Decreet betreffende het Cultuurpact

Datum 28/01/1974

Versie geldig op 01/09/2020

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I WERKINGSSFEER
  2. HOOFDSTUK II ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE DE DEELNEMING AAN DE VOORBEREIDING EN DE UITVOERING VAN HET CULTUURBELEID
  3. HOOFDSTUK III DEELNEMING AAN DE VOORBEREIDING EN DE UITVOERING VAN HET CULTUURBELEID
  4. HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE DE DEELNEMING AAN HET BESTUUR VAN DE CULTURELE INSTELLINGEN
  5. HOOFDSTUK V WAARBORGEN BETREFFENDE DE CUL¬TURELE ACTIVITEIT VAN DE OVERHEID EN VAN DE CULTURELE INSTELLINGEN
  6. HOOFDSTUK VI BIJZONDERE WAARBORGEN INZAKE GEINDIVIDUALISEERDE AANMOEDIGINGEN
  7. HOOFDSTUK VII WAARBORGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE CULTURELE INFRASTRUCTUUR
  8. HOOFDSTUK VIII WAARBORGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE COMMUNICATIEMIDDELEN
  9. HOOFDSTUK IX WAARBORGEN BETREFFENDE HET PERSONEEL
  10. HOOFDSTUK X DE VASTE NATIONALE CULTUURPACTCOMMISSIE
  11. HOOFDSTUK XI ALGEMENE BEPALING

Inhoud

HOOFDSTUK I WERKINGSSFEER

Artikel 1. (... - ...)

Ter uitvoering van de artikelen 6bis en 59bis, § 7, van de Grondwet mogen de decreten van ieder der Cultuurraden geen enkele discrimi­natie om ideologische en filosofische redenen bevatten, noch afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische min­derheden.

Artikel 2. (... - ...)

De bepalingen van dit decreet zijn toepas­selijk op alle overheidsmaatregelen genomen in­zake de culturele aange­legenheden, als bedoeld in artikel 2 van de wet van 21 juli 1971 betreffende de bevoegdheid en de werking van de Cultuur­ra­den evenals inzake de internationale samenwer­king zoals bepaald in § 2, 3°, van artikel 59bis van de Grondwet.

Deze culturele aangelegenheden omvatten niet die maatregelen welke wezenlijk behoren tot het strafrecht, het sociaal recht, het belastingrecht en de economische reglementering.

Onder overheid dienen onder meer te worden verstaan de uit­voerende macht, de provincieover­heden, de interprovinciale verenigingen, de ge­meenteoverheden, de overheden van de ag­glome­raties en federaties van gemeenten, de intercom­munale verenigingen, de Nederlandstalige en Franstalige commissies voor de cultuur van de Brusselse agglomeratie en de openbare instellin­gen die onder deze overheden ressorteren.

HOOFDSTUK II ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE DE DEELNEMING AAN DE VOORBEREIDING EN DE UITVOERING VAN HET CULTUURBELEID

Artikel 3. (... - ...)

§ 1. De overheidsinstanties moeten de gebruikers en alle ideologische en filosofische strekkingen betrekken bij de voorbereiding en de uitvoering van het cultuurbeleid, overeen­komstig de modaliteiten van dit decreet en op voorwaarde dat zij de principes en de regels van de democra­tie aanvaarden en naleven.


§ 2. Het begrip filosofische en ideologische strek­king steunt op een levensbeschouwelijke opvatting of op een maatschappij­visie.

De vertegenwoordiging van de strekkingen steunt op hun aanwe­zigheid in de vertegenwoordigende vergade­ring van de overeen­stemmende overheid.

§ 3. De vertegenwoordiging van de gebruikers steunt op het bestaan van erkende representatieve verenigin­gen binnen het territoriaal gebied en bin­nen de bevoegdheid van de overheid of van de culturele instelling.

De regels inzake erkenning van de representatieve verenigingen kunnen, naar gelang van het geval, slechts bij wet of bij decreet worden vastgesteld.

Het representatief karakter hangt af van een ge­heel van cri­teria; een erkenning kan niet worden geweigerd op grond van één enkel van deze cri­teria, meer bepaald niet op grond van het aantal leden of aangeslotenen.

§ 4. Voor de toepassing van dit decreet mag geen enkele per­soon, geen enkele organisatie, geen enkele instelling zonder zijn instemming be­schouwd worden als te behoren tot een be­paalde ideologische of filosofische strekking.

Artikel 4. (... - ...)

Alle overheden, alle instellingen door een overheid of op haar initiatief opgericht, elke or­ganisatie of elke persoon die permanent beschikt over een infrastructuur van de overheid en onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 5, ont­houden zich van enigerlei vorm van discriminatie, uitsluiting, beper­king of voorkeur om ideologi­sche of filosofische redenen die tot gevolg heeft de uitoefening van de rechten en vrijheden, de erkenning of het voordeel van de toepassing van de wetten, decreten en verordeningen onmogelijk te maken of aan te tas­ten.

Artikel 5. (... - ...)

De overheid mag een infrastructuur slechts permanent ter beschikking stellen van een instelling met een ideologi­sche en filosofische strekking, indien zij in staat is binnen een rede­lijke termijn ook een gelijk­aardig voordeel toe te kennen aan de andere instellingen die het vragen. De ter­beschikking­stelling mag in geen geval lan­ger du­ren dan de termijn die loopt tot de ver­nieuwing bij verkiezing van de vertegenwoor­di­gende ver­gadering van de overheid die de beslis­sing neemt.

Indien de overheid slechts over één enkele infra­structuur beschikt, mag zij die alleen bij toerbeurt aan de verschillen­de ideologische of filosofische strekkingen in gebruik geven.

HOOFDSTUK III DEELNEMING AAN DE VOORBEREIDING EN DE UITVOERING VAN HET CULTUURBELEID

Artikel 6. (... - ...)

Elke overheid moet alle erkende represen­tatieve ver­enigingen en alle ideologische en filo­sofische strekkingen betrekken bij de voorberei­ding en de uitvoering van het cul­tuurbeleid.

Met dit doel zullen zij een beroep doen op pas­sende bestaande of op te richten organen en struc­turen, met het oog op in­spraak of advies.

Artikel 7. (... - ...)

Deze organen van advies worden zo sa­mengesteld dat de vertegenwoordiging van de ideologische en filosofische strek­kingen alsmede van de gebruikersgroeperingen wordt verzekerd en dat een onrechtmatig overwicht van één der strekkingen of van een geheel van organisaties van de gebruikers die beweren tot eenzelfde strekking te behoren, vermeden wordt.

Bij de aan de overheid overgezonden adviezen kunnen minder­heidsnota's worden gevoegd.

HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE DE DEELNEMING AAN HET BESTUUR VAN DE CULTURELE INSTELLINGEN

Artikel 8. (... - ...)

§ 1. In toepassing van artikel 3 moeten de overheden de gebruikersgroeperingen en de ideo­logische en filosofische strekkingen volgens een billijke democratische en werkelijke vertegen­woordiging met medebeslissende of adviserende stem betrekken bij het beheer van de culturele instellingen, opge­richt door of ressorterend onder de overheid.


§ 2. Het recht op vertegenwoordiging in een li­chaam van be­heer, bestuur of advies steunt:
-hetzij op het bestaan van een vertegenwoordigen­de gebruikers­organisatie in het bevoegdheidsge­bied van de overheid;
-hetzij op het bestaan van een vertegenwoordiging van de ide­ologische of filosofische strekking in de vertegenwoordigende vergadering van de over­eenstemmende overheid.

Artikel 9. (... - ...)

Voor de culturele infrastructuren, instel­lingen en diensten, opgericht door of ressorterend onder de overheid moet, met toepassing van de bepalingen van artikel 17, in de samenstelling van hun beheers- of bestuursorgaan, één van de drie volgende vormen van vertegenwoordiging worden aangenomen:
a) de evenredige vertegenwoordiging van de po­litieke strekkin­gen die bestaan in de betrokken overheid of overheden. In dat geval wordt het beheers- of bestuursorgaan bijgestaan door een vaste commissie van advies, waarin alle vertegen­woordigende verenigingen van de gebruikers en alle filosofische en ideo­logische strekkingen op­genomen zijn; deze commissie van advies heeft recht op een volledige voorlichting over de han­delingen van het beheers- of bestuursorgaan;
b) de vereniging van afgevaardigden van de be­trokken overheid of overheden met de vertegen­woordigers van de gebruikers en van de strekkin­gen. In dat geval moeten de regels inzake ver­te­genwoordiging het beginsel van de evenredige vertegenwoor­diging in acht nemen wat de afge­vaardigden van de overheden betreft, en de bepa­lingen van artikel 3 van dit decreet wat de ge­bruikers en de strekkingen betreft;
c) de zelfstandige vereniging van specialisten of gebruikers, al dan niet voorzien van een rechts­statuut, waaraan de betrok­ken overheid het beheer opdraagt. In dat geval zijn de bepa­lingen van de artikelen 3 en 6 van dit decreet van toepassing.

HOOFDSTUK V WAARBORGEN BETREFFENDE DE CUL¬TURELE ACTIVITEIT VAN DE OVERHEID EN VAN DE CULTURELE INSTELLINGEN

Artikel 10. (... - ...)

De regels inzake erkenning en subsidi­ring in geld of natura van geregelde culturele activiteiten mogen naar gelang van het geval, slechts worden vastgesteld krachtens een de­creet of een beraadslaging van de vertegenwoordigende verga­dering van de overheid.

Bij ontstentenis van dergelijke regels moeten alle toelagen en voordelen het voorwerp zijn van een speciale begrotingspost op naam.

Artikel 11. (... - ...)

Wanneer het gaat om erkende instellin­gen die activi­teiten uitoefenen gericht op de ge­hele cultuurgemeenschap, bepaalt het decreet dat de financiële tegemoetkoming van de overheden gelijktijdig omvat:
-de subsidiëring van een kern van personeelsle­den;
-de jaarlijkse toekenning van een basistoelage voor de wer­king;
- de subsidiëring op grond van werkelijk gepres­teerde activi­teiten.

De voorwaarden en de procedure van erkenning worden naar ge­lang van het geval bij wet of bij decreet vastgelegd.

Artikel 12. (... - ...)

De bepalingen van de artikelen 10 en 11 van dit de­creet zijn niet van toepassing op toela­gen die dienen om nieuwe experimentele initia­tieven te steunen. In dat geval mogen deze start­toelagen slechts worden verleend gedurende ten hoogste drie dienstjaren; het besluit tot toeken­ning moet het voorwerp zijn van een met redenen omkleed advies van een bevoegd ad­viesorgaan.

HOOFDSTUK VI BIJZONDERE WAARBORGEN INZAKE GEINDIVIDUALISEERDE AANMOEDIGINGEN

Artikel 13. (... - ...)

In de sector van de kunst, de letteren en de weten­schappen steunt elke aanmoediging of elke tegemoetkoming van de overheden uitslui­tend op esthetische, wetenschappelijke en kunst­criteria.

De rechtsgelijkheid tussen de burgers, ongeacht hun overtui­ging moet worden gewaarborgd, wat betreft onder meer de toe­kenning van prijzen, beurzen, leningen en om het even welke toelagen, de deelneming aan sportwedstrijden en aan cultu­rele activiteiten en de aanmoediging van de na­vorsing.

Artikel 14. (... - ...)

Iedere overheid die toelagen en aan­moedigingen ver­leent aan enkelingen, organisaties of instellingen voor hun culturele activiteiten moet ieder jaar als bijlage bij haar begroting de omstandige lijst van de beneficianten publiceren met opgave van de toegekende sommen en voor­delen.

HOOFDSTUK VII WAARBORGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE CULTURELE INFRASTRUCTUUR

Artikel 15. (... - ...)

Elke erkende culturele groepering of organisatie, die zich al dan niet beroept op een ideologische of filosofische strekking, zal de cul­turele infrastructuren kunnen gebruiken, die be­heerd worden onder het gezag van een overheid en die zich door de aard en het statuut van de instelling lenen tot dit gebruik.

Artikel 16. (... - ...)

De regels tot vaststelling van de ge­bruiksvoorwaarden houden uitsluitend rekening met de eigen materiële kenmerken van de desbe­treffende culturele infrastructuur.

Artikel 17. (... - ...)

De programmatie of de inhoud van de activiteiten die plaatsgrijpen in de culturele infra­structuur mogen niet het voorwerp zijn van enige inmenging vanwege de overheden, of van de be­stuurs- en beheersorganen, behalve wat betreft de maat­regelen die behoren tot het strafrecht, het sociaal recht, het belastingrecht, de economische reglementering en onverminderd de grondwette­lijke waarborgen.

HOOFDSTUK VIII WAARBORGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE COMMUNICATIEMIDDELEN

Artikel 18. (... - ...)

Elke ideologische of filosofische strek­king, verte­genwoordigd in een Cultuurraad, moet toegang hebben tot de middelen voor meningsuit­drukking die afhangen van de overheden in de betrokken gemeenschap.

Artikel 19. (... - ...)

De instituten voor radio en televisie moeten, in de samenstelling van hun bestuurs- en beheersorganen, de evenre­dige vertegenwoordi­ging van de politieke fracties in elke Cultuurraad in acht nemen.

De bestuurs- en beheersorganen moeten worden bijgestaan door een vaste adviescommissie waarin alle erkende verenigingen van gebruikers en alle ideologische en filosofische strekkingen vertegen­woordigd zijn. Die adviescommissie heeft recht op volledige informatie over de daden van de be­stuurs- en be­heers- organen.

HOOFDSTUK IX WAARBORGEN BETREFFENDE HET PERSONEEL

Artikel 20. (... - ...)

De aanwerving, de aanwijzing, de be­noeming en de bevordering van het statutair per­soneel, van het tijdelijk personeel en van het on­der contract aangeworven personeel met culturele functies in alle openbare instellingen, besturen en diensten van het cultuurbeleid geschieden volgens het beginsel van rechtsgelijkheid zonder ideolo­gische of filosofische dis­criminaties en volgens de regels van hun respectieve statuten, rekening houdend met de noodzaak van een evenwichtige verde­ling van de ambten, bevoegdheden en dienstaanwijzingen tussen de verschillende repre­sentatieve strekkingen, alsmede met een minimum aanwezigheid voor elk van de strekkingen, en met voor­koming van ieder monopolie of ieder on­rechtmatig overwicht van één van die strekkin­gen.

HOOFDSTUK X DE VASTE NATIONALE CULTUURPACTCOMMISSIE

Artikel 21. (... - ...)

Een Vaste Nationale Cultuurpactcom­mis­sie wordt inge­steld die tot taak heeft de nale­ving van de bepalingen van dit decreet te contro­leren.

Te dien einde ontvangt de commissie alle klach­ten tegen in­breuken op dit decreet, ingediend door elke partij die van een belang doet blijken of die van oordeel is dat zij enig nadeel heeft gele­den.

Artikel 22. (15/10/2009- ...)

De commissie bestaat uit 26 vaste leden en 26 plaats­vervangende leden waarvan 13 Ne­derlandstalige vaste leden en 13 Franstalige vaste leden, alsmede 13 Nederlandstalige plaatsvervan­gende leden en 13 Franstalige plaatsvervangende leden.

De Franstalige vaste en plaatsvervangende leden worden gekozen door de Cultuurraad voor de Franse cultuurgemeenschap; de Nederlandstalige vaste en plaatsvervangende leden worden ge­kozen door de Cultuurraad voor de Nederlandse cultuur­gemeen­schap overeenkomstig de evenredige ver­tegenwoordi­ging van de poli­tieke fracties waaruit deze Cul­tuurraden bestaan.

De commissie omvat bovendien twee vaste en twee plaatsvervan­gende leden aangewezen door de Raad van de Duitse cultuurge­meenschap. Wanneer een klacht, die betrekking heeft op het Duitse taalgebied, aanhangig is bij de commissie, hebben be­doelde leden medebeslissende stem.

De duur van het mandaat van de leden van de commissie is vijf jaar.

De partijen, die in de commissie niet vertegen­woordigd zijn, mogen een Nederlandstalig, een Franstalig of een Duitstalig lid met adviserende stem aanwijzen, op voorwaarde dat zij vertegen­woordigd zijn in de Cultuurraad van de betrokken ge­meenschap. De aanwijzing wordt gedaan door de politieke frac­tie van de betrokken Cultuurraad.
Er is onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van de commis­sie en de uitoefening van een poli­tiek kiesmandaat.

De kredieten die nodig zijn voor de werking van de commissie, worden voor de helft uitgetrokken op elk van de begrotingen van de ministeries van Nederlandse Cultuur en van Franse Cul­tuur.

De commissie wordt bijgestaan door rijksambte­naren die door de Regering te harer beschikking worden gesteld.

Artikel 23. (15/10/2009- ...)

Het mandaat van de leden van de com­missie verstrijkt zes maanden na de algehele vernieuwing van de gemeenschapsparlementen.

De commissie benoemt onder haar leden twee voorzitters bij volstrekte meerderheid der stem­men van de Nederlandstalige leden enerzijds en van de Franstalige leden anderzijds.

De commissie benoemt onder haar leden evenveel ondervoorzit­ters als er politieke fracties zijn ener­zijds bij de Neder­landstalige leden en anderzijds bij de Franstalige leden.

Artikel 24. (... - ...)

§ 1. De commissie onderzoekt de klach­ten die bij haar aanhangig worden gemaakt. Zij hoort de klagende partij en de door de klacht be­doelde overheid; zij kan ter plaatse alle bevindin­gen doen, alle inlichtingen inwinnen, zich docu­menten laten voorleggen die zij noodzakelijk acht voor het onderzoek van de zaak, en getuigen ho­ren.

Zij tracht een verzoening te bekomen.

§ 2. Bij gebrek aan verzoening brengt de com­missie in openbare vergadering een met redenen omkleed advies uit over de ge­grondheid van de klacht, waarbij zij eventueel een aanbeveling ten behoeve van de betrokken overheid voegt, waarin zij vraagt hetzij de nietigheid van de genomen beslissing vast te stel­len, hetzij alle nodige maat­regelen te nemen om de naleving van de bepalin­gen van dit decreet te verzekeren.

Het advies wordt uitgebracht binnen zestig dagen na de ont­vangst van de klacht. Deze termijn loopt niet tijdens de maan­den juli en augustus.

Dit advies wordt betekend aan de klagende partij alsmede aan de overheid waartegen klacht werd ingediend, eventueel aan de voogdijoverheid en in alle gevallen aan de bevoegde Minister van Cul­tuur.

Artikel 25. (... - ...)

De klacht dient bij de commissie te wor­den ingediend binnen zestig dagen na de datum waarop de bestreden beslissing van de overheid bekend wordt gemaakt of betekend. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop de klagende partij kennis kreeg van de beslissing indien deze niet bekend werd gemaakt, noch betekend.

Wanneer voor de klagende partij beroep tot nie­tigverklaring bij de afdeling administratie van de Raad van State openstaat in verband met de feiten waarover de klacht handelt, wordt de voor de indiening van haar verzoek om nietigverklaring opge­legde termijn opgeschort.

De klagende partij beschikt over een nieuwe ter­mijn van zestig dagen om haar zaak bij de Raad van State aanhangig te maken, welke termijn in­gaat bij het verstrijken van de maand die volgt op de betekening van het advies van de commissie of bij het verstrijken van de termijn tijdens welke het advies had moeten worden uitgebracht.

Artikel 26. (... - ...)

De vaste commissie brengt een jaarver­slag over haar activiteiten uit bij de Wetgevende Kamers en bij de Cultuur­raden.

HOOFDSTUK XI ALGEMENE BEPALING

Artikel 27. (... - ...)

Alle handelingen of reglementen, die in strijd zijn met de bepalingen van dit decreet en die uitgaan van overheden welke onder voogdij staan, kunnen opgeschort of nietigver­klaard wor­den door de voogdijoverheid.