Omzendbrief BA-2006/03 betreffende de toepassing van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en de uitvoeringsbesluiten

Datum 10/03/2006

Algemene info

Datum staatsblad 07/04/2006
Pagina staatsblad 19524
Datum inwerkingtreding 17/04/2006

Relaties

Relaties naar documenten

Type Datum Opschrift Datum BS Pagina BS
Gewijzigd bij 06/06/2008 Omzendbrief Omzendbrief BB 2008/04. - Wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, bij het decreet van 18 april 2008 14/07/2008 36888
Zie ook 16/01/2004 Decreet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging 10/02/2004 7666

Inhoud

(24/07/2008- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 06/06/2008 Omzendbrief Omzendbrief BB 2008/04. - Wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, bij het decreet van 18 april 2008

Inhoud

aantal jaren van de nieuwe concessietermijn die de lopende<br>concessietermijn overschrijdt

Aan de heren Provinciegouverneurs,
Aan de Dames en heren Burgemeesters en Schepenen,
Aan de Dames en heren voorzitters van de intercommunales

Inhoud

Inleiding juridische achtergrond

I. Gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen en crematoria

II. Concessies
1. Voorwerp van de concessie
2. Bevoegdheid tot het toekennen van concessies (artikel 6, eerste en tweede lid)
3. De begunstigden van een concessie (artikel 6, derde en vierde lid)
4. Duur - verschuldigd bedrag - voorwaarden voor het toekennen van een concessie artikelen 7, 5 1, en 8)
5. Hernieuwing van een concessie (artikel 7, § 2 en § 3)
a. Hernieuwing zonder bijzetting (artikel 7, § 2)
b. Hernieuwing met bijzetting (artikel 7, 5 3)
6. Altijddurende concessies (artikel 9)
7. Afschaffing van de concessie (artike110)

III. Kisting en vervoer van lijken
1. Kisting binnen het Vlaamse Gewest (artikelen 11 en 12)
2. Het lijkenvervoer binnen het Vlaamse Gewest (artikel 13)
3. Kisting en vervoer van een stoffelijk overschot naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest
4. Kisting en vervoer van het stoffelijk overschot naar het buitenland
a. Kisting en vervoer binnen de Benelux
b. Kisting en vervoer van of naar één van de landen die gebonden zijn door de Overeenkomst van Straatsburg
c. Kisting en vervoer naar een ander land
5. Lijkbezorging van behoeftigen (artikel 14)
6. Schriftelijke kennisgeving wan de laatste wilsbeschikking
7. Begraving of crematie van levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens nog niet hebben bereikt

IV. Begraving (artikelen 16 - 18)

V. Crematie (artikelen 19 - 24)
1. Toestemming tot crematie
2. Crematie na opgraving
3. Bestemming van de as (artikel 24)
a. Begraving van de asurn op de begraafplaats
b. Bijzetting van de asurn in het columbarium van de begraafplaats
c. Uitstrooiing van de as op het daartoe bestemd penceel van de begraafplaats
d. Uitstrooiing van de as op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee
e. Uitstrooiing van de as op een andere plaats dan de begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee
f. Begraving van de as op een andere plaats damde begraafplaats
g. Bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats

VI. Graftekens (artikelen 25 - 26)

VII. Lijkbezorging van overledenen die tijdens hun leven een bepaalde godsdienst of overtuiging beleden

VIII. Slotbepalingen

Inleiding : juridische achtergrond

Vanaf 1 januari 2002 zijn de gewesten bevoegd voor de materie van de begraafplaatsen en de lijkbezorging, met toepassing van artikel 6, § 1, VIII, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tourvorming der instellingen, zoals vervangen door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. Deze materie wordt voor het Vlaamse Gewest geregeld door het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging. Dit decreet is in het Belgisch Staatsblad van 10 februari 2004 bekendgemaakt en is op 1 juli 2004 inwerking getreden. Het decreet heft de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, op, met uitzondering van de artikelen 15bis, § 2, tweede lid, 23bis en 32. Het decreet van 10 november 2005 wijzigt artikel 19, § 1, van het decreet van 16 januari 2004, dit aangaande de toestemming tot crematie van een persoon overleden in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest en die in het Vlaamse Gewest wordt gecremeerd (Belgisch Staatsblad van 15 december 2005) (zie punt V.1).

Er zijn drie uitvoeringsbesluiten op het decreet van 16 januari 2004.

Het eerste betreft het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria (Belgisch Staatsblad van 28 juni 2004), dat op 1 juli 2004 inwerking is getreden. Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 (Belgisch Staatsblad van 11 januari 2006) wijzigt artikel 8, eerste lid, van het besluit van 14 mei 2004, dit inzake de opgraving van een stoffelijk overschot (zie punt I.7).

Het tweede is het besluit wan de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden (Belgisch Staatsblad van 15 december 2005), dat op 25 december 2005 inwerking is getreden.

Het derde is het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2006 tot vaststelling van de wijzen van lijkbezorging, de asbestemming en de rituelen van de levensbeschouwing voor de uitvaartplechtigheid die kunnen opgenomen worden in de schriftelijke kennisgeving van de laatste wilsbeschikking die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overgemaakt worden dat inwerking treedt tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Het opzet van deze omzendbrief is de bovenstaande regelgeving nader uit te leggen en te verduidelijken.

I. Gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen en crematoria

1. Elke gemeente moet tenminste één begraafplaats hebben. Meerdere gemeenten kunnen zich evenwel verenigen om over een gemeenschappelijke begraafplaats te beschikken (artikel 2, eerste lid).

Een gemeente kan een begraafplaats hebben die zich op het grondgebied van een andere gemeente bevindt. In I, 6, tweede lid, wordt verder ingegaan op de uitoefening van het gezag, de politie en het toezicht op die begraafplaats.

2. Enkel een gemeente of een intergemeentelijke samenwerkingsverband kan een crematorium oprichten en beheren (artikel 2, tweede lid).

Het door de lokale overheid te beheren crematorium bestaat uit een openbaar gedeelte voor de ontvangst van de nabestaanden en kennissen, en een technisch gedeelte voor de beroepsmensen. Het openbare gedeelte bevat ten minste een ontvangst- en wachtlokaal voor de nabestaanden en kennissen, een lokaal waar mogelijkheid is om het ritueel van de levensbeschouwing volgens hetwelk de uitvaartplechtigheid plaats heeft te laten verlopen, en een lokaal voor de overhandiging van de as. Het technische gedeelte, dat bestemd is voor de eigenlijke verbranding, bevat ten minste een koelkamer, een lokaal voor de plaatsing van de doodskist of lijkwade en een oven. Al wat in deze ruimtes en lokalen van het openbare en het technische gedeelte plaats vindt en de verantwoordelijkheid hiervoor, behoort tot het beheer. Over de concrete en operationele invulling van het beheer zijn voor het lokaal voor de plechtigheid, afspraken met derden mogelijk die uitgaan van de beheerder zelf. In ieder geval zijn de ontvangst van een lijk, de eigenlijke verbranding en de overhandiging van de as, activiteiten die elk crematorium met eigen middelen en eigen personeel moet uitvoeren.

3. Iedere begraafplaats en ieder intergemeentelijk crematorium moeten over een urnenveld, een strooiweide en een columbarium beschikken (artikel 2, derde lid).

In afwijking hierop, kan er evenwel tussen de gemeente die een begraafplaats beheert en het intergemeentelijk samenwerkingsverband dat een aangrenzend crematorium beheert, een overeenkomst worden afgesloten waarin bepaald wordt dat het urnenveld, de strooiweide en het columbarium van de gemeentelijke begraafplaats ter beschikking van het aangrenzende intergemeentelijke crematorium wordt gesteld (artikel 2, vierde lid). Als een dergelijke overeenkomst wordt afgesloten, betekent dat het urnenveld, de strooiweide en het columbarium van de gemeentelijke begraafplaats gebruikt kunnen wonden door het aangrenzend intergemeentelijk crematorium, waardoor die laatste niet over deze faciliteiten hoeft te beschikken.

Deze overeenkomst kan bijvoorbeeld bepalen dat de concessie onder dezelfde voorwaarden moet worden verleend als voor een persoon die in de bevolkingsregisters of het vreemdelingen- of wachtregister van de gemeente van de begraafplaats is ingeschreven. Daarnaast kan ze bepalen dat de gemeente geen retributies, vergoedingen, belastingen en andere heffingen voor de begraving, de uitstrooiing of de bijzetting van de as van een overledene die in de bevolkingsregisters of het vreemdelingen- of wachtregister van een gemeente van het intergemeentelijke samenwerkingsverband dat het aangrenzend samenwerkingsverband is ingeschreven, mag vorderen van de erfgenamen, rechthebbende of zaakgelastigden.

4. Behoudens het verlenen van een concessie, is de begraving van een stoffelijk overschot of de begraving van een asurn of de bijzetting ervan in een columbarium op de gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaats kosteloos voor de personen die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen of wachtregister van de gemeente en van de gemeenten die deel uitmaken van het intergemeentelijke samenwerkingsverband. Dit geldt eveneens voor de uitstrooiing van de as (artikel 2, vijfde lid).

5. De gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband beslist autonoom of de begraafplaats moet worden omheind. In tegenstelling tot artikel 3 van de wet van 20 juli 1971 is dit niet meer verplicht. Indien beslist wordt om de begraafplaats te omheinen, dan bepaalt de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband de meest passende wijze ervoor. Daar waar er een muur rond de begraafplaats is mag die vanzelfsprekend blijven.

6. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, vallen de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria onder het gezag, de politie en het toezicht van de gemeenteoverheden.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet de politie over de begraafplaatsen worden uitgeoefend door de gemeente waarvoor die begraafplaatsen dienen, ook als ze op het grondgebied van een andere gemeente gelegen zijn.

Op de intergemeentelijke begraafplaatsen en in de intergemeentelijke crematoria worden de in artikel 4, eerste lid, vermelde bevoegdheden uitgeoefend door de overheid van de gemeente waar de begraafplaats of het crematorium ligt (artikel 4, derde lid). Deze bepaling is niets meer dan een bevestiging van de praktijk : zo wordt bijvoorbeeld op de intergemeentelijke begraafplaats van Lochristi het politietoezicht uitgeoefend door de politie van de gemeente Lochristi.

7. Als een overledene in een andere gemeente wordt herbegraven, moet de burgemeester van de gemeente waar de overledene begraven werd toestemming verlenen voor het opgraven van het stoffelijk overschot en moet de burgemeester van de gemeente waar hij wordt herbegraven een toestemming tot herbegraven geven.

De artikelen 8 tot en met 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 bevatten nadere regelen voor een opgraving.

Het verlenen van een toestemming tot opgraving door de burgemeester kan enkel om ernstige redenen. Het besluit van 14 mei 2004 voorzag oorspronkelijk dat behoudens gerechtelijk bevel een opgraving verboden was gedurende de eerste tien jaar na begraving. Het hiervoor vermelde besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 tot wijziging van het besluit van 14 mei 2004, schaft dit verbod tot opgraving gedurende de eerste tien jaar na begraving af. Bijgevolg zal de burgemeester zowel de eerste tien jaar na de begraving als daarna een toestemming tot opgraving kunnen verlenen om ernstige redenen. Het behoort tot de gemeentelijke autonomie om te bepalen wat deze ernstige redenen kunnen zijn. Als voorbeeld hierbij kan de opgraving van een stoffelijk overschot met de bedoeling het te herbegraven op een begraafplaats die dichter bij de nabestaanden gelegen is vermeld worden.

Tijdens de opgraving wordt de plaats ervan voor het publiek visueel afgeschermd. De personen die belast zijn met de opgravingwerkzaamheden moeten voldoende opgeleid zijn en moeten beschermende kledij dragen. Als wordt vastgesteld dat kledingstukken of andere omhulsels het verteringsproces ernstig vertragen moet de ondoordringbaarheid voor lucht van deze omhulsels bij herkisting worden opgeheven. Zo mogelijk wordt het storende omhulsel verwijderd.

Bij het transport van onverteerde resten wordt gebruikgemaakt van een al dan niet herbruikbare lucht en vloeistofdichte kist. Zo deze kist uitsluitend voor het vervoer is bestemd, mag deze kist vervaardigd zijn uit niet afbreekbaar materiaal.

Als de bestemming van het lijk buiten de begraafplaats van opgraving is gelegen, moet het lijk in afwachting van vervoer worden bewaard in een lucht- en lekdichte kist.

8. Voor de sluiting van oude begraafplaatsen moet de volgende procedure gevolgd worden (artikel 5) :

a. Er moet steeds een beslissing zijn van de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband. Die beslissing bepaalt de datum waarop niet meer begraven mag worden. De mogelijke procedure om zonder expliciete beslissing een begraafplaats te sluiten, zoals vastgesteld in de wet van 20 juli 1971, wordt niet meer toegestaan.

b. Die beslissing wordt bekendgemaakt door een afschrift ervan uit te hangen aan de ingang van de begraafplaats. De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband mag uiteraard ook in extra manieren van bekendmaking voorzien, zonder dat dit een verplichting is.

c. Oude begraafplaatsen, waar zich nog stoffelijke overschotten bevinden, worden in de staat gelaten waarin zij zich bevinden. Gedurende ten minste tien jaar, na de laatste begraving, mag er volstrekt geen gebruik van worden gemaakt. Na verloop van die termijn kan de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband beslissen een andere bestemming aan de begraafplaats te geven. Dit kan aan de hand van het volgende voorbeeld geïllustreerd worden : de laatste begraving dateert van 1 februari 2000 en de beslissing tot stopzetting van begraving werd op 1 februari 2003 genomen, men kan dus vanaf 1 februari 2010 een nieuwe bestemming aan de begraafplaats geven.

Ingeval een begraafplaats wordt ontruimd moet voor de geconcedeerde graven op de nieuwe begraafplaats een perceel van dezelfde grootte als het geconcedeerde perceel worden voorbehouden als enige belanghebbende daartoe een aanvraag indient.

De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepaalt de voorwaarden van overbrenging. De belanghebbenden moeten nooit de overbrenging van de stoffelijke resten vergoeden. De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband kan beslissen dat de kosten van overbrenging van de graftekens en die van het eventueel bouwen van een nieuwe grafkelder ten laste vallen van de belanghebbenden die de overbrenging hebben aangevraagd.

II. Concessies

1. Voorwerp van de concessie

De begraving van een stoffelijk overschot, de begraving van een asurn en de bijzetting van een asurn in een columbarium kunnen het voorwerp uitmaken van een concessie. De uitstrooiing van de as op het daartoe bestemde perceel van de begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee kan uiteraard niet het voorwerp van een concessie vormen.

Het beginsel van de gelijkheid tussen begraving en crematie vereist dat, als de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband concessies voor de begraving van stoffelijke overschotten verlenen, ze tevens concessies voor de begraving van asurnen en de bijzetting ervan in columbaria moeten verlenen.

2. Bevoegdheid tot het toekennen van concessies (artikel 6. eerste en tweede lid)

Het is de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband die op de gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen, grafconcessies of concessies voor columbaria verlenen. Als het gaat om een gemeentelijke begraafplaats kan de gemeente die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen delegeren. Die delegatie van bevoegdheid geldt eveneens voor het hernieuwen van de concessies en voor de terugneming van de verwaarloosde concessies.

3. De begunstigden van een concessie (artikel 6. derde en vierde lid)

Eenzelfde concessie kan dienen voor de aanvrager, zijn echtgenoot, zijn bloed- of aanverwanten evenals voor allen daartoe aangewezen door de concessiehouder en die daartoe bij de gemeentelijke overheid hun wil te kennen hebben gegeven. Wanneer iemand overlijdt terwijl hij op dat ogenblik een feitelijk gezin vormde, kan de overlevende een concessie aanvragen.

Een concessieaanvraag mag worden ingediend ten behoeve van een derde en van diens familie.

Het begrip "feitelijk gezin" is moeilijk eenduidig te definiëren. Het kan in elk geval ook twee mensen van hetzelfde geslacht inhouden. De gemeenteoverheid of het intergemeentelijke samenwerkingsverband dient het bestaan van het feitelijke gezin na te gaan aan de hand van ondermeer de volgende indicatoren :
- de partners zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen of wachtregister,
- de partners zijn niet ingeschreven op hetzelfde adres in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister, maar uit andere indicatoren, bijvoorbeeld het hebben van gemeenschappelijke kinderen, blijkt dat zij een feitelijk gezin vormen. Als de partners niet ingeschreven zijn op hetzelfde adres in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister en geen gemeenschappelijke kinderen hebben kunnen er ook andere indicatoren zijn waaruit bijkt dat zij een feitelijk gezin vormen.

Bijgevolg is het ingeschreven zijn op hetzelfde adres in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister een aanduiding van het bestaan van een feitelijk gezin, zonder dat dit een noodzakelijke voorwaarde moet zijn. Personen die niet ingeschreven zijn op hetzelfde adres kunnen ook een feitelijk gezin vormen als dit blijkt uit andere aanwijzingen.

Bij geschillen over wie in een concessie begraven mag worden komt het aan de meest gerede partij toe om de zaak ter beoordeling aan de rechtbank van eerste aanleg voor te leggen of, in geval van hoogdringendheid, aan de voorzitter van de rechtbank die zetelt in kortgeding. Een rechtspersoon kan ook een concessie aanvragen.

4. Duur. verschuldigde bedrag en voorwaarden voor het toekennen van een concessie (artikelen.7, § 1 en 8)

Niet het college van burgemeester en schepenen, maar de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband stelt de duur, het verschuldigde bedrag en de voorwaarden voor het toekennen van een concessie vast. Met betrekking tot de duur worden de concessies voor een maximumtermijn van vijftig jaar toegekend.

5. Hernieuwing van een concessie (artikel 7, § 2 en § 3)

Voor de hernieuwing van een concessie moet een onderscheid gemaakt worden tussen een hernieuwing zonder bijzetting en een hernieuwing met bijzetting.

a Hernieuwing van een concessie (artikel 7, § 2 en § 3)

De opeenvolgende hernieuwingen zonder bijzetting kunnen enkel geweigerd worden als blijkt dat op het moment van de aanvraag de concessie verwaarloosd is. De duur van de hernieuwingen wordt door de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepaald. Die duur kan dezelfde als de initiële zijn, maar ze kan ook korter of langer zijn, met dien verstande dat ze nooit meer dan vijftig jaar mag bedragen. Na het overlijden van de concessiehouder kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon een aanvraag tot hernieuwing doen.

Het decreet voorziet in een specifieke verplichting voor de overheid bij het einde van de initiële concessie en de eventuele hernieuwing en) ervan. Minstens een jaar voor het verstrijken van de (hernieuwde) concessie moet de burgemeester of zijn gemachtigde, of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband, een akte opmaken waarin wordt gesteld dat een aanvraag om hernieuwing moet worden ingediend wil men de concessie hernieuwen. Een afschrift van die akte wordt een jaar lang zowel bij het graf als aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt. Niets belet dat de gemeenteoverheid of het intergemeentelijke samenwerkingsverband in extra middelen van bekendmaking kan voorzien, maar die worden door het decreet niet verplicht.

b. Hernieuwing met bijzetting (artikel 7, § 3)

De concessie kan op uitdrukkelijke aanvraag voor een nieuwe periode worden hernieuwd naar aanleiding van elke nieuwe bijzetting in de concessie. Met betrekking tot de personen die een aanvraag tot hernieuwing kunnen indienen en de duur ervan, gelden dezelfde richtlijnen als bij de hernieuwing zonder bijzetting.

Indien er van de mogelijkheid tot hernieuwing van de concessie bij een bijzetting geen gebruik wordt gemaakt en indien de laatste begraving in de concessie zich voordoet minder dan tien jaar voor het verstrijken van de concessie, dan moet het graf gedurende een termijn van tien jaar behouden blijven (dit naar analogie van artikel 18, eerste lid, betreffende een niet geconcedeerd graf).

Is geen aanvraag om hernieuwing ingediend voor het vervallen van de concessie, dan vervalt de concessie. Een aanvraag tot hernieuwing van de concessie kan niet meer ingediend worden na het verstrijken van de termijn van de oorspronkelijke concessie of de hernieuwing ervan. Tevens is geen enkele nieuwe teraardebestelling toegestaan na het verstrijken van die termijn.

c. In geval van een hernieuwing van een concessie (al dan niet met bijzetting) vóór het verstrijken ervan moet het door de gemeente vereiste verschuldigde bedrag berekend worden rekening houdend met het nog te lopen aantal jaren in de bestaande concessie. Dit bedrag wordt als volgt berekend :

aantal jaren van de nieuwe concessietermijn die de lopende concessietermijn overschrijdt

x verschuldigd bedrag dat bij het totale aantal jaren van de termijn van de concessie hoort

nieuwe concessietermijn

 

Wanneer dus een hernieuwing vóór een termijn van vijftig jaar, waarvan de kostprijs bijvoorbeeld 1000 euro bedraagt, wordt aangevraagd twintig jaar vóór het verstrijken van een concessie van vijftig jaar, slaat het vereiste verschuldigde bedrag op de dertig vijftigste van het tarief voor een concessie van die duur (- 30/50 x 1000 euro, dat wil zeggen 600 euro).

6. Altijddurende concessie (artikel 9)

De altijddurende concessies zijn sinds de wet van 20 juli 1971 omgezet in concessies die om de vijftig jaar, en zonder vergoeding, hernieuwd kunnen worden. Met betrekking tot de personen die een aanvraag tot hernieuwing kunnen indienen, gelden dezelfde bepalingen als bij de hernieuwingen van niet-altijddurende concessies.

Het decreet wijzigt de procedure die voor de hernieuwing van een dergelijke concessie gevolgd moet worden. Dezelfde procedure als bij de hernieuwing van niet-altijddurende concessies moet toegepast worden. De procedure die wordt vastgesteld in de wet van 20 juli 1971, met de opsporingen van eventuele belanghebbenden, vervalt dus.

7. Afschaffing van de concessie (artikel 10)

Artikel 10 bepaalt dat verwaarlozing vaststaat als het graf doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig is. Die verwaarlozing wordt geconstateerd in een akte van de burgemeester of zijn gemachtigde of van het bevoegd orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband die een jaar lang bij de ingang van de begraafplaats en bij het graf aangeplakt blijft.

Als er, na het verstrijken van de termijn voor de aanplakking van de voormelde akte, vastgesteld wordt dat er geen enkel herstellingswerk werd uitgevoerd, dan kan er een einde gesteld worden aan het recht op de concessie. Er dient onderstreept te worden dat de terugneming van de concessie hier echter facultatief is, terwijl ze verplicht is als er geen aanvraag tot hernieuwing is. De gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband moet met grote omzichtigheid van die mogelijkheid gebruik maken. In geen geval kan er sprake zijn van terugneming als de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband zich bij contract tot het onderhouden van het graf heeft verbonden. De onderhoudsverplichting doet geen afbreuk aan de taak tot inrichting van de begraafplaatsen door de gemeentelijke of intergemeentelijke overheid. De gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband moet de orde en de openbare veiligheid op de begraafplaats handhaven, zodat ze aansprakelijk gesteld kunnen worden voor schade aan personen en monumenten ten gevolge war het gebrek aan onderhoud van geconcedeerde graven. Zo heeft de rechter geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de gemeente op het spel stond voor de schade berokkend aan een voorbijganger door een losgekomen steen van een niet onderhouden grafconcessie, aangezien deze belast is met de politie over de begraafplaatsen en derhalve moet zorgen voor het handhaven van de orde en de veiligheid op die plaatsen (Hof van Beroep Luik, 16 juni 1993).

III. Kisting en vervoer van lijken.

1. Kisting binnen het Vlaamse Gewest (artikelen 11 en 12,)

De stoffelijke overschotten moeten ofwel in een doodskist ofwel in een ander lijkomhulsel geplaatst worden.

Doodskisten, foedralen, doodswaden, en andere producten die de natuurlijke en normale ontbinding wan het lijk of de crematie beletten, zijn verboden.

Het in de inleiding vermelde besluit van de Vlaamse Regering bepaalt nadere voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden.

Artikel 28 van het besluit van 14 mei 2004 bepaalt dat zo de overledene een implantaat daagt dat werkt op een batterij, deze batterij moet worden verwijderd voor de begraving of crematie.

De meeste implantaten kunnen zonder problemen worden verwijderd. Dit geldt met name voor pacemakers, stimulatoren bij epilepsie, pijnpompjes, ea. Wanneer het toestel geen batterij bevat, zoals cochleaire implantaten, mogen zij mee worden begraven. Uitzondering op de algemene regel zijn de interne defibrillatoren. Hierbij dient volgende regeling gevolgd te worden :

De arts die de overlijdensakte tekent, is verantwoordelijk voor een veilige verwijdering van het toestel. Hij contacteert een cardioloog van het elektrofysiologische centrum waar de implanteerbare cardioverter defibrillator (IQD) werd ingeplant of dat de follow-up doet van dit toestel.

De cardioloog contacteert de firma die het toestel leverde met de vraag om in het desbetreffende lichaam het toestel af te zetten.

De afgevaardigde van de firma die het toestel afzet, geeft aan de begrafenisondernemer een document waarop geattesteerd wordt dat het toestel afstaat, samen met een recipiënt waarin het toesnel kan verstuurd worden voor veilige verwerking.

Eens afgezet kan de ICD verwijderd worden door de arts die de overlijdensakte tekent of door de begrafenisondernemer.

De eventuele kosten voor de verwijdering van, de ICD vallen ten laste van de nabestaanden.

2. Het lijkenvervoer binnen het Vlaamse Gewest (artikel 13)

Artikel 13, eerste lid, bepaalt dat het toezicht op lijkstoeten bij de gemeenteoverheid berust, die ervoor zorgt dat ze ordelijk, welvoeglijk en met de aan de doden verschuldigde eerbied verlopen.

Een gemeentelijk monopolie voor het lijkenvervoer kan niet : dat is afgeschaft door het decreet.

Niet-gecremeerde stoffelijke overschotten moeten individueel met een lijkwagen of op een passende wijze vervoerd worden (artikel 13, derde lid). Situaties waarbij verschillende stoffelijke overschotten in eenzelfde wagen vervoerd worden, stroken niet met het beginsel van de aan de doden verschuldigde eerbied en moeten vermeden worden. Als voorbeeld van het vervoeren van een niet gecremeerd stoffelijk overschot op een passende wijze, kan verwezen worden naar lokale gebruiken waarbij een begrafenisstoet gepaard gaat met het dragen van een stoffelijk overschot. Met toepassing van artikel 13, eerste lid, is het de bevoegdheid van de gemeentelijke overheid om toezicht te houden op de welvoeglijkheid van de lijkstoeten.

Het vervoer van de as is vrij, een lijkwagen is niet verplicht.

3. Kisting en vervoer van een stoffelijk overschot naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest

In punt VIII. van de omzendbrief wordt gesproken van het samenwerkingsakkoord dat de gewesten gesloten hebben betreffende de begraafplaatsen die de grenzen van een gewest overschrijden of die gelegen zijn in een ander gewest dan de gemeente waartoe ze behoren. Met betrekking tot de kisting en het vervoer van lijken geldt de regelgeving van het gewest, tot wiens grondgebied de gemeente, waar de overledene zijn woonplaats had, behoort (artikel 5 van het akkoord). Een persoon, ingeschreven in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister van een Brusselse of een Waalse gemeente en die in een Vlaamse gemeente overlijdt, moet met toepassing van dit artikel, gekist en vervoerd worden in overeenstemming met de regelgeving die respectievelijk in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest geldt. Een persoon, ingeschreven in de bevolkingsregisters,, het vreemdelingen- of wachtregister van een Vlaamse gemeente en die in een Brusselse of een Waalse gemeente overlijdt, moet overeenkomstig dit artikel gekist en vervoerd worden in overeenstemming met de regelgeving die in het Vlaamse Gewest geldt.

4. Kisting en vervoer van het stoffelijk overschot naar het buitenland

Het vervoer van de as naar het buitenland is vrij.

Voor de kisting en het vervoer van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten naar het buitenland moet het volgende onderscheid gemaakt worden :

a. Kisting en vervoer binnen de Benelux;

b. Kisting en vervoer van of naar één van de landen die gebonden zijn door de Overeenkomst van Straatsburg

c. Kisting en vervoer naar een ander land.

a. Kisting en vervoer binnen de Benelux

Dit wordt geregeld door het koninklijk besluit van 8 maait 1967 houdende reglement inzake het intra-Benelux vervoer van lijken (Belgisch Staatsblad van 23 juni 1967). Overeenkomstig artikel 3 van dit koninklijk besluit meten lijken vervoerd worden in waterdichte kisten, met een lijfwagen of een ander daartoe geëigend vervoermiddel en onder de vereiste voorwaarden van hygiëne en welvoeglijkheid. Tezamen met het lijk mogen slechts grafkransen en bloemen worden vervoerd.

Het gebruik van de nodige ontsmettingsmiddelen is verplicht wanneer het overlijden te wijten is aan een quarantenable ziekte.

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 maart 1967 bepaalt dat een door de bevoegde overheid in een der drie Beneluxlanden afgegeven vergunning tot begraven of crematie als lijkenpas dient voor het vervoer van lijken.

De in de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal uitgeschreven vergunning tot begraven of crematie, dient de naam van de overledene, de datum van overlijden en de plaats van bestemming van het lijk te vermelden.

b. Kisting en vervoer van of naar één van de landen die gebonden zijn door de Overeenkomst van Straatsburg

De Overeenkomst van 26 oktober 1973 inzake het vervoer van lijken, opgemaakt te Straatsburg, is goedgekeurd bij de wet van 20 augustus 1981 (Belgisch Staatsblad van 29 oktober 1981, erratum in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 1982).

Tot op heden hebben de volgende landen die Overeenkomst geratificeerd : België, Cyprus, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, IJsland, Letland, Luxemburg, Moldavië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Slovakije, Slovenië, Spanje, Turkije, Zweden en Zwitserland.

De Overeenkomst van Straatsburg bepaalt in de artikelen 6 en 7 het volgende inzake doodskisten :

Artikel 6. 1. De doodskist dient ondoordringbaar te zijn; bovendien dient de binnenkant een absorberend materiaal te bevatten. Indien de bevoegde autoriteiten van de Staat van vertrek zulks noodzakelijk achten, dient de doodskist te worden voorzien van een luchtfilter ten einde de inwendige en de uitwendige druk gelijk te maken.

De doodslist dient te bestaan uit :
(i) hetzij een houten buitenkist waarvan de wanden ten minste 20 mm dik zijn en een binnenkist van zorgvuldig gesoldeerd zink of van een ander zichzelf afbrekend materiaal;
(ii) hetzij alleen een houten kist waarvan de wanden ten minste 30 mm dik en die van binnen is bekleed met een zinken blad of met ander zichzelf afbrekend materiaal.

2. Indien het overlijden is veroorzaakt door een besmettelijke ziekte, wordt het lijk zelf gewikkeld in een lijkkleed dat is gedrenkt in een antiseptische oplossing. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid van dit artikel, dient de doodskist bij vervoer door de lucht een luchtfilter te bevatten of, bij gebreke hiervan, een door de bevoegde autoriteit van de Staat van vertrek als voldoend erkend weerstandsvermogen te hebben.

Artikel 7. Wanneer de doodskist als gewone vracht wordt vervoerd, dient deze zo te worden verpakt dat zij niet de aanblik van een doodskist heeft en dient erop te worden aangegeven dat zij voorzichtig moet worden behandeld.

Met toepassing van artikel 3 van deze Overeenkomst moet elk lijk tijdens het internationale vervoer vergezeld gaan van een speciaal document - "lijkenpas of laissez-passer" -, dat door de bevoegde autoriteit van de staat van vertrek wordt afgegeven. Dit document volstaat om de aspecten van het lijkenvervoer te regelen (artikel 4).

c. Kisting en vervoer naar een ander land

Duitsland heeft de Overeenkomst van Straatsburg ondertekend maar achteraf niet geratificeerd; het is dus niet gebonden door deze bepalingen. Duitsland is gebonden door het Verdrag vare Berlijn van 10 februari 1937, goedgekeurd bij de wet van 26 augustus 1938 (Belgisch Staatsblad van 9 april 1939). Aangezien België eveneens deel uit maakt van het Verdrag van Berlijn, worden de voorwaarden van overdracht van een stoffelijk overschot tussen die twee landen geregeld door dit Verdrag (de voorwaarden die dit Verdrag voor een doodskist oplegt zijn hernomen in artikel 3 in het hierna vermelde besluit van de Regent van 20 juni 1947 betreffende het vervoer van stoffelijke overschotten).

Voor andere landen, geldt het besluit van de Regent van 20 juni 1947 (Belgisch Staatsblad van 26 september 1947). Artikel 3 van dit besluit bepaalt het volgende :
« Het lijk moet gelegd worden in een metalen kist, waarvan de bodem bedekt is met een ongeveer 5 centimeter dikke laag opslorpende stof (turf, zaagmeel, fijngestampte houtskool, enz.), waaraan een bederfwerende stof is toegevoegd. Is het overlijden aan een besmettelijke ziekte te wijten, dan dient het lijk zelf gewikkeld in een lijkwade, gedrenkt met een bederfwerende oplossing.

De metalen kist moet nadien hermetisch gesloten (gelast) en derwijze in een houten kist geplaatst worden dat zij er niet in kan bewegen. De houten kist moet een dikte van ten minste 3 centimeter hebben, haar voegen moeten goed dicht zijn en ze dient gesloten door middel van schroeven die niet meer dan 20 centimeter van elkaar verwijderd zijn; ze moet door metalen banden versterkt verorden ".

Voor Duitsland is ingevolge artikel 1 van het Verdrag van Berlijn van 10 februari 1937 een geleibrief (lijkenpas of laissez-passer) nodig. Krachtens artikel 2 volstaat dit document. Voor andere landen geldt het regentbesluit van 20 juni 1947. Een lijkenpas is verplicht.

5. Lijkbezorging van behoeftigen (artikel 14).

Met toepassing van artikel 14 wordt er in een behoorlijke wijze voorzien in de lijkbezorging van behoeftigen, onverminderd de toepassing van artikel 15, § 1.

Indien de behoeftige een laatste wilsbeschikking over de wijze van lijkbezorging heeft opgesteld waarin hij kiest voor hetzij begraven, hetzij verstrooien of bewaren van de as na crematie, dan moet men die uiteraard respecteren. Kiest de behoeftige in zijn laatste wilsbeschikking bijvoorbeeld voor crematie, dan moet hij gecremeerd worden en mag men hem niet begraven omdat dit eventueel goedkoper zou zijn. Ook de eventuele laatste wilsbeschikking over het ritueel volgens dewelke de uitvaartplechtigheid dient te verlopen en alles wat zich afspeelt in het crematorium of de begraafplaats, moet gerespecteerd worden.

Bij de uitvoering van deze modaliteiten moet rekening gehouden worden met de grenzen van de redelijkheid : het kan bijvoorbeeld niet dat de behoeftige de duurste religieuze uitvaartplechtigheid of de doodskist van het duurste materiaal vraagt. De religieuze plechtigheid dient dus i.c. nageleefd te worden, zonder dat de duurste plechtigheid moet gekozen worden; hetzelfde voor de doodskist : men moet de behoeftige in een doodskist begraven - en niet in een lijkwade - maar dit hoeft niet in de duurste doodskist.

De kosten voor de behoorlijke wijze van lijkbezorging van behoeftigen komen ten laste van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar zij in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen of wachtregister zijn ingeschreven.

6. Iedereen kan tijdens zijn leven vrijwillig een schriftelijke kennisgeving van zijn laatste wilsbeschikking bezorgen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van gemeente. Die laatste wilsbeschikking kan handelen over de wijze van lijkbezorging, de asbestemming evenals het ritueel van de levensbeschouwing voor de uitvaartplechtigheid (artikel 15, § 1, eerste lid).

Onder levensbeschouwing worden alle erkende godsdiensten, namelijk de Katholieke Godsdienst, de Protestantse Godsdienst, de Anglicaanse Godsdienst, de Orthodoxe Godsdienst, de Joodse Godsdienst, de Islamitische Godsdienst, alsook de Vrijzinnige Levensovertuiging en de Neutraal Filosofische Overtuiging, gerekend.

In het in de inleiding vermelde besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2006 tot vaststelling van de wijzen van lijkbezorging, de asbestemming en de rituelen van de levensbeschouwing voor de uitvaartplechtigheid die kunnen opgenomen worden in de schrifelijke kennisgeving van de laatste wilsbeschikking die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overgemaakt worden, wordt dit alzo opgenomen.

De mogelijkheid bestaat voor de gemeenten om een ruimte waar afscheid van de overledene genomen kan worden ter beschikking van de bevolking te stellen.

Dit is geen verplichting. Het gaat eerder om een aanbeveling. Om functionele redenen lijkt het overigens aangewezen dat behalve als daarvoor voldoende belangstelling wordt vastgesteld een dergelijk lokaal niet permanent als afscheidsruimte ingericht wordt. Het kan ook gaan om een lokaal dat ook voor andere bestemmingen kan worden gebruikt en dat op een gemakkelijke wijze kan worden aangekleed en ingericht als afscheidsruimte wanneer een dergelijke plechtigheid plaats heeft. Vanzelfsprekend moet een dergelijk lokaal steeds blijk geven van waardigheid en respect voor de overledene. De inrichting kan bij voorbeeld gebeuren met medewerking van de begrafenisondernemer.

7. Levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens nog niet hebben bereikt, worden na een zwangerschapsduur van ten volle 12 weken op verzoek van de ouders begraven of gecremeerd (artikel 15, § 2).

Het grondwettelijk beginsel van gelijkheid tussen de burgers (cfr. arrest gemeente Kinrooi nr. 17114 d.d. 7 juli 1975) eist dat op iedere begraafplaats de mogelijkheid wordt geboden dat het stoffelijk overschot van een levenloos geboren kind begraven kan worden of dat de asurn ervan begraven of bijgezet kan worden in een columbarium. De as kan eveneens op het daartoe bestemd perceel van iedere begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid worden.

IV. Begraving (artikelen 16 - 18)

1. Afwijkingen van de verplichting om op de gemeente of intergemeentelijke begraafplaatsen te begraven kunnen uitsluitend om godsdienstige of filosofische redenen worden toegestaan (artikel 16). Dergelijke afwijkingen moeten uitzonderlijk blijven en mogen slechts restrictief toegestaan worden. Ze zijn immers een uitzondering op een duidelijke algemene regel. Die mogelijk werd geschapen omdat de begravingen op prive-plaatsen ooit veel voorkwamen binnen de kloosterorden en men derhalve uitgebreide ontgravingen wenste te vermijden (Parl. doc., Senaat, nr. 463 van 27 mei 1971).

De oprichting van privé-begraafplaatsen kan enkel door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan is :
- er moet een voorstel zijn van de burgemeester van de gemeente waar de begraving moet plaatshebben;
- de aanvraag moet op godsdienstige of filosofische overwegingen berusten;
- er mogen geen beletselen zijn op het vlak van hygiëne en volksgezondheid.

2. De begraving kan plaatshebben in volle grond, in een grafkelder of bovengronds (artikel 17, 5 1). De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband kan beslissen welke van die drie soorten begravingen wordt toegestaan. Ze zijn dus niet verplicht al deze drie faciliteiten op hun begraafplaatsen aan te bieden : zo kunnen ze bijvoorbeeld kiezen om enkel begravingen in volle grond toe te staan en geen begravingen in een grafkelder of bovengronds. Indien de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband beslist om de begraving in een grafkelder toe te staan, kunnen ze in afwijking van artikel 2, vijfde lid, een vergoeding tegen kostprijs voor de grafkelder vragen.

Artikel 33 van het besluit van 14 mei 2004 bepaalt het volgende over grafkelders :
« Een nieuwe grafkelder is zo geconstrueerd dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hieruit ook kan worden afgevoerd.

De lucht wordt zo afgevoerd uit de grafruimte dat er in de omgeving geen hinder ontstaat. Indien nodig loopt de afvoer naar de buitenlucht via een efficiënte ontgeuringsfilter.

Dit houdt in dat grafkelders, in gebruik genomen voor 1 juli 2004 - datum van inwerkingtreding van het besluit - en na die datum ontruimd, alsook grafkelders, geplaatst voor 1 juli 2004 maar na die datum in gebruik genomen, aan de voorwaarden van voormeld artikel 33 moeten voldoen.

Grafkelders die al in gebruik genomen zijn voor 1 juli 2004 en die niet ontruimd zijn en waarin nog bijzettingen gebeuren, moeten nog niet aangepast worden aan de vereisten van artikel 33. De aanpassing moet maar gebeuren wanneer deze grafkelders ontruimd worden.

Er bestaan misvattingen omtrent de draagwijdte van dit artikel. Het idee dat elke grafkelder voorzien moet worden van een luchtpijp is foutief. Het besluit bepaalt dat er lucht tot de grafruimte kan toetreden en afgevoerd worden. Een materiaal dat luchtdoorlatend is volstaat reeds. De normale materialen waarin een grafkelder is uitgevoerd laten in een goede bodem, bijvoorbeeld zand, voldoende lucht toe. Wanneer de bodem onvoldoende lucht doorlaat, bijvoorbeeld klei, is ontluchting nodig (buisje vanuit ieder compartiment apart naar boven). Dit buisje mag ook eindigen net onder het maaiveld in de teeltlaag. Het aanbrengen van een luchtpijp is dus enkel noodzakelijk indien een grafkelder zo gebouwd is, dat het hermetisch is afgesloten, wat in de praktijk zelden het geval is.

De rouwenden zijn gerechtigd bij het gehele verloop van de begrafenis aanwezig te zijn (artikel 17, 5 2). De praktijk die in sommige gemeenten bestaat dat noch de nabestaanden, noch andere rouwenden de toestemming krijgen bij het graf te blijven als het met grond of op een andere manier wordt afgesloten, kan dus niet meer.

3. Een niet-geconcedeerd graf wordt minstens tien jaar bewaard. Na tien jaar kan de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband overgaan tot de ontruiming ervan (artikel 18, eerste lid).

Voor een niet-geconcedeerd graf verwijderd kan worden, moet de volgende procedure gevolgd worden : gedurende een jaar voor de verwijdering van het graf dus op zijn vroegst vanaf het negende jaar, moet een afschrift van de beslissing tot verwijdering zowel bij het graf als aan de. ingang van de begraafplaats uitgehangen worden (artikel 18, tweede lid). Op die manier zijn de nabestaande beter op de hoogte wanneer het graf ontruimd zal worden. De wet van 20 juli 1971 voorzag niet in een procedure voor de verwijdering van een niet-geconcedeerd graf.

4. Krachtens het derde lid van artikel 18 moet de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband beslissen welke bestemming dient gegeven te worden aan binnen de omheining van de begraafplaats te voorschijn gekomen stoffelijke resten wanneer deze heraangelegd wordt met het oog op nieuwe teraardebestellingen. In dat geval moet de door de overledene gekozen wijze van lijkbezorging gerespecteerd worden : wie bijvoorbeeld voor begraving koos, mag men niet cremeren. Uiteraard kan men de opgegraven stoffelijke resten niet naar een stortplaats brengen; de gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden moeten de beginselen van eerbied voor de overledenen en van volksgezondheid eerbiedigen.

Deze bepaling moet aan de gemeenten of de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden de mogelijkheid bieden om, indien de overledenen hun laatste wil over de wijze van begraving niet uitgedrukt hebben, te kiezen voor crematie van deze resten. Dit biedt een alternatief voor de handelwijze waarbij de stoffelijke resten die opgegraven worden binnen de omheining van de begraafplaats gedeponeerd worden in een massagraf.

Indien voor crematie van de alzo ontgraven stoffelijke resten wordt gekozen, dan mogen meerdere stoffelijke resten in een doodskist geplaatst worden. Dit geldt enkel voor stoffelijke resten van graven die ontruimd werden : bij de teraardebestelling - dus vanaf het begin tot het einde van de looptijd van een graf - mag er zich in een doodskist of ander lijkomhulsel slechts een stoffelijk overschot bevinden.

De artikelen 13 tot en met 17 van het besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie, inrichting en beheer van plaatsen en crematoria, bevatten nadere regelen voor een opgraving.

Voor de ruiming van een begraafplaats of van een deel ervan wordt een draaiboek opgemaakt. Hierin worden de werkzaamheden, de richtlijnen, opgenomen voor de bescherming van het uitvoerend personeel en de werkwijze bij en de bestemming van mogelijk onverteerde resten, alsook de bestemming van mogelijk aangetroffen waardevolle voorwerpen omschreven.

Tijdens de ruimingen wordt de plaats van de te ontruimen graven voor het publiek visueel afgeschermd.

De bij het ruimen van een graf gevonden resten van kleding of van een doodskist of een lijkwade worden afgevoerd voor verbranding.

Als bij sluiting een omhulling wordt aangetroffen die de zuurstoftoetreding belemmert moet die worden verwijderd. Als dat onmogelijk is, moet ze in ieder geval luchtdoorlatend worden gemaakt.

Als na sluiting van de begraafplaats een andere bestemming dan parkgebied aan het terrein wordt gegeven, moet het terrein worden ontbeend.

V. Crematie (artikelen 19-24)

Als bijlage bij deze onderrichtingen gaat een model voor de toestemming tot crematie.

1. Toestemming tot crematie

Als een persoon overlijdt in een gemeente van het Vlaamse Gewest, wordt de toestemming tot crematie verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand die het overlijden heeft vastgesteld. Als de persoon in het buitenland overlijdt wordt die toestemming verleend door de procureur des Konings van het arrondissement waar zich ofwel het crematorium, ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt. Voor de crematie in het Vlaamse Gewest van een persoon die overleden is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest geldt als toestemming tot crematie de machtiging die daartoe wordt verleend door de overheid die in dat gewest bevoegd is voor het verlenen van een toestemming tot crematie (artikel 19, § 5 1, zoals gewijzigd door het decreet van 10 november 2005).

Als de familieleden of erfopvolgers het niet eens worden over het feit of de crematie al dan niet toegestaan moet worden, moet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doen (artikel 20, § 4).

De persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien kan de begrafenisondernemer machtigen om de formaliteiten in zijn plaats te vervullen, en in het bijzonder om bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgehad de aanvraag voor de toestemming tot crematie in te dienen (artikel 20).

Artikel 21 handelt over de te vervullen formaliteiten door de behandelend geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld en de beëdigd geneesheer die door de ambtenaar van de burgerlijke stand is aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan.

Als de behandelend geneesheer of de geneesheer die het overlijden van een persoon in een gemeente van het Vlaamse Gewest heeft vastgesteld, verklaart dat het overlijden te wijten is aan een gewelddadige of verdachte oorzaak of niet vast te stellen oorzaak, wordt het dossier rechtstreeks aan de procureur des Konings bezorgd. De tussenkomst van de beëdigde geneesheer die door de ambtenaar van de burgerlijke stand is aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan, hoeft in dit geval niet.

Heeft de behandelend geneesheer of de geneesheer die het overlijden van een persoon in een gemeente van het Vlaamse Gewest heeft vastgesteld bevestigd dat het om een natuurlijk overlijden gaat, dan moet het verslag worden bijgevoegd van een beëdigd geneesheer uit de eigen gemeente of een andere gemeente van het Vlaamse Gewest die door de ambtenaar van de burgerlijke stand is aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan. In dat verslag wordt vermeld of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.

Het dossier dient uiteraard eveneens naar de Procureur des Konings gestuurd te worden als de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde geneesheer vaststelt dat het overlijden te wijten is aan een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak. Het ereloon en alle daaraan verbonden kosten van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde geneesheer vallen ten laste van het gemeentebestuur van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar de overledene in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister is ingeschreven.

2. Crematie na opgraving

Artikel 19, § 2, regelt de crematie na opgraving.

Voor de toestemming tot opgraving, zie punt I. 7.

De aanvrager van de toestemming tot crematie stuurt zijn aanvraag naar de procureur des Konings van ofwel het arrondissement van de plaats waar het crematorium of de hoofdverblijfplaats van de aanvrager gevestigd is, ofwel van de plaats van overlijden, ofwel van de plaats waar het stoffelijk overschot begraven is. Bij die aanvraag voegt hij in voorkomend geval een attest tot registratie in de bevolkingsregisters van de laatste wilsbeschikking van de overledene over de wijze van lijkbezorging.

De procureur des Koning aan wie de aanvraag gericht is kan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het overlijden vastgesteld werd, vragen hem een dossier dat het in artikel 77 of in artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest bevat, over te zenden. Indien dit attest ontbreekt, wordt daarvan door de betrokken ambtenaar de reden opgegeven.

De toestemming tot crematie wordt geweigerd of toegestaan door de procureur des Konings aan wie de vraag tot crematie gericht is.

3. Bestemming van de as (artikel 24)

In artikel 24, § 1, van het decreet zijn de volgende zes bestemmingen van de as opgenomen :
a. begraving van de asurn op de begraafplaats;
b. bijzitting van de asurn in het columbarium van de begraafplaats;
c. uitstrooiing van de as op het daartoe bestemde perceel van de begraafplaats;
d. uitstrooiing van de as op de aan grondgebied van België grenzende territoriale zee;
e. uitstrooiing van de as op een andere plaats dan de begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee;
f. begraving van de as op een andere plaats dan de begraafplaats;
g. bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats.

Mogelijkheden e), f) en g) gelden enkel indien de overledene dat schriftelijk heeft bepaald of, bij gebrek aan schriftelijke bepaling door de overledene, op gezamenlijk schriftelijk verzoek, vooraleer de crematie plaatsvindt, van zowel de echtgenoot of van diegene met wie de overledene een feitelijk gezin vormde als van alle bloed- of aanverwanten van de eerste graad of, indien het om een minderjarige gaat, op verzoek van de ouders of voogd (de term "bloed- of aanverwanten in de eerste graad » moet begrepen worden als "bloedverwanten in de eerste graad »).

Met de schriftelijke wilsuiting van de overledene wordt bedoeld hetzij de kennisgeving van de laatste wilsbeschikking over de wijze van lijkbezorging, gericht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, hetzij een testament.

Met het gezamenlijk schriftelijk verzoek van de betrokken nabestaanden indien geen geschreven wilsuiting van de overledene bestaat wordt bedoeld een door alle betrokken ondertekende verklaring met vermelding van de naam, voornamen en adres van de nabestaande die de zorg voor de as zal dragen en van de exacte plaats waar de as van de overledene zal worden uitgestrooid, begraven of bewaard. Geen verdere vormvoorschriften zijn vereist.

Het gezamenlijk schriftelijk verzoek wordt onder de verantwoordelijkheid van zowel de echtgenoot of van diegene met wie de overledene een feitelijk gezin vormde als van alle bloedverwanten van de eerste graad, opgemaakt vooraleer de crematie plaatsvindt.

Dit document wordt getoond aan de gemeentelijke overheid die de toestemming tot crematie verleent. Deze overheid kan een kopie ervan bijhouden.

Het is mogelijk dat op het ogenblik dat de toestemming tot crematie wordt verleend het gezamenlijk schriftelijk verzoek nog niet voorhanden is, doordat bijvoorbeeld een bloedverwant veraf woont of in het buitenland verblijft. In dat geval vult de overheid die de toestemming heeft verleend het gedeelte van de toestemming tot crematie met betrekking tot de naam, voornamen en adres van de persoon die de zorg voor de as heeft, alsook de exacte plaats waar de as van de overledene zal worden uitgestrooid, begraven of bewaard op een andere plaats dan op de begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee, in zodra het gezamenlijk schriftelijk verzoek is opgesteld.

a. Begraving van de as op de begraafplaats

De oppervlakte van de kuilen, alsook de ruimte ertussen, worden door de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepaald. Het spreekt vanzelf dat de oppervlakte van de kuilen relatief klein mag zijn met dien verstande dat het mogelijk moet zijn een grafteken te plaatsen.

b. Bijzetting van de as in het columbarium van de begraafplaats

Een columbarium is een bovengrondse bewaarplaats van urnen.

De afmetingen van het columbarium, dat betekent in hoofdzaak het aantal nissen dat het moet bevatten, de vorm en de te gebruiken materialen voor het bouw ervan, worden aan het oordeel van de gemeenteraad of van het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband overgelaten, met dien verstande dat bij het bepalen van het aantal nissen uiteraard rekening moet worden gehouden met het aantal inwoners dat gebruik kan maken van het columbarium en met de aan de overledenen verschuldigde eerbied.

c. Uitstrooiing van de as op een daarvoor bestemd perceel van de begraafplaats

De uitstrooiing geschiedt op een daarvoor bestemd perceel van de begraafplaats, door middel van een strooitoestel dat alleen door de gemeentelijke aangestelde of de aangestelde van het intergemeentelijke samenwerkingsband mag worden bediend.

De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepalen de oppervlakte van het perceel voor de uitstrooiing van de as. Het perceel moet zo gelegen zijn dat het in verhouding tot het inwonertal van de gemeente en tot het aantal keren dat er as dient uitgestrooid te worden, uitgebreid kan worden.

De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepalen hoe dit perceel eruitziet. Het perceel kan met gras of ander groen bezaaid worden. Bomen en andere beplantingen kunnen ook aangebracht worden. Louter aangestampte grond moet verboden worden, niet alleen uit eerbied voor de overledenen, maar ook omdat daarop de as niet snel genoeg opgenomen wordt. Het perceel kan bestaan uit een bos. Een vijver waarin de as wordt uitgestrooid is ook mogelijk.

Artikel 7 van bet besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, bepaalt dat de strooiweide uit een droge bovenlaag bestaat. Dit is uiteraard niet van toepassing in het geval het perceel een strooivijver is. De belasting van de bodem moet in evenwicht zijn met de aanwezige begroeiing.

Tussen de uitstrooiingen moet een voldoende lange tijd verlopen, die verschilt volgens de oppervlakte van het perceel.

d. Uitstrooiing va de as op het grondgebied van België grenzende territoriale zee

De uitstrooiing van de as op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee wordt geregeld door het koninklijk besluit van 25 juli 1990, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 1999.

e. Uitstrooiing van de as op een andere plaats dan de begraafplaats of op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee

In dit geval kan de as niet worden uitgestrooid op het openbaar domein, met uitzondering uiteraard van de gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaats. Tot het openbaar domein behoren ondermeer de bevaarbare stromen en rivieren, de wegen en de stranden. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein in kwestie vereist.

f. Begroting van de as op een andere plaats dan de begraafplaats

Zoals bij het vorige punt, kan deze begraving niet gebeuren op het openbaar domein, met uitzondering uiteraard van de gemeente of intergemeentelijke begraafplaats. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein in kwestie vereist.

g. Bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats

Indien er een einde komt aan de bewaring van de as wordt de as door toedoen van de nabestaande die er de zorg voor heeft of zijn erfgenamen in geval van diens overlijden, ofwel naar een begraafplaats gebracht om er begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden, ofwel op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid te worden.

4. Meegeven van een gedeelte van de as

De hoeveelheid as die kan meegegeven worden is klein en van symbolische aard. Het meegeven van de as gebeurt door de beheerder van het crematorium.

Het begrip echtgenoten moet zo begrepen worden dat ook diegenen die feitelijk samenwonen hiertoe gerekend worden. Het kan in elk geval ook om twee mensen van hetzelfde geslacht gaan (zie ook II 3).

VI. Graftekens (artikelen 25-26)

1. Artikel 25 van het decreet handelt over de graftekens. Hieronder worden de gewone grafstenen, de monumenten en confessionele of niet-confessionele symbolen (kruisen,......) verstaan.

2. Eenieder heeft het recht op het graf of het columbarium van zijn verwante of vriend een grafteken te laten plaatsen, tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten en zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder (artikel 25, eerste lid).

3. De reglementering die de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke. samenwerkingsverband heeft uitgevaardigd met betrekking tot de graftekens, mag alleen het esthetisch uitzicht en de ordening van de begraafplaats op het oog hebben.

Door voor te schrijven dat alle monumenten dezelfde vorm en afmetingen moeten hebben, zou dat doel niet worden bereikt. De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het gemeentelijke samenwerkingsverband mag wel de minimale en maximale normen die nageleefd moeten worden bepalen.

De reglementering moet dus soepel genoeg zijn opdat het doel dat de gemeentelijke overheid of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband zich stelt, niet in strijd zou zijn met de rechtmatige wensen die de nabestaanden uiten.

Hetzelfde geldt voor de gebruikte materialen. De verscheidenheid van de gekozen materialen doet niet noodzakelijk afbreuk aan het esthetisch uitzicht van de begraafplaats.

Er moet dus vermeden worden aan de nabestaanden de verplichting op te leggen alleen graftekens waarvan het model eens en voor altijd bepaald is, op de grafmonumenten te plaatsen.

Het is echter wel denkbaar dat de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband, als de begraafplaats groot genoeg is, een perceel aanwijst waarop alleen gelijkvormige grafstenen mogen worden geplaatst, met dien verstande echter dat ook steeds voor een perceel met niet-gelijkvormige graftekens moet worden gezorgd.

4. De gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband wordt eigenaar van de niet weggenomen graftekens en het eventueel nog bestaande ondergrondse bouwwerk van een concessie waaraan een einde wordt gemaakt of waarvoor geen aanvraag tot overbrenging als bedoeld in artikel 5, § 2, is ingediend.

5. Als niet-geconcedeerde gronden voor nieuwe begravingen moeten worden gebruikt wordt in de beslissing, bedoeld in artikel 18, tweede lid (zie punt IV, 3., tweede alinea), tevens kennis gegeven van de termijn waarbinnen de graftekens mogen worden weggenomen. Die termijn moet voldoende lang zijn opdat er daadwerkelijk gebruik van dit recht gemaakt kan worden. Bij het verstrijken van die termijn, of van de toegestane verlenging ervan, worden de materialen eigendom van de gemeente of van het intergemeentelijke samenwerkingsverband. Het college van burgemeester en schepenen of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband die de begraafplaats beheert, bepaalt de termijn of de verlenging ervan (artikel 26, § 1, tweede en derde lid).

Het college van burgemeester en schepenen regelt autonoom de bestemming van de graftekens die eigendom van de gemeente zijn (artikel 26, § 2). Zij dient hierbij rekening te houden met het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, inclusief wat de regeling inzake kleine onroerende erfgoedelementen betreft. Zeker niet alle graven of monumenten komen in aanmerking voor bescherming als monument, wat een cultuurhistorische waarde van algemeen belang impliceert (de criteria hiervoor zijn gaafheid, historiciteit en zeldzaamheid). Enkele grafmonumenten voldoen niet aan deze criteria maar vervullen toch wel een functie binnen de lokale gemeenschap en in een uiting van artistieke inzichten, tijdsgeest of economische uitstraling. Dergelijke graven hebben met andere woorden een lokale erfgoedwaarde en vallen onder de categorie van de kleine onroerende erfgoedelementen zoals gedefinieerd in het decreet tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976.

Het college van burgemeester en schepenen maakt een lijst op met graven van lokaal historisch belang. Bij ontstentenis van initiatief door het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde zelf een dergelijke lijst opmaken. Die door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde opgestelde lijst moet wel worden bekrachtigd door het college van burgemeester en schepenen.

Uit die lijst met graven van lokaal historisch belang vloeien wel enkele rechtsgevolgen voort. Zo moeten de graven vijftig jaar bewaard en door de gemeenteoverheid onderhouden worden (deze termijn is verlengbaar, maar niet noodzakelijk opnieuw met vijftig jaar). Anderzijds betekent de instelling van deze lijst geenszins dat er een meldingsplicht is van het gemeentebestuur telkens als men graven wil ontruimen (zie artikel 18) of dat die lijst het ontruimen van een oude begraafplaats kan verhinderen (artikel 5). De op de lijst vermelde graven moeten in dit laatste geval wel worden overgebracht naar de nieuwe begraafplaats.

VII. Lijkbezorging van overledenen die tijdens hun leven een bepaalde godsdienst of overtuiging beleden

Voor de lijkbezorging van overledenen die tijdens hun leven een bepaalde godsdienst of filosofische overtuiging beleden, zijn er drie fundamentele beginselen die de begraafplaatsen kenmerken.

1. Het gemeentelijke karakter van de begraafplaatsen

De begraving van de stoffelijke overschotten van overleden personen en daaruit voortvloeiend de inrichting van de begraafplaatsen, vallen onder de taken die de gemeentelijke overheid moeten behartigen, inzonderheid inzake de openbare veiligheid en hygiëne.

Het decreet kent aan de gemeenten een belangrijke rol toe voor wat de begraafplaatsen betreft. Krachtens artikel 16, § 1, van het decreet mag alleen op gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen worden begraven.

De overledene mag en moet begraven liggen op de openbare begraafplaats, waarvan de inrichting een recht en een plicht is voor de gemeente.

Het bestaan van een gecentraliseerde wetgeving geeft echter aan dat het niet om een materie van louter gemeentelijk belang gaat.

2. Het neutrale karakter van de begraafplaats

De begraafplaats heeft een neutraal karakter. Het is bijgevolg niet toegestaan op de begraafplaats een onderscheid te maken of te discrimineren op basis van geloof of eredienst van de overledene of omstandigheden eigen aan zijn dood.

Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel dat van toepassing is op de gebruikers van een openbare dienst, om aan personen de toegang tot de openbare begraafplaats te ontzeggen omdat ze een bepaalde godsdienst belijden. Om dezelfde reden kan men niemand al of niet officieel verzoeken om een niet-gemeentelijke begraafplaats te kiezen voor zijn begravingen. Het is evenmin conform het gelijkheidsbeginsel, om iemand te verplichten of te verzoeken de voorkeur te geven aan een begraafplaats in het buitenland of aan een particuliere begraafplaats in het Vlaamse Gewest.

Kortom de gelijke toegang tot de gemeentelijke begraafplaats moet voor iedereen worden gegarandeerd.

3. De keuze van de begraafplaats door de burgerlijke gemeentelijke overheid op basis van de godsdienst of de geloofsovertuiging kan niet.

De burgerlijke overheid kan niet op basis van de godsdienst of de geloofsovertuiging van de overledene bepalen waar hij op de begraafplaats begraven wordt. Alleen het individu - of na zijn overlijden zijn familie of iedere persoon die voor de begrafenis kan instaan - kan dat bepalen.

Bovendien betekent de gelijke toegang tot de begraafplaats dat er geen voorrechten worden gegeven aan bepaalde godsdiensten ten aanzien van andere godsdiensten of ten aanzien van zij die geen godsdienst belijden.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van het decreet vallen de gemeentelijke begraafplaatsen onder het gezag, de politie en het toezicht van de gemeenteoverheden, die ervoor zorgen dat er geen wanorde heerst, dat er geen handelingen in strijd met de eerbied voor de doden worden verricht en dat er geen opgraving plaatsheeft zonder verlof.

De gemeentelijke overheid, die met toepassing van deze bepaling de politiemacht uitoefent op de begraafplaatsen waarover zij verantwoordelijk is, kan binnen het kader van de wetgeving die begraafplaatsen inrichten op een manier die rekening houdt met de gevoeligheden en de geloofsovertuigingen van de overledene en zijn familie. Dat betekent niet dat gemeentelijke begraafplaatsen kunnen worden aangelegd die tegelijk confessioneel zijn, dat wil zeggen ingedeeld volgens de geloofsovertuiging die de overledenen tijdens hun leven hebben beleden. Het is evenmin niet onverenigbaar met de hiervoor vermelde fundamentele beginselen dat de gemeente aparte percelen zou reserveren voor een bepaalde groep, bijvoorbeeld de belijders van een bepaalde godsdienst of filosofische overtuiging, waardoor de graven met soortgelijke externe kenmerken kunnen worden gegroepeerd.

De gemeenten zijn trouwens al op die manier tewerk gegaan ten opzichte van bepaalde categorieën van overledenen. Zo heeft men op een begraafplaats bijvoorbeeld een ereperk gereserveerd voor de gewezen burgemeesters, een perceel voor de oud-strijders of voor kinderen die op jonge leeftijd overleden zijn, enzovoort.

De huidige regelgeving sluit bijgevolg de inrichting van een apart perceel op basis van de volgende principes niet uit :
- de graven worden in een bepaalde richting geordend;
- de toegang tot het perceel gebeurt - binnen de begraafplaats - via een aparte weg of een apart gangpad;
- de graven worden gedurende een bepaalde termijn behouden (dat kan verwezenlijkt worden door middel van. een concessie; niet-geconcedeerde graven kunnen na 10 jaar worden hernomen - zie artikel 18, eerste lid, van het decreet). Een altijddurende concessie is echter niet mogelijk, overeenkomstig artikel 7, § 1, van het decreet;
- de begraving van de overledenen in het aparte perceel kan enkel voortvloeien uit een uiting in die zin van de overledene tijdens zijn leven of van zijn familie of van iedere persoon die voor de begrafenis kan instaan. Het moet steeds mogelijk zijn om in de andere gedeelten van de begraafplaats begraven te worden;
- de burgemeester tot wie een verzoek tot begraving in een voorbehouden perceel gezicht wordt, mag in geen geval bij de betrokken religieuze overheid nagaan of de overledene al dan niet een bepaalde godsdienst beleed. Het behoort dus niet aan de religieuze overheid om te bepalen wie al of niet op het perceel begraven kan worden. De tussenkomst van de burgemeester beperkt zich tot de registratie van de wens van de overledene of van zijn familie of van degene die voor de begrafenis kan instaan;
- het perceel in kwestie mag niet geïsoleerd worden van de rest van de begraafplaats door een materiële scheiding van welke aard dan ook. Het is wel mogelijk om het perceel te identificeren, bijvoorbeeld door middel van een toegang via een apart gangpad. Het betreft enkel een voorbehouden perceel waarvan de algemene aanleg toelaat dat de graven in een welbepaalde richting worden gericht en dat de graven worden verhoogd;
- de kisting en begraving moet gebeuren met naleving van de regelgeving inzake de hygiëne en de volksgezondheid. De begraving kan gebeuren in een doodskist of ander lijkomhulsel, waarvan de voorwaarden worden omschreven in het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden;
- bij de uitoefening van het recht om, met toepassing van artikel 25 van het decreet, op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te laten plaatsen, tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten en zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder, moet het gemeentelijk reglement terzake uiteraard worden nageleefd;
- als de gemeente het voorbehouden perceel of een in dit perceel gelegen individueel graf herneemt, met name nadat de concessie verstreken is zonder dat een aanvraag tot hernieuwing werd ingediend, kunnen de opgegraven stoffelijke overblijfselen naar een daarvoor bestemd perceel van de begraafplaats overgebracht worden.

VIII. - Slotbepalingen

De omzendbrief van 9 september 1991 betreffende de begraving van foetussen van minder dan zes maanden (Belgisch Staatsblad van 25 september 1991) en de omzendbrief van 27 januari 2000 betreffende de toepassing van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, gewijzigd bij de wet van 20 september 1998 (Belgisch Staatsblad van 10 februari 2000), worden opgeheven. De omzendbrieven die in die laatste omzendbrief werden opgeheven, namelijk de omzendbrieven van 21 oktober 1971 en van 4 april 1973, betreffende de toepassing van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, van 25 juli 1973 betreffende de toepassing van de wet van 4 juli 1973 die de wet van 20 juli 1971 een eerste keer heeft gewijzigd, en van 20 oktober 1977 betreffende de verplichting voor de gemeente te beschikken over een columbarium en percelen voor asuitstrooiing, blijven uiteraard opgeheven.

Ik verzoek u in het volgende nummer van het Bestuursmemoriaal de datum van de publicatie van deze omzendbrief in het Belgisch Staatsblad te vermelden.

Ik bezorg deze omzendbrief ook rechtstreeks aan alle gemeente- en OCMW-besturen en aan de Intercommunale verenigingen.

Deze omzendbrief kan ook geraadpleegd worden via het internet op het volgend adres : http://www.binnenland.vlaanderen.be/omzend.htm.

BIJLAGE (17/04/2006- ...)

Toestemming tot crematie

BIJLAGE (24/07/2008- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 06/06/2008 Omzendbrief Omzendbrief BB 2008/04. - Wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, bij het decreet van 18 april 2008

Inhoud

...