Koninklijk Besluit waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken

Datum 14/12/1959

Inhoudstafel

  1. § 1. Regelen toepasselijk in de landschappen en langs de toeristische verkeerswegen
  2. § 2. Regelen toepasselijk in sommige bossen, langs waterlopen en langs sommige verkeerswegen
  3. § 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Inhoud

§ 1. Regelen toepasselijk in de landschappen en langs de toeristische verkeerswegen

Artikel 1. (... - ...)

[Het is verboden aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken:
1. in landschappen, door de Koning aangewezen, en aan weerszijden van de verkeerswegen welke die landschappen begrenzen;
2. op toeristische verkeerswegen, door de Koning aangewezen, en op enige plaats, zodra zij vanaf die verkeerswegen herkenbaar zijn.

Aanplakbrieven en andere visuele reclame- of publiciteitsmiddelen, aangebracht in zijstraten van een toeristische verkeersweg, vallen niet onder toepassing van deze paragraaf, behalve wanneer de zijstraten in een landschap zijn gelegen of voor zover zij langs de toeristische verkeersweg lopen. Het is echter verboden die aanplakbrieven en andere visuele reclame- of publiciteitsmiddelen aan te brengen:
1. op de eerste naar de toeristische verkeersweg gekeerde zijgevel;
2. op kunstwerken;
3. op plaatsen waar zij vanaf de toeristische verkeersweg, over een ononderbroken lengte van meer dan 100 meter langs die weg, herkenbaar zijn. (verv. KB 28 juni 1963, art. 1, I: 21 juli 1963]

Artikel 2. (... - ...)

Dat verbod geldt niet voor de aanplakbrieven en andere visuele reclames of publiciteitsmiddelen, aangebracht op de voorgevels van de gebouwen die voor handels- of nijverheidsdoeleinden worden gebruikt, evenals op hun markiezen of terrasoverkappingen, en die uitsluitend betrekking hebben op een in die gebouwen uitgeoefend bedrijf, op voorwaarde:
a) dat ze worden aangebracht evenwijdig met het vlak van de gevel waartegen ze steunen, of in het vlak van de gevel, en niet buiten de gevel uitsteken;
b) dat ze geen enkele van de in de gevel gemaakte lichtopeningen noch geheel noch gedeeltelijk bedekken;
c) dat ze aangebracht worden op het benedengedeelte van de gevel, begrepen tussen de begane grond en het peil van de vensterdorpels der eerste verdieping;
d) dat ze kunnen ingeschreven worden in een rechthoek waarvan de oppervlakte drie vierkante meter niet overschrijdt, met dien verstande dat, wanneer de reclamevermeldingen en het uithangbord tot één geheel zijn verenigd, de totale oppervlakete niet meer dan drie vierkante meter mag bedragen;
e) dat de rechthoeken waarin ze ingeschreven kunnen worden, samen geen grotere oppervlakte hebben dan één tiende van de totale geveloppervlakte;
f) dat de aanplakbrieven geen gebruik maken van fosforescerende of andere procédé's of produkten die de natuurlijke intensiteit van de kleuren door lichtweerkaatsing versterken;
g) dat alle sporen van vroeger aangebrachte aanplakbrieven telkens worden verwijderd.

In afwijking van de bepalingen van de letters a en c:
1° mogen de geheel opengewerkte lichtreclames die uitsluitend bestaan uit glazen buizen bevestigd op een metalen raamwerk, haaks op het vlak van de gevel worden aangebracht tot de onderrand van het dak;
2° mogen de visuele reclames of publiciteitsmiddelen haaks op de gevel worden aangebracht wanneer de oppervlakte ervan niet meer dan vijfendertig vierkante decimeter bedraagt.

Artikel 3. (... - ...)

[Wanneer het gehele grondgebied van een gemeente onder de regelen van deze paragraaf valt, of wanneer het grootste deel van de bebouwde kom van een gemeente er onder valt, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde vergunning verlenen: (verv. KB 28 juni 1963, art. 2, I: 21 juli 1963]
1° tot het plaatsen van borden bestemd voor het dragen van opschriften en aanplakbrieven die kunnen ingeschreven worden in een rechthoek waarvan de oppervlakte 75 vierkante decimeter niet overschrijdt, die tijdelijk worden aangebracht en betrekking hebben op culturele, caritatieve, godsdienstige, sportieve en recreatieve gebeurtenissen en activiteiten;
2° tot het aanbrengen van aanplakbrieven met een oppervlakte van ten hoogste twee vierkante meter, naar rato van één aanplakbrief per zijgevel, op de gebouwen gelegen in de bebouwde kom van de gemeente, behalve op die langs een rijks- of provincieweg.

Artikel 3bis. (... - ...)

[De Minister van Openbare Werken kan in de in artikel 1 bedoelde landschappen bebouwde gebieden aanwijzen waar aanplakbrieven op schuttingen en op blinde zijgevels mogen worden aangebracht.

Het aanbrengen der aanplakbrieven mag slechts na vergunning van de Minister of van zijn afgevaardigde geschieden.

Bij aanplakking op blinde zijgevels moet de vergunninghouder de volgende voorwaarden in acht nemen:
a) de aanplakbrief moet in het vlak van de zijgevel worden geplaatst;
b) er mag slechts één aanplakbrief per zijgevel worden aangebracht;
c) de oppervlakte van de aanplakbrief, de lijst niet medegerekend, mag twintig vierkante meter niet overschrijden;
d) tussen de lijst en de grenzen van het gevelvlak moet een afstand van minstens vijftig centimeter bestaan;
e) geen fosforescerende of andere procédés of produkten mogen worden gebruikt om de natuurlijke intensiteit der kleuren van de aanplakbrief door lichtweerkaatsing te versterken;
f) alle sporen van vroeger aangebrachte aanplakbrieven moeten worden verwijderd. (ing. KB 28 juni 1963, art. 3, I: 21 juli 1963]

§ 2. Regelen toepasselijk in sommige bossen, langs waterlopen en langs sommige verkeerswegen

Artikel 4. (... - ...)

De bepalingen van deze paragraaf gelden voor de aanplakbrieven of andere visuele reclames of publiciteitsmiddelen:
a) aangebracht in de onder het speciaal bosrecht staande bossen die niet of slechts gedeeltelijk in een landschap zijn gelegen;
b) aangebracht op of aan weerszijden van de door de Koning bepaalde waterlopen die niet of slechts gedeeltelijk in of langs een landschap zijn gelegen, en herkenbaar vanaf die waterlopen;
c) aangebracht op of aan weerszijden van sommige door de Koning bepaalde verkeerswegen, en herkenbaar vanaf die wegen. Deze bepalingen gelden echter niet voor de aanplakbrieven en andere visuele reclames of publiciteitsmiddelen, aangebracht in de zijstraten van die verkeerswegen, met uitzondering van die op de kunstwerken.

Artikel 5. (... - ...)

Op de hierboven bepaalde plaatsen mogen de aanplakbrieven en andere visuele reclames of publiciteitsmiddelen slechts worden aangebracht op de zijgevels van de gebouwen of op de voorgevel van de gebouwen die voor handels- of nijverheidsdoeleinden worden gebruikt.
1° [Ze mogen worden aangebracht op zijgevels van gebouwen, met uitsluiting van loodsen, schuilplaatsen voor dieren en andere dergelijke gebouwen, voor zover die zijgevels geen lijstgoot, dakoverstek of dekplaat hebben, en niet, zoals de voorgevel, in gevelsteen zijn opgetrokken, of bepleisterd zijn, of geverfd, en op voorwaarde:
a) dat ze in het vlak van de zijgevel worden geplaatst;
b) dat niet meer dan één per zijgevel wordt aangebracht;
c) dat ze kunnen worden ingeschreven in een rechthoek waarvan de oppervlakte, de lijst niet medegerekend, twintig vierkante meter niet overschrijdt;
d) dat ze geen enkel van de in de zijgevel gemaakte lichtopeningen noch geheel noch gedeeltelijk bedekken en dat het aanplakbord niet is uitgesneden om te voorkomen dat een lichtopening of een deur wordt bedekt;
e) dat een ruimte van ten minste vijftig centimeter breedte overblijft tussen de randen of de omlijsting ervan, en de grenzen van de vensters, van de deuren en van het vlak van de gevel waarop ze worden aangebracht, en dat de hoeken van het aanplakbord niet zijn afgesneden;
f) dat de aanplakbrieven geen gebruik maken van fosforescerende of andere procédé's of produkten, die de natuurlijke intensiteit van de kleuren door lichtweerkaatsing versterken;
g) dat alle sporen van vroeger aangebrachte aanplakbrieven totaal verdwenen zijn.(verv. KB 27 februari 1964, art. 1, I: 1 januari 1964)]
2° Op de voorgevel van de gebouwen die voor handels- of nijverheidsdoeleinden worden gebruikt, of op hun markiezen en terrasoverkappingen mogen ze slechts worden aangebracht zo ze uitsluitend betrekking hebben op een in die gebouwen uitgeoefend bedrijf en op voorwaarde:
a) dat ze worden aangebracht evenwijdig met het vlak van de gevel waartegen ze steunen, of in het vlak van de gevel, en niet buiten de gevel uitsteken;
b) dat ze geen enkele van de in de gevel gemaakte lichtopeningen noch geheel of gedeeltelijk bedekken;
c) dat ze aangebracht worden op het benedengedeelte van de gevel, begrepen tussen de begane grond en het peil van de vensterdorpels der eerste verdieping;
d) dat ze kunnen worden ingeschreven in een rechthoek met een oppervlakte van ten hoogste drie vierkante meter, met dien verstande dat, wanneer de reclamevermeldingen en het uithangbord tot één geheel zijn verenigd, de totale oppervlakte niet meer dan drie vierkante meter mag bedragen;
e) dat de rechthoeken waarin ze ingeschreven kunnen worden samen geen grotere oppervlakte hebben dan een zesde van de totale geveloppervlakte;
f) dat de aanplakbrieven geen gebruik maken van fosforescerende of andere procédés of produkten die de natuurlijke intensiteit van de kleuren door lichtweerkaatsing versterken;
g) dat alle sporen van vroeger aangebrachte aanplakbrieven totaal zijn verdwenen.

In afwijking van de letters a en c:
1° mogen de geheel opengewerkte lichtreclames die uitsluitend bestaan uit glazen buizen bevestigd op een metalen raamwerk, haaks op het vlak van de gevel worden aangebracht tot de onderrand van het dak;
2° mogen de visuele reclames of publiciteitsmiddelen haaks op de gevel worden aangebracht wanneer de oppervlakte ervan niet meer dan vijfendertig vierkante decimeter bedraagt.

§ 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 6. (... - ...)

Onder de regelen bepaald in de §§ 1 en 2 vallen niet:
1° de uithangborden;
2° de aanplakbrieven aangebracht ter uitvoering van een wets- of reglementsbepaling of door toedoen van openbare of ministeriële ambtenaren;
3° de aanplakbrieven en andere visuele reclames of publiciteitsmiddelen die zich binnen in voor het publiek toegankelijke lokalen bevinden, op voorwaarde dat de oppervlakte ervan tien vierkante decimeter niet overschrijdt wanneer ze vast aan de vensters worden gehecht;
4° de op onroerende goederen aangebrachte aanplakbrieven waarbij wordt bekendgemaakt dat die goederen te koop of te huur zijn;
5° [de hieronder opgesomde visuele reclame- of publiciteitsmiddelen waarvan de totale oppervlakte een vierkante meter niet overschrijdt, en waarvan de opschriften een oppervlakte van vijfenzeventig vierkante decimeter niet overschrijden:
a) de merken en namen geschreven op de produkten die op de openbare weg te koop worden gesteld, op de toestellen voor de verkoop van die produkten, op de terrasafsluitingen of op verplaatsbare constructies;
b) de op palen bevestigde borden, bestemd tot het aanwijzen van een inrichting die van de openbare weg afgelegen en van onmiddellijk nut voor de voertuigen is, op voorwaarde dat, indien er meer dan twee borden worden geplaatst, de oppervlakte van het derde bord en van de volgende borden vijfendertig vierkante decimeter niet overschrijdt en dat de reclamevermeldingen betrekking hebben op produkten zoals brandstof, olie en vervangstukken, die er te koop zijn;
6° de aanplakbrieven aangebracht op schuttingen of borden die bouwterreinen afsluiten tijdens de uitvoering van de ruwbouw van gebouwen op voorwaarde dat de schuttingen of borden evenwijdig met de openbare weg zijn aangebracht, en met uitsluiting van aanplakbrieven op borden in de bouwvrije strook;
7° de aanplakbrieven aangebracht op schuttingen of borden die braakliggende gronden afsluiten, waarvan het aanbrengen is toegestaan door de Minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde; (verv. KB 28 juni 1963, art. 5, I: 21 juli 1963)]
8° [de vergunde aankondigingen van tijdelijke activiteiten, aangebracht op zijn vroegst vijftien dagen voor de datum ervan en verwijderd uiterlijk acht dagen erna, voorzover de handelsnamen of logo's maximaal een vierde van de totale oppervlakte innemen; (verv. BVR 25 juni 2004, art. 10, I: 10 september 2004)]
9° de aanplakbrieven gebruikt voor doeleinden van algemeen belang en waarvan de plaatsing toegestaan is door de Minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde;
10° de aanplakbrieven en andere visuele reclames en publiciteitsmiddelen welke dienen tot het bevorderen van het toerisme of bestemd zijn om de weggebruikers te helpen en niet onder de voorschriften van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer vallen, en waarvan de plaatsing door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde toegestaan is;
11° [de aanplakbrieven en andere visuele reclame en publiciteitsmiddelen die op straatmeubilair worden aangebracht. (verv. BVR 25 juni 2004, art. 10, I: 10 september 2004)]

Artikel 7. (... - ...)

[De in de voorgaande artikelen bedoelde aanplakbrieven moeten de reclamebedrijven vermelden die ze hebben geplaatst of doen plaatsen. Die welke worden aangebracht krachtens een vergunning als bedoeld in de artikelen 3, 2°, 3bis en 6, 7°, 9° en 10°, moeten bovendien de datum van de vergunning vermelden. (verv. KB 28 juni 1963, art. 8, I: 21 juli 1963)]

Artikel 8. (... - ...)

De bij de bovenstaande bepalingen verboden aanplakbrieven en andere visuele reclames en publiciteitsmiddelen, alsmede de draagconstructies, moeten worden verwijderd door de personen die voor de plaatsing en het behoud ervan verantwoordelijk zijn.

Artikel 9. (... - ...)

De bepalingen van § 1 evenals die van artikel 6, 3°, 4°, 5°, 6° en 8°, treden in werking de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

De niet aan de voorschriften van § 1 beantwoordende visuele reclames of publiciteitsmiddelen die aangebracht of bevestigd zijn op de handels- of nijverheidsgebouwen of op hun aanhorigheden zoals terrasafsluitingen, pompen, draagarmen, enz., en die uitsluitend betrekking hebben op een in die gebouwen uitgeoefend bedrijf, mogen evenwel op hun plaats blijven tot [30 juni 1961 (verv. KB 25 november 1960, art. 1)]. Hetzelfde geldt voor de reclames waarvan sprake in artikel 3, 2°.

Artikel 10. (... - ...)

De bepalingen van § 2 treden in werking:
1° de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van dit besluit voor de plaatsen waarvan sprake in artikel 4, letter a;
2° op de door de Koning te bepalen data voor de plaatsen waarvan sprake in artikel 4, letters b en c.

Artikel 11. (... - ...)

Tot op 30 april 1960 mogen worden vervangen en op hun plaats blijven de aanplakbrieven op borden die braakliggende gronden afsluiten.

Artikel 12. (... - ...)

Opgeheven worden:
1° het koninklijk besluit van 5 mei 1936 houdende regeling en verbod inzake zekere wijzen van aanplakken en adverteren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 september 1937 en 15 april 1939;
2° het koninklijk besluit van 6 mei 1936 houdende toepassing van de regeling en van het verbod inzake zekere wijzen van aanplakken en adverteren op sommige waterlopen;
3° het koninklijk besluit van 30 juni 1938 betreffende het aanplakken en adverteren in de bossen;
4° het koninklijk besluit van 20 december 1956 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken in zekere landschappen en langs de toeristische verkeerswegen, gewijzigd bij de koninlijke besluiten van 26 maart 1958, 14 februari en 2 mei 1959.

Artikel 13. (... - ...)

Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Landbouw, Onze Minister van Verkeerswezen, Onze Minister van Openbare werken en van Wederopbouw zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.