Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

Datum 09/03/2007

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK II Specifieke bemestingsregels voor bepaalde meststoffen of bepaalde teelten
    1. Afdeling 1 Bemestingsregels aangaande meststoffen met een lage stikstofefficiëntie of die traagvrijkomende stikstof bevatten en aangaande effluenten met een laag stikstofgehalte
    2. Afdeling 2 [Bemesting met dierlijke mest in meerjarig perspectief, ter uitvoering van artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, voor biologische landbouwers (verv.BVR 15 juli 2011, art. 6)]
  3. HOOFDSTUK III De bepalingen aangaande het nitraatresidu
  4. HOOFDSTUK IV [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]
    1. Afdeling 1 [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]
    2. Afdeling 2 [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]
  5. HOOFDSTUK V Bepaling van de gemeentelijke productiedruk
  6. HOOFDSTUK VI Toezicht
  7. HOOFDSTUK VII [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]
  8. [HOOFDSTUK VII/1 Overgangsbepalingen (ing. BVR 15 juli 2011, art. 9)]
  9. HOOFDSTUK VIII Slotbepalingen
  10. Bijlage I: Kaart van de risicogebieden oppervlaktewater
  11. Bijlage II: Netto gemeentelijke productiedruk op basis van productiejaar 2005

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering

Gelet op het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, inzonderheid op de artikelen 8 §§ 3 en 4, 13 §§ 4 en 9, 14 §§ 3 en 4, 15 § 2, 22 § 2, 23, 24 § 5, 26 § 5, 27 §§ 1 en 5, 28 § 2, 29 § 1, 47, 48 § 2, 49 tot en met 59, 60 § 1, 61, 62 §§ 6 en 7, 64 § 1, 66, 67, 68, 70;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 februari 2007;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister van begroting gegeven op 15 februari 2007;

Gelet op advies 42.398/3 van de Raad van State, gegeven op 5 maart 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat het opbrengen van andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging of waarvan de stikstofinhoud laag is steeds (dus reeds vanaf 1 januari) is toegelaten volgens artikel 8 § 4 van het mestdecreet; dat tuinders voor het plantseizoen moeten kunnen beschikken over het overzicht welke teelten zij en in welke combinaties kunnen aanplanten met eerbiediging van de bemestingsnormen van het mestdecreet; dat het bemestingsseizoen voor bemesting met dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest een aanvang neemt op 15 februari; dat de landbouwers enerzijds voor het plannen van de bemesting van hun tot het bedrijf behorende cultuurgronden en anderzijds voor het voeren van mest naar andere landbouwers zeer duidelijk moeten weten welke de juiste nutriënteninhoud is van de door hun dieren geproduceerde mest; dat zij deze gegevens wat stikstof betreft enkel met zekerheid kunnen vaststellen indien ze beschikken over de cijfers betreffende de emissie uit de stallen van stikstof; dat houders van melkvee voor het vaststellen van de hoeveelheid uitscheiding van hun melkvee moeten beschikken over alle gegevens en met name de gegevens van het voederrantsoen met de verhouding voedergewas-gras en de daaraan beantwoordende uitscheiding van stikstof; dat de goedkeuring en publicatie van dit uitvoeringsbesluit noodzakelijk is opdat de nitraatrichtlijn volledig in de Vlaamse wetgeving geacht kan worden omgezet te zijn en dat de Europese Commissie dit onverwijld moet kunnen vaststellen aangezien wij reeds in 2005 veroordeeld zijn wegens onvolledige omzetting en aangezien het nieuwe vierjaarlijkse actieprogramma overeenkomstig de nitraatrichtlijn ook vanaf 1 januari 2007 moet in werking treden en aangezien dit uitvoeringsbesluit hiervan een essentieel bestanddeel vormt; gelet op de omstandigheid dat het Mestdecreet van 22 december 2006 in werking is getreden vanaf 1 januari 2007; dat dit besluit een essentieel onderdeel vormt van de wetgeving die uitvoering moet geven aan het Vlaams actieprogramma 2007-2010 ter implementatie van de nitraatrichtlijn 91/676/EG van 12 december 1991 opdat België zich zou conformeren aan de nitraatrichtlijn zoals uitgelegd door het Europees Hof van Justitie in zijn arrest van 22 september 2005, dat in het kader van de rechtszekerheid landbouwers zo vlug mogelijk moeten beschikken over de regelgeving van dit besluit teneinde dit in hun bedrijfsplanning 2007 in te passen;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;

Na beraadslaging,
Besluit :

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1. (02/09/2011- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Mestdecreet : het Mestdecreet van 22 december 2006;
2° erkend laboratorium : een laboratorium dat krachtens artikel 62, § 6, van het Mestdecreet, erkend is geworden;
3° compendium : het compendium, als vermeld in artikel 62, § 7, van het Mestdecreet;
4° minerale stikstof : de hoeveelheid stikstof onder vorm van ammonium, nitriet en nitraat;
5° melkkoe : een dier dat behoort tot een van de verschillende diercategorieën melkkoeien, als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet, ongeacht de melkproductie;
6° andere meststof met traag vrijkomende stikstof : een andere meststof die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging als vermeld in artikel 8, § 4, en artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, en een andere meststof waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging als vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 3°, en derde lid, 4°, van het Mestdecreet;
7° bewerkte dierlijke mest met traag vrijkomende stikstof : bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging als vermeld in artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, en bewerkte dierlijke mest waarin de stikstof in dusdanige vorm aanwezig is dat slechts een beperkt deel van de stikstof vrijkomt in het jaar van de opbrenging als vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 3°, en derde lid, 4°, van het Mestdecreet;
8° bewerkte dierlijke mest of andere meststof met lage stikstofinhoud : bewerkte dierlijke mest of andere meststof waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, en artikel 12, § 1, derde lid, 4°, van het Mestdecreet.

Artikel 2. (01/01/2017- ...)

...

HOOFDSTUK II Specifieke bemestingsregels voor bepaalde meststoffen of bepaalde teelten

Afdeling 1 Bemestingsregels aangaande meststoffen met een lage stikstofefficiëntie of die traagvrijkomende stikstof bevatten en aangaande effluenten met een laag stikstofgehalte

Artikel 3. (02/09/2011- ...)

Om als andere meststof met traag vrijkomende stikstof of als bewerkte dierlijke mest met traag vrijkomende stikstof, beschouwd te worden, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :
1° de inhoud aan minerale stikstof is kleiner dan 15 % van de inhoud aan totale stikstof;
2° de som van de inhoud aan minerale stikstof en snel vrijkomende organische stikstof is kleiner dan 30 % van de inhoud aan totale stikstof.

Om als bewerkte dierlijke mest of andere meststof met lage stikstofinhoud beschouwd te worden, mag de inhoud aan totale stikstof niet hoger zijn dan 0,60 kg stikstof per ton.

Artikel 4. (02/09/2011- ...)

§ 1. Producenten van andere meststoffen of van bewerkte dierlijke mest, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, eerste of tweede lid, en de uitbaters van bewerkings- of verwerkingseenheden die effluenten als vermeld in artikel 22, § 2, van het Mestdecreet, produceren, kunnen daarvoor een attest aanvragen bij de Mestbank, op voorwaarde dat ze de aangifte, vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet, volledig en correct hebben ingediend.

Bij die aanvraag zijn de resultaten gevoegd van een analyse :
1° die uitgevoerd is door een erkend laboratorium conform het compendium;
2° die hoogstens zes maanden oud is. In afwijking daarvan mag voor het aantonen van de voorwaarde, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, een analyse gebruikt worden die hoogstens drie jaar oud is, op voorwaarde dat het productieproces van de meststoffen na de analyse ongewijzigd is gebleven;
3° die aantoont dat de meststof voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, eerste of tweede lid, of dat het effluent een lager gehalte heeft aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1000 l of 1 kg NH4-N per 1000 kg.

§ 2. Verschillende producenten van meststoffen die meststoffen met dezelfde samenstelling en via hetzelfde productieproces produceren, kunnen voor deze meststoffen één gezamenlijke aanvraag als vermeld in paragraaf 1 indienen.

Bij die gezamenlijke aanvraag zijn de nodige stukken gevoegd die aantonen dat de meststoffen dezelfde samenstelling hebben en via hetzelfde productieproces geproduceerd worden.

De betrokken producenten wijzen een contactpersoon aan. De betrokken producenten kunnen op elk ogenblik een andere contactpersoon aanwijzen.

§ 3. De Mestbank onderzoekt de aanvraag, vermeld in paragraaf 1 en 2, en deelt de aanvrager binnen zestig kalenderdagen haar gemotiveerde beslissing mee.

Als de aanvraag voor het attest positief wordt bevonden, stuurt de Mestbank, samen met de beslissing, een attest naar de betrokken producent van meststoffen of naar de betrokken uitbater. Het attest is geldig van de dag dat de aanvraag positief is bevonden, tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar.

In afwijking van het eerste lid, zijn attesten die betrekking hebben op spuistroom die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, tweede lid, geldig van de dag dat de aanvraag positief is bevonden, tot en met 31 juli van het derde volgende kalenderjaar.

§ 4. De producent van meststoffen of de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, die over een geldig attest beschikt als vermeld in paragraaf 3 kan een verlenging van de geldigheid van zijn attest verkrijgen. Hij voegt daarvoor bij zijn aangifte als vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet, een kopie toe van de resultaten van een analyse als vermeld in paragraaf 1, tweede lid.

Als de aanvraag tot verlenging van de geldigheid van het attest positief wordt bevonden, stuurt de Mestbank uiterlijk op 15 juli een nieuw attest naar de betrokken producent van meststoffen of naar de betrokken uitbater. Het nieuwe attest is geldig vanaf 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar.

Producenten van meststoffen die op basis van een gezamenlijke aanvraag als vermeld in paragraaf 2, een attest hebben verkregen, kunnen een verlenging van de geldigheid van hun attest verkrijgen. De betrokken contactpersoon die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 2, derde lid, voegt daarvoor bij zijn aangifte als vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet, een kopie van de resultaten van een analyse als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Als de contactpersoon, vermeld in paragraaf 2, derde lid, niet aangifteplichtig is overeenkomstig artikel 23 van het Mestdecreet, bezorgt hij uiterlijk op 15 februari een kopie van de resultaten van de analyse, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, aan de Mestbank.

Als de aanvraag tot verlenging van de geldigheid van het attest positief wordt bevonden, stuurt de Mestbank uiterlijk op 15 juli een nieuw attest naar de betrokken producenten van meststoffen. Het nieuwe attest is geldig vanaf 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het volgende kalenderjaar.

In afwijking van het tweede lid zijn attesten die betrekking hebben op spuistroom die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, tweede lid, geldig van 1 augustus van het lopende kalenderjaar tot en met 31 juli van het derde volgende kalenderjaar.

§ 5. De Mestbank houdt een lijst bij van de meststoffen waarvoor een attest is verleend. De lijst van verleende attesten is openbaar en wordt periodiek bijgewerkt.

§ 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt de modellen van de attesten vast.

Artikel 5. (02/09/2011- ...)

§ 1. De producenten van meststoffen en de uitbaters van bewerkings- of verwerkingseenheden die over een geldig attest beschikken, als vermeld in artikel 4, dienen bij elk transport van meststoffen waarvoor ze over een geldig attest beschikken, aan de mestvoerder een kopie van dit attest mee te geven. Op deze kopie wordt het nummer vermeld van het document dat voor het vervoer van deze meststoffen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 47 tot en met 60 van het Mestdecreet, is opgemaakt. Deze kopie dient tijdens het transport aanwezig te zijn en dient aan de afnemer van de betrokken meststoffen overhandigd te worden.

§ 2. Wanneer een producent van meststoffen of een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid die een attest, als vermeld in artikel 4, heeft verkregen, dit attest oneigenlijk gebruikt :
1° wordt de betrokken producent of uitbater, voor de in het betrokken attest vermelde meststof, met onmiddellijke ingang geschrapt van de lijst, vermeld in artikel 4, § 5;
2° wordt het betrokken attest met onmiddellijke ingang ongeldig verklaard

Onder het oneigenlijk gebruik van een attest, als vermeld in het eerste lid, wordt ondermeer verstaan :
1° het meegeven van een kopie van een attest bij een vervoer van meststoffen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 of § 2, of aan de voorwaarden van artikel 22, § 2, van het Mestdecreet;
2° het meegeven van een kopie van een attest bij een vervoer van meststoffen, andere dan diegene waarvoor het betrokken attest werd ontvangen;
3° het meegeven van een kopie van een attest dat niet meer geldig is op de dag van het vervoer van de betrokken meststoffen.

Artikel 6. (02/09/2011- ...)

§ 1. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering, een geldig attest, als vermeld in artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof een andere meststof is, die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging, als vermeld in artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 13, § 9, van het Mestdecreet meer nutriënten wil opbrengen dan toegestaan overeenkomstig artikel 13, § 1, van het Mestdecreet :
1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 76,5 kg minerale stikstof per ha opbrengen;
2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging of dat er binnen de 30 kalenderdagen na de opbrenging een gewas ingezaaid of geplant wordt;
3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest, als vermeld in artikel 4;
4° verstrekt via de aangifte, als vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet, die betrekking heeft op het jaar waarin deze meststoffen gebruikt zijn of gebruikt zullen worden, de gegevens aangaande de hoeveelheid, uitgedrukt in kg, en de samenstelling, uitgedrukt in kg N en kg P2O5, van deze meststoffen die gebruikt zijn of gebruikt zullen worden, evenals het perceel, waarop deze meststoffen gebruikt zijn of gebruikt zullen worden.

De Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu kan nadere regels bepalen met betrekking tot de toewijzing van de aangewende meststoffen aan de verschillende productiejaren.

§ 2. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering, een geldig attest, als vermeld in artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof, een andere meststof of bewerkte dierlijke mest is, die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging, als vermeld in artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 8, § 4, van het Mestdecreet deze meststoffen wil opbrengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 februari :
1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 30 kg minerale stikstof per ha opbrengen;
2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging of dat er binnen de 30 kalenderdagen na de opbrenging een gewas ingezaaid of geplant wordt;
3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest, als vermeld in artikel 4.

In afwijking van het eerste lid, moeten, bij het opbrengen op de zware kleigronden in de polders, als vermeld in artikel 8, § 3, van het Mestdecreet, van bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevat dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging, als vermeld in artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, de voorwaarden vermeld in het eerste lid enkel nageleefd worden voor het opbrengen van deze meststoffen in de periode vanaf 15 oktober tot en met 15 februari.

§ 3. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering een geldig attest, als vermeld in artikel 4, had, dat stelde dat de betrokken meststof, een andere meststof of bewerkte dierlijke mest is, waarvan de stikstofinhoud laag is, als vermeld in artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, en die in uitvoering van artikel 8, § 4, van het Mestdecreet deze meststoffen wil opbrengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 februari :
1° mag bij de bemesting met deze meststof maximaal 30 kg stikstof per ha, en waarvan maximaal 10 kg mineraal, opbrengen;
2° dient er voor te zorgen dat er een gewas aanwezig is bij de opbrenging;
3° dient er voor te zorgen dat bij de toediening van de betrokken meststof een kopie aanwezig is van het attest, als vermeld in artikel 4.

In afwijking van het eerste lid, moeten, bij het opbrengen op de zware kleigronden in de polders, als vermeld in artikel 8, § 3, van het Mestdecreet, van bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is, als vermeld in artikel 8, § 4, van het Mestdecreet, de voorwaarden vermeld in het eerste lid enkel nageleefd worden voor het opbrengen van deze meststoffen in de periode vanaf 15 oktober tot en met 15 februari.

§ 4. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering een geldig attest als vermeld in artikel 4, had dat stelde dat de betrokken meststof een andere meststof met traag vrijkomende stikstof of bewerkte dierlijke mest met traag vrijkomende stikstof is, kan, ter uitvoering van artikel 12, § 1, tweede lid, 3°, van het Mestdecreet, die meststof gebruiken bij de bemesting van de plantput, bij aanplantingen langs wegen of bij bosaanplantingen.

§ 5. De afnemer van meststoffen waarvoor de producent op het moment van de levering, een geldig attest als vermeld in artikel 4, had dat stelde dat de betrokken meststof een andere meststof met traag vrijkomende stikstof, bewerkte dierlijke mest met traag vrijkomende stikstof of bewerkte dierlijke mest of andere meststof met lage stikstofinhoud is, kan, ter uitvoering van artikel 12, § 1, derde lid, 4°, van het Mestdecreet, die meststof gebruiken bij de aanleg en het onderhoud van tuinen, parken en plantsoenen.

Afdeling 2 [Bemesting met dierlijke mest in meerjarig perspectief, ter uitvoering van artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, voor biologische landbouwers (verv.BVR 15 juli 2011, art. 6)]

Artikel 7. (02/09/2011- ...)

De landbouwer die op zijn bedrijf biologische productiemethodes toepast, mag, ter uitvoering van artikel 13, § 9, van het Mestdecreet, op de percelen landbouwgrond waarop hij biologische productiemethodes toepast, meer stikstof uit dierlijke mest opbrengen dan de hoeveelheden, vermeld in artikel 13, § 1, § 2 en § 3, van het Mestdecreet, onder de volgende voorwaarden :
1° de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die in een bepaald kalenderjaar op het totaal van de tot zijn bedrijf behorende percelen landbouwgrond waarop hij biologische productiemethodes toepast, is opgebracht, is niet hoger dan de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, § 1, § 2 of § 3, van het Mestdecreet, in dat kalenderjaar op het totaal van de tot zijn bedrijf behorende percelen landbouwgrond waarop hij biologische productiemethodes toepast, opgebracht mag worden;
2° binnen een periode van drie kalenderjaren mag de gemiddeld op jaarbasis opgebrachte hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest per perceel niet hoger zijn dan de hoeveelheden, vermeld in artikel 13, § 1, § 2 en § 3, van het Mestdecreet.

In dit artikel wordt verstaan onder :
1° verzamelaanvraag : de verzamelaanvraag, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid;
2° landbouwer die op zijn bedrijf biologische productiemethodes toepast : een landbouwer die op zijn verzamelaanvraag voor een of meer percelen aangeeft dat hij er een biologische productiemethode toepast;
3° percelen landbouwgrond waarop hij biologische productiemethodes toepast : de percelen landbouwgrond waarvoor hij op zijn verzamelaanvraag aangeeft dat hij er een biologische productiemethode toepast.

Artikel 8. (02/09/2011- ...)

...

HOOFDSTUK III De bepalingen aangaande het nitraatresidu

Artikel 9. (09/10/2010- ...)

§ 1. In uitvoering van artikel 14, § 3, van het Mestdecreet, wordt de waarde van de gemiddelde nitraatconcentratie dat als criterium geldt voor de afbakening van de risicogebieden :
1° voor oppervlaktewater bepaald op 50 mg nitraat per liter;
2° voor grondwater bepaald op 50 mg nitraat per liter.
3° voor de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwater en zeewater het criterium dat vastgesteld wordt op basis van de leidraad van de Europese Commissie.

§ 2. ...

Artikel 10. (27/04/2007- ...)

§ 1. In uitvoering van artikel 14, § 4, van het Mestdecreet, wordt voor het kalenderjaar 2007 F vastgesteld op 15/9.

§ 2. In uitvoering van artikel 15, § 2, van het Mestdecreet, wordt voor hetkalenderjaar 2007 Y vastgesteld op 15/9.

§ 3. In uitvoering van artikel 15, § 2, van het Mestdecreet, wordt voor hetkalenderjaar 2007 Z vastgesteld op 15/9.

HOOFDSTUK IV [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]

Afdeling 1 [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]

Artikel 11. (01/01/2018- ...)

...

Afdeling 2 [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]

Artikel 12. (01/01/2018- ...)

...

Artikel 13. (01/01/2018- ...)

...

HOOFDSTUK V Bepaling van de gemeentelijke productiedruk

Artikel 14. (01/01/2017- ...)

...

HOOFDSTUK VI Toezicht

Artikel 15. (25/06/2009- ...)

...

HOOFDSTUK VII [... (opgeh. BVR 22 december 2017, art. 2, I: 1 januari 2018)]

Artikel 16. (01/01/2018- ...)

...

[HOOFDSTUK VII/1 Overgangsbepalingen (ing. BVR 15 juli 2011, art. 9)]

Artikel 16/1. (02/09/2011- ...)

Attesten die toegekend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, ter uitvoering van artikel 4, worden voor de resterende duur van hun geldigheid, beschouwd als attesten die toegekend zijn door de Mestbank, ter uitvoering van artikel 4.

HOOFDSTUK VIII Slotbepalingen

Artikel 17. (27/04/2007- ...)

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 7, 8, 11, 12, 13 en 15 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2007.

Artikel 18. (27/04/2007- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I: Kaart van de risicogebieden oppervlaktewater

BIJLAGE I (09/10/2010- ...)

...

Bijlage II: Netto gemeentelijke productiedruk op basis van productiejaar 2005

BIJLAGE II (01/01/2017- ...)

...


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 04/02/2023