Omzendbrief BA-2005/03 betreffende het taalgebruik in de gemeente- en O.C.M.W.-besturen en in de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden-interpretatie en gevolgen van de arresten van de Raad van State van 23 december 2004

Datum 08/07/2005

Algemene info

Datum staatsblad 08/08/2005
Pagina staatsblad 34485

Inhoud

(... - ...)

I. RETROACTA

Op 16 december 1997 vaardigde mijn ambtsvoorganger omzendbrief BA-97/22 uit met betrekking tot het taalgebruik in de gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied. Het uitgangspunt is dat de bestuurstaal in de gemeenten van dat gebied het Nederlands is. Alleen voor de faciliteitengemeenten geldt de regel dat berichten en mededelingen die uitgaan van de gemeentelijke overheid en gericht zijn aan de inwoners van die gemeenten, tweetalig moeten zijn met voorrang voor het Nederlands. Alle andere individuele contacten met particulieren moeten in het Nederlands verlopen. Op eenvoudig verzoek kunnen de Franstalige inwoners van die gemeenten wel de voor hen bestemde documenten in het Frans verkrijgen. Ze moeten dat verzoek echter telkens opnieuw herhalen.

Op 9 februari 1998 heeft de toenmalige Vlaamse minister, bevoegd voor de O.C.M.W.'s, de bovenstaande richtlijnen ook toepasselijk verklaard voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, via omzendbrief WEL 98/01 betreffende het taalgebruik in de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn van het Nederlandse taalgebied.

II. STANDPUNT VAN DE RAAD VAN STATE

Vijf gemeentebesturen, één O.C.M.W.-bestuur en enkele Franstalige inwoners van de Vlaamse randgemeenten vorderden voor de Raad van State de vernietiging van de bovenvermelde omzendbrieven. Hun hoofdargument was dat de besturen uit de faciliteitengemeenten, eens zij de taal van hun inwoners kennen, steeds die taal moeten gebruiken in hun contacten met die inwoners. Dat zou volgens die Franstalige inwoners uit de faciliteitengemeenten betekenen dat, zodra zij zich eenmaal in het Frans tot het gemeente- of O.C.M.W.-bestuur hebben gericht, dat bestuur in de toekomst steeds die taal zou moeten gebruiken in zijn contacten met die inwoners. Dat zou tot gevolg hebben dat de lokale administratie de taalaanhorigheid van de inwoners zou moeten registreren.

In vijf arresten van 23 december 2004 (nr. 138.860 tot en met 138.864) heeft de Raad van State de diverse vorderingen ongegrond verklaard.

De omzendbrieven Peeters en Martens zijn wettelijk

Volgens de Raad van State moeten de bepalingen van de bestuurstaalwet in de ruimere context van de Belgische taalregeling gezien worden. De Raad verwijst hierbij naar het arrest 26/98 van het Arbitragehof van 10 maart 1998 dat stelt:

"Hoewel de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ten behoeve van Franstalige inwoners in de randgemeenten in een bijzondere regeling voorzien die hen toelaat hun betrekkingen met de plaatselijke diensten in het Frans te voeren en die aan die diensten de verplichting opleggen om in bepaalde in die wetten nader omschreven omstandigheden het Frans te gebruiken, doet die regeling geen afbreuk aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe die gemeenten behoren. Zulks impliceert dat de taal die er in bestuurszaken moet worden gebruikt in beginsel het Nederlands is en dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands".

De Raad van State stelt uitdrukkelijk dat de interpretatie van het gebruik van het Frans in de randgemeenten moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands. De automatische toepassing van de taal van de inwoner is hiermee niet verenigbaar. Dit houdt volgens de Raad van State immers een stelsel van feitelijke tweetaligheid in, wat ongrondwettelijk is. De vroeger toegepaste soepele interpretatie en praktijk waarbij besturen - aan de hand van een of andere vorm van registratie - bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk herhaald verzoek is uitgebracht, is bijgevolg onrechtmatig. Het is bovendien niet verenigbaar met de noodzakelijke restrictieve interpretatie van het recht om het lokaal bestuur het Frans in de plaats van het Nederlands te laten gebruiken. De Raad van State oordeelt dat die omzendbrieven niet verhinderen dat een gemeentebestuur een antwoord geeft in het Frans op een Franstalige brief.

Dat impliceert dat elke registratie van de taalvoorkeur van de inwoners via taalregisters of bestanden met de bedoeling een automatische taalkeuze te maken, ongrondwettelijk is.

Uiteraard zijn die arresten van de Raad van State van zeer groot belang. Ze bevestigen dat het standpunt dat de Vlaamse Regering steeds heeft ingenomen met betrekking tot de toepassing van de taalwetgeving in bestuurszaken, voornamelijk dan in de faciliteitengemeenten, volledig wettelijk en correct is.

De verzoekende partijen in de voormelde procedures voor de Raad van State interpreteren de bewoordingen "de door betrokkene gebruikte taal" en "de wens van de belanghebbende" in artikel 25, 26 en 28 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (Belgisch Staatsblad van 2 augustus 1966) in die zin dat het gemeente- en O.C.M.W.-bestuur automatisch het Frans moeten gebruiken zodra het bestuur de taal van de particulier kent. De Raad van State verwerpt die interpretatie en stelt overduidelijk dat die automatische toepassing uitgesloten is. Het standpunt in de voormelde omzendbrieven Peeters en Martens dat de inwoner van de faciliteitengemeenten zijn verzoek om het Frans te gebruiken telkens uitdrukkelijk moet herhalen, is volgens de Raad van State perfect verenigbaar met de notie "de wens van de belanghebbende" in de vermelde artikelen 26 en 28 van de bestuurstaalwet.

De Raad van State ziet dan ook niet in waarom de voormelde omzendbrieven van de ministers Peeters en Martens de tekst zelf van de bestuurstaalwet zouden schenden, maar volgt het standpunt van de Vlaamse Regering dat die omzendbrieven enkel en alleen een bestaande onwettelijke praktijk wilden keren, zonder te raken aan de wetsbepaling zelf, die stelt dat het lokaal bestuur de door de inwoner van een faciliteitengemeente gebruikte taal moet gebruiken.

Gelet op het grote belang van de arresten van de Raad van State in deze aangelegenheid, lijkt het mij opportuun om hieronder de standpunten die in de omzendbrieven van mijn ambtsvoorgangers uiteengezet zijn, nog even op een rijtje te zetten en ze te verduidelijken aan de hand van een aantal concrete voorbeelden. Het is daarbij geenszins mijn bedoeling de voormelde omzendbrieven van 16 december 1997 en 9 februari 1998 geheel of gedeeltelijk af te schaffen. Mijn omzendbrief moet dus beschouwd worden als een aanvulling op de voormelde omzendbrieven. Hij moet mutatis mutandis ook toegepast worden door de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en door de representatieve organen of besturen van de erkende erediensten.

III. ALGEMEEN : DE GRONDWETTELIJKE REGELING

Artikel 4 van de Grondwet bepaalt dat BelgiÙ ingedeeld is in vier taalgebieden: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (dat de 19 gemeenten omvat) en het Duitse taalgebied.

In zijn arrest nummer 17 van 26 maart 1986 stelt het Arbitragehof dat dit artikel 4 van de Grondwet "de voorrang van de taal van elk eentalig gebied" inhoudt. Die voorrang geldt voor alle gemeenten uit het eentalige gebied, inclusief voor de zogenaamde faciliteitengemeenten. Ook die gemeenten behoren immers tot een eentalig gebied, en ook in die gemeenten heeft de taal van dat gebied dus voorrang. Dat betekent dat de bestuurstaal, toegepast op de faciliteitengemeenten die in Vlaanderen gelegen zijn, ontegensprekelijk het Nederlands is.

De faciliteiten die in die gemeenten aan de anderstaligen zijn toegekend, bestaan immers slechts in die mate dat het koninklijk besluit van 18 juli 1866 houdende co÷rdinatie van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, hierna de taalwetgeving of de SWT te noemen, er uitdrukkelijk in voorziet en houden derhalve geen veralgemeende tweetaligheid van die gemeenten in.

Met het begrip "taalgebied", dat als dusdanig niet alleen wordt gebruikt in artikel 4 van de Grondwet, maar ook in de SWT, wordt niet een gebied bedoeld waar in feite een bepaalde taal wordt gesproken, maar een gebied waar in rechte een bepaalde taal moet worden gebruikt. Ingevolge de taalwetgeving kregen de Nederlandse, de Franse en de Duitse taal, als streektaal, het statuut van bestuurstaal in respectievelijk het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zijn er twee bestuurstalen: het Nederlands en het Frans.

De zes Vlaamse randgemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Wezembeek-Oppem en de taalgrensgemeenten Bever, Herstappe, Mesen, Ronse, Spiere-Helkijn en Voeren behoren integraal tot het Nederlandse taalgebied. Voor alle handelingen van de overheid binnen dat gebied moet principieel de taal van dat gebied worden gebruikt, in casu het Nederlands.

Het Nederlands is bestuurstaal in het Nederlandse taalgebied

De faciliteiten die in bepaalde gemeenten van het Nederlandse taalgebied zijn ingesteld voor Franstaligen, doen geen afbreuk aan de eentaligheid van het gebied in kwestie. De faciliteiten houden enkel in dat de overheid voor een beperkt aantal, precies omschreven verrichtingen moet afwijken van de algemene regel dat de streektaal ook de bestuurstaal is, ten voordele van de bestuurden die de voorkeur geven aan het Frans, en alleen op hun uitdrukkelijk en herhaald verzoek.

De faciliteiten gelden enkel en alleen voor de inwoners van de gemeenten in kwestie. Bestuurders (burgemeesters, schepenen, raadsleden, O.C.M.W.-voorzitters en -raadsleden) kunnen nooit een beroep doen op de faciliteitenregel. Zij moeten verplicht gebruik maken van het Nederlands (zie verder).

Verder kan niet genoeg benadrukt worden dat de aan de Franstaligen toegekende faciliteiten de uitzondering vormen op de eentaligheid van een taalgebied en dat ze bijgevolg strikt geïnterpreteerd moeten worden. Dat impliceert dat die interpretatie in ieder geval conform de Grondwet moet zijn. De faciliteiten mogen dan ook niet dermate ruim geïnterpreteerd worden dat ze afbreuk doen aan de voorrang van de taal van het gebied en dat ze tot een veralgemeende tweetaligheid van het bestuur in de faciliteitengemeenten zouden leiden.

In zijn arresten van 23 december 2004 stelt de Raad van State in dit verband uitdrukkelijk wat volgt:

"... dat hieruit blijkt dat, teneinde grondwetsconform te zijn, de interpretatie van de rechten van wie in de randgemeenten in het Frans wil worden bestuurd, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten; dat derhalve de hierboven geschetste, ruime interpretatie van die rechten, gehuldigd door de verzoekster en de randgemeenten, daar niet mee strookt; dat die interpretatie en de blijkbaar daarop gestoelde aangehaalde bestuurspraktijk immers in wezen leiden tot een stelsel van tweetaligheid, waarbij de taalvoorkeur van personen zelfs in bestanden wordt vastgelegd; dat aldus de gevraagde nietigverklaring van een omzendbrief in zoverre deze omzendbrief, zoals te dezen, een dergelijke onrechtmatige interpretatie wil tegengaan, verzoekster geen geoorloofd voordeel kan opleveren."

Taalfaciliteiten zijn uitdovend

Vlaanderen heeft steeds benadrukt dat de faciliteiten bedoeld zijn als integratiebevorderende maatregel, wat inhoudt dat ze per definitie voor de individuele betrokkenen een uitdovend karakter hebben. Bij de interpretatie van de faciliteiten moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat een Franstalige inwoner, die vroeger al een beroep op die faciliteiten heeft gedaan, inmiddels dankzij zijn verblijf in het Nederlandse taalgebied de taal van het gebied voldoende beheerst en zich bijgevolg niet meer op de faciliteiten moet beroepen.

Het is trouwens duidelijk in die geest dat de taalwetten van 1962 en 1963 tot stand zijn gekomen. De parlementaire debatten die gevoerd werden bij de totstandkoming van de wetten van 8 november 1962 en 2 augustus 1963 tonen aan dat de faciliteiten bedoeld waren om voor anderstaligen de overgang te vergemakkelijken naar de Gemeenschap waartoe de gemeente waarin ze woonden voortaan zou behoren. De faciliteiten, zoals ze opgenomen zijn in de SWT, kunnen op basis van artikel 129 van de Grondwet pas gewijzigd worden met een bijzondere meerderheid. Dat neemt niet weg dat de oorspronkelijke bedoeling van de faciliteiten, namelijk dat ze een integratiebevorderend instrument zijn, nog steeds onverkort geldt: van de Franstaligen kan worden verwacht dat ze de taal van het gebied waarin zij geruime tijd wonen, na verloop van tijd voldoende beheersen, of dat ze toch ten minste aanvaarden dat ze in het Nederlands worden aangesproken of aangeschreven.

De faciliteiten kunnen dan ook niet dermate ruim worden geïnterpreteerd dat ze die integratie uitsluiten. Een dergelijke interpretatie zou ertoe leiden dat een veralgemeende feitelijke tweetaligheid de regel wordt en dat de andere taal op gelijke voet wordt gesteld met de taal van het gebied, zodat afbreuk wordt gedaan aan de grondwettelijke voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied.

In de omzendbrieven van mijn ambtsvoorgangers, minister Peeters en minister Martens, werd ter illustratie van die stelling onder meer verwezen naar het eindverslag van het Centrum-Harmel (Centrum voor onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke, politieke en rechtskundige vraagstukken van de verschillende gewesten van het land - Stuk 940 Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1957-1958, van 24 april 1958), dat als voorbereiding voor de taalwetten van 8 november 1962 en 3 augustus 1963 kan worden beschouwd, en waar met betrekking tot het begrip taalgrens het volgende werd gesteld:

"... welke gegeven wordt door Vlamingen en Walen die het gevaar van dubbelzinnigheid hebben ingezien en die overtuigd zijn dat deze taalgrens een limiet moet zijn, een afbakening, die eens en voor altijd, door middel van een wettelijke of zelfs grondwettelijke tekst, het eeuwenoude bestaan van de twee gemeenschappen vastlegt. Aldus worden beider rechten beveiligd evenals de originaliteit van hun cultuur.

Zij eerbiedigen de volkerenwet, die eist dat elke inwijkeling de cultuur en de taal overneemt van het milieu dat hij vrij heeft gekozen.(...) De Waalse gemeenschap en de Vlaamse gemeenschap moeten gaaf zijn. De Vlamingen die zich in Wallonië en de Walen die zich in Vlaanderen vestigen moeten door het milieu opgeslorpt worden. Aldus wordt het personeelselement ten voordele van het territoriaal element opgeofferd. Dus moet het cultureel stelsel Frans zijn in Wallonië en Vlaams in Vlaanderen."

Gebruik van de Franse taal: alleen op uitdrukkelijk en herhaald verzoek

Mijn voorgangers stelden in hun omzendbrieven van 16 december 1997 en 9 februari 1998 dan ook volkomen terecht dat Franstaligen in gemeenten met een specifieke taalregeling die in het Nederlandse taalgebied gelegen zijn, in de gevallen waar de SWT hun de mogelijkheid biedt om het Frans te gebruiken, die faciliteit alleen kunnen aanwenden voorzover zij daar telkens uitdrukkelijk om verzoeken.

In zijn arresten van 23 december 2004 treedt de Raad van State dit standpunt van de toenmalige Vlaamse Regering bij, waar hij stelt "dat tegen de achtergrond van een noodzakelijke restrictieve interpretatie van het recht om het bestuur het Frans in plaats van het Nederlands te laten gebruiken in het betrokken ééntalig gebied, de interpretatie, zoals uitgedrukt in de omzendbrief, dat het verzoek om het Frans te gebruiken, uitdrukkelijk moet worden herhaald, wel degelijk verenigbaar is met de wettelijke notie de wens van de belanghebbende in de artikelen 26 en 28 van de bestuurstaalwet".

IV. SPECIFIEK: TAALGEBRUIK IN DE PLAATSELIJKE DIENSTEN

Als algemene regel bepaalt artikel 10 van de taalwetgeving dat iedere plaatselijke dienst die in het Nederlandse, het Franse of het Duitse taalgebied gevestigd is, uitsluitend de taal gebruikt van zijn gebied in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten in hetzelfde taalgebied en in Brussel-Hoofdstad.

In de gemeenten van Vlaanderen, inclusief de faciliteitengemeenten, die liggen binnen een ééntalig Nederlandstalig gebied in België, is de enige taal die in de binnendiensten van de lokale en provinciale overheden mag worden gebruikt, het Nederlands.

Volgens artikel 1 van de taalwetgeving gaat het in casu om:

"Artikel 1, § 1,

1° de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet;

2° de natuurlijke en rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hun hebben toevertrouwd in het belang van het algemeen;

3° (...)

4° (...)

5° de verrichtingen bij de parlements-, povincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen;

6° (...)".

Het gebruik der talen binnen die diensten wordt geregeld door hoofdstuk III van de SWT.

Hierbij moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen de plaatselijke diensten van gemeenten zonder een specifieke taalregeling, en gemeenten met een specifieke taalregeling.

1. Diensten van een gemeente zonder specifieke taalregeling in het Nederlandse taalgebied.

De plaatselijke diensten van gemeenten zonder specifieke taalregeling in Vlaanderen maken uiteraard uitsluitend gebruik van het Nederlands in hun binnendiensten, in hun betrekkingen met de diensten waaronder ze ressorteren, in hun betrekkingen met andere diensten in hetzelfde taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, in hun betrekkingen met diensten die gevestigd zijn in de rand- en taalgrensgemeenten, in hun berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek en in hun betrekkingen met particulieren.

Op die regel bestaan een aantal wettelijke uitzonderingen:

Als een bestuur akten opstelt die betrekking hebben op een particulier, kan iedere belanghebbende particulier die er de noodzaak van aantoont, overeenkomstig artikel 13, § 1, van de SWT, aan de gouverneur van de provincie van zijn woonplaats - of aan de gouverneur van de provincie Luik als het om een vertaling in het Duits gaat - kosteloos een gewaarmerkte vertaling vragen, met de waarde van een uitgifte of van een gelijkluidend afschrift.

Overeenkomstig artikel 14, § 1, van de SWT bestaat dezelfde mogelijkheid als het gaat om getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen die aan particulieren worden uitgereikt.

In gemeenten die worden beschouwd als toeristische centra (bijvoorbeeld in de kustgemeenten) kunnen de gemeenteraden beslissen dat berichten en mededelingen die voor toeristen bestemd zijn, tenminste in drie talen opgesteld worden. Artikel 11, § 3, van de SWT is hierover duidelijk: het moet gaan om ten minste drie talen, waaronder uiteraard het Nederlands, die de gemeenteraden vrij kunnen bepalen. Het kan dus niet dat in de desbetreffende gemeenten dergelijke berichten en mededelingen alleen in het Nederlands en in het Frans zouden worden gesteld.

Overeenkomstig artikel 12 van de SWT heeft de lokale plaatselijke dienst de mogelijkheid aan een particulier, die gevestigd is in een ander taalgebied, te antwoorden in de taal waarvan die particulier zich bedient.

Ik stel vast dat sommige gemeenten en O.C.M.W.'s in Vlaanderen, en niet alleen uit de periferie rondom Brussel, gebruikmaken van een tolkendienst om hun ambtenaren bij te staan in hun contacten met anderstaligen, bijvoorbeeld asielzoekers of vluchtelingen. Een dergelijk initiatief lijkt mij niet strijdig te zijn met de taalwetgeving. Artikel 12 van de SWT bepaalt dat iedere plaatselijke dienst die in het Nederlandse taalgebied is gevestigd, uitsluitend de taal van dat gebied gebruikt bij zijn betrekkingen met particulieren. Dat belet echter niet dat de diensten van een gemeente of O.C.M.W. zich zo mogen organiseren dat ze in het kader van het integratiebeleid ervoor zorgen dat ze de vragen van vreemdelingen begrijpen zodat ze hen zodoende correct kunnen helpen of informeren en dat ze daarbij een beroep doen op tolken. De vreemdeling kan zich natuurlijk ook zelf door een tolk laten bijstaan in zijn contacten met de lokale administratie.

Dat betekent evenwel niet dat een anderstalige inwoner het recht zou hebben om, buiten de door de gemeente getroffen regeling, eventueel bijstand van een tolk te eisen. Het is daarentegen de taak van een lokaal bestuur om modaliteiten en situaties te bepalen waarin het die dienstverlening organiseert. Het organiseren van een tolkendienst creëert met andere woorden geen rechten ten overstaan van de anderstalige inwoner van een gemeente, wat bij faciliteiten wel enigszins anders is.

Even vanzelfsprekend is het dat die verstrekte dienst maar tijdelijk van aard kan zijn. Als een anderstalige een tijdlang in een Vlaamse gemeente verblijft, mag ervan worden uitgegaan dat hij zich integreert, wat uiteraard betekent dat hij ook het Nederlands machtig wordt. Als een anderstalige inwoner van een Vlaamse gemeente na verloop van tijd nog steeds het Nederlands niet kan of wil gebruiken in zijn contacten met de lokale overheid, is het uiteraard de taak van die lokale overheid verder geen gebruik meer te maken van een tolk in haar contacten met de betrokkene. Daarmee wordt nog maar eens benadrukt dat de welwillendheid van het lokaal bestuur geen recht voor de betrokkene creëert.

2. Taalgebruik van de plaatselijke diensten in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten

In de plaatselijke diensten in de gemeenten zonder speciale taalregeling levert het taalgebruik weinig of geen problemen op. De situatie is wel enigszins anders in de gemeenten met een speciale taalregeling, vooral dan in de zes randgemeenten.

2.1 Taalgebruik van de binnendiensten

De algemene regel is vrij eenvoudig. Aangezien de gemeenten in kwestie in Vlaanderen liggen en Vlaanderen een homogeen Nederlandstalig taalgebied is, is de taal die ze in hun binnendiensten moeten gebruiken, uiteraard het Nederlands. Ze moeten zoals alle andere gemeenten in Vlaanderen het Nederlands ook gebruiken in hun betrekkingen met de diensten waaronder ze ressorteren (bijvoorbeeld met de gouverneur of de Vlaamse Regering) en in hun betrekkingen met andere diensten in het Nederlandse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad.

Dezelfde regel geldt voor hun betrekkingen met privé-bedrijven waarvan de exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied gevestigd is in een gemeente zonder speciale taalregeling.

Voor de vergaderingen van de gemeenteraad, van het college van burgemeester en schepenen en van commissies, adviesraden, adviesorganen enzovoort die door de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen worden opgericht geldt dezelfde regel: aangezien die organen als binnendienst van de gemeente moeten worden beschouwd, kan in hun vergaderingen alleen het Nederlands worden gebruikt. De gemeenten met een speciale taalregeling behoren onverkort tot het grondgebied van Vlaanderen. Bijgevolg kunnen de mandatarissen van die gemeenten (zowel de burgemeester en de schepenen als de raadsleden) dan ook bij de uitoefening van het bestuur alleen het Nederlands gebruiken. De gemeenteraad zelf is een plaatselijke dienst in de zin van artikel 23 van de SWT : op vergaderingen en bij beraadslagingen mag de raad dus alleen het Nederlands gebruiken. Elk ander taalgebruik is nietig. Bovendien is de mogelijkheid om het Frans te gebruiken een faciliteit die alleen aan de inwoners van die gemeenten is toegekend en niet aan de bestuurders, voor wie de enige bestuurstaal het Nederlands is.

De inleiding van een agendapunt of de bespreking in de vergadering die voorafgaat aan de stemming, is bedoeld om de houding van de leden met betrekking tot dat agendapunt voor te stellen, en bijgevolg om hun stemgedrag te motiveren of te verduidelijken. Ze is dan ook een bepalend onderdeel van de besluitvorming. Interventies tijdens de beraadslagende vergadering of bij de inleiding van een agendapunt in een andere taal dan die van het taalgebied zullen bijgevolg de nietigheid van het getroffen besluit tot gevolg hebben. Dergelijke interventies moeten bovendien beschouwd worden als een verstoring van de vergadering, waartegen de voorzitter van de vergadering de gepaste maatregelen moet treffen. De burgemeester moet, met de middelen die hem als voorzitter van de vergadering ter beschikking staan, optreden als anderen zich aan onwettig taalgebruik schuldig maken.

Vertalingen van de agenda, van verklarende nota's, van de uitleg die door het college van burgemeester en schepenen is gegeven of van wat er gezegd wordt in het algemeen, die gemaakt worden ten behoeve van de gemeenteraadsleden, schepenen of burgemeester, zijn evenmin toegestaan. Als bestuurders van een gemeente uit het homogene Nederlandse taalgebied worden zij geacht hun taak in het Nederlands uit te voeren en dus over voldoende kennis van die taal te beschikken.

Ook als een gemeenteoverheid een vergadering sui generis zou organiseren, geldt voor het taalgebruik tijdens die vergadering dezelfde regel als die voor de vergaderingen van commissies, adviesraden, enzovoort die de gemeente heeft opgericht: voor de bestuurders geldt uitsluitend het Nederlands als bestuurstaal. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een reguliere gemeenteraad zou worden onderbroken om aan de burgemeester, schepenen, raadsleden of derden de mogelijkheid te bieden om in het Frans, bijvoorbeeld aan toehoorders of zelfs aan raadsleden, duiding te geven of van gedachten te wisselen over een punt dat op de normale gemeenteraadszitting behandeld wordt.

Wat de vergaderingen in gemeentelijke commissies en adviesraden zelf betreft, kan ik nog verwijzen naar een advies dat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) aan de heer Norbert De Batselier, toenmalig Vlaams minister van Leefmilieu en Huisvesting, heeft verstrekt toen hij de VCT een vraag stelde over het taalstatuut van de gemeentelijke milieuadviesraden in de taalgrensgemeenten. Ik citeer uit dat advies: "De VCT oordeelt dat de gemeentelijke milieuadviesraad een instelling is die belast is met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buitengaat (verplicht advies) en die hem door de openbare macht (de gemeenteraad) is opgedragen in het belang van het algemeen. Hij valt derhalve onder de toepassing van de bij KB van 18 juli 1966 geco÷rdineerde taalwetten. Daar de werkkring van de milieuadviesraad territoriaal beperkt is tot de gemeente die hem heeft opgericht, oordeelt de VCT dat de gemeentelijke milieuadviesraad een plaatselijke dienst is in de zin van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde taalwetten. De bepalingen van hoofdstuk III van deze wetten, zijn dan ook ten volle van toepassing op de gemeentelijke milieuadviesraden."

Uit dit advies van de VCT volgt dan ook duidelijk dat de taal in de milieuadviesraad het Nederlands moet zijn. Dit advies kan verder perfect worden toegepast op alle door de gemeentelijke overheden opgerichte adviesraden, aangezien die uiteraard alle territoriaal beperkt zijn tot de gemeente die ze heeft opgericht en ze dus beschouwd moeten worden als plaatselijke diensten van de gemeente in kwestie.

Het feit dat adviesraden zelf geen administratiefrechtelijke beslissingen nemen, die eventueel vatbaar zijn voor schorsing of vernietiging, maar zich beperken tot het uitbrengen van adviezen aan de gemeentelijke organen, in de meeste gevallen aan de gemeenteraad, verandert hieraan niets. Als een beslissing van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen evenwel gebaseerd zou zijn op een advies dat een adviesraad heeft gegeven en dat een vormgebrek zou vertonen (bijvoorbeeld de schending van de taalwetgeving) dan kan en zal ik uiteraard wel optreden tegen het desbetreffende besluit : ik zal in dat geval ofwel de gouverneur opdracht geven het desbetreffende besluit te schorsen of zal het rechtstreeks vernietigen, zeker als het gaat om een verplicht in te winnen advies.

Het verbod om een andere taal te gebruiken dan het Nederlands is eveneens van toepassing als de gemeenteraad een beslissing zou nemen die geen enkel rechtsgevolg ressorteert. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de raad een motie zou goedkeuren. Hoewel een motie van de gemeenteraad geen enkele juridische waarde heeft, zeker wanneer die motie betrekking heeft op zaken waarvoor de gemeenteraad niet bevoegd is, kan het uiteraard niet dat bij de behandeling ervan Frans wordt gesproken, zeker niet als het gebruik van het Frans de besluitvorming heeft beÏnvloed.

2.2 Taalgebruik van de plaatselijke diensten in hun relaties met particulieren

Als plaatselijke diensten in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten zich wenden tot een particulier, geldt eveneens als algemene regel dat ze het Nederlands gebruiken. De faciliteiten die aan de Franstaligen werden toegekend, voorzien echter in een aantal situaties waarin het gebruik van het Frans verplicht is.

Hieronder volgt een opsomming van de mogelijke contacten tussen de besturen en hun anderstalige inwoners. De gebruikte terminologie is overgenomen uit de taalwetgeving en de gevolgen ervan voor het taalgebruik.

Vooraf wens ik er toch nogmaals de aandacht op te vestigen dat de faciliteiten alleen bedoeld zijn voor de inwoners van de bedoelde gemeenten en dus niet voor derden.

2.2.1 Berichten en mededelingen voor het publiek

Berichten zijn opschriften die op een in het oog springende wijze aangebracht zijn op de muren van de administratieve gebouwen en kantoren, of op alle andere plaatsen met de bedoeling inlichtingen te verstrekken aan de personen die de gebouwen, kantoren of plaatsen in kwestie bezoeken. Ze kunnen onder meer gebeiteld, gegraveerd, geschilderd, gedrukt, getypt, geschreven of met lichtgevende toestellen weergegeven zijn. Ze kunnen een lange boodschap bevatten of maar uit ÚÚn woord bestaan.

Mededelingen zijn inlichtingen die in welke vorm dan ook verspreid worden. Hun draagwijdte kan algemeen zijn of beperkt tot een bepaald publiek.

De taal waarin die berichten en mededelingen in de gemeenten met een speciaal taalregime gesteld moeten worden, is het Nederlands en het Frans, maar MET VOORRANG VOOR HET NEDERLANDS.

De wetgeving bepaalt niet op welke wijze die voorrang moet worden georganiseerd. De lokale besturen kunnen daarover zelf de gepaste beslissing nemen, vanzelfsprekend met respect voor de wet.

Hierna volgt een niet-limitatieve opsomming van een paar voorbeelden waarin verduidelijkt wordt hoe de voorrang voor het Nederlands tot uiting kan worden gebracht:

- De Nederlandstalige tekst is groter afgedrukt dan de Franstalige.

- De Nederlandstalige tekst staat in een kader, de Franstalige niet.

- Als de tekst in brochurevorm is gedrukt, komt de Nederlandstalige versie eerst aan bod en daarna pas de Franstalige.

- Als de tekst op één blad is afgedrukt komt de Nederlandstalige versie bovenaan.

- Als de tekst recto-verso werd afgedrukt, wordt op de zijde waarop de Nederlandstalige tekst is afgedrukt vermeld dat de Franstalige tekst op de keerzijde staat, wat erop wijst dat de Nederlandstalige tekst als de voorzijde van het bericht of de mededeling moet worden beschouwd. Vanzelfsprekend mag in dat geval op de Franstalige zijde de vermelding dat de Nederlandstalige tekst op de andere zijde staat, niet voorkomen.

- Als de tekst in twee verticale kolommen wordt afgedrukt, staat de Nederlandstalige tekst links, de Franstalige rechts.

Als de tekst van de gemeente zelf uitgaat, is bovendien vereist dat de inhoud van de Nederlandstalige en de Franstalige versie identiek is. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht is hierover zeer duidelijk als ze stelt dat mededelingen die door de gemeentelijke overheid verstrekt worden, volledig tweetalig moeten zijn, met voorrang voor het Nederlands.

Als de tekst daarentegen uitgaat van een andere Vlaamse overheidsinstantie (bijvoorbeeld van de Vlaamse Regering of van een provincie) is het voldoende dat een Franstalige samenvatting van het bericht of de mededeling ter beschikking wordt gesteld. Een integrale tweetaligheid is volgens die vaste rechtspraak van de VCT niet vereist.

Probleem is wel dat de Vlaamse overheid de gemeenten niet kan opleggen om berichten en mededelingen, die van de Vlaamse overheid uitgaan, via de gemeentelijke kanalen te verspreiden. Als de gemeente loyaal haar medewerking verleent aan die verspreiding, getuigt die houding van goed bestuur en van samenwerking tussen de verschillende overheden, wat uiteindelijk ten goede van de bevolking komt. Gemeentebestuurders die die verspreiding verhinderen, betonen weinig respect voor hun eigen inwoners omdat ze hen bepaalde informatie onthouden of zelfs bepaalde voordelen niet ter beschikking stellen. Met die halsstarrige houding schaden die gemeentebestuurders de belangen van hun inwoners, die daardoor gediscrimineerd worden ten opzichte van inwoners van andere Vlaamse gemeenten.

Als echter de bedoelde berichten en mededelingen wel via gemeentelijke kanalen verspreid worden, moeten die aan de taalregeling voldoen, niet alleen als ze uitgaan van de gemeente zelf of van de Vlaamse overheid, maar ook als ze uitgaan van derden. Dat betekent meer concreet dat, als een louter privé-initiatief via een gemeentelijk kanaal verspreid wordt, bijvoorbeeld via de gemeentescholen, die informatie overeenkomstig de taalwetgeving moet worden verspreid. Het bericht of de mededeling moet dan ook in het Nederlands en in het Frans worden verspreid, met voorrang voor het Nederlands. Een verspreiding alleen maar in het Frans of alleen in het Nederlands, ook al gaat het om een louter privÚ-initiatief, is in dit geval dus niet toegestaan. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht heeft inderdaad in een aantal adviezen gesteld dat brochures, berichten of mededelingen die gericht zijn aan alle inwoners van de gemeente, ongeacht van wie ze uitgaan, onderworpen zijn aan de taalwetgeving als de publieke sector zijn medewerking verleent aan de uitgave of de verspreiding van de brochure, het bericht of de mededeling.

Belangrijk hierbij is wel dat alleen een niet-gepersonaliseerde verzending als een bericht of een mededeling aan het publiek kan beschouwd worden. Als dus een document, dat weliswaar als een mededeling aan alle inwoners of aan een bepaalde groep van inwoners kan worden beschouwd, op naam wordt verstuurd, verliest die verzending haar kwalificatie van "bericht of mededeling" en wordt ze een "betrekking" met een particulier. Een dergelijk document wordt bijgevolg alleen in het Nederlands opgemaakt en verstuurd, met dien verstande dat de geadresseerde de mogelijkheid moet hebben een Franstalige versie ervan aan te vragen.

Het speelt daarbij geen rol wie de verzending doet: de gemeente zelf, het O.C.M.W., een intercommunale (intergemeentelijk samenwerkingsverband) of de Vlaamse overheid.

2.2.2 Betrekkingen met particulieren

Berichten of mededelingen aan het publiek hebben een algemene draagwijdte die van toepassing is op de hele bevolking of op een bepaalde groep van die bevolking. "Betrekking met een particulier" daarentegen wordt beschouwd als een mondeling of schriftelijk individueel contact tussen de plaatselijke dienst van de gemeente of het O.C.M.W., een intercommunale of een andere Vlaamse overheidsinstantie, met een individuele inwoner van een gemeente.

De regel is dat die contacten plaatsvinden in de taal van het gebied: in gemeenten die in het Nederlandse taalgebied liggen, hebben die contacten bijgevolg plaats in het Nederlands. De faciliteitenregeling bepaalt echter dat een Franstalige inwoner uit een gemeente met een speciaal taalregime het recht heeft te verzoeken dat zijn contact met het bestuur in kwestie in het Frans verloopt. Alleen als een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar uitdrukkelijk om verzoekt, wordt dus het Frans gebruikt. Bovendien moet hij dat verzoek telkens opnieuw, voor elk contact, herhalen.

In de omzendbrieven van de ministers Peeters en Martens wordt die visie als volgt verwoord:

"De faciliteiten die de SWT verleent, moeten echter restrictief worden toegepast, hetgeen impliceert dat de particulier telkens uitdrukkelijk moet verzoeken om het Frans te gebruiken. Uiteindelijk werden de faciliteiten ingesteld om de integratie van Franstaligen in het Nederlandse taalgebied te bevorderen. In de praktijk betekent dit dat elke plaatselijke dienst uit de faciliteitengemeenten in zijn betrekkingen met inwoners uit faciliteitengemeenten het Nederlands gebruikt. Enkel wanneer een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar telkens uitdrukkelijk om verzoekt wordt het Frans gebruikt.

In deze context is het van belang nogmaals te wijzen op het uitzonderingskarakter van de faciliteiten. Dit wil derhalve zeggen dat faciliteiten niet automatisch, blijvend, worden verleend. Ze moeten keer op keer worden aangevraagd. Het is dus uitgesloten dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch opnieuw in het Frans worden aangeschreven. Het taalgebruik van een particulier is immers geen statisch gegeven. Men kan veronderstellen dat de betrokkene zich ondertussen heeft geïntegreerd en dat hij de Nederlandse taal dermate machtig is dat hij aanvaardt in het Nederlands te worden aangesproken of aangeschreven."

Het is vooral deze passage die veel kwaad bloed heeft gezet bij de besturen en inwoners uit vooral de zes randgemeenten. Zij gingen ervan uit dat, als de taal van de inwoner bij het bestuur bekend is omdat die inwoner zich eenmaal in het Frans tot het bestuur heeft gericht of zijn taalkeuze op een andere manier kenbaar heeft gemaakt, het bestuur hem te allen tijde in het Frans zou moeten bedienen.

De Raad van State heeft in de hierboven vermelde arresten van 23 december 2004 voor eens en voor altijd een einde gemaakt aan deze onwettelijke praktijk en stelt overduidelijk dat:

"de bestreden omzendbrief aldus enkel de praktijk blijkt te willen keren die inhoudt dat besturen aan de hand van een of andere vorm van registratie bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk herhaald verzoek is uitgebracht; dat daarentegen de omzendbrief niet blijkt te willen verhinderen dat een gemeentebestuur op een Franstalige brief een antwoord geeft in het Frans of een tengevolge van die brief geopend dossier in het Frans behandelt en afhandelt; dat aldus de omzendbrief geen interpretatie van de woorden "de door betrokkene gebruikte taal" in artikel 25 van de bestuurstaalwet voorhanden is die voor het huidig geding relevant zou zijn..."+

Anderzijds staat in die arresten ook:

"tegen de achtergrond van een noodzakelijke restrictieve interpretatie van het recht om het bestuur het Frans in plaats van het Nederlands te laten gebruiken in het betrokken ééntalig gebied, de interpretatie, zoals uitgedrukt in de omzendbrief, dat het verzoek om het Frans te gebruiken, uitdrukkelijk moet worden herhaald, wel degelijk verenigbaar is met de wettelijke notie de wens van de belanghebbende' in de artikelen 26 en 28 van de bestuurstaalwet".

Een voorbeeld van een document dat als een betrekking met een particulier beschouwd kan worden, werd al in de omzendbrief van minister Peeters vermeld: aanslagbiljetten inzake gemeentebelastingen (bijvoorbeeld de huisvuilbelasting) moeten altijd in het Nederlands opgesteld worden. De wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen is integraal van toepassing op het initiële aanslagbiljet. Inwoners die een Franstalig exemplaar van het aanslagbiljet hebben aangevraagd, worden later opnieuw in het Nederlands aangeschreven. Zij kunnen, zo nodig, opnieuw verzoeken om een Franstalig exemplaar te verkrijgen.

Hetzelfde geldt voor de oproepingsbrieven voor verkiezingen. Ook die oproepingsbrieven moeten telkens in het Nederlands worden gesteld en verstuurd. Alleen op uitdrukkelijk en herhaald verzoek kan een inwoner een Franstalig exemplaar ervan ontvangen.

De regel dat het Frans uitsluitend mag gebruikt worden als een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar zelf uitdrukkelijk om verzoekt, houdt vanzelfsprekend ook in dat het initiatief om het Frans te gebruiken bij een individueel contact, bijvoorbeeld aan het loket, niet mag uitgaan van het bestuur zelf. Als plaatselijke diensten in een faciliteitengemeente zich tot een particulier wenden, moeten zij steeds het Nederlands als voertaal gebruiken. Een ambtenaar van de gemeente mag bijgevolg ook niet zelf vragen in welke taal de inwoner geholpen wenst te worden. Pas als een inwoner zich op eigen initiatief in het Frans uitdrukt of als hij, na in het Nederlands aangesproken te zijn, zelf uitdrukkelijk verzoekt om in het Frans te worden bediend, kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt. Het verzoek om in het Frans te worden aangesproken moet bovendien bij elk nieuw contact met het bestuur en bij elk bezoek aan het loket worden herhaald.

2.2.3 Formulieren bestemd voor publiek

Formulieren bestemd voor het publiek zijn gedrukte teksten met invulruimten die door het publiek zelf moeten worden aangevuld.

In de taalgrensgemeenten worden die formulieren uitsluitend in het Nederlands afgeleverd; in de randgemeenten in het Nederlands en het Frans.

2.2.4 Akten betreffende particulieren

Akten zijn alle stukken die dienen tot vaststelling van een rechtshandeling.

In de taalgrensgemeenten stelt het gemeentebestuur de akten op in het Nederlands. Iedere belanghebbende uit de taalgrensgemeente kan echter zonder extra kosten en zonder zijn aanvraag te moeten verantwoorden, bij de dienst die de akte heeft opgemaakt, een gewaarmerkte vertaling in het Frans met waarde van uitgifte of van gelijkluidend afschrift verkrijgen.

In de randgemeenten is de regel dat voor stukken ten behoeve van particulieren uit Sint-Genesius-Rode en Wezembeek-Oppem de akten opgesteld worden in het Nederlands en dat iedere belanghebbende uit die gemeente zonder extra kosten en zonder verantwoording van zijn aanvraag, bij de dienst die de akte heeft opgemaakt, een gewaarmerkte vertaling met waarde van uitgifte of van gelijkluidend afschrift kan verkrijgen. Voor stukken ten behoeve van particulieren uit Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel worden de akten gesteld in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de vraag van de belanghebbende.

Ik vestig er de aandacht op dat als een inwoner uitdrukkelijk om een Franstalige versie of een vertaling van het desbetreffende stuk moet vragen, hij dat verzoek telkens en voor elk stuk moet herhalen.

2.2.5 Getuigschriften, verklaringen, machtigingen, vergunningen uit te reiken aan particulieren

Getuigschriften zijn schriftelijke bewijzen die uitgaan van een overheidsdienst en die vaststellen dat iets werkelijk is (bijvoorbeeld kwitanties). Met verklaringen worden officiële documenten bedoeld, die uitgaan van een overheidsdienst.

Machtigingen zijn officiële documenten die uitgaan van een overheidsdienst en waarbij een bepaalde toestemming wordt verleend. Machtigingen kunnen in de vorm van een vergunning verstrekt worden (bijvoorbeeld een standplaatsvergunning op markten).

In de taalgrensgemeenten worden de verklaringen, de machtigingen en de vergunningen alleen in het Nederlands afgegeven. Getuigschriften worden in het Nederlands opgemaakt, maar ze kunnen in die gemeenten op uitdrukkelijk verzoek van de inwoner in het Frans afgeleverd worden.

In de randgemeenten worden de getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands uitgereikt, tenzij de particulier uitdrukkelijk verzoekt om een in het Frans opgesteld document.

Ik vestig er de aandacht op dat als een inwoner uitdrukkelijk om een Franstalige versie of een vertaling van het desbetreffende stuk moet verzoeken, hij dat verzoek telkens en voor elk stuk moet herhalen.

V. VERBOD OP HET HOUDEN VAN EEN TAALREGISTER

De Vlaamse Regering bevestigt haar standpunten die ze tot nu toe steeds heeft ingenomen en die inhouden dat de faciliteiten restrictief geïnterpreteerd moeten worden, dat de inwoners van de faciliteitengemeenten steeds hun verzoek moeten herhalen om in hun betrekkingen met de besturen in het Frans bediend te worden, en dat het bijhouden van een taalregister door de faciliteitengemeenten met het oog op het "eeuwigdurende" contact in het Frans met een inwoner die eenmaal te kennen heeft gegeven in die taal te willen worden bediend, onwettig is.

In zijn arresten van 23 december 2004 volgt de Raad van State die standpunten van de Vlaamse Regering.

Enerzijds erkent de Raad van State dat een van de bedoelingen van de omzendbrieven van de ministers Peeters en Martens erin bestond "de praktijk (blijkt) te willen keren die inhoudt dat besturen aan de hand van een of andere vorm van registratie bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk herhaald verzoek is uitgebracht".

Anderzijds verwijst de Raad van State naar het al eerder geciteerde arrest nr. 26/98 van het Arbitragehof van 10 maart 1998, door te stellen dat: "teneinde grondwetsconform te zijn, de interpretatie van de rechten van wie in de randgemeenten in het Frans willen worden bestuurd, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten; dat derhalve de hierboven geschetste, ruime interpretatie van die rechten, gehuldigd door verzoekster, daar niet mee strookt; dat die interpretatie en de blijkbaar daarop gestoelde aangehaalde bestuurspraktijk immers in wezen leiden tot een stelsel van tweetaligheid, waarbij de taalvoorkeur van personen zelfs in bestanden wordt vastgelegd; dat aldus de gevraagde nietigverklaring van een omzendbrief in zoverre deze omzendbrief, zoals te dezen, een dergelijke onrechtmatige interpretatie wil tegengaan, verzoekster geen geoorloofd voordeel kan opleveren; ... het streven van die partijen (zou dienen) om een bestuurspraktijk te laten bestaan die, zoals hierboven is vastgesteld, steunt op een met de bestuurstaalwet onverenigbare interpretatie ".

VI. TOEZICHT

Vanuit mijn ambt ben ik, samen met de provinciegouverneurs, bevoegd voor het administratief toezicht op de lokale besturen en dus ook voor het toezicht op de naleving van de taalwetgeving in bestuurszaken.

Ik verzoek u, mijnheer de gouverneur, als commissaris van de Vlaamse Regering, in het kader van het administratief toezicht nauwgezet toe te zien op de correcte naleving van de wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken, zowel ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de bestuurshandelingen als ten aanzien van de daaruit voortvloeiende budgettaire en financiële gevolgen. In deze context is een bijzondere rol toebedeeld aan die provinciegouverneur in wiens ambtsgebied er zich faciliteitengemeenten bevinden.

Ik verzoek u dan ook om beslissingen die strijdig zijn met de SWT te schorsen. Wat de gemeentebesturen betreft, hebben de gouverneurs van de provincies Vlaams-Brabant en Limburg ten aanzien van respectievelijk de zes Vlaamse randgemeenten en Voeren, vernietigingsbevoegdheid inzake beslissingen van gemeentelijke organen die strijdig zijn met de SWT. Wat Voeren betreft, is die vernietigingsbevoegdheid slechts absoluut als de beslissing uitsluitend wegens schending van de taalwetgeving wordt vernietigd.

Ik verzoek u de bestendige deputatie, het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten, de O.C.M.W.-besturen en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden kennis te geven van deze omzendbrief door de publicatiedatum ervan in het Belgisch Staatsblad te vermelden in het Bestuursmemoriaal.

Ik verzoek u ook deze omzendbrief te sturen naar de besturen van de erkende erediensten, zowel deze die georganiseerd zijn op gemeentelijk niveau als deze die georganiseerd zijn op provinciaal niveau.

Volledigheidshalve stuur ik deze omzendbrief ook rechtstreeks aan alle gemeente- en O.C.M.W.-besturen en aan de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

Deze omzendbrief kan ook geraadpleegd worden via het internet op het volgende adres:

http://binnenland.vlaanderen.be/regelgeving/omzend.htm .


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 24/07/2024