Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM

Datum 14/05/2004

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I DEFINITIES
  2. HOOFDSTUK II TOEPASSINGSGEBIED
  3. HOOFDSTUK III EXPLOITATIE
    1. AFDELING 1 ALGEMENE VERPLICHTINGEN
    2. AFDELING 2 AANLEG EN ONDERHOUD VAN INFRASTRUCTUUR
    3. AFDELING 3 REIZIGERSINFRASTRUCTUUR
      1. ONDERAFDELING 1 HALTES ZONDER SCHUILHUISJE
      2. ONDERAFDELING 2 HALTES MET SCHUILHUISJE
    4. AFDELING 4 INFORMATIEVERLENING
      1. ONDERAFDELING 1 DIENSTREGELINGEN EN NETPLANNEN
      2. ONDERAFDELING 2 INFORMATIE AAN DE HOOFDHALTES
    5. AFDELING 5 RESERVERINGSCENTRALE VOOR VRAAGAFHANKELIJK GEREGELD VERVOER
    6. AFDELING 6 VOERTUIGEN VAN DE VVM
      1. ONDERAFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN
      2. ONDERAFDELING 2 VOERTUIGEN VOOR VOERTUIGGEBONDEN EXPLOITATIE
      3. ONDERAFDELING 3 VOERTUIGEN VOOR INFRASTRUCTUURGEBONDEN EXPLOITATIE
      4. ONDERAFDELING 4 OPENBAARVERVOERAUTO'S
    7. AFDELING 7 VERPLICHTINGEN VOOR HET PERSONEEL
    8. AFDELING 8 [VERPLICHTINGEN VAN HET PUBLIEK EN DE REIZIGERS (verv. BVR 26 januari 207, art. 5)]
      1. [Onderafdeling I Verplichtingen van het publiek in het algemeen (ing. BVR 26 januari 2007, art. 5)]
      2. [Onderafdeling II Specifieke verplichtingen van de reizigers aan boord van de voertuigen van de VVM (ing. BVR 26 januari 2007, art. 5)]
  4. HOOFDSTUK IV TARIEVEN
    1. AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN
    2. AFDELING 2 GRATIS VERVOER EN VERMINDERDE TARIEVEN
    3. AFDELING 3 VERVOERBEWIJZEN VOOR SPECIFIEKE GELEGENHEDEN
    4. AFDELING 4 GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
    5. AFDELING 5 VERVOER VAN NIET-BEGELEIDE PAKJES, FIETSEN, HANDBAGAGE EN DIEREN
  5. [HOOFDSTUK IV/1 KLACHTEN EN HANDHAVINGSINSTANTIE (ing. BVR 20 september 2013, art. 2, I: 12 oktober 2013)]
  6. HOOFDSTUK V TOEZICHT
    1. AFDELING 1 PERSONEEL BELAST MET HET TOEZICHT
    2. AFDELING 2 TOEZICHTS- EN ADMINISTRATIEKOSTEN
    3. AFDELING 3 ADMINISTRATIEVE GELDBOETE
  7. HOOFDSTUK VI WIJZIGINGSBEPALING
  8. HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN

Inhoud

HOOFDSTUK I DEFINITIES

Artikel 1. (11/03/2007- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het Vervoer;
2° decreet: het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen, gewijzigd bij de decreten van 13 februari 2004;
3° besluit basismobiliteit: het besluit van de Vlaamse regering van 29 november 2002 betreffende de Basismobiliteit in het Vlaamse Gewest;
4° VVM: de Vlaamse Vervoermaatschappij «De Lijn»;
5° administratie: de afdeling Personenvervoer en Luchthavens van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Wegen en Verkeer;
6° halte: stopplaats van geregeld vervoer, aangeduid met een haltebord, waar reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet;
7° hoofdhalte: één halte of verschillende haltes met dezelfde naam die één geheel vormen, aangeduid met het opschrift hoofdhalte;
8° bedieningstijd: de periodes van de dag, uitgedrukt in uren, waarbinnen het geregeld vervoer wordt aangeboden;
9° vraagafhankelijk geregeld vervoer: geregeld vervoer binnen een bepaald bedieningsgebied, waarbij de theoretisch vastgestelde ritten enkel na boeking effectief worden uitgevoerd;
10° lijn van geregeld vervoer: de combinatie voor de bediening van haltes in het geregeld vervoer, aangeduid met een uniek lijnnummer;
11° voertuig van de VVM: elk publiek toegankelijk voertuig dat wordt ingezet voor het geregeld vervoer dat door de VVM wordt georganiseerd;
12° voertuiggebonden exploitatie: exploitatie met voertuigen die autonoom op de weginfrastructuur rijden zonder specifieke geleiding en die worden ingezet in het geregeld vervoer dat door de VVM wordt georganiseerd;
13° infrastructuurgebonden exploitatie: exploitatie met voertuigen die bij het voortbewegen door specifieke infrastructuur worden geleid en die worden ingezet in het geregeld vervoer dat door de VVM wordt georganiseerd;
14° openbaarvervoerauto: het voertuig voor ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, dat in opdracht van de VVM wordt ingezet in het geregeld vervoer;
15° vervoersgebied: de verzameling van gemeenten en/of delen van gemeenten, bedoeld in artikel 9 van het decreet;
16° openbare overweg: de overweg, bedoeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen en betreffende het verkeer op spoorwegen en aanhorigheden.
17° openbare ruimtes van de VVM : alle voor het publiek toegankelijke ruimtes die bestemd zijn om de exploitatie van de VVM te verzekeren;
18° seinen van de VVM : alle, al dan niet elektronische, aanduidingen en borden, door wetten of reglementen voorgeschreven of eigen aan de VVM die bestemd zijn om de exploitatie van het openbaar vervoer of de veiligheid ervan te verzekeren.

HOOFDSTUK II TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 2. (... - ...)

Dit besluit is van toepassing op het geregeld vervoer dat door de VVM wordt georganiseerd, met uitzondering van artikelen 13 tot en met 27, voor wat het gewestgrensoverschrijdende geregeld vervoer betreft.

HOOFDSTUK III EXPLOITATIE

AFDELING 1 ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 3. (... - ...)

Als de VVM de uitvoering van diensten van geregeld vervoer via een overheidsopdracht gunt aan een privé-exploitant, past ze het bestek aan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

De VVM mag de uitvoering van diensten van geregeld vervoer enkel toewijzen aan derden die gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als die van de VVM naleven.

De totale voertuiggebonden exploitatie die door de VVM aan derden wordt toevertrouwd, zal tegen 31 december 2009 vijftig percent bereiken van de verrichte autobuskilometers in het door de VVM georganiseerde geregeld en bijzonder geregeld vervoer.

Artikel 4. (... - ...)

De VVM voert het gewestgrensoverschrijdend geregeld vervoer uit overeenkomstig de bepalingen van de samenwerkingsakkoorden, bedoeld in artikel 16, derde lid, van het decreet.

Artikel 5. (... - ...)

Bij de organisatie van het niet-grensoverschrijdend bezoldigd geregeld vervoer in het Vlaamse Gewest, is de VVM belast met de vaststelling van de lijnvoering en de dienstregeling van elke geregelde vervoerdienst.

Artikel 6. (... - ...)

Voor de permanente invoering of de permanente opheffing van lijnen of gedeeltes van lijnen van geregeld vervoer overlegt de VVM met de administratie en de betrokken gemeenten van het Vlaamse Gewest.

Voor de permanente wijzigingen van de reisweg, de bedieningsfrequentie of de bedieningstijden brengt de VVM minstens de administratie en de betrokken gemeenten van het Vlaamse Gewest op de hoogte.

Voor de permanente wijzigingen die leiden tot meeruitgaven moet de VVM ook de budgettaire weerslag aan de administratie melden.

Artikel 7. (... - ...)

Bij het uitvoeren van haar opdracht het geregeld vervoer te organiseren, zet de VVM, behoudens in geval van overmacht, het vereiste aantal voertuigen in. Die voertuigen beschikken over voldoende capaciteit zodat in normale omstandigheden alle reizigers kunnen worden opgenomen.

Artikel 8. (... - ...)

Aan de hoofdhaltes waar de geregelde vervoerdiensten van de VVM en van één of meer andere maatschappijen samenkomen, moet de coördinatie tussen de aangeboden diensten van de verschillende vervoermaat-schappijen door een schriftelijk akkoord worden verzekerd.

De VVM maakt afspraken met de andere vervoermaatschappijen over de onderlinge aansluiting tussen de geregelde vervoerdiensten aan de belangrijkste haltes buiten het Vlaamse Gewest die door de VVM worden bediend.

Artikel 9. (... - ...)

Met uitzondering van het vraagafhankelijk geregeld vervoer, heeft elke lijn van geregeld vervoer een unieke reisweg.

Het lijnnummer waaraan de reiziger de bediende lijn herkent, bestaat uit maximaal drie cijfers.

De langeafstandsverbindingen die een beperkt aantal haltes bedienen, zijn herkenbaar door toepassing van een uniform aanduidingsysteem in het Vlaamse Gewest.

Artikel 10. (... - ...)

De VVM bepaalt het dienstverslag en het ritorder op basis van een uniform model voor het Vlaamse Gewest.

Artikel 11. (... - ...)

De VVM brengt door middel van een ongevallenverslag, waarvan het model uniform is voor het Vlaamse Gewest, minstens de minister en de

administratie onmiddellijk op de hoogte van:

1° de zware verkeersongevallen, in het bijzonder van die met lichamelijke letsels of met dodelijke afloop;

2° de ongevallen die een vertraging van meer dan twee uur op de dienstregeling veroorzaken.
Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen, geldt er een algemeen rookverbod in alle voertuigen en alle overdekte ruimtes van de stations van de VVM, evenals in de schuilhuisjes.

Artikel 12. (11/03/2007- ...)

...

AFDELING 2 AANLEG EN ONDERHOUD VAN INFRASTRUCTUUR

Artikel 13. (... - ...)

De aanleg en het onderhoud van de spoorbedding, de sporen, de spoortoestellen, de luchtleidingen en alle andere vaste installaties ten behoeve van de infrastructuurgebonden exploitatie van geregeld vervoer, komen ten laste van de VVM, tenzij de VVM hierover met de wegbeheerder andere afspraken maakt.

Als het spoor gelegen is in bestrating van de openbare weg, is de VVM belast met de aanleg en het onderhoud van het gedeelte van de bestrating dat binnen de sporen van dezelfde rijrichting ligt en binnen een afstand van 60 cm aan de buitenzijde van elk spoor.

Artikel 14. (... - ...)

Onverminderd artikel 62ter van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, kan er, in samenwerking met de wegbeheerder, een eigen signalisatie worden aangebracht om de exploitatie van de VVM te verzekeren.

Artikel 15. (... - ...)

Als een lijnvak op een enkel spoor in twee richtingen wordt bereden, mogen de voertuigen er alleen op rijden als het verkeer er geregeld wordt door een systeem met een loodsstok of door een gecentraliseerde controle met bevestiging van de toelatingen tot het verkeer of door een lichtsein dat het verkeer toelaat.

Dat sein wordt zo geplaatst dat het minstens op 50 m zichtbaar is. In elk geval omvat het een signaal dat de toegang tot het besproken vak verbiedt als een voertuig uit de tegenovergestelde richting aankomt.

In geval van rechte vakken, waarvan de lengte niet meer dan 100 m bedraagt, is de VVM niet verplicht die signalen aan te brengen, op voorwaarde dat er een uitstekende zichtbaarheid is over de hele lengte.

Artikel 16. (... - ...)

Het is verboden over de sporen die buiten de bestrating zijn aangelegd, oversteekplaatsen aan te leggen naar aangrenzende onroerende goederen, tenzij dit in geen enkel opzicht het verkeer van de spoorvoertuigen hindert en op voorwaarde dat de VVM hiervoor een vergunning heeft afgeleverd.

Artikel 17. (... - ...)

De VVM is belast met de plaatsing en het onderhoud van de verkeerslichten, verkeersborden en inrichtingen waarmee de openbare overweg moet zijn uitgerust, overeenkomstig de wettelijke bepalingen terzake.

Om een maximale doorstroming van het geregeld vervoer door middel van verkeerslichtenbeïnvloeding mogelijk te maken, plaatst en onderhoudt de wegbeheerder voor het kruisend verkeer ter hoogte van elke openbare overweg langs de spoorlijnen van de VVM driekleurige verkeerslichten.

Artikel 18. (... - ...)

De beheerder van de gewestwegen realiseert jaarlijks projecten ter verbetering van de doorstroming van de voertuigen van de VVM op basis van de prioriteitenlijst, bedoeld in artikel 18ter, tweede lid, van het decreet.

De beheerders van de gemeentewegen op het grondgebied van de grootstedelijke en de stedelijke gebieden realiseren jaarlijks projecten ter verbetering van de doorstroming van de voertuigen van de VVM op basis van de pri-oriteitenlijsten, bedoeld in artikel 18ter, derde lid, van het decreet.

Artikel 19. (... - ...)

Minstens op de kruispunten die zijn uitgerust met driekleurige verkeerslichten en waar de voertui-gen van de VVM in een van de richtingen een bedieningsfrequentie van één voertuig per uur of meer hebben, plaatst en onderhoudt de wegbeheerder een verkeerslichtenbenvloeding die de voertuigen van het geregeld vervoer met zo weinig mogelijk oponthoud het kruispunt in kwestie laat oversteken.

Op de plaatsen waar de voertuigen van de VVM met terugkerende regelmaat worden vertraagd ten gevolge van de hoeveelheid verkeer en waar de fysieke omstandigheden dat toelaten, wordt er bij elke aanleg of herinrichting van een kruispunt of een wegvak specifieke infrastructuur voor het geregeld vervoer aangelegd, die de voorrang van de voertuigen van het geregeld vervoer op de andere voertuigen verzekert.

AFDELING 3 REIZIGERSINFRASTRUCTUUR

ONDERAFDELING 1 HALTES ZONDER SCHUILHUISJE

Artikel 20. (... - ...)

§ 1. De haltes van de VVM worden op een verkeersveilige plaats ingeplant.
Die looproutes zijn zo kort mogelijk en zijn vrij van obstakels.

Als er een halte wordt heringericht met een perron of als er een nieuwe halte met een perron wordt aangelegd, wordt dat perron toegankelijk gemaakt door middel van één of meer toegangshellingen of door middel van een lift.

§ 2. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de inplanting en de aanleg van de haltes.

Artikel 21. (... - ...)

Op de halteborden wordt de haltenaam in letters van ten minste 4 cm hoog weergegeven.

ONDERAFDELING 2 HALTES MET SCHUILHUISJE

Artikel 22. (... - ...)

Artikelen 20 en 21 zijn eveneens van toepassing op de haltes met schuilhuisje.

Artikel 23. (... - ...)

Er wordt minstens in de woonzones en langs primaire en secundaire wegen aan elke halte een schuilhuisje opgericht, tenzij dat wegens andere reglementeringen of fysieke omstandigheden onmogelijk is, of als het aantal opstappende reizigers aan de halte verwaarloosbaar klein is.

Artikel 24. (... - ...)

§ 1. Het schuilhuisje biedt aan de reizigers voldoende wachtcomfort, veiligheid en bescherming tegen weersinvloeden. In het schuilhuisje wordt een zitbank geplaatst en er wordt voldoende ruimte voor reiziger-sinformatie vrijgemaakt. Naast het schuilhuisje wordt een vuilnisbak geplaatst.

Elk schuilhuisje is voldoende verlicht tijdens de bedieningstijden tussen zonsondergang en zonsopgang. De verlichting wordt in het schuilhuisje ingebouwd en wordt zo geplaatst dat de reizigersinformatie maximaal wordt verlicht.

§ 2. De wachtende reizigers moeten vanuit het schuilhuisje een volledig zicht hebben op de aankomende voertuigen van geregeld vervoer.

Er mag reclame op het schuilhuisje worden aangebracht voorzover de reizigersinformatie leesbaar blijft en het zicht op de aankomende voertuigen van geregeld vervoer niet wordt verminderd.

Artikel 25. (... - ...)

Op elk schuilhuisje wordt de naam van de halte in letters van ten minste 7 cm hoog vermeld op een voor de reizigers goed zichtbare plaats.

Artikel 26. (... - ...)

De gemeente vraagt de nodige vergunningen of toelatingen aan de domeinbeheerder voor het plaat-sen van de schuilhuisjes, inclusief de extra voorzieningen.

Artikel 27. (... - ...)

§ 1. De gemeente kan via een overheidsopdracht de oprichting en het onderhoud van de schuil-huisjes, inclusief de extra voorzieningen, toevertrouwen aan derden.

De gemeente meldt de VVM binnen veertien dagen na de toewijzing de naam en het adres van de firma of de instantie waaraan ze de opdracht heeft toegewezen.

§ 2. Als de gemeente de oprichting en het onderhoud van schuilhuisjes, inclusief de extra voorzieningen, niet toevertrouwt aan derden, plaatst ze schuilhuisjes waarvan het model vooraf bepaald of goedgekeurd wordt door de VVM.

Voor de schuilhuisjes van een standaardtype van de VVM, worden de kosten voor de oprichting en de eventuele herstellingen voor één vierde door de gemeente en voor drie vierde door de VVM gedragen. Voor schuilhuisjes van een ander type dan de standaardtypes van de VVM, worden de kosten voor de oprichting en de eventuele herstellingen door de VVM gesubsidieerd naar rata van de subsidie voor schuilhuisjes van het grootste standaardtype van de VVM.

De kosten voor de extra voorzieningen worden voor één vierde door de gemeente en voor drie vierde door de VVM gedragen als de standaardtypes van de VVM worden genomen. Voor andere types dan de standaardtypes van de VVM, wordt de subsidie van de VVM aan de gemeente beperkt tot de subsidie voor het vergelijkbare standaardtype.

De kosten voor het reinigen van de schuilhuisjes zijn ten laste van de gemeente.

De VVM sluit met de betrokken gemeente een overeenkomst af voor een periode van ten hoogste tien jaar.

Op deze schuilhuisjes mag er geen reclame voor derden worden aangebracht.

AFDELING 4 INFORMATIEVERLENING

ONDERAFDELING 1 DIENSTREGELINGEN EN NETPLANNEN

Artikel 28. (... - ...)

De raad van bestuur van de VVM legt uniforme dienstregelingperiodes vast voor het Vlaamse Gewest en de voorwaarden waaronder een exploitatie-entiteit van die periodes kan afwijken.

Artikel 29. (... - ...)

De VVM afficheert de tabel met de dienstregeling aan de haltes. De tabel moet in alle omstan-digheden leesbaar zijn. De letterhoogte is ten minste 0,4 cm.

Behalve in het geval van vraagafhankelijk geregeld vervoer, vermeldt de tabel met de dienstregeling aan de halte:

1° de doortochttijden van de voertuigen aan de halte in kwestie;

2° de gemiddelde rittijd tot de hoofdhaltes op de reisweg, op een lijnschema.

Als er geen doortochttabel wordt gebruikt, worden de doortochttijden aan de halte in kwestie in de tabel met de dienstregeling gemarkeerd.

Artikel 30. (... - ...)

Aan een halte met schuilhuisje wordt door de VVM in het schuilhuisje minstens één van de net-plannen, bedoeld in artikel 12, § 5 tot en met § 7, van het besluit basismobiliteit geafficheerd:

1° netplan van het vervoersgebied;

2° netplan van het stedelijk gebied of het grootstedelijk gebied;

3° netplan van het bedieningsgebied van vraagafhankelijk geregeld vervoer.

Waar mogelijk wordt de tabel met de dienstregeling van de lijnen in kwestie door de VVM geafficheerd in het schuilhuisje.

Artikel 31. (... - ...)

De reiziger moet het dienstregelingboekje en het netplan van het vervoersgebied in kwestie kunnen raadplegen op het voertuig.

ONDERAFDELING 2 INFORMATIE AAN DE HOOFDHALTES

Artikel 32. (... - ...)

In de stedelijke gebieden plaatst de VVM een elektronisch aankondigingsbord aan de belangrijkste hoofdhalte.

De elektronische aankondigingsborden aan de belangrijkste hoofdhaltes in de grootstedelijke gebieden en de stedelijke gebieden geven minstens het theoretische vertrekuur, het perron en de eventuele vertraging aan.

Artikel 33. (... - ...)

In de grootstedelijke gebieden is elk verkoop- en informatiepunt van de VVM aan een hoofdhalte elke dag open gedurende minimaal vier uur per dag.

In de stedelijke gebieden is het verkoop- en informatiepunt van de VVM aan de belangrijkste hoofdhalte tijdens de week gedurende minimaal vier uur per dag geopend, alsook gedurende minimaal vier uur van zaterdag tot zondag. Op feestdagen geldt dezelfde regeling als op zondagen.

Als er in de kleinstedelijke gebieden, de randstedelijke gebieden of in de buitengebieden een permanent bediend verkoop- en informatiepunt van de VVM wordt gevestigd, wordt dat aan een hoofdhalte van de gemeente in kwestie opgericht.

In elk permanent bediend verkoop- en informatiepunt van de VVM wordt de dienstregeling van alle vervoersgebieden en alle netplannen, bedoeld in artikel 12, § 5 tot en met § 7, van het besluit basismobiliteit, al dan niet digitaal, ter beschikking gesteld.

AFDELING 5 RESERVERINGSCENTRALE VOOR VRAAGAFHANKELIJK GEREGELD VERVOER

Artikel 34. (... - ...)

De reserveringscentrale voor vraagafhankelijk geregeld vervoer van de VVM is elke dag tele-fonisch bereikbaar, minimaal tussen acht uur en eenentwintig uur op zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen en tussen zes uur en negentien uur op andere dagen.

Artikel 35. (... - ...)

De reiziger kan tijdens de openingsuren van de reserveringscentrale tot twee uur voor het vertrek een rit van vraagafhankelijk geregeld vervoer aanvragen. Latere aanvragen worden aanvaard voorzover de exploitatie dat toelaat.

De reiziger kan minstens een maand vooraf ritten boeken.

Artikel 36. (... - ...)

De reserveringscentrale kan de aanvragen weigeren van de personen die herhaaldelijk een rit aanvragen, maar de afgesproken tijd en plaats niet naleven. De VVM stelt hierover een reglement op.

AFDELING 6 VOERTUIGEN VAN DE VVM

ONDERAFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 37. (... - ...)

De bestekken van de VVM voor de aankoop van voertuigen worden steeds aangepast aan de nieuwste ontwikkelingen in verband met:

- verkeersveiligheid;

- milieuvriendelijkheid;

- comfort voor de reizigers.

Artikel 38. (12/10/2013- ...)

Elk voertuig van de VVM, met uitzondering van de openbaarvervoerauto's, draagt aan de buiten-zijde, vooraan en achteraan een herkenningsnummer. Dat wordt eveneens aangebracht aan de binnenzijde van de voertuigen, maar alleen vooraan. De hoogte van de letters en de cijfers bedraagt minstens:
1° aan de buitenzijde: 7 cm;
2° aan de binnenzijde: 3 cm.

Elk voertuig van de VVM draagt aan de buitenzijde herkenningstekens van de VVM. De VVM bepaalt per type voertuig, de vorm en de afmetingen van die herkenningstekens.

Artikel 39. (... - ...)

Op de voertuigen die worden ingezet in het vraagafhankelijk geregeld vervoer wordt aan de bui-tenzijde of op de lijnfilm het bedieningsgebied van het vraagafhankelijk geregeld vervoer in kwestie kenbaar gemaakt voor de reizigers. Voor openbaarvervoerauto's is een van buitenaf zichtbare aanduiding achter de voorruit voldoende.

Artikel 40. (... - ...)

Dit artikel is van toepassing op de voertuigen van de VVM die langer zijn dan 8 m.

De aanduiding van het lijnnummer, bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van het besluit basismobiliteit, heeft vooraan en achteraan een letterhoogte van ten minste 15 cm en aan de zijkant een letterhoogte van ten minste 10 cm.

De aanduiding van de bestemming en de eventuele punten van de gevolgde reisweg, bedoeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van het besluit basismobiliteit, heeft vooraan en achteraan een letterhoogte van ten minste 5 cm en aan de zijkant een letterhoogte van ten minste 4 cm.

Als dat nodig is, worden de aanduidingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, verlicht.

Als de voertuigen die bestemd zijn voor het geregeld vervoer een rit uitvoeren die niet toegankelijk is voor reizigers, wordt de vermelding «GEEN DIENST» of «RIJSCHOOL» in plaats van de aanduiding van de bestemming gebruikt.

Artikel 41. (... - ...)

Met uitzondering van de voertuigen voor vraagafhankelijk geregeld vervoer en openbaarver-voerauto's, zijn in de voertuigen toestellen geïnstalleerd die de reizigers toelaten de halten aan te vragen. De bestekken voor de aankoop van voertuigen bevatten de verplichting dat die toestellen gelijkmatig gespreid zijn over het voertuig, gemakkelijk bereikbaar zijn en lager zijn aangebracht dan 1,60 m boven de vloer van het voertuig.

De voertuigen zijn bovendien uitgerust met een voor de reizigers goed zichtbaar en gemakkelijk te bereiken noodsein.

Artikel 42. (... - ...)

In de as van het voertuig, op 1 m boven de vloer, bedraagt de verlichtingssterkte meer dan 100 lux. Die verlichtingssterkte is lager in de nabijheid van de plaats van de bestuurder om zijn zicht niet te hinderen.

Artikel 43. (... - ...)

De bestekken voor de aankoop van voertuigen bevatten de verplichting om de voertuigen, met uitzondering van die, bedoeld in artikel 45, uit te rusten met een lage vloer als bedoeld in Richtlijn 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/27/EG, om het in- en uitstappen te vergemakke-lijken.

Artikel 44. (... - ...)

De plaatsen, die voor mindervaliden zijn bestemd, worden in de voertuigen als dusdanig kenbaar gemaakt.

Artikel 45. (... - ...)

Op de voertuigen die ingezet worden op langeafstandsverbindingen van geregeld vervoer die een beperkt aantal haltes bedienen, is het aantal zitplaatsen groter dan het aantal staanplaatsen.

ONDERAFDELING 2 VOERTUIGEN VOOR VOERTUIGGEBONDEN EXPLOITATIE

Artikel 46. (... - ...)

Er worden geen voertuigen ouder dan achttien jaar ingezet in de voertuiggebonden exploitatie.

Artikel 47. (... - ...)

§ 1. De deeltjesuitstoot van de voertuigen die langer dan 8 m zijn en die uitgerust zijn met een dieselmotor van het type EURO-II, blijft minstens beperkt tot de waarden van de EURO IV-norm.

De minister kan extra bepalingen opleggen met betrekking tot de waarden waaronder de deeltjesuitstoot en de uitstoot van stikstofoxiden moeten blijven.

§ 2. De uitstoot van de openbaarvervoerauto's die uitgerust zijn met een diesel- of benzinemotor, blijft minstens beperkt tot de waarden van de EURO III-norm.

§ 3. De VVM bepaalt de normen voor het brandstofverbruik en neemt die op in de bestekken voor de aankoop van voertuigen.

ONDERAFDELING 3 VOERTUIGEN VOOR INFRASTRUCTUURGEBONDEN EXPLOITATIE

Artikel 48. (... - ...)

De voertuigen die worden ingezet in infrastructuurgebonden exploitatie, zijn maximaal zesendertig jaar oud, te rekenen vanaf de datum van de eerste ingebruikname op het ogenblik dat ze buiten dienst worden gesteld of aan een grondige vernieuwing worden onderworpen. Na een grondige vernieuwing kunnen de voertuigen nog worden gebruikt tot ze maximaal vijftig jaar oud zijn.

Artikel 49. (... - ...)

Elk voertuig wordt uitgerust met een geluidsinrichting. De geluidssignalen zijn zo kort mogelijk, met een geluidssterkte van minstens 85 dBA, gemeten op een afstand van 5 m van de voorzijde van het voertuig. De geluidssignalen zijn hoorbaar tot op minstens 50 m. Bij een snelheid hoger dan 50 km/u. moeten de geluidssignalen hoorbaar zijn tot op minstens 100 m.

Artikel 50. (... - ...)

Het aantal zitplaatsen en staanplaatsen is in goed leesbare cijfers aan de buitenzijde van het voertuig vermeld. Het aantal staanplaatsen wordt berekend op basis van zeven personen per m2.

Artikel 51. (... - ...)

Een veiligheidssysteem verhindert het vertrek van het voertuig als de deuren niet gesloten zijn.

In geval van nood moeten de deuren door de reizigers kunnen worden ontgrendeld als het voertuig stilstaat.

Artikel 52. (... - ...)

Als de normale verlichting in het voertuig uitvalt, zorgt een noodverlichting voor de veilige ver-plaatsing van de reizigers.

Artikel 53. (... - ...)

De deuren die bestemd zijn voor het comfortabel in- en uitstappen met een kinderwagen of rolstoel, worden aangeduid met een specifiek symbool.

ONDERAFDELING 4 OPENBAARVERVOERAUTO'S

Artikel 54. (... - ...)

De VVM mag voor het inzetten van openbaarvervoerauto's alleen overeenkomsten sluiten met exploitanten die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 25 of 41 van het decreet.

Artikel 55. (... - ...)

Aan de buitenzijde van openbaarvervoerauto's wordt door middel van herkenningstekens van de VVM het geregeld karakter van de bediening aan de reizigers kenbaar gemaakt. De herkenningstekens zijn duidelijk zichtbaar voor de wachtende reizigers.

De raad van bestuur van de VVM bepaalt de eisen van de herkenningstekens voor openbaarvervoerauto's.

AFDELING 7 VERPLICHTINGEN VOOR HET PERSONEEL

Artikel 56. (... - ...)

De personeelsleden zijn betrouwbaar en beschikken over voldoende vakbekwaamheid voor de uitvoering van hun functie.

Artikel 57. (... - ...)

Het personeel dat in contact komt met het publiek draagt minstens een herkenningsteken van de VVM. De raad van bestuur van de VVM bepaalt de herkenningstekens.

Artikel 58. (... - ...)

Het personeel waakt erover dat de reizigers, en het publiek in het algemeen, de bepalingen van artikelen 64 tot en met 69 naleven.

Artikel 59. (... - ...)

De bestuurder van een voertuig van de VVM mag, behoudens in geval van overmacht, enkel reizi-gers laten in- of uitstappen aan de haltes van geregeld vervoer.

Artikel 60. (... - ...)

De bestuurder van een voertuig van de VVM weigert reizigers als het voertuig volzet is.

De bestuurder van een voertuig vraagt aan de reizigers om zo plaats te nemen in het voertuig dat er een maximale bezetting van het voertuig mogelijk is.

Artikel 61. (11/03/2007- ...)

De bestuurder van een voertuig van de VVM en de personen vermeld in artikel 84, die belast zijn met het toezicht kunnen reizigers die de bepalingen van dit besluit overtreden, de toegang tot het voertuig ontzeggen, dan wel hen gelasten het voertuig onmiddellijk te verlaten.

De bestuurder kan dieren weigeren als die klaarblijkelijk een gevaar kunnen opleveren voor de andere reizigers, hen kunnen bevuilen, hinderen of ongemak bezorgen.

Dieren, die zonder hinder op de schoot kunnen worden gehouden, en geleidehonden voor blinden of honden die een politieman vergezellen, zijn toegelaten. Nochtans worden ook honden die niet op de schoot kunnen worden gehouden toegelaten op voorwaarde dat ze aan de leiband gehouden worden en bovendien een muilband dragen, als ze een gevaar voor de reizigers zouden kunnen opleveren.

De bestuurder kan pakjes weigeren die, wegens hun omvang, aard of reuk, de andere reizigers kunnen kwetsen, bevuilen, hinderen of ongemak bezorgen.

Artikel 62. (... - ...)

De bestuurder moet aan elke halte stoppen die door de lijn in kwestie wordt bediend en waar zich een reiziger bevindt, tenzij de reiziger te kennen geeft dat hij niet wil meerijden.

Artikel 63. (... - ...)

De minister kan de verplichtingen voor de bestuurders van de voertuigen van de VVM nader omschrijven.

AFDELING 8 [VERPLICHTINGEN VAN HET PUBLIEK EN DE REIZIGERS (verv. BVR 26 januari 207, art. 5)]

[Onderafdeling I Verplichtingen van het publiek in het algemeen (ing. BVR 26 januari 2007, art. 5)]

Artikel 64. (11/03/2007- ...)

Het is niet toegestaan :
1° de infrastructuur, de installaties of de apparatuur van de VVM te bevuilen of er oneigenlijk gebruik van te maken;
2° de voertuigen van de VVM te bevuilen;
3° in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM de dienst van de VVM te belemmeren;
4° op de sporen, in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM een voorwerp of een stof te werpen of achter te laten;
5° in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM in het bezit te zijn van een voorwerp dat of een stof die, klaarblijkelijk en onmiddellijk, personen kan bevuilen, hinderen of ongemak berokkenen;
6° in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM de openbare orde te verstoren, dan wel de rust van de aldaar aanwezigen ernstig te verstoren door :
a) klaarblijkelijke staat van openbare dronkenschap of beneveling door verdovende middelen of psychotrope stoffen;
b) klaarblijkelijke staat van onzindelijkheid;
c) ongewenste fysieke contacten;
d) beledigende, onzedelijke, intimiderende of bedreigende uitlatingen of handelingen;
7° in de voertuigen, in de schuilhuisjes en in de andere overdekte openbare ruimtes van de VVM te roken, met behoud van de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen;
8° zich zonder toestemming toegang te verschaffen tot de dienstlokalen en doorgangen die voor het publiek verboden en als dusdanig aangegeven zijn;
9° misbruik te maken van de reservatiemogelijkheden bij de centrale voor vraagafhankelijk vervoer, zoals ze worden bepaald door de minister, met inbegrip van de daaraan verbonden voorwaarden;
10° zich over de veiligheidsafsluitingen of -markeringen van de perrons te buigen of te begeven;
11° te weigeren om gevolg te geven aan de aanwijzingen die door bestuurders van de voertuigen of door de personen, vermeld in artikel 84, die belast zijn met het toezicht worden gegeven tot nakoming van de bepalingen in artikel 59 tot en met 61 en in artikel 64 en 65.

Artikel 65. (11/03/2007- ...)

Het is niet toegestaan :
1° de infrastructuur, de installaties of de apparatuur van de VVM te beschadigen of te ontregelen;
2° de voertuigen van de VVM te hinderen, te doen vertragen of te beschadigen;
3° de seinen van de VVM aan te raken of de zichtbaarheid ervan te belemmeren;
4° de elektrische leidingen en installaties van de VVM aan te raken;
5° in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM in het bezit te zijn van een voorwerp dat of een stof die, klaarblijkelijk en onmiddellijk, personen kan kwetsen, of hen aan een ander gevaar voor hun fysieke integriteit kan blootstellen.

[Onderafdeling II Specifieke verplichtingen van de reizigers aan boord van de voertuigen van de VVM (ing. BVR 26 januari 2007, art. 5)]

Artikel 66. (14/03/2020- ...)

§ 1. Zodra de reiziger in het voertuig plaatsneemt, moet hij in het bezit zijn van een vervoerbewijs dat geldig is of geldig is gemaakt voor de rit. Het vervoerbewijs moet geldig zijn voor de volledige rit die hij ermee aflegt.

§ 1/1. De reiziger valideert, zodra hij in het voertuig stapt, het geldige vervoerbewijs.

§ 1/2. De reiziger moet het gevalideerde vervoerbewijs tijdens de reis op elk moment kunnen tonen aan de personen die met de controle zijn belast.

De reiziger moet op elk moment zijn identiteit kunnen bewijzen.

§ 2. Op de voertuigen van VVM kunnen vervoerbewijzen vanaf 1 juli 2020 niet met cash geld betaald worden.

In afwijking van het eerste lid, kunnen, vanaf 14 maart 2020 en tot op de datum dat de Nationale Veiligheidsraad beslist om de noodmaatregelen op te heffen, vervoerbewijzen niet met cash geld betaald worden.

Artikel 67. (11/03/2007- ...)

Het is niet toegestaan :
1° tijdens de rit de bestuurder of een ander personeelslid van de VVM te misleiden door loos alarm te slaan, of op een andere wijze;
2° de deuren te blokkeren of ertegen te leunen;
3° uit het voertuig een voorwerp of een stof te werpen;
4° de aangegeven regels voor het exclusieve gebruik van de deuren van de voertuigen van de VVM niet na te leven;
5° met behoud van de toepassing van artikel 64, 11°, te weigeren om gevolg te geven aan de aanwijzingen die door bestuurders van de voertuigen of door de personen, vermeld in artikel 84, die belast zijn met het toezicht worden gegeven tot nakoming van de bepalingen in artikel 66 tot en met 68.

Artikel 68. (11/03/2007- ...)

Het is niet toegestaan :
1° in of uit het voertuig te stappen voor het volledig stilstaat of als het aan het manoeuvreren is;
2° misbruik te maken van het noodsein;
3° gebruik te maken van de noodbediening van de deuren, of de deuren op een andere wijze te openen, behoudens in geval van gevaar en als het voertuig stilstaat;
4° gebruik te maken van een vervalst vervoerbewijs, van een vervalst bewijsstuk voor gratis vervoer of een tariefvermindering, of van een vervalste verminderingskaart;
5° gebruik te maken van een gepersonaliseerd vervoerbewijs, van een bewijsstuk dat recht geeft op gratis vervoer of een tariefvermindering, of van een verminderingskaart, telkens op naam van een andere persoon.

Artikel 69. (11/03/2007- ...)

...

HOOFDSTUK IV TARIEVEN

AFDELING 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 70. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 71. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 72. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 73. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 74. (01/02/2015- ...)

...

AFDELING 2 GRATIS VERVOER EN VERMINDERDE TARIEVEN

Artikel 75. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 76. (01/02/2015- ...)

...

AFDELING 3 VERVOERBEWIJZEN VOOR SPECIFIEKE GELEGENHEDEN

Artikel 77. (01/02/2015- ...)

...

AFDELING 4 GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 78. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 79. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 80. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 81. (01/02/2015- ...)

...

AFDELING 5 VERVOER VAN NIET-BEGELEIDE PAKJES, FIETSEN, HANDBAGAGE EN DIEREN

Artikel 82. (01/02/2015- ...)

...

Artikel 83. (01/02/2015- ...)

...

[HOOFDSTUK IV/1 KLACHTEN EN HANDHAVINGSINSTANTIE (ing. BVR 20 september 2013, art. 2, I: 12 oktober 2013)]

Artikel 83/1. (12/10/2013- ...)

Elke reiziger kan kosteloos klacht indienen bij de VVM voor een vermoedelijke schending van de bepalingen van artikel 4, tweede lid, artikel 9, 10, eerste lid, artikel 16, eerste lid, b), en tweede lid, artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 24 en 25 van verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 of van de bepalingen van dit besluit.

Artikel 83/2. (12/10/2013- ...)

De Vlaamse ombudsman, vermeld in artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst, is belast met de handhaving van de bepalingen van artikel 4, tweede lid, artikel 9, 10, eerste lid, artikel 16, eerste lid, b), en tweede lid, artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 24 en 25 van verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004.

De Vlaamse ombudsman behandelt ook de klachten in hoger beroep die worden ingediend bij de VVM op basis van artikel 83/1.

HOOFDSTUK V TOEZICHT

AFDELING 1 PERSONEEL BELAST MET HET TOEZICHT

Artikel 84. (01/09/2015- ...)

§ 1. De personen die daartoe gemachtigd zijn door de minister, zijn belast met het toezicht op de bepalingen van dit besluit.

Zij zijn gemachtigd om vervoerbewijzen of verminderingskaarten in beslag te nemen en de administratieve geldboetes of toezichts- en administratiekostenen toeslagen op te leggen.

Om het naleven van de bepalingen van dit besluit na te gaan of als zij een inbreuk vaststellen van de bepalingen van dit besluit, mogen ze de betrokkenen om hun identiteitskaart vragen. Zij mogen degene die weigert zijn identiteitskaart te tonen of die er geen in zijn bezit heeft, tegenhouden tot de komst van de politie.

§ 2. De aanstelling blijkt uit een door de minister ondertekend legitimatiebewijs, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.

AFDELING 2 TOEZICHTS- EN ADMINISTRATIEKOSTEN

Artikel 85. (01/09/2015- ...)

De toezichts- en administratiekosten die verschuldigd zijn wegens inbreuken op artikelen 64 tot en met 68, vastgesteld door de personen, bedoeld in artikel 84, worden door de raad van bestuur van de VVM bepaald, waarbij het bedrag van deze toezichts- en administratiekosten niet hoger mag zijn dan de reële beheerskosten die voortvloeien uit de vaststelling en de afhandeling van de in die bepaling geviseerde inbreuken.

AFDELING 3 ADMINISTRATIEVE GELDBOETE

Artikel 86. (01/09/2015- ...)

§ 1. Het personeelslid van de VVM, bedoeld in artikel 66bis van het decreet, dat een inbreuk vast-stelt op de bepalingen van artikel 64 tot en met 68, brengt de overtreder ter plaatse op de hoogte van het voornemen om een administratieve geldboete op te leggen. Hij licht daarover ook de dienst Administratieve Boetes in.

In geval van een inbreuk op artikel 66, § 1, kan het personeelslid van de VVM de geldboete onmiddellijk innen, met instemming van de overtreder.

De overtreder kan binnen dertig dagen na de vaststelling van de inbreuk zijn opmerkingen schriftelijk of met een e-mail aan de dienst Administratieve Boetes laten kennen.

§ 2. De overtreder wordt, binnen zestig dagen na de vaststelling van de inbreuk, door de dienst Administratieve Boetes van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete op de hoogte gebracht via een aangetekende brief met ontvangstbewijs.

De administratieve geldboete bedraagt :
1° bij een overtreding van artikel 64, artikel 66, § 1, artikel 66, § 2, en artikel 67 : 107 euro;
2° bij een overtreding van artikel 65 en 68 : 250 euro.

Als, binnen een periode van twaalf maanden vanaf de kennisgeving van een eerste overtreding als vermeld in het eerste lid, door de overtreder een of meer soortgelijke overtredingen worden gepleegd, bedraagt de administratieve geldboete :
1° bij een overtreding van artikel 66, § 1/1, en § 1/2 :
a) bij een tweede overtreding : 20 euro;
b) bij een derde overtreding en bij elke volgende overtreding : 50 euro;
2° bij een overtreding van artikel 64, artikel 66, § 1, artikel 66, § 2, en artikel 67 :
a) bij een tweede overtreding : 294 euro;
b) bij een derde overtreding en bij elke volgende overtreding : 400 euro;
3° bij een overtreding van artikel 65 en 68 :
a) bij een tweede overtreding : 400 euro;
b) bij een derde overtreding en bij elke volgende overtreding : 500 euro.

§ 3. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen dertig dagen na de kennisgeving, bedoeld in § 2.

§ 4. Bij gebrek aan betaling binnen de vastgestelde termijn wordt door de teamleider van de dienst Administratieve Boetes in kwestie een dwangbevel uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard.

§ 5. De manager Financiële Administratie beslist over de gemotiveerde verzoeken tot vermindering of kwijtschelding van de boetes. Het verzoekschrift wordt via een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, bedoeld in § 2.

§ 6. Gedurende het onderzoek van het verzoekschrift is de verplichting tot het betalen van de administratieve geldboete geschorst.

§ 7. De beslissing betreffende de verzoeken, bedoeld in § 5, wordt genomen binnen drie maanden na de indiening van het verzoekschrift. Deze termijn kan eenmaal voor dezelfde duur worden verlengd op voorwaarde dat die verlenging omstandig wordt gemotiveerd.

Als binnen de verlengde termijn geen beslissing werd genomen, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.

§ 8. De definitieve beslissing over het verzoek wordt met redenen omkleed en aan de indiener van het verzoekschrift ter kennis gebracht via een aangetekende brief.

§ 9. Vanaf de kennisgeving, bedoeld in § 8, vangt een nieuwe termijn van dertig dagen aan waarna overeenkomstig § 4 een dwangbevel kan worden uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard.

HOOFDSTUK VI WIJZIGINGSBEPALING

Artikel 87. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt artikel 19 van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenver-voer per tram, pre-metro, metro, autobus en autocar)

HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN

Artikel 88. (... - ...)

(niet opgenomen)

(De volgende regelingen worden opgeheven:

1° het koninklijk besluit van 31 december 1983 houdende vaststelling van de formule en van de modaliteiten voor de jaarlijkse aanpassing van de tarieven voor het vervoer van reizigers toegepast door de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 1987;

2° de bijzondere voorwaarden van 25 september 1947 betreffende de openbare autobusdiensten, de tijdelijke autobusdiensten, de bijzondere autobusdiensten en de autocardiensten;

3° het ministerieel besluit van 4 maart 1987 tot uitstel in 1987 van de aanpassing van de tarieven voor het vervoer van reizigers toegepast door de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer;

4° het ministerieel besluit van 23 december 1988 houdende wijziging van de prijzen voor het vervoer van reizigers op het net van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, van de Nationale Maatschappij van Buurt-spoorwegen en van de Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 10 december 1990;

5° het ministerieel besluit van 14 december 1990 houdende wijziging van de prijzen voor het vervoer van reizigers op het net van het stads- en streekvervoer van het Vlaamse Gewest;

6° het ministerieel besluit van 14 februari 2000 houdende wijziging van de prijzen voor het vervoer van reizigers op het net van het stads- en streekvervoer van het Vlaamse Gewest en houdende vaststelling van de tussenkomsten van derden in de kosten van het openbaar vervoer van de gebruikers)

Artikel 89. (... - ...)

(niet opgenomen)

(Wijzigt het reglement van 20 september 1947 tot vaststelling van de algemene voorwaarden betreffende het geregeld vervoer, het geregeld tijdelijk vervoer, de bijzondere vormen van geregeld vervoer)

Artikel 90. (... - ...)

(niet opgenomen)

(In het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar, worden de volgende artikelen opgeheven, voor wat betreft het geregeld vervoer dat door de VVM wordt georganiseerd:

1° artikelen 1 tot en met 6;

2° artikelen 8 tot en met 10;

3° artikel 12;

4° artikel 14;

5° artikelen 16 en 17;

6° artikel 20;

7° artikelen 22 tot en met 26, § 5, eerste lid;

8° artikelen 28 tot en met 37;

9° artikel 41)

Artikel 91. (11/03/2007- ...)

Artikel 9 treedt in werking op 1 januari 2006.

De driekleurige verkeerslichten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, en de verkeerslichtenbeïnvloeding, bedoeld in artikel 19, eerste lid, worden uiterlijk vóór 1 januari 2010 geplaatst.

Artikel 21 is van toepassing voor de halteborden die worden geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 24, § 1, en artikel 25 zijn van toepassing voor elk schuilhuisje dat wordt geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 27 treedt in een gemeente in werking de dag die volgt op het beëindigen van een lopende overeenkomst met een gemeente betreffende de oprichting en het onderhoud van schuilhuisjes.

Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2005.

Artikel 34 treedt in werking op 1 januari 2007.

Artikel 40, tweede en derde lid, treedt in werking voor alle voertuigen die vanaf 1 januari 2006 in gebruik worden genomen.

Artikel 41, eerste lid en artikel 43 zijn van toepassing voor alle bestekken voor de aankoop van voertuigen die worden gepubliceerd na de inwerkingtreding van dit besluit.

Het voertuigenpark, beheerd door de VVM, voldoet uiterlijk op 1 januari 2006 aan artikel 47, § 1, eerste lid.

Artikel 47, § 1, eerste lid, treedt in werking bij het sluiten of vernieuwen van overeenkomsten voor het uitvoeren van diensten van geregeld vervoer tussen de VVM en privé-exploitanten.

Alle bestaande vervoerbewijzen en verminderingskaarten die niet werden afgegeven overeenkomstig hoofdstuk IV, ver-vallen op 1 februari 2006.

Artikelen 85 en 86 treden in werking op 1 februari 2005.

De inbreuken, bedoeld in artikelen 33 tot en met 35 van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar, worden vervolgd en bestraft op basis van de bepalingen die op het ogenblik van de inbreuken van kracht waren.

Artikel 92. (... - ...)

Artikel 70, 14°, 16°, 20°, 21° en 24°, van het decreet treden in werking.

Artikel 93. (... - ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Vervoer, is belast met de uitvoering van dit besluit.