Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage

Datum 10/12/2004

Inhoudstafel

  1. Bijlage I De categorieën van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1 van het decreet aan de project-m.e.r. worden onderworpen en waarvoor een project-MER moet worden opgesteld
  2. Bijlage II De categorieën van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2 en § 3 van het decreet aan de project-m.e.r. worden onderworpen maar waarvoor de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen.
  3. [Bijlage III De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, van het decreet een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld (ing. BVR 1 maart 2013, art. 19)]

Inhoud

Artikel 1. (01/04/2017- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° decreet: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2° bevoegde administratie: de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor milieueffectrapportage;
3° de productiecapaciteit: de jaarlijkse of dagelijkse effectieve productiecapaciteit van de installaties, rekening houdend met onder andere de eigenschappen van de inrichtingen zoals de opslagcapaciteiten, de werkuren, het aantal werknemers, de werkregeling (personeelsbezetting) en rekening houdend met de bij de vergunning aan te vragen capaciteit;
4° bijzonder beschermde gebieden: als bijzonder beschermde gebieden met betrekking tot dit besluit worden de volgende gebieden beschouwd:
a. de speciale beschermingszones overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
b. een gebied aangeduid overeenkomstig de Conventie van Ramsar inzake watergebieden van internationale betekenis;
c. een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied zoals aangegeven ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
d. natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
e. bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
f. een beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische site;
g. de waterwingebieden en bijhorende beschermingszones type I en II vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
h. het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
i. een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;
5° project-m.e.r.-screeningsnota : een document waarin van een voorgenomen project wordt aangegeven of er aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn.

Artikel 2. (29/04/2013- ...)

§ 1. De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3 en § 3bis, van het decreet al dan niet een project-MER moet worden opgesteld, zijn vermeld inbijlage I, bijlage II en bijlage III van dit besluit.

§ 2. Voor de categorieën van projecten vervat in bijlage II bij dit besluit kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing indienen bij de bevoegde administratie.

§ 3. De bevoegde administratie beslist geval per geval over deze verzoeken tot ontheffing. Ze beslist op basis van de selectiecriteria die zijn vastgesteld in bijlage II van het decreet.

§ 4. De administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen bedoeld in artikel 4.3.2, § 4, 2de lid, en artikel 4.3.4, § 4, 3° van het decreet zijn deze die ingevolge de toepasselijke vergunningenwetgeving om advies moeten worden gevraagd over de desbetreffende vergunningsaanvraag.

§ 5. De milieueffectbeoordeling voor de categorieën van projecten vermeld in de rubrieken 2, b) en 3 van bijlage I, en de rubrieken 2, d), tweede streepje en 3, g) van bijlage II, mag geen betrekking hebben op de verwachte effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende stralingen.

§ 6. Voor de categorieën van projecten, vermeld in bijlage III bij dit besluit, kan de initiatiefnemer een project-m.e.r.-screeningsnota indienen bij de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan een modelformulier vaststellen voor de opmaak van de project-m.e.r.-screeningsnota, vermeld in het eerste lid. In dat modelformulier worden alle gegevens opgevraagd over de kenmerken van het voorgenomen project, de locatie van het project, de gebieden waarop het project van invloed kan zijn en de kenmerken van de mogelijke milieueffecten, die nodig zijn om te besluiten of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn van een voorgenomen project.

§ 7. De overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag beslist geval per geval over die project-m.e.r.-screeningsnota's. Ze beslist op basis van de selectiecriteria, vermeld in bijlage II van het decreet.

§ 8. Wanneer een project onder de toepassing valt van verschillende bijlagen bij dit besluit, dan geldt voor dit project de procedure van de bijlage met het laagste nummer.

Artikel 3. (23/02/2017- ...)

§ 1. (niet opgenomen)

(Heft op:

1° de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 19bis, 19ter en 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectrapportage van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen;

2° de artikelen 1, 2, 3, 4, 13, 14, 15, 16, 17, 17bis, 17ter en 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning)

§ 2. Overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, is de verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2, tweede lid van het decreet, niet van toepassing op de inrichtingen met een lopende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die vervalt uiterlijk dertig maanden na de inwerkingtreding van dit besluit en voor zover:
1. de inrichting niet viel onder de toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectrapportage van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen;
2. de vergunningsaanvraag geen verandering van het project bevat waarvoor een project-MER kan worden opgelegd overeenkomstig de bepalingen van bijlage II bij dit besluit;
3. de vergunningsaanvraag wordt aangevuld met een bondige beschrijving en beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project overeenkomstig de in artikel 4.3.7, § 1, 2°, b), opgesomde aspecten.

Artikel 4. (... - ...)

De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I De categorieën van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1 van het decreet aan de project-m.e.r. worden onderworpen en waarvoor een project-MER moet worden opgesteld

(29/04/2013- ...)

1 De categorieën van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1 van het decreet aan de project-MER worden onderworpen en waarvoor een project-MER moet worden opgesteld

1

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2

a) Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 megawatt.

b) Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (1) (met uitzondering van onderzoeksinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW)

3

a) Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen.

b) Installaties die ontworpen zijn:

- voor de productie of de verrijking van splijtstoffen,

- voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval,

- voor de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen,

- uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval,

- uitsluitend voor de (voor meer dan tien jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein.

4

a) Geïntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal.

b) Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés.

5

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten : voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20.000 ton eindproducten, voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 ton eindproducten, alsmede -voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest – met een gebruik van meer dan 200 ton per jaar.

6

Geïntegreerde chemische installaties, dat wil zeggen installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van :

- organische basischemicaliën;

- anorganische basischemicaliën;

- fosfaat-, stikstof-of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);

- basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;

- farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé; -explosieven.

7

Aanleg van spoorlijnen voor spoorverkeer over een lengte van 10 km of meer.

8

Aanleg van vliegvelden (2) met een start -en landingsbaan van ten minste 2.100 meter.

9

Aanleg van autosnelwegen en autowegen (3), met inbegrip van de hoofdwegen.

10

Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.

11

Aanleg van waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton.

12

Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1.350 ton kunnen ontvangen.

13

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA , de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen.

14

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag.

15

Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer het jaarlijkse volume onttrokken of aangevuld water 10 miljoen m3 of meer bedraagt.

16

a) Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer deze overbrenging ten doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100 miljoen m3 per jaar.

b) In alle andere gevallen, projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2.000 miljoen m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5 % van dit debiet overschrijdt.

In beide gevallen is overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater uitgesloten.

17

Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150.000 inwonerequivalenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 91/271/EEG (4).

18

Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag meer of meer dan 500.000 m3 aardgas per dag bedraagt.

19

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of permanent opslaan van water, met inbegrip van waterspaarbekkens voor drinkwatervoorziening, wanneer een nieuwe of extra hoeveelheid water van meer dan 10 miljoen m3 wordt gestuwd of opgeslagen, en voor de aanleg van een waterbekken wanneer de oppervlakte 50 ha of meer bedraagt.

20

Pijpleidingen met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km :
a) voor het vervoer van gas, olie of chemicaliën;
b) voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations.

21

Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

a) 85.000 plaatsen voor mesthoenders (ander gevogelte dan leg kippen); of

b) 60 000 plaatsen voor hennen (legkippen); of

c) 3.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 20 kg); of

d) 900 plaatsen voor zeugen.

22

Industriële installaties voor:

a) de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen; of

b) de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 200 ton per dag.

23

Steengroeven en dagbouwmijnen, met inbegrip van ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind, met een terreinoppervlakte van meer dan 10 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.

24

Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 150 kV of meer en langer dan 15 km.

25

Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer.

26

Opslaglocaties overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

27

Installaties voor het afvangen van koolstofdioxidestromen met het oog op de geologische opslag overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, afkomstig van onder deze bijlage vallende installaties, of als de totale jaarlijkse afvang van koolstofdioxide 1,5 megaton of meer bedraagt.

28

a) Wijziging of uitbreiding van de in bijlage I, II of III opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de in bijlage I genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.
b) Wijziging of uitbreiding van de in bijlage I, II of III opgenomen projecten, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd, wanneer die wijziging of uitbreiding aanleiding geeft tot een overschrijding van de in bijlage I genoemde drempelwaarden (niet in rubriek 28, a) opgenomen wijziging of uitbreiding). Van deze overschrijding van de drempelwaarde is sprake ofwel als de drempelwaarde van bijlage I voor het eerst wordt overschreden door het samenvoegen van de reeds vergunde en de nog te vergunnen activiteiten (= project) ofwel als de verschillende uitbreidingen samen, sinds de laatst verleende ontheffing of goedgekeurd MER (voor zover deze bestaan), groter zijn dan de drempelwaarde van bijlage I.

Bijlage II De categorieën van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2 en § 3 van het decreet aan de project-m.e.r. worden onderworpen maar waarvoor de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen.

(23/02/2017- ...)

1

De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2 en § 3, van het decreet een project-MER of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing moet worden opgesteld.

1

LANDBOUW, BOSBOUW EN AQUACULTUUR

 

a) ...

 

b) Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of semi-natuurlijke gebieden voor intensieve landbouw voor zover de oppervlakte 15 ha of meer bedraagt en gelegen is in een bijzonder beschermd gebied.

 

c)

° Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden namelijk:

- een irrigatieproject van 100 ha en meer; of

- een droogleggingsproject van 50 ha of meer; of

- een droogleggingsproject van 15 ha of meer, dat een aanzienlijke verlaging van de freatische grondwatertafel in een bijzonder beschermd gebied tot gevolg kan hebben.

 

d)

° Eerste bebossing voor zover de oppervlakte 10 ha of meer bedraagt.

° Ontbossing met het oog op de omschakeling naar een ander bodemgebruik voorzover de oppervlakte 3 ha of meer bedraagt en voorzover artikel 87 van het Bosdecreet niet van toepassing is.

 

e) Intensieve veeteeltbedrijven:

° Stal met 60.000 tot 85.000 plaatsen voor ander gevogelte dan legkippen of met 40.000 tot 60.000 plaatsen voor legkippen, en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan ?agrarisch gebied in de ruime zin?.

° Stal met 2.000 tot 3.000 plaatsen voor varkens andere dan zeugen en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan ?agrarisch gebied in de ruime zin?.

° Stal met 2.500 plaatsen of meer voor mestkalveren.

° Stal met 1.000 tot 2.500 plaatsen voor mestkalveren en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan ?agrarisch gebied in de ruime zin?.

° Gemengde inrichting voor gevogelte als de verhouding van het aantal plaatsen voor legkippen t.o.v. de drempel 60.000 + het aantal plaatsen voor ander gevogelte dan legkippen, struisvogels of struisvogelachtigen t.o.v. de drempel /85.000 groter dan 1 is.

° Gemengde inrichting voor varkens van meer dan 20 kg als de verhouding van het aantal plaatsen voor zeugen t.o.v. de drempel van 900 + het aantal plaatsen voor varkens andere dan zeugen t.o.v. de drempel van 3.000 groter dan 1 is.

° Stal met 1.000 plaatsen of meer voor struisvogels en struisvogelachtigen.

 

f) Intensieve aquacultuur van vis met een productiecapaciteit van 1.000 ton levend gewicht per jaar of meer.

 

g) Landwinning uit zee.

2

EXTRACTIEVE BEDRIJVEN

 

a) Ontginningen in gebieden die volgens de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen bestemd zijn om oppervlaktedelfstoffen of grind te ontginnen en die een ontginbare oppervlakte hebben van 10 ha of meer.

 

b) Ondergrondse mijnbouw.

 

c) Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem met een volume van 100.000 m3 per jaar of meer of die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied.

 

d) Diepboringen, met name:

- geothermische boringen vanaf een diepte van 500 m,

- boringen in verband met de opslag van kernafval vanaf een diepte van 100 m,

- boringen voor watervoorziening vanaf een diepte van 500m, met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

 

e) Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van ertsen, van bitumineuze schisten en van koolwaterstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

3

ENERGIEBEDRIJVEN

 

a) Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water met uitzondering van kernenergiecentrales, met een warmtevermogen van 100 tot 300 megawatt.

 

b)

° Industriële installaties voor het transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen van 150 kV of meer over een lengte van 5 km tot 15 km, of die over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied zijn gelegen.

° Aanleg van ondergrondse hoogspanningsleidingen van 150 kV of meer die:

- over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied zijn gelegen, of

- over een lengte van 10 km of meer en voor zover ze niet gelegen zijn binnen de rooilijnen van een openbare weg of binnen een leidingstraat aangeduid op een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

c) Bovengrondse opslag van aardgas met een opslagcapaciteit van 100.000 m3 of meer.

 

d) Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen met een opslagcapaciteit van 500.000 m3 of meer.

 

e) Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen met een oppervlakte van 25 ha of meer.

 

f) Inrichtingen voor het industrieel briketteren van steenkool en bruinkool met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

g) Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval voor langer dan drie jaar (niet onder bijlage I vallende projecten).

 

h) Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie met een (elektrisch) vermogen van 5 megawatt of meer.

 

i) Installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie voorzover de activiteit betrekking heeft:

- op 20 windturbines of meer, of

- op 4 windturbines of meer, die een aanzienlijke invloed hebben of kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied.

 

j) Installaties voor het afvangen van koolstofdioxidestromen met het oog op geologische opslag overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, afkomstig van installaties die niet onder bijlage I vallen.

4

PRODUCTIE EN VERWERKING VAN METALEN

 

a) Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten, met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

b) Installaties voor verwerking van ferrometalen door:

- warmwalsen,

- koudwalsen van vlakke platen, -

 smeden met hamers,

- het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal,

als de productiecapaciteit 100.000 ton per jaar of meer bedraagt.

 

c) Smelterijen van ferrometalen met een productiecapaciteit van 20 ton per dag of meer.

 

d) Installaties voor het smelten (met inbegrip van het legeren), het (vorm)gieten, walsen (koud- en warmwalsen), het trekken van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, -inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.) -met een productiecapaciteit van 50.000 ton per jaar of meer.

 

e) Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen, plastic materiaal en kunststoffen met een elektrolytisch of chemisch procédé, met gebruik van procesbaden met een individuele inhoud van 100 m3 of meer of een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

f) Automobielfabrieken en –assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren met een productie-capaciteit van 100.000 stuks per jaar of meer.

 

g) Scheepswerven met een oppervlakte van 5 ha of meer.

 

h) Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen, als er motoren met een stuwkracht van 500 kN of meer of met een vermogen van 10 MW of meer getest worden, of als de oppervlakte 5 ha of meer bedraagt.

 

i) Inrichtingen voor het vervaardigen van spoorwegmaterieel met een oppervlakte van 1 ha of meer, of voor het herstellen ervan met een oppervlakte van 5 ha of meer.

 

j) Inrichtingen voor het vervormen van metalen (uitstampen) door middel van springstoffen.

 

k) Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen.

5

MINERALE INDUSTRIE

 

a) Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool).

 

b) Installaties voor de vervaardiging van cement als de productiecapaciteit 150.000 ton per jaar of meer bedraagt.

 

c) Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten:

- producten van asbestcement, met een productie van 10.000 tot 20.000 ton eindproducten per jaar,

- remvoeringen, met een productie van 25 tot 50 ton eindproducten per jaar,

- andere toepassingsmogelijkheden van asbest met een gebruik van 100 tot 200 ton per jaar.

 

d) Installaties voor het vervaardigen en behandelen van glas (met inbegrip van glasvezels en de productie van glaswol) of voor het smelten van minerale stoffen (met inbegrip van mineraalvezels) met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.

 

e) Fabricage van keramische producten door middel van bakken, namelijk dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

6

CHEMISCHE INDUSTRIE

 

a) Chemische industrie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën:

° Chemische installaties, voor de productie van organische chemicaliën met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

° Chemische installaties voor de productie van kunstmeststoffen met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

° Chemische installaties, voor de productie van anorganische chemicaliën met een productiecapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.

b) Chemische industrie voor de productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden:

° Inrichtingen voor de productie van bestrijdingsmiddelen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar.

° Inrichtingen voor de productie van farmaceutische stoffen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.

° Inrichtingen voor de productie van elastomeren, verven,vernissen of peroxiden met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

c) Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten:

° Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een opslagcapaciteit van 100.000 ton tot 200.000 ton.

d) Petrochemische installaties of vervolgfabrieken voor het kraken of vergassen van nafta, gasolie, LPG of andere aardoliefracties met een verwerkingscapaciteit van 500.000 ton per jaar of meer.

7

VOEDINGS – EN GENOTMIDDELENINDUSTRIE

 

a) Inrichtingen voor het vervaardigen van plantaardige of dierlijke oliën en vetten met een productiecapa-citeit van 60.000 ton per jaar of meer.

 

b) Inrichtingen voor het conserveren van dierlijke en/of plantaardige producten met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

c) Zuivelfabrieken met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

d)

° Bierbrouwerijen met een productiecapaciteit van 75 miljoen liter per jaar of meer.

° Mouterijen met een productiecapaciteit van 60.000 ton per jaar of meer.

 

e)

° Suikerwarenfabrieken met een productiecapaciteit van 90.000 ton per jaar of meer.

° Siroop-of frisdrankenfabrieken met een productiecapaciteit van 75 miljoen liter per jaar of meer.

 

f) Installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 30.000 ton levend gewicht per jaar of meer.

 

g) Zetmeelfabrieken met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

h) Vismeel-en visoliefabrieken met een productiecapaciteit van 10.000 ton per jaar of meer.

 

i) Suikerfabrieken met een productiecapaciteit van 500 ton per dag of meer.

8

TEXTIEL-LEDER-HOUT EN PAPIERINDUSTRIE

 

a) Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van 100 tot 200 ton per dag.

 

b) Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.

 

c) Installaties voor het looien van huiden met een productiecapaciteit van 1.000 ton per jaar of meer.

 

d) Installaties voor het produceren en bewerken van celstof met een productiecapaciteit van 100 ton per dag en meer.

 

e) Houtvezelplaat -, spaanderplaat -, duplex-, triplex-en multiplexfabrieken met een productiecapaciteit van 200 ton per dag en meer.

9

RUBBERVERWERKENDE INDUSTRIE

 

Inrichtingen voor het vervaardigen en behandelen van producten op basis van elastomeren met een verwerkingscapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

10

INFRASTRUCTUURPROJECTEN

 

a) Industrieterreinontwikkeling met een oppervlakte van 50 ha of meer.

 

b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen,

- met betrekking tot de bouw van 1000 of meer woongelegenheden, of

- met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of

- met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur.

 

c)

° Aanleg van spoorwegen met een lengte van 1 tot 10 km, of een ononderbroken lengte van 1 km of meer gelegen in een bijzonder beschermd gebied.

° Aanleg van faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations met een oppervlakte van 5 ha of meer.

 

d) Aanleg van vliegvelden, met een start- en landingsbaan van 800 tot 2.100 meter.

 

e)

° Aanleg van wegen met 4 of meer rijstroken over een lengte van 1 km tot 10 km.

° Aanleg van wegen met 2 of meer rijstroken over een lengte van 10 km of meer.

° Aanleg van verharde wegen die over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied zijn gelegen.

 

f) Aanleg van havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens, waaronder de aanleg van dokken en sluizen.

 

g) Aanleg van waterwegen.

 

h) ° Werken op of langs niet-kunstmatige bevaarbare waterlopen, namelijk :
1) verbreden of verdiepen van de vaargeul;
2) aanleg van stuwen.
° Werken ter beperking van overstromingen, namelijk :
1) aanleg van overstromingsgebieden met een volumecapaciteit van 250.000 m3 of meer;
2) aanleg van dijken met een lengte van 500 m of meer.".

 

i) Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water met een oppervlakte van 15 ha of meer of met een nuttige inhoud van 1 miljoen m3 of meer.

 

j) Aanleg van infrastructuur voor trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd met een lengte van1kmofmeer.

 

k) Aanleg in open sleuf van buisleidingen en aanleg van randvoorzieningen behorend bij die buisleidingen die niet gelegen zijn binnen de rooilijnen van een openbare weg, en waarbij een van de volgende voorwaarden vervuld is :
1) ten minste 2000 m2 van de randvoorziening ligt in een bijzonder beschermd gebied;
2) de buisleiding heeft een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied;
3) de buisleiding heeft een lengte van 10 km of meer.

 

l) Aanleg van aquaducten over een lengte van 10 km, of meer of die over een ononderbroken lengte van 1km of meer gelegen zijn in een bijzonder beschermd gebied.

 

m)...

 

n) Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, havendammen, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van instandhoudings-, herstel- of onderhoudswerken.

 

o) Werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater:

Onttrekken van grondwater, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, als het netto onttrokken debiet 2500 m³ per dag of meer bedraagt.

 

Kunstmatige aanvullingen van grondwater als het debiet 2500 m³ per dag of meer bedraagt. 

Onttrekken van grondwater als het debiet 1.000 m3 per dag of meer bedraagt en de activiteit gelegen is in of een aanzienlijke invloed kan hebben op een gebied zoals aangeduid in uitvoering van het decreet houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen van 14 juli 1993 of als de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken.

 

p) Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden als deze overbrenging tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water 75 miljoen m3 of meer per jaar bedraagt en het project niet de overbrenging van drinkwater via leidingen betreft.

11

ANDERE PROJECTEN

 

a) Permanente race -en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen met een oppervlakte van5 ha of meer.

 

b) Installaties voor de verwijdering van afval:

° Verwerking van niet-gevaarlijke afvalstoffen in een verbrandingsinstallatie, met uitzondering van biomassa-afval, met een capaciteit van 50 ton per dag tot en met 100 ton per dag.

° Stortplaatsen van categorie 1 en 2 voor niet-gevaarlijke afvalstoffen.

° Inrichtingen voor de opslag en fysisch-chemische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen voorzover de ermee samenhangende opslag volgens de criteria van rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is ingedeeld in klasse 1.

 

c)

° Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van 50.000 tot 150.000 inwonersequivalenten.

° Rioolwaterzuiveringsinstallaties en kleinschalige waterzuiveringsinstallaties (KWZI) met een capaciteit van 500 inwonersequivalenten of meer, gelegen in een bijzonder beschermd gebied.

 

d) Slibstortplaatsen met een stortcapaciteit van 250.000 m3 of meer.

 

e) Monostortplaatsen voor baggerspecie of ruimingsspecie, afkomstig van de oppervlaktewateren van het openbaar hydrografisch net met een stortcapaciteit van 250.000 m3 of meer.

 

f) Opslag van schroot met inbegrip van autowrakken als de opslagcapaciteit 10.000 ton of meer of 10.000 voertuigwrakken of meer bedraagt.

 

g) Testbanken voor motoren, turbines of reactoren als motoren met een stuwkracht van 500 kN of meer of met een vermogen van 10 MW of meer getest worden.

 

h) Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

 

i) Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen.

 

j) Vilderijen met een capaciteit van 30.000 ton verwerkt gewicht per jaar of meer.

 

k) Inrichtingen bestemd voor de destructie van kadavers met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

 

l) Installaties voor mestbewerking of dierlijke mest per jaar -verwerking met een verwerkingscapaciteit van 100.000 ton of meer.

12

TOERISME EN RECREATIE

 

a) Vakantiedorpen, hotelcomplexen buiten stedelijke zones, permanente kampeer- en caravanterreinen, themaparken, skihellingen, skiliften en kabelspoorwegen, met bijhorende voorzieningen,

- met een terreinoppervlakte van 5 ha of meer, of

- met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur.

 

b) Jachthavens:

° Aanleg met 250 of meer vaste ligplaatsen.

° Aanleg met 100 of meer vaste ligplaatsen in of met een betekenisvolle invloed op een bijzonder beschermd gebied.

 

c) Aanleg van golfterreinen van 9 holes of meer.

13

WIJZIGINGEN EN UITBREIDINGEN VAN PROJECTEN

 

a) Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I, II of III, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd, wanneer die wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de in bijlage II genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding).
b) Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I, II of III, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd, wanneer die wijziging of uitbreiding aanleiding geeft tot een overschrijding van de in bijlage II genoemde drempelwaarden (niet in bijlage I of in rubriek 13. a) van bijlage II opgenomen wijziging of uitbreiding). Van deze overschrijding van de drempelwaarde is sprake ofwel als de drempelwaarde van bijlage II voor het eerst wordt overschreden door het samenvoegen van de reeds vergunde en de nog te vergunnen activiteiten (= project) ofwel als de verschillende uitbreidingen samen, sinds de laatst verleende ontheffing of goedgekeurd MER (voor zover deze bestaan), groter zijn dan de drempelwaarde van bijlage II.

14

PROEFPROJECTEN

 

Projecten van bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.

 

 
 

[Bijlage III De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, van het decreet een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld (ing. BVR 1 maart 2013, art. 19)]

(05/09/2016- ...)

De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, van het decreet een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld.

1. Landbouw, bosbouw en aquacultuur
a) ruilverkavelingsprojecten
b) projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
c) waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
d) eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
e) intensieve veeteeltbedrijven (projecten die niet in bijlage I of II zijn opgenomen)
f) intensieve aquacultuur van vis (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)
2. Extractieve bedrijven
a) steengroeven, dagbouwmijnen, met inbegrip van ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind, en turfwinningen (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
b) winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem
c) diepboringen, voor zover ze geen betrekking hebben op de verwachte effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende straling, met name :
- geothermische boringen;
- boringen in verband met de opslag van kernafval;
- boringen voor watervoorziening
met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond
3. Energiebedrijven
a) industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water met uitzondering van kernenergiecentrales (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
b) industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (projecten die niet onder bijlage I of bijlage II vallen)
c) bovengrondse opslag van aardgas
d) ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen
e) bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen
f) industrieel briketteren van steenkool en bruinkool
g) installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval, voor zover ze geen betrekking hebben op de verwachte effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende straling (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
h) installaties voor de productie van hydro-elektrische energie (projecten die niet onder bijlage II vallen)
i) installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken) (projecten die niet onder bijlage II vallen)
4. Productie en verwerking van metalen
a) installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten (projecten die niet onder bijlage II vallen)
b) installaties voor de verwerking van ferrometalen door :
i) warmwalsen;
ii) smeden met hamers;
iii) het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal
(projecten die niet onder bijlage II vallen)
c) smelterijen van ferrometalen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
d) installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enzovoort) (projecten die niet onder bijlage II vallen)
e) installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé (projecten die niet onder bijlage II vallen)
f) automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren (projecten die niet onder bijlage II vallen)
g) scheepswerven (projecten die niet onder bijlage II vallen)
h) installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen
i) spoorwegmaterieelfabrieken (projecten die niet onder bijlage II vallen)
j) uitstampen door middel van springstoffen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
5. Minerale industrie
a) installaties voor de vervaardiging van cement (projecten die niet onder bijlage II vallen)
b) installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
c) installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels (projecten die niet onder bijlage II vallen)
d) installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels (projecten die niet onder bijlage II vallen)
e) fabricage van keramische producten door middel van bakken, namelijk dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein (projecten die niet onder bijlage II vallen)
6. Chemische industrie (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
a) behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën
b) productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden
c) opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten bij inrichtingen behorend tot de chemische industrie
7. Voedings- en genotmiddelenindustrie (projecten die niet onder bijlage II vallen)
a) vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten
b) conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten
c) zuivelfabrieken
d) bierbrouwerijen en mouterijen
e) suikerwaren- en siroop- of frisdrankfabrieken
f) installaties voor het slachten van dieren
g) zetmeelfabrieken
h) vismeel- en visoliefabrieken
i) suikerfabrieken
8. Textiel-, leder-, hout- en papierindustrie
a) industriële installaties voor de fabricage van papier en karton (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
b) installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel (projecten die niet onder bijlage II vallen)
c) installaties voor het looien van huiden (projecten die niet onder bijlage II vallen)
d) installaties voor het produceren en bewerken van celstof (projecten die niet onder bijlage II vallen)
9. Rubberverwerkende industrie (projecten die niet onder bijlage II vallen)
vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren
10. Infrastructuurprojecten
a) industrieterreinontwikkeling (projecten die niet onder bijlage II vallen)
b) stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
c) aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
d) aanleg van vliegvelden (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
e) aanleg van wegen (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
f) stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
g) trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd (projecten die niet onder bijlage II vallen)
h) aanleg van olie- en gaspijpleidinginstallaties (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
i) aanleg van aquaducten over lange afstand (projecten die niet onder bijlage II vallen)
j) werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, die niet zijn opgenomen in bijlage I of II
k) projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden, die niet zijn opgenomen in bijlage I of II
l) Werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (flood relief werken) (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen);
11. Andere projecten
a) permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
b) installaties voor de verwijdering van afval (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
c) rioolwaterzuiveringsinstallaties (projecten die niet onder bijlage I of II vallen)
d) slibstortplaatsen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
e) opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken (projecten die niet onder bijlage II vallen)
f) testbanken voor motoren, turbines of reactoren (projecten die niet onder bijlage II vallen)
g) installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels (projecten die niet onder bijlage II vallen)
h) vilderijen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
12. Toerisme en recreatie
a) skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
b) jachthavens (projecten die niet onder bijlage II vallen)
c) vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones, met bijbehorende voorzieningen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
d) permanente kampeer- en caravanterreinen (projecten die niet onder bijlage II vallen)
e) themaparken (projecten die niet onder bijlage II vallen)
13. Wijziging of uitbreiding van projecten
wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I, II of III waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en die zijn of worden uitgevoerd (niet in bijlage I of II opgenomen wijziging of uitbreiding).