( ... - ... )
Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, artikel 15/1, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 19 april 2024, artikel 18, derde lid, artikel 19, vervangen bij het decreet van 19 april 2024, artikel 20, derde lid, artikel 22, zesde lid.
Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 10 juni 2025.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 26 september 2025.
- De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr.2025/064 gegeven op 14 oktober 2025.
- De Raad van State heeft advies 78.544/16 gegeven op 22 december 2025, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen.
Na beraadslaging,
DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
Artikel 1. ( 01/03/2026 - ... )
Dit besluit wordt aangehaald als: Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 13 februari 2026.
Artikel 2. ( 01/03/2026 - ... )
In dit besluit wordt verstaan onder:
1° contracthouder: de persoon uit het gezin waarmee de organisator een schriftelijke overeenkomst voor kinderopvang heeft;
2° decreet van 20 april 2012: het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
3° ernstige gebeurtenis: de ernstige gebeurtenis, vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, b), van het decreet van 20 april 2012;
4° minister: de Vlaamse minister bevoegd voor Opgroeien;
5° organisatie of deskundige: een organisatie of deskundige die aangesteld is door of namens de Vlaamse Regering om het agentschap te adviseren over de toepassing van het voorzorgsbeginsel, vermeld in artikel 15/1 van het decreet van 20 april 2012;
6° risico: het risico, vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, a), van het decreet van 20 april 2012;
7° subsidie: elke vorm van financiële ondersteuning die wordt verstrekt door het agentschap op basis van artikel 7, 8, 9, 10 en 14 van het decreet van
20 april 2012;
8° subsidievoorwaarde: een voorwaarde om een subsidie als vermeld in het decreet van 20 april 2012 of de uitvoeringsbesluiten ervan, te verkrijgen of te behouden;
9° toezicht: een handeling die erop gericht is om de naleving van het decreet van 20 april 2012 en de uitvoeringsbesluiten ervan te controleren en om de risico’s en ernstige gebeurtenissen in het kader van het voorzorgsbeginsel vast te stellen;
10° vergunningsvoorwaarde: een voorwaarde als vermeld in artikel 6 van het decreet van 20 april 2012, artikel 2 tot en met 62 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, of artikel 2 tot en met 20/1 van het ministerieel besluit van 25 november 2016 tot uitvoering van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
11° werkdag: alle andere dagen dan wettelijke feestdagen, zondagen en zaterdagen;
12° Zorginspectie: Zorginspectie als vermeld in artikel 15, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012.
Artikel 3. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap houdt conform artikel 15/1 van het decreet van 20 april 2012 toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden en van de subsidievoorwaarden, op basis van de volgende informatie:
1° de vaststellingen, vermeld in artikel 4 van dit besluit, de verslagen van vaststelling van Zorginspectie en de andere vaststellingen van het agentschap;
2° de melding of vaststelling van een risico of ernstige gebeurtenis;
3° de vaststelling van een andere overheidsinstantie dan het agentschap of een inspectiedienst over de niet-naleving van regelgeving of de vaststelling van een risico of ernstige gebeurtenis;
4° de screening en adviesverlening door een organisatie of deskundige ook als die plaatsvindt in het kader van de beveiligende maatregel, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 3°, van het decreet van 20 april 2012;
5° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de competenties van de organisator over het beleidsvoerende vermogen door een organisatie als vermeld in artikel 11 van het decreet van 20 april 2012;
6° de melding van een ernstige gebeurtenis of van het feit dat de organisator niet vatbaar is voor ondersteuning, door de organisaties, aangesteld voor de ondersteuning van organisatoren bij de realisatie van de voorwaarden, vermeld in artikel 6, §1, van het decreet van 20 april 2012;
7° de beveiligende maatregelen die het agentschap oplegt, en de mate waarin de organisator ze naleeft;
8° de beschermende maatregel die is opgelegd met toepassing van artikel 14 van het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, en de mate waarin de organisator die naleeft;
9° de klachten over de organisator of zijn werking, die het agentschap heeft ontvangen conform artikel 9 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
10° de informatie uit relevante strafonderzoeken waarvan het agentschap kennis heeft;
11° de informatie van experten en betrokkenen;
12° andere contextuele informatie dan de informatie, vermeld in punt 1° tot en met 11°, zoals:
a) de personeelssituatie;
b) de financiële situatie;
c) de organisatiekenmerken;
13° de informatie die de organisator aanreikt;
14° de informatie die het lokale bestuur of het lokaal loket kinderopvang verstrekt.
Met het oog op de toepassing van het voorzorgsbeginsel analyseert het agentschap de beschikbare relevante informatie, vermeld in artikel 3, eerste lid en onderzoekt of hieruit een risico blijkt op een schending van de fysieke of psychische integriteit van een kind.
Als op basis van het tweede lid een risico op een schending van de fysieke of psychische integriteit van een kind wordt vastgesteld, zal het agentschap:
1° een inschatting maken van de ernst van het risico op een schending van de fysieke of psychische integriteit van een kind;
2° een belangenafweging maken tussen:
a) de noodzaak om een bestuurlijke maatregel op te leggen in het belang van de opgevangen kinderen;
b) de belangen van de betrokken partijen;
Op basis van de afwegingen in het derde lid, en rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel zal het agentschap, beslissen of het voorzorgsbeginsel moet toegepast worden. Bij een ernstig risico op een schending van de fysieke of psychische integriteit primeert steeds het belang van het kind.
Als op basis van het voorzorgsbeginsel een bestuurlijke maatregel wordt opgelegd, volgt het agentschap op of de genomen maatregel noodzakelijk en proportioneel blijft, op basis van alle nieuwe beschikbare informatie.
Artikel 4. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan een inbreuk, risico, ernstige gebeurtenis of verhindering van toezicht vaststellen op basis van de informatie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2° tot en met 14°.
De vaststelling, vermeld in het eerste lid, wordt opgenomen in een afzonderlijk verslag van vaststelling, in een aanmaning, in een voornemen of in een beslissing op basis van dringende noodzakelijkheid.
De vaststellingen, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op:
1° de naleving van het decreet van 20 april 2012 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de ernstige gebeurtenis;
3° het risico;
4° de verhindering van het toezicht ten aanzien van het agentschap.
Artikel 5. ( 01/03/2026 - ... )
§1. Het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 4, bevat minstens de volgende informatie:
1° de identificatiegegevens van de organisator en van de kinderopvanglocatie of subsidiegroep ten aanzien waarvan de vaststellingen in het kader van het toezicht, vermeld in artikel 3, zijn gedaan;
2° de beschrijvingen van de vaststellingen, vermeld in artikel 4.
§2. Het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 4, en de eventuele bijlagen worden bezorgd aan de organisator binnen dertig dagen na de dag waarop het agentschap de laatste vaststelling heeft gedaan van een inbreuk, een risico of een ernstige gebeurtenis of verhindering van toezicht.
De termijn, vermeld in het eerste lid, is eenmalig verlengbaar met dertig dagen, op voorwaarde dat het agentschap de organisator daarvan binnen de oorspronkelijke termijn schriftelijk op de hoogte brengt.
Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn, vermeld in het eerste lid, of de verlengde termijn, vermeld in het tweede lid, op de eerstvolgende werkdag.
§3. De organisator kan binnen veertien dagen na de dag waarop die het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 4, heeft ontvangen, een schriftelijke reactie op dat verslag bezorgen aan het agentschap.
De termijn, vermeld in het eerste lid, is eenmalig verlengbaar met veertien dagen, op voorwaarde dat de organisator het agentschap een gemotiveerde en schriftelijke aanvraag bezorgt binnen de oorspronkelijke termijn en het agentschap zich akkoord verklaart met de eenmalige verlenging.
Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn, vermeld in het eerste lid, of de verlengde termijn, vermeld in het tweede lid, op de eerstvolgende werkdag.
De schriftelijke reactie, vermeld in het eerste lid, wordt als bijlage bij het verslag gevoegd en maakt deel uit van het handhavingsdossier.
In afwijking van het eerste en tweede lid, is in een reactiemogelijkheid voorzien tijdens de hoorzitting, vermeld in artikel 8, vierde lid, als de vaststellingen opgenomen zijn in een beslissing op basis van dringende noodzakelijkheid.
Artikel 6. ( 01/03/2026 - ... )
De organisator is verantwoordelijk voor het wegwerken van de inbreuken die door Zorginspectie in het inspectieverslag of door het agentschap in het verslag van vaststelling, de aanmaning, het voornemen of de beslissing worden vastgesteld.
Na de ontvangst van een inspectieverslag van Zorginspectie of vaststelling van het agentschap maakt de organisator een plan van aanpak op en houdt dat ter beschikking voor verder toezicht. Het plan van aanpak beschrijft welke actie de organisator onderneemt naar aanleiding van de vastgestelde inbreuken, risico’s of gebeurtenissen en binnen welke termijn de acties gerealiseerd worden.
De organisator bezorgt het plan van aanpak, vermeld in het tweede lid, aan het agentschap op hun vraag binnen de termijn die het agentschap aan de organisator meedeelt. De organisator documenteert waar mogelijk het wegwerken van de inbreuken.
Het agentschap beoordeelt het plan van aanpak, vermeld in het tweede lid, en informeert de organisator of en in welke mate het plan van aanpak en de voorgestelde termijnen een voldoende antwoord kunnen bieden op de vastgestelde inbreuken, risico’s of gebeurtenissen.
Artikel 7. ( 01/03/2026 - ... )
Als het plan van aanpak, vermeld in artikel 6, na een vraag van het agentschap niet binnen de termijn die het agentschap meedeelt, wordt bezorgd, beschouwt het agentschap dat als een niet-wegwerken van de inbreuken en risico’s.
Artikel 8. ( 01/03/2026 - ... )
Vóór het agentschap een beslissing tot bestuurlijke maatregel of tot bestuurlijke geldboete neemt, brengt het de organisator op de hoogte van het voornemen om die beslissing te nemen.
De organisator kan reageren op het voornemen, vermeld in het eerste lid, en verweer uitoefenen. Het verweer wordt uitgeoefend tijdens een mondelinge hoorzitting die het agentschap organiseert.
In afwijking van het tweede lid kan het agentschap oordelen dat de aard van de inbreuk of het verloop van het dossier verantwoordt dat een schriftelijk verweer volstaat. In dat geval kan de organisator alsnog gemotiveerd en schriftelijk vragen om mondeling gehoord te worden.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan het agentschap beslissen om geen voornemen als vermeld in het eerste lid, te bezorgen aan de organisator. In dat geval organiseert het agentschap een hoorzitting uiterlijk veertien dagen na de dag waarop het heeft beslist om een bestuurlijke maatregel op te leggen.
Artikel 9. ( 01/03/2026 - ... )
Als een bestuurlijke maatregel wordt genomen, wordt bij de beoordeling van de informatie uit het toezicht, vermeld in artikel 3, rekening gehouden met de volgende elementen:
1° het aantal inbreuken, risico’s en ernstige gebeurtenissen;
2° de frequentie van de inbreuken, de risico’s en de ernstige gebeurtenissen;
3° het tijdsverloop sinds de vaststellingen van de inbreuken, de risico’s en de ernstige gebeurtenissen;
4° de ernst van de inbreuken, de risico’s of de ernstige gebeurtenissen;
5° de herhaling van de inbreuken en van de risico’s na een eerdere bestuurlijke maatregel.
Artikel 10. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan beslissen om de vergunning te wijzigen naar een lager aantal vergunde kinderopvangplaatsen binnen dezelfde opvangvorm, gezinsopvang dan wel groepsopvang, als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden weggewerkt kan worden door het aantal kinderopvangplaatsen te verminderen.
Artikel 11. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de vergunning te schorsen:
1° een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden kan op korte termijn weggewerkt worden;
2° het is vereist door de toepassing van het voorzorgsbeginsel;
3° de organisator verhindert het toezicht.
De maximale duurtijd van een eerste schorsingsbeslissing bedraagt drie maanden. De termijn wordt vastgelegd in de schorsingsbeslissing.
Artikel 12. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de vergunning op te heffen:
1° de inbreuk op de vergunningsvoorwaarden kan niet of niet op korte termijn weggewerkt worden of de organisator toont onvoldoende bereidheid om die inbreuk weg te werken;
2° het is vereist door de toepassing van het voorzorgsbeginsel;
3° de inbreuk op de vergunningsvoorwaarden, het risico of de ernstige gebeurtenis, die aanleiding heeft gegeven tot een schorsing of een beveiligende maatregel, is niet weggewerkt tijdens de schorsingsperiode of naar aanleiding van die beveiligende maatregel;
4° de organisator heeft op basis van onjuiste gegevens een vergunning verkregen;
5° de organisator verhindert het toezicht.
Artikel 13. ( 01/03/2026 - ... )
Overeenkomstig artikel 19, vijfde lid, van het decreet van 20 april 2012 kan het agentschap in de volgende gevallen beslissen om een of meer beveiligende maatregelen te nemen:
1° de aard van de inbreuk maakt een beveiligende maatregel noodzakelijk om de inbreuk of de nadelige effecten ervan te vermijden;
2° het is vereist door de toepassing van het voorzorgsbeginsel;
3° de organisator verhindert het toezicht.
Een beveiligende maatregel kan maximaal twaalf maanden gelden. Het agentschap kan eenmalig beslissen om de maatregel te verlengen voor maximaal twaalf maanden.
Artikel 14. ( 01/03/2026 - ... )
§1. Voor de beveiligende maatregel, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 4°, van het decreet van 20 april 2012, worden de kosten gedeeltelijk aangerekend aan de organisator. De organisator betaalt een bedrag op basis van de volgende parameters:
1° de kosten van de opstart van een dossier;
2° de kosten van het intakegesprek van minstens drie uur;
3° de duur van de screening.
De minister bepaalt het bedrag, vermeld in het eerste lid.
§2. Voor de beveiligende maatregel, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 8°, van het decreet van 20 april 2012, zijn de kosten volledig ten laste van de organisator als de specifieke ondersteuning, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 8°, van het voormelde decreet, niet wordt verleend door een organisatie als vermeld in artikel 11, 2°, van het voormelde decreet.
Als de specifieke ondersteuning, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 8°, van het voormelde decreet, wordt verleend door een organisatie als vermeld in artikel 11, 2°, van het voormelde decreet, wordt het bedrag van de kostprijs vastgesteld op basis van de volgende parameters:
1° de hoogte van alle subsidies voor kinderopvang samen, die de organisator op jaarbasis van het agentschap ontvangt;
2° de duur van de opgelegde maatregel.
De minister bepaalt het bedrag, vermeld in het tweede lid.
§3. De bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, tweede lid, worden betaald aan de organisatie, vermeld in artikel 11, 2°, van het decreet van 20 april 2012.
De volledige kostprijs, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt betaald aan de organisatie die de specifieke ondersteuning of de specifieke opleiding, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 8°, van het decreet van 20 april 2012, geeft.
Artikel 15. ( 01/03/2026 - ... )
§1. Het agentschap legt een screening van en adviesverlening over de risico’s met betrekking tot de persoon van de organisator of van een persoon die werkt in de kinderopvanglocatie als vermeld in artikel 19, vijfde lid, 3°, van het decreet van 20 april 2012, op in een van de volgende gevallen:
1° er is onduidelijkheid over de omstandigheden van de ernstige gebeurtenis;
2° er is onduidelijkheid over het vastgestelde risico;
3° er wordt een patroon van risico’s en ernstige gebeurtenissen in de kinderopvanglocatie of bij de organisator vastgesteld;
4° het agentschap wil een advies met toepassing van het voorzorgsbeginsel.
§2. Het agentschap meldt het dossier aan bij een organisatie of deskundige.
Bij de aanmelding worden de gegevens, vermeld in artikel 24, achtste lid, van het decreet van 20 april 2012, verstrekt aan de organisatie of deskundige.
Het agentschap maakt een inventaris op van de bezorgde documenten en bezorgt die samen met de documenten aan de organisatie of deskundige.
De organisator kan via het agentschap bijkomende documenten bezorgen die worden bezorgd aan de organisatie of deskundige.
§3. Het advies, vermeld in paragraaf 1, wordt binnen vier maanden aan het agentschap bezorgd.
De organisatie of deskundige kan gemotiveerd vragen om de termijn, vermeld in het eerste lid, te verlengen met twee maanden.
In afwijking van het eerste lid wordt het advies bezorgd aan het agentschap binnen twee maanden, als het advies gevraagd wordt in het kader van een geschorste vergunning als vermeld in artikel 11.
De termijn, vermeld in het eerste en derde lid, start vanaf de dag waarop het agentschap de aanmelding, vermeld in paragraaf 2, heeft gedaan.
In de volgende gevallen wordt de termijn, vermeld in het eerste en het derde lid opgeschort:
1° op verzoek van het parket of de onderzoeksrechter als er een strafrechtelijk onderzoek loopt naar aanleiding van feiten die betrekking hebben op de kinderopvanglocatie;
2° op verzoek van het parket of de onderzoeksrechter als er een strafrechtelijk onderzoek loopt ten aanzien van de organisator, de verantwoordelijke, een kinderbegeleider of een persoon die direct contact kan hebben met de kinderen;
3° in afwachting van de screening krijgt de organisator specifieke ondersteuning of een specifieke opleiding als vermeld in artikel 19, vijfde lid, 8°, van het decreet van 20 april 2012.
.
De organisatie of deskundige informeert het agentschap over een eventuele vertraging, of over het niet meewerken van de organisator aan de screening.
§4. Als de organisator niet meewerkt aan de screening en adviesverlening, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beschouwt het agentschap dat als het niet- naleven van een beveiligende maatregel.
Artikel 16. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap informeert de organisator over:
1° de inventaris van de documenten die aan de organisatie of deskundige zijn bezorgd, vermeld in artikel 15, §2, derde en vierde lid;
2° de termijnen van de screening en adviesverlening, vermeld in artikel 15, §3;
3° in voorkomend geval, de opschorting van de termijn.
Artikel 17. ( 01/03/2026 - ... )
Nadat de screening en adviesverlening, vermeld in artikel 19, vijfde lid, 3°, van het decreet van 20 april 2012, zijn afgelopen, bezorgt de organisatie of deskundige een gemotiveerd advies aan het agentschap, dat al de volgende elementen bevat:
1° de inhoud van de aanmelding;
2° de personen die zijn bevraagd en hun hoedanigheid;
3° de context die al dan niet wijst op een eventuele schending van de fysieke of psychische integriteit van de kinderen;
4° het advies dat betrekking heeft op:
a) het al dan niet kunnen voortzetten van de kinderopvangactiviteiten, eventueel onder voorwaarden;
b) het al dan niet kunnen opnemen van een functie door een persoon in een kinderopvanglocatie.
Artikel 18. ( 01/03/2026 - ... )
Voor de toepassing van artikel 19, vijfde lid, 4°, van het decreet van 20 april 2012 doet het agentschap een beroep op een organisatie als vermeld in artikel 11, 2°, van het voormelde decreet.
Als het agentschap beslist een screening en adviesverlening op te leggen, vermeldt de beslissing de organisatie die de screening en adviesverlening opneemt.
De minister bepaalt de onderdelen van de screening van de competenties die nodig zijn om te voldoen aan artikel 13/0 van het Vergunningsbesluit van 22/11/2023 en legt het verloop vast van de procedure van de screening van en de adviesverlening over de competenties van de organisator met betrekking tot het beleidsvoerende vermogen, rekening houdend met artikel 14 van dit besluit.
Artikel 19. ( 01/03/2026 - ... )
§1. Het agentschap kan overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van een organisator een vordering tot het aanstellen van een voorlopige bewindvoerder instellen als vermeld in artikel 19, vijfde lid, 10°, van het decreet van 20 april 2012.
Artikel 20. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap vordert de subsidie terug overeenkomstig artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, en artikel 76 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019.
Artikel 21. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan het bedrag van de toegekende subsidie, vermeld in de subsidiebeslissing, verminderen in de volgende gevallen:
1° een inbreuk op de subsidievoorwaarden kan worden weggewerkt door het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen te verminderen;
2° het agentschap beslist om de vergunning te wijzigen of op te heffen, en dat heeft tot gevolg dat het aantal vergunde kinderopvangplaatsen lager wordt dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen in de subsidiegroep;
3° de gegevens die de organisator heeft verstrekt over de naleving van de subsidievoorwaarden, blijken onjuist te zijn.
Artikel 22. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan in de volgende gevallen de subsidie schorsen:
1° een inbreuk op de subsidievoorwaarden kan op korte termijn weggewerkt worden;
2° de organisator verhindert het toezicht op de subsidievoorwaarden;
3° de gegevens die de organisator heeft verstrekt over de naleving van de subsidievoorwaarden, blijken onjuist te zijn.
De subsidie wordt van rechtswege geschorst als het agentschap beslist om de enige vergunning die er is binnen een subsidiegroep, te schorsen.
Artikel 23. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan in de volgende gevallen de subsidie stopzetten:
1° een inbreuk op de subsidievoorwaarden kan niet of niet op korte termijn weggewerkt worden;
2° een inbreuk die aan de basis van de schorsing van de subsidie lag, is niet weggewerkt binnen de geschorste periode;
3° de organisator verhindert het toezicht op de subsidievoorwaarden;
4° uit de vaststellingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, blijkt dat de organisator niet voldoende garanties kan geven dat de subsidievoorwaarden nageleefd zullen worden;
5° de organisator heeft de contracthouder ertoe aangezet om onjuiste gegevens door te geven, op basis waarvan de organisator hogere subsidies heeft ontvangen;
6° de organisator geeft onjuiste gegevens door of laat na om de juiste gegevens te bezorgen, op basis waarvan de organisator hogere subsidies heeft ontvangen.
De subsidie wordt van rechtswege opgeheven als het agentschap beslist om de enige vergunning die er is binnen een subsidiegroep, op te heffen.
Artikel 24. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap kan beslissen aan de organisator een bestuurlijke geldboete op te leggen voor een bedrag tussen 100 en 100.000 euro. Als de organisator het toezicht verhindert of kinderopvang organiseert zonder vergunning is de geldboete minstens 1000 euro. Als er sprake is van herhaling uit hoofde van de organisator, bedraagt de geldboete minstens het dubbele van de meest recent opgelegde geldboete waarbij het vastgestelde maximumbedrag van 100.000 euro blijft gelden.
In het tweede lid wordt verstaan onder herhaling: de situatie waarbij aan dezelfde organisator binnen drie jaar voorafgaand aan een nieuwe vaststelling van een inbreuk al een bestuurlijke geldboete is opgelegd voor dezelfde inbreuk, waarbij tegen die beslissing geen bezwaar of beroep meer aangetekend kan worden.
Artikel 25. ( 01/03/2026 - ... )
Om het concrete bedrag van de bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 24, te bepalen, houdt het agentschap rekening met de volgende criteria:
1° de ernst van de inbreuk;
2° de concrete omstandigheden van de inbreuken;
3° de frequentie van de inbreuken;
4° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen;
5° de hoogte van alle subsidies voor kinderopvang samen, die de organisator op jaarbasis van het agentschap ontvangt.
Artikel 26. ( 01/03/2026 - ... )
Als na een aanmaning als vermeld in artikel 18 van het decreet van 20 april 2012, het agentschap vaststelt dat de inbreuk in kwestie duurzaam is weggewerkt, beslist het agentschap om het handhavingstraject op basis van de aanmaning stop te zetten. Het agentschap bezorgt deze beslissing aan de organisator.
In het eerste lid wordt verstaan onder duurzaam weggewerkt: het agentschap heeft vastgesteld dat de inbreuken of risico’s zijn weggewerkt door het gedocumenteerde bewijs dat het plan van aanpak is uitgevoerd of na twee inspectieverslagen waarbij de inbreuken zijn weggewerkt. Er worden ook geen nieuwe inbreuken vastgesteld die een impact hebben op de veiligheid of integriteit van de kinderen of de pedagogische kwaliteit van de opvang en er loopt ook geen strafonderzoek naar aanleiding van feiten die mogelijk in de opvanglocatie zijn gepleegd.
Artikel 27. ( 01/03/2026 - ... )
§1. Het agentschap betaalt aan een organisator een eenmalig forfaitair bedrag als een schorsingsbeslissing als vermeld in artikel 19, achtste lid van het decreet van 20 april 2012 uitsluitend is genomen naar aanleiding van een ernstige gebeurtenis en als nadien wordt vastgesteld dat de gebeurtenis te wijten is aan een oorzaak die volledig buiten de organisator of de medewerkers ligt als vermeld in artikel 19, achtste lid, van het decreet van 20 april 2012.
§2. In deze paragraaf wordt verstaan onder openingsdag: een dag waarop de organisator overeenkomstig de bepalingen in het huishoudelijk reglement van de organisator geopend is.
Het eenmalige forfaitaire bedrag is gebaseerd op de volgende parameters:
1° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie waarvoor de schorsing is opgelegd;
2° het aantal geschorste openingsdagen en het aantal geschorste maanden;
3° het soort opvang, namelijk een van de volgende soorten:
a) gezinsopvang;
b) groepsopvang;
c) groepsopvang door samenwerkende onthaalouders.
Om het eenmalige forfaitaire bedrag te berekenen, wordt het aantal vergunde kinderopvangplaatsen vermenigvuldigd met het aantal geschorste openingsdagen voor de volledige schorsingsperiode. Dat resultaat wordt voor de volgende soorten opvang vermenigvuldigd met het volgende bedrag:
1° voor gezinsopvang of groepsopvang door samenwerkende onthaalouders: 19,50 euro;
2° voor groepsopvang: 45,75 euro.
De bedragen, vermeld in het derde lid, zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 130,67. Ze worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, §2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, die wordt berekend en toegepast conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde besluit.
Als de schorsing van de vergunning betrekking heeft op een kinderopvanglocatie waar de organisator werkt met kinderbegeleiders in het specifieke sociaal statuut van aangesloten onthaalouders, betaalt de organisator de vergoeding door aan de kinderbegeleiders in kwestie.
§3. Het eenmalige forfaitaire bedrag wordt aangevraagd conform de richtlijnen van het agentschap. Het agentschap informeert de organisatoren hierover.
De vergoeding wordt verminderd met het bedrag van elke tegemoetkoming die de organisator ontvangt van een andere overheid, naar aanleiding van de schorsing.
Artikel 28. ( 01/03/2026 - ... )
De aanmaning en de beslissing van het agentschap om een bestuurlijke maatregel of een bestuurlijke geldboete op te leggen, bevatten de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° als dat relevant is, de naam, het adres en het dossiernummer van de kinderopvanglocatie;
3° als dat relevant is, de subsidiegroep;
4° de feiten, de inbreuken, de ernstige gebeurtenis of de risico’s in het kader van het voorzorgsbeginsel;
5° de vermelding dat de organisator verantwoordelijk is voor de opvolging van de aanmaning en voor het wegwerken van de inbreuk, en dat de organisator alle nodige stukken waaruit blijkt dat de organisator de inbreuk heeft weggewerkt, ter beschikking houdt van Zorginspectie of van het agentschap;
6° de gevolgen van een blijvende inbreuk of van het gebrek aan aanpak van vastgestelde ernstige gebeurtenissen en risico’s in het kader van het voorzorgsbeginsel;
7° de datum en de handtekening van de persoon die bevoegd is om te beslissen.
Artikel 29. ( 01/03/2026 - ... )
De aanmaning, vermeld in artikel 18 van voormeld decreet, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 28, al de volgende gegevens:
1° de termijn waarin het agentschap vraagt om de inbreuk of het risico weg te werken;
2° in voorkomend geval, de specifieke voorwaarden die het agentschap vraagt te vervullen.
Artikel 30. ( 01/03/2026 - ... )
De beslissing om een bestuurlijke maatregel op te leggen, vermeld in artikel 19 tot en met 22 van het decreet van 20 april 2012, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 28 van dit besluit, de volgende gegevens:
1° de bestuurlijke maatregel die opgelegd wordt en de motivering voor de keuze van de opgelegde maatregel;
2° in voorkomend geval, de voorwaarden die vervuld moeten zijn, en binnen welke termijn;
3° in voorkomend geval, de reactie van de organisator na het uitoefenen van het hoorrecht;
4° als het een beslissing tot schorsing betreft, de termijn van de schorsing;
5° de gevolgen van de bestuurlijke maatregel;
6° de datum waarop de bestuurlijke maatregel ingaat;
7° de mogelijkheid om bezwaar of beroep aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
8° in voorkomend geval, de motivering van de dringende noodzakelijkheid;
9° als het een beslissing tot terugvordering als vermeld in artikel 20 tweede lid van voormeld decreet, betreft, de vermelding dat nadat de bezwaartermijn is verstreken, de subsidie hetzij via schuldvergelijking hetzij bij dwangbevel ingevorderd wordt door de Vlaamse Belastingdienst conform artikel 3 van het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet fiscale schuldvorderingen en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
Artikel 31. ( 01/03/2026 - ... )
Bij de informatie, vermeld in artikel 24/1, §2, eerste lid, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 20 april 2012, neemt het agentschap bij de bekendmaking van de informatie over de vergunde kinderopvanglocatie en op verzoek van de organisator een digitale link op naar de website van de organisator waarop de organisator kan reageren.
Artikel 32. ( 01/03/2026 - ... )
De beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 28 van dit besluit, al de volgende gegevens:
1° het bedrag van de bestuurlijke geldboete die opgelegd wordt;
2° de termijn waarin de bestuurlijke geldboete betaald moet worden;
3° de wijze waarop de bestuurlijke geldboete betaald moet worden;
4° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
5° de vermelding dat, nadat de beroepstermijn is verstreken, de bestuurlijke geldboete bij dwangbevel ingevorderd wordt door de Vlaamse Belastingdienst conform artikel 3 van het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
Artikel 33. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap bezorgt de aanmaning, het voornemen en de beslissing om een bestuurlijke maatregel of een bestuurlijke geldboete op te leggen, vermeld in artikel 24 van dit besluit, zo spoedig mogelijk, elektronisch en met een aangetekende zending aan de organisator.
Het agentschap kan voor de procedures, vermeld in het eerste lid, conform artikel II.22, II.23, II.23/1 en II.24 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 in een elektronische procedure voorzien om de kennisgeving te bezorgen aan de organisatoren.
Artikel 34. ( 01/03/2026 - ... )
Als de contracthouders bekend zijn en als ze mogelijk benadeeld zijn, informeert het agentschap de contracthouders in kwestie over de aanmaning, het voornemen of de beslissingen om een bestuurlijke maatregel of een bestuurlijke geldboete op te leggen als vermeld in artikel 19, 20 en 22 van het decreet van 20 april 2012.
Als de contracthouders zijn geïnformeerd met toepassing van het eerste lid, informeert het agentschap hen ook als een bezwaar of beroep is ingesteld tegen de bestuurlijke maatregel en over het resultaat ervan.
Artikel 35. ( 01/03/2026 - ... )
Het agentschap informeert het lokale bestuur en het lokaal loket over de volgende beslissingen over kinderopvanglocaties op zijn grondgebied:
1° een aanmaning naar aanleiding van het niet naleven van de vergunningsvoorwaarden;
2° een voornemen tot een bestuurlijke maatregel voor zover de voorgenomen maatregel een impact heeft op het lokaal aanbod aan kinderopvang;
3° een bestuurlijke maatregel en eventueel het bezwaar hiertegen, voor zover de maatregel een impact heeft op het lokaal aanbod aan kinderopvang.
Artikel 36. ( 01/03/2026 - ... )
De organisator kan uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving ervan tegen de volgende beslissingen om een bestuurlijke maatregel op te leggen, bezwaar aantekenen bij het agentschap met een aangetekende brief of op digitale wijze conform de richtlijnen van het agentschap:
1° de gedwongen wijziging, schorsing of opheffing van de vergunning;
2° de weigering, vermindering, stopzetting of terugvordering van een subsidie.
De termijn van dertig dagen, vermeld in het eerste lid, gaat in vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop het agentschap de beslissing met een aangetekende brief aan de postdiensten overhandigd heeft, tenzij de geadresseerde aantoont dat de beslissing toch later dan de derde werkdag werd ontvangen.
De aangetekende brief of het digitale bezwaar, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de titel en datum van de beslissing van het agentschap waartegen bezwaar wordt aangetekend;
3° de motivering van het bezwaar;
4° de handtekening van de organisator.
De organisator bezorgt op verzoek van het agentschap een digitale kopie van het bezwaar en de eventuele bijlagen.
Artikel 37. ( 01/03/2026 - ... )
Nadat het agentschap het bezwaar, vermeld in artikel 36, heeft ontvangen, stuurt het een elektronische ontvangstmelding en beslist het over de ontvankelijkheid van het bezwaar uiterlijk tien kalenderdagen na de datum waarop het agentschap het bezwaar heeft ontvangen.
Artikel 38. ( 01/03/2026 - ... )
Het bezwaar, vermeld in artikel 36, is ontvankelijk als het bezwaar aan al de volgende voorwaarden voldoet. Het bezwaar:
1° is tijdig en aangetekend of digitaal, conform de richtlijnen van het agentschap, aan het agentschap bezorgd;
2° bevat de nodige gegevens, vermeld in artikel 36, derde lid.
Als het bezwaarschrift niet aan de vormvereisten voldoet, krijgt de bezwaarindiener de mogelijkheid om binnen een door het agentschap vastgestelde termijn te regulariseren.
Een laattijdig bezwaarschrift kan niet geregulariseerd worden.
Artikel 39. ( 01/03/2026 - ... )
Een bezwaar dat conform artikel 38 ontvankelijk is, wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgelegd in of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.
Artikel 40. ( 01/03/2026 - ... )
Het bezwaar, vermeld in artikel 36, schorst de uitvoering van de beslissing, vermeld in artikel 36, eerste lid, tenzij de beslissing met dringende noodzakelijkheid is genomen.
Artikel 41. ( 01/03/2026 - ... )
Het Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, 12 maart 2021, 3 mei 2024 en 8 november 2024, wordt opgeheven.
Artikel 42. ( 01/03/2026 - ... )
Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2026.
Artikel 43. ( 01/03/2026 - ... )
De Vlaamse minister, bevoegd voor opgroeien, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 14/08/2026