Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade

Datum 13/12/2006

Inhoud

(... - ...)

Gelet op de artikelen 128, § 1, 130, § 1 en 135 van de Grondwet;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 5, § 1, II, 6°, gewijzigd door de bijzondere wet van 8 augustus 1988, en artikel 92bis, § 1, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd door de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001;

Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op artikel 63;

Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige gemeenschap, inzonderheid de artikelen 4, § 2, en 55bis, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 1993;

Gelet op de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, gewijzigd door de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006, inzonderheid de artikelen 37bis tot 37quinquies, 45quater en 52quinquies ;

Gelet op de decreten van de Vlaamse Gemeenschap inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990, 19 december 1991, 25 juni 1992, 4 mei 1994, 15 juli 1997 en 7 mei 2004;

Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gewijzigd bij de decreten van 16 maart 1998, 6 april 1998, 30 juni 1998, 5 mei 1999, 29 maart 2001, 31 maart 2004, 12 mei 2004 en 19 mei 2004;

Gelet op het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 20 maart 1995 inzake hulpverlening aan de jeugd, gewijzigd bij de decreten van 4 maart 1996, 20 mei 1997, 23 oktober 2000, 3 februari 2003 en 1 maart 2004;

Overwegende dat een samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden noodzakelijk is voor de organisatie van het herstelrechtelijk aanbod zoals bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;

Tussen :
1. De Federale Staat, vertegenwoordigd door haar regering in de persoon van Laurette Onkelinx, minister van Justitie,
2. De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering in de persoon van Yves Leterme, minister-president, en in de persoon van Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
3. De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering in de persoon van Marie Arena, minister-president, en in de persoon van Cathérine Fonck, minister van Kinderwelzijn, Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid,
4. De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering in de persoon van Karl-Heinz Lambertz, minister-president, en in de persoon van Bernd Gentges, vice-minister-president, minister van Vorming en Tewerkstelling, Sociale Zaken en Toerisme,
5. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door het Verenigd College in de persoon van Charles Picqué, voorzitter van het Verenigd College, in de persoon van Pascal Smet, lid van het Verenigd College bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen en het Openbaar Ambt, en in de persoon van Evelyne Huytebroeck, lid van het Verenigd College bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen, Financiën, Begroting, en Buitenlandse Betrekkingen,
Is op grond van hun respectieve bevoegdheden overeengekomen wat volgt :

Artikel 1. (... - ...)

Dit samenwerkingsakkoord heeft betrekking op de structurele samenwerking tussen de diensten van de Federale Overheidsdienst Justitie en de door de bevoegde overheden erkende diensten, die georganiseerd worden door de gemeenschappen of beantwoorden aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden, in het kader van de tenuitvoerlegging van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies, 45quater en 52quinquies van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, gewijzigd door de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006.

Artikel 2. (... - ...)

Voor de toepassing van onderhavig samenwerkingsakkoord dient te worden verstaan onder :
1° herstelrechtelijk aanbod : het aanbod betreffende de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg voorgesteld door de jeugdrechter, de jeugdrechtbank of de procureur des Konings;
2° bemiddeling : het overleg tussen de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer, om hen de mogelijkheid te bieden om samen en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, aan de onder meer relationele en materiële gevolgen van een als misdrijf omschreven feit tegemoet te komen;
3° herstelgericht groepsoverleg : het overleg tussen de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, het slachtoffer, hun sociale omgeving alsook alle dienstige personen, om hen de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar in overleg uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit;
4° bemiddelingsdienst : de door de bevoegde overheden erkende dienst, die georganiseerd wordt door de Gemeenschappen of beantwoordt aan de door de Gemeenschappen gestelde voorwaarden en die instaat voor de bemiddeling;
5° dienst voor herstelgericht groepsoverleg : de door de bevoegde overheden erkende dienst, die georganiseerd wordt door de Gemeenschappen of beantwoordt aan de door de Gemeenschappen gestelde voorwaarden en die instaat voor het herstelgericht groepsoverleg;
6° betrokken personen : de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer.
Ingevolge de gemeenrechtelijke bepalingen van het burgerlijk recht, wordt tevens het minderjarige slachtoffer bijgestaan door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen.
7° slachtoffer : de persoon die verklaart morele en/of materiële schade te hebben geleden veroorzaakt door een als misdrijf omschreven feit.

Artikel 3. (... - ...)

Binnen de vijftien dagen na de inwerkingtreding van het huidige akkoord deelt de minister van een Gemeenschap of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die bevoegd is voor de jeugdbescherming, aan de Minister van Justitie de lijst mee van de diensten die het herstelrechtelijk aanbod uitvoeren. Iedere wijziging aan deze lijst wordt onverwijld door de minister van een Gemeenschap of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die bevoegd is voor de jeugdbescherming aan de Minister van Justitie meegedeeld.

De Gemeenschappen verbinden zich ertoe om de gerechtelijke beslissingen waarbij een herstelrechtelijk aanbod wordt voorgesteld, uit te voeren, wanneer de taal van de procedure overeenstemt met deze van de betrokken Gemeenschap, onverminderd artikel 37, § 1, laatste lid van de wet van 8 april 1965, gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006.

Artikel 4. (... - ...)

In het kader van de bemiddeling voorgesteld door de procureur des Konings hebben de bemiddelingsdiensten als taak :
1° contact op te nemen met de betrokken personen indien deze zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de betrokken dienst binnen de acht dagen na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings;
2° zich gedurende de gehele bemiddeling te verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
3° de procureur des Konings in te lichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen de termijn van een maand. In dit geval richt de Dienst een bondig verslag tot de procureur des Konings, dat één van de hiernavolgende vermeldingen bevat :
- hetzij dat de bemiddeling geen aanvang genomen heeft omdat :
a. één van de betrokken personen niet werd bereikt;
b. één van de betrokken personen niet wil dat zij een aanvang neemt;
c. de betrokken personen reeds een akkoord gesloten hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
d. één van de drie wettelijke voorwaarden voor een bemiddeling, vermeld in artikel 45quater, § 1, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, niet meer is vervuld.
- hetzij dat de bemiddeling geen resultaat opgeleverd heeft. In dit geval vermeldt het verslag :
a. de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst werd bereikt;
b. elke andere informatie waarvan de mededeling ervan voor akkoord getekend werd door alle betrokken partijen.

De informatie die schade kan berokkenen aan de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd of aan het slachtoffer wordt niet opgenomen.
4° binnen de twee maanden na hun aanwijzing door de procureur des Konings, een bondig verslag tot deze richten over de voortgang van de bemiddeling, dat verduidelijkt dat de bemiddeling een aanvang genomen heeft, maar nog niet afgerond is.

De informatie die schade kan berokkenen aan de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd of aan het slachtoffer wordt niet opgenomen.
5° indien de bemiddeling afgerond wordt, het akkoord dat is ondertekend door de betrokken personen, over te maken aan de procureur des Konings opdat deze het zou goedkeuren.
6° een verslag op te stellen over de uitvoering van het akkoord en dit te richten aan de procureur des Konings.

Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd en met de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd.

Artikel 5. (... - ...)

§ 1. In het kader van de bemiddeling voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank hebben de bemiddelingsdiensten als taak :
1° contact op te nemen met de betrokken personen indien deze zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben naar de betrokken dienst toe binnen de acht dagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
2° zich gedurende de gehele bemiddeling te verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
3° de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in te lichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen de termijn van een maand. In dat geval richt de dienst een bondig verslag tot de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, dat één van de hiernavolgende vermeldingen bevat :
- hetzij dat de bemiddeling geen aanvang zal nemen omdat :
a. één van de betrokken personen niet werd bereikt;
b. één van de betrokken personen niet wil dat zij een aanvang neemt;
c. de betrokken personen reeds een akkoord gesloten hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
d. één van de drie wettelijke voorwaarden voor een bemiddeling, vermeld in artikel 37bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, niet meer vervuld is.
- hetzij dat de bemiddeling geen resultaat opgeleverd heeft. In dit geval vermeldt het verslag :
a. de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst werd bereikt;
b. elke andere informatie waarvan de mededeling ervan voor akkoord getekend werd door alle betrokken partijen.
De informatie die schade kan berokkenen aan de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd wordt niet opgenomen.
4° het door de betrokken partijen ondertekende akkoord richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat deze het zou homologeren.
5° een bondig verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en het resultaat ervan, en dit verslag richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat deze het zou homologeren.

Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd en met de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd.

§ 2. In het kader van het herstelgericht groepsoverleg voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank hebben de diensten voor herstelgericht groepsoverleg als taak :
1° contact op te nemen met de betrokken personen indien deze zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben naar de betrokken dienst toe binnen de acht dagen na de ontvangst van het afschrift van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
2° zich gedurende het gehele herstelgericht groepsoverleg te verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
3° de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in te lichten zodra blijkt dat herstelgericht groepsoverleg niet of niet langer mogelijk is. In dat geval richt de dienst een bondig verslag tot de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, dat één van de hiernavolgende vermeldingen bevat :
- hetzij het herstelgericht groepsoverleg geen aanvang zal nemen omdat :
a. één van de betrokken personen niet werd bereikt;
b. één van de betrokken personen niet wil dat zij een aanvang neemt;
c. de betrokken personen reeds een akkoord gesloten hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
d. één van de drie wettelijke voorwaarden voor een herstelgericht groepsoverleg, vermeld in artikel 37bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, niet meer is vervuld.
- hetzij het herstelgericht groepsoverleg geen resultaat opgeleverd heeft. In dit geval vermeldt het verslag :
a. de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst werd bereikt;
b. elke andere informatie waarvan de mededeling ervan voor akkoord getekend werd door alle betrokken partijen.

De informatie die schade kan berokkenen aan de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd wordt niet opgenomen.
4° indien het herstelgericht groepsoverleg afgerond wordt, het akkoord dat is ondertekend door de betrokken personen, over te maken aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank opdat het door deze zou worden gehomologeerd. Een intentieverklaring van de persoon die ervan verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit gepleegd te hebben wordt ook toegevoegd. Hierin verklaart deze welke concrete stappen hij zal ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om verdere feiten in de toekomst te voorkomen. De intentieverklaring wordt voor akkoord ondertekend door alle betrokken partijen.
5° een bondig verslag op te stellen over de uitvoering van het akkoord en het resultaat ervan en dit te richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.

Het verslag wordt samen met de ouders besproken. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd.

Artikel 6. (... - ...)

De jeugdrechter, de jeugdrechtbank of het parket, naargelang het geval :
1° maakt aan de bemiddelingsdiensten en de diensten voor herstelgericht groepsoverleg, de identiteit over van de betrokken personen evenals een kopie van het geschreven voorstel om een procedure van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg aan te vatten;
2° komt niet tussen in het functioneren van de bemiddelingsdiensten en de diensten voor herstelgericht groepsoverleg en respecteert hun onafhankelijkheid;
3° gebruikt, ingeval van mislukking van de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg, noch de erkenning van de werkelijkheid van het misdrijf door de jongere, noch het verloop of het resultaat van de bemiddeling of van het herstelgericht groepsoverleg ten nadele van de jongere.

Artikel 7. (... - ...)

De Minister van Justitie verbindt zich ertoe :
1° de bemiddeling voorgesteld door de procureur des Konings en uitgevoerd door de bemiddelingsdiensten te co-financieren, tot een jaarlijks geïndexeerd bedrag van :
- 3.000.000 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
- 2.000.000 euro voor de Franse Gemeenschap
- 25.000 euro voor de Duitstalige Gemeenschap;

Voor het jaar 2007 zal de federale financiering proportioneel zijn ten aanzien van het aantal maanden dat dit samenwerkingsakkoord in 2007 van toepassing is.

De bemiddelingsdiensten streven naar minstens 45 opgestarte dossiers per jaar per VTE.

De in dit samenwerkingsakkoord vermelde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd op 1 januari op basis van de evolutie van de gezondheidsindex van het voorbije jaar volgens de volgende formule :
(basisbedrag x nieuwe index)/basisindex

De basisindex is deze die van kracht is in december 2006.

De nieuwe index is deze die telkens per 1 januari van de volgende jaren van kracht zal zijn.

2° het geïndexeerde bedrag beoogd onder 1° op uiterlijk 1 maart van ieder jaar uit te keren aan de Gemeenschappen. De betaling voor het jaar 2007 zal evenwel voor de Franse en de Duitstalige Gemeenschap geschieden binnen de 2 maanden na inwerkingtreding van dit akkoord. De betaling aan de Vlaamse Gemeenschap wordt opgesplitst in een eerste betaling van 2/3 van het bedrag binnen de 2 maanden na inwerkingtreding van dit akkoord, en de betaling van het overige derde vóór het eind van het jaar 2007.

3° 27 criminologen ter beschikking te stellen van het geheel van de parketten, die onder andere tot taak zullen hebben om de betrokken personen een bemiddeling voor te stellen die georganiseerd zal worden door de bemiddelingsdienst.

Artikel 8. (... - ...)

Dit samenwerkingsakkoord wordt gesloten voor een termijn van drie jaar vanaf de inwerkingtreding ervan.
Na afloop van deze termijn, wordt dit samenwerkingsakkoord telkens jaarlijks stilzwijgend verlengd indien het niet schriftelijk bij aangetekend schrijven aan de andere partijen wordt opgezegd uiterlijk negen maanden voor het eind van elke lopende periode. In het geval dat het akkoord opgezegd wordt door een partij of dat het akkoord opgezegd wordt ten opzichte van een van de partijen, blijft het zijn gevolgen hebben tussen de andere partijen van het akkoord.

Artikel 9. (... - ...)

Een evaluatie van dit samenwerkingsakkoord door de Partijen zal plaatshebben uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan.

Artikel 10. (... - ...)

De bevoegde ministers van elke partij zijn gerechtigd om samen de betwistingen te beslechten die uit de toepassing van dit akkoord voortvloeien.

Artikel 11. (... - ...)

Dit samenwerkingsakkoord wordt volledig in de drie nationale talen in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Dit samenwerkingsakkoord wordt van kracht op dezelfde dag als de artikelen 37bis tot 37quinquies, 45quater en 52quinquies van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, gewijzigd door de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006.