Besluit van de Vlaamse Regering inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand

Datum 13/07/1994

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. [HOOFDSTUK II ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
    1. [AFDELING 1 ALGEMENE ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
    2. [AFDELING 2 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN PER CATEGORIE VAN VOORZIENING (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      1. [ONDERAFDELING A BEGELEIDINGSTEHUIZEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      2. [ONDERAFDELING B GEZINSTEHUIZEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      3. [ONDERAFDELING C ONTHAAL-, ORIËNTATIE- EN OBSERVATIECENTRA (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      4. [ONDERAFDELING D DAGCENTRA (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      5. [ONDERAFDELING E THUISBEGELEIDINGSDIENSTEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      6. [ONDERAFDELING F DIENSTEN VOOR BEGELEID ZELFSTANDIG WONEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      7. [ONDERAFDELING G DIENSTEN VOOR PLEEGZORG (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
      8. [ONDERAFDELING H DIENSTEN VOOR HERSTELGERICHTE EN CONSTRUCTIEVE AFHANDELING (ing. BVR 16 januari 2009)]
      9. [ONDERAFDELING I DIENSTEN VOOR CRISISHULP AAN HUIS (ing. BVR 16 januari 2009)]
    3. [AFDELING 3 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE BEGELEIDINGS- EN DE GEZINSTEHUIZEN DIE MINDERJARIGEN WILLEN BEGELEIDEN DIE ZELFSTANDIG WONEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]
    4. [AFDELING 4 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE BEGELEIDINGSTEHUIZEN, VERMELD IN ARTIKEL 3, § 4 (ing. BVR 25 juni 2010, art. 6)]
    5. [AFDELING 5 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE MULTIFUNCTIONELE CENTRA (ing. BVR 25 juni 2010, art. 6)]
  3. [HOOFDSTUK III ERKENNINGSPROCEDURE EN TOEZICHT OP DE NALEVING VAN DE ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]
    1. [AFDELING 1 PROCEDURE VOOR HET VERLENEN OF HET VERLENGEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]
    2. [AFDELING 2 PROCEDURE VOOR HET WIJZIGEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]
    3. [AFDELING 3 PROCEDURE VOOR HET INTREKKEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]
    4. [AFDELING 4 TOEZICHT OP DE NALEVING VAN DE ERKENNINGSVOORWAARDEN (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]
  4. HOOFDSTUK IV SUBSIDIERING VAN DE VOORZIENINGEN
    1. AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN
    2. AFDELING 2 SUBSIDIES VOOR PERSONEELSKOSTEN
    3. AFDELING 3 SUBSIDIES VOOR HET VERBLIJF VAN DE MINDERJARIGEN
    4. AFDELING 4 SUBSIDIES VOOR DE WERKING EN DE INFRASTRUCTUUR
    5. AFDELING 5 SUBSIDIES VOOR BIJZONDERE KOSTEN
    6. [AFDELING 5BIS SUBSIDIES VOOR BIJKOMENDE ERKENNINGEN (ing. BVR 25 juni 2010, art. 13)]
    7. [AFDELING 5TER SUBSIDIES VOOR DE MULTIFUNCTIONELE CENTRA (ing. BVR 25 juni 2010, art. 13)]
    8. AFDELING 6 BIJZONDERE BEPALINGEN
    9. [AFDELING 6BIS FORFAITAIRE SUBSIDIERING (ing. BVR 16 januari 2009, art.11)]
    10. AFDELING 7 VASTSTELLING, VEREFFENING EN FINANCIELE CONTROLE OP HET AANWENDEN VAN DE SUBSIDIES
  5. [HOOFDSTUK IVbis EXPERIMENTEEL MODULAIR KADER (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    1. [AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    2. [AFDELING 2 ERKENNINGSVOORWAARDEN (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    3. [AFDELING 3 ERKENNINGSPROCEDURE (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    4. [AFDELING 4 SUBSIDIËRING (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    5. [AFDELING 5 OPVOLGING EN EVALUATIE (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
    6. [AFDELING 6 OVERGANGSBEPALING (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]
  6. [HOOFDSTUK IVter CENTRA VOOR INTEGRALE GEZINSZORG (ing. BVR 14 februrai 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]
    1. [Afdeling 1 Algemene bepalingen (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]
    2. [Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]
    3. [Afdeling 3 Erkenningsprocedure (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]
    4. [Afdeling 4 Subsidiëring (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]
  7. [HOOFDSTUK IVquater ONTHAAL-, ORIENTATIE- EN OBSERVATIECENTRA IN EEN MODULAIR KADER (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]
    1. [Afdeling 1. - Algemene bepalingen (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]
    2. [Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]
    3. [Afdeling 3 Erkenningsprocedure (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]
    4. [Afdeling 4 Subsidiëring (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]
  8. HOOFDSTUK V NIET-ERKENDE VOORZIENINGEN EN PROJECTEN
  9. HOOFDSTUK VI OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. (28/02/2014- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° administrateur-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van de administratie, vermeld in 2°, en van het fonds, vermeld in 18° ;
2° administratie: het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, als vermeld in artikel 59 van het decreet van 7 maart 2008;
3° adviserende beroepscommissie: de commissie vermeld in artikel 13 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden;
4° afdeling: een gedeelte van een voorziening of van een organisatie voor bijzondere jeugdzorg dat qua vestigingsplaats, organisatie, materiële infrastructuur of pedagogisch beleid verschilt van een ander gedeelte van de voorziening of van de organisatie voor bijzondere jeugdzorg;
5° bandbreedte: het geheel van de in te zetten zorgmodaliteiten in een cliënttraject binnen een multifunctioneel centrum;
6° besluit van 15 december 1993: het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 houdende de subsidiëring van de personeelskosten in bepaalde voorzieningen van de welzijnssector;
7° betrokken partijen: de minderjarige, de ouders, en in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken, betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige en de betrokken jeugdhulpaanbieders;
8° capaciteit: het aantal minderjarigen, dat een erkende voorziening mag opnemen of begeleiden, zoals bij besluit bepaald door de Vlaamse minister;
9° centrum voor integrale gezinszorg: een organisatie die conform de bepalingen in artikel 53duo decies tot en met 53sexies decies van dit besluit is erkend;
10° contextbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige en alle relevante betrokkenen uit zijn gezins- en opvoedingsmilieu en andere belangrijke levensdomeinen;
11° crisisbegeleiding: een kortdurende, intensieve, ambulante en mobiele begeleiding voor gezinnen in een perspectiefloze opvoedingssituatie, met een dreiging op uithuisplaatsing voor één of meer minderjarigen;
12° dagbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige gedurende een bepaald deel van de dag in een aangepaste omgeving;
13° decreet van 17 oktober 2003: het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
14° decreet van 7 maart 2008: het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
15° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp;
16° dienstanciënniteit: de anciënniteit berekend op basis van de werkelijke diensten die zonder vrijwillige onderbreking werden verricht in de sector bijzondere jeugdbijstand, de gehandicaptenzorg, Kind en Gezin en het algemeen welzijnswerk;
17° erkende voorzieningen: voorzieningen die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit zijn erkend;
18° fonds: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, als vermeld in artikel 54 van het decreet van 7 maart 2008;
19° gebruiker: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 17 oktober 2003;
20° geldelijke anciënniteit: de anciënniteit, vermeld in artikel 35, die in aanmerking komt voor het vaststellen van de personeelskosten;
21° gemandateerde voorziening: het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling, vermeld respectievelijk in artikel 33 en 42 van het decreet van 12 juli 2013;
22° gemeenschapsdienst: overeenkomstig art. 37, § 2bis, 2° en art. 52 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade: de onbezoldigde prestatie in een non-profit instelling voor een aantal uren, opgelegd door de jeugdrechter of jeugdrechtbank als reactie op het delict;
23° gemeenschapsinstellingen: voorzieningen vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 7 maart 2008;
24° handelingsplan: een document, vermeld in artikel 58 van het decreet van 12 juli 2013 dat wordt opgemaakt door een jeugdhulpaanbieder;
25° herstelbemiddeling: overeenkomstig art. 37bis tot art. 37quinquies en art. 45quater van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade: het communicatieproces tussen de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer, om hen de mogelijkheid te bieden om samen en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, aan de onder meer relationele en materiële gevolgen van een als misdrijf omschreven feit tegemoet te komen;
26° herstelgericht groepsoverleg: overeenkomstig art. 37bis tot art. 37quinquies van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade: het overleg tussen de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, het slachtoffer, hun sociale omgeving alsook alle dienstige personen, om hen de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar in overleg uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit;
27° inputgebieden: de organisatorisch gerichte aandachtsgebieden, betrekking hebbend op de activiteiten die het mogelijk maken dat de organisatie bepaalde resultaten behaalt op het vlak van leiderschap, personeelsbeleid, beleid en strategie en middelen en partnerschappen;
28° inrichtende macht: een rechtspersoon die geen materiële winst nastreeft en onder wiens verantwoordelijkheid een erkende voorziening functioneert;
29° jeugdbijstandsregeling: het decreet bijzondere jeugdbijstand en het geheel van wetten betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
30° jeugdhulpaanbieders: een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 juli 2013, en het ondersteuningscentrum, vermeld in 21° ;
31° jeugdhulpverleningsplan: een document dat wordt opgemaakt door de gemandateerde voorziening of de sociale dienst en waarin de doelstellingen en verwachtingen ten aanzien van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken jeugdhulpaanbieder of jeugdhulpaanbieders zijn opgenomen;
32° kernprocessen: de basisprocessen en -procedures volgens dewelke een organisatie haar hulpverlening vormgeeft, bestaande uit:
a) onthaal van de gebruiker;
b) doelstellingen en handelingsplan;
c) afsluiting en nazorg;
d) pedagogisch profiel;
e) gebruikersdossier;
33° kwaliteitsbeleid: het beleid, vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003;
34° kwaliteitshandboek: een document dat het kwaliteitsbeleid, het kwaliteitsmanagementsysteem en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 omvat;
35° kwaliteitsmanagementsysteem: het systeem, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003;
36° kwaliteitszorg: dat deel van de managementfunctie, vermeld in artikel 4 van het decreet van 17 oktober 2003;
37° leerproject: een gestructureerd leerprogramma, opgelegd door de jeugdrechter of jeugdrechtbank, waarbij zowel het delict als de persoonlijkheid van de minderjarigen of hun vaardigheidstekorten als aanknopingspunt worden genomen;
38° loonmassa: de uitgaven inzake personeel die met toepassing van dit besluit werden gedaan met uitsluiting van de uitgaven vermeld in artikel 32, § 2, 3 en 4;
39° minderjarige: elke natuurlijke persoon die jonger is dan 18 jaar;
40° module: een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening, op basis van de hulpvraag, aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, gebaseerd op één enkele typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit gewaarborgd is, met andere eenheden van jeugdhulpverlening kan worden aangeboden;
41° multifunctioneel centrum: een organisatiestructuur die bestaat uit een combinatie van voorzieningen of afdelingen van voorzieningen van categorie 1, 4 en 5, met een multifunctioneel karakter, die residentiële, mobiele en ambulante hulp biedt. Die hulp wordt vertaald in trajecten, waarbij zorgmodaliteiten naadloos worden ingezet in functie van een evoluerende hulpvraag;
42° ondersteunende begeleiding: de breedsporige ondersteuning die zich richt op specifieke problematieken waarmee de minderjarige en zijn context in een lopend hulpverleningstraject te maken krijgen;
43° opvoedingsverantwoordelijken: andere natuurlijke personen dan de ouders die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;
44° organisatie voor bijzondere jeugdzorg: een organisatie die conform de bepalingen van hoofdstuk IVbis van dit besluit is erkend;
45° outputgebieden: de resultaatgerichte aandachtsgebieden, betrekking hebbend op de verschillende aspecten van de organisatievoering zoals de gebruikers-, medewerkers- en samenlevingsresultaten;
46° samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod: het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod, vermeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
47° sociale dienst: de Sociale dienst voor Gerechtelijke Jeugdhulpverlening, als vermeld in artikel 56, van het decreet van 12 juli 2013;
48° team Indicatiestelling: het team, vermeld in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2013;
49° team Jeugdhulpregie: het team, vermeld in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2013
50° toegangspoort: het orgaan, vermeld in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2013;
51° typemodule: een afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening, gebaseerd op één functie of op een specifiek omschreven kernproces van hulpverlening, die deel uitmaakt van een intersectoraal opgemaakte set van typemodules en die tot doel heeft de kernopdrachten van de sectoren in eenzelfde taal te formuleren en op elkaar af te stemmen;
52° verblijf: een aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding van een hulpverlener;
53° Vlaamse minister: het lid van de Vlaamse Regering bevoegd voor de bijstand aan personen;
54° zelfevaluatie: een systematische evaluatie van de processen, structuren en resultaten van de voorziening en wordt door de voorziening zelf verwezenlijkt, vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003;
55° zorgmodaliteiten: de kleinste eenheden van hulp in een multifunctioneel centrum, op het gebied van contextbegeleiding, individuele begeleiding, dagbesteding en verblijf;
56° zware beroepen: tewerkstelling van begeleidend personeel, met toepassing van bijlage 2, gevoegd bij dit besluit, in een erkende voorziening van de categorieën 1, 2 of 3, vermeld in artikel 3.

Artikel 2. (01/07/2010- ...)

...

Artikel 3. (01/01/2014- ...)

§ 1. De erkende voorzieningen worden ingedeeld in de hiernavolgende categorieën:
Categorie 1: begeleidingstehuizen.
Categorie 2: gezinstehuizen.
Categorie 3: onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra.
Categorie 4: dagcentra.
Categorie 5: thuisbegeleidingsdiensten.
Categorie 6: diensten voor begeleid zelfstandig wonen.
...
Categorie 8 : diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling;
Categorie 9 : diensten voor crisishulp aan huis.

§ 2. Eenzelfde inrichtende macht kan voorzieningen laten erkennen van de categorieën 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9, vermeld in § 1.

§ 3. De voorzieningen van de categorieën 1 en 2 kunnen een bijkomende erkenning krijgen om na hun residentiële opname minderjarigen te begeleiden die zelfstandig wonen.

§ 4. De voorzieningen of afdelingen van voorzieningen van categorie 1, vermeld in artikel 13, 2°, kunnen een bijkomende erkenning krijgen om voor een gedeelte van hun capaciteit uitsluitend minderjarigen te begeleiden die rechtstreeks uit een gemeenschapsinstelling komen.

§ 5. De voorzieningen of afdelingen van voorzieningen van categorie 1, 4 en 5, vermeld in respectievelijk artikelen 4, 7 en 8, kunnen een wijziging van erkenning krijgen als respectievelijk een voorziening of een afdeling van een voorziening van categorie 1, 4 en 5 met een multifunctioneel karakter. De combinatie van de voorzieningen of van de afdelingen van voorzieningen met een multifunctioneel karakter wordt erkend als multifunctioneel centrum. Een multifunctioneel centrum bestaat minstens uit één afdeling met een multifunctioneel karakter van een voorziening van categorie 1 en één afdeling met een multifunctioneel karakter van een voorziening van categorie 5.

Artikel 4. (... - ...)

Begeleidingstehuizen zijn inrichtingen die in residentieel verband uitsluitend minderjarigen opnemen.

Artikel 5. (... - ...)

Gezinstehuizen zijn inrichtingen die in gezinsverband voornamelijk minderjarigen opnemen.

Artikel 6. (... - ...)

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra zijn inrichtingen die voor het ene gedeelte van hun totale capaciteit uitsluitend minderjarigen dienen op te nemen voor observatie en voor het andere gedeelte van hun capaciteit, voorlopig en voor een korte termijn, op alle uren van de dag en de nacht, uitsluitend:

1° personen beneden de leeftijd van achttien jaar dienen op te nemen die door de politionele overheden niet kunnen worden teruggebracht bij de personen die hen onder hun bewaring hebben, noch onmiddellijk voor het parket kunnen worden gebracht;

2° personen beneden de leeftijd van achttien jaar dienen op te nemen die niet onmiddellijk door het parket naar de jeugdrechtbank kunnen worden verwezen;

3° minderjarigen dienen op te nemen voor wie naar gepaste hulp en bijstand wordt gezocht.

Artikel 7. (... - ...)

Dagcentra zijn centra die uitsluitend minderjarigen opnemen tijdens bepaalde uren van de dag en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden.

Artikel 8. (... - ...)

Thuisbegeleidingsdiensten zijn diensten die uitsluitend minderjarigen en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden.

Artikel 9. (... - ...)

Diensten voor begeleid zelfstandig wonen zijn diensten die minderjarigen die zelfstandig wonen ambulant begeleiden.

Artikel 10. (01/01/2014- ...)

...

Artikel 10bis. (01/01/2009- ...)

Diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling zijn diensten die herstelbemiddeling, herstelgericht groepsoverleg, gemeenschapsdienst en leerprojecten voor minderjarigen uitvoeren.

Artikel 10ter. (01/01/2009- ...)

Diensten voor crisishulp aan huis zijn diensten die een kortdurende, intensieve, ambulante en mobiele vorm van crisishulpverlening organiseren voor minderjarigen en de gezinnen waartoe ze behoren in een acute perspectiefloze opvoedingssituatie.

[HOOFDSTUK II ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

[AFDELING 1 ALGEMENE ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 11. (01/03/2014- ...)

Om erkend te worden en te blijven moeten de voorzieningen aan de volgende algemene erkenningsvoorwaarden voldoen:

1° behalve wat de voorzieningen van categorie 2 en 6 betreft, mogen uitsluitend minderjarigen worden opgenomen of begeleid;

2° de voorziening mag geen minderjarigen opnemen of begeleiden boven haar totaal erkende capaciteit, tenzij mits voorafgaande toestemming van de Vlaamse minister. De verwijzende instantie dient daartoe per betrokken minderjarige een gemotiveerde aanvraag in te dienen bij de administratie. De Vlaamse minister kan toestemming verlenen wanneer ingevolge de individuele situatie van de minderjarige een opname in of een begeleiding door de voorziening, pedagogisch wenselijk is en voor zover de materiële mogelijkheden van de voorziening een opname of begeleiding toelaten. De toestemming geeft geen aanspraak op de toepassing van extra personeelsnormen;

3° de voorziening mag geen minderjarigen opnemen of begeleiden, waarvan de leeftijd niet in overeenstemming is met de leeftijdscategorie waarvoor ze is erkend, tenzij mits voorafgaande toestemming van de Vlaamse minister. De verwijzende instantie dient daartoe per betrokken minderjarige een gemotiveerde aanvraag in te dienen bij de administratie. De Vlaamse minister kan toestemming verlenen wanneer ingevolge de individuele situatie van de minderjarige een opname in of een begeleiding door de voorziening, pedagogisch wenselijk is en voor zover de materiële mogelijkheden van de voorziening een opname of begeleiding toelaten. De toestemming geeft geen aanspraak op de toepassing van extra personeelsnormen;

4° de personeelsleden en de andere personen die in de voorziening verblijven moeten van goed zedelijk gedrag zijn en hun gezondheidstoestand mag geen gevaar inhouden voor de minderjarigen met wie ze in contact komen;

5° de personeelsleden mogen niet jonger zijn dan achttien en niet ouder dan vijfenzestig jaar;

6° de gegevens betreffende het personeel en de eventuele wijzigingen ervan moeten telkens en onverwijld aan de administratie worden medegedeeld;

7° de voorziening moet op basis van de gegevens waarover ze beschikt, binnen vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf de opname van de minderjarige in de voorziening of vanaf de begeleiding, een handelingsplan opmaken met de betrokken partijen;

8° het handelingsplan, dat de leidraad vormt voor het pedagogisch handelen door de voorziening, bevat minstens de volgende delen:

a) de identiteit van de minderjarige en van de andere, bij de hulpverlening betrokken partijen;

b) de tussentijdse en concrete doelstellingen, ter uitvoering van de algemene doelstellingen, geformuleerd in het jeugdhulpverleningsplan van de verwijzende instantie;

c) de aandachtspunten en de klemtonen die in de hulpverlening gelegd moeten worden en waarbij de minderjarige, het gezin, de school, het werkmilieu en het bredere sociale netwerk worden betrokken;

d) de middelen en de werkwijzen die individueel aangewend moeten worden om de doelstellingen, gelet op de aandachtspunten en klemtonen, te realiseren;

e) afspraken betreffende de bezoekregeling, de briefwisseling en het opvoedingsregime, rekening houdend met hetgeen eventueel door de verwijzende instantie werd beslist;

f) de taakverdeling en de samenwerkingsafspraken tussen de betrokken partijen;

9° een kopie van het handelingsplan moet onverwijld worden opgestuurd aan in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst;

10° het handelingsplan kan binnen de voorziening, na evaluatie en samenspraak met de betrokken partijen, worden bijgestuurd. Deze bijsturing wordt schriftelijk vastgelegd. Hetgeen bepaald is in 9° is van overeenkomstige toepassing;

11° met uitzondering van de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra maken de erkende voorzieningen om de 6 maanden een evolutieverslag op, welke naar de gebruiker, en in voorkomend geval, naar de gemandateerde voorziening of naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst wordt verstuurd;

12° de minderjarigen moeten de gelegenheid hebben om zich moreel te verdiepen en hun eventuele godsdienst te beoefenen volgens de voorschriften en de verplichtingen ervan;

13° sancties moeten aan de persoonlijkheid van de minderjarige worden aangepast. Ze moeten altijd de opvoeding bevorderen en mogen geen traumatische uitwerking hebben. Lichamelijke straffen en geestelijk geweld, alsook onthouding van maaltijden, zijn verboden;

14° het dossier dat met inachtneming van artikel 11bis, 16°, wordt aangelegd, bevat alle nuttige gegevens voor de hulp- en dienstverlening. In dit dossier worden minstens opgenomen:

a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken, die ter beschikking gesteld werden door de administratie, de toegangspoort, de gemandateerde voorziening of de jeugdrechtbank en de sociale dienst, inzonderheid de stukken tot staving van het verblijf of de begeleiding, een kopie van het jeugdhulpverleningsplan en de documenten, vereist door de bepalingen van dit besluit;

b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij of zij behoort en hun mening hierover;

c) het handelingsplan, bedoeld in 7°, elke bijsturing ervan, bedoeld in 10°, en de evolutieverslagen, bedoeld in 11°;

15° de inspectie van de administratie kan het dossier van de minderjarige uitsluitend ter plaatse inzien;

16° uiterlijk vijf jaar nadat de minderjarige meerderjarig is geworden, wordt zijn of haar dossier vernietigd;

17° naast de wettelijk verplichte verzekeringen moet een verzekering worden afgesloten voor:

a) de burgerlijke aansprakelijkheid van de voorziening en van de personen die er tewerkgesteld zijn of die er verblijven;

b) de burgerlijke aansprakelijkheid van elke opgenomen of begeleide minderjarige;

c) de lichamelijke schade waarvan een opgenomen of begeleide minderjarige het slachtoffer kan zijn;

18°...;

19° elke ernstige gebeurtenis moet onverwijld en binnen achtenveertig uur worden gemeld aan de administratie en, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst;

20° de voorziening dient jaarlijks vóór 1 juni bij de administratie een kwaliteitsverslag in over het voorbije jaar, dat minstens de resultaten van de zelfevaluatie, de geformuleerde verbeteracties, de wijze waarop de verbeteracties zijn uitgevoerd en de kwaliteitsplanning voor het lopende jaar bevat;

21° de voorziening beschikt over een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers.

De organisatie hanteert een procedure voor preventie van, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen. Grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van gebruikers wordt onverwijld gemeld aan de administratie.

Artikel 11bis. (01/03/2014- ...)

Met toepassing van artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de organisatie een kwaliteitsbeleid dat minimaal de volgende elementen bevat :
1° de missie van de organisatie;
2° de visie van de organisatie;
3° de waarden;
4° de te creëren maatschappelijke meerwaarde, alsook de strategische doelstellingen om die meerwaarde te realiseren;
5° de omschrijving van de volgende aandachtsgebieden :
a) kwaliteitszorg;
b) inputgebieden :
1. leiderschap;
2. personeelsbeleid;
3. beleid en strategie;
4. middelen en partnerschappen;
c) kernprocessen;
d) outputgebieden :
1. gebruikersresultaten;
2. medewerkersresultaten;
3. samenlevingsresultaten.

Met toepassing van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de organisatie in haar kwaliteitsbeleid aandacht voor :
1. gelijke kansen, op het gebied van toegankelijkheid, diversiteit en non-discriminatie;
2. goed bestuur, in het bijzonder wat de diversiteit in samenstelling, de deskundigheid, de opdrachten en de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen betreft.

Artikel 12. (01/03/2014- ...)

Conform artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003, beschikt de organisatie over een kwaliteitsmanagementsysteem dat minimaal de organisatorische structuur, de bevoegdheden, de verantwoordelijkheden en de processen en procedures, in het bijzonder van de aandachtsgebieden, vermeld in artikel 11bis, eerste lid, 5°, van dit besluit, bevat.

Artikel 12bis. (01/03/2014- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003 evalueert de organisatie systematisch haar werking en minimaal de aandachtsgebieden kwaliteitszorg, inputgebieden, kernprocessen en outputgebieden, vermeld in artikel 11bis, eerste lid, 5°, van dit besluit, op basis van het schema, opgenomen in bijlage 1bis, die bij dit besluit is gevoegd.

Op basis van de zelfevaluatie formuleert de organisatie verbeteracties die betrekking kunnen hebben op alle elementen van het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 11bis van dit besluit.

Artikel 12ter. (01/03/2014- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 6 van het decreet van 17 oktober 2003 beschikt de organisatie over een borgend kwaliteitshandboek dat minimaal de volgende elementen bevat :
1° het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 11bis van dit besluit;
2° het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 12 van dit besluit;
3° de zelfevaluatie en verbeteracties, vermeld in artikel 12bis van dit besluit.

Het kwaliteitshandboek is gebruiksvriendelijk en toegankelijk en wordt door alle geledingen van de organisatie gedragen.

Artikel 12quater. (01/03/2014- ...)

...

[AFDELING 2 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN PER CATEGORIE VAN VOORZIENING (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

[ONDERAFDELING A BEGELEIDINGSTEHUIZEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 13. (28/02/2014- ...)

De begeleidingstehuizen moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van een begeleidingstehuis tien. De maximumcapaciteit van een begeleidingstehuis, eventueel samengesteld uit afdelingen gevestigd in verscheidene lokaliteiten, is negentig;
2° een begeleidingstehuis of een afdeling ervan, dat is erkend om tot uitputting van zijn capaciteit uitsluitend minderjarigen vanaf de leeftijd van twaalf jaar op te nemen, heeft opnameplicht. Deze opnameplicht geldt niet voor minderjarigen die niet vooraf werden opgenomen in een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum;
3° in een afdeling die functioneert als leefgroep mogen niet meer dan vijftien minderjarigen worden opgenomen;
4° de voorziening, evenals elke afdeling ervan, moet bij aanwezigheid van minderjarigen permanent onder toezicht staan van een personeelslid;
5° in overleg met de minderjarige en zijn of haar ouders zorgt de voorziening ervoor dat een medisch dossier van de minderjarige wordt bijgehouden en beheerd door een arts;
6° er wordt in een passende medische verzorging voorzien en medische voorschriften worden nageleefd;
7° de voeding is evenwichtig en afwisselend;
8° de kledij van de minderjarige is verzorgd;
9° de voorziening houdt per minderjarige die eigen inkomsten heeft, een individuele rekening bij;
10° de voorziening moet toezien op de naleving van de sociale wetgeving met betrekking tot de minderjarige;
11° indien de voorziening op de hoogte is van het bestaan van een of meerdere spaarrekeningen op naam van de minderjarige moeten de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige en de minderjarige hierover ingelicht worden.

[ONDERAFDELING B GEZINSTEHUIZEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 14. (... - ...)

[De gezinstehuizen dienen te voldoen aan artikel 13, 4° tot en met 11°. Bovendien moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:

1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van een gezinstehuis vijf en de maximumcapaciteit tien, verminderd met het aantal eigen kinderen;

2° het tehuis staat onder leiding van een verantwoordelijke die voldoet aan de functie-eisen van verantwoordelijke, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;

3° de verantwoordelijke van het tehuis moet er werkelijk wonen. Indien hij of zij niet aanwezig, ziek of belet mocht zijn, moet hij of zij een geschikte persoon, aanwijzen om hem of haar te vervangen en moet hij of zij diens volledige identiteit meedelen aan de administratie. De aanwezige persoon moet tenminste voldoen aan de functie-eisen van begeleidend personeel van klasse 2B, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;

4° indien een van de samenwonende partners een andere taak uitoefent, moet deze taak verenigbaar zijn met zijn of haar taak in het tehuis. Zijn of haar eventuele prestaties in het tehuis kunnen als een deeltijdse dagtaak in aanmerking worden genomen voor zover het totaal van deze prestaties geen voltijdse betrekking overtreft. (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3, I: 1 januari 2001) ]

[ONDERAFDELING C ONTHAAL-, ORIËNTATIE- EN OBSERVATIECENTRA (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 15. (28/02/2014- ...)

De onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra moeten voldoen aan artikel 13, 3° tot en met 11°. Bovendien moeten zij voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van het centrum acht en de maximumcapaciteit vierentwintig;
2° minstens de helft van de capaciteit van het centrum moet worden voorbehouden voor opnamen, bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3°. De Vlaamse minister kan, op gemotiveerde vraag van de inrichtende macht, een afwijking toestaan, gelet op de specifieke werking van een centrum, erkend op de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit of gelet op de vastgestelde behoefte aan capaciteit voor observatie enerzijds en voor onthaal en oriëntatie anderzijds;
3° overeenkomstig de beslissing van, in voorkomend geval, de jeugdrechtbank of het team Jeugdhulpregie, vermeld in artikel 1, 52°, wordt een oriëntatie en een observatie in residentieel of ambulant verband uitgevoerd;
4° het centrum staat onder leiding van een directeur die voldoet aan de functie-eisen van directeur, vermeld in bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
5° een universitair gediplomeerde van de faculteit psychologische of pedagogische wetenschappen en een gediplomeerde van het sociaal hoger onderwijs van het korte type maken deel uit van het team dat belast is met de observatie en de oriëntatie van de minderjarigen;
6° het centrum verwittigt binnen vierentwintig uur de procureur des Konings van het betrokken rechtsgebied van elke opname, vermeld in artikel 6;
7° het centrum dat het vanuit haar pedagogisch concept noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of in hun vrijheid te beperken, om hun veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt hiertoe over een door de administratie goedgekeurd huishoudelijk reglement. In dit reglement moeten minstens worden beschreven: de inrichting van de beveiligingskamer, het aanleggen van een beveiligingsdossier voor elke beveiliging die zich voordoet, de duur van de beveiligingssituatie en het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de betrokken minderjarige. Dit huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen;
8° elke minderjarige moet na zijn of haar opname medisch worden onderzocht;
9° de oriëntatie- en observatieverslagen moeten een oriëntatievoorstel en een leidraad voor begeleiding of behandeling bevatten. Deze verslagen moeten vóór het beëindigen van het verblijf worden bezorgd, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening of de toegangspoort of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het handelingsplan kan geïntegreerd worden in het oriëntatie- en observatieverslag.

[ONDERAFDELING D DAGCENTRA (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 16. (... - ...)

[De dagcentra moeten voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 13, 3°, 4°, 6° en 7°. Bovendien moeten zij voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:

1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van het centrum tien en de maximumcapaciteit twintig;

2° de opvang van de minderjarigen in het centrum wordt minimaal verzekerd:

a) op schooldagen: tijdens de middagpauze en na schooltijd tot 19 uur;

b) op vakantiedagen: van 9 tot 17 uur;

3° er worden dagelijks twee maaltijden verstrekt, waarvan één warme maaltijd. (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3, I: 1 januari 2001) ]

[ONDERAFDELING E THUISBEGELEIDINGSDIENSTEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 17. (01/07/2010- ...)

De thuisbegeleidingsdiensten moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van de dienst zestien;
2° de dienst mag geen begeleiding binnen zijn bestuurlijk arrondissement weigeren om een andere reden dan de uitputting van zijn erkende capaciteit;
3° het aantal begeleidingscontacten dat de dienst realiseert, in principe in het gezin waartoe de minderjarige behoort, bedraagt op weekbasis minimaal het equivalent van de erkende capaciteit van de dienst.

[ONDERAFDELING F DIENSTEN VOOR BEGELEID ZELFSTANDIG WONEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 18. (01/07/2010- ...)

De diensten voor begeleid zelfstandig wonen moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:
1° onverminderd de toepassing van artikel 38, § 1, is de minimumcapaciteit van de dienst zestien;
2° de dienst mag geen begeleiding binnen zijn bestuurlijk arrondissement weigeren om een andere reden dan de uitputting van zijn erkende capaciteit;
3° de voorziening begeleidt de minderjarige in het verwerven en behouden van een eigen, passende huisvesting;
4° indien de betrokkene meerderjarig of ontvoogd is, moet hijzelf een huurcontract afsluiten. De dienst mag, uitzonderlijk, op basis van maximaal één woning per capaciteitsschijf van acht, eigen huisvesting ter beschikking stellen van meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen die hij begeleidt. De dienst mag de bedoelde eigen huisvesting ter beschikking stellen gedurende een maximale termijn van twee maanden;
5° de minderjarigen staan zelf geheel of gedeeltelijk in voor hun onderhoud. Op grond daarvan wordt met hen een plan opgemaakt voor het beheer van hun budget;
6° het aantal begeleidingscontacten dat de dienst realiseert, bedraagt op weekbasis minimaal het equivalent van de erkende capaciteit van de dienst.

[ONDERAFDELING G DIENSTEN VOOR PLEEGZORG (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 19. (01/01/2014- ...)

...

[ONDERAFDELING H DIENSTEN VOOR HERSTELGERICHTE EN CONSTRUCTIEVE AFHANDELING (ing. BVR 16 januari 2009)]

Artikel 19bis. (01/01/2009- ...)

Artikel 11, 2°, 3°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 14°, 18°, en artikel 11bis, 10°, tweede lid, en 16°, tweede zin, zijn niet van toepassing op de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling.

Artikel 19ter. (01/01/2009- ...)

De diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° elke dienst biedt herstelbemiddeling, herstelgericht groepsoverleg, gemeenschapsdienst en leerprojecten aan;
2° de diensten sturen binnen twee maanden na hun aanwijzing een bondig verslag naar hetzij de procureur des Konings, hetzij de jeugdrechtbank en de sociale dienst over de voortgang van de bemiddeling, het herstelgerichte groepsoverleg, de gemeenschapsdienst of het leerproject dat verduidelijkt dat ze ermee van start gegaan zijn, maar dat de bemiddeling, het herstelgerichte groepsoverleg, de gemeenschapsdienst of het leerproject nog niet zijn afgerond. Voor herstelbemiddeling en herstelgericht groepsoverleg wordt de informatie die schade kan berokkenen aan de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, of aan het slachtoffer, niet opgenomen;
3° de diensten maken gebruik van een uniform registratiesysteem;
4° de diensten organiseren in hun werkgebied een samenwerkingsverband met de actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van hun opdracht.

Artikel 19quater. (01/01/2009- ...)

Voor de uitvoering van herstelbemiddeling en herstelgericht groepsoverleg moeten de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling voldoen aan de volgende aanvullende voorwaarden :
1° de diensten voeren de verplichtingen uit die voortvloeien uit het samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod. De stukken die aan de jeugdrechtbank moeten worden bezorgd, worden eveneens aan de sociale dienst bezorgd;
2° de schriftelijke motivering, vermeld in artikel 11bis, 7°, wordt voor herstelbemiddeling en herstelgericht groepsoverleg begrepen als het bondige verslag, vermeld in artikel 4, 3°, en in artikel 5, § 1, 3°, en § 2, 3°, van het samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod;
3° de diensten leggen een dossier aan dat minstens de volgende gegevens en documenten bevat :
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld werden door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst, inzonderheid de stukken tot staving van het voorstel tot herstelbemiddeling of herstelgericht groepsoverleg en de documenten die vereist zijn door de bepalingen van dit besluit;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort en hun mening hierover;
c) het bondige verslag, vermeld in artikel 19ter, 2°;
d) de door de dienst op te stellen stukken ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod;
e) in voorkomend geval de overeenkomst en intentieverklaring;
4° de diensten zoeken naar permanente overlegstructuren met de bemiddelingsdiensten voor meerderjarigen;
5° de diensten besteden bij het vervullen van de voorwaarden, vermeld in dit besluit, bijzondere aandacht aan de principes van vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en onpartijdigheid.

Artikel 19quinquies. (28/02/2014- ...)

Bij de uitvoering van gemeenschapsdiensten moeten de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling voldoen aan de volgende bijkomende voorwaarden :
1° voor de aanvang van de gemeenschapdienst stellen de diensten een rapport op dat minstens de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de minderjarige;
b) het aantal uren gemeenschapsdienst dat werd opgelegd;
c) afspraken over de uitvoering van de gemeenschapdienst, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de jeugdrechtbank.
Een kopie van het rapport wordt onverwijld opgestuurd naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
2° de diensten stellen een verslag op over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, en sturen dat verslag naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd of met de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
3° de diensten leggen, in overeenstemming met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat minstens de volgende gegevens en documenten bevat :
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld werden door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst, inzonderheid de stukken tot staving van de maatregel en de documenten die vereist zijn door de bepalingen van dit besluit;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, en hun mening daarover;
c) het rapport, vermeld in 1°;
d) het verslag over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, vermeld in 2°.

Artikel 19sexies. (01/01/2009- ...)

Voor de uitvoering van leerprojecten moeten de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling voldoen aan de volgende aanvullende voorwaarden :
1° de diensten stellen voor de aanvang van het leerproject een rapport op dat minstens de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de minderjarige;
b) het aantal uren leerproject dat werd opgelegd;
c) afspraken over de uitvoering van het leerproject, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de verwijzende instantie;
Een kopie van het rapport wordt onverwijld opgestuurd naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
2° de diensten stellen een verslag op over de uitvoering van het leerproject, en sturen dat verslag naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, en met de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
3° de diensten leggen, in overeenstemming met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat minstens de volgende gegevens en documenten bevat :
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld werden door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst, inzonderheid de stukken tot staving van de maatregel en de documenten die vereist zijn door de bepalingen van dit besluit;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort en hun mening daarover;
c) het rapport, vermeld in § 2, 1°;
d) het verslag over de uitvoering van het leerproject, vermeld in § 2, 2°;
4° elk leerproject bestaat uit een basisprogramma van 20 uur. Uitbreidingen naast dit basisprogramma tot ten hoogste 45 uur zijn alleen mogelijk als de administratie daarvoor goedkeuring verleent.

[ONDERAFDELING I DIENSTEN VOOR CRISISHULP AAN HUIS (ing. BVR 16 januari 2009)]

Artikel 19septies. (01/01/2009- ...)

Artikel 11, 2°, 3°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 14°, 18° en artikel 11bis, 10°, tweede lid en 16°, tweede zin, zijn niet van toepassing op de diensten voor crisishulp aan huis.

Artikel 19octies. (01/01/2016- ...)

De diensten voor crisishulp aan huis leggen een dossier aan dat minstens de volgende gegevens bevat:
1° de inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking worden gesteld, in voorkomend geval, door de administratie, de gemandateerde voorziening, de jeugdrechtbank en de sociale dienst, inzonderheid de stukken tot staving van de begeleiding en de documenten die vereist zijn door de bepalingen van dit besluit;
2° de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, en hun mening daarover.

[AFDELING 3 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE BEGELEIDINGS- EN DE GEZINSTEHUIZEN DIE MINDERJARIGEN WILLEN BEGELEIDEN DIE ZELFSTANDIG WONEN (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3) ]

Artikel 20. (... - ...)

[De begeleidings- en de gezinstehuizen die minderjarigen willen begeleiden die zelfstandig wonen, dienen te voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:

1° het aantal minderjarigen waarvoor begeleid zelfstandig wonen wordt georganiseerd, mag ten hoogste een vierde bedragen van de totaal erkende capaciteit van de voorziening. Bovendien mogen er niet meer dan negen minderjarigen worden begeleid, behalve voor een beperkte periode en mits de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de Vlaamse minister;

2° artikel 18, 3° tot en met 5° zijn van overeenkomstige toepassing. (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 3, I: 1 januari 2001) ]

[AFDELING 4 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE BEGELEIDINGSTEHUIZEN, VERMELD IN ARTIKEL 3, § 4 (ing. BVR 25 juni 2010, art. 6)]

Artikel 20bis. (01/07/2010- ...)

De begeleidingstehuizen met een bijkomende erkenning als vermeld in artikel 3, § 4, moeten voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° het aantal capaciteitseenheden dat voorbehouden wordt om minderjarigen te begeleiden die uit een gemeenschapsinstelling komen bedraagt minimaal 4. Het jaarlijkse aantal op te nemen minderjarigen uit een gemeenschapsinstelling is minimaal gelijk aan 150 % van het aantal erkende capaciteitseenheden als vermeld in artikel 3 § 4;
2° een overeenkomst sluiten met de Vlaamse Gemeenschap, die vertegenwoordigd wordt door het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn. Die overeenkomst bevat minstens de volgende gegevens :
a) de wijze waarop de doelgroep wordt geselecteerd en gescreend;
b) de wijze waarop de gemeenschapsinstellingen worden geïnformeerd over een openstaande capaciteitseenheid als vermeld in artikel 3, § 4;
c) de te volgen procedure tijdens de aanmeldings- en beslissingsfase;
d) de wijze waarop een structurele beveiliging wordt uitgebouwd, inclusief de mogelijkheid tot een kortdurende heropname in de gemeenschapsinstelling;
e) de wijze waarop de samenwerkingsovereenkomst wordt geëvalueerd en bijgestuurd;
3° de begeleiding van de minderjarigen, vermeld in artikel 3, § 4, is gericht op een reïntegratie in hun context of op zelfstandig wonen.

[AFDELING 5 BIJZONDERE ERKENNINGSVOORWAARDEN VOOR DE MULTIFUNCTIONELE CENTRA (ing. BVR 25 juni 2010, art. 6)]

Artikel 20ter. (01/01/2013- ...)

...

[HOOFDSTUK III ERKENNINGSPROCEDURE EN TOEZICHT OP DE NALEVING VAN DE ERKENNINGSVOORWAARDEN (verv. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]

[AFDELING 1 PROCEDURE VOOR HET VERLENEN OF HET VERLENGEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]

Artikel 21. (... - ...)

[Elke inrichtende macht die minderjarigen in een voorziening wenst op te nemen of door een voorziening wenst te begeleiden, dient die voorziening vooraf te laten erkennen volgens de regels, bepaald in artikel 22 tot en met 26quater. (verv. B.V.R. 8 december 1998, art. 2, I: 1 januari 1999) ]

Artikel 22. (... - ...)

[Een erkenning of een verlenging van een erkenning van een voorziening kan enkel worden verleend:

1° als daartoe een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;

2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;

3° voor zover de begrotingskredieten dat mogelijk maken. (verv. B.V.R. 8 december 1998, art. 2, I: 1 januari 1999) ]

Artikel 23. (01/07/2010- ...)

Een aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk:
1° als de inrichtende macht die aanvraag bij de administratie indient bij aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag past binnen de door de Vlaamse minister vastgestelde programmatienormen genoemd in artikel 24;
3° als de aanvraag de volgende gegevens bevat:
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de categorieën waarvoor de erkenning wordt gevraagd;
c) de verschillende afdelingen waaruit de voorziening zal bestaan;
d) voor de voorzieningen van de categorieën 1 tot en met 6 : het maximumaantal minderjarigen dat de voorziening per afdeling zal opnemen of begeleiden;
e) het pedagogische profiel van elke afdeling;
f) voor de voorzieningen van de categorieën 1 tot 4: de leeftijdscategorieën en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
g) voor de voorzieningen van de categorieën 1 en 2 die minderjarigen wensen te begeleiden die zelfstandig wonen: het maximumaantal minderjarigen dat de voorziening zal begeleiden;
h) voor de voorzieningen van categorie 1 die tot de uitputting van hun capaciteit uitsluitend minderjarigen wensen op te nemen vanaf de leeftijd van twaalf jaar: het maximumaantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
i) voor de voorzieningen van categorie 9 : het aantal begeleidingen dat de voorziening op jaarbasis zal verrichten;
j) voor de voorzieningen van categorie 1 die een bijkomende erkenning willen als vermeld in artikel 3, § 4 : het aantal capaciteitseenheden en het geslacht van de minderjarigen, waarvoor de bijkomende erkenning wordt gevraagd;
k) voor de voorzieningen of de afdelingen van voorzieningen van de categorie 1, 4 of 5 die een wijziging van erkenning willen als respectievelijk een voorziening of een afdeling van een voorziening van categorie 1, 4 of 5 met een multifunctioneel karakter : het aantal capaciteitseenheden van de voorzieningen of van de afdelingen van voorzieningen waarvoor de wijziging van erkenning wordt gevraagd.

Artikel 24. (01/01/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse minister of de administrateur-generaal kan voor de categorieën 1 tot en met 6 geen erkenning verlenen boven de totaal erkende capaciteit van 6000.

De Vlaamse minister legt de verdeling van 6000 eenheden over de regio's vast in een programmatie. Voor die verdeling is:
1° één plaats in een voorziening van categorie 1, 2 of 3 gelijk aan één eenheid;
2° één plaats in een voorziening van categorie 4 gelijk aan twee derden van een eenheid;
3° één begeleiding door een voorziening van categorie 5 of 6 gelijk aan een derde van een eenheid.

Onverminderd de bepalingen van het tweede lid kan erkende capaciteit van een voorziening van categorie 1, 2 of 3 omgezet worden in erkende capaciteit van een voorziening van categorie 4, 5 of 6, als die omzetting geen extra financiële lasten met zich brengt voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. Per gerechtelijk arrondissement wordt één dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling erkend en gesubsidieerd. De Vlaamse minister kan daarvan afwijken vanwege de grootte van het arrondissement of het aantal dossiers.

Artikel 25. (01/01/2007- ...)

§ 1. Als de aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan niet ontvankelijk is, stuurt de administratie die aanvraag bij aangetekende brief en uiterlijk dertig dagen na ontvangst aan de aanvragende, inrichtende macht terug. In die brief wordt de reden van de niet-ontvankelijkheid vermeld.

§ 2. Als de aanvraag tot erkenning van een voorziening of tot verlenging ervan ontvankelijk is, betekent de administratie in voorkomend geval het voornemen van de administrateur-generaal om de erkenning of de verlenging ervan te weigeren aan de inrichtende macht.

De betekening, als bedoeld in het eerste lid, gebeurt bij aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst. In die brief wordt het voornemen van de administrateur-generaal gemotiveerd en worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop een bezwaarschrift, als bedoeld in artikel 26bis, kan worden ingediend.

§ 3. De beslissing van de administrateur-generaal de erkenning of de verlenging ervan te verlenen wordt binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag aan de inrichtende macht betekend. Deze beslissing wordt betekend bij aangetekende brief.

Artikel 26. (01/01/2007- ...)

Indien de beslissing van de administrateur-generaal bedoeld in artikel 25, § 3 niet binnen de in deze paragraaf vermelde termijn aan de inrichtende macht werd betekend, wordt ervan uitgegaan dat de erkenning van de voorziening of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd.

Artikel 26bis. (01/01/2014- ...)

§ 1. De inrichtende macht kan tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het voornemen van de administrateur-generaal om de erkenning van de voorziening of de verlenging ervan te weigeren of, in geval van toepassing van artikel 26, na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 25, § 3, een bezwaarschrift indienen. Na die termijn van dertig dagen is het bezwaarschrift niet meer ontvankelijk. De inrichtende macht richt daartoe een aangetekende brief aan de administratie met vermelding van de motieven waarom ze de weigering ongegrond acht.

Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.

§ 2. Als de inrichtende macht geen bezwaarschrift heeft ingediend in overeenstemming met § 1, eerste lid, wordt de beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning of de verlenging ervan te weigeren, aan de inrichtende macht betekend. De administratie betekent die beslissing met een aangetekende brief binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in § 1, eerste lid.

Artikel 26ter. (01/01/2014- ...)

De Vlaamse minister of de administrateur-generaal kan aan de erkenning de voorwaarde verbinden dat de voorziening geen minderjarigen zal opnemen of begeleiden, totdat de inrichtende macht heeft bewezen dat de voorziening aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.

Als de inrichtende macht binnen een termijn van achttien maanden, te rekenen vanaf de datum van de erkenning, het bewijs niet kan leveren dat de voorziening aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt de erkenning ambtshalve ingetrokken.

Artikel 26quater. (01/01/2007- ...)

Als de Vlaamse minister of de administrateur-generaal de erkenning of de verlenging ervan weigert, kan de inrichtende macht de aanvraag niet onmiddellijk opnieuw indienen. Er moet minstens één jaar verstreken zijn sedert de betekening van de beslissing tot weigering of de inrichtende macht moet aantonen dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.

[AFDELING 2 PROCEDURE VOOR HET WIJZIGEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]

Artikel 26quinquies. (01/07/2010- ...)

Artikel 22 tot en met 26quater zijn van overeenkomstige toepassing voor het wijzigen van de categorie, de capaciteit, de leeftijd en het geslacht van de doelgroep, alsook voor een verhuizing van de voorziening of een afdeling ervan naar een ander bestuurlijk arrondissement.

Artikel 22 tot en met 26quater zijn ook van overeenkomstige toepassing voor het wijzigen van de erkenning van voorzieningen of afdelingen van een voorziening als voorziening of afdeling van een voorziening met een multifunctioneel karakter, en de erkenning van de combinatie van die voorzieningen of afdelingen van voorzieningen als multifunctioneel centrum, vermeld in artikel 3, § 5.

Artikel 26sexies. (01/01/2014- ...)

De administrateur-generaal kan op elk ogenblik de voorwaarden van de erkenning andere dan die bedoeld in artikel 26quinquies wijzigen, nadat de inrichtende macht daartoe een aanvraag heeft ingediend.

[AFDELING 3 PROCEDURE VOOR HET INTREKKEN VAN EEN ERKENNING VAN EEN VOORZIENING (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]

Artikel 26septies. (... - ...)

Als een voorziening niet langer voldoet aan een of meer erkenningsvoorwaarden, kan de administratie de inrichtende macht ertoe aanmanen zich binnen een termijn van acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te schikken.

De inrichtende macht wordt aangemaand bij aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst. In die brief wordt vermeld welke erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd. (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2, I: 1 januari 1999) ]

Artikel 26octies. (01/01/2014- ...)

§ 1. Als ondanks de aanmaning de voorziening de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, kan de administrateur-generaal zich voornemen de erkenning in te trekken. De administratie betekent dat voornemen bij aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst aan de inrichtende macht. In die brief wordt het voornemen gemotiveerd en worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop de inrichtende macht een bezwaarschrift kan indienen.

§ 2. Artikel 26bis, § 1 en § 2, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor het geval de Vlaamse minister of de administrateur-generaal definitief beslist een erkenning in te trekken.

Als de beslissing, vermeld in het eerste lid, niet aan de inrichtende macht is betekend binnen de termijn die daarvoor is bepaald door de regels, vermeld in artikel 26bis, § 1, tweede lid, blijft de voorziening erkend.

Artikel 26nonies. (01/01/2014- ...)

In afwijking van artikel 26septies en 26octies kan de administrateur-generaal, na de inrichtende macht te hebben gehoord, de erkenning onmiddellijk intrekken als blijkt dat de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van minderjarigen binnen een voorziening ernstig in het gedrang komt.

[AFDELING 4 TOEZICHT OP DE NALEVING VAN DE ERKENNINGSVOORWAARDEN (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2) ]

Artikel 26decies. (... - ...)

26decies. Personeelsleden van de administratie oefenen ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden door de voorzieningen.

De voorzieningen verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden, op hun eenvoudig verzoek, de stukken die met de erkenningsaanvraag of de erkenning verband houden. (ing. B.V.R. 8 december 1998, art. 2, I: 1 januari 1999) ]

HOOFDSTUK IV SUBSIDIERING VAN DE VOORZIENINGEN

AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 27. (... - ...)

[Dit hoofdstuk bepaalt de subsidies voor opname en begeleiding die ten laste van het fonds worden uitbetaald aan de erkende voorzieningen. (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 4, I: 1 januari 2001) ]

Artikel 28. (01/03/2014- ...)

Onverminderd artikel 52 van het decreet van 7 maart 2008 mogen de voorzieningen die overeenkomstig dit hoofdstuk subsidies ontvangen, geen supplement vragen aan openbare instellingen of aan privé-personen om kosten te dekken waarvoor de subsidies worden toegekend.

Artikel 29. (... - ...)

§ 1. Onverminderd de toepassing van § 2 is de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, van toepassing op de bedragen waarvan sprake is in dit hoofdstuk. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 102,02.

§ 2. De subsidies voor lonen en wedde vallen onder de toepassing van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector van het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 102,02.

AFDELING 2 SUBSIDIES VOOR PERSONEELSKOSTEN

Artikel 30. (01/01/2014- ...)

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 11 van het besluit van 15 december 1993 wordt de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen vastgesteld overeenkomstig bijlage 2 bij dit besluit.

§ 2. ...

Artikel 31. (... - ...)

§ 1. Indien een inrichtende macht meerdere voorzieningen heeft laten erkennen is de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor subsidiëring de som van de maximum personeelsbezetting die per voorziening is vastgesteld in bijlage 2 bij dit besluit.

§ 2. Onder het directiepersoneel van de voorzieningen van eenzelfde inrichtende macht kan:

1° één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen voldoet, de salarisschaal worden toegekend van directeur, berekend op de totale capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, voor zover die totale capaciteit minstens 25 bedraagt;

2° één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen voldoet, de salarisschaal worden toegekend van onderdirecteur, voor zover de totale capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, minstens 76 bedraagt.

§ 3. Onder de leden van het administratief personeel van eenzelfde inrichtende macht kan één personeelslid, dat aan de in bijlage 1 bij dit besluit gestelde functie-eisen voldoet, de salarisschaal van klasse 1 worden toegekend, voor zover de totale capaciteit die aan de inrichtende macht werd toegewezen, minstens 76 bedraagt.

32. (01/01/2006- ...)

§ 1. Voor de subsidiëring van de personeelskosten gelden de bepalingen van het besluit van 15 december 1993 en komen de uitgaven in aanmerking die bedoeld zijn in artikel 4 van voornoemd besluit voor zover die uitgaven werkelijk werden gedaan binnen de normen van dit besluit.

§ 2. Komen eveneens in aanmerking voor subsidiëring:
1° de verzekeringspremies inzake arbeidsongevallen;
2° de verzekeringspremies inzake burgerlijke aansprakelijkheid;
3° de kosten voor de arbeidsgeneeskunde;
4° de kosten voor werkkledij;
5° de tussenkomst van de werkgever in de verplaatsingskosten naar en van het werk van de werknemer;
6° de tussenkomst van de werkgever in de syndicale premie;
7° de kosten voor het vormings-, trainings- en opleidingsbeleid voor het personeel, zoals bepaald in artikel 11bis, 15°;
8° een forfaitaire vergoeding van maximaal 961,17 fr. per dag, tot dekking van de bijkomende, werkelijke kosten, betaald aan de personeelsleden van de voorzieningen van de categorieën 1, 2, 3 en 4, die de minderjarigen vergezellen tijdens de vakantieverblijven.

Voor het subsidiëren van de in het vorig lid bedoelde uitgaven wordt een bedrag vastgesteld, berekend op 3 % van de in § 1 bedoelde personeelskosten. Dit percentage kan jaarlijks door de Vlaamse minister worden aangepast in functie van de kosten van de voorzieningen en de uitgavenkredieten van het fonds.

§ 3. Worden voor de subsidiëring eveneens als personeelskosten in aanmerking genomen, de aanvullende vergoedingen bedoeld in:
1° artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 februari 1984 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen van bejaarde werknemers;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 houdende een nieuwe reglementering van toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen;
3° het koninklijk besluit van 20 augustus 1986 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.

Deze aanvullende vergoedingen worden slechts in aanmerking genomen tot maximaal het bedrag dat verkregen wordt na toepassing van de berekeningswijze die bepaald is in de artikelen 5 en volgende van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974, en op voorwaarde dat de betrokkene wordt vervangen door een kandidaat die bij de aanvang van zijn of haar tewerkstelling maximaal aanspraak maakt op de wedde van een personeelslid met een geldelijke anciënniteit van vijf jaar.

§ 4. Komen eveneens in aanmerking voor subsidiëring:

1° de kost voor de vervangende tewerkstelling, ingevolge vrijstelling van arbeidsprestaties met behoud van loon voor personen met een zwaar beroep vanaf de leeftijd van vijfenveertig jaar.

Deze subsidie wordt berekend op de loonmassa van het in het eerste lid bedoelde personeel, volgens de hierna vermelde percentages:
- voor het jaar 2001: 0,563 %;
- voor het jaar 2002: 1,169 %;
- voor het jaar 2003 : 1,773 %;
- vanaf het jaar 2004 : 2,380 %;

2° de kost voor de vervangende tewerkstelling, ingevolge de bijkomende verlofdagen met behoud van loon voor de personen vanaf de leeftijd van vijfendertig jaar tot en met vierenveertig jaar.

Deze subsidie wordt berekend op de loonmassa volgens de hierna vermelde percentages:
- voor het jaar 2002: 0,132 %;
- voor het jaar 2003: 0,264 %;
- voor het jaar 2004: 0,396 %;
- vanaf het jaar 2005: 0,740 %;

3° de kost voor de managementondersteuning :
a) voor het jaar 2006 : 121,75 euro per voltijds personeelslid;
b) voor het jaar 2007 : 150,89 euro per voltijds personeelslid;
c) voor het jaar 2008 : 180,02 euro per voltijds personeelslid;
d) voor het jaar 2009 : 209,16 euro per voltijds personeelslid;
e) vanaf het jaar 2010 : 238,30 euro per voltijds personeelslid.

Die subsidie wordt berekend overeenkomstig de maximale personeelsbezetting die in aanmerking komt voor het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen, vermeld in bijlage 2 bij dit besluit.

4° de kost voor de vorming.
Deze subsidie wordt vanaf het jaar 2002 bepaald op 92,61 euro per personeelslid, berekend overeenkomstig de maximum personeelsbezetting die in aanmerking komt voor het subsidiëren van de personeelskosten van de erkende voorzieningen, zoals vastgesteld in bijlage 2 bij dit besluit.

5° de kosten voor de werkdrukverlichting :
a) voor de voorzieningen, georganiseerd door private initiatiefnemers, wordt de subsidie berekend op de loonmassa volgens de onderstaande percentages :
1) voor het jaar 2006 : 0,030 %;
2) voor het jaar 2007 : 0,060 %;
3) voor het jaar 2008 : 0,120 %;
4) voor het jaar 2009 : 0,210 %;
5) vanaf het jaar 2010 : 0,301 %.
b) voor de voorzieningen, georganiseerd door niet-private initiatiefnemers, wordt de subsidie berekend op de loonmassa volgens de onderstaande percentages :
1) voor het jaar 2006 : 0,086 %;
2) voor het jaar 2007 : 0,172 %;
3) voor het jaar 2008 : 0,256 %;
4) voor het jaar 2009 : 0,344 %;
5) vanaf het jaar 2010 : 0,430 %.

Artikel 33. (... - ...)

Onverminderd de toepassing van [artikel 11bis, 13° (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 6, I: 1 januari 2001) ] en met het oog op de toepassing van specifieke tewerkstellingsprogramma's van de overheid kan de Vlaamse minister met betrekking tot de gesubsidieerde personeelsleden bijkomende voorwaarden stellen inzake leeftijd, opleidingsniveau of periode van werkloosheid.

Artikel 34. (... - ...)

Indien eenzelfde personeelslid verscheidene deeltijdse functies vervult, worden deze slechts gesubsidieerd voor maximaal de duur die met een voltijdse betrekking overeenkomt.

Artikel 35. (... - ...)

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 10 van het besluit van 15 december 1993 komen, voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit, de arbeidsdagen als bedoeld in artikel 36 in aanmerking die het personeelslid telt als werknemer in een voltijdse of deeltijdse betrekking, verworven in een voorziening erkend overeenkomstig dit besluit of in een erkende voorziening van de gehandicaptenzorg.

§ 2. Worden met de in § 1 bedoelde arbeidsdagen gelijkgesteld:

A. Voor de directie- en administratief personeel:

1° de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook ter uitvoering van een overeenkomst als bediende;

2° de gepresteerde arbeidsdagen in een administratieve functie in openbare besturen;

3° de gepresteerde arbeidsdagen in een administratieve functie in de door de overheid ingestelde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen.

B. Voor het logistiek personeel:

de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook.

C. Voor het begeleidend personeel en bijzondere functies:

1° de gepresteerde arbeidsdagen ter uitvoering van een overeenkomst als bediende in diensten en voorzieningen die behoren tot de sectoren van de culturele en de persoonsgebonden aangelegenheden, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

2° de gepresteerde arbeidsdagen als lid van het bestuurs-, het onderwijzend of het opvoedend personeel van de door de overheid ingestelde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen;

3° de gepresteerde arbeidsdagen in welke sector ook als maatschappelijk assistent, psycholoog, pedagoog, orthopedagoog, gegradueerde in de orthopedagogie, criminoloog, agoog, opvoeder of lid van het begeleidend personeel, paramedicus of verpleger.

§ 3. De geldelijke anciënniteit wordt berekend vanaf de datum dat het personeelslid, mits het vereiste diploma te bezitten, de minimumleeftijd heeft bereikt voor de uit te oefenen functie zoals bepaald door de Vlaamse minister. Artikel 34 is van overeenkomstige toepassing voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit.

Artikel 36. (... - ...)

Onder arbeidsdagen worden verstaan:

1° de arbeidsdagen zoals omschreven in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

2° de zaterdagen, de zondagen, de vakantiedagen en de wettelijke feestdagen, evenals de vervangingsdagen die hiervoor in de plaats komen;

3° de dagen van inactiviteit die voor het personeel van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap meegerekend worden voor de berekening van de anciënniteit.

Artikel 37. (... - ...)

Voor het berekenen van de subsidieerbare personeelskosten, overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 36, komen volgende salarissen niet in aanmerking:

1° de salarissen, betaald aan de gepensioneerde personeelsleden die krachtens de pensioenwetgeving een niet toegelaten beroepsactiviteit uitoefenen;

2° de salarissen, betaald aan de personeelsleden die worden tewerkgesteld boven de bezetting van de personeelsnormen vastgesteld in onderhavig hoofdstuk;

3° het gedeelte van de salarissen en van de wettelijke patronale lasten, dat de bedragen overschrijdt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 36;

4° het gedeelte van de salarissen en van de wettelijke patronale lasten dat de bedragen overschrijdt die ten laste komen van de openbare besturen voor een volledige dagtaak, behoudens de prestaties verricht in het kader van het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd ten voordele van de personeelsleden.

Artikel 38. (... - ...)

§ 1. Wanneer het totaal aantal verblijfs- en/of begeleidingsdagen, geboekt tijdens twee opeenvolgende jaren, voor elk van deze jaren geen 80 % bereikt van het aantal per erkende voorziening te realiseren verblijfs- en/of begeleidingsdagen, wordt de erkende capaciteit verminderd tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de voorgaande twee jaren.

De in het eerste lid bedoelde 80 % wordt herleid tot 70 % voor de erkende voorzieningen van categorie 3.

§ 2. Wanneer bij toepassing van § 1 de berekende capaciteit lager is dan de vereiste minimumcapaciteit van de categorie waarvoor de voorziening is erkend, worden de subsidieerbare personeelskosten teruggebracht tot de aldus berekende capaciteit in verhouding met deze minimumcapaciteit.

AFDELING 3 SUBSIDIES VOOR HET VERBLIJF VAN DE MINDERJARIGEN

Artikel 39. (01/01/2014- ...)

§ 1. Om de uitgaven te vergoeden met betrekking tot het verblijf van de minderjarigen die zelfstandig wonen, evenals voor het verblijf van de minderjarigen in een voorziening van categorie 1 tot 4, worden aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 4 en 6 per minderjarige en per dag subsidies toegekend overeenkomstig de tarieven bepaald in bijlage 3 bij dit besluit.

Er wordt slechts één dag aangerekend voor de dag van de opname en de dag van het ontslag: hij wordt bestempeld als dag van de opname. De Vlaamse minister kan bepaalde dagen afwezigheid met werkelijke aanwezigheid gelijkstellen.

§ 2. De subsidies voorzien in § 1 worden niet uitbetaald voor de personen die zelfstandig wonen, tenzij na uitputting van de procedure waaruit blijkt dat de betrokkene geen recht heeft op het bestaansminimum en niet over voldoende eigen inkomsten beschikt. De Vlaamse minister bepaalt de wijze waarop aan de voorziening voorschotten worden verleend gedurende de tijd dat de procedure loopt.

De subsidies, vermeld in §1, die uitbetaald worden voor de personen, vermeld in artikel 1, punt 3°, b), die zelfstandig wonen, worden verminderd met de eigen inkomsten waarover de betrokkene beschikt. Voor inkomsten uit arbeid geldt op die vermindering een vrijstelling als vermeld in artikel 35, §1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

§ 3. ...

§ 4. ...

§ 5. ...

Artikel 40. (01/01/2014- ...)

Aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 worden subsidies toegekend om aan de minderjarigen zakgeld te betalen, waarvan de tarieven bepaald zijn in bijlage 4 bij dit besluit.

De betaling van het zakgeld wordt door de voorziening gestaafd aan de hand van een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.

De in het eerste lid bedoelde subsidies worden niet verleend voor de minderjarigen die zelfstandig wonen of die over een maandelijkse netto-inkomen beschikken van meer dan 5 000 fr.

AFDELING 4 SUBSIDIES VOOR DE WERKING EN DE INFRASTRUCTUUR

Artikel 41. (01/01/2014- ...)

§ 1. Subsidies om de uitgaven voor de werking en de infrastructuur te vergoeden, worden per maand toegekend aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 6, overeenkomstig de tarieven bepaald in bijlage 5 bij dit besluit.

§ 2. Indien de toepassing van artikel 38, § 1 een inkrimping van de capaciteit tot gevolg heeft, worden de subsidies bedoeld in § 1 in eenzelfde mate teruggebracht.

AFDELING 5 SUBSIDIES VOOR BIJZONDERE KOSTEN

Artikel 42. (01/01/2014- ...)

§ 1. Aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 kunnen subsidies worden toegekend om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot de aan de minderjarigen verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging.

§ 2. Aan de voorzieningen van categorie 3 kunnen, onder de voorwaarden bepaald in artikel 44 eveneens subsidies worden toegekend om de kosten te vergoeden voor het herstellen van schade veroorzaakt door minderjarigen in crisissituatie.

§ 3. De Vlaamse minister kan in uitzonderlijke omstandigheden, met het oog op het behoud of het herstellen van de fysieke of psychische integriteit van de betrokken minderjarige, aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 subsidies verlenen voor bijzondere uitgaven waarin de vorige paragrafen niet hebben voorzien.

§ 4. Geen enkele subsidie voor bijzondere kosten kan worden verleend:
1° als een natuurlijk of rechtspersoon, wettelijk-, bij overeenkomst of ingevolge een rechterlijke beslissing tot de betaling of de terugbetaling van die kosten is gehouden;
2° als de kosten het gevolg zijn van een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid van een personeelslid van de voorziening.

§ 5. Voor elke aanvraag van een subsidie voor bijzondere kosten geldt een vrijstelling van 1000 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht was op 1 januari 2009.

Artikel 43. (... - ...)

De buitengewone medische of paramedische verzorgingen worden betaald of terugbetaald naar rata van de bedragen vastgesteld door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Bij opname in het ziekenhuis komt enkel het verblijf in een gemeenschappelijke kamer voor subsidiëring in aanmerking, tenzij het verblijf in een afzonderlijke kamer wegens uitzonderlijke omstandigheden verantwoord is.

Artikel 44. (... - ...)

Voor elk schadegeval bedoeld in artikel 42, § 2 moeten de navolgende documenten worden overgelegd:

1° een omstandig verslag van de feiten, opgesteld door de directie van de voorziening, dat de crisissituatie staaft;

2° een becijferde inventaris van de beschadigingen.

Onverminderd de toepassing van artikel 45, tweede lid, worden de gemaakte kosten slechts vergoed na advies van de inspectiedienst van [de administratie. (verv. B.V.R. 8 december 1998, art. 1, I: 1 januari 1999) ]

Artikel 45. (01/07/2010- ...)

De voorziening die een subsidie wil krijgen voor bijzondere kosten zendt daartoe een gemotiveerde aanvraag, met een advies van de verwijzende instantie, naar de administratie die de aanvraag ter beslissing voorlegt aan de administrateur-generaal.

De bijzondere kosten worden pas betaald of terugbetaald nadat een factuur of een ander verantwoordingsstuk is voorgelegd.

[AFDELING 5BIS SUBSIDIES VOOR BIJKOMENDE ERKENNINGEN (ing. BVR 25 juni 2010, art. 13)]

Artikel 45bis. (01/01/2015- ...)

De voorzieningen van categorie 1, vermeld in artikel 3, § 4, ontvangen per capaciteitseenheid die vrijgehouden wordt om uitsluitend minderjarigen te begeleiden die uit een gemeenschapsinstelling komen, een forfaitair bedrag van 12.073,33 euro op jaarbasis. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 januari 2015.

[AFDELING 5TER SUBSIDIES VOOR DE MULTIFUNCTIONELE CENTRA (ing. BVR 25 juni 2010, art. 13)]

Artikel 45ter. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 45quater. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 45quinquies. (01/01/2013- ...)

...

AFDELING 6 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 46. (01/01/2014- ...)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de begeleidingen door de begeleidingstehuizen en dagcentra, gerealiseerd tijdens de nazorg niet als onderhouds- of begeleidingsdagen in aanmerking genomen.

Artikel 47. (... - ...)

§ 1. [Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de oriëntaties en de observaties die in ambulant verband worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 15, 3°, als begeleidingsdagen in aanmerking genomen. (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 8, I: 1 januari 2001) ]

§ 2. Een opname bedoeld in de punten 1° en 2° van artikel 6 wordt slechts gesubsidieerd gedurende maximum tien werkdagen.

Artikel 48. (... - ...)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden, wat de begeleiding betreft van minderjarigen thuis door de thuisbegeleidingsdiensten, de minderjarigen die tot eenzelfde gezin behoren slechts voor één minderjarige in aanmerking genomen.

[AFDELING 6BIS FORFAITAIRE SUBSIDIERING (ing. BVR 16 januari 2009, art.11)]

Artikel 48bis. (01/01/2016- ...)

§ 1. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling ontvangt een forfaitaire subsidie op basis van een aantal punten dat vastgelegd is bij de erkenning.

§ 2. Het aantal punten, vermeld in paragraaf 1, waarvoor een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling op 1 januari 2016 erkend is, wordt vastgesteld, binnen de begrotingskredieten, op basis van het aantal dossiers dat in 2014 gerealiseerd is in het werkgebied dat de dienst met toepassing van artikel 24, § 2, als werkgebied heeft.

Als met toepassing van artikel 24, § 2, verschillende diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandelingen hetzelfde werkgebied hebben, vormt het aantal dossiers van dat werkgebied, gedeeld door het aantal diensten dat in het werkgebied actief is, de basis om het aantal punten vast te stellen waarvoor elke betrokken dienst erkend is.

§ 3. Om het aantal punten, vermeld in paragraaf 1, te bepalen, worden de afhandelingsvormen als volgt geteld:
1° twee punten voor elke herstelbemiddeling waarvoor de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding van een minderjarige heeft gedaan;
2° drie punten voor elke gemeenschapsdienst waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan;
3° vijf punten voor elk leerproject van twintig uur waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan;
4° negen punten voor elk leerproject van veertig uur waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan;
5° vijf punten voor elk herstelgericht groepsoverleg waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan.

§ 4. Als de som van de punten van het effectieve aantal behandelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld conform paragraaf 3, twee jaar na elkaar minder dan 80% bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar ambtshalve verminderd tot 110% van het gemiddelde van de voorbije twee jaar.

§ 5. Als de som van de punten van het effectieve aantal behandelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld conform paragraaf 3, twee jaar na elkaar meer dan 105% bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar verhoogd tot het gemiddelde van de voorbije twee jaar.

§ 6. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling waarvan het puntenaantal van het effectieve aantal behandelde dossiers minimaal 85% van het erkende puntenaantal bedraagt, kan een innovatief project inzetten met het verschil in punten tussen de erkenning en de effectief ingezette punten.

In het eerste lid wordt verstaan onder een innovatief project: een tijdelijk initiatief, dat vertrekt uit de doelgroep of de kernopdracht van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, dat zorgvernieuwing stimuleert en dat gekoppeld is aan evaluatie.

§ 7. De wijze waarop een voorziening van categorie 8 vorm geeft aan een innovatief project als vermeld in paragraaf 6, wordt vastgelegd in een convenant dat gesloten wordt met de administratie.

§ 8. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling ontvangt per punt waarvoor hij erkend is, een forfaitaire subsidie van 534,57 euro.

Per jaar dat de gemiddelde anciënniteit van de gesubsidieerde personeelsleden van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling hoger ligt dan vijf jaar, wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, per punt verhoogd met 11,61 euro.

Om de gemiddelde anciënniteit, vermeld in het tweede lid, te bepalen, wordt jaarlijks de situatie op 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

Bij inrichtende machten waaraan erkenning is verleend voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg of een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader, geldt de gemiddelde anciënniteit, vermeld in het tweede lid, van de gesubsidieerde personeelsleden van de verschillende voorzieningen.

De bedragen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 januari 2016.

§ 9. Minimaal 70% van de subsidie, vermeld in paragraaf 8, moet worden aangewend voor personeelskosten.

§ 10. De personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag worden gesubsidieerd aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 11. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling kan het gedeelte van de toegekende subsidie dat de kosten, die gemaakt zijn om de opdracht uit te voeren waarvoor hij erkend is, overschrijdt, aanwenden om reserves van maximaal 20% van het subsidiebedrag aan te leggen.

De totale gecumuleerde reserves kunnen, met uitzondering van het sociaal passief, maximaal 50% van het subsidiebedrag van de laatste subsidieperiode bedragen.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.

Artikel 48ter. (01/01/2009- ...)

De voorzieningen van categorie 9 ontvangen voor het geheel van hun werking een forfaitaire subsidie per erkende begeleiding.

Een voorziening van categorie 9 wordt op jaarbasis maximaal gesubsidieerd voor het aantal begeleidingen waarvoor ze is erkend. Als het totale aantal begeleidingen, opgestart tijdens twee opeenvolgende jaren, voor elk van die jaren geen 80 % bereikt van het aantal begeleidingen waarvoor de voorziening is erkend, dan wordt de toegekende forfaitaire subsidie verminderd tot 110 % van het gemiddelde van het aantal begeleidingen in de voorgaande twee jaren.

Minimaal 80 % van het bedrag van de forfaitaire subsidie moet aangewend worden voor personeelskosten.

De forfaitaire subsidie wordt vastgelegd overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.

AFDELING 7 VASTSTELLING, VEREFFENING EN FINANCIELE CONTROLE OP HET AANWENDEN VAN DE SUBSIDIES

Artikel 49. (01/01/2014- ...)

§ 1. Het bedrag van de totale kosten, vastgesteld met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, wordt verminderd met de bedragen die de voorziening van de openbare besturen of de door hen gesubsidieerde instellingen heeft ontvangen om uitgaven te dekken waarvoor zij met toepassing van dit besluit aanspraak kan maken op subsidies.

§ 2. De subsidies aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 worden verminderd met alle andere bedragen die uitgekeerd worden voor de minderjarigen.

Artikel 50. (... - ...)

Voor het vereffenen van de subsidies dienen de voorzieningen een aangifte in, overeenkomstig het model en binnen de termijnen vastgesteld door de Vlaamse minister.

Hierbij worden de bewijsstukken gevoegd, die de uitgaven staven waarvoor subsidies worden verleend.

De personeelskosten worden bewezen door stortingen bij een organisatie van sociale zekerheid of bij een pensioenkas, aangevuld met de werkgeversattesten, of op de wijze door de Vlaamse minister bepaald.

Artikel 51. (... - ...)

Maandelijks worden voorschotten uitgekeerd, berekend op één twaalfde van de geraamde, subsidieerbare, jaarlijkse kosten.

De definitieve vaststelling van de subsidies gebeurt door het bepalen van een regularisatiebedrag, na het kalenderjaar tijdens hetwelk de in het eerste lid bedoelde voorlopige twaalfden aan de voorziening werden uitgekeerd.

Bij een batige vereffening in hoofde van het fonds, kan de Vlaamse minister aan de voorziening toestemming verlenen het verschuldigde bedrag in maandelijkse schijven terug te betalen over een periode van maximaal één jaar.

Artikel 52. (... - ...)

[... (opgeh. B.V.R. 8 december 2000, art. 13, I: 1 januari 2001) ]

Artikel 53. (... - ...)

Personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap, ter beschikking gesteld van het fonds, houden toezicht op de boekhouding van de voorzieningen en op de aanwending van de subsidies.

Zij kunnen onder meer op stukken of ter plaatse kennis nemen van alle toestandsopgaven, comptabiliteitsbescheiden en andere verantwoordingsstukken. Zij kunnen hun onderzoekingen zelfs buiten het jaarlijks kader van het lopend beheer uitbreiden.

[HOOFDSTUK IVbis EXPERIMENTEEL MODULAIR KADER (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

[AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53bis. (01/01/2013- ...)

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 3 kan de administrateur-generaal een erkenning verlenen voor organisaties voor bijzondere jeugdzorg.

§ 2. Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg organiseert haar aanbod op basis van de typemodules, vermeld in bijlage 9.

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die erkend is om modules contextbegeleiding en modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen aan te bieden, kan, op basis van de reële noden van de gebruikers, zelf de verhouding tussen het effectieve aantal ingezette modules contextbegeleiding en contextbegeleiding in functie van autonoom wonen bepalen, voor zoverre dat de som van het aantal ingezette modules niet hoger is dan de som van het aantal modules contextbegeleiding en het aantal modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen waarvoor zij erkend is.

§ 3. Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die erkend is om modules verblijf aan te bieden en die, met toepassing van artikel 13, 2°. tot uitputting van de capaciteit uitsluitend minderjarigen opneemt vanaf de leeftijd van twaalf jaar, kan een bijkomende erkenning krijgen om voor een gedeelte van haar modules uitsluitend minderjarigen te begeleiden die rechtstreeks uit een gemeenschapsinstelling komen.

Artikel 20bis is van overeenkomstige toepassing op een organisatie voor bijzondere jeugdzorg.

§ 4. Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg waarvan de bezetting 85 % overschrijdt, kan die overschreden capaciteit flexibel of innovatief inzetten. De manier waarop dat gebeurt, wordt vastgelegd in het convenant vermeld in artikel 53octies.

[AFDELING 2 ERKENNINGSVOORWAARDEN (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53ter. (01/01/2013- ...)

Artikel 11 tot en met 12quater zijn van toepassing om als organisatie voor bijzondere jeugdzorg erkend te worden.

Artikel 53quater. (01/01/2013- ...)

Organisaties voor bijzondere jeugdzorg moeten aan de volgende bijzondere voorwaarden voldoen :
1° een organisatie voor bijzondere jeugdzorg vertaalt hulpverlening in cliënttrajecten, waarbij modules naadloos worden ingezet in functie van een evoluerende hulpvraag. Naargelang van de noden in een individueel traject kunnen modules gecombineerd worden;
2° de organisatie voor bijzondere jeugdzorg bekijkt op regelmatige basis of de georganiseerde hulp nog aansluit bij de noden van de betrokken personen. Als vraagverheldering resulteert in de behoefte tot wijziging van een traject, wordt, na overleg met alle betrokken partijen, het traject bijgesteld;
3° in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg wordt voor elke cliënt een interne regie geactiveerd, die het verloop van het traject binnen de organisatie voor bijzondere jeugdzorg opvolgt, alle betrokken partijen op de hoogte houdt en de naadloosheid en eenduidigheid van het traject garandeert;
4° de organisatie voor bijzondere jeugdzorg coördineert op organisatieniveau het beheer van het aanbod, waardoor naadloze schakelingen in de trajecten mogelijk zijn en breukmomenten vermeden worden;
5° de organisatie voor bijzondere jeugdzorg communiceert openstaande modules aan de administratie.

Artikel 53quinquies. (01/01/2013- ...)

Organisaties die erkend zijn om een module verblijf aan te bieden moeten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13, 4° tot en met 11°.

[AFDELING 3 ERKENNINGSPROCEDURE (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53sexies. (01/01/2013- ...)

Elke inrichtende macht die minderjarigen in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg wil opnemen of begeleiden, moet die organisatie voor bijzondere jeugdzorg vooraf laten erkennen, volgens de regels vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.

Een erkenning of een verlenging van een erkenning kan alleen worden verleend :
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° voor zover de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Een aanvraag tot erkenning als organisatie voor bijzondere jeugdzorg of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk :
1° als de inrichtende macht de aanvraag bij de administratie indient met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de typemodules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) het aantal modules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
d) per module de leeftijdscategorie en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
e) de verschillende afdelingen waaruit de organisatie voor bijzondere jeugdzorg zal bestaan;
f) het maximum aantal minderjarigen dat de organisatie voor bijzondere jeugdzorg per afdeling zal opnemen en/of begeleiden;
g) het pedagogische profiel van de organisatie voor bijzondere jeugdzorg en van de modules, met bijzondere aandacht voor de bepalingen, vermeld in artikel 53quater;
h) voor de organisaties voor bijzondere jeugdzorg die modules verblijf willen aanbieden met toepassing van artikel 13, 2° : het maximum aantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
i) voor de organisaties voor bijzondere jeugdzorg die modules met verblijf willen aanbieden met toepassing van artikel 13, 2°, en die een deel van hun modules uitsluitend willen inzetten voor minderjarigen die rechtstreeks uit een gemeenschapsinstelling komen : het aantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd.

De procedure, vermeld in artikel 25 tot en met 26decies is voor het overige van toepassing.

[AFDELING 4 SUBSIDIËRING (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53septies. (01/01/2013- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 27 tot en met 45, bepaalt deze afdeling de subsidiëring van de organisaties voor bijzondere jeugdzorg.

§ 2. Voor de uitvoering van haar opdrachten ontvangen organisaties voor bijzondere jeugdzorg per module waarvoor ze erkend zijn, een forfaitaire subsidie, als vermeld in bijlage 10.

§ 3. De subsidiëring van de personeelskosten die voortvloeien uit toepassing van het koninklijk besluit van 7 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag gebeurt aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 4. Aan de organisaties voor bijzondere jeugdzorg worden subsidies toegekend om aan minderjarigen, bij wie een module met de functie verblijf geactiveerd is, zakgeld te betalen, waarvan de tarieven vermeld zijn in bijlage 4.

De betaling van het zakgeld wordt door de organisatie voor bijzondere jeugdzorg gestaafd aan de hand van een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden niet verleend voor de minderjarigen die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer dan 190,72 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 juli 2012.

§ 5. Voor personen die begeleid worden met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, kan, na uitputting van de procedure waaruit blijkt dat de betrokkene geen recht heeft op het leefloon en niet over voldoende eigen inkomsten beschikt, een subsidie worden uitbetaald die 1/365 bedraagt van het bedrag, vermeld in artikel 14, § 1, 2°. van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. De Vlaamse minister bepaalt de wijze waarop aan de organisatie voor bijzondere jeugdzorg voorschotten worden verleend gedurende de periode waarin de procedure loopt.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden verminderd met de eigen inkomsten waarover de betrokkene beschikt. Voor inkomsten uit arbeid geldt op die vermindering een vrijstelling als vermeld in artikel 35, § 1. van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op sociale integratie.

§ 6. Aan organisaties voor bijzondere jeugdzorg kan, met toepassing van artikel 42, een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone en medische en paramedische verzorging aan minderjarigen bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is.

§ 7. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 10, wordt jaarlijks de situatie van 1 januari van het betrokken jaar als basis genomen.

§ 8. Minimaal 70 % van de subsidie moet aangewend worden voor personeelskosten.

§ 9. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel moet in begeleidende functies worden ingezet.

§ 10. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

§ 11. Als een organisatie voor bijzondere jeugdzorg twee jaar na elkaar een bezetting van minder dan 80 % haalt, wordt de som van het gewicht van de modules waarvoor ze een erkenning heeft, teruggebracht tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de voorgaande twee jaren.

§ 12. Organisaties voor bijzondere jeugdzorg als vermeld in artikel 53bis, § 3, ontvangen per module verblijf die vrijgehouden wordt om uitsluitend minderjarigen te begeleiden die rechtstreeks uit een gemeenschapsinstelling komen, een forfaitair bedrag van 11.750,25 euro op jaarbasis. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 juli 2012.

§ 13. Als de som van de subsidie meer bedraagt dan de reële uitgaven voor verblijfskosten, werkings- en infrastructuurkosten en personeelskosten, moet de organisatie voor bijzondere jeugdzorg met het saldo reserves opbouwen.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, worden aangewend om uitgaven te financieren die ertoe bijdragen om de opdrachten van de organisatie voor bijzondere jeugdzorg uit voeren.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, die na het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan 50 % van de jaarlijkse subsidie, worden ten belope van het bedrag dat de 50 % van de jaarlijkse subsidie overschrijdt, teruggestort aan de administratie.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede en derde lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.

[AFDELING 5 OPVOLGING EN EVALUATIE (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53octies. (01/01/2013- ...)

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg sluit, uiterlijk twee maanden na het verkrijgen van de erkenning als organisatie voor bijzondere jeugdzorg, met de administratie een convenant, die minimaal de volgende elementen bevat :
1° het werkgebied waarbinnen de organisatie voor bijzondere jeugdzorg actief is;
2° de wijze waarop de organisatie vorm geeft aan de ruimte ontstaan voor flexibiliteit en innovatie als vermeld in artikel 53bis, § 4;
3° de wijze waarop de organisatie voor bijzondere jeugdzorg meewerkt aan de opvolging en het evaluatierapport, vermeld in artikel 53novies;
4° de wijze waarop de organisatie voor bijzondere jeugdzorg haar werking en activiteiten registreert.

Artikel 53novies. (01/01/2013- ...)

De administratie legt uiterlijk op 1 maart 2014 een globaal evaluatierapport van de organisaties voor bijzondere jeugdzorg aan de Vlaamse Regering voor. Dit evaluatierapport bevat minimaal :
• de budgettaire implicaties op sector- en organisatieniveau;
• een overzicht van het gebruik van de modules;
• de inhoudelijke en organisatorische implicaties op organisatieniveau;
• desgevallend voorstellen ter optimalisering van de regelgeving.

[AFDELING 6 OVERGANGSBEPALING (ing. BVR 11 januari 2013, art. 2, I: 1 januari 2013)]

Artikel 53decies. (01/01/2013- ...)

In geval van positieve evaluatie door de Vlaamse Regering van het in artikel 53novies vermelde evaluatierapport worden uiterlijk op 31 december 2014 de erkende voorzieningen van de categorieën 1, 2 en 4 tot en met 6 erkend als organisaties voor bijzondere jeugdzorg.

De Vlaamse minister bepaalt met betrekking tot het eerste lid de nadere modaliteiten.

Artikel 53undecies. (01/01/2013- ...)

Het aantal verblijfsmodules waarvoor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg wordt erkend die voordien als begeleidingstehuis werd erkend, bedraagt maximaal elf twaalfde van de capaciteit van dit begeleidingstehuis.

De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing op de capaciteit van begeleidingstehuizen die uitsluitend erkend is voor de opvang van minderjarigen tot de leeftijd van 12 jaar.

[HOOFDSTUK IVter CENTRA VOOR INTEGRALE GEZINSZORG (ing. BVR 14 februrai 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]

[Afdeling 1 Algemene bepalingen (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53duodecies. (01/01/2014- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 3 kan de administrateur-generaal een erkenning verlenen aan centra voor integrale gezinszorg.

Centra voor integrale gezinszorg zijn voorzieningen die zorgen voor de begeleiding en het verblijf van ouders, al dan niet alleenstaand, en hun kinderen en aanstaande ouders, van wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komt of al verstoord is.

De opvang en begeleiding van de centra voor integrale gezinszorg is gericht op het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en heeft finaal als doel de maatschappelijke integratie.

Artikel 53ter decies. (01/01/2014- ...)

Centra voor integrale gezinszorg worden erkend op basis van de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week, vermeld in bijlage 9.

Centra voor integrale gezinszorg waarvan de bezetting 85 % overschrijdt, kunnen die overschreden capaciteit flexibel of innovatief inzetten. De manier waarop dat gebeurt, wordt vastgelegd in een convenant, als vermeld in artikel 53-octies.

[Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53quater decies. (01/01/2014- ...)

De centra voor integrale gezinszorg moeten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 11, 3° tot en met 21°, artikel 11bis tot en met 12ter, artikel 13, 4° tot en met 10°, en artikel 53quater. Bovendien moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° de centra voor integrale gezinszorg begeleiden uitsluitend of nemen uitsluitend (aanstaande) ouders en hun kinderen op;
2° de centra voor integrale gezinszorg vorderen voor elke verblijfsdag een financiële bijdrage van de (aanstaande) ouder die in het centrum voor integrale gezinszorg verblijft, als deelname in de kosten van het verblijf, conform artikel 53sexiesdecies, § 11;
3° de centra voor integrale gezinszorg kunnen minderjarigen opnemen of begeleiden boven hun erkende capaciteit. De gemiddelde bezettingsgraad mag op jaarbasis echter niet meer bedragen dan 110 % .

[Afdeling 3 Erkenningsprocedure (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53quinquies decies. (01/01/2014- ...)

Elke inrichtende macht die een centrum voor integrale gezinszorg wil uitbaten, laat dat centrum voor integrale gezinszorg vooraf erkennen, volgens de regels, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.

Een erkenning of een verlenging van een erkenning kan alleen worden verleend :
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° voor zover de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Een aanvraag tot erkenning als centrum voor integrale gezinszorg of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk :
1° als de inrichtende macht de aanvraag bij de administratie indient met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) het aantal modules, dat behoort tot de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week, vermeld in bijlage 9, waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) de verschillende afdelingen waaruit het centrum voor integrale gezinszorg zal bestaan;
d) het maximale aantal gebruikers dat het centrum voor integrale gezinszorg per afdeling kan opnemen;
e) het pedagogische profiel van het centrum voor integrale gezinszorg en van de modules, met bijzondere aandacht voor de bepalingen, vermeld in artikel 53quater.

De procedure, vermeld in artikel 25 tot en met 26decies, is voor het overige van toepassing.

[Afdeling 4 Subsidiëring (ing. BVR 14 februari 2014, art. 10, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53sexies decies. (01/01/2015- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 27 tot en met 45, bepaalt deze afdeling de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 10.

§ 2.Voor de uitvoering van zijn opdrachten ontvangt een centrum voor integrale gezinszorg per module waarvoor het erkend is, een forfaitaire subsidie, die 88,1 % bedraagt van de bedragen, vermeld in bijlage 10.

Alleen de modules die ingezet worden voor minderjarigen, komen voor subsidiëring in aanmerking. Voor de subsidiëring van modules verblijf, wordt een zwangere minderjarige als twee personen geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Voor de subsidiëring van modules contextbegeleiding, wordt bij een mobiele begeleiding slechts één module per gezin geteld.

§ 3. De subsidiëring van de personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag gebeurt aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 4. Aan een centrum voor integrale gezinszorg kan, met toepassing van artikel 42, een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan gebruikers bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is.

§ 5. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 10, wordt jaarlijks de situatie op 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

Bij inrichtende machten waaraan erkenning is verleend voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg of voor een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wordt de anciënniteitscorrectie voor de verschillende voorzieningen berekend op basis van het gemiddelde van de verschillende voorzieningen.

§ 6. Minimaal 70 % van de subsidie wordt aangewend voor personeelskosten.

§ 7. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt in begeleidende functies ingezet.

§ 8. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

§ 9. Als een centrum voor integrale gezinszorg twee jaar na elkaar een bezetting van minder dan 80 % haalt, wordt de som van het gewicht van de modules waarvoor het erkend is, teruggebracht tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de twee voorgaande jaren.

Alleen de modules die ingezet worden voor minderjarigen, komen in aanmerking voor de vaststelling van de bezetting.

Voor de bezetting van modules verblijf, wordt een zwangere minderjarige als twee personen geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Voor de bezetting van modules contextbegeleiding, wordt bij mobiele begeleidingen slechts één module per gezin geteld.

§ 10. Als de som van de subsidie meer bedraagt dan de reële uitgaven voor verblijfskosten, werkings- en infrastructuurkosten en personeelskosten, moet het centrum voor integrale gezinszorg met het saldo reserves opbouwen.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, worden aangewend om uitgaven te financieren die ertoe bijdragen om de opdrachten van het centrum voor integrale gezinszorg uit te voeren.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, die na het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan 50 % van de jaarlijkse subsidie, worden voor het bedrag dat 50 % van de jaarlijkse subsidie overschrijdt, teruggestort aan de administratie.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede en derde lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.

§ 11. De bijdrage, vermeld in artikel 53quater decies, wordt bepaald op basis van het actuele maandinkomen van de (aanstaande) ouders. Als beide ouders van een gezin in het centrum voor integrale gezinszorg verblijven, wordt het gezamenlijke actuele maandinkomen in aanmerking genomen.

Die bijdrage bedraagt 25 % van het leefloon dat de (aanstaande) ouders ontvangen of dat ze zouden ontvangen, als ze niet over andere inkomsten beschikken.

Als de (aanstaande) ouders een inkomen, geheel of gedeeltelijk, uit arbeid ontvangen, wordt de bijdrage verhoogd met 15 % van het gedeelte van het inkomen dat het leefloon overstijgt.

De centra voor integrale gezinszorg expliciteren de modaliteiten van die bijdrage in transparante procedures en huishoudelijke reglementen die aan de gebruikers worden gecommuniceerd.

Als opgenomen personen weigeren om de bewijsstukken die nodig zijn om de cliëntbijdrage te bepalen, over te leggen, kan het centrum zelf de gepaste bijdrage bepalen.

[HOOFDSTUK IVquater ONTHAAL-, ORIENTATIE- EN OBSERVATIECENTRA IN EEN MODULAIR KADER (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]

[Afdeling 1. - Algemene bepalingen (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53septies decies. (01/01/2014- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 3 kan de administrateur-generaal een erkenning verlenen voor onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader.

Artikel 53duodevicies. (01/01/2014- ...)

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader zijn inrichtingen die voor het ene gedeelte van hun totale capaciteit uitsluitend minderjarigen moeten opnemen voor diagnostiek, als vermeld in artikel 2, § 1, 12°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp en voor het andere gedeelte van hun capaciteit, voorlopig en voor een korte termijn, op alle uren van de dag en de nacht, uitsluitend :
1° personen beneden de leeftijd van achttien jaar moeten opnemen die door de politionele overheden niet kunnen worden teruggebracht bij de personen die hen onder hun bewaring hebben, en die noch onmiddellijk voor het parket kunnen worden gebracht;
2° personen beneden de leeftijd van achttien jaar moeten opnemen die niet onmiddellijk door het parket naar de jeugdrechtbank kunnen worden verwezen;
3° minderjarigen moeten opnemen voor wie naar gepaste hulp en bijstand wordt gezocht.

Artikel 53undevicies. (01/01/2014- ...)

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader worden erkend op basis van de typemodules handelingsgerichte diagnostiek, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week in het kader van diagnostiek, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week in het kader van diagnostiek en kortdurend (crisis)verblijf, vermeld in bijlage 9.

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader waarvan de bezetting 75 % overschrijdt, kan die overschreden capaciteit flexibel of innovatief inzetten. De manier waarop dat gebeurt, wordt vastgelegd in het convenant, vermeld in artikel 53octies.

[Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53vicies. (01/01/2014- ...)

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader moeten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 11, 1° tot en met 10°, en 12° tot en met 21°, artikel 11bis tot en met artikel 12ter, artikel 13, 4° tot en met 11°, en artikel 53quater. Bovendien moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie wordt diagnostiek in residentieel of mobiel verband uitgevoerd;
2° het team dat belast is met de diagnostiek van de minderjarigen, is multidisciplinair samengesteld en bestaat minimaal uit een master in de psychologische of pedagogische wetenschappen en een bachelor in het sociaal werk;
3° het centrum verwittigt de eerstkomende werkdag de bevoegde verwijzende instantie en binnen vierentwintig uur de procureur des Konings van het betrokken rechtsgebied van elke opname, vermeld in artikel 6, 1°;
4° een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader dat het vanuit zijn pedagogisch concept noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of in hun vrijheid te beperken, om hun veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een door de administratie goedgekeurd huishoudelijk reglement. In dat reglement worden minstens de volgende elementen beschreven : de inrichting van de beveiligingskamer, het aanleggen van een beveiligingsdossier voor elke beveiliging die zich voordoet, de duur van de beveiligingssituatie en het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de betrokken minderjarige. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen;
5° elke minderjarige wordt na zijn opname medisch onderzocht;
6° een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader hanteert actuele en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten om zijn diagnostische opdracht uit te voeren.

[Afdeling 3 Erkenningsprocedure (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53vicies semel. (01/01/2014- ...)

Elke inrichtende macht die een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wil uitbaten, laat dat onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader vooraf erkennen, volgens de regels vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.

Een erkenning of een verlenging van een erkenning kan alleen worden verleend :
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° als de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Een aanvraag tot erkenning als onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk :
1° als de inrichtende macht de aanvraag bij de administratie indient met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de typemodules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) het aantal modules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
d) per module de leeftijdscategorie en het geslacht van de minderjarigen voor wie erkenning wordt gevraagd;
e) de verschillende afdelingen waaruit het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader zal bestaan;
f) het maximale aantal minderjarigen dat het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader per afdeling zal opnemen of begeleiden;
g) het pedagogische profiel van het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader.

De procedure, vermeld in artikel 25 tot en met 26decies, is voor het overige van toepassing.

[Afdeling 4 Subsidiëring (ing. BVR 14 februari 2014, art. 11, I: 1 januari 2014)]

Artikel 53vicies bis. (01/01/2014- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 27 tot en met 45, bepaalt deze afdeling de subsidiëring van de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 10.

§ 2. Voor de uitvoering van hun opdrachten ontvangen onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader per module waarvoor ze erkend zijn, een forfaitaire subsidie, vermeld in bijlage 10.

§ 3. De subsidiëring van de personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag gebeurt aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 4. Aan de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader worden subsidies toegekend om aan minderjarigen, bij wie een module met de functie verblijf geactiveerd is, zakgeld te betalen, waarvan de tarieven zijn opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.

De betaling van het zakgeld wordt door het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader gestaafd aan de hand van een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden niet verleend voor de minderjarigen die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer dan 190,72 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 juli 2012.

§ 5. Aan onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader kan, met toepassing van artikel 42, een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan minderjarigen bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is, en om, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 44, de kosten te vergoeden voor het herstel van schade, veroorzaakt door minderjarigen in een crisissituatie.

§ 6. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 10, wordt jaarlijks de situatie van 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

Bij inrichtende machten waaraan erkenning is verleend voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg of voor een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wordt de anciënniteitscorrectie voor de verschillende voorzieningen berekend op basis van het gemiddelde van de verschillende voorzieningen.

§ 7. Minimaal 70 % van de subsidie wordt aangewend voor personeelskosten.

§ 8. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt in begeleidende functies ingezet.

§ 9. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

§ 10. Als een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader twee jaar na elkaar een bezetting van minder dan 70 % haalt, wordt de som van het gewicht van de modules waarvoor het een erkenning heeft, teruggebracht tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de twee voorgaande jaren.

§ 11. Als de som van de subsidie meer bedraagt dan de reële uitgaven voor verblijfskosten, werkings- en infrastructuurkosten en personeelskosten, bouwt het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader met het saldo reserves op.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, worden aangewend om uitgaven te financieren die ertoe bijdragen om de opdrachten van het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader uit voeren.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, die na het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan 50 % van de jaarlijkse subsidie, worden voor het bedrag dat de 50 % van de jaarlijkse subsidie overschrijdt, teruggestort aan de administratie.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede en derde lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.

HOOFDSTUK V NIET-ERKENDE VOORZIENINGEN EN PROJECTEN

Artikel 54. (28/02/2014- ...)

§ 1. Enkel voor wat betreft de toelating om minderjarigen op te nemen, worden de volgende voorzieningen gelijksteld met erkende voorzieningen:
1° de voorzieningen erkend in het kader van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° de voorzieningen erkend in het kader van het decreet van 29 mei 1984 houdende de oprichting van de instelling Kind en Gezin of het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
3° de ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen;
4° de voorzieningen die buiten het Nederlands taalgebied zijn gelegen en waarvoor een overeenkomst werd gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
5° de schoolinternaten.

§ 2. De in § 1 bedoelde gelijkstelling kan worden ingetrokken na gemotiveerd advies van de inspectiedienst van de administratie of van de betrokken sector.

Artikel 55. (01/07/2010- ...)

§ 1. De residentiële voorzieningen, vermeld in artikel 54, § 1, 3° en 5°, kunnen, nadat ze een factuur of ander verantwoordingsstuk hebben voorgelegd, per minderjarige subsidies ontvangen voor de noodzakelijke kosten die verbonden zijn aan het verblijf, met een maximum per dag overeenkomstig het tarief vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

De Vlaamse minister kan subsidies verlenen aan de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, om aan de minderjarigen zakgeld te betalen overeenkomstig artikel 40.

§ 2. Artikel 27, 29, § 1, artikel 50 en 51, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Er worden geen subsidies toegekend als er al door andere instanties wordt gesubsidieerd of als overheidskredieten ter beschikking worden gesteld voor het onderhoud van de minderjarigen.

De beperking, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de psychiatrische ziekenhuizen.

Artikel 56. (01/01/2014- ...)

§ 1. Voor de organisatie en coördinatie van een project, vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 7 maart 2008, kan ten laste van het fonds en binnen de begrotingskredieten, aan een of meer inrichtende machten, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend.

§ 2. Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk :
1° als ze door de inrichtende macht(en) bij de administratie wordt ingediend met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als ze minstens de volgende elementen bevat :
a) de identiteit en het adres van de inrichtende macht;
b) een omschrijving van het project die de volgende elementen bevat :
1. de probleemstelling die aan de grondslag ligt van het project;
2. de manier waarop het project op de probleemstelling ingrijpt;
3. de verhouding van het project tot het bestaande aanbod;
4. de maatschappelijke relevantie van het project;
5. de doelgroep en het aantal minderjarigen op wie het project betrekking zal hebben;
6. indien beschikbaar, verwijzingen naar bestaand onderzoek;
7. de beoogde effecten van het project;
8. de indicatoren en meetfactoren om de beoogde effecten te meten;
9. de wijze waarop en door wie het project opgevolgd en geëvalueerd zal worden;
10. de wijze waarop het project structureel gemaakt kan worden;
11. de timing en fasering van het project;
12. een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie van het project.

§ 3. De Vlaamse minister kan per project specifieke criteria bepalen.

§ 4. Artikel 11, 4°, tot met 13°, 17°, 19° tot en met 22°, en artikel 11bis tot en met 12ter zijn van overeenkomstige toepassing op de projecten.

§ 5. De timing vermeld in paragraaf 2, 2°, b), 11, bedraagt maximaal vijf jaar. Overschrijding van die termijn kan alleen op beslissing van de Vlaamse minister, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag indient die, behalve de elementen, vermeld in paragraaf 2, een motivatie voor de verlenging bevat.

§ 6. De subsidie wordt verleend in het kader van een overeenkomst die wordt gesloten met de Vlaamse minister. De overeenkomst bevat minstens :
1° de identiteit en het adres van de contracterende partijen;
2° de omschrijving van het project, vermeld in paragraaf 2, 2°, b);
3° een verwijzing naar paragraaf 4;
4° een verwijzing naar de specifieke criteria, vermeld in paragraaf 3;
5° de wijze waarop over de voortgang van het project wordt gerapporteerd, zowel inhoudelijk als financieel;
6° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
7° de vermelding van de uitbetalingsmodaliteiten van de subsidies;
8° de looptijd van de overeenkomst;
9° de vermelding hoe de overeenkomst wordt beëindigd.

§ 7. De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat :
1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten die nodig zijn voor de realisatie van het project;
2° er een boekhoudplan wordt gebruikt overeenkomstig een rekeningstelsel bepaald door de Vlaamse minister;
3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending van de subsidies, zowel op stukken als ter plaatse.

HOOFDSTUK VI OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 57. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 inzake erkenningsvoorwaarden en subsidienormen van de voorzieningen bijzondere jeugdbijstand wordt opgeheven)

De ministeriële besluiten inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidiëringsnormen betreffende de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand blijven van kracht totdat ze worden opgeheven.

Artikel 58. (... - ...)

De subsidies voor het jaar 1994 en vorige kalenderjaren worden definitief vastgesteld overeenkomstig de regels van kracht op 31 december 1994 evenals volgens de overeenkomst die dienaangaande tussen de toen erkende voorzieningen en de Vlaamse minister werden afgesloten.

Artikel 59. (... - ...)

§ 1. De minimumcapaciteiten bepaald [in artikel 13, 1°, 15, 1° en 16, 1° (verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 10, I: 1 januari 2001) ], zijn niet van toepassing op de voorzieningen die op 31 december 1994 respectievelijk als inrichting voor minderjarigen van nul tot achttien jaar, als onthaal- en oriëntatiecentrum, als observatiecentrum of als dagcentrum zijn erkend.

§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 31, § 2, zijn de artikelen 38, § 2 en 41, § 2 van overeenkomstige toepassing op de voorzieningen bedoeld in § 1.

Artikel 60. (... - ...)

[... (opgeh. B.V.R. 8 december 2000, art. 13, I: 1 januari 2001) ]

Artikel 61. (01/01/2014- ...)

...

Artikel 62. (... - ...)

[§ 1. Bij wijze van overgangsmaatregel komt volgende tewerkstelling verder in aanmerking voor subsidiëring:

a) als verpleger in dienst en subsidieerbaar op 30 juni 1991 en de leden van het administratief en logistiek personeel in dienst en subsidieerbaar op 31 december 1991, die in overtal waren op 1 januari 1992, met inachtneming van de regels terzake op 31 december 1991;

b) het personeel komende vanuit de gewezen DAC-projecten en in overtal op 1 januari 2001.

§ 2. De inrichtende macht is er echter toe gehouden openstaande personeelsbetrekkingen in één van haar erkende voorzieningen toe te wijzen aan het personeel in overtal vermeld in § 1, dat voldoet aan de functie-eisen gesteld in de bijlage 1 van dit besluit. (verv. B.V.R. 10 juli 2001, art. 1, I: 1 januari 2001) ]

Artikel 63. (... - ...)

§ 1. De toepassing van artikel 35 kan niet tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de geldelijke anciënniteit die voor 1 januari 1989 werd verworven.

§ 2. De personeelsleden die op 30 november 1991 in dienst waren in de erkende voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en waarvan de geldelijke anciënniteit voorheen werd berekend vanaf een aanvangsleeftijd lager dan deze bedoeld in artikel 35, § 3, behouden hun geldelijke anciënniteit.

De begeleiders klasse 3 die op 30 november 1991 in dienst waren in de erkende voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand behouden bij de overgang naar klasse 2B de geldelijke anciënniteit verworven in de functie van klasse 3.

Artikel 64. (... - ...)

De maatschappelijke assistenten die op 31 december 1994 in dienst waren in de diensten voor plaatsing in gezinnen en subsidieerbaar zijn als begeleider, behouden de salarisschaal MV1.

Artikel 65. (... - ...)

De personeelsbetrekkingen, die in vergelijking met de subsidieregels van kracht op 31 december 2000 supplementair subsidieerbaar zijn, worden slechts voor subsidiëring in aanmerking genomen vanaf 1 juli 2001. Deze betrekkingen komen evenwel onmiddellijk voor subsidiëring in aanmerking indien ze worden ingenomen door personeel vanuit de gewezen DAC-projecten. (ing. B.V.R. 10 juli 2001, art. 3, I: 1 januari 2001) ]

Artikel 66. (01/01/2011- ...)

...

Artikel 67. (01/01/2011- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1995.

Artikel 1, 38°, 39° en 40°, artikel 3, § 5, artikel 20ter, 23, 3°, k), artikel 26quinquies, tweede lid, artikel 45 ter , 45quater en 45quinquies, houden op uitwerking te hebben op 31 december 2012.

Artikel 68. (... - ...)

De Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1. (... - ...)

FUNCTIE

Functie-eisen

Het personeel dat tewerkgesteld is in de erkende voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand moet, naar gelang van zijn functie, voldoen aan de hiernavolgende functie-eisen:

A. Directiepersoneel

FUNCTIE

FUNCTIE-EISEN

Directeur/verantwoordelijke (capaciteit vanaf 60)

- hetzij een universitair diploma

- hetzij een HOBU-diploma en ten minste vijf jaar dienstanciënniteit

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de directeur, subsidieerbaar als directeur klasse 1 of 2 op 31 december 1991

Directeur/verantwoordelijke (capaciteit beneden 60)

- ten minste een HOBU-diploma

gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel:

- de directeur, subsidieerbaar als directeur klasse 1 of 2 op 31 december 1991

- voor de functie van directeur/verantwoordelijke van een voorziening van categorie 4: de eerste begeleider als eerste begeleider, subsidieerbaar op 13 juli 1994

Verantwoordelijke (gezinstehuizen en begeleidingstehuizen met een capaciteit beneden 13)

- de vereisten, gesteld voor eerste begeleider

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: het begeleidend personeel, in dienst op 31 december 1991

Onderdirecteur (capaciteit vanaf 76)

- ten minste een HOBU-diploma

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de onderdirecteur die op 31 december 1991 in die functie subsidieerbaar was

B. Begeleidend personeel

FUNCTIE

FUNCTIE-EISEN

Eerste begeleider

- hetzij één jaar dienstanciënniteit als hoofdbegeleider

- hetzij drie jaar dienstanciënniteit als begeleider klasse 1, als maatschappelijk assistent, als paramedicus of in een bijzondere functie E 2, 3 en 4

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de opvoeders-groepschefs of eerste begeleiders, in dienst op 30 november 1991

Hoofdbegeleider

- twee jaar dienstanciënniteit als begeleider klasse 1

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de hoofdopvoeders of –begeleiders, in dienst op 30 november 1991

Begeleider klasse 1

- ten minste een HOBU-diploma met sociale, pedagogische, psychologische, paramedische of artistieke oriëntatie

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de opvoeders die op 30 november 1991 als opvoeder klasse 1 subsidieerbaar waren

Begeleider klasse 2A

- hetzij tenminste een kwalificatiegetuigschrift van het hoger secundair technisch onderwijs met pedagogische, sociale, artistieke of paramedische oriëntatie

- hetzij een kandidaatsdiploma in de pedagogie, de psychologie of de criminologie

- hetzij een brevet van kinderverzorging dat gepaard gaat met een tewerkstelling in een voor die kwalificatie geëigende doelgroep

 hetzij tien jaar dienstanciënniteit als begeleider klasse 2B

Gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel:

- de opvoeders die op 30 november 1991 als opvoeder klasse 2A subsidieerbaar waren

- de opvoeders klasse 3, in dienst op 30 november 1991, na twintig jaar dienstanciënniteit in die functie of als begeleider klasse 2B of klasse 3

Begeleider klasse 2B

- ten minste een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een kwalificatiegetuigschrift van het hoger secundair beroepsonderwijs in een menswetenschappelijke richting

Gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel:

- de opvoeders die op 30 november 1991 als opvoeder klasse 2B subsidieerbaar waren

- de opvoeders klasse 3, in dienst op 30 november 1991, na tien jaar dienstanciënniteit in die functie of als begeleider klasse 3

Begeleider klasse 3

- ten minste een getuigschrift van het lager secundair onderwijs

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de opvoeders, subsidieerbaar als opvoeder klasse 3 op 30 november 1991

C. Administratief personeel

FUNCTIE

FUNCTIE-EISEN

Klasse 1

- ten minste een HOBU-diploma

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de huismeesters, in dienst op 30 november 1991

Klasse 2

- getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of gelijkwaardig

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de opstellers, in dienst op 30 november 1991

Klasse 3

- getuigschrift van het lager secundair onderwijs of een kwalificatiegetuigschrift van het hoger secundair beroepsonderwijs in een administratieve richting

- gelijkstelling bij wijze van overgangsmaatregel: de klerken, in dienst op 30 november 1991

D. Logistiek personeel

FUNCTIE

FUNCTIE-EISEN

Klasse 2

Getuigschrift van het hoger secundair technisch onderwijs

Klasse 3

Kwalificatiegetuigschrift van het hoger secundair beroepsonderwijs of een getuigschrift van het lager secundair technisch onderwijs

Klasse 4

geen

E. Bijzondere functies

FUNCTIE

FUNCTIE-EISEN

1. algemene functie

Een universitair diploma

2. gegradueerde in de orthopedagogie

Het vereiste diploma

3. maatschappelijk assistent

Het vereiste diploma

4. psycholoog, criminoloog, pedagoog, agoog, orthopedagoog

Het vereiste licentiaatsdiploma

5. geneesheer-psychiater

Het vereiste diploma

(verv. B.V.R. 8 december 2000, art. 11, I: 1 januari 2001)]

BIJLAGE 1bis. (01/01/2014- ...)

Bijlage 1bis.

BIJLAGE 1ter. (01/01/2014- ...)

...

BIJLAGE 2. (01/01/2014- ...)


A. Directiepersoneel

Voorziening

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Categorie 6

Begeleidingstehuizen

Gezins-
tehuizen

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Dagcentra

Thuis-
begeleidings-
diensten

Diensten voor begeleid zelfstandig wonen

Capaciteit

10 tot 12

vanaf 13

vanaf 76

5 tot 10

8 tot 24

10

20

16

vanaf 32

16

vanaf 32

Verantwoordelijke (begrepen binnen het maximum- aantal begeleiders)

1

1

Directeur/verantwoordelijke

1

1

1

0,5

1

0,5

1

0,5

1

Onderdirecteur

1

 



B. Begeleidend personeel

Voorziening

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Categorie 6

Begeleidingstehuizen

Gezins-
tehuizen

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Dagcentra

Thuis-
begeleidings-
diensten

Diensten voor begeleid zelfstandig wonen

Capaciteit

10 tot 90

5 tot 10

8 tot 24

10 tot 20

vanaf 16 tot 32

vanaf 16 tot 32

Eerste begeleiders

1 per 30

Hoofdbegeleiders (begrepen in het totale aantal begeleiders)

1 per 10

1 per 8

1 per 10

1 per 16 tot capaciteit 32

1 per 16 tot capaciteit 32

Begeleiders


Begeleidings-
tehuizen

Begeleidings-
tehuizen, als vermeld in artikel23, 3°, h)

Basis
Bijkomend

1 per 2,5
1 per 10

1 per 2,5
1,5 per 10


1 per 2,5
0,5 per 10
0,5


0,5 per 1
0,5 per 8
0,5 per 10


2 per 5


0,5 per 4


0,5 per 4

 



C. Administratief personeel (klasse 2 of 3)

Voorziening

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Categorie 6

Begeleidingstehuizen

Gezins-
tehuizen

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Dagcentra

Thuis-
begeleidings-
diensten

Diensten voor begeleid zelfstandig wonen

Capaciteit

13

25

63

76

84

8

16

Basis

0,5

1

1,5

2,5 (1)

3 (1)

2

3

1 per 10 (2)

1 per 16 tot capaciteit 32 (2)

1,5 per 16 tot capaciteit 32 (3)

Bijkomend

van capaciteit 10 tot 29 : 0,5 (4)
vanaf capaciteit 30 : 1 (5)

vanaf capaciteit 32 : 0,5 per 16

vanaf capaciteit 32 : 0,5 per 16

 


(1) waarvan maximaal 1 klasse 1
(2) ofwel 1 logistiek, ofwel 0,5 administratief en 0,5 logistiek
(3) ofwel 1,5 logistiek, ofwel 1 logistiek en 0,5 administratief, ofwel 0,5 logistiek en 1 administratief
(4) ofwel 0,5 logistiek
(5) ofwel 1 logistiek, ofwel 0,5 administratief en 0,5 logistiek

D. Logistiek personeel (klasse 2, 3 of 4)

Voorziening

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Categorie 6

Begeleidings-
tehuizen

Gezins-
tehuizen

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Dagcentra

Thuis-
begeleidings-
diensten

Diensten voor begeleid zelfstandig wonen

Capaciteit

10 tot 90

5 tot 10

8

16

10 tot 20

16 tot 32

16 tot 32

Basis

0,5 per 5

0,1 per 1

2

3

1 per 10 (1)

1 per 16 (1)

1,5 per 16 (2)

Bijkomend

van capaciteit 10 tot 29 : 0,5 (3)
van capaciteit 30 tot 75 : 1 (4)
vanaf capaciteit 76 : 2 (5)

 


(1) ofwel 1 administratief, ofwel 0,5 logistiek en 0,5 administratief
(2) ofwel 1,5 administratief, ofwel 1 administratief en 0,5 logistiek, ofwel 0,5 administratief en 1 logistiek
(3) ofwel 0,5 administratief
(4) ofwel 1 administratief, ofwel 0,5 administratief en 0,5 logistiek
(5) ofwel 1 administratief en 1 logistiek, ofwel 0,5 administratief en 1,5 logistiek

E. Bijzondere functies

Voorziening

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Categorie 6

Begeleidingstehuizen

Begeleidingstehuizen bedoeld in artikel 23, 4° h)

Gezins-
tehuizen

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Dag-
centra

Thuis-
begeleidings-
diensten

Dienst
en voor
begeleid
zelfstandig wonen

Vanaf capaciteit

13

25

38

50

63

76

88

10

25

38

50

8

16

16

16

0,5

1

1,5

2

2,5

3

3,5

1

2

3

4

2
(1)

3
(2)

1

1

Bijkomend

vanaf capaciteit 32 : 0,25 per 8

vanaf capaciteit 32 : 0,25 per 8

 


(1) ofwel 1,5 waaronder 0,5 geneesheer-psychiater
(2) ofwel 2,5 waaronder 0,5 geneesheer-psychiater

BIJLAGE 3. (01/01/2014- ...)

Bijlage 3. - Subsidies voor het verblijf van de minderjarigen

De tarieven van de subsidies die per dag en per minderjarige aan de erkende en niet erkende voorzieningen worden toegekend om de uitgaven te vergoeden voor het verblijf van de minderjarigen, worden naargelang de voorzieningen en de leeftijd van de minderjarigen vastgesteld als volgt :

Soort voorziening

Subsidie per dag

Categorie 1, 2 en 3

-12 jaar

+ 12 jaar

10,99 euro

13,50 euro

Categorie 4

4,03 euro

Begeleid Zelfstandig Wonen categorie 1, 2 en 6

1/365 van het bedrag, vermeld in artikel 14, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie

Niet-erkende voorzieningen

-12 jaar

+12 jaar

16,28 euro

17,72 euro

 



Die bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 januari 2009.

BIJLAGE 4. (... - ...)

Tarieven voor zakgeld

(niet opgenomen)

BIJLAGE 5. (01/01/2014- ...)

Subsidies voor de werking en de infrastructuur

A. De maandelijkse subsidies om de uitgaven te vergoeden voor de infrastructuur en de werkingskosten van de erkende voorzieningen worden per categorie van voorzieningen en met inachtneming van de capaciteit vastgesteld als volgt:
1° categorie 1 en 2 . . . . . 277,76 euro per capaciteitseenheid;
2° categorie 3 . . . . . 292,76 euro per capaciteitseenheid;
3° categorie 4 . . . . . 169,41 euro per capaciteitseenheid;
4° categorie 5 en 6 . . . . . 105,82 euro per capaciteitseenheid. 

Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex van kracht op 1 januari 2007.

BIJLAGE 6 (01/01/2016- ...)

Forfaitaire subsidie voor de voorzieningen van categorie 9: Diensten voor crisishulp aan huis

De forfaitaire subsidie per erkende begeleiding bedraagt 6699,41 euro.

De forfaitaire subsidie wordt vermeerder met 137,78 euro voor elk jaar dat de gemiddelde anciënniteit van alle personeelsleden de basisanciënniteit van vijf jaar overschrijdt. De anciënniteit wordt berekend op 1 januari van het betreffende jaar en afgerond op 1 decimaal.

De bovenvermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex die van kracht was op 1 september 2015.

BIJLAGE 7 (01/01/2016- ...)

...

BIJLAGE 8 (01/07/2010- ...)

Bijlage 8. - De standaarden van een multifunctioneel centrum

1. Profiel van een multifunctioneel centrum
Een multifunctioneel centrum biedt residentiële, mobiele en ambulante hulp. Die hulp wordt vertaald in een traject, waarbij zorgmodaliteiten naadloos worden ingezet in functie van een evoluerende hulpvraag. De bandbreedte geeft aan welke zorgmodaliteiten van het minimale aanbod van een multifunctioneel centrum kunnen worden ingezet.

2. Doelgroep
Een multifunctioneel centrum staat open voor alle jongeren die in de bijzondere jeugdbijstand terechtkomen. Het richt zich op jongeren in problematische leefsituaties waarbij het evolutief inzetten van andere werkvormen een meerwaarde kan betekenen in het hulpverleningstraject.

3. Minimaal aanbod : zorgmodaliteiten
Elk multifunctioneel centrum beschikt minimaal over zorgmodaliteiten voor contextbegeleiding, individuele begeleiding, dagbesteding en verblijf. Die zorgmodaliteiten kunnen naargelang de noden van een individueel traject gecombineerd worden ingezet.
3.1 Zorgmodaliteit voor contextbegeleiding
De hulpverlening in een multifunctioneel centrum is gericht op :
- de terugkeer van de minderjarige naar zijn context;
- het behoud van de minderjarige in zijn context;
- het toewerken naar begeleid zelfstandig wonen.
Contextbegeleiding is qua intensiteit en frequentie (net als in reguliere begeleidingen) zeer dossiergebonden. Op niveau van het multifunctionele centrum is het gemiddelde aantal (face tot face) contextcontacten per week het equivalent van het aantal erkende capaciteitseenheden in het multifunctionele centrum.
3.2 Zorgmodaliteit voor individuele begeleiding
In elk multifunctioneel centrum wordt voorzien in begeleidingsaandacht voor individuele doelstellingen en hulpvragen van de minderjarige in zijn gezin.
3.3 Zorgmodaliteiten voor verblijf
Elk multifunctioneel centrum biedt verschillende zorgmodaliteiten voor verblijf aan. Het gaat zowel om de mogelijke inschakeling van crisisopname of time out - allebei beperkt tot 14 dagen - als om de inschakeling van intensievere periodes van residentiële begeleiding.
Residentiële begeleiding wordt - bij de aanvang van het traject - beperkt tot 45 dagen. Nadien kan de residentiële periode verlengd worden als dat nodig blijkt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in het gemiddelde aantal nachten dat de jongere in de residentiële voorziening van het multifunctionele centrum overnacht : gemiddeld één tot drie nachten, gemiddeld vier tot vijf nachten of gemiddeld zes tot zeven nachten. Ten slotte kan ook een zorgmodaliteit begeleid zelfstandig wonen tot het in te schakelen aanbod behoren. Dat impliceert dat de residentiële onderbouw van een multifunctioneel centrum een profiel heeft waarin die diversiteit kan worden georganiseerd.
3.4 Zorgmodaliteiten voor dagbesteding
a) Schoolvervangende dagbesteding
Het ontbreken van een dagbesteding mag geen breuk vormen in het cliënttraject binnen een multifunctioneel centrum. Het aanbieden van een schoolvervangende dagbesteding in een multifunctioneel centrum - al dan niet binnen een samenwerkingsverband met externe partners - is altijd gericht op een intensieve heroriëntatie naar het reguliere circuit (school, werk...).
b) Continue en integrale naschoolse begeleiding
In een cliënttraject binnen een multifunctioneel centrum kan de tijdelijke inschakeling van een integrale naschoolse begeleiding van belang zijn om de minderjarige in de context te blijven begeleiden. De continue en integrale naschoolse begeleiding omvat verschillende componenten
(schoolwerkbegeleiding, groepswerking, training), en loopt zowel in school- als vakantieperiodes.

4. Minimale inhoudelijke functies
4.1 Constante vraagverheldering
De vraagverheldering staat centraal in een multifunctioneel centrum. Op regelmatige basis wordt bekeken of de aangeboden hulp nog altijd aansluit bij de noden van de betrokken personen. Als de vraagverheldering resulteert in de behoefte aan een wijziging van het hulpaanbod, wordt, na overleg binnen de driehoek cliënt - multifunctioneel centrum - verwijzende instantie, het traject bijgesteld. Die wijziging wordt in het handelingsplan opgenomen. De constante vraagverheldering krijgt in een multifunctioneel centrum onder meer vorm door intern (begeleidingscontacten, intervisie, supervisie) en extern (met de verwijzende instantie of andere betrokken partijen) overleg.
4.2 Regie
a) Interne regie van de cliënt
Voor elke cliënt (of voor elk cliëntsysteem) wordt een interne regie geactiveerd die het verloop van het traject binnen het multifunctionele centrum opvolgt, de verwijzende instantie van het verloop op de hoogte houdt, en de naadloosheid en eenduidigheid van het cliënttraject garandeert.
b) Interne regie van de organisatie van het multifunctionele centrum
In het multifunctionele centrum coördineert de interne regie op organisatieniveau het beheer van het aanbod (het geheel van de aan te bieden zorgmodaliteiten), waardoor naadloze schakeling in de cliënttrajecten mogelijk is, en breukmomenten vermeden worden.
c) Externe regie
De verwijzende instantie zit in een cliënttraject binnen een multifunctioneel centrum in de rol van externe regie, die verantwoordelijk is voor de verwijzing en opvolging van het dossier. Bij aanvang van het traject bepaalt de verwijzende instantie de bandbreedte die aangeeft welke zorgmodaliteiten tijdens het traject kunnen worden in- of uitgeschakeld. Als externe regisseur waakt de verwijzende instantie over de maatschappelijke noodzaak en de veiligheid, en kan ten gevolge daarvan ingrijpen.

BIJLAGE 9. (01/01/2014- ...)

Bijlage 9

BIJLAGE 10. (01/01/2015- ...)

subsidiëring van organisaties voor bijzondere jeugdzorg, centra voor integrale gezinszorg en onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader

a) Subsidiëring van organisaties voor bijzondere jeugdzorg en centra integrale gezinszorg

Module Personeel Extra/jaar anciënniteit Supplement Supplement extra/jaar anciënniteit Werking Totaal Gewicht per module Kosten per module op basis van 5 jaar anciënniteit.
Verblijf -12 jaar 7.563,37 181,98 831,97 20,01 1.748,47 10.143,81 4,0 40.575,24
Verblijf 0-18 jaar 7.563,37 181,98 831,97 20,01 1.836,67 10.232,01 4,0 40.928,04
Verblijf + 12 jaar 7.563,37 181,98 831,97 20,01 1.924,87 10.320,21 4,0 41.280,84
Verblijf met toepassing van artikel. 13, 2° 1 bis 7.563,37 181,98 0,00 0,00 0,00 7.563,37 0,5 3.781,69
Dagbegeleiding in groep 7.563,37 181,98 22,50 0,00 1.203,68 8.789,55 2,0 17.579,10
Contextbegeleiding basisintensiteit 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 1,0 8.439,33
Contextbegeleiding middenintensiteit 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 2,0 16.878,66
Contextbegeleiding hoge intensiteit 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 3,0 25.317,99
Contextbegeleiding in functie van autonoom wonen basisintensiteit 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 1,0 8.439;33
Contextbegeleiding in functie van autonoom wonen middenintensiteit 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 2,0 16.878,66
Ondersteunende begeleiding 7.563,37 181,98 22,50 0,00 853,46 8.439,33 5 punten per 12 jongeren 42.196,65

b) subsidiëring van onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader
Module Personeel extra/jaar anciënniteit supplement supplement extra/jaar anciënniteit werking Gewicht per module Kosten per module op basis van 5 jaar anciënniteit
verblijf in het kader van diagnostiek 34.375,51 827,10 3781,31 90,98 6.880,98 1 45.037,80
diagnostiek in het kader van een problematische leefsituatie 34.375,51 827,10 101,24 0,00 3.440,49 1 37.917,24

Deze bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex van kracht op 1 januari 2015.