Ministerieel besluit houdende uitvoering van een aantal bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode

Datum 21/12/2007

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse minister Van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,

Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode, inzonderheid op artikel 1, 1°, en 22°, artikel 4, artikel 15, artikel 21, § 3, artikel 31, artikel 32, § 1, derde lid en artikel 51;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004, 15 oktober 2004, 23 december 2004, 19 mei 2006, 30 juni 2006 en 1 september 2006,

Besluit :

Artikel 1. (01/01/2020- ...)

De vrijgestelde inkomens, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode, hierna het besluit te noemen, worden gelijkgesteld met de vrijgestelde bestaansmiddelen, vermeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

De effectief betaalde schuldaflossingen, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1°, van het besluit, die in aanmerking komen voor de berekening van het actueel besteedbaar inkomen zijn de volgende :
1° de achterstallige schulden die betaald zijn ten gevolge van een collectieve schuldenregeling als vermeld in artikel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de achterstallige schulden die betaald zijn in het kader van budgetbegeleiding of budgetbeheer bij een OCMW of een andere door de Vlaamse Gemeenschap erkende instelling voor schuldbemiddeling.

Als de effectief betaalde alimentatievergoedingen in aanmerking worden genomen, moet de persoon die zich wil inschrijven of de kandidaat-huurder, enerzijds het bedrag van de verschuldigde alimentatievergoedingen ten gunste van de partner of kinderen via een vonnis van de rechtbank of via een notariële akte bewijzen en anderzijds de betaling van het bedrag.

Artikel 2. (01/01/2020- ...)

Ter uitvoering van artikel 1, eerste lid, 19°, c), van het besluit, wordt als persoon ten laste beschouwd de persoon bij wie werd vastgesteld dat :
1° ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen verminderd heeft tot één derde of minder van wat een valide persoon kan verdienen door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt;
2° ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal die van toepassing zijn inzake de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
3° ofwel hij ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing tot ten minste 66 % blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of permanent arbeidsonbekwaam wordt verklaard;
4° ofwel zijn verdienvermogen na de periode van primaire werkonbekwaamheid die voorzien is in de ziekte- en invaliditeitsverzekering, verminderd is tot een derde of minder;
5° ofwel hij volgens de kinderbijslagwetgeving recht heeft op de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap of aandoening.

De volgende attesten komen in aanmerking om als persoon ten laste, vermeld in artikel 1, eerste lid, 19°, c), van het besluit te worden beschouwd :
1° een niet vervallen attest waarin de uitbetalende instelling bevestigt dat de persoon in kwestie, voor de toepassing van de kinderbijslagwetgeving recht heeft op de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap of aandoening;
2° een niet vervallen attest van de FOD Sociale Zekerheid met vermelding dat de persoon met een handicap aan de medische voorwaarden voldoet om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (categorie 2, 3, 4 of 5) te verkrijgen, of door een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit van tenminste 66 % getroffen is;
3° een attest van het ziekenfonds met vermelding, na afloop van de periode van één jaar primaire ongeschiktheid, van de duur tijdens welke de betrokkene als « invalide » erkend werd of dat bevestigt dat de betrokkene op de datum van ingang van zijn ouderdoms- of brugpensioen, door het RIZIV erkend werd als 66 % invalide;
4° een kopie van de definitief geworden gerechtelijke uitspraak waaruit de blijvende invaliditeitsgraad blijkt;
5° voor de slachtoffers van arbeidsongevallen of beroepsziekten met een blijvende arbeidsongeschiktheid, een attest van het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, waaruit de graad van blijvende ongeschiktheid blijkt;
6° ...;
7° voor de militaire oorlogsinvaliden en de militaire invaliden in vredestijd, een attest met vermelding van de graad van invaliditeit uitgereikt door de Federale Pensioendienst, ofwel een afschrift van de laatste ministeriële beslissing waarbij het vergoedingspensioen werd toegekend, of van de door de commissie voor vergoedingspensioenen of door de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen genomen beslissing met vermelding van de totale invaliditeitsgraad;
8° voor burgerlijke oorlogsslachtoffers, een attest van de graad van invaliditeit, uitgereikt door de Federale Pensioendienst;
9° voor invalide mijnwerkers, een attest van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waaruit blijkt dat de betrokkene een invaliditeitspensioen geniet of dat hij een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % op de algemene arbeidsmarkt heeft opgelopen;
10° voor zeelieden, een attest van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder de Belgische vlag, met vermelding van de periode waarin de betrokkene als invalide is erkend of indien zij het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of beroepsziekte, een attest van dezelfde kas met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid;
11° voor de personeelsleden van de overheidsdiensten die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of beroepsziekte, een attest van de overheid die instaat voor de schadeloosstelling, met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid;
12° voor personeelsleden van de overheidsdiensten die met ziekteverlof zijn of in disponibiliteit zijn gesteld, een attest van de overheidsdienst waarvan het personeelslid afhangt, en waarin wordt bevestigd dat de betrokkene sedert meer dan één jaar op ononderbroken wijze met ziekteverlof is en/of in disponibiliteit wegens gezondheidsredenen is gesteld (met vermelding van de periode van ziekteverlof of disponibiliteit);
13° voor personeelsleden van de overheidsdienst die met vervroegd pensioen zijn gesteld, hetzij wegens lichamelijke ongeschiktheid, hetzij ambtshalve overeenkomstig artikel 83 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, een attest door de Administratieve Gezondheidsdienst waaruit blijkt dat de betrokkene is getroffen door een blijvende algemene invaliditeit van tenminste 66 %;
14° voor personeelsleden van de NMBS, een attest van het Gewestelijk Geneeskundig Centrum waarbij bevestigd wordt dat de betrokkene sedert meer dan één jaar ononderbroken arbeidsongeschikt is wegens ziekte of als hij het slachtoffer is van een arbeidsongeval of beroepsziekte, een attest van hetzelfde centrum met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid;
15° een attest van de Overzeese Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokkene sedert meer dan één jaar ononderbroken arbeidsongeschikt is wegens ziekte of een attest van dezelfde dienst met vermelding van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval of beroepsziekte.

Als de persoon geen van de attesten, vermeld in het tweede lid, kan voorleggen, moet hij een geneeskundig onderzoek aanvragen bij de FOD Sociale Zekerheid. Hij kan zich daartoe richten tot zijn gemeente.
 

Artikel 3. (01/11/2017- ...)

Ter uitvoering van artikel 30bis, vierde lid, van het besluit worden de volgende beroepsmatige, medische en persoonlijke redenen beschouwd als voldoende redenen om de opleiding Nederlands tweede taal om over de basistaalvaardigheid Nederlands te kunnen beschikken, nog niet te hebben gestart of te hebben afgerond.

Een persoon kan zich op beroepsmatige redenen beroepen als hij zich in een van de volgende situaties bevindt:
1° hij oefent een job uit waarvan de werkuren niet in overeenstemming zijn te brengen met de uren waarop een cursus Nederlands tweede taal wordt aangeboden in de omgeving waar de persoon woont. In dat geval legt de persoon een attest voor van een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, waarop vermeld staat dat er geen passend aanbod is, rekening houdend met de verplichte werkuren van de persoon;
2° hij volgt een opleiding voor de job die hij uitoefent, waarvan de opleidingsuren niet in overeenstemming zijn te brengen met de uren waarop een cursus Nederlands tweede taal wordt aangeboden in de omgeving waar de persoon woont. In dat geval legt de persoon een attest voor van een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, waarop vermeld staat dat er geen passend aanbod is, rekening houdend met de opleidingsuren van de persoon;
3° hij volgt bij de VDAB of een erkende dienst voor arbeidstrajectbegeleiding een sollicitatietraining, een praktijkgerichte opleiding, een persoonsgerichte vorming of een opleiding in een bedrijf in het kader van arbeidstrajectbegeleiding voor werkzoekenden, waarvan de opleidingsuren niet in overeenstemming zijn te brengen met de uren waarop een cursus Nederlands tweede taal wordt aangeboden in de omgeving waar de persoon woont. In dat geval legt de persoon een attest voor van een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, waarop vermeld staat dat er geen passend aanbod is, rekening houdend met de opleidingsuren van de persoon.

Met medische redenen worden de redenen, vermeld in artikel 22, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2016 houdende de uitvoering van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, hierna het Integratie- en Inburgeringsbesluit van 29 januari 2016 te noemen, bedoeld. Artikel 1, 9°, van het Integratie- en Inburgeringsbesluit van 29 januari 2016 is van toepassing.

Met persoonlijke redenen worden de volgende redenen bedoeld:
1° de redenen, vermeld in artikel 22, § 1, derde lid, van het Integratie- en Inburgeringsbesluit van 29 januari 2016;
2° het volgen van een opleiding van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, vermeld in artikel 6, 1°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Artikel 3/2. (01/11/2017- ...)

Ter uitvoering van artikel 30ter van het besluit kan de verhuurder of zijn gemachtigde in naam van een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, vaststellen dat een kandidaat-huurder of huurder de basistaalvaardigheid Nederlands verworven heeft uitsluitend als hij of zijn gemachtigde daarvoor een opleiding heeft gevolgd bij die organisatie. Die organisatie levert in dat geval een attest af aan de verhuurder of zijn gemachtigde. Het model van dat attest wordt vastgelegd in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Nadat de verhuurder of zijn gemachtigde de opleiding, vermeld in het eerste lid, heeft gevolgd, kan hij of zijn gemachtigde vaststellen of de basistaalvaardigheid Nederlands al dan niet verworven is op basis van een gesprek waarbij rekening wordt gehouden met de criteria, die zijn vastgelegd in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, organiseert minimaal één keer per jaar een opleiding voor personen die aangesteld zijn door de verhuurder of voor personen die werken bij een entiteit die door de verhuurder is gemachtigd. Op verzoek van de verhuurder kan een organisatie die belast is met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, bijkomende opleidingen organiseren.

De verhuurder of zijn gemachtigde levert na de vaststelling dat de kandidaat-huurder de basistaalvaardigheid Nederlands heeft verworven, een bewijs van basistaalvaardigheid Nederlands af aan de kandidaat-huurder. Het model van dat bewijs wordt vastgelegd in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 4. (01/01/2020- ...)

§ 1. Voor de prioriteit woonnood, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, worden maximaal twintig punten toegekend. De prioriteit woonnood bestaat uit de volgende deelaspecten :
1° een effectieve of dreigende dakloosheid;
2° wonen in een goed dat niet geschikt is voor wonen;
3° de verminderde kwaliteit of overbewoning van een woning;
4° de betaalbaarheid van de huurprijs;
5° het zelfstandig wonen of gaan wonen van een minderjarige met begeleiding door een erkende dienst.

Voor de deelaspecten, vermeld in het eerste lid, worden de volgende punten toegekend :
1° effectieve of dreigende dakloosheid :

 
a) geen huisvesting of opvang of verblijf in nachtopvang hebben 20 punten
b) een instelling of gevangenis kunnen of moeten verlaten en geen woonrecht meer hebben elders 17 punten
c) verblijf in opvangtehuis, noodwoning, crisisopvang, transitwoning of hotel 17 punten
d) verlies woonrecht en opvang bij vrienden of familie 17 punten
e) gerechtelijke uithuiszetting en betekend vonnis 17 punten
f) opzegging huurovereenkomst door eigenaar met een opzegtermijn van minder dan drie maanden of de woning verplicht en rechtsgeldig moeten verlaten binnen een termijn van minder dan drie maanden 17 punten
g) gerechtelijke uithuiszetting zonder betekend vonnis 14 punten
h) opzegging huurovereenkomst door eigenaar met een resterende opzegtermijn tussen drie en zes maanden of de woning verplicht en rechtsgeldig moeten verlaten binnen een termijn van drie tot zes maanden 14 punten

2° wonen in een goed dat niet geschikt is voor wonen :

 
a) wonen in een roerend of onroerend goed als vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, waarvoor een stakingsbevel werd uitgevaardigd als vermeld in artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet 20 punten
b) wonen in een roerend of onroerend goed als vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, waarvoor geen stakingsbevel werd uitgevaardigd als vermeld in artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet 17 punten
c) wonen op een camping zonder permanent woonrecht 17 punten
d) wonen in een niet hoofdzakelijk vergunde woning als vermeld in artikel 4.1.1, 7°, b), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 11 punten

3° verminderde kwaliteit of de overbewoning van een woning :
 
a) onbewoonbaarverklaring 20 punten
b) overbewoondverklaring 20 punten
c) ongeschiktverklaring met op het technisch verslag, opgesteld door een persoon als vermeld in artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen, minimaal drie gebreken in categorie III in de hoofdrubrieken Omhulsel en Binnenstructuur of drie gebreken in categorie IV en 60 strafpunten 17 punten
d) overschrijding van de bezettingsnorm, vermeld in de technische verslagen bij het besluit, vermeld in punt c) (deel F voor kamers en deel D voor zelfstandige woningen), vast te stellen door het sociaal verhuurkantoor of onaangepast aan de fysieke mogelijkheden van een bejaarde of van een persoon met een handicap, vast te stellen door het sociaal verhuurkantoor aan de hand van de criteria, vermeld in artikel 12 van het ministerieel besluit van 10 juni 2014 tot nadere precisering van de voorwaarden waaronder een tegemoetkoming in de huurprijs wordt verleend zoals vermeld in artikel 2, § 1, derde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders en tot vaststelling van de mobiliteitscriteria vermeld in artikel 4, § 2 van hetzelfde besluit 17 punten
e) ongeschiktverklaring 11 punten
f) ernstige gebreken aan de woning vastgesteld in een verslag van een officiële instantie (bijv. van een gemeente, woonwinkel, LOGO, politie,...) 11 punten

4° de betaalbaarheid van de huurprijs :
a) de te betalen huurprijs, verminderd met een eventuele huursubsidie, bedraagt meer dan 50 % van het actueel besteedbare inkomen 14 punten
b) de te betalen huurprijs, verminderd met een eventuele huursubsidie, bedraagt meer dan 35 % en minder dan 50 % van het actueel besteedbare inkomen 11 punten

5° het zelfstandig wonen of gaan wonen van een minderjarige met begeleiding door een erkende dienst :
a) zelfstandig wonen of gaan wonen met begeleiding door een erkende dienst 17 punten

De punten, vermeld in het tweede lid, 1°, b), kunnen slechts worden toegekend tot maximaal zes maanden nadat de kandidaat-huurder de gevangenis of de instelling kon of moest verlaten en zolang hij nog in de gevangenis of instelling verblijft.

De punten, vermeld in het tweede lid, 1°, e), en g), kunnen worden toegekend tot maximaal twaalf maanden na de datum van het vonnis.

De punten, vermeld in het tweede lid, 3°, a), c) en e), kunnen niet worden toegekend in de volgende gevallen:
1° het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring is opgeheven, tenzij de kandidaat-huurder in een noodwoning woont;
2° de kandidaat-huurder bewoont de woning niet langer, tenzij hij in een noodwoning woont;
3° de gebreken die geleid hebben tot de ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring, kunnen ten laste van de kandidaat-huurder worden gelegd.

Voor de situatie, vermeld in het tweede lid, 3°, f), kunnen alleen punten worden toegekend als het verslag, opgemaakt door een officiële instantie, niet ouder is dan zes maanden. De kandidaat-huurder bewoont de woning op het moment van het onderzoek door een officiële instantie. De punten worden niet toegekend als de kandidaat-huurder de woning niet langer bewoont, tenzij de kandidaat-huurder in een noodwoning woont. Ze worden ook niet toegekend als de ernstige gebreken van de woning ten laste van de kandidaat-huurder worden gelegd.

De kandidaat-huurder kan via een verklaring op erewoord bewijzen dat de gebreken, vermeld in het vijfde lid, 3°, en het zesde lid, niet ten laste van hem kunnen worden gelegd.

Eenzelfde roerend of onroerend goed kan maar eenmaal aanleiding geven tot een puntentoekenning.

Voor de toepassing van het tweede lid, 4°, wordt het actuele besteedbare inkomen van de alleenstaande kandidaat-huurder of van de kandidaat-huurders genomen.

§ 2. Voor de prioriteit kinderlast, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, kunnen maximaal zes punten worden toegekend. Per kind, inclusief de kinderen die geplaatst zijn of waarvoor de kandidaat-huurder een co-ouderschap of een omgangsrecht heeft en die daardoor niet permanent in de woning zullen verblijven, wordt een punt toegekend.

§ 3. Voor de prioriteit het actueel besteedbaar inkomen, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, worden minimaal vijf punten en maximaal twintig punten toegekend overeenkomstig de volgende tabel :
1° actueel besteedbaar inkomen alleenstaande kandidaat-huurder:
 
a) tot en met 50 euro boven het toepasselijke leefloon 20 punten
b) hoger dan het bedrag, vermeld in punt a), tot en met 150 euro boven het leefloon 17 punten
c) hoger dan het bedrag, vermeld in punt b), tot en met 300 euro boven het leefloon 14 punten
d) hoger dan het bedrag, vermeld in punt c), tot en met 500 euro boven het leefloon 11 punten
e) hoger dan het bedrag, vermeld in punt d), tot en met 700 euro boven het leefloon 8 punten
f) hoger dan het bedrag, vermeld in punt e) 5 punten

2° actueel besteedbaar inkomen kandidaat-huurders:
 
a) tot en met 120 euro boven het toepasselijk leefloon 20 punten
b) hoger dan het bedrag, vermeld in punt a), tot en met 240 euro boven het leefloon 17 punten
c) hoger dan het bedrag, vermeld in punt b), tot en met 420 euro boven het leefloon 14 punten
d) hoger dan het bedrag, vermeld in punt c), tot en met 660 euro boven het leefloon 11 punten
e) hoger dan het bedrag, vermeld in punt d), tot en met 900 euro boven het leefloon 8 punten
f) hoger dan het bedrag, vermeld in punt e) 5 punten


De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex (basis 2004), naar het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het vorige jaar en met als basis het gezondheidsindexcijfer van juni 2013 (121,01). Het resultaat wordt telkens afgerond naar het eerstvolgende natuurlijke getal.

§ 4. Aan de prioriteit de mutatievraag van een zittende huurder van de verhuurder, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, worden zeven punten toegekend.

In afwijking van het eerste lid worden zeventien punten toegekend aan de zittende huurder die de aangeboden begeleiding door de erkende welzijnsinstantie in de kamer, vermeld in artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren, niet langer nodig heeft en bijgevolg de kamer moet verlaten.

In afwijking van het eerste lid worden veertien punten toegekend aan de zittende huurder van de verhuurder als de sociale huurwoning niet meer voldoet aan de rationele bezetting.

§ 5. Aan de optionele prioriteit het aantal jaren dat de kandidaat-huurder in het inschrijvingsregister ingeschreven is, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, worden maximaal drie punten toegekend.

Als de verhuurder de prioriteit, vermeld in het eerste lid, toepast, bepaalt hij de periode waarin de kandidaat-huurder onafgebroken in het inschrijvingsregister ingeschreven moet zijn om van deze prioriteit gebruik te kunnen maken.

§ 6. Aan de optionele prioriteit het aantal jaren dat de kandidaat-huurder in de gemeente of in het werkingsgebied verblijft, vermeld in artikel 21, § 3, eerste lid, van het besluit, worden maximaal zes punten toegekend. De verhuurder kan die punten verdelen door een aantal punten toe te kennen voor het inwoner zijn van de gemeente en een aantal punten voor het inwoner zijn van het werkingsgebied.

De verhuurder kan aan de kandidaat-huurder die inwoner is van de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is, of aan de kandidaat-huurder die inwoner is van het werkingsgebied van de verhuurder, maximaal zes punten toekennen.

In het tweede lid wordt verstaan onder inwoner van de gemeente of het werkingsgebied :
1° de persoon die op het ogenblik van de toewijzing effectief verblijft in de gemeente of het werkingsgebied;
2° de persoon die in de periode van zes jaar vóór de toewijzing ingeschreven is of geweest is in het bevolkingsregister, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen van de gemeente of van een van de gemeenten van het werkingsgebied.

§ 7. De totale puntenscore wordt gevormd door de som van het aantal punten dat de kandidaat-huurder scoort per prioriteit, vermeld in paragraaf 1 tot en met 6. Binnen iedere prioriteit is er geen cumulatie van punten mogelijk en geldt de hoogste puntenscore die op de kandidaat-huurder van toepassing is.

Als een kandidaat-huurder een tweede keer het aanbod van een woning die aan zijn keuze qua ligging, type en maximale huurprijs beantwoordt, weigert met ongegronde redenen, wordt zijn totale puntenscore verminderd met drie punten. Die vermindering vervalt na een jaar te rekenen vanaf de datum van de tweede ongegronde weigering.

 

Artikel 5. (01/01/2008- ...)

Met uitvoering van artikel 31 van het besluit kan er worden afgeweken van de typehuurovereenkomst als bijlage I bij het besluit gevoegd, als de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning waarover de verhuurder slechts voor een beperkte termijn beschikt. De duur van de huur is in dat geval gelijk aan de termijn waarbinnen de verhuurder nog over de woning beschikt.

Artikel 6. (01/01/2020- ...)

§ 1. Tot de basisbegeleidingstaken, vermeld in artikel 29bis, van het besluit, die behoren tot de bevoegdheid van de verhuurder, worden de volgende taken gerekend :
1° personen die zich willen inschrijven, laagdrempelig en klantvriendelijk onthalen ongeacht hun woonplaats, geslacht, nationaliteit, etnische afkomst, hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en hen begrijpelijk informeren over de mogelijkheden en de voorwaarden van het huren van een sociale woning en het gevolgde toewijzingssysteem;
2° personen die zich willen inschrijven, informeren over het woningpatrimonium ten einde hen te ondersteunen bij het maken van een woningkeuze;
3° personen die zich willen inschrijven, begeleiden en ondersteunen bij het in orde brengen van hun inschrijvingsdossier;
4° personen die zich willen inschrijven, kandidaat-huurders en huurders begrijpelijk informeren over de rechten en plichten van de huurder en van de verhuurder;
5° kandidaat-huurders en huurders begrijpelijk informeren en hen vertrouwd maken met de bestaande klachtenprocedure;
6° kandidaat-huurders en huurders een toegankelijk en laagdrempelig aanspreekpunt bieden bij wie ze op een eenvoudige wijze terecht kunnen met hun vragen, problemen of klachten;
7° huurders die moeilijkheden ondervinden om aan hun huurdersverplichtingen te voldoen, hierover tijdig aanspreken en in overleg met de betrokkene zoeken naar een oplossing, en waar nodig doorverwijzen naar een welzijns- of gezondheidsvoorziening;
8° huurders met huurachterstallen tijdig en nauwgezet opvolgen en zonodig, in overleg met de betrokkene, naar een welzijns- of gezondheidsvoorziening voor budgetbegeleiding doorverwijzen;
9° huurders met specifieke ondersteunings- of begeleidingsnoden in overleg met de betrokkene doorverwijzen naar een welzijns- of gezondheidsvoorziening;
10° bemiddelen bij conflicten tussen huurders of bij samenlevingsproblemen en in overleg met de betrokkenen zoeken naar oplossingen;
11° huurdersvergaderingen organiseren waar ruimte wordt gecreëerd voor mogelijke problemen of bedenkingen van de huurders en waar samen met de betrokkenen gezocht wordt naar oplossingen;
12° huurdersvergaderingen organiseren om huurders te informeren over en nauw te betrekken bij noodzakelijke verhuisbewegingen omwille van renovaties of van andere, voor de bewoners ingrijpende veranderingen;
13° initiatieven nemen om het informeren van en communiceren met de huurders mogelijk te maken en te bevorderen;
14° constructieve huurdersinitiatieven ondersteunen en begeleiden in overleg met de betrokkenen.

§ 2. Voor de sociale verhuurkantoren behoren de volgende taken bijkomend tot de basisbegeleidingstaken :
1° personen die zich willen inschrijven, gericht doorverwijzen naar andere instanties die mogelijks een antwoord kunnen bieden op (een deel van) hun woonvragen of -problemen;
2° huurders begrijpelijk informeren over de bestaande tegemoetkomingen en ondersteuningsmogelijkheden en hen begeleiden en ondersteunen bij het indienen van een aanvraag;
3° huurders regelmatig opvolgen - onder meer via periodieke huisbezoeken - zodat eventuele moeilijkheden of problemen tijdig worden onderkend en in overleg met de betrokkene gezocht kan worden naar oplossingen;
4° huurders die moeilijkheden ondervinden om aan hun huurdersverplichtingen te voldoen, tijdig en nauwgezet begeleiden en ondersteunen en dit steeds in overleg met de betrokkene;
5° open staan voor of het initiatief nemen tot cliëntoverleg met welzijns- of gezondheidsvoorzieningen waar huurders in begeleiding zijn teneinde de begeleiding op mekaar af te stemmen en te optimaliseren;
6° bemiddelen bij conflicten gerelateerd aan het wonen tussen de huurder en andere bewoners van het pand en in overleg met de betrokkenen zoeken naar oplossingen;
7° bevorderen van de zelfredzaamheid van de huurders.
 

Artikel 7. (01/01/2008- ...)

§ 1. Voor woningen die het sociaal verhuurkantoor huurt, om ze onder te verhuren met toepassing van artikel 1717, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek is de huurprijs die wordt aangerekend aan de onderhuurder, verder onderhuurprijs, niet hoger dan de huurprijs die het sociaal verhuurkantoor betaalt aan de eigenaar-verhuurder.

In afwijking van het eerste lid, wordt de onderhuurprijs verhoogd met de renovatiekosten gemaakt door het sociaal verhuurkantoor op de volgende wijze. De totale som van de renovatiekosten, verminderd met eventuele subsidies of tegemoetkomingen voor deze werken, wordt gedeeld door het aantal resterende maanden van de hoofdhuurovereenkomst afgesloten door het sociaal verhuurkantoor en de eigenaar-verhuurder.

In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van het tweede en zesde lid, kan het sociaal verhuurkantoor de onderhuurprijs verhogen, in de volgende gevallen, ofwel :
1° als de onderhuurprijs minder bedraagt dan de hierna vermelde huurprijzen :
a) 100 euro voor een woning zonder afzonderlijke slaapkamers;
b) 125 euro voor een woning met 1 slaapkamer;
c) 150 euro voor een woning met 2 slaapkamers;
d) 175 euro voor een woning met 3 slaapkamers;
e) 200 euro voor een woning met 4 slaapkamers, ofwel;
2° als de raad van bestuur van het sociaal verhuurkantoor dit beslist mits een grondige motivatie.

Als het derde lid, 1°, van toepassing is, kan de onderhuurprijs verhoogd worden tot de toepasselijke bedragen, vermeld in het derde lid, 1°.

Als het derde lid, 2°, van toepassing is, kan de onderhuurprijs maximaal 5 % verhoogd worden. Die verhoging kan zowel toegepast worden op bepaalde woningen als op het volledige patrimonium.

De verhogingen, vermeld in het vierde en vijfde lid, worden beperkt tot de huurprijs, vermeld in artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders.

§ 2. Voor de woningen waarover het sociaal verhuurkantoor krachtens een erfpacht of een ander zakelijk recht beschikt, wordt de huurprijs vastgesteld door het sociaal verhuurkantoor, rekening houdend met :
1° de vergoeding die het sociaal verhuurkantoor betaalt aan de eigenaar;
2° de afschrijving van de eventuele renovatiekosten, verminderd met eventuele subsidies of tegemoetkomingen voor deze werken, gemaakt door het sociaal verhuurkantoor;
3° de kosten en de risico's waarvoor het sociaal verhuurkantoor instaat ten gevolge van de erfpachtovereenkomst of overeenkomst tot het instellen van een zakelijk recht, met uitsluiting van de kosten die ten laste van de huurder vallen overeenkomstig artikel 1728ter van het Burgerlijk wetboek.

Het sociaal verhuurkantoor kan de huurprijs zoals vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, verhogen overeenkomstig § 1, derde tot en met zesde lid.

Op de woningen, vermeld in het eerste lid, waarvoor door het sociaal verhuurkantoor slechts een symbolische of geen vergoeding wordt betaald aan de eigenaar, is, in afwijking van het eerste lid, § 3 van toepassing.

§ 3. Voor de woningen die in eigendom zijn van het sociaal verhuurkantoor, bepaalt het sociaal verhuurkantoor zelf de huurprijs, rekening houdend met de betaalbaarheid voor de huurder, de onderhuurprijzen van andere door het sociaal verhuurkantoor of andere sociale verhuurkantoren in de regio verhuurde vergelijkbare woningen, de renovatiekosten, verminderd met eventuele subsidies of tegemoetkomingen voor deze werken, gemaakt door het sociaal verhuurkantoor, en eventuele afschrijvingen van investeringen en binnen de grenzen, vermeld in het tweede lid.

De huurprijs is maximaal gelijk aan de huurprijs, vermeld in artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 tot instelling van een tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders.

§ 4. Op de bedragen, vermeld in dit artikel, is artikel 56 van het besluit, van toepassing.

Artikel 7/1. (23/12/2013- ...)

Ter uitvoering van artikel 40 van het besluit, worden de geschatte marktwaarden telkens op 1 januari geactualiseerd. Met uitzondering van de marktwaarden waarvan de schatting in 2008 heeft plaatsgevonden, worden de geschatte marktwaarden geactualiseerd door ze aan te passen aan de evolutie van de gezondheidsindex (basis 2004),
naar het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het vorige jaar en met als basis het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de schatting heeft plaatsgevonden. De marktwaarden waarvan de schatting in 2008 heeft plaatsgevonden, worden geactualiseerd door de geschatte marktwaarden aan te passen aan de evolutie van de gezondheidsindex (basis 2004) naar het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het vorige jaar en met als basis het gezondheidsindexcijfer van juni 2008 (110,62). Het resultaat wordt telkens afgerond naar het eerstvolgende natuurlijke getal.

Artikel 8. (01/01/2008- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008.

BIJLAGE 1 (01/11/2017- ...)

Attest van deelname aan de opleiding, vermeld in artikel 30ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode.

BIJLAGE 2 (01/11/2017- ...)

Criteria, vermeld in artikel 3/2, § 1
 

Algemeen Grammatica Woordenschat Inhoud
Kan een eenvoudig vraaggesprek voeren over zichzelf en zijn onmiddellijke omgeving met een erg ondersteunende gesprekspartner, waarbij elementaire taalfouten en moeilijke uitspraak voorkomen, waardoor de boodschap verstoord kan worden. De meeste zinnen bevatten een onderwerp en een werkwoord. De werkwoorden zijn niet noodzakelijk correct vervoegd. De woordenschat is beperkt tot concrete en dagelijkse woorden. Er kunnen woorden uit een andere taal gebruikt worden. Het vraaggesprek gaat over eenvoudige situaties. Zonder sturing en vragen van de gesprekspartner komt de boodschap niet over.

BIJLAGE 3 (01/11/2017- ...)

Bewijs van de basistaalvaardigheid Nederlands, vermeld in artikel 3/2, § 3