Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de voorwaarden voor de toekenning van subsidies aan gemeenten voor de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en gemeentelijke plannen van aanleg

Datum 20/10/2000

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. HOOFDSTUK II SUBSIDIËRING VAN GEMEENTELIJKE RUIMTELIJKE STRUCTUURPLANNEN
  3. HOOFDSTUK III SUBSIDIËRING VAN GEMEENTELIJKE RUIMTELIJKE UITVOERINGSPLANNEN
  4. HOOFDSTUK IV TOEZICHT
  5. HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. (01/04/2017- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° de minister: de minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening;
2° departement : het Departement Omgeving.
3° de aanvrager: de gemeente die een subsidie aanvraagt voor de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of een gemeentelijk plan van aanleg.

Artikel 2. (01/07/2006- ...)

Afhankelijk van de beschikbare kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap kunnen subsidies worden toegekend aan gemeenten voor de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en gemeentelijke plannen van aanleg onder de in dit besluit gestelde voorwaarden.

De subsidie wordt toegekend in de volgorde waarin de aanvragen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, worden ingediend.

HOOFDSTUK II SUBSIDIËRING VAN GEMEENTELIJKE RUIMTELIJKE STRUCTUURPLANNEN

Artikel 3. (... - ...)

§ 1. De subsidie voor de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bedraagt:

1° [30.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met minder dan 10.000 inwoners;

2° [45.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met 10.000 tot 30.000 inwoners;

3° [65.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met 30.000 tot 50.000 inwoners;

4° [100.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners;

5° [125.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met 100.000 tot 200.000 inwoners;

6° [150.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met 200.000 tot 300.000 inwoners;

7° [175.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] voor gemeenten met meer dan 300.000 inwoners.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de meest recent gepubliceerde gegevens van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gehanteerd.

§ 2. Er wordt een correctie doorgevoerd in functie van de oppervlakte van de gemeente.

1° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 0,8 voor gemeenten met een oppervlakte van minder dan 2.000 hectare;

2° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 1,2 voor gemeenten met een oppervlakte tussen 5.000 en 10.000 hectare;

3° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 1,6 voor gemeenten met een oppervlakte van meer dan 10.000 hectare.

§ 3. Er wordt een tweede correctie doorgevoerd in functie van het al dan niet behoren van de volledige gemeente of delen ervan tot een stedelijk gebied zoals beschreven in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen.

1° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 0,8 voor een gemeente waarvan volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen geen delen behoren tot een stedelijk gebied;

2° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 1,3 voor een gemeente waarvan delen volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen behoren tot een regionaalstedelijk gebied;

3° het subsidiebedrag wordt vermenigvuldigd met 1,5 voor een gemeente waarvan delen volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen behoren tot een grootstedelijk gebied.

[§ 4. Als voor gemeenten met minder dan 10.000 inwoners het subsidiebedrag na toepassing van de correctiefactoren minder dan 24.000 euro bedraagt, wordt het subsidiebedrag opgetrokken tot 24.000 euro. (ing. B.V.R. 10 oktober 2003, art. 1, I: 13 november 2003) ]

Artikel 4. (01/10/2011- ...)

De aanvraag tot subsidie moet door het college van burgemeester en schepenen aangetekend of tegen ontvangstbewijs bij het departement ingediend worden, onmiddellijk na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan.

De aanvraag tot subsidie moet een afschrift van de gemeenteraadsbeslissing bevatten waarin het ontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voorlopig wordt vastgesteld.

Artikel 5. (01/07/2006- ...)

De minister of zijn gemachtigde verleent de subsidie. De beslissing wordt aan de aanvrager betekend door middel van een aangetekende brief en vermeldt het bedrag van de subsidie op basis van de in artikel 3 vermelde categorieën.

Artikel 6. (... - ...)

De uitbetaling van de subsidie gebeurt in twee schijven:

1° de eerste helft wordt uitbetaald onmiddellijk na het verlenen van de beslissing tot subsidie;

2° de tweede helft wordt uitbetaald na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan door de minister of de bestendige deputatie.

Artikel 7. (... - ...)

Een gemeente kan de subsidie voor de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan slechts éénmaal aanvragen.

HOOFDSTUK III SUBSIDIËRING VAN GEMEENTELIJKE RUIMTELIJKE UITVOERINGSPLANNEN

Artikel 8. (... - ...)

De subsidie voor de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kan door een gemeente enkel aangevraagd worden voor volgende categorieën van plannen:

1° plannen inzake de kwaliteitsvolle inrichting op gemeentelijk niveau van de open ruimte; het plan moet gericht zijn op een samenhangende ruimtelijke ontwikkeling en een meer effectieve bescherming en vrijwaring van de essentiële open-ruimtefuncties natuur, landbouw en bos en van het landschap en op de vrijwaring van de open ruimteverbindingen;

2° plannen inzake de kwaliteitsvolle inrichting op gemeentelijk niveau van samenhangende delen van het woongebied, zowel in de stedelijke gebieden als in de kernen van het buitengebied; het plan moet gericht zijn op een differentiatie van de woningvoorraad en het garanderen van minimale woningdichtheden, op een versterking van de multifunctionaliteit, op de maximale verweving van voorzieningen met de woonfunctie, op de optimalisering van recreatieve en toeristische voor-zieningen, op de zorg voor collectieve en openbare ruimten, op het behoud en de inrichting van open ruimte en op het voeren van een specifiek locatiebeleid;

3° plannen inzake de kwaliteitsvolle inrichting van lokale bedrijventerreinen, zowel in de stedelijke gebieden als in de kernen van het buitengebied. Een lokaal bedrijventerrein is gericht op be- en verwerkende bedrijven, heeft een verzorgend karakter ten aanzien van de omgeving, sluit qua schaal aan bij de omgeving en is beperkt van omvang;

Het plan moet minimaal de nodige voorschriften omvatten inzake de kwaliteitsvolle inrichting en de uitrusting met inbegrip van de groen- en parkeervoorzieningen en bevat een studie met betrekking tot de optimale bereikbaarheid, het nog beschikbare aanbod op de bestaande bedrijventerreinen binnen de gemeente en prognoses inzake de vestiging van nieuwe bedrijven en herlokalisatie of uitbreiding van bestaande bedrijven;

4° plannen waarin voor het hele grondgebied van een gemeente of een deel ervan de instandhoudingsmogelijkheden of uitbreidingsmogelijkheden worden bepaald van bedrijven die zich niet in een daartoe geëigende bestemmingszone bevinden of slechts in een niet daartoe geëigende zone kunnen uitbreiden, ook sectorale plannen zonevreemde bedrijven genoemd.

Dit plan moet minimaal een inventaris omvatten van alle bedrijven die zonevreemd zijn of door de gewenste uitbreiding zonevreemd zouden worden, een gemeentelijke visie inzake deze problematiek en een individuele ruimtelijk afweging van de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven;

5° plannen waarin voor het hele grondgebied van een gemeente of een deel ervan de instandhoudingsmogelijkheden of uitbreidingsmogelijkheden worden bepaald van infrastructuur voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten die zich niet in een daartoe geëigende bestemmingszone bevindt of slechts in een niet daartoe geëigende zone kan uitbreiden, ook sectoraal plan zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten genoemd.

Dit plan moet minimaal een inventaris omvatten van alle zonevreemde terreinen en gebouwen, alsook de uitwerking van een gemeentelijke visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de sport-,recreatie- en jeugdactiviteiten in de gehele gemeente, zodat op gemeentelijk niveau een onderbouwde afweging plaatsvindt tussen de verschillende functies en hun ruimtegebruik enerzijds en de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing van de bestaande, te behouden en eventueel uit te breiden infrastructuur voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten anderzijds.

Artikel 9. (... - ...)

De subsidie voor de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt als volgt gediffe-rentieerd, afhankelijk van het soort plan:

1° plannen ter inrichting van de open ruimte: [1.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] per hectare grondgebied waarop het plan betrekking heeft en met een maximum van [30.000 euro; (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ]

2° plannen ter inrichting van samenhangende delen van het woongebied: [1.500 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] per hectare grondgebied waarop het plan betrekking heeft en met een maximum van [15.000 euro; (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ]

3° plannen ter inrichting van lokale bedrijventerreinen: [1.000 euro (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ] per hectare grondgebied waarop het plan betrekking heeft en met een maximum van [5.000 euro; (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ]

4° sectorale plannen zonevreemde bedrijven: [15.000 euro; (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ]

5° sectorale plannen sport-, recreatie- en jeugdinfrastructuur: [5.000 euro. (verv. B.V.R. 14 december 2001, art. 2, I: 1 januari 2002) ]

De oppervlakte per hectare wordt per eenheden gerekend en naar beneden afgerond voor de bepaling van het subsidiebedrag.

Artikel 10. (01/10/2011- ...)

De aanvraag tot subsidie moet door het college van burgemeester en schepenen aangetekend of tegen ontvangstbewijs bij het departement ingediend worden, onmiddellijk na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de minister of de bestendige deputatie.

De aanvraag tot subsidie moet de volgende elementen bevatten:
1° een afschrift van de goedkeuring van het plan door de minister of de bestendige deputatie;
2° een opgave van de categorie van het plan waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, de reden waarom het desbetreffende plan of een stuk ervan in aanmerking komt voor de subsidie en de wijze waarop het plan overeenstemt met een bepaalde categorie van subsidieerbare plannen;
3° een berekening van het aantal hectaren waarvoor een subsidie wordt gevraagd;
4° het rekeningnummer van de gemeente waarop de subsidie moet worden gestort.

Er kan geen subsidie worden toegekend voor delen van het grondgebied van de gemeente die zijn opgenomen in één van de in artikel 9 vermelde categorieën van plannen waarvoor reeds een subsidie is verleend met toepassing van dit besluit.

Artikel 11. (01/07/2006- ...)

De minister of zijn gemachtigde neemt de beslissing tot subsidie. De beslissing wordt aan de aanvrager betekend met een aangetekende brief en vermeldt het bedrag van de subsidie op basis van de in artikel 9 vermelde categorieën.

De subsidie wordt uitbetaald onmiddellijk na het nemen van de beslissing tot subsidie.

Artikel 12. (... - ...)

Een gemeente kan de subsidie voor de opmaak van een sectoraal plan zonevreemde bedrijven, van een sectoraal plan zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten en van een plan voor de inrichting van één of meer lokale bedrijventerreinen slechts éénmaal aanvragen.

Voor plannen betreffende de inrichting van de open ruimte en het woongebied kan geen subsidie worden toegekend, indien het plan enkel betrekking heeft op delen van het grondgebied die volledig begrepen zijn in een plan waarvoor reeds een subsidie werd toegekend. Indien het plan betrekking heeft op delen van het grondgebied die begrepen zijn in een plan waarvoor reeds een subsidie werd toegekend, dan wordt de opmaak van het nieuwe plan slechts gesubsidieerd voor het aantal bijkomende hectaren ten opzichte van het reeds gesubsidieerde plan.

HOOFDSTUK IV TOEZICHT

Artikel 13. (01/09/2016- ...)

Het departement voert de controle uit op de naleving van de voorwaarden gesteld in dit besluit.

Artikel 14. (... - ...)

[De tweede schijf van de subsidie, bedoeld in artikel 6, wordt niet uitbetaald als het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan niet wordt goedgekeurd binnen een periode van twee jaar na de datum van de beslissing tot toekenning van de subsidie. (verv. B.V.R. 10 oktober 2003, art. 5, I: 13 november 2003) ]

HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. (... - ...)

In afwijking van artikel 4 kan een subsidie worden verleend voor de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen waarvan de procedure lopende is op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit.

Er is een lopende procedure in de zin van deze bepaling indien het ontwerp structuurplan voorlopig is vastgesteld door de gemeenteraad In dat geval wordt de subsidie aangevraagd en uitbetaald overeenkomstig de aanvragen, bedoeld in hoofdstuk II van dit besluit.

Bovendien kan een subsidie worden aangevraagd voor gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen waarvan de procedure reeds werd beëindigd op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit. De aanvraag moet een afschrift bevatten van de gemeenteraadsbeslissing waarin de subsidie wordt aangevraagd. De subsidie wordt in één schijf uitbetaald, onmiddellijk na het verlenen van de beslissing tot subsidie. De aanvraag moet ten laatste 6 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit worden ingediend.

Artikel 16. (01/10/2011- ...)

In afwijking van artikels 2, 8 en 9 kan de subsidie tot 1 januari 2003 worden aangevraagd voor de opmaak van gemeentelijke plannen van aanleg die qua concept en doelstellingen overeenkomen met de in artikel 8 bedoelde ruimtelijke uitvoeringsplannen, op voorwaarde dat er een ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes en ontwikkelingsperspectieven van het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen en op voorwaarde dat de gemeenteraad beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De opmaak van het plan van aanleg moet in voorko-mend geval verantwoord worden op basis van de bepalingen van het voorontwerp of ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De bedragen, vermeld in artikel 9, worden evenwel gehalveerd. De aanvraag tot subsidie en de uitbetaling worden voor het overige ingediend en behandeld op dezelfde manier als de aanvragen, bedoeld in hoofdstuk III van dit besluit.

Er kan ook een subsidie worden verleend voor de opmaak van plannen, zoals bedoeld in het eerste lid, waarvoor de procedure lopend is op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit. Er is een lopende procedure in de zin van deze bepaling indien het plan van aanleg of het plan tot herziening van een bestaand plan voorlopig is aangenomen door de gemeenteraad. In dat geval wordt de subsidie aangevraagd en uitbetaald overeenkomstig de aanvragen, bedoeld in hoofd-stuk III van dit besluit.

De aanvraag tot subsidie moet ingediend worden bij het departement ten laatste de dertigste dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de goedkeuring van het betrokken plan. Indien de subsidie wordt aangevraagd na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de goedkeuring van het betrokken plan, wordt de subsidie in één keer uitbetaald, onmiddellijk na het verlenen van de beslissing tot subsidie.

Geen subsidie wordt verleend voor bijzondere plannen van aanleg met betrekking tot bedrijventerreinen of gegroepeerde woningbouw die zich beperken tot het aangeven van de bestaande toestand en de grenzen van het gebied.

De wijziging van een bijzonder plan van aanleg wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met de opmaak van een dergelijk plan. Er kan evenwel geen subsidie worden toegekend voor de herziening van een plan waarvan de opmaak of een vroegere herziening reeds overeenkomstig dit besluit is gesubsidieerd.

Artikel 17. (... - ...)

De bepalingen in hoofdstuk III betreffende de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen treden in werking op 1 januari 2001. De overige bepalingen van dit besluit treden in werking op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 18. (... - ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.