Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu

Datum 21/10/1997

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. HOOFDSTUK II OFFICIËLE STRUCTUREN INZAKE NATUURBELEID
    1. AFDELING 1 [...]
    2. AFDELING 2 HET INSTITUUT VOOR NATUURBEHOUD
  3. HOOFDSTUK III DOELSTELLINGEN EN PLANNING VAN HET NATUURBELEID
    1. AFDELING 1 ALGEMENE DOELSTELLINGEN VAN HET NATUURBELEID
    2. AFDELING 2 HET NATUURRAPPORT
    3. AFDELING 3 HET NATUURBELEIDSPLAN
  4. [HOOFDSTUK IIIbis GEINTEGREERD BEHEER TEN BEHOEVE VAN HET NATUURBEHOUD (ing. decr. 9 mei 2014, art. 3, I: 28 oktober 2017)]
    1. [AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 4, I: 28 oktober 2017)]
    2. [AFDELING 2 DE ECOLOGISCHE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 6, I: 28 oktober 2017)]
    3. [AFDELING 3 DE ECONOMISCHE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 9, I: 28 oktober 2017)]
    4. [AFDELING 4 DE SOCIALE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 11, I: 28 oktober 2017)]
  5. HOOFDSTUK IV [ MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN HET NATUURBEHOUD (verv. decr. 9 mei 2014, art. 16, I: 28 oktober 2017)]
    1. [AFDELING 1 ALGEMENE MAATREGELEN (ing. decr. 9 mei 2014, art. 17, I: 28 oktober 2017)]
    2. [AFDELING 2 NATUURBEHEERPLANNEN (ing. decr. 9 mei 2014, art. 18, I: 28 oktober 2017)]
    3. [AFDELING 3 DE ERKENNING ALS NATUURRESERVAAT (ing. decr. 9 mei 2014, art. 30, I: 28 oktober 2017)]
    4. [AFDELING 4 SUBSIDIES (ing. decr. 9 mei 2014, art. 34, I: 28 oktober 2017)]
  6. HOOFDSTUK V GEBIEDSGERICHT BELEID
    1. AFDELING 1 HET VLAAMS ECOLOGISCH NETWERK (VEN)
    2. AFDELING 2 HET INTEGRAAL VERWEVINGS- EN ONDERSTEUNEND NETWERK
    3. AFDELING 3 NATUURRESERVATEN
    4. [AFDELING 3BIS DE SPECIALE BESCHERMINGSZONES (ing. decr. 19 juli 2002, art. 24) ]
    5. AFDELING 4 ALGEMENE MAATREGELEN VOOR DE BESCHERMING VAN HET NATUURLIJK MILIEU
      1. ONDERAFDELING A VERWERVING
      2. ONDERAFDELING B VRIJWILLIGE BEHEERSOVEREENKOMSTEN
      3. ONDERAFDELING C NATUURINRICHTING
      4. ONDERAFDELING D [PLANMATIGE OMKADERING VAN HET NATUURBEHOUD (verv. Decr. 9 mei 2014, art. 93, I: 17 juli 2014)]
      5. [ONDERAFDELING E PLANMATIGE OMKADERING VAN HET INSTANDHOUDINGSBELEID (ing. decr. 9 mei 2014, art. 36, I:17 juli 2014)]
        1. [Sectie 1 Doelstelling en voorwerp van het instandhoudingsbeleid (ing. decr. 9 mei 2014, art. 37, I: 17 juli 2014)]
        2. [Sectie 2 Vlaams Natura 2000-programma (ing. decr. 9 mei 2014, art. 39, I: 17 juli 2014)]
        3. [Sectie 3 Managementplannen Natura 2000 (ing. decr. 9 mei 2014, art. 44, I: 17 juli 2014)]
        4. [Sectie 3/1. Openbaar onderzoek (ing. decr. 27 januari 2017, art. 11, I: 6 februari 2017)]
        5. [Sectie 4 Monitoringprogramma's (ing. decr. 9 mei 2014, art. 49, I: 17 juli 2014)]
  7. HOOFDSTUK VI DE BESCHERMING VAN PLANT- EN DIERSOORTEN EN VAN HUN LEVENSGEMEENSCHAPPEN
  8. HOOFDSTUK VII BEPALINGEN INZAKE NATUUREDUCATIE, DOELGROEPEN, PROVINCIALE, GEMEENTELIJKE EN FUNCTIONEEL GEDECENTRALISEERDE BESTUREN
  9. HOOFDSTUK VIII BIJZONDERE BEPALINGEN
  10. HOOFDSTUK IX [HANDHAVING (ver. decr. 30 april 2009, art. 126)]
    1. AFDELING 1 [... (opgeh. decr. 30 april 2009, art. 127)]
    2. AFDELING 2 HET TOEZICHT
  11. HOOFDSTUK X WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. (... - ...)

Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Artikel 2. (01/08/2018- ...)

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° organismen: flora, fauna en overige organismen andere dan de mens;
2° biologische diversiteit: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit omvat mede de diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen;
3° ecosysteem: het geheel van biotische en abiotische elementen die het samenleven van levende organismen in een bepaald gebied kenmerken;
4° habitat: een natuurlijke habitat en/of een leefgebied van een soort waarbij:
a) een natuurlijke habitat een geheel natuurlijke of halfnatuurlijke land- of waterzone met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken is;
b) een leefgebied van een soort een door specifieke abiotische en biotische elementen bepaald natuurlijk milieu is waarin de soort tijdens een van de fasen van zijn biologische cyclus leeft. Daartoe behoren ook de woongebieden van een vogelsoort, meer bepaald: de rustplaatsen in de trekzones, de voortplantings-, broed- en foerageergebieden alsook de rui- en overwinteringsgebieden;
5° historisch permanent grasland: is een halfnatuurlijke vegetatie bestaande uit grasland gekenmerkt door het langdurige grondgebruik als graasweide, hooiland of wisselweide met ofwel cultuurhistorische waarde, ofwel een soortenrijke vegetatie van kruiden en grassoorten waarbij het milieu wordt gekenmerkt door aanwezigheid van sloten, greppels, poelen, uitgesproken microreliëf, bronnen of kwelzones;
6° kleine landschapselementen: lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen, en die deel uitmaken van de natuur zoals: bermen, bomen, ... bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen;
7° natuur: de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren;
8° natuurelement: elk afzonderlijk element dat natuur in de zin van dit decreet bevat;
9° natuur in de bebouwde omgeving: de natuurelementen en soorten die voorkomen in samenhang met de stedelijke en bebouwde omgeving;
10° natuurbehoud: het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en het natuurlijk milieu door natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeheer en het streven naar een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur en naar een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten;
11° natuurbescherming: het geheel van de maatregelen gericht op natuurbehoud en tegen nadelige invloeden die kunnen ontstaan door menselijke activiteiten;
12° natuurontwikkeling: het geheel van maatregelen gericht op het creëren van voorwaarden voor het tot stand komen of het herstel van natuur in een bepaald gebied;
13° natuurbeheer: het regelend en sturend ingrijpen van de mens in de natuur en in het natuurlijk milieu, bewust niets doen inbegrepen, ten behoeve van het natuurbehoud;
14° natuurkwaliteit: de bijdrage die een gebied of één of meerdere afzonderlijke natuurelementen, al of niet in onderlinge samenhang, levert of kan leveren aan de biologische diversiteit;
15° natuurlijk milieu: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen die nodig zijn voor het behoud van de natuur in het Vlaamse Gewest;
16° erkende terreinbeherende natuurvereniging: een privaatrechtelijk rechtspersoon waarvan de statuten het natuurbehoud en/of de natuurbescherming als hoofdzakelijk en ondubbelzinnig doel bepalen, die gebieden beheert als natuurreservaat en als dusdanig op grond van dit decreet wordt erkend;
17° soortenbehoud: het geheel van maatregelen gericht op het instandhouden, herstellen of ontwikkelen van populaties van soorten en ondersoorten;
18° erkende beheersgroep : een door de Vlaamse Regering erkende lokale of regionale vereniging van betrokkenen die, voor een bepaald gebied, het beheer en de bescherming van natuurelementen of het natuurlijk milieu tot doel heeft.
19° 19° pesticiden :
a) een gewasbeschermingsmiddel zoals omschreven in verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
b) een biocide zoals omschreven in Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, waarin biociden gedefinieerd worden als : werkzame stoffen en preparaten die, in de vorm waarin ze aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op een andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden;
20° waterrijke gebieden: gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter;
21° waterrijke gebieden van internationale betekenis: waterrijke gebieden die aangeduid zijn conform de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971;
22° administratieve overheid: het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;
23° VEN: Vlaams Ecologisch Netwerk;
24° GEN: Grote Eenheid Natuur;
25° GENO: Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling;
26° IVON: Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk;
27° VLM: Vlaamse Landmaatschappij;
28° ...
29° Mina-fonds: Fonds voor Preventie en Sanering inzake leefmilieu en natuur opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
30° betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone;
31° betekenisvolle verstoring van een soort: een verstoring die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de staat van instandhouding van een soort. Factoren die als dusdanig kunnen worden beschouwd, zijn:
- elke activiteit die bijdraagt tot de afname op lange termijn van de grootte van de populatie (populatieomvang) van de betrokken soort in het gebied of tot een geringe afname waardoor in vergelijking met de begintoestand de soort niet langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat kan blijven;
- elke activiteit die ertoe bijdraagt dat het verspreidingsgebied van de soort in het gebied kleiner wordt of dreigt te worden;
- elke activiteit die ertoe bijdraagt dat de omvang van de habitat van de soort in het gebied kleiner wordt.
Betreft het een soort van bijlage II of IV van dit decreet, dan dient de verstoring ervan tevens geëvalueerd te worden in het licht van de bijdrage van de speciale beschermingszone tot de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones;
32° Bosdecreet: het bosdecreet van 13 juni 1990;
33° code voor goede natuurpraktijk: richtlijnen inzake natuurbeheer met het oog op het respecteren van het standstill-beginsel;
34° Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
35° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen die ofwel behoren bij een vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van de landbouw- en/of veeteeltinrichting zoals bedoeld in het mestdecreet en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken geheel vormen; de begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element;
36° instandhouding: het geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding.
De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen;
- de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan;
- de staat van instandhouding van de voor die habitat gunstige typische soorten gunstig is.
De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven;
- het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden;
- er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
37° Mestdecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
38° natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van
a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en
b) de soorten vermeld in de bijlage III;
39° natuurrichtplan: een plan dat aangeeft wat op vlak van natuurbehoud voor een specifiek gebied wordt beoogd en waarin de instrumenten en maatregelen zijn opgenomen die al dan niet projectmatig verlopen, om de beoogde doelstellingen op het vlak van het natuurbehoud te realiseren. Het plan komt tot stand en wordt uitgevoerd met medewerking van eigenaars of grondgebruikers;
40° plan of programma: een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voor zover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
41° plan-MERrichtlijn: Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's;
42° project-MERrichtlijn: Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
43° speciale beschermingszone:
a) een gebied, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;
b) een gebied, aangewezen door het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;
c) een gebied, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, of, in afwachting van die aanwijzing, een gebied dat met toepassing van de Habitatrichtlijn door de Vlaamse Regering definitief is vastgesteld met toepassing van artikel 36bis, § 6, van dit decreet of dat geacht wordt definitief te zijn vastgesteld met toepassing van artikel 36bis, § 12, van dit decreet;
d) een gebied, aangewezen door het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of door een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn of, in afwachting van die aanwijzing, een gebied dat voorgesteld is door één van beide gewesten of door een andere lidstaat, met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, dat door de Europese Commissie van communautair belang is verklaard met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn;
44° staat van instandhouding van een habitat: de som van de invloeden die op de betrokken habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten in het Vlaamse Gewest;
45° staat van instandhouding van een soort: het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort in het Vlaamse Gewest;
46° vergunningsplichtige activiteit: een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is;
47° Vogelrichtlijn: richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
48° wijzigingsdecreet 19 juli 2002: decreet van 19 juli 2002 houdende de wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het bosdecreet van 13 juni 1990, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecordineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968;
49° de Vlaamse Grondenbank : afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen.
50° natuurstreefbeeld: een habitat, een ecosysteem of een landschapstype dat als ecologisch einddoel in een natuurbeheerplan wordt vooropgesteld;
51° potentiële natuurwaarden: de aanwezigheid van het natuurlijk milieu voor het realiseren van een natuurstreefbeeld;
52° bos: een grondoppervlakte zoals vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, met uitsluiting van de grondoppervlakten, vermeld in artikel 3, § 3, van het voormelde decreet;
53° privaat terrein: een terrein in eigendom van een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon;
54° openbaar terrein: een terrein in eigendom of mede-eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon;
55° natuurdomein: een terrein in beheer van het agentschap;
56° beheerder van een terrein: de eigenaar of mede-eigenaar, de houder van andere zakelijke rechten of de houder van een persoonlijk recht die belast is met het beheer van een terrein;
57° openbare wegen: de wegen die een bestemming hebben gekregen als openbare weg, meer bepaald de wegen die de administratieve overheid zelf daarvoor heeft bestemd en de wegen waarop na verjaring door dertigjarig gebruik een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang is gevestigd;
58° private wegen: de private toegangswegen of de wegen die door het publiek worden gebruikt maar waar niet door verjaring een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang op is gevestigd;
59° ontbossen: iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of een ander gebruik wordt gegeven;
60° agentschap: het agentschap voor Natuur en Bos, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos;
61° instandhoudingsdoelstellingen: de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen of de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone in het Vlaamse Gewest;
62° Europees te beschermen habitats: de habitattypes opgenomen in bijlage I bij dit decreet;
63° Europees te beschermen soorten: de soorten, opgenomen in bijlage II, III en IV bij dit decreet, en de trekvogels die geregeld voorkomen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en die niet in bijlage IV bij dit decreet worden vermeld;
64° gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen: de verbeter- of behoudopgaven voor het behouden, herstellen of ontwikkelen van een gunstige staat van instandhouding op Vlaams niveau van in het Vlaamse Gewest voorkomende Europees te beschermen habitats of soorten;
65° instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone: de verbeter- of behoudopgaven voor de Europees te beschermen habitats of populaties van Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, waarvoor het Europees te beschermen gebied is aangemeld of die in het Europees te beschermen gebied voorkomen;
66° instandhoudingsmaatregelen: de plannen of programma's, geboden of verboden en andere acties die er op gericht zijn om Europees te beschermen habitats of populaties van Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, en het natuurlijk milieu ervan, in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen;
67° inheemse soort: een soort die van nature in het Vlaamse Gewest in het wild voorkomt of voorkwam, of er al lang is ingeburgerd;
68° soortenbeschermingsprogramma: een programma van soortenbehoudsmaatregelen dat met name gericht is op het verkrijgen van de gunstige staat van instandhouding van een inheemse soort of een groep van soorten in het gebied waarop het programma van toepassing is;
69° planversie: één van de opeenvolgende versies van een managementplan Natura 2000;
70° zoekzone: een zone die per Europees te beschermen soort en per Europees te beschermen habitat de perimeter aangeeft die gevrijwaard wordt met het oog op het optimaal plaatsen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken speciale beschermingszone. De omvang van de zoekzone wordt bepaald door de oppervlakte die nodig is voor het realiseren van het openstaand saldo van de taakstelling voor de betrokken Europees te beschermen habitat of Europees te beschermen soort;
71° actiegebied: een gebied dat op basis van relevante milieueffecten vastgesteld wordt voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de betrokken speciale beschermingszone;
72° omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie: de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan.

HOOFDSTUK II OFFICIËLE STRUCTUREN INZAKE NATUURBELEID

AFDELING 1 [...]

Artikel 3. (01/09/2009- ...)

...

Artikel 4. (01/09/2009- ...)

...

AFDELING 2 HET INSTITUUT VOOR NATUURBEHOUD

Artikel 5. (01/09/2009- ...)

Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, hierna het Instituut genoemd, heeft als opdracht ten behoeve van de Vlaamse regering:
1° alle passende, wetenschappelijke studies en onderzoeken te verrichten in verband met het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de MiNa-Raad bij te staan in zijn opdracht;
3° ondersteuning te verlenen bij het opstellen van het natuurbeleidsplan;
4° het natuurrapport op te stellen, zoals bedoeld in artikel 10.

HOOFDSTUK III DOELSTELLINGEN EN PLANNING VAN HET NATUURBELEID

AFDELING 1 ALGEMENE DOELSTELLINGEN VAN HET NATUURBELEID

Artikel 6. (... - ...)

Onverminderd de bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is het beleid inzake natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu gericht op de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu, op de handhaving of het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit en op het scheppen van een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, waarbij educatie en voorlichting van de bevolking inzake natuurbehoud wordt gestimuleerd.

Artikel 7. (14/02/2009- ...)

Het onder artikel 6 bedoelde beleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.

Met het oog op het nemen van de in het eerste lid vermelde maatregelen is de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd om de bijlagen I, II, III en IV bij dit decreet te wijzigen op een van de volgende gronden, naargelang van toepassing :
1° hetzij als gevolg van de in artikel 15 van de Vogelrichtlijn of in artikel 19 van de Habitatrichtlijn bedoelde aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang;
2° hetzij als gevolg van de feitelijke vaststellingen die in het in artikel 10 bedoelde Natuurrapport gedaan worden betreffende de vogelsoorten van de bijlage I van de Vogelrichtlijn, dan wel betreffende de habitats van bijlage I van de Habitat-richtlijn of de dier- en plantensoorten van bijlage II of IV van de diezelfde richtlijn;
3° hetzij als gevolg van de feitelijke vaststellingen die gedaan worden in het verslag in uitvoering van artikel 17.1 van de Habitatrichtlijn.

Onverminderd wat bepaald wordt in het eerste lid, wordt in de maatregelen genomen in uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 8. (28/10/2017- ...)

De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.

Dit standstillbeginsel is ook van toepassing na het verstrijken van de termijn van elk beheerplan wanneer de realisatie van de beheerdoelstellingen en -maatregelen van een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies of de uitvoering van de beheerplannen in het kader van of in uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet van 13 juni 1990, leidt tot een hogere natuurkwaliteit.

Artikel 9. (06/02/2017- ...)

§ 1. De maatregelen bedoeld in artikelen 8, 13, 36ter, §§ 1, 2 en 5, tweede lid, en hoofdstuk VI, kunnen geen beperkingen opleggen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen, tenzij deze maatregelen, voor wat artikel 36ter, §§ 1 en 2 aangaat, vastgelegd zijn in een goedgekeurd natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, of een managementplan, dan wel, voor wat hoofdstuk VI aangaat, deze maatregelen de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV bij dit decreet.

De maatregelen bedoeld in het eerste lid beogen de instandhouding van de natuur en kunnen onder meer de bescherming bevatten van de bestaande natuur en natuurelementen, zoals habitats, holle wegen, houtkanten, poelen, waterrijke gebieden, heiden en historisch permanent grasland, ongeacht waar de natuur en de natuurelementen zich bevinden.

De in het eerste lid vermelde maatregelen kunnen de landbouwbedrijfsvoering en het teeltplan niet regelen in agrarische gebieden, landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, tenzij in de volgende gevallen:
1° voor de uitvoering van maatregelen bedoeld in artikel 36ter §§ 1 en 2;
2° binnen het VEN;
3° voor wat betreft het historisch permanent grasland gelegen binnen:
- de valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde of de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
- het IVON;
- de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.
3° bis voor wat de bescherming van historisch permanente graslanden betreft, definitief vastgesteld overeenkomstig artikel 9bis;
4° voor de uitvoering van de maatregelen die de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV van het decreet.

§ 2. Behoudens andersluidende bepaling kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter , §§ 1 en 2, artikel 48, § 3, artikel 50octies, § 5, tweede en derde lid, en artikel 51:
1° gericht zijn op het stimuleren van maatregelen op het vlak van natuurbehoud en soortenbehoud;
2° het uitvoeren van een activiteit verbieden;
3° voorwaarden aan een activiteit opleggen;
4° gebodsbepalingen aan een overheid opleggen;
5° de verplichting bevatten voor een overheid tot het nemen van maatregelen op het vlak van natuurbeheer voor terreinen en waterlopen die deze in eigendom, gebruik of beheer heeft.

De maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter, §§ 1 en 2, en artikel 51 kunnen tevens bevatten:
1° het afhankelijk maken van een activiteit van het verkrijgen van een voorafgaande schriftelijke vergunning, toestemming of machtiging;
2° het onderwerpen van een activiteit aan een voorafgaande, schriftelijke melding of kennisgeving.

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan tevens tegen vergoeding gebodsbepalingen opleggen, al dan niet kaderend binnen een natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers in:
1° het VEN;
2° een speciale beschermingszone in zoverre het maatregelen betreft zoals bedoeld in artikel 36ter , §§ 1 en 2;
3° de overige gebieden die afgebakend zijn volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake het opleggen van gebodsbepalingen aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers en inzake de vergoeding hiervoor.

Artikel 9bis. (01/08/2018- ...)

§ 1. Voor de bescherming van de historisch permanente graslanden, vermeld in artikel 9, § 1, derde lid, 3° bis, stelt de Vlaamse Regering, op basis van een voorstel van het Instituut, een ontwerpkaart op basis van wetenschappelijke criteria, voorlopig vast.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures alsook inzake de samenstelling en de werking van de verificatiecommissie.

§ 3. De Vlaamse Regering onderwerpt de ontwerpkaart aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gewest worden verspreid.

Deze aankondiging vermeldt minstens:
1° de gemeenten waarop de ontwerpkaart betrekking heeft;
2° waar de ontwerpkaart ter inzage ligt;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres waar de opmerkingen, vermeld in paragraaf 5, dienen toe te komen.

§ 4. Na de aankondiging wordt de ontwerpkaart gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

§ 5. De opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan het Instituut toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De opmerkingen kunnen enkel betrekking hebben op het feit of een voorlopig aangewezen historisch permanent grasland al dan niet voldoet aan de wetenschappelijke criteria zoals vermeld in paragraaf 1.

§ 6. De verificatiecommissie onderzoekt alle opmerkingen op de wetenschappelijke correctheid en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse Regering.

§ 7. De Vlaamse Regering stelt binnen 210 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek de kaart van de historisch permanente graslanden definitief vast, en bepaalt voor welke graslanden er een verbod op het wijzigen van de vegetatie of een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie van toepassing is.

Het besluit houdende definitieve vaststelling van de kaart van de historisch permanente graslanden wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.

De definitief vastgestelde kaart van de historisch permanente graslanden treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.

AFDELING 2 HET NATUURRAPPORT

Artikel 10. (... - ...)

§ 1. Het natuurrapport wordt opgesteld als een wetenschappelijk rapport in het kader van het milieurapport bedoeld in artikel 2.1.3. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het maakt er een herkenbaar maar integraal deel van uit.

Het dient tevens als inventarisatie bedoeld in artikel 7 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, ondertekend in Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij decreet van 28 maart 1996.

§ 2. Het natuurrapport omvat in het bijzonder:

1° een beschrijving en evaluatie van de bestaande natuur in het Vlaamse Gewest;

2° de te verwachten evolutie van deze natuur bij ongewijzigd en bij het door de Vlaamse regering voorgenomen beleid;

3° de evaluatie van het voorbije beleid, waarbij expliciet gerapporteerd wordt over de afbakening van het VEN en IVON - de voortgang van de natuurrichtplannen zoals bedoeld in artikel 17 en artikel 27 van dit decreet.

§ 3. Het natuurrapport wordt opgesteld door het Instituut.

Bij het opstellen van het natuurrapport worden de administratieve overheid, de relevante overheidsorganen, wetenschappelijke instellingen en organisaties die vertegenwoordigd zijn in de MINA-Raad betrokken.

§ 4. De administratieve overheid stelt, hetzij op eenvoudig verzoek van het Instituut, hetzij uit eigen beweging, alle informatie en kennis waarover zij beschikt en die van nut kan zijn voor het opstellen van het natuurrapport ter beschikking van het Instituut.

§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanvullende inhoud van het natuurrapport, de procedure van het opstellen, de openbaarmaking en het gebruik ervan.

AFDELING 3 HET NATUURBELEIDSPLAN

Artikel 11. (14/02/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse regering stelt een algemeen beleidsplan vast voor het natuurbehoud en het behoud van het natuurlijk milieu.

Dit natuurbeleidsplan is een actieplan en kadert in het milieubeleidsplan bedoeld in artikel 2.1.7. en 2.1.11 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse regering bepaalt de delen van het natuurbeleidsplan die bindend zijn voor de administratieve overheid. Het natuurbeleidsplan kan te allen tijde door de Vlaamse regering geheel of gedeeltelijk worden herzien.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 2.1.7 en 2.1.11 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid omvat het natuurbeleidsplan de volgende deelplannen:

1° het deelplan voor het gebiedsgericht beleid. Dit deelplan bevat :
(1) een nadere uitwerking van het gebiedsgericht beleid dat wordt ingebracht in het kader van het ruimtelijk beleid;
(2) een invulling van het VEN en het IVON, binnen de onderscheiden gebiedscategorieën;
(3) een vooruitblik op het tempo en de situering van de op te maken natuurrichtplannen in de betrokken planperiode;
(4) het deelplan kan ook voorstellen en acties bevatten voor de bevordering van kleine landschapselementen en groengebieden en bosgebieden conform de uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, buiten het VEN en het IVON, voor de natuur in de bebouwde omgeving en voor de algemene natuurkwaliteit;

2° een deelplan met betrekking tot de relatie tussen natuurdoelstellingen en milieukwaliteit in het VEN en in de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, waarin de doelstellingen, maatregelen en indien nodig bijzondere milieukwaliteitsnormen worden vastgelegd die betrekking hebben op de chemische, fysische, morfologische en hydrologische kenmerken van het natuurlijk milieu in relatie tot de natuurdoeltypen;
3° een deelplan voor het behoud van de soorten waarin de doelstelling en de maatregelen inzake de bescherming van levende organismen worden vastgelegd.

In dit deelplan kunnen soortenbeschermingsplannen worden opgenomen met aanwijzing van de gebieden waarin deze van toepassing zullen zijn;

4° een deelplan voor het doelgroepenbeleid. Daarin wordt de aard van de doelgroepen bepaald alsook de daarop betrekking hebbende doelstellingen, de initiatieven inzake educatie en voorlichting en de stimulerende maatregelen;

5° een deelplan met betrekking tot de ondersteuning van de provinciale en lokale overheden.

Artikel 12. (01/09/2009- ...)

Het ontwerp van natuurbeleidsplan wordt onderworpen aan dezelfde adviesprocedure als de procedure die is bepaald in artikel 2.1.9. tot en met 2.1.11. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

[HOOFDSTUK IIIbis GEINTEGREERD BEHEER TEN BEHOEVE VAN HET NATUURBEHOUD (ing. decr. 9 mei 2014, art. 3, I: 28 oktober 2017)]

[AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 4, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 12bis. (28/10/2017- ...)

Bij het beheer van terreinen ten behoeve van het natuurbehoud, wordt gestreefd naar een geïntegreerd beheer waarbij rekening gehouden wordt met de ecologische, de economische en de sociale functie.

[AFDELING 2 DE ECOLOGISCHE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 6, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 12ter. (28/10/2017- ...)

De ecologische functie heeft onder meer betrekking op:
1° de rol van een terrein in het kader van het natuurbehoud en in het kader van de zorg voor het behoud van de biologische diversiteit;
2° de milieubeschermende rol van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud.

Artikel 12quater. (28/10/2017- ...)

De zorg voor de ecologische functie van een terrein wordt onder meer gerealiseerd door:
1° het voeren van een gepast beheer voor de realisatie van de gewenste natuurstreefbeelden;
2° de zorg voor behoud van de biologische diversiteit, onder meer door het bevorderen van de instandhouding van populaties van inheemse dier- en plantensoorten met inbegrip van de instandhouding van hun leefgebieden;
3° de instandhouding van het natuurlijk milieu, inclusief een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding;
4° het voeren van een beheer dat gericht is op het tegengaan van alle nadelige externe beïnvloeding van de natuur en het natuurlijk milieu.

[AFDELING 3 DE ECONOMISCHE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 9, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 12quinquies. (28/10/2017- ...)

De economische functie van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud bestaat onder meer uit het optimaal benutten van ecosysteemdiensten, waaronder de duurzame productie van goederen of diensten, die binnen dit terrein gerealiseerd kunnen worden.

[AFDELING 4 DE SOCIALE FUNCTIE ((ing. decr. 9 mei 2014, art. 11, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 12sexies. (28/10/2017- ...)

De sociale functie van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud heeft onder meer betrekking op:
1° de natuurbeleving en -educatie;
2° de toegankelijkheid van het terrein met het oog op recreatie;
3° de rol van het terrein voor algemene landschapszorg en het beheer van onroerend erfgoed;
4° de rol van het terrein voor het wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 12septies. (02/08/2018- ...)

§ 1. De volgende terreinen zijn toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen:
1° een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud;
2° een bos;
3° een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud en dat werd aangekocht of waarop een zakelijk of persoonlijk recht werd verworven, in beide gevallen met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet.

In afwijking van het eerste lid zijn natuurdomeinen onbeperkt toegankelijk voor voetgangers.

Met de voetganger wordt gelijkgesteld, de rolstoelgebruikers en de fietsers jonger dan 9 jaar.

§ 2. Een terrein als vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, kan door de beheerder geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden gesteld, met uitzondering van de openbare wegen. De ontoegankelijkheid kan van bepaalde duur of van onbepaalde duur zijn en kan betrekking hebben op een of meer categorieën van gebruikers.

In een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud kan de beheerder ook de minder belangrijke openbare wegen ontoegankelijk stellen. Als minder belangrijke openbare wegen worden beschouwd: alle openbare of gedeelten van openbare wegen, met uitzondering van die openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerde verkeer en die in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg.

In een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud of in een terrein dat verworven is met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet, kan de ontoegankelijkheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, alleen in de volgende gevallen worden ingesteld:
1° als ze is opgenomen in een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling, als vermeld in artikel 12octies;
2° als ze noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, zoals bij brandgevaar, storm of andere gevaarlijke situaties;
3° als ze noodzakelijk is voor de bescherming van de inheemse dier- en plantensoorten;
4° als er beheerwerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij de veiligheid van de bezoekers niet gegarandeerd kan worden;
5° als er jacht- en bestrijdingsactiviteiten worden uitgevoerd overeenkomstig de jachtregelgeving of de regelgeving inzake soortenbeheer.

De ontoegankelijkheid wordt op een duidelijk zichtbare wijze aangeduid. De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de aanduiding van de ontoegankelijkheid in terreinen als vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid.

In terreinen van type twee, type drie of type vier, vermeld in artikel 16ter, § 1, waarvoor een natuurbeheerplan is goedgekeurd overeenkomstig artikel 16octies, geldt een minimale toegankelijkheid. Dit betekent dat voor een dergelijk terrein geen volledige ontoegankelijkheid kan worden ingesteld zoals vermeld in het eerste en het tweede lid.

§ 3. Het toelaten van andere categorieën van weggebruikers dan voetgangers of het beperken van de toegankelijkheid wordt vastgesteld in een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling als vermeld in artikel 12octies.

§ 4. De Vlaamse Regering kan voor terreinen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor zover de natuurkwaliteit van het terrein niet wordt bedreigd en de vervulling van de verschillende functies niet wordt verhinderd en onder de voorwaarden die ze bepaalt, regels vaststellen voor:
1° het verlaten van de openbare en de private wegen in bepaalde zones of voor bepaalde activiteiten;
2° het gebruik van de private wegen en de minder belangrijke openbare wegen, vermeld in paragraaf 2, voor risicovolle activiteiten, door het verkrijgen van een vergunning. Met risicovolle activiteiten worden activiteiten bedoeld die door hun aard of omvang schade kunnen teweegbrengen aan fauna, flora of derden;
3° het toelaten van huisdieren.

De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van andere gebruikers dan voetgangers die onder bepaalde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot een terrein als vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De toegankelijkheid voor andere categorieën van gebruikers dan voetgangers wordt op een duidelijk zichtbare wijze aangeduid. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de aanduiding van de toegankelijkheid.

Artikel 12octies. (02/08/2018- ...)

§ 1. De toegankelijkheid van een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, wordt vastgesteld in een toegankelijkheidsregeling. Die regeling mag niet strijdig zijn met de inhoud van het natuurbeheerplan of met de bepalingen van dit decreet.

In de volgende gevallen hoeft geen toegankelijkheidsregeling te worden vastgesteld:
1° in een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste lid, waar de toegankelijkheid beperkt blijft tot het verlenen van toegang voor voetgangers op de openbare en de private wegen als vermeld in artikel 12septies, § 1;
2° in een privaat terrein als vermeld in artikel 12 septies, § 1, eerste lid, waar het terrein ontoegankelijk is gesteld zoals vermeld in artikel 12septies, § 2, eerste lid;
3° in een natuurdomein als vermeld in artikel 12septies, § 1, tweede lid, dat in zijn geheel onbeperkt toegankelijk is voor voetgangers.

In andere terreinen dan deze vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, kan een toegankelijkheidsregeling opgesteld worden als er voor dat terrein een goedgekeurd natuurbeheerplan is.

§ 2. Een toegankelijkheidsregeling kan opgemaakt worden door de beheerder of een groep van beheerder, met de instemming van de eigenaars.

De procedure voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling heeft de volgende kenmerken:
1° een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling wordt ingediend door de beheerder van het terrein, met instemming van de eigenaar;
2° een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling kan tegelijk gebeuren met de aanvraag voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1;
3° een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling wordt onderworpen aan een advies van het agentschap.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde beslist over de aanvragen van de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling, vermeld in het tweede lid.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels over de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling.

Artikel 12novies. (02/08/2018- ...)

In een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, is geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer toegelaten, uitgezonderd op de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerd verkeer en in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg.

Het verbod, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor gemotoriseerd verkeer dat nodig is voor:
1° het uitvoeren van beheeractiviteiten, inclusief jacht- en bestrijdingsactiviteiten overeenkomstig de jachtregelgeving of de regelgeving inzake soortenbeheer;
2° het uitoefenen van toezicht en opsporing;
3° het garanderen van de veiligheid van de bezoekers;
4° bijzondere omstandigheden die vastgesteld zijn in een toegankelijkheidsregeling of een natuurbeheerplan;
5° het gebruik van toegangswegen door de beheerder van het terrein of zijn genodigden in functie van de bereikbaarheid van onroerende goederen.

HOOFDSTUK IV [ MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN HET NATUURBEHOUD (verv. decr. 9 mei 2014, art. 16, I: 28 oktober 2017)]

[AFDELING 1 ALGEMENE MAATREGELEN (ing. decr. 9 mei 2014, art. 17, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 13. (01/08/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse regering kan alle nodige maatregelen nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, evenals voor de instandhouding van het natuurlijk milieu binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, en meer bepaald voor:
1° de bescherming, de instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van natuurlijke of deels natuurlijke habitats of ecosystemen, met inbegrip van de waterrijke gebieden van internationale betekenis;
2° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke of halfnatuurlijke vegetaties;
3° de bescherming, de instandhouding en de ontwikkeling van de wilde inheemse fauna en flora en van de trekkende wilde diersoorten en hun habitats;
4° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van kleine landschapselementen;
5° de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van de natuur in de bebouwde omgeving;
6° het regelen van de toegang tot en het gebruik van het natuurlijke milieu,

§ 2. De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen gericht zijn op het stimuleren van het natuurbeheer, het onderhoud, de natuurontwikkeling en kunnen, binnen de perken van de begroting, een financiële regeling vaststellen.

§ 3. De maatregelen bedoeld in ó 1 kunnen het uitvoeren van bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen. Deze voorwaarden en activiteiten kunnen afhankelijk worden gemaakt van het verkrijgen van een vergunning. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze activiteiten of voorwaarden:
1° de wijze waarop, de omstandigheden waaronder of de plaats waar de activiteit kan worden uitgevoerd;
2° het verlenen van een voorafgaande, schriftelijke vergunning of toestemming door een in het besluit aangewezen overheid;
3° het voorafgaand, schriftelijk melden of kennisgeven van bepaalde activiteiten aan een bij besluit aangewezen overheid, die binnen een bepaalde termijn de gevolgen van de voorgenomen activiteit beoordeelt;
4° het herstel in de oorspronkelijke toestand of in een door het besluit aangegeven toestand na de beëindiging van de activiteit.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie. Het gaat daarbij om de volgende gebieden:
1° de groengebieden, de parkgebieden, de buffergebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden, de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
2° de beschermde duingebieden, aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
3° de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.

De Vlaamse regering kan bepalen welke activiteiten een wijziging zijn van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan.

§ 5. Onverminderd de bepalingen van §§ 3 en 4, wordt het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, tevens afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie in de volgende gebieden:
1° de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en de agrarische gebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
2° het IVON.

§ 6. De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen inzake vrijstelling van de vergunningsplicht, bedoeld in §§ 4 en 5, voor zover uitdrukkelijk voldaan wordt aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 en, in voorkomend geval, voldaan is aan de bepalingen van artikel 16, §§ 1 tot 3 inzake het tegengaan van vermijdbare schade wanneer:
1° voor de vermelde activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid verleend is, na advies van het Agentschap voor Natuur en Bos;
2° de activiteit geregeld is in goedgekeurde plannen of projecten die nader zijn bepaald door de Vlaamse regering;
3° het huiskavels met een maximale grootte van 3 ha betreft;
4° het normale onderhoudswerken betreft.

§ 7. Met behoud van de toepassing van artikel 16 en artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, kunnen samenhangende of periodiek terugkerende activiteiten die een wijziging zijn van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan, in één vergunning worden toegestaan voor zover de aard, de locatie en de omvang en de frequentie van elk van die vergunningsplichtige activiteiten duidelijk omschreven wordt.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de informatie die moet worden aangeleverd door de aanvrager van een vergunning met betrekking tot de termijn, de frequentie en de aard van de activiteiten.

§ 8. Het zonder voorafgaandelijke omgevingsvergunning of in strijd met deze omgevingsvergunning uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen inzake wijziging van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan of van handelingen die verboden zijn op basis van of in uitvoering van artikel 13, § 3, is verboden.

Artikel 14. (01/06/2012- ...)

§ 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die manueel, met mechanische middelen of pesticiden en met vaste of mobiele geluidsbronnen ingrijpt op of in de onmiddellijke omgeving van natuurlijke en deels natuurlijke habitats of ecosystemen, op waterrijke gebieden, op natuurlijke en halfnatuurlijke vegetaties, op wilde inheemse fauna of flora of trekkende wilde diersoorten of hun respectieve habitats of leefgebieden, of op kleine landschapselementen, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

De bepaling van het vorige lid geldt eveneens ten aanzien van wie opdracht geeft tot de in dat lid bedoelde ingrepen.

§ 2. De Vlaamse Regering kan codes van goede natuurpraktijk voor de bescherming, het beheer of de inrichting van de in § 1 bedoelde habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen vaststellen.

Deze codes zijn in beginsel vrijwillig toe te passen, doch kunnen een verplicht karakter krijgen door verwijzing ernaar in bindende bepalingen, zoals in beheerverplichtingen opgelegd door of ter uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet, in natuurrichtplannen of in ter uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet opgestelde beheerplannen.

Artikel 15. (01/08/2018- ...)

De Vlaamse regering stelt regels vast met betrekking tot het aanvragen, verlenen, weigeren, bekendmaken, intrekken en wijzigen van de vergunning of de toestemming, vermeld in artikel 9 en artikel 13, §§ 1, 2 en 3, alsook met betrekking tot de adviesverlening, het openbaar onderzoek en het indienen behandelen en bekendmaken van het beroep, alsook de schorsende werking van het beroep.

 

Artikel 16. (... - ...)

[§ 1. In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

§ 2. Een activiteit waarvoor een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, kan enkel uitgevoerd worden indien geen vermijdbare schade kan ontstaan en voor zover de aanvrager zich in voorkomend geval gedraagt naar de code van goede natuurpraktijk.

De kennisgever dient aan te tonen dat de activiteit geen vermijdbare schade kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit vermijdbare schade kan veroorzaken. Indien dit het geval is of indien de code van goede natuurpraktijk niet wordt nageleefd, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of de melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 3. De Vlaamse regering kan voor bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten, voor bepaalde habitats of ecologische processen, of voor bepaalde soortengroepen, richtlijnen geven voor het beoordelen van het vermijdbare karakter van de activiteit en voor het opleggen van voorwaarden en herstelmaatregelen. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 8, I: 10 september 2002) ]

[AFDELING 2 NATUURBEHEERPLANNEN (ing. decr. 9 mei 2014, art. 18, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 16bis. (28/10/2017- ...)

§ 1. Voor een terrein dat beheerd wordt of zal worden ten behoeve van het natuurbehoud kan een natuurbeheerplan worden opgemaakt.

Een natuurbeheerplan bevat:
1° een beschrijving van de bestaande toestand;
2° een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie;
3° de beheerdoelstellingen;
4° de beheermaatregelen die genomen zullen worden om de beheerdoelstellingen te realiseren;
5° de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen wordt opgevolgd en geëvalueerd.

§ 2. Voor alle natuurdomeinen stelt het agentschap een natuurbeheerplan op.

Met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen stelt de beheerder van een openbaar terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud, een natuurbeheerplan op.

Een natuurbeheerplan kan opgemaakt worden door de beheerder of een groep van beheerders, met de instemming van de eigenaars.

Artikel 16ter. (28/10/2017- ...)

§ 1. Bij het opstellen van een natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 16bis, worden, afhankelijk van de doelstellingen die gekozen worden voor de realisatie van de ecologische functie, de volgende types terreinen onderscheiden:
1° type één: behouden van de aanwezige natuurkwaliteit;
2° type twee: bereiken van een hogere natuurkwaliteit;
3° type drie: bereiken van de hoogste natuurkwaliteit;
4° type vier: erkend natuurreservaat.

§ 2. De private terreinen, waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, die geheel of gedeeltelijk liggen in het VEN of in een speciale beschermingszone in het Vlaamse Gewest, de natuurdomeinen alsook de openbare terreinen waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, moeten ten minste aan de voorwaarden voor type twee voldoen. In het geval vermeld in artikel 16septies, tweede lid, wordt daarbij maximaal gestreefd om te voldoen aan de voorwaarden voor type drie of type vier. Voor natuurdomeinen die verworven zijn met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voldoet het natuurbeheerplan aan de voorwaarden voor type drie of type vier.

Voor de terreinen die niet vermeld zijn in het eerste lid kiest de beheerder van het terrein die een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud wil voeren, uit de vier types, vermeld in het eerste lid. De beheerder kan alleen kiezen voor type drie of type vier als het terrein, in voorkomend geval in samenhang met de ruimtelijke omgeving ervan, voldoende oppervlakte heeft om op duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden.

Artikel 16quater. (28/10/2017- ...)

Het beheer van een terrein van type één als vermeld in artikel 16ter, § 1, 1°, wordt gevoerd met het oog op een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud, waarbij het behoud van de aanwezige natuurkwaliteit en van het natuurlijk milieu gegarandeerd worden.

Artikel 16quinquies. (28/10/2017- ...)

Het beheer van een terrein van type twee als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, wordt gevoerd met het oog op het behouden of ontwikkelen van een hogere natuurkwaliteit en van het behouden of verbeteren van het natuurlijk milieu. Het beheer van een dergelijk terrein is gebaseerd op volgende uitgangspunten:
1° over ten minste een vierde van de oppervlakte van het terrein wordt het realiseren van minstens één natuurstreefbeeld tot doel gesteld;
2° met het oog op een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud worden doelstellingen geformuleerd voor de ecologische, economische en sociale functie in het terrein, waarbij sterk rekening wordt gehouden met de aanwezige en potentiële natuurwaarden, en waarbij de maatregelen ter realisatie van de economische functie en sociale functie het vervullen van de ecologische functie niet mogen bemoeilijken of verhinderen;
3° de beheerder kan plaatselijk en voor een of meer delen van het terrein de klemtoon op het realiseren van een bepaalde functie leggen, op voorwaarde dat de andere functies voldoende in het volledige terrein aan bod komen.

Artikel 16sexies. (28/10/2017- ...)

Het beheer van een terrein van type drie of type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 3° en 4°, wordt gevoerd met het oog op het behouden of ontwikkelen van de hoogste natuurkwaliteit. Het beheer van een dergelijk terrein is gebaseerd op volgende uitgangspunten:
1° over de volledige oppervlakte van het terrein wordt het realiseren van minstens één natuurstreefbeeld tot doel gesteld;
2° er kan bovendien gestreefd worden naar de realisatie van de sociale functie en de economische functie, op voorwaarde dat dit de realisatie van de ecologische functie en van de natuurstreefbeelden niet bemoeilijkt of verhindert.

Om gemotiveerde reden kan in het natuurbeheerplan worden afgeweken van de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 1°, voor ten hoogste tien percent van de oppervlakte van het terrein.

Artikel 16septies. (28/10/2017- ...)

De beheerdoelstellingen en -maatregelen in een natuurbeheerplan moeten in voorkomend geval in overeenstemming zijn met:
1° de instandhoudingsdoelstellingen;
2° de soortenbeschermingsprogramma's;
3° de al vastgestelde natuurrichtplannen;
4° de managementplannen, vermeld in artikel 48;
5° de bepalingen van het managementplan Natura 2000.

Indien het natuurbeheerplan betrekking heeft op terreinen die zich bevinden in een speciale beschermingszone in het Vlaamse Gewest wordt het natuurbeheerplan binnen de zoekzones, vermeld in artikel 50septies, § 4, maximaal afgestemd op de bepalingen van het managementplan Natura 2000 voor zover het betrekking heeft op:
1° natuurdomeinen;
2° openbare terreinen;
3° terreinen die werden aangekocht of waarop een zakelijk of persoonlijk recht werd verworven, in beide gevallen met financiële tussenkomst van de administratieve overheid in uitvoering van dit decreet.

Naast de maximale afstemming op de bepalingen van het managementplan Natura 2000, als vermeld in het tweede lid, kan het natuurbeheerplan ook het realiseren van natuurstreefbeelden van regionaal belang omvatten.

De Vlaamse Regering stelt de natuurstreefbeelden vast die voor het Vlaamse Gewest van regionaal belang zijn.

De Vlaamse Regering stelt een lijst van de natuurstreefbeelden vast die in aanmerking komen voor terreinen van type twee, type drie en type vier.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om te beoordelen of het terrein van type drie of type vier voldoende oppervlakte heeft om op een duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden.

De Vlaamse Regering stelt voor de vier types van terreinen de nadere criteria vast waaraan het beheer, bepaald in een natuurbeheerplan, moet voldoen.

Als naast een natuurbeheerplan ook een beheerplan in het kader van het Onroerend-erfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt, worden alle beheerdoelstellingen voor dat terrein in één beheerplan geïntegreerd. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op dat geïntegreerde beheerplan.

Artikel 16octies. (28/10/2017- ...)

§ 1. De procedure voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan verloopt als volgt:
1° in een eerste, verkennend deel wordt de informatie verzameld die nodig is om te bepalen met welk van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, het geplande beheer overeenstemt. Dit eerste deel wordt goedgekeurd door het agentschap;
2° na de goedkeuring van het eerste deel wordt een ontwerp van een natuurbeheerplan opgemaakt;
3° een ontwerp van natuurbeheerplan, vermeld in punt 2°, wordt onderworpen aan een consultatie van het publiek als het gaat om terreinen van type twee, type drie of type vier;
4° een ontwerp van natuurbeheerplan, vermeld in punt 2°, wordt onderworpen aan het advies van door de Vlaamse Regering aan te wijzen instanties. De Vlaamse Regering kan bepalen voor welke types van terreinen advies moet worden verleend;
5° er wordt een beslissing genomen over het ontwerp van natuurbeheerplan.

De beslissing, vermeld in punt 5° van het eerste lid, gebeurt door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde als het ontwerp van natuurbeheerplan betrekking heeft op een natuurdomein. Het agentschap beslist over de goedkeuring van het ontwerp van het natuurbeheerplan van andere terreinen.

§ 2. Er worden evaluatiemomenten voorzien om te bepalen in welke mate de in een natuurbeheerplan vooropgestelde beheerdoelstellingen gerealiseerd worden. Het resultaat van deze evaluatiemomenten kan leiden tot de wijziging van een natuurbeheerplan.

§ 3. Een natuurbeheerplan geldt voor een periode van 24 jaar, tenzij bij de goedkeuring ervan anders is bepaald.

§ 4. Een goedgekeurd natuurbeheerplan wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De goedgekeurde natuurbeheerplannen worden door het agentschap opgenomen in een register en meegedeeld aan de gemeente of gemeenten waarin het terrein geheel of gedeeltelijk ligt.

Artikel 16novies. (09/06/2018- ...)

 § 1. De goedkeuring van het natuurbeheerplan houdt voor de beheerder van het terrein een verbintenis in tot de uitvoering van de in het natuurbeheerplan opgenomen beheermaatregelen, voor zover de financieringsverbintenis wordt nageleefd.

De goedkeuring van het natuurbeheerplan, ander dan dit van type één, houdt voor het Vlaamse Gewest een verbintenis in tot financiering, binnen de perken van de begroting van de in het natuurbeheerplan opgenomen maatregelen, die voor subsidie in aanmerking komen met toepassing van artikel 16sedecies, § 1, 2°.

Voor zover de realisatie van het in het natuurbeheerplan opgenomen globaal kader en de beheerdoelstellingen niet in het gedrang komt, kan de beheerder afwijken van de beheermaatregelen die het goedgekeurde natuurbeheerplan bevat, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden inzake natuurbeheer die zijn opgenomen in het natuurbeheerplan en de afwijking van de beheermaatregelen geen gevolg heeft buiten het terrein. Afwijkende beheermaatregelen die wel de realisatie van het globaal kader en de beheerdoelstellingen in het gedrang brengen of die gevolgen hebben buiten het terrein, zijn pas mogelijk na een goedgekeurde wijziging van het natuurbeheerplan.

Een goedgekeurd natuurbeheerplan is bindend voor de opeenvolgende beheerders.

De overname van het beheer van een terrein met een goedgekeurd natuurbeheerplan door een nieuwe beheerder wordt binnen een termijn van dertig dagen na de overname door de vorige beheerder aan het agentschap gemeld.

§ 2. De instrumenterend ambtenaar vermeldt in alle akten van verkoop, schenking of verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en hun wijzigingen, dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een terrein waarop een goedgekeurd natuurbeheerplan van toepassing is:
1° de datum waarop het natuurbeheerplan werd goedgekeurd, de duur waarvoor het werd goedgekeurd en de verplichtingen die het meebrengt voor de verwerver van het onroerend goed;
2° het bestaan van de erfdienstbaarheid, vermeld in artikel 16quater decies, § 2.

Artikel 16decies. (28/10/2017- ...)

§ 1. Als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurd natuurbeheerplan is opgenomen, en dat doet op zodanige wijze dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt, kan het agentschap beslissen om het natuurbeheerplan op te heffen, na de beheerder gehoord te hebben. Het agentschap kan voorstellen aan de Vlaamse Regering om te beslissen dat het agentschap het beheer van het terrein overneemt gedurende de resterende looptijd van het natuurbeheerplan, voor zover het beheer ervan van belang is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en voor zover het beheer van het terrein op voorstel van de beheerder niet kan overgenomen worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen. De beslissing over de overname wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.

Bij de beslissing tot opheffing van het natuurbeheerplan of tot overname van het beheer, vermeld in het eerste lid, wordt het verlenen van subsidies stopgezet door het agentschap. De verleende subsidies worden geheel of gedeeltelijk teruggevorderd.

§ 2. De beheerder van een terrein kan het agentschap verzoeken om het natuurbeheerplan op te heffen.

Het agentschap kan het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier voor een privaat terrein alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat de opheffing wordt gevraagd omwille van gevallen van overmacht waardoor de beheerder in de onmogelijkheid verkeert om het beheerplan uit te voeren.

Als het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier betrekking heeft op een openbaar terrein kan het agentschap het verzoek tot opheffing alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat het verzoek tot opheffing noodzakelijk is voor maatregelen die een maatschappelijk belang dienen.

Het agentschap kan, na de beheerder gehoord te hebben, voorstellen aan de Vlaamse Regering om te beslissen dat het agentschap het beheer van het terrein overneemt gedurende de resterende looptijd van het natuurbeheerplan, voor zover het beheer ervan van belang is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en voor zover het beheer van het terrein op voorstel van de beheerder niet kan overgenomen worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen. De beslissing over de overname wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.

Bij de beslissing tot opheffing van het natuurbeheerplan of tot overname van het beheer, vermeld in het vierde lid, wordt het verlenen van subsidies stopgezet door het agentschap. De verleende subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

§ 3. De beheerder van het privaat terrein ontvangt vanaf het ogenblik van de overname van het beheer door het agentschap, vermeld in de paragrafen 1 en 2, een vergoeding van het agentschap die overeenkomt met het kadastraal inkomen van het terrein, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk als vermeld in artikel 518 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, dat van toepassing is op het ogenblik van de overname van het beheer. De vergoeding wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het in artikel 518 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 bedoelde indexcijfer.

§ 4. In geval van gehele of gedeeltelijke terugvordering van subsidies met toepassing van paragraaf 1 en 2, is de beheerder van het terrein gehouden tot terugbetaling van de subsidie, vermeld in artikel 13bis van het Bosdecreet, voor de resterende duur van de periode waarvoor ze geacht wordt te zijn toegekend.

Artikel 16undecies. (28/10/2017- ...)

§ 1. Met uitzondering van de beslissing van de Vlaamse Regering over de overname van het beheer, vermeld in artikel 16decies, § 1, eerste lid, en § 2, vierde lid, kan de beheerder van het terrein tegen de beslissingen van het agentschap, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 1°, en tweede lid, en § 2, artikel 16decies, § 1, eerste en tweede lid, en § 2, vierde en vijfde lid, binnen een vervaltermijn van dertig dagen na kennisgeving van de beslissing, een beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Dat beroep is niet schorsend.

§ 2. De beslissing over het beroep, vermeld in paragraaf 1, wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.

De adviesinstantie brengt een schriftelijk en gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Als er binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

Artikel 16duodecies. (28/10/2017- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor:
1° de inhoud van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid;
2° de procedure voor de goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, inclusief de wijze waarop de consultatie van het publiek plaatsvindt en de aanwijzing van instanties die advies uitbrengen over het natuurbeheerplan;
3° de procedure voor de wijziging van een natuurbeheerplan en de gevallen waarin tot wijziging van dat plan moet worden overgegaan;
4° de procedure voor de opheffing van een natuurbeheerplan, de terugbetaling van subsidies en de overname van het beheer door het agentschap, en de nadere regels voor de betaling en de indexering van de vergoeding bij overname van het beheer, vermeld in artikel 16decies, § 3;
5° de opvolging en evaluatie van de uitvoering van het natuurbeheerplan;
6° de melding van de overname van het beheer, vermeld in artikel 16novies, § 1, vijfde lid;
7° de procedure van beroep, vermeld in artikel 16undecies, § 1;
8° de samenstelling en de werking van de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1, eerste lid, 16decies, § 2, vierde lid, en 16undecies, § 2, eerste lid. De adviesinstantie moet beschikken over voldoende expertise en onafhankelijkheid.

[AFDELING 3 DE ERKENNING ALS NATUURRESERVAAT (ing. decr. 9 mei 2014, art. 30, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 16ter decies. (28/10/2017- ...)

§ 1. Een terrein van type vier, als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, is een terrein van type drie met een goedgekeurd natuurbeheerplan dat tevens erkend is als natuurreservaat.

§ 2. Om erkend te kunnen worden als natuurreservaat moet een terrein aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° het terrein voldoet aan het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten. Het terrein moet zich kunnen ontwikkelen om een belangrijke bijdrage te leveren op een van de volgende vlakken:
a) op het vlak van de habitats, populaties van inheemse dier- en plantensoorten en ecosystemen;
b) op het vlak van mozaïeklandschappen en onbeheerde climaxvegetaties, waarbij natuurlijke processen een sturende rol spelen;
c) op het vlak van het natuurlijk milieu met hoge natuurkwaliteit en hoge biodiversiteit;
2° de schaal van het terrein is voldoende ruim voor het duurzaam voeren van een gepast natuurbeheer voor de realisatie van de beoogde natuurstreefbeelden en voor de instand-houding van populaties of deelpopulaties van de soorten die kenmerkend zijn voor de beoogde natuurstreefbeelden.

§ 3. In de agrarische gebieden en de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, gelegen buiten de gebieden afgebakend in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen, kunnen terreinen erkend worden als natuurreservaat (type vier) als ze aan de volgende criteria voldoen:
1° ofwel zijn het gronden die een actuele hoge natuurwaarde hebben en weinig geschikt zijn voor normaal landbouwgebruik in de betrokken landbouwstreek en waarvan de erkenning de agrarische structuur niet aantast;
2° ofwel zijn het gebieden met een hoge actuele of potentiële natuurwaarde en lage landbouwwaarde die in het kader van een goedgekeurd ruilverkavelingsplan of een goedgekeurd richtplan van een landinrichtingsproject hiertoe zijn aangewezen en waarvan de erkenning de agrarische structuur niet aantast.

§ 4. In de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of agrarische gebieden met bijzondere waarde buiten het VEN en buiten de gebieden afgebakend in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen, kan de Vlaamse Regering specifieke criteria voor erkenning vaststellen.

§ 5. De criteria vermeld in de paragrafen 3 en 4 zijn ook van toepassing voor de subsidie zoals vermeld in artikel 16sedecies, § 1, 3°.

Artikel 16quater decies. (28/10/2017- ...)

§ 1. De procedure voor de erkenning van een natuurreservaat heeft de volgende kenmerken:
1° een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat wordt ingediend door de beheerder van het terrein, met instemming van de eigenaar;
2° een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat kan tegelijk gebeuren met de aanvraag voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan voor een terrein van type drie, vermeld in artikel 16octies, § 1;
3° een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat wordt onderworpen aan een advies van het agentschap om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 16ter decies.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde beslist over de aanvragen van de erkenning als natuurreservaat, vermeld in het eerste lid.

De erkenning als natuurreservaat wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. De erkenning als natuurreservaat vestigt een erfdienstbaarheid tot algemeen nut op het terrein, meer bepaald een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van duurzaam gebruik en langdurig beheer van het terrein als natuurreservaat.

§ 3. De Vlaamse Regering of haar gemachtigde kan, na de beheerder gehoord te hebben, de erkenning als natuurreservaat van een terrein opheffen vanaf het ogenblik dat niet meer aan de voorwaarden van erkenning wordt voldaan. De opheffing van het natuurbeheerplan van een als natuurreservaat erkend terrein houdt van rechtswege de opheffing van de erkenning als natuurreservaat in. In dat geval kan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde, na de beheerder gehoord te hebben, beslissen om de verleende subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.

De opheffing van de erkenning als natuurreservaat wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 16quindecies. (28/10/2017- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure van de erkenning als natuurreservaat, van de wijziging en de opheffing ervan.

De Vlaamse Regering stelt ook het toetsingskader vermeld in artikel 16ter decies, § 2, vast waaraan een terrein moet voldoen om erkend te kunnen worden als natuurreservaat.

[AFDELING 4 SUBSIDIES (ing. decr. 9 mei 2014, art. 34, I: 28 oktober 2017)]

Artikel 16sedecies. (28/10/2017- ...)

§ 1. Om de ontwikkeling en uitvoering van het natuurbeheer te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor:
1° de opmaak van een natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 16bis, voor terreinen van type twee, drie of vier;
2° de uitvoering van de beheer- en inrichtingsmaatregelen voor de realisatie van een natuurstreefbeeld en de opvolging van de beheerdoelstellingen, vermeld in artikel 16bis;
3° de aankoop van of het verwerven van een zakelijk of persoonlijk recht op gronden, met als doel ze te laten erkennen als natuurreservaat;
4° de openstelling van een terrein met een goedgekeurd natuurbeheerplan en de aanleg van de infrastructuurwerken om deze openstelling mogelijk te maken, alsook het onthaal van de bezoekers in een erkend natuurreservaat.

De Vlaamse Regering bepaalt telkens voor een periode van drie jaar nadere regels met betrekking tot het aandeel van het verleende budget voor de aankoop en subsidie voor aankoop van gronden vermeld in het eerste lid, 3°, in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Aankopen die niet gericht zijn op instandhoudingsdoelstellingen, door de Vlaamse overheid of met subsidie van de Vlaamse overheid, zijn niet gericht op percelen in beroepslandbouwgebruik. De regels worden geëvalueerd voor het verstrijken van een periode van drie jaar.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden om voor de subsidies, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen. Daarbij houdt de Vlaamse Regering onder meer rekening met de volgende criteria:
1° de goedkeuring van het natuurbeheerplan. Voorafgaand aan de goedkeuring van een natuurbeheerplan kan de subsidie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, toegekend worden, en er kan een voorschot uitbetaald worden. De volledige uitbetaling van de subsidie is pas mogelijk na de goedkeuring van een natuurbeheerplan;
2° in eerste instantie de mate waarin de beoogde natuurstreefbeelden worden bereikt en vervolgens de mate waarin de beheer- en inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd;
3° de mate waarin de beoogde openstelling van het terrein wordt bereikt en de mate waarin het onthaal van de bezoekers in erkende natuurreservaten wordt gerealiseerd.

Met behoud van de toepassing van de mogelijkheid tot terugvordering van subsidies, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16quaterdecies, § 3, voorziet de Vlaamse Regering nog in andere mogelijkheden om subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, namelijk in de volgende gevallen:
1° als blijkt dat een begunstigde van subsidies, verleend op basis van dit artikel, andere subsidies voor dezelfde activiteit heeft verkregen, waardoor de totale subsidies 100% van de totale aangetoonde kostprijs van de gesubsidieerde activiteit overschrijden;
2° als blijkt dat een begunstigde van subsidies, verleend op basis van dit artikel, niet langer voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor die subsidies.

De Vlaamse Regering bepaalt ook:
1° de wijze van berekening van de subsidie;
2° de procedures voor de aanvraag, de beoordeling, de toekenning en de uitbetaling van de subsidie en de evaluatie van de bereikte resultaten;
3° de procedure voor de terugvordering van de subsidies.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de cumulatie van de subsidies toegekend op basis van deze bepaling met subsidies die zijn toegekend op basis van alle andere regelgeving.

Artikel 16septiesdecies. (09/06/2018- ...)

De volgende vrijstellingen worden geacht als subsidie te zijn verleend:
1° de vrijstelling van de erfbelasting, vermeld in artikel 2.7.6.0.5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
2° de vrijstelling van de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.6.0.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
3° de vrijstelling van het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

De subsidie wordt geacht te zijn verleend gedurende 24 jaar, a rato van 1/24 per jaar, te rekenen vanaf:
1° voor de vrijstelling van de erfbelasting als vermeld in het eerste lid, 1° : de datum van overlijden van de erflater;
2° voor de vrijstelling van de schenkbelasting als vermeld in het eerste lid, 2° : de datum van de schenkingsakte die, zonder toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aan de schenkbelasting onderworpen zou zijn;
3° voor de vrijstelling van het verkooprecht als vermeld in het eerste lid, 3° : de datum van de authentieke akte van verkrijging die, zonder toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aan het verkooprecht onderworpen zou zijn.

Bij een rechtshandeling als vermeld in het tweede lid, 2° of 3°, die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

In het geval dat een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaat, worden de subsidies, vermeld in het eerste lid, toegekend onder de volgende voorwaarden:
1° voor een periode van 24 jaar, te rekenen vanaf de data, vermeld in het tweede lid, moet voor het terrein een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaan;
2° het effectief gevoerde beheer stemt overeen met het goedgekeurde natuurbeheerplan;
3° het beheer wordt niet overgenomen conform artikel 16decies.

In het geval dat de intentie bestaat om een natuurbeheerplan te laten goedkeuren, worden de subsidies, vermeld in het eerste lid, toegekend onder de volgende voorwaarden:
1° binnen twee jaar wordt het eerste verkennende deel van de procedure tot goedkeuring van een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 1°, goedgekeurd, te rekenen vanaf de data, vermeld in het tweede lid;
2° binnen vier jaar na de data, vermeld in het tweede lid, wordt een natuurbeheerplan goedgekeurd;
3° voor de nog resterende looptijd van de periode van 24 jaar, vermeld in het tweede lid, op de datum van goedkeuring van het natuurbeheerplan:
a) blijft een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaan;
b) stemt het effectief gevoerde beheer overeen met het goedgekeurde natuurbeheerplan;
c) wordt het beheer niet overgenomen conform artikel 16decies.

Artikel 16duodevicies. (09/06/2018- ...)

§ 1. Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, teruggevorderd van de eigenaar of vruchtgebruiker van het onroerend goed.

§ 2. In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.

Artikel 16undevicies. (09/06/2018- ...)

§ 1. Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, teruggevorderd van de eigenaar van het onroerend goed of bij de vruchtgebruiker.

§ 2. In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.

Artikel 16vicies. (09/06/2018- ...)

§ 1. Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, teruggevorderd bij de eigenaar of vruchtgebruiker van het onroerend goed.

§ 2. In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.

HOOFDSTUK V GEBIEDSGERICHT BELEID

AFDELING 1 HET VLAAMS ECOLOGISCH NETWERK (VEN)

Artikel 17. (01/05/2017- ...)

§ 1. Het Vlaams Ecologisch Netwerk is een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd.

De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 125 000 ha af.

§ 2. Het Vlaams Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen:
1° Grote Eenheden Natuur (GEN): dit zijn gebieden die hetzij natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is;
2° Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO): dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen:
a) aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
b) aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
c) terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuur- ontwikkeling.

De GEN en de GENO omvatten gebieden met een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte.

§ 3. Elke GEN of GENO die de Vlaamse Regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, wordt van rechtswege beschouwd als een GEN of GENO in de zin van dit decreet.

Een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO. Het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan bevat voorstellen voor schadebeperkende en compenserende maatregelen. In het geval dergelijke opheffing gebeurt door middel van een gemeentelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dient, voor wat die opheffing aangaat, het betrokken ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorafgegaan te worden door een advies vanwege de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, en dit uiterlijk tijdens de plenaire vergadering, vermeld in artikel 2.2.20, tweede lid, respectievelijk artikel 2.2.14, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of binnen de adviestermijn van eenentwintig dagen als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd zoals vermeld in artikel 2.2.20, zesde lid, respectievelijk artikel 2.2.14, zesde lid, van dezelfde codex. Dit advies geeft de benodigde schadebeperking en compenserende maatregelen aan. Het advies is bindend. Het betrokken college van burgemeester en schepenen respectievelijk de betrokken bestendige deputatie kan, met het oog op herziening van dit advies, beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de te volgen procedure.

De in het vorige lid bedoelde opheffing kan niet gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen wanneer het betrokken gedeelte van GEN of GENO gelegen is binnen een gebied dat definitief is vastgesteld als speciale beschermingszone in de zin van artikel 36bis, §§ 12 of 13. De in het vorige lid bedoelde opheffing kan maar gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zover het om grenscorrecties gaat en voor zover er door deze opheffing geen betekenisvolle schade aan de natuur of het natuurlijk milieu in het VEN kan veroorzaakt worden.

Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk. uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd.

Artikel 18. (... - ...)

De administratieve overheid voert, [binnen haar bevoegdheden, (ing. decr. 19 juli 2002, art. 10, I: 10 september 2002) ] in het VEN, een beheer van de waterhuishouding gericht op de verwezenlijking van een duurzaam ecologisch functioneren van een watersysteem dat bij de bestaande of beoogde natuur behoort. In het bijzonder worden beoogd: het terugdringen van de risico's op verdroging, het herstel van verdroogde natuurgebieden en het beheer van de waterlopen gericht op het behoud en herstel van de natuurwaarden, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gebieden buiten het VEN.

Artikel 19. (... - ...)

De Vlaamse regering bepaalt de projecten, plannen of activiteiten die plaatsvinden binnen het VEN, en projecten, plannen of activiteiten die op gebieden binnen het VEN een rechtstreekse hydrologische invloed hebben, waarvoor de initiatiefnemer of de beheerder van de betrokken waterloop of waterwinning in samenwerking met het Instituut hydrologische studies moet maken met inbegrip van ecologische impactstudies, met het oog op effectgerichte maatregelen en afstemming van de invloeden op de aanwezige en potentiële natuurelementen.

De regering bepaalt onder welke voorwaarden deze studies geïntegreerd worden in de vereiste milieueffectrapportage.

Artikel 20. (... - ...)

De Vlaamse regering kan de gebiedscategorieën van het VEN, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, aanduiden, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

[1° als GEN kunnen worden aangeduid: de groengebieden, parkgebieden, buffergebieden, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, militaire domeinen en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, en de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;

2° als GENO kunnen worden aangeduid de in 1° vermelde gebiedscategorieën, alsmede:

- de ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als nabestemming hebben;

- de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de bosuitbreidingsgebieden en de natuurontwikkelingsgebieden, en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 11, I: 10 september 2002) ]

Artikel 21. (... - ...)

[§ 1. Voor de afbakening van een GEN of GENO stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke personen dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen.

§ 2. De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures.

§ 3. De Vlaamse regering stelt het ontwerp van afbakeningsplan voorlopig vast.

§ 4. Vanaf de voorlopige vaststelling van het ontwerp van afbakeningsplan zijn de reglementaire bepalingen van artikel 25 van toepassing.

§ 5. De Vlaamse regering onderwerpt het ontwerp van afbakeningsplan aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Gewest worden verspreid.

Deze aankondiging vermeldt minstens:

1° de gemeenten waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;

2° waar het ontwerpplan ter inzage ligt;

3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;

4° het adres waar de opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 8 dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

§ 6. Na de aankondiging wordt het ontwerpplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

§ 7. De bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Minaraad toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 6 worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces-verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de bezwaren en opmerkingen aan de Minaraad. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan de Minaraad worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan de Minaraad worden bezorgd.

§ 8. De Minaraad coördineert alle bezwaren en opmerkingen en brengt binnen 60 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering.

Dit advies bevat desgevallend een meerderheids- en een minderheidsstandpunt.

Op gemotiveerd verzoek van de Minaraad binnen een termijn van 25 dagen na het einde van het openbaar onderzoek beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn van 60 dagen waarbinnen de Minaraad zijn advies diende uit te brengen.

Bij gebrek aan een beslissing binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van het verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend.

§ 9. De Vlaamse regering stelt binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of 240 dagen in geval van verlenging van de termijn vermeld in § 8, het plan definitief vast.

Het besluit houdende definitieve vaststelling van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.

Het definitief vastgestelde plan treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.

De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitief vastgestelde plan en van het vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en elke gemeente, bedoeld in § 5, waar deze documenten kunnen worden ingekeken. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 12, I: 10 september 2002) ]

Artikel 22. (... - ...)

[... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 13, I: 10 september 2002) ]

Artikel 23. (... - ...)

[... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 13, I: 10 september 2002) ]

Artikel 24. (... - ...)

§ 1. Een afbakeningsplan van GEN of GENO kan te allen tijde, binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 20, worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

§ 2. Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.

Artikel 25. (28/10/2017- ...)

§ 1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, de nodige maatregelen om in GEN, bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied, en in GENO, rekening houdend met de overige functies in het gebied, de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen.

Naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI en onverminderd hetgeen bepaald wordt in het eerste lid, hebben deze maatregelen betrekking op:
1° het bevorderen van een natuurgerichte bosbouw en het instellen van bosreservaten, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
2° het behouden, herstellen en/of op natuurelementen met een hoge natuurkwaliteit afstemmen van de waterhuishouding, ondermeer de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de natuurlijke structuur van de waterlopen en hun randzones, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft op de omliggende gebieden;
3° het beschermen van de insijpelingsgebieden van het grondwater;
4° het behouden en herstellen van het microreliëf en de structuur van het landschap;
5° het recreatieve medegebruik;
6° het agrarisch medegebruik;
7° het beheer van de natuurwaarden gedurende of na afloop van de economische of andere activiteiten die in het gebied plaatsvinden, rekening houdend met cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.

§ 2. ...

§ 3. In de GEN en de GENO gelden de volgende voorschriften:
1° het gebruik van meststoffen wordt geregeld overeenkomstig het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
2° behoudens individuele ontheffing, verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos of algemene ontheffing, is het verboden:
1) pesticiden te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor de percelen van de landbouwbedrijven waar in het kader van artikel 15, § 5, lid twee en vier, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, een ontheffing geldt; noch voor de percelen van landbouwbedrijven die onder de bepalingen van artikel 14 of artikel 15, §§ 1 tot 4 en § 6 van bovengenoemd decreet vallen; noch voor gronden die louter om de reden dat deze verworven zijn in de periode tussen de aangifte 95 en de inwerkingtreding van het mestdecreet niet onder de toepassing van hogervermelde ontheffing vallen, behalve in bepaalde gevallen aangeduid door de Vlaamse regering, waarbij de modaliteiten of middelen nader kunnen worden gespecificeerd zonder nochtans tot een volledig verbod te kunnen overgaan;
2) behoudens in toepassing van een goedgekeurd beheersplan conform het bosdecreet van 13 juni 1990 of met toepassing van een natuurbeheerplan conform dit decreet, de vegetatie, met inbegrip van meerjarige cultuurgewassen of van kleine landschapselementen te wijzigen;
3) het reliëf van de bodem te wijzigen;
4) werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering versterken;
5) de structuur van de waterlopen te wijzigen.

Met behoud van de toepassing van artikel 16, artikel 26bis en artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, kunnen samenhangende of periodiek terugkerende ontheffingsplichtige activiteiten, in één ontheffing worden toegestaan voor zover de aard, de locatie en de omvang en de frequentie van elk van die ontheffingsplichtige activiteiten duidelijk omschreven wordt.

De Vlaamse regering bepaalt na advies van MINA-Raad, de voorwaarden en de procedure, de termijn en de beroepsprocedure tot het verlenen van ontheffingen zoals bedoeld in § 3, 2° van dit artikel.

De Vlaamse regering kan onverminderd de toepassing van artikelen 18 en 19 voor de bestaande vergunde drinkwaterwinningen en de bijhorende vergunde capaciteit een algemene ontheffing verlenen op de verbodsbepaling inzake het uitvoeren van werkzaamheden die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen.

Artikel 26. (... - ...)

[... (opgeh. decr. 19 juli 2002, art. 15, I: 10 september 2002) ]

Artikel 26bis. (... - ...)

§ 1. De overheid mag geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

Als voor een activiteit een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, dient door de kennisgever worden aangetoond dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer dit het geval is, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in het kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.

De Vlaamse regering kan bepalen hoe moet aangetoond worden dat een activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

§ 2. De in § 1 bedoelde overheid vraagt in de gevallen bedoeld in § 1 advies aan de dienst bevoegd voor het natuurbehoud over de vraag of de betrokken activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure die moet nageleefd worden voor het vragen van het advies.

§ 3. In afwijking van § 1 kan een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden.

Degene die de aanvraag, de kennisgeving of de melding bedoeld in § 1 gedaan heeft en die respectievelijk een weigering of een bericht zoals bedoeld in § 1, tweede lid van de betrokken overheid heeft ontvangen, richt tot deze overheid een verzoek tot het toepassen van de in deze paragraaf bedoelde afwijkingsmogelijkheid.

De Vlaamse regering bepaalt de procedure voor deze aanvragen en voor het behandelen ervan.

De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 16, I: 10 september 2002) ]

AFDELING 2 HET INTEGRAAL VERWEVINGS- EN ONDERSTEUNEND NETWERK

Artikel 27. (14/02/2009- ...)

§ 1. Het IVON is een geheel van gebieden waarin de administratieve overheid, binnen haar bevoegdheden, zorg draagt voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden, maatregelen neemt ter bevordering en versterking van die natuurwaarden, alsook stimulerende maatregelen neemt ter bevordering van de biologische diversiteit.

Deze maatregelen mogen de landbouw- en bosbouwexploitatie binnen het daartoe bestemd gebied niet regelen, tenzij via het instrument van de beheersovereenkomsten conform artikelen 45 en 46.

§ 2. Het IVON omvat de volgende onderdelen:

1° natuurverwevingsgebieden: dit zijn aaneengesloten gebieden waarin verschillende functies voorkomen en die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van hoge natuurwaarden, waarvan de duurzaamheid kan worden bereikt door het realiseren van het standstill-beginsel, het instandhouden en herstellen van de structuurkenmerken van de waterlopen, het instandhouden en herstellen van de waterhuishouding, het reliëf en de bodem en het bevorderen van het onderhoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden.

Als natuurverwevingsgebied kunnen worden aangeduid alle in artikel 20 aangeduide gebieden alsook de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en recreatiegebieden met toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996.

De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 150.000 ha natuurverwevingsgebieden af;

2° natuurverbindingsgebieden: dit zijn gebieden die ongeacht hun oppervlakte van belang zijn voor de migratie van planten en dieren tussen de gebieden van het VEN en/of natuurreservaten en die strook- of lijnvormig zijn met een aaneenschakeling van kleine landschapselementen.

§ 3. Elk natuurverwevingsgebied dat de Vlaamse regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverwevingsgebied in de zin van dit decreet.

Elk natuurverbindingsgebied of met dit gebied vergelijkbaar gebied dat de provincieraad afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverbindingsgebied in de zin van dit decreet.

Een volgens artikel 30, § 1, vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor een onderdeel waarvoor later een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 27, § 2 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als onderdeel van het natuurverwevingsgebied. Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd.

Een volgens artikel 30, § 2, vastgesteld afbakeningsplan van een natuurverbindingsgebied kan worden opgeheven door een gewestelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of door afbakeningen op basis van artikelen 21 of 30, § 1.

Artikel 28. (... - ...)

§ 1. In de natuurverwevingsgebieden is de administratieve overheid ertoe gehouden, [binnen haar bevoegdheden, (ing. decr. 19 juli 2002, art. 18, I: 10 september 2002) ] de nodige maatregelen te nemen om, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies in het gebied, de bestaande natuur te beschermen en te ontwikkelen, onder meer door bij de uitvoering van het beleid van de overheid zorg te dragen voor:

1° het behoud van de kwaliteit van de habitats en de kwantiteit van de natuurwaarden;

2° het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van reliëf en bodem;

3° binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding, het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van reliëf en bodem evenals het herstel hiervan;

4° het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen.

§ 2. [Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit ter bevordering van:

1° een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;

2° de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;

3° het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;

4° binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;

5° het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;

6° de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 18, I: 10 september 2002) ]

Artikel 29. (14/02/2009- ...)

Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen in de natuurverbindingsgebieden naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit gericht op:
1° inrichting met het oog op het instandhouden of verbeteren van de verbindingsfunctie;
2° onderhoud, ontwikkeling en beheer van de kleine landschapselementen en overige verbindingselementen met inbegrip van waterlopen;
3° de instandhouding en de ontwikkeling van de bestaande natuurelementen.

Artikel 30. (29/06/2007- ...)

§ 1. Voor de afbakening van een gebied als natuurverwevingsgebied, stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen. De afbakening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 21, §§ 2 tot 9, met dien verstande dat het in § 4 vermelde artikel 25 hier moet begrepen worden als artikel 28.

§ 2. De bestendige deputatie bakent de natuurverbindingsgebieden af. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure.

Artikel 31. (... - ...)

§ 1. Een afbakeningsplan van een deel van IVON kan te allen tijde binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 27 worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

§ 2. Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.

AFDELING 3 NATUURRESERVATEN

Artikel 32. (28/10/2017- ...)

...

Artikel 33. (28/10/2017- ...)

...

Artikel 34. (28/10/2017- ...)

...

Artikel 35. (28/10/2017- ...)

§ 1. ...

§ 2. Binnen de natuurreservaten, vermeld in artikel 16ter decies,  is het verboden, behoudens ontheffing in een overeenkomstig dit decreet goedgekeurd beheerplan:
1° individuele of groepssporten te beoefenen;
2° gemotoriseerde voertuigen te gebruiken of achter te laten tenzij die nodig zijn voor het beheer en de bewaking van het reservaat of voor de hulp aan personen in nood;
3° keten, loodsen, tenten of andere constructies te plaatsen, zelfs tijdelijk;
4° de rust te verstoren of reclame te maken op welke wijze ook;
5° in het wild levende diersoorten opzettelijk te verstoren, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen of overwintering en trek; ze opzettelijk te vangen of te doden; hun eieren opzettelijk te rapen of te vernielen of hun nesten, voortplantingsplaatsen of rust- en schuilplaatsen te vernielen of te beschadigen;
6° planten opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen of planten of vegetatie op welke wijze ook te beschadigen of te vernietigen;
7° opgravingen, boringen, grondwerkzaamheden of exploitatie van materialen te verrichten, welk werk ook uit te voeren dat de aard van de grond, het uitzicht van het terrein, de bronnen en het hydrografisch net zou kunnen wijzigen, boven- of ondergrondse leidingen te leggen en reclameborden en aanplakbrieven te plaatsen;
8° vuur te maken en afval te storten;
9° pesticiden te gebruiken;
10° meststoffen te gebruiken, met uitzondering van de natuurlijke uitscheiding als gevolg van extensieve begrazing;
11° het waterpeil te wijzigen en op kunstmatige wijze water te lozen;
12° het terrein op geringe hoogte te overvliegen of er te landen met vliegtuigen, helikopters, luchtballons en andere luchtvaartuigen van om het even welke aard.

Deze maatregelen kunnen evenwel geen erfdienstbaarheden opleggen op de omliggende gebieden.

De Vlaamse regering kan om redenen van natuurbehoud bijkomende algemene maatregelen treffen voor natuurreservaten.

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan in het belang van het natuurbehoud, de volksgezondheid of het wetenschappelijk onderzoek, ter voorkoming van disproportionele schade ontheffing verlenen van de in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat het Agentschap ontheffing kan verlenen van de in deze paragraaf opgesomde verbodsbepalingen, met het oog op het recreatief of educatief medegebruik en voor zover dit medegebruik inpasbaar is in de doelstellingen van het natuurreservaat.

Artikel 36. (28/10/2017- ...)

...

[AFDELING 3BIS DE SPECIALE BESCHERMINGSZONES (ing. decr. 19 juli 2002, art. 24) ]

Artikel 36bis. (14/02/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse regering stelt, op voorstel van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone voorlopig vast via een vaststellingsbesluit.

Het voorlopige vaststellingsbesluit bevat een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het besluit van toepassing is, evenals een wetenschappelijke omschrijving en een situering van het gebied of de gebieden. De Vlaamse regering kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van dit besluit.

Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Habitatrichtlijn gebeurt de voorlopige vaststelling op grond van de criteria van bijlage V van dit decreet en van de relevante wetenschappelijke gegevens.

Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Vogelrichtlijn worden de gebieden aangewezen die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van:
- de soorten van bijlage IV van dit decreet;
- de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met hun behoefte aan bescherming ten aanzien van hun broed-, rui-, foerageer- en overwinteringsgebieden en de rustplaatsen in hun trekzones.

§ 2. De Vlaamse regering onderwerpt het voorlopige vaststellingsbesluit aan een openbaar onderzoek dat binnen 30 dagen na de voorlopige vaststelling minstens wordt aangekondigd door:
1° aanplakking in elke gemeente waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
2° een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;
3° een bericht dat driemaal door de openbare radio en televisie wordt uitgezonden.

Deze aankondiging vermeldt minstens:
1° de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
2° waar het voorlopige vaststellingsbesluit en de in § 3 bedoelde nota ter inzage liggen;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres van het Agentschap voor Natuur en Bos waar adviezen, opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 4, dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

§ 3. Na de aankondiging wordt het voorlopige vaststellingsbesluit samen met een nota betreffende de gevolgde methode voor afbakening van de voorlopig vastgestelde gebieden gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

§ 4. Opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per aangetekende brief toegezonden aan het Agentschap voor Natuur en Bos of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek, de bezwaren en opmerkingen aan het Agentschap voor Natuur en Bos. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan het Agentschap voor Natuur en Bos worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan het Agentschap voor Natuur en Bos worden bezorgd.

De administratie bevoegd voor de ruimtelijke ordening kan aan het Agentschap voor Natuur en Bos een advies bezorgen uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek.

§ 5. het Agentschap voor Natuur en Bos bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering. Dit advies omvat tevens het advies van het Instituut om na te gaan of de voorgestelde wijzigingen aan de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, voldoen aan de criteria vermeld in § 1, derde of vierde lid.

Samen met het gemotiveerd advies bezorgt het Agentschap voor Natuur en Bos de Vlaamse regering de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren.

§ 6. De Vlaamse regering stelt binnen 150 dagen na het einde van het openbaar onderzoek de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone definitief vast.

Bij de definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in het eerste lid kunnen ten opzichte van het voorlopige vaststellingsbesluit slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, en dit telkens voor zover hierbij de bepalingen van § 1, derde of vierde lid, worden in acht genomen.

De definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in het eerste lid kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vaststellingsbesluit.

§ 7. Het definitieve vaststellingsbesluit wordt door de Vlaamse regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling. Het besluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking. De kaarten hebben voorrang op het tekstgedeelte.

De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitieve vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en gemeenten, waar het kan worden ingekeken.

Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Vogelrichtlijn vormt het definitieve vaststellingsbesluit tevens het aanwijzingsbesluit zoals bedoeld in § 9.

§ 8. Binnen de termijn bedoeld in § 7, tweede lid, zendt de Vlaamse regering het in § 7 bedoelde besluit toe aan de Europese Commissie.

§ 9. Nadat de Commissie een op grond van § 8 voorgelegd gebied van communautair belang heeft verklaard, wijst de Vlaamse Regering dit gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de zes jaar, bij besluit aan als speciale beschermingszone. Dit gebeurt met inachtneming van de bepalingen van § 1, tweede lid.

Dit aanwijzingsbesluit wordt door de Vlaamse regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het aanwijzingsbesluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking. De kaarten hebben voorrang op het tekstgedeelte.

De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het aanwijzingsbesluit aan de betrokken provincie(s) en gemeenten, waar het kan worden ingekeken.

§ 10. Het in § 9 bedoelde aanwijzingsbesluit vervangt vanaf zijn inwerkingtreding het in § 12 bedoelde besluit of het besluit houdende definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in § 6, eerste lid, wat betreft elk gebied dat het voorwerp uitmaakt van het eerstgenoemde besluit.

Binnen drie maanden nadat de Commissie beslist heeft een gebied dat definitief vastgesteld werd krachtens § 6 of dat het voorwerp uitmaakt van het in § 12 bedoelde besluit, niet van communautair belang te verklaren, heft de Vlaamse regering het betreffende besluit op voor zover het betrekking heeft op dat gebied. De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het opheffingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en gemeenten.

§ 11. Wat betreft de gebieden waarop de in artikel 5 van de Habitatrichtlijn bedoelde overlegprocedure betrekking heeft, neemt elke administratieve overheid, binnen haar bevoegheden, de nodige maatregelen om er gedurende de overlegperiode en in afwachting van een besluit van de Europese Raad een ernstige aantasting van de natuurkwaliteit te voorkomen. Op de gebieden die als gevolg van het overleg of krachtens het besluit van de Europese Raad geselecteerd zijn als gebied van communautair belang, zijn de bepalingen van § 9 van overeenkomstige toepassing.

§ 12. De gebieden bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones worden geacht definitief te zijn vastgesteld, in de zin van § 6.

§ 13. Elke zone bedoeld in artikel 1, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn en elke in artikel 1, § 3, van dat besluit bedoelde zone voor zover het de in die paragraaf vermelde bestemmingsgebieden en de voor die zone vermelde habitats betreft, worden beschouwd als definitief vastgesteld, in de zin van § 6.

§ 14. De bepalingen van dit decreet voor de vaststelling van de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone en voor de aanwijzing van de speciale beschermingszone, zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

§ 15. Zodra een gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, wordt het voor de toepassing van de artikelen 13, § 4, 34, 36, 36ter , §§ 2 tot 6, 47 en 48 van dit decreet beschouwd als speciale beschermingszone.

Een gebied dat definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, is tevens onderworpen aan artikel 19 van het Bosdecreet, artikel 16 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, artikel 13 van het decreet van 21 december 1998 houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, de artikelen 62, 70 en 71 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet en de artikelen 15ter , §§ 4 en 5, en 15sexies , § 1, van het Mestdecreet.

Artikel 36ter. (28/10/2017- ...)

§ 1. De administratieve overheid binnen de haar door de Vlaamse Regering opgelegde taken, en de natuurlijke personen of rechtspersonen die zakelijke rechten of persoonlijke rechten verwerven op gronden met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet en waarvoor ze over een goedgekeurd natuurbeheerplan type drie of type vier beschikken, nemen, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen.

De conform het eerste lid vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn voor een administratieve overheid bindend bij:
1° het nemen van beslissingen ter uitvoering van het eerste lid en paragraaf 2 van dit artikel;
2° het nemen van beslissingen of het verlenen van advies ter uitvoering van paragraaf 3 tot en met 6.

§ 2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om
a) elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden;
b) elke betekenisvolle verstoring van een soort vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden.

De Vlaamse regering stelt hiervoor nadere regels vast.

§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, zonder dat die vergunningsplichtige activiteit of dat plan of programma direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied in de speciale beschermingszone in kwestie dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone.

De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling.

Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, is hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing.

Wat betreft een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling deel uit van de documenten die de initiatiefnemer bij het onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bezorgt aan de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage. Als de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting inzake milieueffectrapportage indient als vermeld in artikel 4.2.3, § 3ter, van het voormelde decreet, maakt de passende beoordeling deel uit van dat verzoek. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd.

Bij een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat een ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling, als er geen plan-MER moet worden opgemaakt, zo mogelijk al deel uit van de startnota, vermeld in artikel 2.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en in elk geval van de scopingnota, vermeld in het voormelde artikel. Als uit de scopingnota blijkt dat een plan-MER moet worden opgemaakt, wordt de passende beoordeling in het plan-MER geïntegreerd.

Indien een vergunningsplichtige activiteit overeenkomstig artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-MER opgemaakt.

De passende beoordeling wordt geïntegreerd in het project-MER of in het gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in de milieueffectrapportage bepalen.

Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling.

§ 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.

§ 5. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden
a) nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en
b) omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking.

De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft;
2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De initiatiefnemer rapporteert aan het agentschap over de uitvoering van de compenserende maatregelen, ten laatste binnen een jaar na de definitieve beslissing waarbij de afwijking is toegestaan. Het agentschap neemt de gerapporteerde compenserende maatregelen op in een register. Na de ontvangst van de rapportering beslist het agentschap binnen drie maanden over de inhoud en desgevallend de verdere frequentie van de rapportering.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen.

De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.

Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed.

§ 6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde milieueffectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud.

De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten:
1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven;
2° de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone;
3° de in het milieueffectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen.

Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld.

§ 7. Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis.

AFDELING 4 ALGEMENE MAATREGELEN VOOR DE BESCHERMING VAN HET NATUURLIJK MILIEU

ONDERAFDELING A VERWERVING

Artikel 37. (17/07/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse grondenbank heeft het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen :
1° in het VEN, met uitzondering van de onroerende goederen uitgesloten door de Vlaamse Regering;
2° binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, gelegen binnen de speciale beschermingszones;
3° in een door de Vlaamse Regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening gelegen binnen het IVON;
4° in de afbakening van een natuurinrichtingsproject.
5° in de terreinen waar het agentschap het beheer heeft overgenomen met toepassing van artikel 16decies, § 1 en § 2;
6° in een zoekzone afgebakend conform artikel 50septies, § 4, eerste lid, ongeacht de planologische bestemming in de goedgekeurde plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Van zodra een dergelijke zoekzone is afgebakend wordt het voorkooprecht dat conform punt 2° bestaat, opgeheven binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie.

Onverminderd artikel 8 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt dit voorkooprecht niet in geval van verkoop van het goed aan leden van erkende bos-groeperingen die voor 20 januari 1998 overeenkomstig artikel 85 van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden erkend, voor zover het bovenvermelde goed deel uitmaakt van de kadastrale percelen waarop de erkenning betrekking heeft en de koper reeds onroerende goederen in eigendom of mede-eigendom heeft binnen de omschrijving van de bosgroepering.

§ 2. ...

§ 3. ...

§ 4. De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in geval het voorkooprecht wordt uitgeoefend op een verpacht perceel een vrijwillige grondruil mogelijk te maken.

Voor voormelde gronden kan slechts een einde gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van elke pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9° van de pachtwet tenzij de pachter vroeger afstand doet van zijn pachtrecht.

§ 5. De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

§ 6. Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.

Artikel 38. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 39. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 40. (17/07/2014- ...)

Bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in het VEN, in een door de Vlaamse regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden gelegen in het IVON en in de afbakening van een natuurinrichtingsproject, hebben de erkende terreinbeherende natuurverenigingen voor de onroerende goederen die zij huren of in erfpacht hebben eveneens een recht van voorkoop.

Dit recht van voorkoop doet geen afbreuk aan de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet bestaande regelingen inzake het recht van voorkoop die steeds voorrang hebben.

Dit recht van voorkoop is ondergeschikt aan het recht van voorkoop van het Vlaamse Gewest dat steeds voorrang heeft.

De bepalingen van artikelen 37, 38 en 39 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41. (... - ...)

§ 1. Om redenen van natuurbehoud, kunnen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse gemeenten onroerende goederen verkrijgen door onteigening ten algemenen nutte.

§ 2. Het Vlaamse Gewest kan, om redenen van natuurbehoud en op voorstel van de eigenaar, het eigendomsrecht, de pacht, de huur of het recht van gebruik van een onroerend goed dat het in eigendom heeft of waarover het kan beschikken, ruilen tegen het eigendomsrecht, pacht, huur of recht van gebruik van een ander onroerend goed mits akkoord van de houder van het betrokken recht.

De kosten van de ruilakte en de hypothecaire formaliteiten komen ten laste van het Vlaamse Gewest.

De opleg die eventueel ten voordele van het Vlaamse Gewest gestort moet worden, wordt gestort in het Mina-fonds.

Artikel 42. (17/07/2014- ...)

De eigenaar van een onroerend goed kan van de Vlaamse Grondenbank de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de aanduiding van dit onroerend goed als een GEN of GENO of de opname ervan in een vastgesteld managementplan Natura 2000 of een vastgestelde planversie, zoals vermeld in artikel 50octies, § 1, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is ofwel dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van deze koopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. Bij de berekening van de aankoopprijs wordt rekening gehouden met het verschil in de waarde van het onroerend goed voor de opname in het VEN of in de speciale beschermingszone en de waarde na de definitieve afbakening hiervan.

Het bedrag dat de eigenaar van de Vlaamse Grondenbank ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar ontvangen heeft ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer een eigenaar van een onroerend goed gebruik maakt van de voormelde mogelijkheid van gedwongen aankoop door de Vlaamse Grondenbank, kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of een andere aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest of van de Vlaamse Grondenbank voor hetzelfde onroerend goed.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze koopplicht.

Artikel 43. (... - ...)

[Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een GEN of GENO ligt, kan van het Vlaamse Gewest een vergoeding gevraagd worden in de mate dat inkomstenverlies kan aangetoond worden ten gevolge van de maatregelen conform artikel 25, § 3, 2°, 1. (verv. decr. 19 juli 2002, art. 30, I: 10 september 2002) ]

Artikel 44. (28/10/2017- ...)

...

ONDERAFDELING B VRIJWILLIGE BEHEERSOVEREENKOMSTEN

Artikel 45. (14/02/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse regering kan met de grondgebruikers, mits deze laatsten hiervan de eigenaar bij aangetekend schrijven in kennis stellen, beheersovereenkomsten sluiten in het belang van het natuurbehoud. Ze legt de verdere regels vast voor het afsluiten van deze beheersovereenkomsten. Voor gronden die onder de pachtwetgeving vallen en de laatste jaar verpacht werden, kunnen deze beheersovereenkomsten enkel afgesloten worden met beroepslandbouwers.

§ 2. Een beheersovereenkomst is een overeenkomst waarbij de grondgebruiker zich vrijwillig ertoe verbindt, op projectmatige basis of gedurende een bepaalde termijn, een vooraf bepaalde prestatie te leveren gericht op het bereiken van een hogere kwaliteit dan de basismilieukwaliteit, door het onderhouden of ontwikkelen van natuurwaarden, tegen betaling van een vooraf bepaalde vergoeding, binnen de perken van de begroting.

Deze vergoeding wordt berekend op basis van de door de grondgebruiker geleverde inspanningen en de eventuele inkomstenderving ingevolge deze overeenkomst. De vergoeding kan verhoogd worden bij het halen van specifiek overeengekomen resultaten.

Artikel 46. (17/07/2014- ...)

§ 1. Beheersovereenkomsten worden gesloten met het oog op:
1° hetzij het beheer, het herstel en de ontwikkeling van de natuur in de groengebieden en bosgebieden aangeduid op uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, in functie van een vastgestelde beheersvisie;
2° hetzij het beheer en de ontwikkeling van de natuur in de GEN, de GENO in functie van de vooropgestelde doelstellingen;
3° hetzij de ontwikkeling van de natuur in de natuurverwevingsgebieden, conform het natuurrichtplan in het IVON;
4° hetzij het beheer en de ontwikkeling van de natuur in de natuurverbindingsgebieden conform het natuurrichtplan in het IVON;
5° hetzij het optimaal beschermen, herstellen en/of uitbreiden van de habitats of ecosystemen van door de Vlaamse regering aangewezen organismen of levensgemeenschappen;
6° hetzij het instandhouden en beheer van de natuurwaarden in de valleigebieden, brongebieden en het agrarisch gebied met ecologisch belang en natuurontwikkelingsgebieden.

§ 2. De Vlaamse Regering kan voor de toepasbaarheid van de onderscheiden types beheersovereenkomsten bepalen aan welke beheersvisies, prioriteiten, perimeters of andere voorwaarden dient beantwoord te worden.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder beheersgroepen erkend kunnen worden met het oog op de planning, de ondersteuning en de begeleiding van het afsluiten en uitvoeren van beheersovereenkomsten in een bepaald gebied, alsook met het oog op het overleg met de andere actoren die in het gebied natuur- of bosbeleidsactiviteiten uitvoeren.

ONDERAFDELING C NATUURINRICHTING

Artikel 47. (01/09/2009- ...)

§1. De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan in de gebieden of gebiedscategorieën vermeld in artikel 20, 1° en 2° en in andere door de Vlaamse regering of haar gemachtigde met redenen omkleed aan te duiden gebieden, een natuurinrichtingsproject instellen.

Met natuurinrichtingsprojecten worden maatregelen en inrichtingswerkzaamheden beoogd die gericht zijn op een optimale inrichting van een gebied met het oog op het behoud, het herstel, het beheer en de ontwikkeling van natuur en natuurlijk milieu in het VEN, de speciale beschermingszones en in groen-, park-, buffer-, bos- en bosuitbreidingsgebieden en de ermee vergelijkbare gebieden, aangeduid op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

Een natuurinrichtingsproject voor een gebied dat behoort tot een speciale beschermingszone, doch niet tot het VEN, kan, naast de maatregelen op basis van artikels 13, 27, 28, 29 en 51, slechts die maatregelen bevatten die nodig zijn voor de instandhouding van de habitats of habitats van soorten waarvoor de speciale beschermingszones werd vastgesteld of aangewezen.

§ 2. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de maatregelen binnen natuurinrichtingsprojecten. Deze maatregelen kunnen inhouden:
1° kavelruil uit kracht van wet, met inbegrip van herkaveling;
2° infrastructuur- en kavelwerken;
3° aanpassing van de wegen en van het wegenpatroon;
4° bewarende maatregelen om te voorkomen dat, vanaf het moment van de aanduiding, het gebruik of de plaatsgesteldheid van het gebied zodanig gewijzigd wordt dat het natuurinrichtingsproject belemmerd wordt;
5° het tijdelijk opheffen van de bevoegdheden van de administratieve overheid en openbare besturen gedurende de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;
6° het tijdelijk beperkingen opleggen aan het genot van onroerende goederen tijdens de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;
7° waterhuishoudingswerken zoals peilwijziging, wijziging van de structuurkenmerken van de waterlopen, aanpassen van het afwateringspatroon, en aanpassing van de watertoevoer en -afvoer;
8° grondwerken zoals reliëfwijziging en afgraving;
9° uitbouw van natuureducatieve voorzieningen;
10° bedrijfsverplaatsing;
11° erfdienstbaarheden vestigen of afschaffen.

§ 3. De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten inzake het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van natuurinrichtingsprojecten.

§ 4. De Vlaamse regering kan voorwaarden bepalen waaronder de eigenaar of degene die het gebruiksrecht heeft van een betrokken gebied een vergoeding kunnen krijgen voor de uitvoering van het natuurinrichtingsproject.

Artikel 47bis. (... - ...)

De vrederechter van het kanton waarin het grootste gedeelte van het natuurinrichtingsproject is gelegen, neemt kennis van de geschillen inzake natuurinrichting. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 32, I: 10 september 2002) ]

ONDERAFDELING D [PLANMATIGE OMKADERING VAN HET NATUURBEHOUD (verv. Decr. 9 mei 2014, art. 93, I: 17 juli 2014)]

Artikel 48. (06/02/2017- ...)

§ 1. Voor een gebied buiten de speciale beschermingszones kan een managementplan vastgesteld worden voor het bijdragen tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen of van gebiedsgerichte doelstellingen inzake natuurbehoud.

De managementplannen, vermeld in het eerste lid, worden voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de managementplannen, vermeld in paragraaf 1, alsook de procedure die leidt tot de vaststelling, herziening of opheffing ervan met inachtneming van hetgeen bepaald wordt in paragraaf 3.

§ 3. Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling van het managementplan als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde managementplan, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.

Artikel 49. (01/01/2015- ...)

§ 1. Voor zover een gewestelijk natuurrichtplan betrekking heeft op een speciale beschermingszone, gelden de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied, vastgesteld op grond van artikel 36ter, § 1, als gebiedsvisie voor het natuurrichtplan.

Indien er nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgesteld voor een in een natuurrichtplan opgenomen speciale beschermingszone of voor zover het natuurrichtplan geen betrekking heeft op een speciale beschermingszone, dient er een gebiedsvisie te worden opgemaakt die weergeeft wat er in het gebied wordt beoogd voor de natuur en het natuurlijk milieu. Deze gebiedsvisie kan, bij de vaststelling van het natuurrichtplan, geheel of gedeeltelijk bindend worden verklaard voor de administratieve overheid. De doelstellingen uit deze gebiedsvisie kunnen, in het geval het natuurrichtplan betrekking heeft op een speciale beschermingszone waarvoor er nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, gelijkgesteld worden met instandhoudingsdoelstellingen in de zin van artikel 36ter, § 1.

§ 2. Een gewestelijk natuurrichtplan is er op gericht om, in functie van de instandhoudingsdoelstellingen of de gebiedsvisie, een specifieke, bindende afstemming te bekomen tussen de verschillende maatregelen en instrumenten die, in uitvoering van onder meer dit decreet, het Bosdecreet van 13 juni 1990, het Jachtdecreet van 24 juli 1991 en de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij en  het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, gelden voor het bestreken gebied.

Een gewestelijk natuurrichtplan bevat aldus onder meer, binnen de desbetreffende, in dit decreet vastgestelde randvoorwaarden, bepalingen met betrekking tot :
- de in het bestreken gebied aanwezige uitbreidingszones vastgesteld in uitvoering van artikel 33, derde lid;
- de op het bestreken gebied betrekking hebbende beheersplannen vastgesteld in uitvoering van artikel 34;
- de in het bestreken gebied aangeduide perimeters binnen welk het recht van voorkoop geldt, in uitvoering van artikel 37;
- de in het bestreken gebied aangeduide perimeters die gelden voor de beheersovereenkomsten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 46, § 2;
- de ontheffingen die in verband met het bestreken gebied op grond van dit decreet kunnen worden verleend.

§ 3. Een gewestelijk natuurrichtplan kan bovendien nog, in functie van de instandhoudingsdoelstellingen of de gebiedsvisie en rekening houdend met artikel 9, voor het bestreken gebied volgende bepalingen bevatten :
- specifieke maatregelen in uitvoering van artikel 13;
- specifieke maatregelen in uitvoering van artikel 25, § 1, voor zover het natuurrichtplan betrekking heeft op een gebied dat in het VEN gelegen is;
- specifieke maatregelen in uitvoering van artikel 36ter, § 1 en § 2, voor zover het natuurrichtplan betrekking heeft op een speciale beschermingszone;
- specifieke maatregelen in uitvoering van de artikelen 27 en 28, voor zover het natuurrichtplan betrekking heeft op een gebied dat in IVON gelegen is;
- specifieke maatregelen in uitvoering van hoofdstuk VI.

§ 4. Een provinciaal natuurrichtplan behelst voor het bestreken gebied maatregelen zoals vermeld in artikel 29.

Artikel 50. (17/07/2014- ...)

...

[ONDERAFDELING E PLANMATIGE OMKADERING VAN HET INSTANDHOUDINGSBELEID (ing. decr. 9 mei 2014, art. 36, I:17 juli 2014)]

[Sectie 1 Doelstelling en voorwerp van het instandhoudingsbeleid (ing. decr. 9 mei 2014, art. 37, I: 17 juli 2014)]

Artikel 50bis. (17/07/2014- ...)

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 7, derde lid, heeft het instandhoudingbeleid het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen tot doel.

Daarvoor omvat het instandhoudingsbeleid:
1° op het niveau van het Vlaamse Gewest: een Vlaams Natura 2000-programma;
2° op het niveau van de speciale beschermingszones: managementplannen Natura 2000;
3° op het niveau van de leefgebieden van Europees te beschermen soorten: de soortenbeschermingsprogramma's;
4° buiten de speciale beschermingszones: de managementplannen, vermeld in artikel 48.

§ 2. De administratieve overheid en de natuurlijke personen of rechtspersonen die zakelijke of persoonlijke rechten hebben verworven op gronden met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet, hebben een centrale rol bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de invulling van deze centrale rol.

[Sectie 2 Vlaams Natura 2000-programma (ing. decr. 9 mei 2014, art. 39, I: 17 juli 2014)]

Artikel 50ter. (06/02/2017- ...)

§ 1. Voor het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt door de Vlaamse Regering een Vlaams Natura 2000-programma vastgesteld, overeenkomstig artikel 50quater.

Het Vlaams Natura 2000-programma doorloopt opeenvolgende cyclussen van maximaal zes jaar en heeft een tijdshorizon tot 2050.

§ 2. Het Vlaams Natura 2000-programma wordt opgesteld met het oog op:
1° het gradueel realiseren van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen;
2° het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijke milieu van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, van dit decreet;
3° het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2.

§ 3. Het Vlaams Natura 2000-programma bevat ten minste:
1° een taakstelling op niveau van het Vlaamse Gewest die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud, die nodig worden geacht ter realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen tijdens de programmacyclus in kwestie. De taakstelling bevat een bindend gedeelte, namelijk het deel van de inspanningen dat tijdens de programmacyclus in kwestie moet worden gerealiseerd, en een richtinggevend deel, namelijk het deel van de inspanningen waarvan de realisatie tijdens de programmacyclus in kwestie wordt nagestreefd en dat geheel of gedeeltelijk in een latere cyclus kan worden gerealiseerd;
2° een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling;
3° een overzicht van de actoren die een bijdrage leveren tot:
a) de realisatie van de acties;
b) de coördinatie van de uitvoering van het programma;
c) alle overige door de Vlaamse Regering te bepalen aspecten in verband met de uitvoering van het programma;
4° een overzicht van de geraamde uitgaven voor de uitvoering van het programma.

De taakstelling en de acties als vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, omvatten tevens een programma van aanduiding van zones waar instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen dienen gerealiseerd te worden buiten de speciale beschermingszones en van de opmaak van managementplannen voor deze zones. De Vlaamse Regering duidt deze zones aan voor 1 januari 2019 en bepaalt nadere regels betreffende de procedure voor de aanduiding van deze zones.

§ 4. Ter uitvoering van het Vlaams Natura 2000-programma wordt door de Vlaamse Regering een programmatische aanpak vastgesteld overeenkomstig artikel 50quater ter vermindering van een of meer milieudrukken, afkomstig van in het Vlaamse Gewest aanwezige bronnen, met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden.

Deze programmatische aanpak omvat ten minste:
1° een gebiedsgerichte analyse van de betreffende milieudruk. Deze analyse omschrijft de omvang van de milieudruk, de activiteiten die bijdragen, de verwachte ontwikkeling en de socio-economische context;
2° een plan van aanpak, gebaseerd op de in punt 1° vermelde analyse, met betrekking tot het ontwikkelen van:
a) een brongericht beleid dat zich richt op het reduceren van de milieudruk tot het niveau dat noodzakelijk is voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden;
b) een herstelbeleid om een verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden ten gevolge van de milieudruk te voorkomen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontwikkelen van een programmatische aanpak zoals vermeld in het eerste lid.

§ 5. Het Vlaams Natura 2000-programma vormt het kader voor de managementplannen Natura 2000, vermeld in artikel 50septies.

Artikel 50quater. (06/02/2017- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt voorlopig vast:
1° het Vlaams Natura 2000-programma;
2° elke programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4.

§ 2. Het agentschap is belast met de voorbereiding van het Vlaams Natura 2000-programma.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde kan een werkgroep instellen die het agentschap bijstaat bij de voorbereiding van het programma, en bepaalt de samenstelling ervan.

§ 3. Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling als vermeld in paragraaf 1 een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde Vlaams Natura 2000-programma en over elke programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.

§ 4. Het definitief vastgestelde programma als vermeld in artikel 50decies/1, § 6, eerste lid, wordt geëvalueerd op basis van de realisatiegraad van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen.

Met inachtneming van die evaluatie wordt aansluitend een nieuw programma vastgesteld voor de volgende programmacyclus volgens de regels bepaald in artikel 50ter tot en met 50sexies. Het bestaande programma blijft in ieder geval van kracht tot het nieuwe programma definitief is vastgesteld conform artikel 50decies/1, § 6, eerste lid.

Indien het nieuwe definitief vastgestelde programma een of meer wijzigingen noodzaakt van een in uitvoering van het vorige programma vastgestelde programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4, dan wordt die programmatische aanpak opnieuw vastgesteld volgens de regels bepaald in artikel 50ter tot en met 50sexies. De bestaande programmatische aanpak blijft in ieder geval van kracht tot de bijgestelde programmatische aanpak definitief is vastgesteld.

§ 5. Ten minste om de twee jaar wordt een voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma opgesteld. De instantie, vermeld in artikel 50quinquies, is belast met de opmaak van het voortgangsrapport.

Het voortgangsrapport wordt bezorgd aan de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties.

Artikel 50quinquies. (06/02/2017- ...)

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde duidt een gewestelijke overleginstantie aan die ten minste instaat voor:
1° de voortgangsbewaking van het Vlaams Natura 2000-programma;
2° het verlenen van een gemotiveerd advies overeenkomstig artikel 50decies/1, § 5, tweede lid, over het Vlaams Natura 2000-programma, elke programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, de managementplannen Natura 2000 en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1;
3° het verschaffen van aanbevelingen over beleidsmatige problemen bij de realisatie van het instandhoudingsbeleid.

De overleginstantie is ten minste samengesteld uit vertegenwoordigers van:
1° het agentschap;
2° de Vlaamse administraties die betrokken zijn bij de inrichting en het beheer van het buitengebied;
3° de relevante sectoren van het buitengebied.

Het agentschap, vermeld in het tweede lid, 1°, heeft tot taak de werkzaamheden van de instantie te organiseren en aan te sturen.

Artikel 50sexies. (06/02/2017- ...)

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde draagt er zorg voor dat een ruime bekendheid wordt gegeven aan het Vlaams Natura 2000-programma en het voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot:
1° de inhoud, de procedure tot opmaak, de evaluatie en de bekendmaking van het Vlaams Natura 2000-programma;
2° de inhoud, de vorm en de bekendmaking van het voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma;
3° de samenstelling, werking en opdracht van de overleginstantie, vermeld in artikel 50quinquies;
4° de aspecten van uitvoering van het programma, als vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, c), waaraan actoren, als vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, een bijdrage kunnen leveren en de wijze waarop dat engagement wordt geformaliseerd;
5° de afstemming van het Vlaams Natura 2000-programma met andere maatregelenprogramma's of plannen.

[Sectie 3 Managementplannen Natura 2000 (ing. decr. 9 mei 2014, art. 44, I: 17 juli 2014)]

Artikel 50septies. (06/02/2017- ...)

§ 1. Voor elke speciale beschermingszone wordt een managementplan Natura 2000 opgemaakt. Als meerdere speciale beschermingszones geheel of gedeeltelijk samenvallen, kan voor die speciale beschermingszones een gezamenlijk managementplan Natura 2000 worden opgemaakt.

Het managementplan Natura 2000 doorloopt opeenvolgende cyclussen van zes jaar en heeft een tijdshorizon tot uiterlijk 2050.

Binnen een plancyclus wordt het managementplan Natura 2000 opgebouwd aan de hand van verschillende, opeenvolgende planversies. De planversies worden opgemaakt op basis van een tussentijdse toetsing van de realisatiegraad van de taakstelling van het plan, en naargelang van de actoren die worden betrokken bij de realisatie van het plan en het type instrumenten die daarvoor achtereenvolgens worden ingezet. De bepalingen die gelden voor het managementplan Natura 2000 zijn ook van toepassing op de planversies.

§ 2. Het managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt met het oog op:
1° het gradueel realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie, ter uitvoering van artikel 36ter, § 1;
2° het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2;
3° het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2.

De bepaling, vermeld in het eerste lid, 2°, verhindert niet dat te allen tijde maatregelen moeten worden genomen ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, of ter uitvoering van andere regelgeving, onder meer maatregelen ter uitvoering van titel XV en titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in het bijzonder als dat noodzakelijk is om verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en soorten en hun leefgebied te vermijden of te beëindigen.

§ 3. Het managementplan Natura 2000 bevat ten minste:
1° een taakstelling voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud die nodig worden geacht voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, tijdens de plancyclus in kwestie;
2° een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling.

De taakstelling, vermeld in het eerste lid, 1°, geeft ook aan hoe in de speciale beschermingszone of -zones in kwestie wordt bijgedragen tot de realisatie van het bindend gedeelte van de taakstelling, vermeld in artikel 50ter, § 3, 1°, in voorkomend geval met inbegrip van het plan van aanpak, vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid, 2°.

§ 4. Met het oog op de ruimtelijke toewijzing van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zoekzones afgebakend.

Voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie worden actiegebieden vastgesteld. De actiegebieden gelden voor een bepaald milieueffect of een groep van relevante milieueffecten.

Artikel 50octies. (06/02/2017- ...)

§ 1. Het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies, worden voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Als in het plan of een bepaalde planversie dwingende acties als vermeld in paragraaf 5, tweede lid, voorkomen, wordt het plan of de planversie in kwestie in ieder geval voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering.

§ 2. Het agentschap staat in voor de voorbereiding van het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies.

§ 3. Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling van elk managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke planversie, een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde managementplan Natura 2000 of de planversie, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.

§ 4. Het agentschap is belast met de coördinatie van de uitvoering van het definitief vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies.

Het agentschap kan daarbij in overleg met de gewestelijke overleginstantie een beroep doen op de actoren, vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, b), die een bijdrage leveren tot de coördinatie.

§ 5. Het definitief vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies, worden door het agentschap ten minste om de twee jaar tussentijds getoetst in het licht van de realisatiegraad van de taakstelling, vermeld in artikel 50septies, § 3.

Als uit die tussentijdse toetsing blijkt dat het bindend gedeelte, vermeld in artikel 50septies, § 3, tweede lid, niet of vermoedelijk niet kan worden gerealiseerd tijdens de plancyclus in kwestie, wordt de realisatie ervan bewerkstelligd via dwingende acties.

De dwingende acties, vermeld in het tweede lid, kunnen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie instandhoudingsmaatregelen bevatten.

Het agentschap draagt er zorg voor dat de adressant van de maatregel met een aangetekende brief op de hoogte wordt gebracht van de maatregel en, in voorkomend geval, van de termijn waarbinnen die moet worden uitgevoerd.

§ 6. Het definitief vastgestelde plan wordt ten minste om de zes jaar geëvalueerd op basis van de realisatiegraad van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie en het Vlaams Natura 2000-programma.

Met inachtneming van deze evaluatie, vermeld in het eerste lid, wordt aansluitend een nieuw plan voor de volgende cyclus van zes jaar of voor een fase ervan vastgesteld volgens de regels bepaald in artikel 50septies tot en met 50decies. Het bestaande plan of, in voorkomend geval de planversie, blijft in ieder geval van kracht tot het nieuwe plan of planversie definitief is vastgesteld conform artikel 50decies/1, § 6, tweede lid.

§ 7. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de onderlinge afstemming of procedurele integratie van het managementplan Natura 2000, het natuurinrichtingsproject, vermeld in artikel 47, en het landinrichtingsplan en in artikel 3.3.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.

Artikel 50novies. (06/02/2017- ...)

Het agentschap organiseert voor elke speciale beschermingszone of -zones waarvoor een managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt een overlegplatform dat ten minste belast is met:
1° de voortgangsbewaking van het managementplan Natura 2000;
2° het initiëren, adviseren en opvolgen van de overlegprocessen die plaatsvinden in het kader van de realisatie van de acties, vermeld in artikel 50septies, § 3, eerste lid, 2°.

Het overlegplatform, vermeld in het eerste lid, bestaat ten minste uit een of meerdere vertegenwoordigers van:
1° het agentschap;
2° de Vlaamse administraties die betrokken zijn bij de inrichting en het beheer van het buitengebied;
3° de actoren, vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, andere dan de vertegenwoordigers vermeld in punt 1° en 2°.

Artikel 50decies. (06/02/2017- ...)

Het agentschap draagt er zorg voor dat een ruime bekendheid wordt gegeven aan het managementplan Natura 2000.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud, de procedure tot opmaak, de evaluatie, de bekendmaking van het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversie, en de kennisgeving, vermeld in artikel 50octies, § 5, vierde lid.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de criteria op basis waarvan de zoekzones, vermeld in artikel 50septies, § 4, eerste lid, worden afgebakend en de actiegebieden, vermeld in artikel 50septies, § 4, tweede lid, worden vastgesteld.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere samenstelling van het overlegplatform als vermeld in artikel 50novies, tweede lid.

[Sectie 3/1. Openbaar onderzoek (ing. decr. 27 januari 2017, art. 11, I: 6 februari 2017)]

Artikel 50decies/1. (06/02/2017- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering of haar gemachtigde onderwerpt elk voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma als vermeld in artikel 50quater, § 1, elke voorlopig vastgestelde programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken als vermeld in artikel 50quater, § 1, elk voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie als vermeld in artikel 50octies, § 1, of elk voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling minstens wordt aangekondigd door:
1° een aanplakking in elke gemeente waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, betrekking heeft;
2° een bericht in het Belgisch Staatsblad;
3° een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;
4° een bericht op de website van het agentschap.

§ 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd met vermelding van minstens de volgende elementen:
1° de gemeenten waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversie, of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, betrekking heeft;
2° de wijze waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie, of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, kan worden ingekeken;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° de wijze waarop de opmerkingen en bezwaren, vermeld in paragraaf 4, kunnen worden ingediend.

§ 3. Vanaf de begindatum van het openbaar onderzoek wordt de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak of het voorlopig vastgesteld plan of programma gedurende zestig dagen ter inzage gelegd op de wijze als vermeld in de aankondiging.

§ 4. De opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek overgemaakt op de wijze als vermeld in de aankondiging.

De opmerkingen en bezwaren kunnen alleen betrekking hebben op de volgende aspecten:
1° bij een openbaar onderzoek met betrekking tot het voorlopig vastgestelde Vlaams Natura 2000-programma: de onderdelen als vermeld in artikel 50ter, § 3;
2° bij een openbaar onderzoek met betrekking tot de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak: de onderdelen als vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid;
3° bij een openbaar onderzoek met betrekking tot het voorlopig vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie: de onderdelen als vermeld in artikel 50septies, § 3 en § 4.

§ 5. Het agentschap bundelt en coördineert alle opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, de programmatische aanpakken en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, en maakt die binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek over aan de gewestelijke overleginstantie, vermeld in artikel 50quinquies.

De gewestelijke overleginstantie brengt binnen zestig dagen nadat zij de gebundelde opmerkingen en bezwaren heeft ontvangen een gemotiveerd advies uit over het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, de programmatische aanpakken en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, bij de Vlaamse Regering of desgevallend bij de gemachtigde.

§ 6. De Vlaamse Regering stelt binnen 240 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek het Vlaams Natura 2000-programma definitief vast.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde stelt binnen 240 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek de programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, het managementplan Natura 2000, of in voorkomend geval, elke planversie, of het managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, definitief vast.

§ 7. Het besluit houdende definitieve vaststelling van het Vlaams Natura 2000-programma, de programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, het managementplan Natura 2000, en in voorkomend geval, elke planversie, of het managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen dertig dagen na de definitieve vaststelling.

De definitief vastgestelde programmatische aanpak of het definitief vastgestelde plan of programma treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking.

§ 8. De verplichting tot het organiseren van bovenvermeld openbaar onderzoek is niet van toepassing op de programmatische aanpakken ter vermindering van een of meer milieudrukken, het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, en in voorkomend geval, elke planversie, en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, indien voor deze programmatische aanpak, dat plan of programma een plan-MER moet worden opgemaakt in toepassing van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

In deze gevallen geldt de voorlopige vaststelling van het plan, het programma of de programmatische aanpak als de definitieve vaststelling.

In voorkomend geval is de inhoud van paragraaf 7 van overeenkomstige toepassing.

[Sectie 4 Monitoringprogramma's (ing. decr. 9 mei 2014, art. 49, I: 17 juli 2014)]

Artikel 50undecies. (17/07/2014- ...)

Onder meer met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 50quater, § 3, en met het oog op de voortgangsbewaking, vermeld in artikel 50quinquies, eerste lid, 1°, en artikel 50novies, eerste lid, 1°, worden monitoringprogramma's opgesteld.

De monitoring heeft ten minste betrekking op de staat van instandhouding van de speciale beschermingszones en buiten die zones de instandhouding van de Europees te beschermen habitats en de soorten, alsook van de oorzaken die een achteruitgang van die staat van instandhouding veroorzaken of kunnen veroorzaken.

De monitoring heeft eveneens tot doel gegevens te genereren die gebruikt kunnen worden om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 36ter van dit decreet.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak, de inhoud en het beheer van die monitoringprogramma's en de toetsing van de kwaliteit van de monitoringgegevens. De Vlaamse Regering draagt er in ieder geval zorg voor dat die monitoring op systematische en permanente basis plaatsvindt.

HOOFDSTUK VI DE BESCHERMING VAN PLANT- EN DIERSOORTEN EN VAN HUN LEVENSGEMEENSCHAPPEN

Artikel 51. (01/09/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse regering neemt, na advies van de MiNa-Raad, alle maatregelen die ze nuttig acht:
1° inzake de instandhouding van populaties van soorten of ondersoorten van organismen vermeld in de bijlagen III en IV van dit decreet en van hun habitats;
2° om populaties van de overige soorten of ondersoorten van organismen in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen.

Deze maatregelen kunnen overal of voor bepaalde gebieden of habitats worden genomen, ze kunnen soortenbescherming omvatten en kunnen betrekking hebben op onder meer:
1° alle ontwikkelingsvormen van organismen;
2° een verbod op het opzettelijk verstoren van soorten en hun habitats, tijdens de periode van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, trek en overwintering;
3° beschermingsmaatregelen voor geregeld voorkomende trekvogels in hun broed-, rui-, foerageer- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones;
4° een verbod op het opzettelijk vernielen of rapen van eieren van in het wild levende soorten;
5° een verbod op het beschadigen of vernielen van de woongebieden;
6° een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van plantensoorten;
7° een verbod op het exploiteren van bepaalde populaties;
8° een verbod op het gebruik van alle niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties vermeld in de bijlage III van dit decreet tot gevolg kunnen hebben;
9° het instellen van een stelsel van onttrekkingsvergunningen of quota;
10° het revalideren van gekwetste in het wild levende diersoorten.

Deze maatregelen kunnen blijvend, voor een bepaalde periode of tijdelijk van toepassing zijn en kunnen worden ondersteund door vergoedingen waartoe ze, binnen de perken van de begrotingsmiddelen, een financiële regeling kunnen vaststellen.

De Vlaamse regering stelt nadere regels vast inzake de maatregelen en de procedure.

§ 2. De Vlaamse regering kan, onverminderd de bepalingen van het voormelde Jachtdecreet, maatregelen nemen om de volgende activiteiten tijdelijk of permanent, plaatselijk of over het hele grondgebied te regelen of te verbieden: het in het bezit houden voor persoonlijke of commerciële doeleinden, vangen, doden, onttrekken, het gebruik van bepaalde middelen voor het vangen en doden, verzamelen, wegnemen of vernielen, het in de handel brengen, het ruilen, het te koop of in ruil aanbieden, het te koop vragen, het vervoeren en het in- of uitvoeren van elk organisme, levend of dood, of van gemakkelijk herkenbare delen of elk daaruit verkregen product.

§ 3. De Vlaamse regering kan maatregelen nemen om het uitzetten van diersoorten of van plantensoorten of organismen te regelen of te verbieden voorzover deze uitzetting een bedreiging vormt voor de natuur of het natuurlijk milieu en om het vervoeren van diersoorten of hun krengen of plantensoorten te regelen of te verbieden.

Artikel 52. (28/02/2011- ...)

§ 1. De schade aan gewassen, vee, bossen of visserij die wordt veroorzaakt door diersoorten die beschermd zijn krachtens artikel 51, wordt vergoed door het Mina-fonds als voldaan is aan de volgende voorwaarden :
1° het gaat om belangrijke en aantoonbare schade;
2° het gaat om schade die redelijkerwijze niet kon worden voorkomen;
3° er is geen afwijking verleend krachtens artikel 56, 4°, om schade te voorkomen waarvoor vergoeding wordt gevraagd.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, te beoordelen.

§ 2. Om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, dient de schadelijder tijdig een aanvraag in bij een door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarin de aanvraag moet worden ingediend, en welke gegevens de aanvraag moet bevatten.

§ 3. De ambtenaar, vermeld in paragraaf 2, neemt een beslissing over de aanvraag na een plaatsbezoek en het inwinnen van advies bij één of meerdere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren. Indien en in die mate dat de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, zijn vervuld, en op voorwaarde dat de aanvraag tijdig werd ingediend, wordt in die beslissing het bedrag vastgesteld van de schade die op grond van paragraaf 1 recht geeft op vergoeding.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het onderzoek van de aanvraag en kan bepalen hoe de schade geschat moet worden. Ze bepaalt de wijze waarop en de personen aan wie de beslissing moet worden meegedeeld en welke vermeldingen de beslissing minstens moet bevatten.

§ 4. Tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 3, kan de aanvrager beroep indienen bij de minister.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regelen voor het beroep vast.

§ 5. De beslissing, vermeld in paragraaf 3, die een bedrag heeft vastgesteld van de schade die op grond van paragraaf 1 recht geeft op vergoeding, en waartegen geen of niet tijdig een beroep werd ingediend, vormt de titel voor de vergoeding door het Mina-fonds.

Als het beroep tijdig wordt ingediend, vormt de ministeriële beslissing, als daarin een bedrag is vastgesteld voor de schade die op grond van § 1 recht geeft op vergoeding, de titel voor de vergoeding door het Mina-fonds.

§ 6. De Vlaamse Regering voorziet, voor de beslissing, vermeld in paragraaf 3, waartegen geen of niet tijdig beroep is ingediend, in een herzieningsprocedure ter verbetering van materiële vergissingen in die beslissing, en ter vernietiging van die beslissing als er bedrog werd gepleegd of de beslissing genomen werd op basis van valse of klaarblijkelijk onjuiste stukken of verklaringen. In geval van vernietiging wordt bij dezelfde beslissing opnieuw uitspraak gedaan over de grond van de zaak.

De beslissing tot vernietiging of verbetering is vatbaar voor hetzelfde beroep als de vernietigde of verbeterde beslissing en vormt de titel voor de vergoeding door het Mina-fonds of geeft aanleiding tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen vergoedingen, zodra ze niet meer vatbaar is voor dat beroep of na de beëindiging van het beroep.

HOOFDSTUK VII BEPALINGEN INZAKE NATUUREDUCATIE, DOELGROEPEN, PROVINCIALE, GEMEENTELIJKE EN FUNCTIONEEL GEDECENTRALISEERDE BESTUREN

Artikel 53. (... - ...)

§ 1. De Vlaamse regering kan maatregelen nemen om de kennis van de natuur bij de bevolking in het algemeen of bij bepaalde bevolkingsgroepen te bevorderen.

[De Vlaamse regering neemt en bevordert in het bijzonder initiatieven voor educatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak wilde dieren en plantensoorten te beschermen en hun habitats en de natuurlijke habitats overeenkomstig de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn in stand te houden. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 37, I: 10 september 2002) ]

§ 2. De Vlaamse regering kan natuureducatieve centra oprichten of erkennen.

Deze centra hebben tot doel de vorming van de bevolking inzake natuurbehoud in de ruime zin en de relatie van de mens tot de natuur te bevorderen.

De Vlaamse regering regelt de organisatie en de specifieke opdracht van de centra die zij opricht. Zij bepaalt de voorwaarden tot erkenning en de voorwaarden voor subsididring, binnen de perken van de begroting.

§ 3. De Vlaamse regering kan, op de voorwaarden die zij bepaalt, subsidies verlenen voor natuureducatieve infrastructuurwerken en voor projecten inzake natuureducatie die niet reeds ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden gesubsidieerd.

Artikel 54. (17/07/2014- ...)

§ 1. Een regionaal landschap bevordert in hoofdzaak het streekeigen karakter, de natuurrecreatie, het recreatief medegebruik, de natuureducatie, het draagvlak voor natuur en het beheer in uitvoering van het decreet. Het regionaal landschap stimuleert en coördineert ook het beheer, het herstel, de aanleg en de ontwikkeling van kleine landschapselementen.

Bij het invullen van hun taken zoeken de regionale landschappen naar optimale afstemming en synergiën met andere actoren, in het bijzonder met de bosgroepen, vermeld in artikel 54bis van dit decreet.

§ 2. Een regionaal landschap is een duurzaam samenwerkingsverband tussen maatschappelijke en bestuurlijke actoren en heeft het statuut van private rechtspersoonlijkheid, onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.

§ 3. De provincies zijn bevoegd voor de erkenning, subsidiëring en opvolging van de regionale landschappen.

§ 4. Naast financiële middelen kunnen de provincies ook infrastructuur en personeel ter beschikking stellen.

Artikel 54bis. (17/07/2014- ...)

§ 1. Een bosgroep responsabiliseert en stimuleert in hoofdzaak de beheerders van terreinen met het oog op het duurzaam invullen van de ecologische, de economische en/of de sociale functie via het geïntegreerd beheer in uitvoering van het decreet.
De bosgroep beoogt ook het coördineren van beheeractiviteiten, een basisdienstverlening ten aanzien van het beheer en de opmaak van gezamenlijke beheerplannen.

Bij het invullen van hun taken zoeken de bosgroepen naar optimale afstemming en synergiën met andere actoren, in het bijzonder met de regionale landschappen.

§ 2. Een bosgroep is een duurzaam samenwerkingsverband tussen terreinbeheerders. Alle terreinbeheerders kunnen toetreden tot en gebruik maken van de diensten van een bosgroep. Een bosgroep heeft het statuut van private rechtspersoonlijkheid, onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.

§ 3. De provincies zijn bevoegd voor de erkenning, subsidiëring en opvolging van de bosgroepen.

§ 4. Naast financiële middelen kunnen de provincies ook infrastructuur en personeel ter beschikking stellen.

Artikel 55. (... - ...)

§ 1. De Vlaamse regering kan ondersteunende maatregelen nemen ter bevordering van de natuur in de bebouwde omgeving door de gemeenten.

§ 2. De Vlaamse regering kan ondersteunende maatregelen nemen ter bevordering van de ontwikkeling van maatregelen voor de natuurverbindingsgebieden en de lijn- en puntvormige elementen door de provincies en de gemeenten; hiertoe kan met hen een convenant afgesloten worden.

HOOFDSTUK VIII BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 56. (01/01/2015- ...)

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan afwijken van de verbodsbepalingen van dit decreet of zijn uitvoeringsbepalingen:
1° ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek verricht door wetenschappelijke instellingen en universiteiten;
2° ten behoeve van het natuurbeheer, de natuureducatie in het belang van de bescherming van de natuur en van de instandhouding van de habitats;
3° ten behoeve van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
4° ter voorkoming van belangrijke schade aan cultuurgewassen, vee en huisdieren, bossen en visserij;
5° ten behoeve van het onderwijs en de repopulatie.

Wanneer wordt afgeweken van een bepaling voortvloeiend uit een internationaal verdrag, overeenkomst of akte, bedoeld in artikel 7, moet bovendien voldaan worden aan de door dat verdrag, die overeenkomst of akte opgelegde voorwaarden.

Indien de afwijking betrekking heeft op een activiteit die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, kan enkel afgeweken worden om de redenen en volgens de procedure bepaald in artikel 36ter , §§ 3 tot 6.

Indien de afwijking betrekking heeft op een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, kan enkel afgeweken worden om de redenen en volgens de procedure bepaald in artikel 26bis , § 3.

Onverminderd de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid, mogen de afwijkingen bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden toegestaan wanneer er geen bevredigende alternatieven bestaan en voorzover zij soorten van bijlage III van dit decreet betreffen, zij geen afbreuk doen aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het Agentschap voor Natuur en Bos meldt deze afwijking en de motivering ervan aan de Europese Commissie.

Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een afwijking zoals vermeld in het eerste lid van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.

De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en procedure voor de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheden bepalen.

§ 2. De Vlaamse regering kan een vrijstelling of een procedurele afstemming voorzien in geval door of krachtens dit decreet voor eenzelfde activiteit meerdere verplichtingen gelden tot het bekomen van een machtiging, vergunning, ontheffing of afwijking. Deze regeling kan echter niet afwijken van hetgeen bepaald wordt in de artikelen 26bis , § 3, en 36ter , §§ 3 tot 6.

Artikel 57. (... - ...)

Alle ontvangsten ten voordele van het Vlaamse Gewest voortvloeiend uit de toepassing van dit decreet en uit de besluiten genomen of behouden ter uitvoering ervan, daarin begrepen de eventuele subsidies verleend op grond van internationale akten, alle schadevergoedingen en opbrengsten voor het Vlaamse Gewest die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet, en voor zover deze ontvangsten niet voortvloeien uit de middelen die door de administratieve begroting werden verleend, worden gestort in het Mina-fonds.

Artikel 57bis. (... - ...)

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken ten behoeve van aangelegenheden die ressorteren onder dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten, mogen in functie van hun opdracht onroerende eigendommen, met uitzondering van woningen en gebouwen bestemd voor privé of bedrijfsactiviteiten, betreden om er opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht. De Vlaamse regering kan hiertoe nadere regels vaststellen. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 39, I: 10 september 2002) ]

HOOFDSTUK IX [HANDHAVING (ver. decr. 30 april 2009, art. 126)]

AFDELING 1 [... (opgeh. decr. 30 april 2009, art. 127)]

Artikel 58. (25/06/2009- ...)

Voor dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten gebeurt het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk sanctioneren van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Artikel 59. (25/06/2009- ...)

...

AFDELING 2 HET TOEZICHT

Artikel 60. (25/06/2009- ...)

...

Artikel 61. (25/06/2009- ...)

...

Artikel 62. (25/06/2009- ...)

...

HOOFDSTUK X WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 63. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Heft de artikelen 1 tot 4, 6 tot 34, en 36 tot 39 en 41 tot 46 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud op wat de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest betreft)

De reglementaire bepalingen getroffen ter uitvoering van de opgeheven bepalingen van die wet blijven echter geldig voorzover zij niet door de Vlaamse regering werden opgeheven, gewijzigd of aangevuld.

Artikel 64. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 52 van dezelfde wet)

Artikel 65. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 56 van dezelfde wet)

Artikel 66. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 43 van het bosdecreet van 13 juni 1990)

Artikel 67. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 46 van hetzelfde decreet)

Artikel 68. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 47 van hetzelfde decreet)

Artikel 69. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Voegt artikel 90bis in in hetzelfde decreet)

Artikel 70. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Voegt artikel 19bis in in hetzelfde decreet)

Artikel 71. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 87 van hetzelfde decreet)

Artikel 72. (28/10/2017- ...)

...

Artikel 73. (... - ...)

Voor alle terreinen die met aankoopsubsidie van het Vlaamse Gewest werden aangekocht vóór de inwerkingtreding van dit decreet blijft de erkenningsprocedure van voor de inwerkingtreding van toepassing.

Artikel 74. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985)

Artikel 75. (17/07/2014- ...)

...

BIJLAGE I. (15/11/2010- ...)

Code De habitattypes van bijlage I van de Habitatrichtlijn die in Vlaanderen voorkomen

"Typen van natuurlijke habitats van communautair belang voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is" (*:prioritair habitat).

Code

Prioriteit

Habitattype

1130

 

Estuaria

1140

 

Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

1310

 

Eénjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten

1320

 

Schorren met slijkgrasvegetatie (Spatinion maritimae)

1330

 

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

2110

 

Embryonale wandelende duinen

2120

 

Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen)

2130

*

Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen)

2150

*

Eu-atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)

2160

 

Duinen met Hyppophae rhamnoides

2170

 

Duinen met Salix repens ssp. Argentea (Salicion arenariae)

2180

 

Beboste duinen van het Atlantische, Continentale and Boreale kustgebied

2190

 

Vochtige duinvalleien

2310

 

Psammofiele heide met Calluna- en Genista-soorten

2330

 

Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen

3110

 

Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora)

3130

 

Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletea uniflora en/of Isoëto-Nanojuncetea

3140

 

Kalkhoudende oligo-mesptrofe wateren met benthische Chara spp. Vegetaties

3150

 

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

3160

 

Dystrofe natuurlijke poelen en meren

3260

 

Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion

3270

 

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.

4010

 

Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

4030

 

Droge Europese heide

5130

 

Juniperus communis-formaties in heidevelden of op kalkgrasland

6120

*

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

6210

 

Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende facies op kalkhoudende (Festuco-Brometalia) (*gebieden waar zeldzame orchideeën groeien)

6230

*

Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems

6410

 

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion)

6430

 

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

6510

 

Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)

7110

*

Actief hoogveen

7120

 

Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is

7140

 

Overgangs- en trilveen

7150

 

Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

7210

*

Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Carex davalliana

7220

*

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

7230

 

Alkalisch laagveen

8310

 

Niet voor het publiek opengestelde grotten

9110

 

Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum

9120

 

Zuurminnende Atlantische beukenbossen met ondergroei van Ilex of soms Taxus (Quercion robori-petraeae if Ilici-Fagion)

9130

 

Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum

9150

 

Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorend tot het Cephalanthero-Fagetum

9160

 

Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eikenhaagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli

9190

 

Oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten

91D0

*

Veenbossen

91E0

*

Alluviale bossen met Alnion glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

91F0

 

Gemengde eiken-iepen-essenbossen langs de oevers van grote rivieren met Quercus robur, Ulmus laevis, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia (Ulmenion minoris)

 

BIJLAGE II. (01/09/2009- ...)

Code

De dier- en plantensoorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijnen die voorkomen in Vlaanderen

Code

Zoogdieren

 

1304

Rhinolophus ferrumequinum

Grote hoefijzerneus

1308

Barbastella barbastellus

Dwarsoor of Mopsvleermuis

1323

Myotis bechsteini

Langoor of Bechsteins vleermuis

1318

Myotis dasycneme

Meervleermuis

1321

Myotis emarginatus

Ingekorven vleermuis

1324

Myotis myotis

Vale vleermuis

1337

Castor fiber

Europese bever

1355

Lutra lutra

Otter

 

Amfibieën

 

1166

Triturus cristatus

Kamsalamander

 

Vissen

 

1099

Lampetra fluviatilis

Rivierprik

1096

Lampetra planeri

Beekprik

1103

Alose falax falax

Fint

1106

Salmo salar

Atlantische zalm

1134

Rhodeus sericeus amarus

Bittervoorn

1149

Cobitis taenia

Kleine modderkruiper

1145

Misgurnis fossilis

Grote modderkruiper

1163

Cottus gobio

Rivierdonderpad

 

Insecten

 

1042

Leucorrhinia pectoralis

Gevlekte witsnuitlibel

1078

Callimorpha quadripunctaria

Spaanse vlag

1083

Lucanus cervus

Vliegend hert

 

Mollusken

 

1016

Vertigo moulinsiana

zeggekorfslak

1014

Vertigo angustior

Nauwe korfslak

4056

Anisus vorticulus

Platte schijfhoren

 

Planten

 

1393

Drepanocladus vernicosus

Geel schorpioenmos

1614

Apium repens

Kruipend moerasscherm

1831

Luronium natans

Drijvende waterweegbree

1903

Liparis loeselii

Groenknolorchis

 

BIJLAGE III. (01/09/2009- ...)

A) DIERSOORTEN De dier- en plantensoorten van communautair belang van de Bijlage IV van de habitatrichtlijn, die voorkomen in Vlaanderen

A) DIERSOORTEN

 

MICROCHIROPTEREN

 

Rhinolophus ferrumequinum

Grote hoefijzervleermuis

Myotis mystacinus

Baardvleermuis

Myotis brandtii

Brandt’s vleermuis

Myotis daubentonii

Watervleermuis

Myotis nattereri

Franjestaart

Myotis emarginatus

Ingekorven vleermuis

Myotis dasycneme

Meervleermuis

Myotis bechsteinii

Bechstein’s vleermuis

Myotis myotis

Vale vleermuis

Plecotus auritus

Gewone grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

Grijze grootoorvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Ruige dwergvleermuis

Eptesicus serotinus

Laatvlieger

Vespertilio murinus

Tweekleurige vleermuis

Nyctalus noctula

Rosse vleermuis

Nyctalus leisleri

Bosvleermuis

Barbastella barbastellus

Mopsvleermuis

RODENTIA

 

Muscarinus avellanarius

Hazelmuis

Cricetus cricetus

Hamster

CARNIVORA

 

Lutra lutra

Otter

Castor fiber

Europese bever

AMPHIBIEEN

 

Triturus cristatus

Kamsalamander

Alytes obstetricans

Vroedmeesterpad

Rana arvalis

Heidekikker

Pelobates fuscus

Knoflookpad

Bufo calamita

Rugstreeppad

Hyla arborea

Boomkikker

Coronellea autriaca

Gladde slang

Rana lessonae

Poelkikker of kleine groene kikker

GELEEDPOTIGEN

 

Odonata

 

Leucorrhinia pectoralis

Gevlekte witsnuitlibel

Gomphus flavipes

Rivierrombout

MOLLUSKEN

 

Anisus vorticulus

Platte schijfhoren

B) PLANTENSOORTEN

 

Drepanocladus vernicosus

Geel Schorpioenmos

Apium repens

Kruipend moerasscherm

Luronium natans

Drijvende Waterweegbree

Liparis loeselii

groenknolorchis

 

BIJLAGE IV. (01/09/2009- ...)

Acrocephalus paludicola De vogelsoorten van de Bijlage I van de Vogelrichtlijn die voorkomen in Vlaanderen

Acrocephalus paludicola

Waterrietzanger

Alcedo atthis

Ijsvogel

Anser erythropus

Dwerggans

Anthus campestris

Duinpieper

Ardea purpurea

Purperreiger

Asio flammeus

Velduil

Aythya nyroca

Witoogeend

Botaurus stellaris

Roerdomp

Branta leucopsis

Brandgans

Branta ruficollis

Roodhalsgans

Burchinus oedicnemus

Griel

Caprimulgus europaeus

Nachtzwaluw

Charadrius alexandrinus

Strandplevier

Charadrius morinellus

Morinelplevier

Chlidonias niger

Zwarte stern

Ciconia ciconia

Ooievaar

Ciconia nigra

Zwarte ooievaar

Circus aeruginosus

Bruine kiekendief

Circus cyaneus

Blauwe kiekendief

Circus pygargus

Grauwe kiekendief

Crex crex

Kwartelkoning

Cygnus columbianus

Kleine zwaan

Cygnus cygnus

Wilde zwaan

Dendrocopus medius

Middelste Bonte Specht

Dryocopus martius

Zwarte specht

Egretta alba

Grote zilverreiger

Egretta garzetta

Kleine zilverreiger

Emberiza hortulana

Ortolaan

Ficedula parva

Kleine vliegenvanger

Falco columbarius

Smelleken

Falco peregrinus

Slechtvalk

Gallinago media

Poelsnip

Gavia arctica

Parelduiker

Gavia immer

Ijsduiker

Gavia stellata

Roodkeelduiker

Grus grus

Kraanvogel

Haliaeetus albicilla

Zeearend

Himantopus himantopus

Steltkluut

Ixobrychus minutus

Woudaapje

Lanius collurio

Grauwe klauwier

Larus melanocephalus

Zwartkopmeeuw

Limosa lapponica

Rosse grutto

Lullula arborea

Boomleeuwerik

Luscinia svecica

Blauwborst

Mergellus albellus

Nonnetje

Milvus migrans

Zwarte wouw

Milvus milvus

Rode wouw

Nycticorax nycticorax

Kwak

Pandion haliaetus

Visarend

Pernis apivorus

Wespendief

Phalaropus lobatus

Grauwe franjepoot

Philomachus pugnax

Kemphaan

Platalea leucorodia

Lepelaar

Pluvialis apricaria

Goudplevier

Podiceps auritus

Kuifduiker

Porzana paura

Kleine waterhoen

Porzana porzana

Porseleinhoen

Porzana pusilla

Kleinste waterhoen

Recurvirostra avocetta

Kluut

Sterna albifrons

Dwergstern

Sterna dougallii

Dougalls stern

Sterna hirundo

Visdief

Sterna paradisaea

Noordse stern

Sterna sandvicensis

Grote stern

Sylvia nisoria

Sperwergrasmus

Tetrao tetrix

Korhoen

Tringa glareola

bosruiter

 

BIJLAGE V. (... - ...)

Deze bijlage bevat de criteria van fase 1 bedoeld in bijlage III bij de Habitatrichtlijn en betreffende de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones.

A. Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een type natuurlijke habitat van bijlage I van dit decreet
a) mate van representativiteit van het type natuurlijke habitat in het gebied;
b) door het type natuurlijke habitat bestreken oppervlakte van het gebied ten opzichte van de totale door dit type natuurlijke habitat op het nationale grondgebied bestreken oppervlakte;
c) mate van instandhouding van de structuur en de functies van het betrokke type natuurlijke habitat en herstelmogelijkheid;
d) algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van het betrokken type natuurlijke habitat.

B. Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een soort van bijlage II van dit decreet
a) omvang en dichtheid van de populatie van de soort in het gebied ten opzichte van de populaties op het nationale grondgebied;
b) mate van instandhouding van de elementen van de habitat die van belang zijn voor de betrokken soort en herstelmogelijkheid;
c) mate van isolatie van de populatie in het gebied ten opzichte van het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort;
d) algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van de betrokken soort. (ing. decr. 19 juli 2002, art. 43, I: 10 september 2002) ]