.457,01
€ 979.638,00
€ 489.819,00
€ 0
Artikel 108. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel III.3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016, 4 mei 2018 en 22 april 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragaaf 1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
“2° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 1° tot en met 9°;”;
2° er worden een paragraaf 4 en 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
“§4. In paragraaf 4 en 5 wordt verstaan onder
1° niet-EER-student: een student die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
2° een anderstalige opleiding: een initiële opleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding die als anderstalige opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.170, §2.
Vanaf begrotingsjaar 2027 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, beperkt door een bedrag in mindering te brengen van de werkingsuitkeringen van universiteiten en hogescholen.
Dit bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, 2° tot en met 9°, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten voor het begrotingsjaar t vast te stellen wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, en die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract, voor een initiële bachelor- of masteropleiding, voor een bachelor-na-bacheloropleiding, voor een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding of voor een graduaatsopleiding, waarvoor het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking wordt genomen. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
De instellingen houden de verantwoordingsstukken van de niet-EER-studenten die behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, ter beschikking voor de regeringscommissarissen, die daarop een controle uitvoeren en die het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, daarvan jaarlijks op de hoogte brengen vóór 31 maart van begrotingsjaar t-1.
Om de financiering te berekenen, wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op 31 december in het academiejaar in kwestie.
§5. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten beperkt door een bedrag in mindering te brengen bij de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding voor het begrotingsjaar t vast te stellen, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract voor een initiële anderstalige bachelor- of masteropleiding of een anderstalige bachelor-na-bacheloropleiding. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
Het tweede deel van het bedrag, vermeld in het eerst lid, bestaat uit een compensatie van 10.300.000 euro, als compensatie van de niet EER-studenten in een Nederlandstalige opleiding. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
".
Instelling
Bedrag
Thomas More Mechelen-Antwerpen
€ 206.273,14
Hogeschool West-Vlaanderen
€ 170.171,98
Arteveldehogeschool
€ 293.999,01
Hogeschool Gent
€ 363.514,39
Katholieke Hogeschool Vives Noord
€ 84.638,67
Katholieke Hogeschool Vives Zuid
€ 222.805,98
Odisee
€ 231.221,85
Erasmushogeschool Brussel
€ 159.475,03
UC Leuven
€ 202.708,09
Thomas More Kempen
€ 179.109,89
LUCA School of Arts
€ 125.339,97
Karel de Grote Hogeschool
€ 291.003,59
UC Limburg
€ 116.678,54
Hogeschool PXL
€ 205.177,25
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
€ 323.072,61
Hogere Zeevaartschool
€ 17.810,01
Katholieke Universiteit Leuven
€ 2.623.222,19
Universiteit Hasselt
€ 476.779,18
Universiteit Antwerpen
€ 1.013.584,72
Vrije Universiteit Brussel
€ 804.517,72
Universiteit Gent
€ 2.188.896,20
Artikel 109. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 2 van het decreet van 22 april 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de Oekraïnecrisis, tot wijziging van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 voor leerlingen en studenten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/ EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Vanaf 1 januari 2026 kunnen geen nieuwe huurovereenkomsten worden goedgekeurd. Enkel verlengingen van de huurovereenkomst in functie van de nood, vermeld in het tweede lid, kunnen voor een extra termijn van 2 jaar worden verlengd als de huurovereenkomst voor 1 januari 2026 werd goedgekeurd.”;
2° paragraaf 9 wordt opgeheven.
Artikel 110. ( 01/01/2026 - ... )
In hetzelfde decreet worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 6 en 7;
2° artikel 9, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023;
3° artikel 13 en 14;
4° artikel 19 en 20;
5° artikel 24 en 25;
6° artikel 28.
Artikel 111. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
“Artikel 8, 15, 16, 17, 21, 22 en 33 hebben uitwerking tot het einde van het schooljaar waarin er een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, in werking is.”.
Artikel 112. ( 01/01/2026 - ... )
In het decreet van 3 juni 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de Oekraïnecrisis en tot wijziging van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voor leerlingen en studenten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen–(II), het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juni 2025, worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 44, vervangen bij het decreet van 15 juli 2022;
2° artikel 45;
3° artikel 45/1, ingevoegd bij het decreet van 5 mei 2023.
Artikel 113. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 46 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 5 mei 2023, wordt het tweede lid opgeheven.
Artikel 114. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 van het decreet van 23 december 2022 tot het nemen, naar aanleiding van de Oekraïnecrisis, van dringende maatregelen in het onderwijs voor kleuters, leerlingen en cursisten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (IV), worden opgeheven.
Artikel 115. ( 01/01/2026 - ... )
Vanaf 2026 wordt jaarlijks op de begroting een subsidie ingeschreven als algemene financiering voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest.
Artikel 116. ( 01/01/2026 - ... )
Een lijst met de gemeenten met hun aandeel in de subsidie, vermeld in artikel 115, is opgenomen in bijlage 2, die bij dit decreet wordt gevoegd.
Artikel 117. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie, vermeld in artikel 115, is vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Artikel 118. ( 01/01/2026 - ... )
De subsidie wordt voor het volledige bedrag aan de lokale besturen uiterlijk op 31 december van elk begrotingsjaar betaald.
Artikel 119. ( 01/01/2026 - ... )
Het gebruik van deze financiering wordt gemonitord door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie via de rapporteringscodes in de digitale rapportering over de gegevens van de jaarrekening.
Artikel 120. ( 01/01/2026 - ... )
In het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt het opschrift van hoofdstuk 7 vervangen door wat volgt:
“Hoofdstuk 7. Bevorderen van het lokale sociale-economiebeleid”.
Artikel 121. ( 01/01/2026 - ... )
In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet wordt het opschrift “Afdeling 1. De regierol van gemeenten op het vlak van de lokale sociale economie en werk” opgeheven.
Artikel 122. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 14 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 14. Het lokaal bestuur kan via zijn lokale regierol een lokaal sociale-economiebeleid ontwikkelen dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning van dat lokaal bestuur. Het lokale sociale–economiebeleid creëert op lokaal of bovenlokaal niveau tewerkstellingskansen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt en biedt maatschappelijke uitdagingen het hoofd. Het lokaal bestuur kan beslissen om het volledige lokale sociale–economiebeleid of delen ervan, te ontwikkelen in samenwerking met andere lokale besturen.
Ter uitvoering van zijn lokale regierol voor het lokale sociaal-economiebeleid kan het lokaal bestuur:
1° een beleidsvisie en beleidsdoelstellingen ontwikkelen over de lokale sociale economie en de tewerkstelling van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt in de reguliere en de sociale economie;
2° samenwerking en afstemming stimuleren tussen de lokale besturen en andere relevante partners met het oog op het bevorderen van de duurzame arbeids-marktintegratie van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt;
3° diensten van algemeen economisch belang ontplooien die bijdragen aan de doelstellingen van het lokale sociale-economiebeleid in samenwerking met sociale-economieondernemingen als vermeld in artikel 2, 5°, a), b) en e).
De Vlaamse Regering kan binnen de perken van het begrotingskrediet gerichte maatregelen nemen om het lokale sociale-economiebeleid te ondersteunen met de doelstelling om tewerkstellingskansen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt te bevorderen en maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.”.
Artikel 123. ( 01/01/2026 - ... )
In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 15, opgeheven.
Artikel 124. ( 01/01/2026 - ... )
Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2022 tot bepaling van de lokale regierol van de gemeenten op het vlak van sociale economie en werk wordt opgeheven.
Artikel 125. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 8 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
“§3. De administratieve kosten voor de behandeling van de aanvragen van de arbeidskaarten en de arbeidsvergunningen in het kader van de gecombineerde aanvraagprocedure kunnen het voorwerp uitmaken van een forfaitaire vergoeding die de aanvrager betaalt aan de bevoegde overheid.
De Vlaamse Regering legt het bedrag van de forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, vast, de wijze waarop de forfaitaire vergoeding wordt geïnd en de gevolgen van niet-betaling of onvolledige betaling. Het bedrag mag niet hoger zijn dan 250 euro per aanvraag.
Het bedrag van 250 euro, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, op basis van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijsindex van het voorafgaande jaar, met als basisindex de index die van toepassing is op 1 januari 2026. Het resultaat van de aanpassing wordt naar boven op de euro afgerond.
In het eerste lid wordt onder gecombineerde aanvraagprocedure verstaan: elke procedure op basis van een gecombineerde aanvraag die door een onderdaan van een derde land of zijn werkgever wordt ingediend om te worden gemachtigd om op het Belgische grondgebied te verblijven en er te werken, en die tot een beslissing in verband met deze aanvraag leidt.”.
Artikel 126. ( 01/01/2026 - ... )
In het decreet van 1 juni 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2012, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt het opschrift van hoofdstuk 3 vervangen door wat volgt:
“Hoofdstuk 3. Fonds voor de uitvoering van EU-projecten, bijzondere opdrachten en de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers”.
Artikel 127. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 29 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 29. In dit artikel wordt verstaan onder departement: het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, vermeld in artikel 29/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
Bij het departement wordt een fonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 opgericht waaraan alle ontvangsten van middelen uit Europese, Vlaamse of andere bron, en ook de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers worden toegewezen voor de aanwending van:
1° de betaling van lonen, salarissen, andere vergoedingen die uit de arbeidsverhouding kunnen voortvloeien, werkingskosten en investeringskosten voor personeelsleden van het departement, of die zijn verschuldigd aan derden voor de tewerkstelling van personeel dat op projectbasis en met Europese cofinanciering wordt aangeworven;
2° de betaling van lonen, salarissen, andere vergoedingen die uit de arbeidsverhouding kunnen voortvloeien, werkingskosten en investeringskosten voor personeelsleden van het departement, of die zijn verschuldigd aan derden voor de tewerkstelling van personeel dat wordt aangeworven met het oog op de administratieve afhandeling van aanvragen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° de betaling van toegestane projectuitgaven, de niet-recurrente uitgaven voor de bijzondere opdrachten van het departement en ook de recurrente uitgaven voor ICT-behoeften die gepaard gaan met de administratieve verwerking van aanvragen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
Aan het fonds worden alle ontvangsten van middelen uit Europese, Vlaamse of andere bron toegewezen en ook de inkomsten van de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, die voor de financiering of cofinanciering van de lonen, salarissen, andere vergoedingen, werkingskosten en investeringskosten, toegestane projectuitgaven, de niet-recurrente uitgaven voor de bijzondere opdrachten van het departement en ook de recurrente uitgaven die gepaard gaan met de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, worden aangeboden of toegekend.”.
Artikel 128. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 45, §2, van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt de zinsnede “, en door de middelen die de vzw ESF-Agentschap, opgericht bij het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap, bezorgt aan het departement, vermeld in paragraaf 1, om het Europees Sociaal Fonds te ondersteunen en te implementeren” toegevoegd.
Artikel 129. ( 01/04/2026 - ... )
In artikel 332, vierde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd door de wet van 24 april 2014, wordt de zinsnede “, 353bis/13” opgeheven.
Artikel 130. ( 01/04/2026 - ... )
In artikel 337, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 24 april 2014, wordt de zinsnede “, 353bis/13” opgeheven.
Artikel 131. ( 01/04/2026 - ... )
In titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 januari 2022, wordt onderafdeling 13, die bestaat uit artikel 353bis/13, opgeheven.
Artikel 132. ( 01/01/2026 - ... )
In het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren, gewijzigd bij het decreet van 27 oktober 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° hoofdstuk 1, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 2, wordt opgeheven;
2° hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 3 tot en met 5, wordt opgeheven;
3° hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel 6, wordt opgeheven;
4° hoofdstuk 3/1, dat bestaat uit artikel 6/1 tot en met 6/4, wordt opgeheven;
5° hoofdstuk 4, dat bestaat uit artikel 7 tot en met 8, wordt opgeheven.
Artikel 133. ( 01/01/2026 - ... )
Voor aanvragen die het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie heeft ontvangen vóór 1 januari 2026 blijft het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren, zoals van kracht op 31 december 2025, van toepassing.
Artikel 134. ( 01/01/2026 - ... )
Aan artikel 2, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016 houdende toekenning van een hinderpremie aan kleine ondernemingen die ernstige hinder ondervinden van openbare werken in het Vlaamse Gewest wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Publicatieblad van 15 december 2023, L-serie, blz. 1-12), en de latere wijzigingen ervan.”.
Artikel 135. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 3 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: “Deze regelgeving valt onder de toepassing van de de-minimisverordening.”.
Artikel 136. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 4 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
“Art. 4. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de begrotingskredieten een hinderpremie verlenen aan kleine ondernemingen met een vestiging in het Vlaamse Gewest onder de voorwaarden, vermeld in de de-minimisverordening, dit decreet en de uitvoeringsbesluiten.
De vestiging van een kleine onderneming, vermeld in het eerste lid, moet gedurende een bepaalde minimale periode gesloten worden als gevolg van ernstige hinder door openbare werken. De Vlaamse Regering stelt voormelde minimale periode vast.
In deze vestiging moeten voornamelijk activiteiten worden uitgeoefend die strekken tot de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan eindgebruikers, waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is, en die redelijkerwijze moeilijk kunnen worden uitgeoefend op verplaatsing. De hinderpremie wordt na de start van de ernstige hinder door openbare werken verleend.”.
Artikel 137. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 5 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Artikel 138. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 6 van hetzelfde decreet worden de woorden “hinderpremie B” telkens vervangen door het woord “hinderpremie”.
Artikel 139. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 19, eerste lid, van het Groeipakketdecreet van 2018 wordt in het eerste lid tussen het woord “kind” en het woord “geeft” de zinsnede “dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,” ingevoegd.
Artikel 140. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 20, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord “kind” en het woord “geeft” de zinsnede “dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,” ingevoegd.
Artikel 141. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord “kind” en het woord “geeft” de zinsnede “dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,” ingevoegd.
Artikel 142. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord “kind” en het woord “geeft” de zinsnede “dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,” ingevoegd.
Artikel 143. ( 01/01/2026 - ... )
Aan boek 2, deel 1, titel 6, van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Hoofdstuk 4. Algemene bepaling”.
Artikel 144. ( 01/01/2026 - ... )
In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt in hoofdstuk 4, toegevoegd bij artikel 143, een artikel 22/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Art. 22/1. Als door een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders, wordt het bedrag van de universele participatietoeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders.
Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind.
In afwijking van het eerste lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het derde lid gelden die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt.
In afwijking van het eerste lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.”.
Artikel 145. ( 01/01/2026 - ... )
In artikel 58 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt tussen de zinsnede “vermeld in artikel 18,” en de woorden “toegekend aan” de zinsnede “en de helft van de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22,” ingevoegd;
2° in paragraaf 1 worden tussen de woorden “de sociale toeslag” en het woord “voldoet” de woorden “of de universele participatietoeslag” ingevoegd;
3° in paragraaf 2 wordt tussen de zinsnede “vermeld in artikel 18,” en de woorden “toegekend aan” de zinsnede “de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22,” ingevoegd.
Artikel 146. ( 01/01/2026 - ... )
In afwijking van andersluidende decretale bepalingen kan, voor subsidies die binnen de begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap worden verstrekt, de subsidiërende overheid de omvang van de subsidie verlagen in functie van de reserves die de ontvanger van de subsidie in de tien jaar die voorafgaan aan de uitkering van de subsidie heeft opgebouwd, met subsidies die zijn verstrekt ten laste van de begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en voorwaarden waaronder dat gebeurt. Zij houdt daarbij minstens rekening met de liquiditeiten en de reserves die vereist zijn voor de goede werking en het goed beheer van de ontvanger van de subsidie, inclusief de investeringsnoden.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap:
a) voor begrotingen tot en met 2025: de programmacodes GA, GB, GC, GD, GE, GF, GG, GH en GI;
b) voor begrotingen vanaf 2026: de programmacodes GA, GB, GC, GE, GG, GH en GI;
2° de ontvanger van de subsidie: de eenheid die de gesubsidieerde activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.
Artikel 147. ( 01/01/2026 - ... )
Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2026, met uitzondering van:
1° artikel 18, 1°, dat in werking treedt op de dag na de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad;
2° artikel 54 en 61, die in werking treden op 1 januari 2027;
3° artikel 129 tot en met 131, die in werking treden op 1 april 2026.
Artikel 8, 9, 10, 12, 14 en 15 zijn van toepassing op alle authentieke schenkingsakten die worden verleend vanaf 1 januari 2026.
Artikel 16, 17, 18, 2°, 19 en 20 zijn van toepassing op alle nalatenschappen die openvallen vanaf 1 januari 2026.
Artikel 34 is van toepassing op verkoopovereenkomsten afgesloten vanaf 1 januari 2026.
Artikel 148. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 92 heeft uitwerking met ingang van 7 augustus 2025 en artikel 101 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2025.
BIJLAGE 1 ( 01/01/2026 - ... )
LIJST VAN GEMEENTEN EN HUN AANDEEL ALS VERMELD IN ARTIKEL 63
gemeente
subsidiebedrag
Alveringem
187.126,81 euro
Assenede
162.979,91 euro
Bekkevoort
176.278,55 euro
Bever
203.398,75 euro
Tongeren-Borgloon
167.263,38 euro
Damme
202.430,37 euro
Diksmuide
233.456,78 euro
Pajottegem
379.677,29 euro
Geetbets
91.045,34 euro
Gingelom
224.513,52 euro
Glabbeek
93.950,48 euro
Heers
233.456,78 euro
Herstappe
3.632,59 euro
Heuvelland
233.456,78 euro
Hoegaarden
143.348,07 euro
Hoogstraten
233.456,78 euro
Horebeke
95.888,17 euro
Houthulst
201.074,46 euro
Kaprijke
58.649,01 euro
Aalter
85.795,37 euro
Koekelare
165.914,93 euro
Kortemark
154.582,94 euro
Kortenaken
152.064,41 euro
Langemark-Poelkapelle
136.567,55 euro
Linter
127.850,27 euro
Lo-Reninge
134.146,13 euro
Maarkedal
170.119,02 euro
Oudsbergen
233.456,78 euro
Merksplas
71.674,03 euro
Mesen
9.995,69 euro
Lokeren
89.592,31 euro
Peer
233.456,78 euro
Pepingen
140.442,00 euro
Pittem
99.762,62 euro
Poperinge
233.456,78 euro
Ravels
195.553,67 euro
Sint-Laureins
203.398,75 euro
Spiere-Helkijn
68.477,54 euro
Veurne
219.380,27 euro
Vleteren
98.561,72 euro
Voeren
193.713,10 euro
Wingene
273.522,63 euro
Wortegem-Petegem
124.718,21 euro
Lievegem
92.839,22 euro
Zonnebeke
174.438,91 euro
Zoutleeuw
149.159,27 euro
Zuienkerke
115.259,48 euro
TOTAAL
7.472.984,20 euro
BIJLAGE 2 ( 01/01/2026 - ... )
AANDELEN VAN DE GEMEENTEN IN HET SUBSIDIEBEDRAG TER ONDERSTEUNING VAN EEN LOKAAL SOCIALE-ECONOMIEBELEID ALS VERMELD IN ARTIKEL 116
Gemeente
Subsidie (in euro)
Aalst
252.432,54
Aalter
40.502,98
Aarschot
59.274,76
Aartselaar
26.742,46
Affligem
24.352,75
Alken
28.470,45
Alveringem
19.951,15
Antwerpen
2.318.145,20
Anzegem
27.370,27
Ardooie
22.785,00
Arendonk
36.615,98
As
25.162,58
Asse
68.230,00
Assenede
32.016,57
Avelgem
25.914,48
Baarle-Hertog
20.618,50
Balen
45.197,86
Beernem
32.232,88
Beerse
36.036,21
Beersel
40.231,28
Begijnendijk
22.495,85
Bekkevoort
25.619,00
Beringen
188.922,22
Berlaar
30.808,79
Berlare
31.342,38
Bertem
23.663,23
Bever
16.694,07
Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht
141.419,31
Bierbeek
26.725,34
Bilzen-Hoeselt
74.900,46
Blankenberge
55.019,94
Bocholt
32.656,20
Boechout
30.150,66
Bonheiden
31.808,62
Boom
44.206,42
Boortmeerbeek
25.206,12
Bornem
40.139,17
Boutersem
21.679,89
Brakel
28.865,80
Brasschaat
63.143,19
Brecht
48.771,61
Bredene
37.965,97
Bree
38.670,59
Brugge
226.591,99
Buggenhout
29.001,17
Damme
25.470,98
De Haan
28.891,24
De Panne
29.568,98
Deerlijk
25.913,25
Deinze
65.572,29
Denderleeuw
39.545,55
Dendermonde
86.405,44
Dentergem
20.762,37
Dessel
28.546,29
Destelbergen
29.642,51
Diepenbeek
42.015,02
Diest
55.480,12
Diksmuide
35.291,64
Dilbeek
90.292,38
Dilsen-Stokkem
53.047,53
Drogenbos
18.781,68
Duffel
37.817,34
Edegem
39.772,00
Eeklo
58.860,75
Erpe-Mere
37.325,40
Essen
41.844,34
Evergem
50.875,60
Gavere
25.680,11
Geel
93.489,02
Geetbets
23.285,71
Genk
359.460,56
Gent
1.098.841,80
Geraardsbergen
74.720,39
Gingelom
23.770,76
Gistel
28.349,90
Glabbeek
18.730,06
Grimbergen
61.352,57
Grobbendonk
27.838,79
Haacht
30.974,18
Haaltert
32.251,16
Halen
26.529,42
Halle
162.446,75
Hamme
49.165,50
Hamont-Achel
43.748,77
Harelbeke
55.402,96
Hasselt
189.893,20
Hechtel-Eksel
33.594,44
Heers
24.478,62
Heist-op-den-Berg
65.179,89
Hemiksem
27.626,31
Herent
39.446,93
Herentals
67.293,78
Herenthout
26.208,54
Herk-de-Stad
29.762,59
Herselt
31.846,91
Herstappe
14.603,12
Herzele
33.365,97
Heusden-Zolder
203.813,22
Heuvelland
23.561,93
Hoegaarden
22.541,30
Hoeilaart
25.028,02
Holsbeek
23.276,00
Hooglede
25.250,09
Hoogstraten
60.638,51
Horebeke
15.090,88
Houthalen-Helchteren
59.297,16
Houthulst
26.042,44
Hove
18.387,07
Huldenberg
22.184,69
Hulshout
26.050,97
Ichtegem
29.063,77
Ieper
84.578,16
Ingelmunster
25.829,39
Izegem
53.825,99
Jabbeke
24.759,01
Kalmthout
37.262,87
Kampenhout
23.070,34
Kapellen
45.440,31
Kapelle-op-den-Bos
22.536,76
Kaprijke
20.298,65
Kasterlee
37.986,69
Keerbergen
24.869,68
Kinrooi
37.729,57
Kluisbergen
21.346,89
Knokke-Heist
49.924,48
Koekelare
21.108,77
Koksijde
35.715,71
Kontich
37.442,11
Kortemark
26.120,98
Kortenaken
20.825,87
Kortenberg
36.009,93
Kortrijk
188.500,61
Kraainem
29.975,70
Kruisem
26.316,92
Kuurne
29.869,96
Laakdal
33.482,29
Laarne
25.784,87
Lanaken
64.505,47
Landen
35.843,86
Langemark-Poelkapelle
23.207,14
Lebbeke
32.919,32
Lede
36.390,43
Ledegem
22.060,93
Lendelede
19.725,40
Lennik
24.160,26
Leopoldsburg
38.865,71
Leuven
420.498,30
Lichtervelde
22.261,01
Liedekerke
26.740,88
Lier
91.850,73
Lierde
20.725,53
Lievegem
40.950,81
Lille
37.206,20
Linkebeek
18.847,09
Lint
20.175,72
Linter
21.760,25
Lochristi
45.388,46
Lokeren
88.919,29
Lommel
74.392,93
Londerzeel
33.329,50
Lo-Reninge
17.167,01
Lubbeek
26.444,06
Lummen
31.559,22
Maarkedal
18.535,41
Maaseik
57.345,63
Maasmechelen
227.768,99
Machelen
38.095,67
Maldegem
45.811,86
Malle
33.719,00
Mechelen
234.547,67
Meerhout
26.699,10
Meise
30.320,54
Menen
74.382,89
Merchtem
32.561,80
Merelbeke-Melle
56.388,69
Merksplas
29.486,45
Mesen
15.719,56
Middelkerke
40.220,07
Mol
77.551,91
Moorslede
31.226,45
Mortsel
238.149,02
Nazareth-De Pinte
35.382,30
Niel
21.700,71
Nieuwerkerken
24.279,36
Nieuwpoort
32.353,31
Nijlen
39.146,21
Ninove
68.874,41
Olen
30.062,84
Oostende
214.777,89
Oosterzele
24.678,68
Oostkamp
35.607,47
Oostrozebeke
21.188,58
Opwijk
27.298,35
Oudenaarde
67.275,64
Oudenburg
25.037,50
Oud-Heverlee
23.924,42
Oudsbergen
42.387,75
Oud-Turnhout
33.965,27
Overijse
37.226,84
Pajottegem
37.451,00
Peer
45.450,56
Pelt
72.371,48
Pepingen
17.999,24
Pittem
20.828,32
Poperinge
39.326,16
Putte
31.777,74
Puurs-Sint-Amands
89.035,81
Ranst
33.303,61
Ravels
46.939,38
Retie
31.804,94
Riemst
39.920,74
Rijkevorsel
29.653,58
Roeselare
147.797,22
Ronse
77.096,79
Roosdaal
22.614,73
Rotselaar
30.027,19
Rumst
28.103,96
Schelle
20.294,20
Scherpenheuvel-Zichem
43.622,63
Schilde
31.372,68
Schoten
92.338,90
Sint-Genesius-Rode
32.115,88
Sint-Gillis-Waas
38.366,95
Sint-Katelijne-Waver
36.387,43
Sint-Laureins
22.788,90
Sint-Lievens-Houtem
24.425,31
Sint-Martens-Latem
19.847,20
Sint-Niklaas
199.818,71
Sint-Pieters-Leeuw
58.459,61
Sint-Truiden
156.028,15
Spiere-Helkijn
17.307,60
Stabroek
34.480,95
Staden
29.233,81
Steenokkerzeel
24.064,62
Stekene
38.997,37
Temse
61.267,21
Ternat
30.998,54
Tervuren
43.126,48
Tessenderlo-Ham
51.496,68
Tielt
53.420,50
Tielt-Winge
26.499,20
Tienen
86.412,34
Tongeren-Borgloon
101.029,26
Torhout
43.224,02
Tremelo
26.598,93
Turnhout
155.021,33
Veurne
29.977,06
Vilvoorde
116.896,67
Vleteren
17.188,16
Voeren
20.788,08
Vorselaar
24.243,21
Vosselaar
26.177,68
Waasmunster
26.408,22
Waregem
66.699,11
Wellen
22.126,16
Wemmel
36.267,94
Wervik
43.141,42
Westerlo
45.229,60
Wetteren
58.283,03
Wevelgem
48.045,22
Wezembeek-Oppem
29.320,85
Wichelen
27.626,57
Wielsbeke
23.348,94
Wijnegem
26.452,82
Willebroek
66.600,08
Wingene
33.726,67
Wommelgem
38.687,12
Wortegem-Petegem
19.725,44
Wuustwezel
44.251,44
Zandhoven
27.729,96
Zaventem
69.193,10
Zedelgem
32.286,53
Zele
50.794,74
Zelzate
38.502,43
Zemst
32.673,92
Zoersel
35.900,89
Zonhoven
36.087,80
Zonnebeke
27.136,84
Zottegem
48.874,70
Zoutleeuw
24.130,74
Zuienkerke
16.828,81
Zulte
29.975,96
Zutendaal
74.162,49
Zwalm
22.424,32
Zwevegem
71.287,12
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 06/11/2026