Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van de vaststelling van en de controle op de samenstelling van rauwe koemelk

Datum 07/09/2007

Inhoudstafel

  1. [HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen (verv. BVR 19 december 2014, art. 94, I: 1 januari 2015)]
  2. HOOFDSTUK II. Toepassingsgebied
  3. HOOFDSTUK III. Vaststelling van de samenstelling van melk
  4. HOOFDSTUK IV. [Erkenning van een interprofessioneel organisme dat belast is met de bepaling van de samenstelling van melk (verv. BVR 7 december 2012, art. 6)]
  5. HOOFDSTUK V. Betaling van melk
  6. HOOFDSTUK VI. Strafbepalingen
  7. HOOFDSTUK VII. Opheffingsbepalingen
  8. HOOFDSTUK VIII. Overgangsbepalingen

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,

Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990 en 5 februari 1999, en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, en op artikel 3, § 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 maart 1994 betreffende de erkenning van interprofessionele organismen voor het bepalen van de kwaliteit en de samenstelling van melk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 september 2000 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 maart 1994 betreffende de erkenning van melkinrichtingen en kopers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 mei 1995, 8 augustus 1997, 17 september 2000 en 22 december 2005, en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 17 maart 1994 betreffende de productie van melk en tot instelling van een officiële controle van melk geleverd aan kopers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 1996, 3 september 2000 en 10 oktober 2005;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 11 april 2007, waarvan het verslag werd goedgekeurd op 7 juni 2007;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 mei 2007;

Gelet op het advies 43.407/1 van de Raad van State, gegeven op 9 augustus 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid;

Na beraadslaging,

Besluit :

[HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen (verv. BVR 19 december 2014, art. 94, I: 1 januari 2015)]

Artikel 1. (21/10/2017- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° bevoegde entiteit: het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij;
2° ILVO : het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek;
3° koper : een levensmiddelenbedrijf dat over een toelating beschikt met toepassing van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
4° ladingsverrichting : de fysieke overbrenging van een hoeveelheid melk vanuit een koeltank van de producent naar een erkende RMO met behulp van een pompsysteem dat op de RMO geplaatst is;
5° melk : het product dat verkregen wordt door een of meer koeien te melken;
6° melklevering : de hoeveelheid melk, geregistreerd per ladingsverrichting en geleverd door de producent aan de koper;
7° melkophaling : het vervoer vanaf het laden van een of meer leveringen op het melkproductiebedrijf tot het afladen ervan bij de koper;
8° melkproductiebedrijf : een inrichting met een of meer landbouwhuisdieren voor de melkproductie met als oogmerk die melk als levensmiddel in de handel te brengen;
9° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij;
10° producent : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die alleen of gegroepeerd een melkproductiebedrijf uitbaat;
11° RMO : de rijdende melkontvangst;
12° kleine koper: een koper die in het afgelopen kalenderjaar maximaal 500.000 liter melk opgehaald heeft bij maximaal vijf verschillende producenten.

Artikel 1/1. (01/01/2015- ...)

Het hoofd van de bevoegde entiteit kan de aangelegenheden die conform dit besluit en de uitvoeringsbepalingen ervan onder de bevoegdheid van de bevoegde entiteit vallen, subdelegeren aan personeelsleden van de bevoegde entiteit die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau.

HOOFDSTUK II. Toepassingsgebied

Artikel 2. (01/01/2014- ...)

Met uitzondering van de bepalingen in hoofdstuk V is dit besluit van toepassing op de rauwe koemelk, geleverd aan kopers door alle melkproductiebedrijven in het Vlaamse Gewest.

De bepalingen in hoofdstuk V zijn van toepassing op de kopers met maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest.

HOOFDSTUK III. Vaststelling van de samenstelling van melk

Artikel 3. (21/10/2017- ...)

§ 1. Er mag geen melk geleverd worden aan of opgehaald worden door een koper die niet erkend is.

§ 2. De melk die door een producent wordt geleverd aan of die opgehaald wordt door een of meer kopers, moet overeenstemmen met een van de volgende types :
1° rauwe volle melk : de melk, afgescheiden door de melkklier van een of meer koeien, die niet is verhit tot meer dan 40 °C of een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan en waarvan het natuurlijke vetgehalte niet is gewijzigd;
2° rauwe afgeroomde melk : volle melk waarvan het vetgehalte is teruggebracht tot ten hoogste 5 g/l.

§ 3. De koper moet de samenstelling van de melk, die voor zijn rekening wordt opgehaald, op een melkproductiebedrijf of vanuit een melkproductiebedrijf aan hem wordt geleverd, laten vaststellen.

De samenstelling van de melk wordt vastgesteld door een interprofessioneel organisme dat daarvoor erkend is door de minister.

§ 4. De minister stelt de criteria vast op basis waarvan de samenstelling van de melk bepaald wordt.

§ 5. Bij melkophaling op het melkproductiebedrijf worden voor elk type melk, vermeld in paragraaf 2, en van elke melklevering door middel van een automatisch bemonsteringsapparaat, dat geïnstalleerd is op de RMO, de volgende gegevens geregistreerd met een elektronisch monsteridentificatiesysteem, goedgekeurd door het interprofessioneel organisme :
1° de identiteit van de koper, de producent en het melkproductiebedrijf;
2° het aantal liter per melklevering;
3° de datum en het tijdstip van de melklevering.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor melkophalingen door kleine kopers

De minister kan bepalen dat aanvullende gegevens geregistreerd moeten worden.

Artikel 4. (21/10/2017- ...)

§ 1. De bepaling van de samenstelling, vermeld in artikel 3, § 3, gebeurt aan de hand van een representatief monster. Bij de bemonstering moeten de volgende voorschriften in acht genomen worden :
1° een bemonstering is verplicht bij iedere melklevering van elk type melk;
2° voor producties van melk waarvan minstens één monster genomen wordt per drie dagen productie, kan uit die productie een maximale hoeveelheid van honderd liter, al dan niet opgedeeld, geleverd of opgehaald worden, zonder dat daarvan een monster wordt genomen;
3° de bemonstering verloopt mechanisch met behulp van een automatisch bemonsteringsapparaat op de RMO. Het monster mag alleen manueel genomen worden als het bemonsteringsapparaat defect is of als een te geringe hoeveelheid melk een representatieve mechanische bemonstering onmogelijk maakt, of in het geval van een kleine koper;
4° de minister stelt de procedure voor de bemonstering vast.

§ 2. De minister bepaalt :
1° de minimale analysefrequentie van de monsters;
2° de analysemethoden;
3° de manier waarop en de frequentie waarmee de gegevens en de resultaten van de analyse aan onder meer de producenten, aan de kopers, aan de bevoegde entiteit worden meegedeeld.

Artikel 5. (01/01/2015- ...)

§ 1. Het type bemonsteringsapparaat wordt vooraf goedgekeurd door het ILVO. Op voorstel van het ILVO bepaalt de minister de voorwaarden waaraan die apparatuur moet voldoen.

Alle bemonsteringsapparaten die werken volgens een goedgekeurd type bemonsteringsapparaat als vermeld in het eerste lid, worden vooraf gekeurd door een interprofessioneel organisme als vermeld in artikel 3, § 3, tweede lid.

Alle goedgekeurde bemonsteringsapparaten, vermeld in het tweede lid, worden met een frequentie die bepaald wordt door de minister, aan een herkeuring onderworpen door een interprofessioneel organisme als vermeld in artikel 3, § 3, tweede lid.

Het interprofessioneel organisme moet haar keuringsmethode vastleggen in een document dat door de minister wordt goedgekeurd. Elke wijziging van de keuringsmethode moet vooraf door de minister worden goedgekeurd.

§ 2. De voor de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel 5, § 2 van het ministerieel besluit van 17 maart 1994 betreffende de officiële bepaling van de kwaliteit en de samenstelling van melk geleverd aan kopers, gewijzigd bij ministeriële besluiten van 4 oktober 2000, 6 oktober 2000, 27 februari 2003 en 19 mei 2006, verleende erkenning van een bemonsteringsapparaat blijft behouden.

§ 3. De melk mag alleen opgehaald en bemonsterd worden door een persoon die houder is van een vergunning, uitgereikt door een interprofessioneel organisme als vermeld in artikel 3, § 3, tweede lid.

De vergunning wordt enkel toegekend aan natuurlijke personen die met goed gevolg het vormingsprogramma, dat opgesteld en jaarlijks georganiseerd wordt door het interprofessioneel organisme, hebben gevolgd.

In afwijking van de bepalingen van het tweede lid kan het interprofessioneel organisme een procedure vaststellen met de voorwaarden waaronder ze aan een persoon die houder is van een soortgelijke vergunning, uitgereikt door of in opdracht van een ander gewest, een vergunning kan toekennen.

Het interprofessioneel organisme houdt toezicht en controleert of de personen die de melk ophalen en bemonsteren in het bezit zijn van een vergunning. Het interprofessioneel organisme stelt een geschillenprocedure vast. Elke wijziging die het erkende een interprofessioneel organisme aanbrengt aan de geschillenprocedure, vermeld in het eerste lid, moet vooraf meegedeeld worden aan de bevoegde entiteit.

Het interprofessioneel organisme bezorgt jaarlijks aan de bevoegde entiteit een verslag met een beschrijving van :
1° het vormingsprogramma;
2° de resultaten van de uitgevoerde controles en het uitgeoefende toezicht;
3° de uitgereikte, geweigerde en opgeheven vergunningen;
4° de resultaten van de geschillenprocedure.

§ 4. De vergunning, vermeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 17 maart 1994 betreffende de productie van melk en tot instelling van een officiële controle van melk geleverd aan kopers, blijft geldig voor de resterende duur van de looptijd ervan. Na het verstrijken van de looptijd wordt de vergunning, vermeld in § 3, aangevraagd en toegekend volgens de in § 3 vastgestelde procedure en voorwaarden.

HOOFDSTUK IV. [Erkenning van een interprofessioneel organisme dat belast is met de bepaling van de samenstelling van melk (verv. BVR 7 december 2012, art. 6)]

Artikel 6. (21/10/2017- ...)

§ 1. Om erkend te worden moet een interprofessioneel organisme voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° ...
2° haar activiteiten voor de bepaling van de samenstelling van de melk uitoefenen in Vlaanderen;
3° in de statuten vastleggen dat in de beleidsorganen pariteit is tussen vertegenwoordigers van de producenten en vertegenwoordigers van de kopers;
4° beschikken over voorschriften die voor de bepaling van de samenstelling van melk onder meer de volgende aspecten beschrijven :
a) de wijze van bemonstering;
b) de wijze waarop analyses worden uitgevoerd;
c) de interpretatie van de resultaten;
d) de manier waarop de resultaten worden meegedeeld;
e) de procedure om betwistingen te regelen;
f) de geschillenprocedure, vermeld in artikel 5, § 2, vierde lid;
5° geaccrediteerd zijn volgens de Europese norm EN ISO/IEC 17025 voor de analyses die uitgevoerd worden in het kader van de controle van de samenstelling van de melk, vermeld in artikel 3, § 3, eerste lid;
6° deelnemen aan de wetenschappelijke begeleiding, georganiseerd en uitgevoerd door het ILVO. De minister stelt de voorwaarden van die wetenschappelijke begeleiding vast;
7° de verslagen van de vergaderingen van de algemene vergadering en van de raad van bestuur bezorgen aan de bevoegde entiteit;
8° zich onderwerpen aan het toezicht, de controlemaatregelen en de instructies van de bevoegde entiteit.

In afwijking op het eerste lid, 2°, kan een interprofessioneel organisme de uitvoering van die bepaling overdragen aan een ander interprofessioneel organisme die in Vlaanderen niet erkend is, als die laatste :
1° door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen erkend is volgens het koninklijk besluit van 21 december 2006 betreffende de controle van de kwaliteit van de rauwe melk en de erkenning van de interprofessionele organismen;
2° geaccrediteerd is volgens de Europese norm EN ISO/IEC 17025 voor de analyses die uitgevoerd worden in het kader van de controle van de samenstelling van de melk, vermeld in artikel 3, § 3, eerste lid.

Het erkende interprofessioneel organisme bezorgt jaarlijks aan de bevoegde entiteit een lijst met de overgedragen producenten en de betrokken interprofessionele organisaties.

Elke wijziging die een erkend interprofessioneel organisme aanbrengt aan de voorschriften, vermeld in het eerste lid, 4°, moet vooraf meegedeeld worden aan de minister.

Het ILVO legt de wijze waarop de wetenschappelijke begeleiding wordt uitgevoerd vast in een document dat door de minister goedgekeurd wordt. Elke wijziging van dat document wordt vooraf door de minister goedgekeurd.

 § 1/1. Het erkende interprofessionele organisme kan het bedrag van een inhouding ten laste van de producenten vaststellen om zijn activiteiten in het kader van dit besluit te financieren.

§ 2. De overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 maart 1994 betreffende de erkenning van interprofessionele organismen voor het bepalen van de kwaliteit en de samenstelling, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 3 september 2000 en het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, erkende professionele organismen behouden deze erkenning en worden gelijkgesteld met een overeenkomstig § 1 erkend interprofessioneel organisme.

§ 3. Bij ontstentenis van een erkend interprofessioneel organisme kan een erkenning verleend worden aan een andere organisatie die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, met uitzondering van de voorwaarde, vermeld in punt 3°.

§ 4. De minister heft de erkenning van een interprofessioneel organisme of organisatie op als ze niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in § 1, en nadat de volgende procedure doorlopen is.

De minister deelt de redenen voor de opheffing van de erkenning per aangetekende brief mee aan de organisatie in kwestie. Die beschikt, op straffe van verval, over vijftien werkdagen om met een aangetekende brief haar bezwaren kenbaar te maken en, in voorkomend geval, te verzoeken om gehoord te worden of verbeteringen voor te stellen om tegemoet te komen aan de ingeroepen redenen.

Daarna beschikt de minister over dertig werkdagen om, in voorkomend geval, de belanghebbende te horen, een beslissing te nemen en die met een aangetekende brief mee te delen.

HOOFDSTUK V. Betaling van melk

Artikel 7. (31/12/2007- ...)

De minister kan criteria vastleggen die de koper moet respecteren bij de betaling van de melk aan de producent.

Artikel 8. (31/12/2007- ...)

De minister kan de voorschriften vaststellen voor de melkafrekeningen.

HOOFDSTUK VI. Strafbepalingen

Artikel 9. (31/12/2007- ...)

Overtredingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten en van het koninklijk besluit van 15 mei 2001 betreffende de administratieve geldboeten, vermeld in artikel 8 van de wet van 28 maart 1975.

HOOFDSTUK VII. Opheffingsbepalingen

Artikel 10. (31/12/2007- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 3 maart 1994 betreffende de erkenning van interprofessionele organismen voor het bepalen van de samenstelling van melk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 september 2000 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006;
2° het koninklijk besluit van 7 maart 1994 betreffende de erkenning van melkinrichtingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 mei 1995, 8 augustus 1997, 17 september 2000 en 22 december 2005, en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006;
3° het koninklijk besluit van 17 maart 1994 betreffende de productie van melk en tot instelling van een officiële controle van melk geleverd aan kopers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 1996, 3 september 2000 en 10 oktober 2005.

HOOFDSTUK VIII. Overgangsbepalingen

Artikel 11. (31/12/2007- ...)

Volgende ministeriële besluiten, die uitvoering geven aan de bij artikel 10 opgeheven koninklijke besluiten, blijven van toepassing, voor zover ze niet strijdig zijn met dit besluit en voor zover ze niet uitdrukkelijk door de minister worden opgeheven :
1° het ministerieel besluit van 17 maart 1994 betreffende de officiële bepaling van de kwaliteit en de samenstelling van melk geleverd aan kopers, laatst gewijzigd bij ministerieel besluit van 19 mei 2006;
2° het ministerieel besluit van 6 november 2001 tot vaststelling van de referentiemethoden en de principes van de routinemethoden voor de officiële bepaling van de kwaliteit en de samenstelling van melk geleverd aan kopers.

Artikel 12. (31/12/2007- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, is belast met de uitvoering van dit besluit.