Decreet betreffende de amateurkunsten

Datum 22/12/2000

Versie geldig op 01/09/2020

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. HOOFDSTUK II ORGANISATIES VOOR AMATEURKUNSTEN
    1. AFDELING 1 ERKENNING
    2. AFDELING 2 SUBSIDIËRING
    3. [AFDELING 3 EVALUATIE (ing. decr. 20 december 2013, art. 10, I: 13 februari 2014)]
  3. HOOFDSTUK III [... (opgeh. decr. 29 maart 2019, art. 43, I: 1 januari 2019)]
  4. HOOFDSTUK IV PROJECTSUBSIDIËRING
  5. HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. (... - ...)

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2. (01/01/2019- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder:
1° amateurkunsten: elke kunstvorm die in het kader van het sociaal-culturele gebeuren aan iedere burger de kans biedt om zich via kunstbeoefening en -beleving te ontplooien en zijn potentiële creatieve vermogens te ontwikkelen op vrijwillige basis en zonder beroepsmatige doeleinden;
2° kunstdiscipline: een tak van de kunsten of een organisatorisch samenhangend geheel van verwante kunsttakken, waarvan het hoofdbestanddeel betrekking heeft op één van de volgende uitdrukkingsvormen:
a) theater: alle activiteiten op het vlak van de dramatische kunst;
b) dans: alle activiteiten op het vlak van de kunstvorm waarbij het bewegen van het menselijk lichaam de belangrijkste uiting is;
c) beeld en beeldende kunst: alle activiteiten op het vlak van de kunsten waarbij het creëren van beelden of vormen de belangrijkste uiting is, met als deeldisciplines:
- beeld: alle activiteiten op het vlak van film, fotografie, video en andere media;
- beeldende kunst: alle activiteiten op het vlak van schilderkunst, beeldhouwkunst en aanverwante creatieve activiteiten;
d) muziek: alle activiteiten op het vlak van de muzikale kunsten met als deeldisciplines:
- instrumentale muziek : alle activiteiten op het vlak van de muzikale kunsten waarbij hoofdzakelijk gebruik gemaakt wordt van instrumenten;
- vocale muziek: alle activiteiten op het vlak van de muzikale kunsten, hoofdzakelijk de menselijke stem;
- lichte muziek: alle activiteiten op het vlak van de muzikale kunsten, met betrekking tot rock, pop, elektronische muziek, en aanverwante genres;
- volksmuziek en jazz: alle activiteiten op het vlak van de muzikale kunsten, gebaseerd op traditionele muziek die kenmerkend is voor een bepaald volk, een bepaald volksdeel of een bepaalde streek;
e) letteren: alle activiteiten op het vlak van de literaire kunsten;
3° ...
4° project: een activiteit op het vlak van de amateurkunsten, die zowel in opzet of doelstelling als in tijd kan worden afgebakend;
5° landelijk karakter: ofwel activiteiten ontplooien in minstens vier Vlaamse provincies ofwel een publieksbereik aantonen in minstens vier Vlaamse provincies. Voor de toepassing van dit decreet wordt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad beschouwd als een Vlaamse provincie;
6°...;
7° administratie: de afdeling in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die bevoegd is voor de amateurkunsten.

Artikel 3. (... - ...)

De Vlaamse Gemeenschap streeft via een ondersteuningsbeleid de totstandkoming na van een netwerk van organisaties voor amateurkunsten, teneinde de artistieke en sociale component van de amateurkunstbeoefening en -beleving bij elke burger te valoriseren.

HOOFDSTUK II ORGANISATIES VOOR AMATEURKUNSTEN

AFDELING 1 ERKENNING

Artikel 4. (01/01/2006- ...)

Een organisatie voor amateurkunsten, hierna organisatie te noemen, is een vereniging met een landelijk karakter werkzaam binnen één van de disciplines, vermeld in artikel 2, 2°.

Artikel 5. (01/01/2006- ...)

Voor elke kunstdiscipline, vermeld in artikel 2, 2°, of voor een deeldiscipline ervan, kan slechts één organisatie voor amateurkunsten erkend worden, die representatief is voor de desbetreffende kunstdiscipline of deeldiscipline. Ze stelt zich dienstverlenend op tegenover haar aangesloten groepen en tegenover alle andere belangstellenden. Ze heeft aandacht voor de verschillende artistieke expressievormen binnen de kunstdiscipline of deeldiscipline ervan.

Artikel 6. (13/02/2014- ...)

Om door de Vlaamse Regering als organisatie voor amateurkunsten erkend te worden moet de organisatie aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoen :
1° een werking hebben met een landelijk karakter;
2° een vereniging zonder winstoogmerk zijn met een werkterrein dat duidelijk ligt in één van de kunstdisciplines of deeldisciplines van artikel 2, 2°, van dit decreet en voornamelijk gericht is op groepen;
3° over één centraal secretariaat beschikken;
4° over één personeelskader beschikken, waarbij de organisatie de juridische werkgever is;
5° bij de aanvraag tot erkenning aantonen hoe zij :
a) een informatiewerking opbouwen voor de doelgroep, al dan niet met inbegrip van een documentatiecentrum of bibliotheek;
b) communicatie voert met de beoefenaars van de kunstdiscipline of deeldiscipline ervan, met het oog op de uitstraling en de kwaliteitsverbetering van de kunstdiscipline;
c) ondersteuning zal bieden door het ontwikkelen en/of aanbieden van documentatie- en werkmaterialen, het organiseren van vorming en begeleiding en van publieksgerichte evenementen;
d) zal samenwerken met de andere organisaties en overleg zal plegen en afspraken zal maken met aanverwante sectoren;
e) ...;
f) een kwaliteitsbeleid zal uitbouwen dat erop gericht is op een systematische wijze de kwaliteit van de aangeboden dienstverlening en ook van haar werking te bepalen, te plannen, te verbeteren en op te volgen;
g) een product- of procesgerichte vernieuwing en/of verbreding zal realiseren;
h) een doelgroepenbeleid zal ontwikkelen;
i) een internationale werking zal ontplooien.

Artikel 6/1. (13/02/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering erkent een organisatie voor amateurkunsten nadat ze in de loop van januari van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode, een aangetekende schriftelijke aanvraag bij de administratie heeft ingediend.

Bij die aanvraag moeten de nodige bewijsstukken gevoegd zijn, waaruit blijkt dat de organisatie voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 6.

§ 2. De aanvraag voor erkenning is onontvankelijk als niet voldaan is aan één van de volgende voorwaarden :
1° de aanvraag wordt tijdig ingediend;
2° ze bevat alle documenten en gegevens, vermeld in § 1;
3° uit de ingediende stukken blijkt dat de doelstellingen van dit decreet door de organisatie voldoende kunnen worden gerealiseerd.

De administratie brengt de aanvragende organisatie binnen een maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, ervan op de hoogte dat de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. Als de aanvraag niet ontvankelijk is op basis van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, heeft de organisatie vanaf de ontvangst van het bericht van de niet-ontvankelijkheid, één maand de tijd om de nodige aanvullingen te bezorgen.

§ 3. De administratie onderzoekt de aanvraag, indien nodig ter plaatse, en brengt voor 15 april van het lopende jaar advies uit bij de bevoegde minister. De beslissing van de Vlaamse Regering over de aanvraag voor erkenning wordt voor 15 juni meegedeeld aan de organisatie.

§ 4. Voor 15 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag werd gedaan, dient de organisatie het beleidsplan, vermeld in artikel 9, § 2, in bij de administratie.

§ 5. De erkenning gaat in op 1 januari van het jaar dat volgt op de betekening van de beslissing tot erkenning.

§ 6. De erkenning kan ingetrokken worden als blijkt dat de organisatie niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 6. De intrekking van de erkenning gaat in op 1 januari van het jaar dat volgt op de mededeling van de beslissing en betekent vanaf dat ogenblik het verlies van de jaarlijkse subsidie-enveloppe.

Artikel 7. (13/02/2014- ...)

§ 1. ...

§ 2. De aanvraag tot erkenning van een nieuwe organisatie met betrekking tot een nieuwe kunstdiscipline moet bij de administratie ingediend worden in de loop van januari van het jaar dat vooraf gaat aan elke nieuwe beleidsperiode.

§ 3. De erkenningsprocedure, met inbegrip van de eventuele beroepsprocedure, wordt vóór 15 oktober van het kalenderjaar van de aanvraag afgesloten met de berekening van de beslissing betreffende de erkenning of de niet-erkenning.

§ 4....

Artikel 8. (... - ...)

§ 1. Tegen het voornemen van de beslissing van niet-erkenning kan beroep aangetekend worden bij de adviserende beroepscommissie voor culturele aangelegenheden.

§ 2. Na verloop van de procedure, vermeld in artikel 7, gaat de erkenning in op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de berekening van de erkenningsbeslissing.

§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels betreffende de aanvraag voor erkenning.

AFDELING 2 SUBSIDIËRING

Artikel 9. (13/02/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse regering subsidieert via jaarlijkse subsidie-enveloppen de erkende organisaties telkens voor een periode van vijf jaar.

§ 2. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen stelt de erkende organisatie om de vijf jaar een beleidsplan op over de activiteiten, vermeld in artikel 6, rekening houdend met de toegekende subsidie-enveloppe en voorzover het mogelijk is onderbouwd met kwantitatieve gegevens. Het beleidsplan bevat tevens een financieel plan en een personeelsplan. Het beleidsplan houdt tevens rekening met de accenten die de Vlaamse Regering legt in het kader van haar beleidsintenties met betrekking tot de amateurkunsten.

§ 3. Daarenboven moet de organisatie in haar werking rekening houden met de principes van de integrale kwaliteitszorg.

§ 4. ...

§ 5. Elke organisatie heeft de verplichting om op verzoek van de administratie alle nuttige en noodzakelijke gegevens inzake haar discipline te verstrekken, en dit in de gevraagde vorm.

§ 6. Na onderzoek brengt de administratie de organisatie schriftelijk op de hoogte van de evaluatie en de goedkeuring van het beleidsplan.

§ 7. ...

§ 8. De Vlaamse Regering kan de verdere regels met betrekking tot het beleidsplan bepalen.

Artikel 9/1. (13/02/2014- ...)

§ 1. Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode, dient de organisatie een financieel behoefteplan in met als doel een meerwaarde te realiseren ten aanzien van de werking tijdens de voorbije beleidsperiode.

De administratie brengt voor 1 juli advies uit aan de bevoegde minister over de aanpassing van de subsidie-enveloppe van de erkende organisatie. Het advies van de administratie bevat minstens een evaluatie van de werking van de organisatie gedurende de voorbije beleidsperiode, een samenvatting van het financiële behoefteplan van de organisatie en de verwijzing naar de beleidsintenties van de Vlaamse Regering, die bekend zijn bij de opmaak van het beleidsplan.

Uiterlijk op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode, bepaalt de Vlaamse Regering de subsidie-enveloppe.

§ 2. De organisatie dient een beleidsplan in, uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode. De administratie deelt voor 31 januari van het volgende jaar mee of het beleidsplan als voldoende basis aanvaard is ter subsidiëring van de organisatie.

§ 3. Als het beleidsplan niet aanvaard wordt, heeft de organisatie drie maanden de tijd, te rekenen vanaf de postdatum van de verzending van de mededeling van de administratie, om het beleidsplan bij te sturen. De administratie legt in dat geval het beleidsplan voor aan de Vlaamse Regering, die voor 1 mei van het eerste jaar van de nieuwe beleidsperiode een beslissing neemt over het aanvaarden van het beleidsplan. Als het beleidsplan niet aanvaard wordt, verliest de organisatie haar subsidie vanaf 1 januari van het volgende jaar.

§ 4. De nieuwe subsidie-enveloppe wordt toegekend vanaf 1 januari van het eerste jaar van elke beleidsperiode, tenzij het beleidsplan niet wordt aanvaard. In dat geval behoudt de organisatie gedurende één jaar de subsidie-enveloppe van de vorige beleidsperiode.

Artikel 10. (... - ...)

De subsidie-enveloppe bevat de nodige middelen voor de ondersteuning van de jaarlijkse personeels- en werkingskosten van de organisatie.

Artikel 11. (13/02/2014- ...)

§ 1. Per nieuwe beleidsperiode kan de Vlaamse Regering de subsidie-enveloppe van de erkende organisatie aanpassen. De aanpassing gebeurt op basis van de eigen beleidsintenties van de Vlaamse Regering, van een evaluatie van de werking van de organisatie gedurende de voorbije beleidsperiode en van een door de erkende organisatie opgemaakt financieel behoefteplan met als doel een meerwaarde te realiseren ten aanzien van de werking tijdens de vorige beleidsperiode.

§ 2. De subsidie-enveloppe van een erkende organisatie kan stijgen ten aanzien van de subsidie-enveloppe van de voorgaande beleidsperiode. Voor het totale bedrag van de subsidie-enveloppes van de organisaties is die stijging geplafonneerd op twintig procent. Per organisatie kan de subsidie-enveloppe, vastgesteld met toepassing van paragraaf 1, met het oog op de continuïteit van de werking maximaal twintig procent dalen ten opzichte van de subsidie-enveloppe van de voorgaande beleidsperiode.

§ 3. Een nieuw erkende organisatie voor amateurkunsten ontvangt voor de eerste beleidsperiode een subsidie-enveloppe van minimum 200.000 euro. Die subsidie-enveloppe wordt niet in rekening gebracht bij de vaststelling van de stijging van de beschikbare kredieten voor het totale bedrag van de subsidie-enveloppes van de organisaties, vermeld in paragraaf 2.

Artikel 12. (13/02/2014- ...)

§ 1. Onder voorbehoud dat de ingediende begroting voor het lopende begrotingsjaar werd goedgekeurd door de Vlaamse regering worden voor het begrotingsjaar waarvoor ze werden ingeschreven en goedgekeurd vier driemaandelijkse voorschotten uitbetaald.

De subsidie wordt uitbetaald in twee zesmaandelijkse voorschotten. Elk voorschot bedraagt vijfenveertig procent van de vastgestelde financiële enveloppe op jaarbasis.

§ 2. De subsidie-enveloppen, vermeld in dit decreet, worden gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

§ 3. Organisaties voor amateurkunsten moeten bovendien:
1° een boekhouding voeren volgens het genormaliseerd boekhoudkundig stelsel en die zo organiseren dat de financiële controle op de aanwending van de subsidies mogelijk is. De Vlaamse regering kan een specifiek boekhoudkundig plan en bijzondere regelingen betreffende de boekhouding opleggen;
2° jaarlijks de rekeningen van het vorige jaar met de nodige bewijsstukken voorleggen, alsmede een door de algemene vergadering goedgekeurde sluitende begroting; uit de afrekening moet blijken dat de organisatie, rekening houdende met de eigen middelen sluitend of batig kan werken. Een batig saldo in de resultatenrekening verplicht de organisatie tot het opbouwen van een financiële reserve. Deze reserve moet worden aangewend ter financiering van uitgaven die bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen van de organisatie;
3° jaarlijks een voortgangsrapport indienen met een stand van zaken over de uitvoering van het beleidsplan in het voorbije jaar en een vooruitblik op de geplande uitvoering van het beleidsplan voor het lopende jaar. In het voortgangsrapport verduidelijkt de organisatie per concrete actie welk resultaat ze realiseerde het voorbije jaar en welk resultaat ze beoogt voor het lopende jaar;
4° aanvaarden dat de administratie de werking en de boekhouding, ter plaatse, onderzoekt;
5° hun bestuurders en hun medewerkers verzekeren tegen de burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie.

§ 4. Bij afwijking kan de jaarlijkse verantwoording van de subsidie-enveloppe leiden tot de vorming van een subsidiereserve op voorwaarde dat :
1° de organisatie deze werkwijze expliciet vaststelt in het ingediende en goedgekeurde beleidsplan;
2° de organisatie deze werkwijze telkens expliciet in de jaarplanning en in het werkingsverslag duidt en verantwoordt;
3° de gereserveerde subsidie in één van de volgende jaren van de beleidsperiode in kwestie besteed wordt conform de jaarplanning en beleidsplan;
4° de subsidie-enveloppe, toegekend voor het totaal van de beleidsperiode, niet overschreden wordt.

[AFDELING 3 EVALUATIE (ing. decr. 20 december 2013, art. 10, I: 13 februari 2014)]

Artikel 12/1. (13/02/2014- ...)

§ 1. Jaarlijks bezorgt de organisatie uiterlijk op 15 maart van het lopende kalenderjaar aan de administratie het voortgangsrapport, de begroting voor het lopende kalenderjaar en het financiële verslag van het voorbije kalenderjaar.

De documenten, vermeld in het eerste lid, dragen de handtekening van de voorzitter en penningmeester of secretaris en worden eveneens elektronisch aan de administratie bezorgd. Een uittreksel uit de notulen en de agenda van de bijeenkomst van de algemene vergadering waarop de documenten goedgekeurd werden, zijn bij de documenten gevoegd.

§ 2. Bij het jaarlijkse financiële verslag van de organisatie zijn een balanssituatie gevoegd en het verificatieverslag, opgesteld door een bedrijfsrevisor of een externe accountant, die niet betrokken mag zijn bij de dagelijkse inhoudelijke, organisatorische of zakelijke werking van de organisatie in kwestie.

Artikel 12/2. (13/02/2014- ...)

Gedurende de looptijd van elke beleidsperiode zal de administratie samen met externe deskundigen minstens eenmaal een bezoek ter plaatse brengen om de werking van de organisatie te evalueren. Het uitgangspunt daarvoor is het door de administratie goedgekeurde en door de organisatie eventueel bijgestuurde beleidsplan, de voortgangsrapporten, de financiële verslagen en het evaluatieverslag van de vorige beleidsperiode.

HOOFDSTUK III [... (opgeh. decr. 29 maart 2019, art. 43, I: 1 januari 2019)]

Artikel 13. (01/01/2019- ...)

...

Artikel 14. (01/01/2019- ...)

...

HOOFDSTUK IV PROJECTSUBSIDIËRING

Artikel 15. (13/02/2014- ...)

§ 1. Jaarlijks wordt een krediet voorzien voor de financiële ondersteuning van projecten. De Vlaamse regering bepaalt jaarlijks de grootte van dit krediet.

§ 2. Voor projectsubsidiëring komen de volgende projecten in aanmerking :
1° projecten die betrekking hebben op een kunstdiscipline of deeldisciplines ervan die niet gesubsidieerd worden binnen dit decreet;
2° projecten met betrekking tot internationale activiteiten;
3° projecten die kaderen in de beleidsintenties van de Vlaamse Regering op het vlak van doelgroepen en/of thema's.

§ 3. Voor de projecten bedoeld onder § 2, 1°, worden de aanvragen ingediend door nieuwe initiatieven met een landelijke werking die vandaag niet als kunstdiscipline of deeldiscipline erkend worden. Voor de projecten, vermeld in paragraaf 2, 2° en 3°, worden de aanvragen ingediend door amateurkunstenorganisaties, amateurkunstengroepen en amateurkunstenaars.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt wie projectsubsidies kan aanvragen evenals de procedure voor het indienen en afhandelen van de aanvragen.

§ 5. De projectsubsidiëring kan nooit de periode, bedoeld in artikel 9, overschrijden.

§ 6. ...

§ 7. De projectsubsidie kan beschikbaar gesteld worden in de vorm van een voorschot ten belope van maximum 90 procent. Het saldo wordt uitbetaald nadat door de administratie vastgesteld werd dat de voorwaarden waaronder de projectsubsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie feitelijk aangewend werd om het gesubsidieerde project te realiseren.

HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 16. (13/02/2014- ...)

In afwijking van artikel 11, § 1, wordt tijdens de beleidsperiode 2012-2016 de subsidie-enveloppe van elke erkende organisatie vanaf 2014 verhoogd met de bedragen die de provincies in 2011 hebben uitgekeerd als structurele ondersteuning van de organisatie en die in het kader van de uitvoering van de interne staatshervorming in 2014 worden overgeheveld naar de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

Vanaf de beleidsperiode 2017-2021 worden de nieuwe subsidie-enveloppes van de erkende organisaties door de Vlaamse Regering vastgesteld, rekening houdend met de bepalingen van artikel 11.

Artikel 17. (01/01/2006- ...)

...

Artikel 18. (01/01/2006- ...)

...

Artikel 19. (01/01/2006- ...)

...

Artikel 20. (01/01/2006- ...)

...

Artikel 21. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Heft het decreet van 24 juli 1991 houdende de subsidieregeling van verenigingen voor amateuristische kunstbeoefening in het kader van het Nederlandstalig sociaal-cultureel vormingswerk op)

Artikel 22. (... - ...)

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2001.