Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid [Opgroeien regie]

Datum 30/04/2004

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
  2. HOOFDSTUK II OPRICHTING
  3. HOOFDSTUK III MISSIE EN TAKEN
  4. HOOFDSTUK IV [... (opgeh. decr. 19 januari 2018, art. 21, I: 1 januari 2019)]
  5. HOOFDSTUK V BESTUUR EN WERKING
  6. HOOFDSTUK VI RAADGEVEND COMITÉ
  7. HOOFDSTUK VII FINANCIËLE MIDDELEN
  8. HOOFDSTUK VIII COÖRDINATIE
  9. HOOFDSTUK IX TAALREGELING
  10. HOOFDSTUK X SLOTBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. (... - ...)

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2. (01/01/2021- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder:
1° Bestuursdecreet: het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ;;
2° kinderopvang: de kinderopvang, vermeld in artikel 2 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
3° preventieve gezinsondersteuning : het geheel van maatregelen en aanbod dat gericht is op het bevorderen van het welbevinden van alle gezinnen met kinderen, en aanstaande ouders met inbegrip van de ondersteuning op het vlak van opvoeding en preventieve gezondheidszorg;
4° gezin: primaire leefvormen of samenlevingsvormen waarin meerdere personen min of meer duurzame relaties onderhouden;
5° voorzieningen: elke organisatievorm die dienstverlening, hulpverlening of ondersteuning organiseert of verleent aan kinderen, jongeren en gezinnen;
6° gezinsbeleid: het gezinsbeleid als vermeld in artikel 3, § 1, 18°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid
7° toelagen in het kader van het gezinsbeleid: toelagen als vermeld in de regelgeving betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
8° jeugd- en gezinsbeleid: het jeugdbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en het gezinsbeleid, vermeld in punt 6° ;
9° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
10° het agentschap Opgroeien: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien;
11° jongere: een persoon tot en met de leeftijd van vijfentwintig jaar
12° buitenschoolse activiteiten: de buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten;
13° kleuteropvang: de kleuteropvang, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten;
14° opvang lager onderwijs: de opvang lager onderwijs, vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.

HOOFDSTUK II OPRICHTING

Artikel 3. (18/04/2019- ...)

Er wordt een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht als bedoeld in artikel III.4 van het Bestuursdecreet.

Dit agentschap draagt als naam Opgroeien regie, hierna het agentschap genoemd.

De Vlaamse regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het agentschap behoort.

De Vlaamse regering bepaalt de vestigingsplaats van het agentschap.

De bepalingen van het Bestuursdecreet zijn van toepassing op het agentschap.

HOOFDSTUK III MISSIE EN TAKEN

Artikel 4. (18/04/2019- ...)

§ 1. Het agentschap heeft als missie om, samen met zijn partners, door een geïntegreerd jeugd- en gezinsbeleid, voor alle kinderen en jongeren, waar en hoe ze ook geboren zijn of opgroeien, zoveel mogelijk kansen te creëren en om een continuüm aan zorg, hulp en ondersteuning aan te bieden.

§ 2. Het agentschap oefent zijn taken uit voor de volgende personen:
1° kinderen en jongeren, aanstaande ouders en gezinnen;
2° adoptiekinderen, afstandsouders en de personen en gezinnen die een kind willen adopteren;
3° de personen en gezinnen die een pleegkind of pleeggast in hun gezin willen opnemen;
4° de personen tot de leeftijd van vijfentwintig jaar voor wie de maatschappelijke integratie en participatie in het gedrang is gekomen of dreigt te komen door een problematische leefsituatie of door andere maatschappelijk niet aanvaardbare situaties;
5° de pleeggasten en pleegkinderen, vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
6° personen die onderworpen zijn aan de maatregelen en de sancties, respectievelijk vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, en artikel 29, § 2, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
7° de personen tot en met eenentwintig jaar, met een mogelijkheid tot verlenging tot en met vijfentwintig jaar, met een handicap of met een vermoeden van handicap;
8° de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken en de natuurlijke personen die inwonen bij de personen, vermeld in punt 4°, 5°, 6° en 7°, of met die personen een affectieve band hebben, of in de buurt wonen of die geregeld contact hebben met hen, onder meer bij het schoolgaan, in de werksituatie of tijdens de vrijetijdsbesteding.

§ 3. Bij het uitvoeren van zijn missie stelt het agentschap de volgende uitgangspunten centraal:
1° respect voor de rechten van het kind en de jongere en zijn gezin of opvoedingsverantwoordelijken;
2° respect voor diversiteit;
3° de optimale ontwikkeling van het kind en de jongere;
4° de verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de jongere en zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken;
5° het behoud of het herstel van de maatschappelijke integratie van het kind, de jongere en zijn gezin of opvoedingsverantwoordelijken, en hun participatie aan de samenleving.

Het agentschap eerbiedigt bij zijn optreden de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de personen tot wie het zich richt.

Het agentschap geeft mee uitvoering aan het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangenomen in New York op 13 december 2006, en respecteert op elk moment de rechten van personen met een handicap die daarin geconcretiseerd zijn.

Artikel 5. (01/01/2021- ...)

§ 1. De kerntaken van het agentschap zijn:
1° de regie en strategie voor de domeinen:
a) de kinderopvang;
b) de preventieve gezinsondersteuning;
c) de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
d) de binnenlandse en interlandelijke adoptie;
e) de pleegzorg;
f) de integrale jeugdhulp;
g) de jeugddelinquentie;
h) het aanbod voor ondersteuning van jongeren met een handicap of een vermoeden van handicap in de typemodule diagnostiek of de typemodule GES+ in de multifunctionele centra, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, en het aanbod georganiseerd door de centra voor ontwikkelingsstoornissen, vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 1998 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen;
i) de buitenschoolse activiteiten;
2° de financiering van de personen, vermeld in artikel 4, § 2, beheren en de voorzieningen subsidiëren, met uitzondering van de financiering van de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap, vermeld in artikel 3 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap.

Het beheren van de financiering van de personen en de subsidiëring aan de voorzieningen, vermeld in paragraaf 1, 2°, omvat de volgende taken:
1° de financiële lasten van de zorgtaken voor de groep, vermeld in artikel 4, § 2, op zich nemen;
2° de gezinsbijslagen en toelagen met betrekking tot het gezinsbeleid ontvangen en de bijdragen van personen ten aanzien van wie hulp wordt georganiseerd, innen;
3° de financiële lasten ten gevolge van de toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg opnemen. In die financiële lasten zijn de wedden, de voorschotten daarop en de vergoedingen of uitkeringen die een toebehoren van de wedden vormen of ermee gelijkstaan, van het personeel van de diensten van de Vlaamse Regering niet inbegrepen.

§ 2. Naast de kerntaken, vermeld in paragraaf 1, voert het agentschap ook de volgende taken uit voor de in paragraaf 1, 1°, a) tot en met i), vermelde domeinen:
1° het voeren van een geïntegreerd jeugd- en gezinsbeleid, dat de volgende taken omvat:
a) beleid voorbereiden en ontwikkelen;
b) beleid implementeren, coördineren en integreren;
c) het beleid monitoren, evalueren en uitvoeren via eigen personeel en via samenwerkingsverbanden met partners;
d) wetenschappelijk onderzoek voeren en ondersteunen;
e) een programmatie op basis van wetenschappelijk verantwoorde criteria opstellen;
f) informatie- en communicatiesystemen opzetten;
g) de dienstverlening maximaal integreren;
h) de erkennings-, vergunnings- en subsidiëringsprocessen maximaal afstemmen;
i) de sectorale regelgeving evalueren;
j) een kwaliteitsbeleid ontwikkelen en opvolgen;
k) rechtsgedingen voeren voor het agentschap Opgroeien, als eiser, verweerder of tussenkomende partij, voor de hoven en rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Rekenhof, met uitzondering van de rechtsgedingen voor het Grondwettelijk Hof en de internationale hoven;
2° het voeren van een geïntegreerd voorzieningenbeleid, dat de volgende taken omvat:
a) voorzieningen, diensten, samenwerkingsverbanden en organisatoren stimuleren, toelaten, programmeren, erkennen, vergunnen, toekennen van een kwaliteitslabel, subsidiëren en handhaven en projecten subsidiëren;
b) de kwaliteit van de erkende en vergunde voorzieningen, diensten, samenwerkingsverbanden en organisatoren opvolgen en bevorderen.

Artikel 6. (18/04/2019- ...)

§ 1. De taak inzake kinderopvang omvat in elk geval :
1° ...
2° ...
3° ...
4° ...
5° het adviseren van de Vlaamse Regering over de kwalificaties en de competenties voor kinderopvang;
6° het beheren van het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten.

§ 2. Het agentschap beoogt inzake kinderopvang een zo goed mogelijk antwoord te bieden aan de behoeften van gezinnen, vooral in het kader van de afstemming gezin-arbeid, met bijzondere aandacht voor de gezinnen met bijzondere opvangbehoeften.

§ 3. Het agentschap oefent zijn taak betreffende de regie van de kinderopvang uit in samenspraak met de lokale besturen, die een lokaal beleid kinderopvang uitwerken in overeenstemming met de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.

Het agentschap kan optreden als uitbetalingsinstelling voor lokale besturen die subsidies verlenen als vermeld in artikel 12, § 1, van het decreet van 20 april 2012 en waarmee het agentschap een convenant heeft gesloten.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wat betreft de voorwaarden waaronder het agentschap kan optreden als uitbetalingsinstelling als vermeld in het tweede lid.

Artikel 6/1. (01/01/2021- ...)

De taak inzake de regie van buitenschoolse activiteiten omvat in elk geval de toekenning van een kwaliteitslabel aan organisatoren van kleuteropvang en het handhaven van de kwaliteitsvoorwaarden zoals vermeld in het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.

Het agentschap kan in opdracht van de Vlaamse Regering volledig of gedeeltelijk worden belast met het toezicht op de naleving van de kwaliteitsvoorwaarden die bij het kwaliteitslabel behoren.

Het agentschap kan meewerken aan het ontwikkelen van het inspiratiekader voor een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten.

Artikel 7. (18/04/2019- ...)

§ 1. De taak van het agentschap inzake het aanbieden van preventieve gezinsondersteuning omvat in elk geval:
1° het informeren en adviseren van gezinnen en toekomstige ouders voor gezondheid, ontwikkeling, opvoeding, voeding en veiligheid van kinderen;
2° het opvolgen, detecteren en signaleren van risico's inzake gezondheid, ontwikkeling en opvoeding van kinderen, waaronder de detectie van kindermishandeling en het screenen van gehoor en zicht;
3° de preventieve gezondheidszorg met betrekking tot het jonge kind, in het bijzonder het promoten, toedienen en opvolgen van vaccinaties;
4° de ondersteuning van gezinnen en toekomstige ouders met specifieke behoeften inzake gezondheid, ontwikkeling en opvoeding, waaronder huilen, slapen, eten en interactie ouders-kinderen.

§ 2. Het agentschap beoogt met de preventieve gezinsondersteuning een zo groot mogelijk bereik bij kinderen en gezinnen, maar richt zich tegelijkertijd intensief naar gezinnen met specifieke behoeften.

Onder gezinnen met specifieke behoeften wordt onder meer verstaan:
kansarme gezinnen, vluchtelingengezinnen, gezinnen met kinderen met een handicap, éénoudergezinnen en gezinnen met een meerling.

Het agentschap kan zijn dienstverlening inzake preventieve gezinsondersteuning eveneens richten naar de opvanginitiatieven, als bedoeld in artikel 6.

Artikel 7/1. (01/11/2017- ...)

De regie van toelagen in het kader van het gezinsbeleid door het agentschap omvat in elk geval:
1° de beleidsvoorbereiding en -ontwikkeling van een geïntegreerd gezinsbeleid;
2° het verlenen van een vergunning aan de private uitbetalingsactoren en de uitoefening van toezicht en controle op de uitbetalingsactoren;
3° het beheer en de toekenning van beleidskredieten aan de uitbetalingsactoren;
4° de ontwikkeling, de uitbouw en het beheer van een gegevensnetwerk in het kader van toelagen in het gezinsbeleid, dat de uitwisseling van alle noodzakelijke gegevens met Vlaamse en federale authentieke gegevensbronnen en de uitbetalingsactoren mogelijk maakt;
5° de registratie en verwerking van de noodzakelijke persoonsgegevens om een kadaster van toelagen in het kader van het gezinsbeleid op te richten en te beheren.

Het agentschap beoogt met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid de ondersteuning van gezinnen en kinderen op een geïntegreerde wijze, doelmatig en efficiënt aan te pakken, met daarbij ook aandacht voor de bestrijding van kinderarmoede.

Artikel 7/2. (18/04/2019- ...)

De taak van de ondersteuning van de kinderen en jongeren met een handicap, vermeld in artikel 5, § 1, 1°, h), omvat in elk geval de volgende taken:
1° de criteria voor de afbakening van de doelgroep van jongeren met een handicap specificeren, de indicatiestelling en de toewijzing organiseren;
2° jongeren met een handicap toeleiden naar niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning waarbij de kloof tussen de ondersteuning die geboden kan worden door zelfzorg, mantelzorg, het sociaal netwerk en reguliere zorg, en de ondersteuningsnood van de persoon met een handicap determinerend is;
3° op operationeel niveau programmeren, voorzieningen vergunnen, erkennen, en subsidiëren en administratieve sancties opleggen aan voorzieningen die belast zijn met de ondersteuning van jongeren met een handicap.

Artikel 7/3. (18/04/2019- ...)

De taak inzake binnenlandse en interlandelijke adoptie omvat naast de kerntaken, vermeld in artikel 5, in elk geval:
1° optreden als Centrale Autoriteit inzake interlandelijke adoptie als vermeld in artikel 360-1, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en het verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie aangenomen in Den Haag op 29 mei 1993;
2° het ontwikkelen en uitvoeren van een geïntegreerd beleid inzake adoptie met inbegrip van een gericht beleid voor de adoptie van kinderen met `special needs' en afstamming;
3° ontvangen en registreren van de aanmeldingen voor de adoptieprocedure, het verstrekken van informatie aan de kandidaat-adoptant, het begeleiden van de kandidaat-adoptant doorheen de administratieve en juridische procedure, het toezien op het correcte verloop van de procedure, het bewaren van en inzage verlenen in adoptiedossiers;
4° faciliteren van en toezicht houden op de samenwerking met herkomstlanden in het kader van interlandelijke adoptie.

Artikel 8. (18/04/2019- ...)

§ 1. ...

§ 2. Binnen het kader van de missie en de taken van het agentschap kan de Vlaamse regering specifieke opdrachten aan het agentschap toewijzen.

Artikel 8/1. (01/01/2021- ...)

Het agentschap ondersteunt organisatoren en actoren die relevant zijn voor kinderopvang, kleuteropvang, opvang lager onderwijs en preventieve gezinsondersteuning. Het agentschap kan daarvoor samenwerken met andere instanties.

De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels.

Artikel 9. (01/01/2019- ...)

Onverminderd de behandeling van klachten over de eigen werking en dienstverlening zoals bepaald in titel II, hoofdstuk 5, van het Bestuursdecreet moet het agentschap klachten tegen partners en door hen geregistreerde voorzieningen opnemen en behandelen.

Artikel 10. (01/01/2021- ...)

Het agentschap voert de taken, vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1, uit in samenhang met:
1° het door andere beleidsdomeinen en beleidsniveaus gevoerde beleid;
2° het door de Vlaamse Gemeenschap gevoerde beleid inzake welzijn en gezondheid.

Het agentschap ontwikkelt terreinexpertise met betrekking tot de taken, vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1.

Het agentschap zal de verworven kennis en expertise ter beschikking stellen in het kader van de toepassing van artikel III.2, derde lid, van het Bestuursdecreet.

Het agentschap zal haar dienstverlening permanent optimaliseren en vernieuwen op basis van actuele ontwikkelingen inzake kennis en expertise.

In het kader van zijn missie als vermeld in artikel 4, § 1, en zijn kerntaken als vermeld in artikel 5, kan het agentschap de persoonsgegevens verwerken van alle toekomstige ouders en van alle pasgeboren kinderen en hun ouders die noodzakelijk zijn om de taken inzake preventieve gezinsondersteuning, vermeld in artikel 7, § 1, uit te voeren. De concrete gegevensstromen die hiertoe noodzakelijk zijn, moeten beantwoorden aan de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.

Het agentschap registreert en verwerkt alle gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens met betrekking tot de personen, vermeld in artikel 4, § 2, die noodzakelijk zijn om:
1° de taken, vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1 uit te voeren;
2° de beleidsgerichte input als bedoeld in artikel III.2, derde lid, van het Bestuursdecreet te leveren.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de gegevensregistratie en verwerking, onverminderd de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 11. (... - ...)

Het agentschap werkt voor de realisatie van zijn taken samen en sluit samenwerkingsakkoorden af met overheden, instanties, instellingen, diensten en verenigingen die op het vlak van de toegewezen taken actief zijn.

Inzake kinderopvang werkt het agentschap voor de lokale programmatie op structurele wijze samen met lokale actoren, waaronder de lokale besturen.

Inzake preventieve gezinsondersteuning werkt het agentschap in partnership met organisaties of instanties die consultatiebureaus organiseren, alsook met ziekenhuizen voor informatieverstrekking aan zwangeren en kraambezoeken aan pas bevallen moeders. Daartoe heeft het agentschap toegang tot de kraaminrichtingen middels een samenwerkingsakkoord vanuit het oogpunt van de continuïteit van zorg en rekening houdende met de medische noodwendigheden, met de deontologie en de privacy.

Artikel 12. (01/01/2021- ...)

De Vlaamse regering kan binnen het kader van de taak van het agentschap, vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1, nadere regels bepalen met betrekking tot de normen en de voorwaarden om initiatieven toe te staan en of te subsidiëren, met dien verstande dat de toelatings- en/of erkenningsbeslissing bij het agentschap berust.

Artikel 13. (01/01/2019- ...)

§ 1. Het agentschap kan voor het realiseren van zijn doelstellingen, al of niet binnen het kader van de regels, vermeld in artikel 12, alle mogelijke activiteiten van welke aard ook ontwikkelen, opzetten en realiseren.

§ 2. Inzake kinderopvang behelst dit onder meer het uitreiken van vergunningen, attesteren, erkennen, subsidiëren of financieren, dossierbeheer, vorming en onderzoek, met uitsluiting van het zelf verlenen van kinderopvang, de inspectie van voorzieningen voor kinderopvang en het subsidiëren of financieren van infrastructuur van voorzieningen voor kinderopvang.

§ 3. Inzake preventieve gezinsondersteuning behelst dit onder meer erkennen, subsidiëren of financieren, dossierbeheer, afsluiten van overeenkomsten, huisbezoeken, bezoeken van de bevallen moeders in de kraaminrichting (kraambezoeken), consulten en pedagogische spreekuren, met uitsluiting van de inspectie van erkende voorzieningen en het subsidiëren of financieren van infrastructuur van erkende voorzieningen.

§ 4. De Vlaamse Regering organiseert het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

HOOFDSTUK IV [... (opgeh. decr. 19 januari 2018, art. 21, I: 1 januari 2019)]

Artikel 14. (01/01/2019- ...)

...

Artikel 15. (01/01/2019- ...)

...

HOOFDSTUK V BESTUUR EN WERKING

Artikel 16. (18/04/2019- ...)

De Vlaamse regering regelt de werking van het agentschap voor zover deze regeling geen afbreuk doet aan de in het Bestuursdecreet of in voorliggend oprichtingsdecreet vastgelegde beslissings- en beleidsstructuur.

Het hoofd van het agentschap wordt zowel in het agentschap als in het agentschap Opgroeien bijgestaan door een algemeen directeur.

Artikel 17. (... - ...)

Het agentschap stelt alle gevraagde gegevens ter beschikking van de entiteit die door de Vlaamse regering is aangewezen voor de inspectie. Tussen het agentschap en die entiteit wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot die samenwerkingsovereenkomst.

HOOFDSTUK VI RAADGEVEND COMITÉ

Artikel 18. (... - ...)

Bij het agentschap wordt een raadgevend comité opgericht, dat advies verstrekt op verzoek van het hoofd van het agentschap. Het raadgevend comité verstrekt tevens op eigen initiatief advies over alle aangelegenheden die van belang zijn voor de taken van het agentschap.

Artikel 19. (18/04/2019- ...)

Het raadgevend comité is samengesteld uit een gelijke vertegenwoordiging van de volgende maatschappelijke geledingen van het beleidsveld:
1° de kinderen, de jongeren en de gezinnen;
2° de voorzieningen die op de vermelde taakgebieden werkzaam zijn;
3° de werknemers van de voorzieningen.

Deze vertegenwoordigers worden benoemd op voordracht van de representatieve middenveldorganisaties van de genoemde geledingen.

In het raadgevend comité kunnen ook andere, door de Vlaamse regering aan te wijzen personen, zitting hebben, alsook onafhankelijke deskundigen op het werkterrein van het agentschap.

Het lidmaatschap van het raadgevend comité is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van het agentschap.

De Vlaamse regering stelt de nadere regels voor de samenstelling van het raadgevend comité vast, en kan voor de leden ervan een vergoeding bepalen. De leden worden door de Vlaamse regering voor een periode van vier jaar benoemd.

Het raadgevend comité stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering. Het reglement stelt de praktische werking vast, de deontologie, de informatie- en rapporteringsopdracht van het comité, en de aard van de dossiers en rapporten die aan het raadgevend comité voorgelegd moeten worden.

HOOFDSTUK VII FINANCIËLE MIDDELEN

Artikel 20. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan voor zichzelf en voor het agentschap Opgroeien beschikken over de volgende ontvangsten:
1° dotaties;
2° schenkingen en legaten in speciën;
3° inkomsten uit eigen participaties en uit door het agentschap verstrekte leningen aan derden;
4° opbrengsten uit de verkoop van eigen participaties;
5° ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer of beschikking met betrekking tot eigen domeingoederen;
6° de subsidies waarvoor het agentschap in aanmerking komt;
7° de opbrengst uit sponsoring;
8° de terugvordering van ten onrechte verrichte betalingen;
9° vergoedingen voor prestaties aan derden, volgens de voorwaarden, van de beheersovereenkomst;
10° retributies voorzover ze bij het decreet zijn toegewezen aan het agentschap;
11° leningen.
12° het eventuele saldo op het einde van het voorgaande begrotingsjaar;
13° de bijdragen van personen ten aanzien van wie hulp wordt georganiseerd of van onderhoudsplichtige personen;
14° de geïnde kinderbijslagen en de ontvangsten die voortvloeien uit tussenkomsten in de geneeskundige zorgen;
15° huurgelden voor de gronden of gebouwen waarvan de lasten van het eigenaarsonderhoud zijn toevertrouwd aan het agentschap, alsook de volledige opbrengst uit de verkoop van die gronden of gebouwen;
16° bestuurlijke geldboeten.

Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, genoemd in het eerste lid, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.

Voor een persoon als vermeld in artikel 4, § 2, 4°, 6° en 7°, kan het agentschap, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, tegemoetkomen in de kosten van geneeskundige verzorging als vermeld in het eerste lid, 14°, in afwachting dat die kosten daadwerkelijk worden vergoed volgens de regelgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Het agentschap treedt, voor het bedrag van die vergoeding, in de rechten en rechtsvorderingen van die persoon of zijn rechthebbende tegen het ziekenfonds dat de vergoeding verschuldigd is. Als de tegemoetkoming wordt verleend met een subsidie aan een erkende of gelijkgestelde voorziening waaraan de persoon is toevertrouwd, vordert die voorziening namens het agentschap de vergoeding van het ziekenfonds.

Artikel 21. (... - ...)

Het agentschap kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's die aan de aanvaarding verbonden zijn.

Artikel 22. (18/04/2019- ...)

Het agentschap wordt gemachtigd om een reservefonds aan te leggen. In de begroting situeert het reservefonds zich op het niveau van de totaliteit van het agentschap.

Het agentschap mag de middelen in het reservefonds voor de volgende taken aanwenden:
1° voor de taken, vermeld in artikel 5, 6, 7, 7/1, 7/2 en 7/3 en voor de taken die de Vlaamse regering met toepassing van artikel 8 aan het agentschap opdraagt;
2° voor het verwerven en beheren van patrimonium dat wordt aangewend voor de realisatie van de taken, vermeld in artikel 5, 6, 7, 7/1, 7/2 en 7/3 en van de taken die de Vlaamse regering met toepassing van artikel 8 aan het agentschap opdraagt.
3° voor de toekomstige en onvoorziene uitgaven van het agentschap en het agentschap Opgroeien.

De financiering van het reservefonds is afhankelijk van een machtiging door het Vlaams Parlement in de jaarlijkse begroting. Die machtiging kan enkel betrekking hebben op dat deel van de uitgavenkredieten dat in de begroting aan het agentschap wordt toegekend en dat in het begrotingsjaar zelf niet wordt aangewend.

HOOFDSTUK VIII COÖRDINATIE

Artikel 23. (01/01/2019- ...)

§ 1. De Vlaamse regering wordt ermee belast de bestaande wets- en decreetsbepalingen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen, om ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit decreet en van het Bestuursdecreet.

De besluiten die hiertoe worden vastgesteld, houden op uitwerking te hebben indien zij niet bij decreet zijn bekrachtigd binnen negen maanden na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging werkt terug tot deze laatste datum.

De bevoegdheid die hiertoe aan de Vlaamse regering, is opgedragen, vervalt negen maanden na de inwerkingtreding van dit decreet. Na die datum kunnen de besluiten die krachtens deze paragraaf zijn vastgesteld en zijn bekrachtigd, alleen bij een decreet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.

§ 2. De Vlaamse regering kan de bepalingen van de decreten betreffende Kind en Gezin coördineren, alsook de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie. Te dien einde kan zij:

1° de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;

2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;

3° de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen.

De coördinatie treedt pas in werking nadat ze bij decreet is bekrachtigd.

HOOFDSTUK IX TAALREGELING

Artikel 24. (01/01/2019- ...)

Opdat een voorziening erkend of gesubsidieerd kan worden, moet het personeel in dienst van de voorziening, dat instaat voor de communicatie met de overheid of voor de dienstverlening, inclusief de contacten met kinderen en gezinnen, een geattesteerde kennis van het Nederlands hebben.

Die kennis blijkt uit het studiebewijs van het genoten onderwijs.

Als de persoon, vermeld in het eerste lid, geen studiebewijs kan voorleggen, zal zijn kennis van het Nederlands worden bewezen op een wijze die door de Vlaamse Regering wordt bepaald.

De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters.

Artikel 25. (... - ...)

Van de bepalingen van artikel 24 kan worden afgeweken voor de personen van opgerichte, erkende of gesubsidieerde voorzieningen met of die ten dienste staan van allochtone kinderen en gezinnen. De afwijkingen worden op voorstel van het agentschap toegestaan door de Vlaamse regering.

HOOFDSTUK X SLOTBEPALINGEN

Artikel 26. (... - ...)

(niet opgenomen)

(De volgende regelingen wordt opgeheven :

- het decreet van 29 mei 1984 houdende oprichting van de instelling Kind en Gezin

- artikel 30 van het decreet van 22 november 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1995)

Artikel 27. (... - ...)

Het opheffen van het artikel 30 van het decreet van 22 november 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1995 gebeurt slechts met dien verstande dat het saldo van het erin bedoelde reservefonds integraal overgaat naar het middels artikel 22 van voorliggend decreet nieuw opgerichte reservefonds.

Artikel 28. (06/03/2007- ...)

...

Artikel 29. (... - ...)

Behoudens andersluidende bepalingen, worden de begroting en rekeningen opgemaakt en goedgekeurd en de controle door het Rekenhof uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut van categorie A.

Artikel 30. (... - ...)

De Vlaamse regering bepaalt de datum waarop dit decreet in werking treedt.

(Dit decreet treedt in werking op 1 april 2006, met uitzondering van artikel 26, eerste streepje, voor zover het de bepaling, vermeld in artikel 68, betreft; – zie B.V.R. 31 maart 2006, B.S. 31 mei 2006, art. 77)