Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen

Datum 11/04/2008

Inhoudstafel

  1. Bijlage
    1. Categorie van gebiedaanduiding 0: Afbakeningslijnen
    2. Categorie van gebiedaanduiding 1: Wonen
    3. Categorie van gebiedaanduiding 2: Bedrijvigheid
    4. Categorie van gebiedaanduiding 3: Recreatie
    5. Categorie van gebiedaanduiding 4: Landbouw
    6. Categorie van gebiedaanduiding 5: Bos
    7. Categorie van gebiedaanduiding 6: Overig groen
    8. Categorie van gebiedaanduiding 7: Reservaat en natuur
    9. Categorie van gebiedaanduiding 8: Lijninfrastructuur
    10. Categorie van gebiedaanduiding 9: Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen
    11. Categorie van gebiedaanduiding 10: Ontginning en waterwinning
    12. 11: Diverse gebiedsspecifieke typebepalingen

Inhoud

(... - ...)

Categorieën van gebiedsaanduidingen voor RUPs

Verslag aan de Vlaamse Regering

Betreft : Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen;

Inleiding

Sedert het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt op gewestelijk niveau gewerkt met ruimtelijke uitvoeringsplannen. In de uitwerking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen is ernaar gestreefd om een uniforme aanpak te volgen. Op basis van de opgedane ervaring werd een methodiek voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen voorgesteld en goedgekeurd door de vergadering van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004.

Deze beslissing van de Vlaamse Regering gaat over het volgende :
Goedkeuring van :
- het voorgestelde stramien voor de opbouw van een stedenbouwkundig voorschrift;
- de categorieën van stedenbouwkundige voorschriften;
- uniformiteit in de weergave van categorieën van stedenbouwkundige voorschriften naar kleurgebruik en overdrukarcering;
- uniforme indeling van de toelichtingsnota bij een RUP.

Vergelijking van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen met het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen.

Artikel 38, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat de verplichte inhoud van een ruimtelijk uitvoeringsplan vastlegt, garandeert de nodige kenbaarheid van de stedenbouwkundige voorschriften (kenbaarheid van rechtsregels is een aspect van rechtszekerheid). Het legt op dat de stedenbouwkundige voorschriften telkens deel uit maken van het verordenend deel van het uitvoeringsplan. In een ruimtelijk uitvoeringsplan kan dus voor wat de stedenbouwkundige voorschriften betreft, niet worden volstaan met een verwijzing naar een besluit waarin algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften zijn vastgelegd. Dat was wel het geval bij de opmaak van de oorspronkelijke gewestplannen, waarbij voor de voorschriften, met uitzondering dan van specifieke voorschriften eigen aan het betrokken plan, verwezen werd naar voorschriften vastgelegd in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen.

Het thans vastgestelde besluit heeft dus niet de bedoeling om op verordenende manier stedenbouwkundige voorschriften vast te stellen die gelden bij verwijzing in individuele ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het bevat wel regels over de vorm en de inhoud van ruimtelijke uitvoeringsplannen, en een niet-verordenende bijlage met voorbeeld- of typevoorschriften die kunnen gebruikt worden in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het thans vastgestelde besluit geeft daarmee uitvoering aan artikel 39, § 3, dat luidt : « De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. »

Ruimtelijke uitvoeringsplannen - Gewestplannen

Het nieuwe planningssysteem dat ingang vond met het decreet van 18 mei 1999, volgt een andere aanpak dan deze die gold met de plannen van aanleg zoals geregeld door het decreet betreffende ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1962 (voorheen de « stedenbouwwet van 29 maart 1962 »). De gewestplannen waren oorspronkelijk bedoeld om in grote lijnen grote gebiedscategorieën vast te leggen en om de gemeenten toe te laten om in gemeentelijke plannen deze bestemmingen verder te detailleren. In de praktijk zijn de gewestplannen relatief gedetailleerde plannen geworden. Ze geven algemene bestemmingen aan, maar die algemene bestemmingen houden welomschreven voorschriften in over toegelaten activiteiten. Gemeenten hebben voor delen van het grondgebied die algemene bestemming verder gedetailleerd. Gemeentelijke plannen waarbij afgeweken is van de gewestplanbestemming, zijn de uitzondering. In het nieuwe systeem bestaat die dualiteit tussen bovenlokaal vastgelegde algemene bestemmingen en lokaal vastgelegde gedetailleerde bestemmingen en inrichtingsvoorschriften niet. Er bestaat een taakverdeling in hoofdlijnen tussen de drie niveaus naar onderwerpen volgens het subsidiariteitsbeginsel. Elk plan van elk niveau bevat naargelang de noden stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming, inrichting en/of beheer. Ook de graad van detail hangt af van de noden; op elk niveau kan in detail getreden worden. Aangezien een tekst zoals het koninklijk besluit van 28 december 1972 de voorschriften samenhangend met de algemene bestemmingen vastlegde, is een dergelijke tekst niet zomaar bruikbaar in het nieuwe planningssysteem. De recentste gewestplannen tonen al een evolutie naar meer detailniveau en gaan in de richting van het nieuwe planningssysteem dat sinds het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van kracht is. De ervaringen met het koninklijk besluit van 28 december 1972 en de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften leren dat een lijst met onveranderlijke voorschriften samenhangend met algemene bestemmingen na verloop van tijd onvermijdelijk haar actualiteitswaarde verliest. Dit wordt geïllustreerd door (1) het steeds toenemende gebruik van aanvullende (bijzondere) voorschriften onder meer ingegeven door de nood aan gebiedsspecifiek optreden, door toenemende functievermenging en door nieuwe ruimtevragen, en (2) het voorzien in decretale uitzonderingsregimes op de algemene bestemmingsvoorschriften, omdat een wijziging van het besluit onwerkzaam is zonder dat voor alle plannen een volledige herzieningsprocedure met inbegrip van een openbaar onderzoek doorlopen wordt (cf. het Eikendael-arrest van de Raad van State). Een wijziging van dergelijk besluit kan dus enkel toepassing hebben op toekomstige plannen, de bepalingen uit het besluit die van toepassing waren op het ogenblik van de wijziging blijven van toepassing voor de plannen die in openbaar onderzoek zijn gegaan vóór de wijziging.

Categorieën van gebiedsaanduidingen met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften - artikel 1 van het besluit

In het RSV (1997) is voor de ruimteboekhouding met een aantal gebiedscategorieën gewerkt. Die indeling kan als uitgangspunt dienen voor een indeling in categorieën van gebiedsaanduidingen, bruikbaar in de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Categorieën van gebiedsaanduidingen voor RUPs

De categorieën van de ruimteboekhouding - RSV (1997):

Wonen

Wonen

Bedrijvigheid

Industrie

Recreatie

Recreatie

Landbouw

Landbouw

Bos

Bosbouw

Reservaat en natuur

Reservaat en natuur

Overig groen

Overig groen

Lijninfrastructuur

}

Overige bestemmingen

Gemeenschapsvoorzieningen - nutsvoorzieningen2

Ontginning en waterwinning

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de categorieën van gebiedsaanduidingen, zoals opgenomen in het Besluit, en daarnaast de categorieën van de ruimteboekhouding zoals opgenomen in het RSV (1997). Dit betekent niet dat een categorie van gebiedsaanduiding per definitie overeenkomt met een bepaalde categorie van de ruimteboekhouding. Daarom is in artikel 1 van het besluit de mogelijkheid voorzien dat de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening richtlijnen uitwerkt voor het toewijzen van een bepaald concreet stedenbouwkundig voorschrift aan een categorie van de ruimteboekhouding. Concreet betekent dit dat bv. voor een woongebied op gewestelijk niveau verder kan gedifferentieerd worden in een gemeentelijk RUP. Deze differentiatie in het gemeentelijk RUP tussen bv. wonen, openbaar groen,... zullen niet als verschillende bestemmingen opgenomen worden in de ruimteboekhouding maar zullen onder de noemer van woongebied (gewestelijk vastgelegd) blijven. Daarbij kan ook een onderscheid gemaakt worden tussen de gewestelijke RUPs, de provinciale en gemeentelijke RUPs.

Een voorschrift van een categorie van gebiedsaanduiding duidt een bestemming aan. Dit is niet het geval met een overdruk vandaar dat de overdrukken niet opgenomen zijn in de tabel van categorieën van gebiedsaanduiding alsook niet in het artikel 1 van het besluit.

Deze categorieën van gebiedsaanduiding kunnen nog onderverdeeld worden in subcategorieën. Van mogelijke subcategorieën worden een aantal opgenomen, andere kunnen nog niet worden opgenomen of zijn nog niet opgenomen. Zoals verder aangegeven is het de bedoeling dat de typebepalingen in de toekomst verder kunnen aangevuld worden, deze toekomstige typebepalingen kunnen een verdere onderverdeling in subcategorieën vereisen voor de duidelijkheid.

Stramien voor de opbouw van een voorschrift - artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering - werken met de niet-verordende bijlage bij het besluit.

Voor de categorieën van voorschriften zijn een aantal typebepalingen uitgewerkt. Het is geen limitatieve lijst. Er wordt gestreefd naar zuinigheid in het aantal typebepalingen dit wil zeggen dat de diversiteit in typebepalingen vanuit de uitgangspunten en de doelstellingen van het ruimtelijk beleid moet verantwoord zijn. Met typebepaling wordt bedoeld dat de basistekst van een onderdeel van een stedenbouwkundig voorschrift voor een bepaalde gebiedscategorie geleverd wordt. Een stedenbouwkundig voorschrift zal bestaan uit de standaard typebepaling voor een bepaalde bestemming en eventueel een of meer gebiedsspecifieke typebepalingen of gebiedsspecifieke bepalingen. Bij de standaard typebepaling hoort een standaard grafische voorstelling. Bij de opmaak van een RUP moet bijgevolg per gebied telkens nagegaan worden :
- of de standaard typebepaling voor die gebiedscategorie kan overgenomen worden zonder wijziging
- of een gebiedsspecifieke typebepaling moet opgenomen worden naargelang de vereisten voor het gebied in kwestie en
- of het eventueel moet aangevuld worden met gebiedspecifieke bepalingen.

De opbouw van een voorschrift wordt als volgt voorgesteld :
- Standaard typebepaling met standaard grafische aanduiding
- Standaard gebiedsspecifieke typebepaling
- Gebiedsspecifieke maatwerkbepaling

1. De standaard typebepaling bevat de bestemming van het gebied of de overdruk en bevat aldus bepalingen over het al dan niet toegelaten zijn van bepaalde functies en activiteiten in het gebied. Voor een aantal gebieden zal het belangrijk zijn om :
- aan te geven welke inrichtingen of activiteiten niet toegelaten zijn, bv. voor een bedrijventerrein bepaalde soorten bedrijven die niet toegelaten zijn omwille van het veiligheidsrisico (Seveso)
- aan te geven dat bepaalde werken en handelingen toegelaten zijn terwijl dit niet uitdrukkelijk blijkt uit de bestemming bv. wandelpaden voor fietsen en wandelen in een natuurgebied.
- Bestemming : in een aantal gevallen zal er sprake zijn van hoofdbestemming, nevenbestemmingen en ondergeschikte bestemming of van een overdruk. Op die manier wordt rekening gehouden met multifunctionaliteit als uitgangspunt.

2. Gebiedsspecifieke bepalingen voor zover die nog niet zouden opgenomen zijn in het eerste deel van het voorschrift. Gebiedsspecifieke bepalingen zijn bijvoorbeeld :
- het opleggen van een inrichtingsstudie;
- het instellen van een voorkooprecht;
- bepalingen over inrichting en beheer
- bepalingen over zonevreemde woningen in het gebied
- overgangsbepalingen.

Hiervoor wordt ernaar gestreefd om per gebiedsspecifieke bepaling een typebepaling uit te werken dat kan gehanteerd worden bij de opmaak van een RUP. Het is geen limitatieve lijst van gebiedsspecifieke bepalingen. Toch moet met het gebruik van gebiedsspecifieke bepalingen zuinig omgegaan worden.

Sectorspecifieke aspecten : in principe worden sectorspecifieke bepalingen niet opgenomen om de stedenbouwkundige voorschriften duidelijk te houden en niet te overladen. In een aantal gevallen zullen sectorspecifieke aspecten opgenomen worden omdat ze ruimtelijk relevant zijn of omdat de wetgeving oplegt dat er rekening moet mee gehouden worden in ruimtelijke planning.

Zoals in de memorie van toelichting bij het DRO gesteld gaan stedenbouwkundige voorschriften in de eerst plaats over bestemming, inrichting en/of beheer. Dit moet in ruime zin begrepen worden, met dien verstande dat de uitspraken in ruimtelijke uitvoeringsplannen zich beperken tot het domein van de ruimtelijke ordening. Ruimtelijke ordening is een facetmaterie en geen sectorale materie. Ruimtelijke ordening weegt vanuit een ruimtelijke visie de aanspraken van de diverse sectoren/functies af, rekening houdend met de beschikbare ruimte. Met die afweging als uitgangspunt doet zij uitspraken over de locatie, de scheiding en de vermenging van functies/activiteiten. Zij brengt daarbij ook de impact van functies/activiteiten in rekening en de relaties ertussen (bv. verkeer). Daarnaast doet ruimtelijke ordening ook uitspraken over het uitzicht van de ruimte. Ruimtelijke ordening doet geen uitspraken over onderwerpen die niet ruimtelijk bepalend zijn en behoren tot de bevoegdheid van de sectoren. (Gedr. St., Vlaams parlement, 1998-1999, stuk 1332, nr. 1, p. 23).

Graad van detail : bepalingen over de voorwaarden waaraan de toegelaten werken en handelingen moeten voldoen worden slechts opgenomen in het voorschrift indien het nuttig is en ruimtelijk relevant. In de toelichting kunnen richtlijnen opgenomen worden over voorwaarden die zouden kunnen opgenomen worden in stedenbouwkundige vergunningen om een kwalitatieve invulling van de bestemming beter te garanderen.

Voorschriften die betrekking hebben op voorwaarden inzake werken en handelingen die geregeld kunnen worden via of opgenomen worden in een vergunning (milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning,...) (bv. Best Beschikbare Technieken, aspecten van integraal waterbeleid, doelvoorschriften en middelenvoorschriften inzake milieu en natuur) worden niet in het stedenbouwkundig voorschrift opgenomen ((behoudens wanneer dit expliciet nodig zou zijn om de goede ruimtelijke ordening niet te schaden))

Artikel 3 van het Besluit - de niet-normatieve bijlage met de typebepalingen.

De typebepalingen vormen een niet-verordenende bijlage bij het voormelde besluit. Deze methode werd gekozen omdat dit de soepelheid toelaat die nodig is voor voorschrifen door enerzijds typebepalingen van bestemming te hanteren en ook gebiedsspecifiek bepalingen te kunnen opnemen die samen het stedenbouwkundig voorschrift vormen. Daarnaast laat deze methodiek toe dat de typebepalingen kunnen aangevuld en aangepast worden naar gelang de maatschappelijke noden. In principe zijn de typebepalingen die in de bijlage nu worden opgenomen deze typebepalingen die reeds voorgekomen zijn in RUPs en die hoogstwaarschijnlijk nog regelmatig zullen nodig zijn. De lijst is bijgevolg gebaseerd op een inventaris van reeds gebruikte voorschriften.

De verordenende voorschriften worden telkens expliciet opgenomen bij elk ruimtelijk uitvoeringsplan (zie onder Stramien voor de opbouw van een voorschrift). Een verwijzing naar dit besluit voor de voorschriften is niet aan de orde.

Problemen die zich stelden met het koninklijk besluit van 1972, namelijk dat een besluit met een weerslag op de bestaande plannen niet kan wijzigen omdat dit problemen geeft naar bestaande plannen zoals hierboven vermeld worden aldus vermeden.

Verduidelijking bij een aantal typebepalingen en categorieën van gebiedsaanduiding :

Buffer :

Een buffer wordt aangelegd op het gebied dat een buffer noodzakelijk maakt om de hinder naar de naastliggende bestemming te beperken. Een buffer kan niet alleen nodig zijn voor een bedrijventerrein maar ook voor bijvoorbeeld recreatiegebieden, gebieden voor ontginning van oppervlaktedelfstoffen,...

Wonen

Woongebied :

Een woongebied wordt niet aanzien als monofunctioneel; wonen is bij uitstek een categorie van verweving met andere functies.

De standaard typebepaling : Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft verenigbaar zijn met de omgeving. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan :
* de relatie met de in de omgeving aanwezige functies;
* de invloed op de omgeving wat betreft het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers;
* de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid;
* de relatie met de in de omgeving van het woongebied vastgelegde bestemmingen;
* de bestaande of gewenste woondichtheid.

Deze typebepaling wordt opgenomen daar dit voor de vergunnigverlener aangeeft met welke aspecten rekening wordt gehouden bij het beoordelen van een aanvraag in een woongebied. Omwille van de specificiteit van het woongebied van verweving van functies is het hier vooral van belang dat per woongebied rekening gehouden wordt met de situatie ter plaatse en de verenigbaarheid van functies.

De rechtspersoon die de bestemming realiseert of zou moeten realiseren wordt niet bepaald in een stedenbouwkundig voorschrift daar dit geen bepaling van ruimtelijke ordening is. Zo kan een voorschrift voor een woongebied waarin men sociale woningen wenst gerealiseerd te zien, niet louter bepalen dat (een deel van) het gebied gereserveerd is voor sociale woningen omdat/voor zover de Wooncode aangeeft dat onder « sociale woning » begrepen wordt een woning opgericht door een sociale huisvestingsmaatschappij (of een gemeente of O.C.M.W.). Wel kan naargelang de beoogde vermenging van woningtypologieën een gebiedsspecifieke bepaling toegevoegd worden over kavelgrootte, typologie, bouwvolume,.... De huidige bundel met typevoorschriften bevat dergelijke voorbeeldbepalingen. Het percentage woningen van kleine of middelgrote omvang dat moet worden gerealiseerd is bij de opmaak van het specifieke RUP in te vullen. Daarbij kan rekening gehouden worden met de bestaande eigendomsstructuur op het ogenblik van de vaststelling van het RUP : het percentage te realiseren woningen van een bepaalde type kan verhoogd worden indien een overheidsinstantie eigenaar is en ontwikkelaar zal zijn. Het is de bedoeling om de verplichting om een aandeel van 1/4 kleine en middelgrote woningen te realiseren eventueel op te leggen bij privé-ontwikkeling en de verplichting om een aandeel van 1/2 kleine en middelgrote woningen te realiseren eventueel op te leggen bij ontwikkeling door een overheidsinstantie. Ook de minimumoppervlakte vanaf dewelke een project aan bepaalde normen moet voldoen, kan aangepast worden, met name afhankelijk van de ligging in het stedelijk gebied of in het buitengebied. Het is de bedoeling om de normen in stedelijk gebied toe te passen vanaf projecten van een 1/2 ha en in buitengebied voor projecten vanaf 3/4 ha. De voorbeeldbepalingen werken met normen over kaveloppervlaktes en maximumvolumes van woningen. In het maximumvolume, dat een brutovolume is, wordt een eventuele garage inbegrepen; andere bijgebouwen of tuinconstructies, waarbij de verkavelingsvergunning uitsluitsel geeft of ze al dan niet zijn toegelaten, zijn er niet in inbegrepen. De voorbeeldbepalingen die nu zijn opgenomen, zijn tot nader order enkel gericht op het voorzien in een aanbod van woningen dat tegemoetkomt aan de financiële mogelijkheden van bepaalde bevolkingsgroepen. Tot nader order zijn geen voorbeeldbepalingen opgenomen voor voorschriften die gericht zouden zijn op types woningen aangepast aan bv. de persoon van de bewoner, zoals bijv. bejaardenwoningen. Er werd overeengekomen dat er eerst ervaring moet opgedaan worden met deze problematiek vooraleer een typebepaling kan uitgewerkt worden.

Er is een overgangsbepaling opgenomen om landbouw nog een tijd toe te laten : deze typebepaling is aangewezen in gebieden waar er nog landbouw uitgeoefend wordt, eventueel met landbouwbedrijfsgebouwen, en waarbij het niet nodig is dat die landbouw heel snel stopt maar bij wijze van overgang verder kan toegelaten worden. Het gaat om een gebiedsspecifieke afweging.

Het gebied voor wonen en voor landbouw is bedoeld voor gebieden waar bewust gekozen wordt om de twee functie vermengd te laten voorkomen. Het is niet de bedoeling dat dit voorschrift frequent gebruikt wordt maar in bepaalde stedelijke gebieden kan een dergelijk gebied wenselijk zijn. Het gaat hier duidelijk niet om een gebied dat voorkomt in het buitengebied omdat wonen in het buitengebied geen gewestelijke materie is.

Bedrijventerreinen :

Bij de uitwerking van de voorschriften voor de bedrijventerreinen moet ook rekening gehouden worden met de typebepalingen die opgenomen zijn over de toepassing van de Seveso-richtlijn.

Bij de typebepalingen voor bedrijventerreinen zijn een aantal typebepalingen algemeen voor alle soorten bedrijventerreinen. Deze typebepalingen staan gegroepeerd na de typebepalingen voor de verschillende soorten bedrijventerreinen. Het gaat om de typebepalingen voor zuinig ruimtegebruik, voor buffer en voor gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen. Zuinig ruimtegebruik is een algemeen principe voor bedrijventerreinen.

Bij de opmaak van een RUP waarin een bedrijventerrein aangeduid wordt, moet nagegaan worden : welk bedrijventerrein. Hierbij moet de vraag gesteld worden of het een gemengd regionaal bedrijventerrein is of een specifiek, en in het laatste geval welk specifiek bedrijventerrein mede in functie van de bereikbaarheidskarakteristieken bv. aan een waterweg, een goederenspoorlijn,.... Verdere verfijning betekent dat verder aangeduid wordt wat wel en wat niet toegelaten is op het bedrijventerrein. Het type bedrijventerrein zal gekozen worden in functie van de noden en van het bestaande aanbod in een gebied.

Gebiedsspecifiek moet aangegeven worden welke activiteiten toegelaten worden en welke niet toegelaten worden. Er wordt gewerkt met een positieve en een negatieve lijst. In de positieve lijst moet aangegeven worden welke activiteiten kunnen toegelaten worden, in de negatieve lijst moet aangegeven worden welke activiteiten niet toegelaten zijn. Deze lijsten zijn vooral bedoeld om de twijfelgevallen ofwel toe te laten ofwel uit te sluiten.

Bedrijventerreinen en installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie en energierecuperatie : het is wenselijk dat op bedrijventerreinen installaties voor het opwekken van (hernieuwbare) energie en vormen van energierecuperatie kunnen geplaatst worden. Hierbij wordt onder meer gedacht aan windturbines, het gegroepeerd voorkomen van zonnepanelen, andere vormen van installaties voor hernieuwbare energie, warmtekrachtkoppeling,....

Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren en specifiek bedrijventerrein voor kleinhandel : beide bestemmingen worden toegepast wanneer de locaties specifiek geschikt zijn voor deze activiteiten bijvoorbeeld omwille van de ligging dicht bij een openbaarvervoerknooppunt, station,...

Specifiek regionaal bedrijventerrein voor wetenschapspark : in een voorschrift worden bepaalde activiteiten toegelaten. In een stedenbouwkundig voorschrift kan niet toegevoegd worden welke instellingen er bijvoorbeeld wenselijk zijn zoals universiteiten maar wel de activiteiten die er gedaan worden : onderzoek, onderwijs,...

Congresfaciliteiten : deze moeten in verhouding staan tot de grootte van de hoofdactiviteit van het terrein.

RUP voor een zeehavengebied : op te nemen aspecten

De ordening binnen een zeehavengebied wordt principieel als volgt gedifferentieerd met de bijhorende bestemmingen :
1. de afbakeningslijn van het zeehavengebied;
2. de bestemmingszone voor zeehavenactiviteiten, indien beheersmatig gewenst verder differentieerbaar;
3. (aan te leggen) waterwegen, alsook waterwegverbindingen (geen haveninterne waterwegen die door een bedrijf aangelegd worden voor eigen gebruik);
4. (aan te leggen) hoofdspoorwegen met spoorbundels;
5. hoofdpijpleidingen en reservatiestroken voor aan te leggen pijpleidingen (id. hoogspanningsleidingen);
6. (aan te leggen) hoofdwegen en primaire wegen (geen haveninterne wegen);
7. internationale multimodale logistieke parken;
8. zones voor slibverwerking indien beheersmatig gewenst als differentiatie;
9. buffers, gedifferentieerd indien nodig;
10. permanente ecologische infrastructuur;
11. specifieke gebiedsaanduidingen, indien gewenst vanuit het strategisch planningsproces.

Bij de opmaak van een RUP voor een zeehavengebied moet rekening gehouden worden met de zeesluizen en dokken die niet gerekend worden onder aanhorigheden van een waterweginfrastructuur maar als waterwegstructuur zelf vanwege de grote impact van deze kunstwerken. In de toelichting bij de voorschriften en in de toelichtingsnota bij het RUP wordt verduidelijkt wanneer de waterweginfrastructuur voorzien is voor een zeesluis of voor een dok omdat dit een weerslag heeft op de voorafgaande beoordelingen die moeten gebeuren voor een RUP en omdat de verschillende actoren in een planningsproces met kennis van zaken kunnen oordelen. Naderhand is het ook van belang voor de vergunningverlener.

Voor een verdere invulling van ecologische infrastructuur wordt verwezen naar het RSV en naar de dienstorder over ecologische infrastructuur (Dienstorder LIN 2002/11 Consolidatie van de inhoudelijke omschrijving en de operationalisering van het begrip ecologische infrastructuur in zeehavengebied'). De permanente ecologische infrastructuur wordt specifiek met een eigen bestemming aangegeven op het RUP.

Flexibiliteit in de begrenzing van het gebied : bij de realisatie van de bestemmingen is er voor de lijninfrastructuur in het algemeen en voor de waterinfrastructuur in het bijzonder nood aan een zekere flexibiliteit. Deze flexibiliteit heeft te maken met de realisatie van waterinfrastructuur in de zeehavens bv. een dok, dat wat groter of beperkter uitgevoerd wordt dan in het ruimtelijk uitvoeringsplan aangegeven, daarnaast is er soms naderhand nood aan flexibiliteit zodat de configuratie van een dok voor ro-ro bijvoorbeeld kan omgevormd worden tot een containerterminal of omgekeerd, andere aanpassingen van een dok aan nieuwe inzichten moet mogelijk zijn voor zover het evenredige aanpassingen zijn in verhouding tot wat opgenomen is in het RUP. In die gevallen is het nodig dat de werken kunnen vergund worden zonder dat een ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt moet worden. Deze mogelijkheid is opgenomen in een typebaling bij lijninfrastructuur. Het is bijgevolg belangrijk om het gebied voor waterinfrastructuur ruim genoeg op te nemen in een RUP en de typebepaling op te nemen voor het toelaten van het toepassen van het voorschrift van de naastliggende bestemming.

Buffer : zoals hoger reeds opgenomen wordt een buffer aangelegd op het gebied dat een buffer noodzakelijk maakt om de hinder naar de naastliggende bestemming te beperken. Voor een bedrijventerrein betekent dit dat de buffer op het bedrijventerrein aangelegd moet worden.

De typebepaling voor buffer is minder geschikt voor een zeehavengebied, een luchthavengebied of een groot bedrijventerrein maar kan als basis dienen voor het voorschrift in die gebieden. Gebiedsspecifiek moet nagegaan worden of de typebepaling voldoet aan de grootte van het terrein. De breedte van de buffer wordt meestal grafisch aangeduid op het grafisch plan zodat de afmetingen niet opgenomen worden in het voorschrift. Indien echter gekozen wordt voor een symbolische aanduiding van een buffer dient het voorschrift duidelijke aanwijzingen te geven over de functie die de buffer moet vervullen en de breedte en aanleg moet dan op projectniveau beoordeeld worden aan de hand van het vervullen van de functie.

De typebepalingen voor de Seveso-inrichtingen moeten omzichtig gebruikt worden. Vooral de typebepaling waarbij alle Seveso-inrichtingen verboden worden is zeer strikt. Overleg met de dienst Veiligheidsrapportering (dienst VR) van het departement Leefmilieu Natuur en Energie (LNE) is telkens noodzakelijk en zeker voor het toevoegen van deze bepaling.

Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel :

Op deze terreinen kan bv. een karting toegelaten worden indien het gebiedsspecifiek een goede locatie is. Dit moet door de vergunningverlener nagegaan worden of dergelijke grootschalige recreatie kan.

Bedrijven (inclusief handel en kantoren), recreatie en gemeenschapsvoorzieningen - nutsvoorzieningen :

Deze functies kunnen in verweving met andere functies voorkomen daar waar ze toegelaten zijn of in een specifiek gebied voor deze functie. De typebepaling zal uitgewerkt worden voor die gebieden die specifiek voorzien worden voor hetzij bedrijven, hetzij recreatie, hetzij gemeenschapsvoorzieningen - nutsvoorzieningen wanneer ze door de schaal of andere ruimtelijke aspecten die verweving niet toelaten met bv. wonen.

Gebied voor golfterrein met overdruk natuurverweving :

o geen betekenisvolle aantasting : deze bepaling wordt gebruikt wanneer het gaat over een speciale beschermingszone.
o de ecologische draagkracht van het gebied : deze zinsnede toevoegen wanneer het gaat om een gebied dat bepaalde natuurwaarden heeft maar zonder een speciale beschermingszone te zijn.

Agrarisch gebied :

Er zijn bepalingen opgenomen over aan de landbouw verwante bedrijven (de term para-agrarische bedrijven wordt niet gebruikt). In de toelichting bij de voorschriften wordt aangegeven wat daaronder wordt verstaan. Het zijn bedrijven met een directe link met de land- of tuinbouwbedrijven die, uitsluitend in relatie met de in het gebied aanwezige landbouwers of tuinbouwers, producten toeleveren of producten afnemen en ze stockeren, sorteren of verpakken in verse toestand. Sorteren en verpakken wordt gezien als bewerken. Elke verwerking is uitgesloten, met uitzondering van mestverwerking. Voorbeelden van toegelaten bedrijven zijn : aardappelhandelaar, graantrieerinstallatie, centrale mestopslag, verkoop van meststoffen, verkoop van veevoeders, koelplaatsen, silo's, drooginstallaties, vlasroterijen, loonwerker, herstelplaats van tractors, landbouwproefbedrijf, tuinbouwproefbedrijf, centrum voor kunstmatige inseminatie voor landbouwdieren, schoolhoeve. De schaal van die bedrijven moet aansluiten bij de schaal van de activiteiten in de omgeving. Agro-industriële bedrijven, bv. bedrijven met een groot hinterland horen niet in het agrarisch gebied thuis maar op een bedrijventerrein. Voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen betekent dit dat de historisch gegroeide bedrijven die meer dan een eerste verwerking doen van producten, moeten opgenomen worden in een RUP voor historisch gegroeide bedrijven indien ze ter plaatse kunnen worden behouden. Plattelandstoerisme : dit komt aan bod bij de toegelaten functiewijzigingen. Het aantal kamers is momenteel acht met de bijkomende voorwaarde dat het maximum geschikt is voor 32 personen (Afspraak in het IPO (Interbestuurlijk plattelandsoverleg).

Er moet echter rekening mee gehouden worden dat hoevetoerisme verschilt van plattelandstoerisme. Hoevetoerisme wordt uitgeoefend in een bestaand landbouwbedrijf. Plattelandstoerisme is een toegelaten functiewijziging in het agrarisch gebied en impliceert bijgevolg dat er geen actieve landbouwbedrijfsvoering meer is op die locatie.

GENO voor bos

Bij de opmaak van een RUP moet nagegaan worden of er nog tijdelijk mogelijkheden moeten geboden worden voor de bestaande landbouw. Indien dit positief wordt beantwoord moet de gebiedsspecifieke typebepaling voor bestaand landbouwgebruik opgenomen worden samen met de gebiedsspecifieke typebepaling als overgangsmaatregel voor landbouw in het gebied.

Gemengd openruimtegebied :

Het gemengd openruimtegebied behoort tot de gebiedscategorie « overig groen ».

Park :

Het typevoorschrift dat in de bundel wordt opgenomen zal selectiever gebruikt worden dan de bestemming parkgebied in een gewestplan. Het typevoorschrift is bedoeld voor de gebieden die een duidelijke historische, horticulturele en natuurlijke en landschappelijke waarde hebben. De nadruk ligt op de ruimtelijke samenhang binnen het gebied.

Een gebiedsspecifiek in te vullen typebepaling laat toe de toegelaten functies te bepalen voor het (historisch) gebouwenpatrimonium in dergelijk gebied. Voor zover er monumenten zijn bij deze gebouwen, moet de optie van het herbouwen in ieder geval ingeschreven worden.

Gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen met een specifieke nabestemming

Eerst zal ervaring worden opgedaan met de RUPs in opmaak om te zien of een voorbestemming nodig is. Eventueel is het voldoende om het gebied aan te duiden als bouwvrij agrarisch gebied.

Toekomstige typebepalingen :

Voor een aantal gebieden kunnen naargelang de nood en opgedane ervaring typebepalingen uitgewerkt worden in een latere fase. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de eventuele differentiatie van agrarisch gebied in agrarisch gebied met ecologisch belang en landschappelijk waardevol gebied. Het kan daarnaast gaan om bijvoorbeeld erfgoedlandschappen, bestemmingen in functie van het decreet integraal waterbeleid (oeverzones, overstromingsgebieden) en/of plannen ter zake (bijv. geactualiseerd Sigmaplan) en specifieke voorschriften m.b.t. woongebied (cf. het voorbeeld van bejaardenwoningen supra).

Typebepalingen die toepasbaar zijn voor alle bestemmingscategorieën :

De typebepalingen voor werken die voortvloeien uit een passende beoordeling of MER of uit een watertoets kunnen overal nodig zijn. Er moet telkens per gebied nagegaan worden of deze typebepaling nodig is om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van artikel 36ter van het decreet natuurbehoud (passende beoordeling) of aan de bepalingen betreffende de watertoets (decreet integraal waterbeleid). Daarnaast zijn de typebepalingen voor inrichting, voorkooprecht eveneens mogelijk in alle bestemmingscategorieën.

De goede ruimtelijke ordening in de beoordeling van de aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning

Complementair aan wat de toegelaten functies zijn in een bepaald gebied, wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning steeds rekening gehouden met de goede ruimtelijke ordening. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden.

Toepassing van de methodiek van de typevoorschriften

De gemeenten en provincies volgen de methodiek voor de opbouw van de stedenbouwkundige voorschriften zoals opgenomen in het ontwerp van besluit. Dit is expliciet opgenomen in het ontwerp van besluit.

Methodiek voor de overdrukken

Het stedenbouwkundig voorschrift over de overdruk bevat tevens het verband met de grondkleur. Artikel 201 van het decreet bepaalt : « De voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen vervangen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van de plannen van aanleg, tenzij het ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. » In het stedenbouwkundig voorschrift voor een overdruk wordt opgenomen dat de in grondkleur aangegeven bestemming van de bestaande verordenende plannen van aanleg, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of het onderhavig ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing zijn. In sommige gevallen brengt het nieuwe RUP dus enkel een overdruk aan boven een bestaande gewestplanbestemming of RUP-bestemming, in andere gevallen wordt met het RUP tegelijk een bestemming (grondkleur) en een overdruk aangeduid.

Bij de voorschriften over de op te heffen reservaties wordt in het voorschrift opgenomen dat de in grondkleur aangegeven bestemming van de bestaande verordenend plannen van aanleg, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of het onderhavig ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 201 van het decreet daar nu uitdrukkelijk bepaald is welke bestemming in grondkleur van toepassing is.

In een RUP worden enkel die bestemmingen of overdrukken opgenomen die gewijzigd worden of als nieuwe bestemming of overdruk opgenomen worden. Dit betekent dat hetzij de grafische voorstelling van de bestemming of overdruk moet aangepast worden, hetzij het stedenbouwkundig voorschrift. Een bestemming en een overdruk of opheffing van een reservatiestrook worden afzonderlijk behandeld omdat ze elk afzonderlijk een eigen stedenbouwkundig voorschrift hebben en een eigen betekenis. Wat opgenomen wordt in een RUP zijn die zaken die wijzigingen tegenover de bestaande juridische toestand bevatten. Wat niet in vraag gesteld wordt met het RUP wordt niet opgenomen in het RUP maar wel in de toelichtingsnota. In de kaartenbundel bij de toelichtingsnota over de bestaande juridische toestand kan telkens nagegaan worden wat de bestaande toestand is voor elk gebied waar wijzigingen voorgesteld worden met het RUP.

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, inzonderheid op artikel 39, § 3;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 juli 2006;

Gelet op het advies 43.952/1 van de Raad van State, gegeven op 7 febuari 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1. (11/08/2008- ...)

Bij de opmaak van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden volgende categorieën van gebiedsaanduidingen als uitgangspunt gehanteerd :
1° wonen;
2° bedrijvigheid;
3° recreatie;
4° landbouw;
5° bos;
6° reservaat en natuur;
7° overig groen;
8° lijninfrastructuur;
9° gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
10° ontginning en waterwinning.

In elk stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt aangegeven onder welke categorie van de voormelde gebiedsaanduidingen het valt.

De minister bevoegd voor ruimtelijke ordening kan richtlijnen uitvaardigen voor het toewijzen van gebiedsaanduidingen aan categorieën van de ruimteboekhouding van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen.

Artikel 2. (11/08/2008- ...)

Bij de redactie van een stedenbouwkundig voorschrift voor een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor een bepaald gebied wordt zoveel als mogelijk de volgende opbouw gehanteerd :
1° opgave van hoofd-, neven en/of ondergeschikte bestemming(en) van het gebied, waarbij bepaald wordt welke activiteiten of maatschappelijke functies in een gebied zijn toegelaten; daar kan aan toegevoegd worden dat bepaalde activiteiten niet zijn toegelaten;
2° desgevallend, bepalingen over de inrichting van een gebied waaronder voorschriften over de beeldwaarde, de ontsluiting, het verzekeren van duurzaam ruimtegebruik, het garanderen van goed nabuurschap met naastliggende gebieden;
3° desgevallend, bepalingen over het beheer in het gebied;
4° desgevallend, overgangsbepalingen voor aanwezige activiteiten of functies die niet meer in overeenstemming zijn met de bestemming(en) van het gebied;
5° desgevallend, bepalingen over de vestiging van een voorkooprecht.

Artikel 3. (11/08/2008- ...)

Bij dit besluit is een niet-normatieve bijlage gevoegd die typebepalingen bevat die kunnen worden gebruikt bij de redactie van stedenbouwkundige voorschriften van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

Artikel 4. (11/08/2008- ...)

Dit besluit is van toepassing op de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor de uitnodiging voor de eerste plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 5. (11/08/2008- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage

(11/08/2008- ...)

De onderstaande tabel is opgebouwd uit drie kolommen.

In de eerste kolom is de aard van het voorschrift (of van de grafische aanduiding) opgenomen. Alle bepalingen of voorschriften die in deze tabel zijn opgenomen, zijn typebepalingen of -voorschriften. Ze worden onderscheiden van (gebiedsspecifieke) maatwerkbepalingen.

- Standaardtypebepalingen zijn bepaling die nagenoeg steeds wordt gebruikt als een gebied van een bepaalde soort in een RUP wordt aangeduid.

- Gebiedsspecifieke typebepalingen komen ook erg frequent voor, maar of ze voor een gebied gebruikt worden of niet hangt af van de gerichte keuzes die in het planningsproces gemaakt worden, of van de bestaande toestand in het plangebied. De toelichting bij het RUP geeft hier in principe meer uitleg over.

De typebepalingen (standaard en gebiedsspecifiek) kunnen bij de aanduiding en ordening van een gebied in een RUP aangevuld worden met gebiedsspecifieke maatwerkbepalingen. Die zijn ook weer gegrond op elementen die uit het planningsproces naar voren zijn gekomen. De RUP-toelichting motiveert / zet uiteen op welke wijze dat element doorwerkt in voorschriften. Soms wordt de ordening van een gebied integraal door maatwerkbepalingen beheerst.

De tweede kolom bevat de eigenlijke voorschriften.

De derde kolom bevat de bijbehorende toelichting.

*De grijs gearceerde tekst betekent ofwel dat in de tekst een keuze kan gemaakt worden tussen de verschillende mogelijkheden die opgesomd zijn, ofwel dat iets moet worden ingevuld.

Inleiding
0. Afbakeningslijn stedelijk gebied of zeehavengebied/ luchthavengebied
1.1 Woongebied
1.2 Gebied voor wonen en landbouw
2.1 Gemengd regionaal bedrijventerrein
2.2 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren
2.3 Specifiek regionaal bedrijventerrein met watergebonden karakter
2.4 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor wetenschapspark
2.5 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, -distributie en logistiek
2.6 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor luchthavengebonden bedrijven
2.7 Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven
2.8 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel
2.9 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor agro-industrie
2.10 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage
2.11 Bedrijventerrein voor historisch gegroeid bedrijf
2.12 Bedrijventerrein voor bestaand regionaal bedrijf
2.13 Buffer voor bedrijventerrein (overdruk)
2.14 Diverse typebepalingen voor bedrijventerreinen
3.1 Recreatiegebied
3.2 Gebied voor golfterrein
3.3 Gebied voor gemotoriseerde sporten
3.4 Gebouwen en verharde parkeerplaatsen op recreatieve terreinen (overdruk)
3.5. Natuurverweving voor recreatie (overdruk)
4.1 Agrarisch gebied
4.2 Agrarische bedrijvenzone
4.3 Bouwvrij agrarisch gebied
4.4. Natuurverweving voor agrarisch gebied (overdruk)
5.1 Bosgebied
5.2 GEN voor bos (overdruk)
5.3 GENO voor bos (overdruk)
5.4 Natuurverweving voor bos (overdruk)
6.1 Gemengd openruimtegebied
6.2 Parkgebied
6.3 GEN voor overig groen (overdruk)
6.4 GENO voor overig groen (overdruk)
6.5 Natuurverweving voor overig groen (overdruk)
7.1 Natuurgebied
7.2 GEN voor, reservaat en natuur (overdruk)
7.3 GENO voor reservaat en natuur (overdruk)
8.1 Verkeers - of vervoersinfrastructuur
8.2 Ongelijkvloerse verkeers- en vervoersinfrastructuur (overdruk)
8.3 Bouwvrije strook (overdruk)
8.4 Gebied voor overstap
8.5 Gebied voor overslag
8.6. Gebied voor diensten bij wegeninfrastructuur
8.7 Gebied voor diensten bij waterweginfrastructuur
8.8 Buffer (overdruk)
8.9 Leidingstraat (overdruk - symbolisch)
8.10 Leidingstrook (overdruk)
8.11 Enkelvoudige leiding (overdruk - symbolisch)
8.12 Hoogspanningsleiding (overdruk - symbolisch)
8.13 Op te heffen reservatiestrook (overdruk - symbolisch)
8.14 Verbinding voor langzaam verkeer (overdruk - symbolisch)
9.1 Gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen
9.2 Gebied voor zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater
9.3 Gebied voor windturbines (overdruk)
10.1 Gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening
10.2 Gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen
10.3 Gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen
10.4 buffer voor gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen (overdruk)
11.1 Typebepaling mbt inrichtingsstudie
11.2 Typebepaling mbt passende beoordeling, MER, watertoets
11.3 Typebepaling mbt beperkte werken van waterbeheer in of nabij valleien
11.4 Typebepaling voor voorkooprecht

Categorie van gebiedaanduiding 0: Afbakeningslijnen

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP0 Categorie van gebiedsaanduiding 0: afbakeningslijnen

0. Afbakeningslijn stedelijk gebied of zeehavengebied / luchthavengebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Afbakeningslijn grootstedelijk / regionaalstedelijk / zeehaven / luchthavengebied

 

 

Standaard typebepaling

De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het grootstedelijk/ regionaalstedelijk / zeehaven/ luchthavengebied XXX.

 

Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing. De bestaande voorschriften kunnen daar door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA’s worden vervangen.

 

Bij de vaststelling van die plannen en bij overheidsprojecten binnen de grenslijn gelden de relevante bepalingen van de ruimtelijke structuurplannen, conform de decretale bepalingen in verband met de verbindende waarde van die ruimtelijke structuurplannen.

Dit voorschrift wijzigt de bevoegdheidsverdeling tussen de drie planningsniveaus niet. De vervanging van de plannen van aanleg gebeurt conform de taakverdeling zoals die decretaal en in de structuurplannen is vastgelegd.

 

Categorie van gebiedaanduiding 1: Wonen

BIJLAGE (01/09/2009- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 1: Wonen

1.1 Woongebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Woongebied

 

 

Standaard typebepaling

x. 1. Het gebied is bestemd voor wonen en aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen. Onder aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen worden verstaan: handel, horeca, bedrijven, kantoren en diensten, openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten, socioculturele voorzieningen en recreatieve voorzieningen.

De woongebieden zijn multifunctionele gebieden waar verweving van functies het uitgangspunt is.

 

De woongebieden zijn naast het wonen ook bestemd voor openbare ruimtes (groene en verharde) en voor aan het wonen verwante voorzieningen. Het gaat om handel, horeca, bedrijven, openbare en private nutsvoorzieningen, kantoren en diensten, en socioculturele inrichtingen en recreatieve voorzieningen.

Wonen: woningen en de bijbehorende uitrusting zoals tuinen, tuinhuisjes, garages, hobbylandbouw. ...

Openbare verharde ruimten: straten, pleinen, parken …

Openbare groene ruimten: parken, speelpleinen, graspartijen, bermen, groenvoorziening …

Handel (in principe komt elke vorm van handelsactiviteit in aanmerking): winkels, grootschalige kleinhandel, groothandel ...

Horeca (hotel, restaurant, café)

Bedrijven, kantoren en diensten

Openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen: scholen, ziekenhuizen rusten verzorgingsinstellingen, gemeentehuis, elektriciteitscabines, tramhaltes en busstations, parkeerplaatsen, installaties voor waterzuivering ...

socioculturele voorzieningen: cultureel centrum, gemeenschapscentrum, voorzieningen voor jeugdwerking, eredienstgebouw, bibliotheek, volkstuintjes, .

Recreatieve voorzieningen: speelpleinen, zwembad, sportvelden, sport- en fitnesscentra.

Standaard typebepaling

x.2. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft verenigbaar zijn met de omgeving. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan:

- de relatie met de in de omgeving aanwezige functies;

- de invloed op de omgeving wat betreft het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers;

- de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid;

- de relatie met de in de omgeving van het woongebied vastgelegde bestemmingen;

- de bestaande of gewenste woondichtheid;

- de inpassing in de omgeving.

Wonen, openbare groene en verharde ruimten en aan wonen verwante activiteiten zijn evenwaardig of nevengeschikt. Activiteiten in het woongebied moeten beoordeeld worden op hun verenigbaarheid met hun omgeving wat schaal en ruimtelijke impact betreft (dit geldt dus voor alle toegelaten activiteiten, ook het wonen). De te beschouwen omgeving is afhankelijk van de voorgestelde ingreep. De beoordeling van de verenigbaarheid zal in de praktijk sterk verschillen. Voor werken met een beperkte ruimtelijke impact of een beperkte schaal zal de beoordeling beknopt blijven. Grote werken of werken met bijvoorbeeld een grote mobiliteitsimpact, waaronder ook de parkeerplaatsen, zullen uitgebreider moeten worden

beoordeeld.

 

Met inpassing in de omgeving wordt bedoeld de inplanting, het reliëf en de bodemgesteldheid, het bouwvolume en het uiterlijk, … van het project of gebouw.

 

De beoordeling gebeurt door de vergunningverlener. Het aanvraagdossier moet dus afhankelijk van de beoogde ingreep de nodige elementen bevatten om de beoordeling mogelijk te maken.

 

Er wordt gestreefd naar 25/15 wooneenheden per ha. Dit moet bekeken worden in grotere gehelen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

...

...

Gebiedsspecifieke typebepaling

In dit gebied kan een vergunning voor:

1° verkavelingen van ten minste tien loten bestemd voor woningbouw, of met een grondoppervlakte groter dan een halve hectare, ongeacht het aantal loten;

2° groepswoningbouwprojecten waarbij ten minste tien woongelegenheden ontwikkeld worden;

3° de bouw of de herbouw van appartementen gecreëerd worden;

4° verkavelingen, groepswoningbouwprojecten en projecten voor de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen die niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in 1°, 2° of 3°, en waarvoor een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd door een verkavelaar of een bouwheer wiens project aansluit op andere, door dezelfde verkavelaar of bouwheer te ontwikkelen gronden, die samen met de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, een oppervlakte van meer dan een halve hectare beslaan;

pas afgeleverd worden indien binnen het verkavelingsof bouwproject een bescheiden woonaanbod wordt verwezenlijkt van x procent.

 

Opmerking. Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die een woongebied creëren met een oppervlakte van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen, bepalen steeds een percentage bescheiden wonen dat gelijk is aan veertig procent. Dat procentueel objectief kan ten hoogste worden verminderd tot tien procent, in zoverre dat wordt gemotiveerd vanuit het bestaande en geplande bescheiden en sociaal woonaanbod, de sociale contextfactoren en de ruimtelijke karakteristieken van het geordende woongebied.

 

Het procentueel objectief kan enkel verder worden verlaagd tot nul procent vanaf de bekendmaking van een gemeentelijk bericht waaruit blijkt dat het bindend sociaal objectief verwezenlijkt is. Het bindend sociaal objectief is de gemeentelijke omschrijving van het sociaal woonaanbod dat binnen de tijdshorizon van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen tenminste moet worden verwezenlijkt. (Artikel 4.1.2 DGPB). De bekendmaking van het gemeentelijk bericht geschiedt op de wijze, vermeld in artikel 186 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.

Dit voorschrift is gericht op een differentiatie van woningtypologieën en op het creëren van een aanbod dat beantwoordt aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen. Het legt op om een bepaald percentage “bescheiden wonen” te creëren. Onder andere vanuit het proportionaliteitsbeginsel worden daarbij projecten vanaf een bepaalde omvang beoogd.

 

Het voorschrift is een vertaling van de principes die zijn opgenomen in artikel 4.2.4 van het decreet betreffende het grond- en pandenbeleid (DGPB).

 

Om die reden moeten de gehanteerde begrippen gelezen worden in de zin die het DGPB daaraan geeft.

 

Onder bescheiden woonaanbod moet worden begrepen: het aanbod aan kavels en woningen, met uitsluiting van het sociaal woonaanbod, dat bestaat uit kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2, woonhuizen met een bouwvolume van ten hoogste 550 bouwvolume van ten hoogste 240 m3. Het ruimtelijk uitvoeringsplan kan deze maximale oppervlakte- en volumenormen verder beperken.

 

Ingevolge het DGPB kan de gebiedsspecifieke typebepaling worden opgelegd door middel van elk ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

Het DGPB bepaalt dat een welomschreven percentage (zie de “opmerking” in de linkerkolom) moet worden opgelegd via gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die een bestemmingswijziging naar woongebied doorvoeren, voor zover het door middel van het plan gecreëerde woongebied een oppervlakte heeft van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen. Informatief kan worden gesteld dat dezelfde verplichting (met dezelfde modaliteiten) geldt in hoofde van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, voor zover er sprake is van een omzetting van woonuitbreidingsgebied of woonreservegebied, of van een zone die geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “landbouw”, “bos”, “overig groen” of “reservaat en natuur”, of geordend wordt door een plan van aanleg en aangewezen is als landelijk gebied overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de voor de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen geldt de voorwaarde dat het door middel van het plan gecreëerde woongebied een oppervlakte heeft van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen.

 

De openbare besturen, vermeld in artikel 4.2.5, § 2, 1° en 2°, van het DGPB kunnen steeds hogere normen nastreven dan deze die middels ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg worden opgelegd, ook indien zij daar niet toe zijn verplicht.

 

Nota bene. Artikel 4.2.1 - 4.2.3 van het DGPB regelen de wijze waarop verkavelings- en bouwprojecten buiten de gevallen als vermeld in deze gebiedsspecifieke typebepaling kunnen of moeten worden onderworpen aan lasten met het oog op de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x.x. Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van de bestaande landbouwbedrijven en voor de bestaande bedrijven met aan de landbouw toeleverende, verwerkende en dienstverlenende activiteiten.

Overgangsmaatregel voor landbouw met bedrijfsgebouw in het gebied. Onder landbouw wordt verstaan, landbouw in de ruime zin van het woord, namelijk het beroepsmatig kweken van planten of dieren voor de markt en niet voor recreatieve doeleinden. Daaronder vallen veeteelt, planten- en bomenkwekerijen, akkerbouw …

 

Het gaat om een overgangsmaatregel, bestaande bedrijven kunnen overgenomen worden door een andere rechtspersoon zonder het statuut bestaand te verliezen op voorwaarde dat de activiteit dezelfde of gelijkaardig blijft.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x. y. Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven, met uitsluiting van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies.

Overgangsmaatregel voor landbouw zonder bedrijfsgebouw in het gebied. Onder landbouw wordt verstaan, landbouw in de ruime zin van het woord, namelijk het beroepsmatig kweken van planten of dieren voor de markt en niet voor recreatieve doeleinden. Daaronder vallen veeteelt, planten- en bomenkwekerijen, akkerbouw ...

 

Het gaat om een overgangsmaatregel, bestaande bedrijven kunnen overgenomen worden door een andere rechtspersoon zonder het statuut bestaand te verliezen op voorwaarde dat de activiteit dezelfde of gelijkaardig blijft.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP1.2 Categorie van gebiedsaanduiding 1: Wonen

1.2 Gebied voor wonen en landbouw

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor wonen en voor landbouw

 

 

Standaard typebepaling

x.1. Het gebied is bestemd voor wonen, landbouw, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten en aan het wonen verwante activiteiten. Onder aan het wonen verwante activiteiten worden verstaan: handel, horeca, bedrijven, kantoren en diensten, openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, socioculturele voorzieningen en recreatieve voorzieningen.

Dit is een gebied waarin wonen, landbouw en aan het wonen verwante activiteiten samen voorkomen. Activiteiten in het gebied voor wonen en agrarische productie moeten beoordeeld worden op hun verenigbaarheid met hun omgeving wat schaal en ruimtelijke impact betreft (dit geldt dus voor alle toegelaten activiteiten, ook het wonen), zie x.2.

 

De beoordeling van de verenigbaarheid zal in de praktijk sterk verschillen. Voor werken met een beperkte ruimtelijke impact of een beperkte schaal zal de beoordeling beknopt blijven. Voor grote werken of werken met bijvoorbeeld een grote mobiliteitsimpact zal de beoordeling uitgebreider moeten gebeuren.

 

De beoordeling gebeurt door de vergunningverlener. Het aanvraagdossier moet dus afhankelijk van de beoogde ingreep, de nodige elementen bevatten om de beoordeling mogelijk te maken

Standaard typebepaling

x.2. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft, verenigbaar zijn met de omgeving.

Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan:

- de relatie met de in de omgeving aanwezige functies;

- de invloed op de omgeving wat betreft het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers;

- de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid;

- de relatie met de in de omgeving van het gebied voor wonen en landbouw vastgelegde bestemmingen;

- de bestaande of gewenste woondichtheid;

- de inpassing in de omgeving.

In dit gebied voor wonen en voor landbouw zal telkens aan de hand van het tweede lid kunnen worden nagegaan welke vergunningen kunnen worden afgeleverd zonder het evenwicht in het gebied te schaden.

 

Activiteiten in het gebied moeten beoordeeld worden op hun verenigbaarheid met hun omgeving wat schaal en ruimtelijke impact betreft (dit geldt dus voor alle toegelaten activiteiten, ook het wonen). De te beschouwen omgeving is afhankelijk van de voorgestelde ingreep. De beoordeling van de verenigbaarheid zal in de praktijk sterk verschillen. Voor werken met een beperkte ruimtelijke impact of een beperkte schaal zal de beoordeling beknopt blijven. Grote werken of werken met bijvoorbeeld een grote mobiliteitsimpact, waaronder ook de parkeerplaatsen, zullen uitgebreider moeten worden beoordeeld.

 

Met inpassing in de omgeving wordt bedoeld de inplanting, het reliëf en de bodemgesteldheid, het bouwvolume en het uiterlijk, ….van het project of gebouw.

 

De beoordeling gebeurt door de vergunningverlener. Het aanvraagdossier moet dus afhankelijk van de beoogde ingreep de nodige elementen bevatten om de beoordeling mogelijk te maken.

 

Categorie van gebiedaanduiding 2: Bedrijvigheid

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.1 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.1 Gemengd regionaal bedrijventerrein

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gemengd regionaal bedrijventerrein

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met de volgende hoofdactiviteiten:

- productie, opslag, bewerking en verwerking van

goederen;

- productie van energie

- onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten.

Een regionaal bedrijf is een grootschalig bedrijf met belangrijke ruimtelijke impact op de omgeving op vlak van mobiliteit, uitzicht, omvangrijke ruimte-inname of potentieel in te bufferen effecten. ‘Regionaal’ verwijst niet naar de economische relaties of het verzorgingsgebied van het bedrijf.

 

Op een gemengd regionaal bedrijventerrein kunnen bedrijven gevestigd en uitgebaat worden die om ruimtelijke of milieuredenen niet verweefbaar (meer) zijn met een multifunctionele stedelijke of residentiële omgeving.

 

Met opslag is de opslag van de geproduceerde of verwerkte goederen bedoeld. Daarnaast kan bijvoorbeeld ook de opslag van grond voor een grondwerker hieronder begrepen zijn.

 

In het gebied zijn windturbines toegelaten, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie

Gebiedsspecifieke typebepaling

- Op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en groothandel;

- autonome kantoren;

- afvalverwerking met inbegrip van recyclage;

- verwerking en bewerking van mest en slib;

- verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen.

Met autonome kantoren wordt bedoeld bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit. De kantooractiviteit is hier niet ondergeschikt aan andere bedrijfsactiviteiten zoals productie of verwerking van goederen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- kleinhandel;

- agrarische productie;

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en groothandel;

- autonome kantoren;

- afvalverwerking met inbegrip van recyclage;

- verwerking en bewerking van mest of slib;

- verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen.

Met autonome kantoren wordt bedoeld, bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit. De kantooractiviteit is hier niet ondergeschikt aan andere bedrijfsactiviteiten zoals productie of verwerking van goederen.

 

Onder mestverwerking en slibverwerking worden alle verwerking en bewerking van mest of slib begrepen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.2 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.2 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor kantoren, dat zijn bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Daarnaast zijn volgende activiteiten toegelaten:

- kantoorachtigen, dat zijn bedrijven in gebouwen met de uiterlijke vorm van een kantoor maar met een functie en/of hoofdactiviteit die niet gericht is op hoofdzakelijk administratieve en personeelsintensieve dienstverlening;

- kleinschalige complementaire voorzieningen die in hun dienstverlening gericht zijn op de hoge personeelsintensiteit van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven;

- installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie.

Voorbeelden van kantoorachtigen zijn offsetbedrijven, labo’s, onderzoekscentra, gebouw waarin telecom en computerondersteuning gegeven wordt, opslag van hoogtechnologisch materiaal …

 

Voorbeelden van kleinschalige complementaire voorzieningen zijn kinderopvang, restaurant, sportfaciliteiten, tankstation, ...

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- kleinhandel;

- kantoorachtigen, dit zijn bedrijven in gebouwen met de uiterlijke vorm van een kantoor maar met een functie en/of hoofdactiviteit die niet gericht is op hoofdzakelijk administratieve en personeelsintensieve dienstverlening.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.3 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.3 Specifiek regionaal bedrijventerrein met watergebonden karakter

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein met watergebonden karakter

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met watergebonden karakter. Het watergebonden karakter bestaat uit het gebruik van de waterweg voor het vervoer van een substantiële hoeveelheid basisgrondstoffen en/of (half) afgewerkte producten, of uit het gebruik van het water als substantieel onderdeel van het productieproces.

 

De hoofdactiviteiten van deze bedrijven zijn:

- productie en verwerking van goederen;

- verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen;

- productie van energie of energierecuperatie;

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage en fysieke distributie;

- logistiek complementaire en logistiek ondersteunende activiteiten inclusief exploitatie van intermodale en laad- en losinfrastructuur.

 

Alle werken, handelingen, en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van het specifiek regionaal bedrijventerrein met watergebonden karakter en de bedrijven zijn toegelaten. Daartoe worden ook de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde gerekend.

Onder op- en overslag, voorraadbeheer, groepage en fysieke distributie wordt ook begrepen groothandel.

 

Met opslag is de opslag van de geproduceerde of verwerkte goederen bedoeld. Daarnaast kan bijvoorbeeld ook de opslag van grond voor een grondwerker hieronder begrepen zijn.

Gebiedsspecifieke typebepaling

- afvalverwerking met inbegrip van recyclage

- verwerking en bewerking van mest;

- verwerking en bewerking van slib.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- afvalverwerking met inbegrip van recyclage;

- verwerking en bewerking van mest;

- verwerking en bewerking van slib.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.4 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.4 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor wetenschapspark

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor wetenschapspark

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor bedrijven waarvan de hoofdactiviteit gericht is op fundamenteel en/of toegepast onderzoek, en/of ontwikkeling in samenhang met onderwijs- en opleidingsactiviteiten.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Daarnaast zijn de volgende activiteiten toegelaten:

- dienstverlenende bedrijven die ondersteuning bieden aan bedrijven die fundamenteel en/of toegepast onderzoek uitvoeren;

- congresfaciliteiten

- installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie ...

De toegevoegde activiteiten moeten in verhouding staan met de hoofdactiviteiten, ze zijn mogelijk naast de hoofdactiviteiten.

 

De congresfaciliteiten en de installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie moeten niet noodzakelijk complementair/bieden ondersteuning aan de hoofdactiviteit.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- autonome kantoren;

- kleinhandel;

- congresfaciliteiten.

Met autonome kantoren wordt bedoeld, bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit. De kantooractiviteit is hier niet ondergeschikt aan andere bedrijfsactiviteiten zoals productie of verwerking van goederen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.5 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.5 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, distributie en logistiek

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, distributie en logistiek

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met de volgende hoofdactiviteiten:

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en logistiek.

Onder logistiek wordt ook begrepen, de zogenaamde. Value Added Logistics-dienstverlening; dat is dienstverlening, gericht op de logistieke keten waarin specifieke bewerkingen of voorraadbeheer zorgen voor een toegevoegde waarde van het eindproduct.

 

Onder opslag van goederen wordt ook begrepen groothandel gerelateerd aan transport, distributie en logistiek.

Gebiedsspecifieke typebepaling

- ondersteunende dienstverlenende bedrijven gericht op transport, distributie en logistiek;

- installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- productie en verwerking van goederen;

- autonome kantoren;

- kleinhandel;

-

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.6 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.6 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor luchthavengebonden bedrijven

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor luchthavengebonden bedrijven

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met luchthavengebonden karakter. Een bedrijf is luchthavengebonden als de activiteiten ervan noodzakelijk of ondersteunend zijn voor de werking van de luchthaven of als ze afhankelijk zijn van de luchtvaart.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

De hoofdactiviteiten van die bedrijven zijn:

− transport, distributie en logistiek;

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en logistiek;

- dienstverlening met een fysieke binding met de luchthaven;

- autonome kantoren.

 

Daarnaast zijn installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie toegelaten.

Bedrijven hebben een fysieke binding met de luchthaven als ze goederen verwerken en/of verhandelen die luchtvervoer vereisen, en/of als ze voor hun dienstverlenende hoofdactiviteit afhankelijk zijn van de nabijheid van de luchthaven wegens een hoog aantal personenverplaatsingen via de lucht. Bijvoorbeeld koeriersbedrijven, luchthavengebonden hotels, ...

 

Onder opslag van goederen wordt ook begrepen groothandel

 

Met autonome kantoren wordt bedoeld, bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit. De kantooractiviteit is hier niet ondergeschikt aan andere bedrijfsactiviteiten zoals productie of verwerking van goederen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- productie en verwerking van goederen;

- kleinhandel;

- groothandel

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en logistiek;

-

- dienstverlening met een fysieke binding met de luchthaven;

- autonome kantoren.

Bedrijven hebben een fysieke binding met de luchthaven als ze goederen verwerken en/of verhandelen die luchtvervoer vereisen, en/of als ze voor hun dienstverlenende hoofdactiviteit afhankelijk zijn van de nabijheid van de luchthaven wegens een hoog aantal personenverplaatsingen via de lucht.

 

Met autonome kantoren wordt bedoeld bedrijven met als hoofdactiviteit privé- en overheidsdienstverlening met een hoofdzakelijk administratief karakter en een hoge personeelsintensiteit. De kantooractiviteit is hier niet ondergeschikt aan andere bedrijfsactiviteiten zoals productie of verwerking van goederen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.7 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.7 Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd om te functioneren als Vlaams havengebied als onderdeel van de haven XXX. Het is bestemd voor zeehavengebonden en zeehavengerelateerde industriële en logistieke activiteiten en distributie-, opslag- en overslagactiviteiten die gebruikmaken van en aangewezen zijn op de zeehaveninfrastructuur. In dit gebied is de opwekking van energie toegelaten.

 

Alle werken, handelingen, en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie van de haven en de bedrijven zijn toegelaten. Daartoe worden ook de volgende werken, handelingen, voorzieningen, en wijzigingen gerekend:

- de aanleg en het onderhoud van infrastructuur die nodig is voor de toegankelijkheid of voor verbindingen langs de waterzijde en langs de landszijde;

- het laguneren of op een andere wijze bergen of verwerken van baggerspecie.

 

Daarnaast is de ontwikkeling, het herstel en de instandhouding van tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten.

Het gebied is bestemd voor de industriële gronden binnen een zeehaven. Het is een onderdeel van een zeehaven die naast het gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven eveneens andere gebieden, eigen aan een zeehaven, bevat zoals de dokken en sluizen in een zeehaven. Omdat de overgang tussen het gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, en de gebieden voor waterwegen of waterwegverbindingen niet altijd heel precies aan te geven is op een RUP wordt een zekere soepelheid aan de dag gelegd en wordt dit opgenomen in de typebepaling voor waterweg. Onder die soepelheid wordt verstaan dat de grens niet strikt moet worden geïnterpreteerd, vooral niet voor beperkte werken. Werken aan de kade om bepaalde infrastructuren aan te brengen zijn bijvoorbeeld toegelaten, zoals een binnenvaartterminal, het aanpassen van een kade met het oog op een andere manier van laden en lossen, …

 

In het gebied zijn eveneens windturbines toegelaten, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie. Er is geen specieke aanduiding voor nodig.

 

Onder ecologische infrastructuur wordt verstaan het geheel van kleine landschapselementen en vlakvormige natuurwaarden die de landschapswaarde van het gebied moeten helpen verzekeren of die de doorgang van bepaalde (dier)soorten door het gebied moeten helpen verzekeren. Voorbeelden zijn waterpartijen, bomenrijen, grachten, bermen en dergelijke meer. In dit gebied wordt de tijdelijke ecologische infrastructuur toegelaten. De permanente ecologische infrastructuur wordt in een RUP voor een zeehaven met een eigen gebiedsbestemming aangeduid.

Gebiedsspecifieke typebepaling

In het gebied zijn eveneens gebouwen of lokalen voor bewakingspersoneel toegelaten.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.8 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.8 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met als hoofdactiviteit grootschalige kleinhandel. Het betreft individuele grootschalige winkels, concentraties van grootschalige winkels.

Grootschalige kleinhandel is distribuerende handel die zich richt op de verkoop van producten (inclusief diensten) aan eindgebruikers (vb tuincentra) De richtwaarde is een minimale omvang van 1000 m² bruto bebouwd oppervlak per winkel. Daaronder worden eveneens begrepen, de complementaire kleinschalige voorzieningen op voorwaarde dat ze maximaal 15% van de gebouwenoppervlakte uitmaken. Het gaat hier over de typische winkels in de inkom van, in of in de onmiddellijke buurt van een supermarkt zoals krantenwinkels, slagerij, schoenlapper-sleutelmaker, bloemenwinkel, cafetaria.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Daarnaast zijn de volgende activiteiten toegelaten:

- groothandel;

- autonome kantoren;

- overdekte recreatieve bedrijven;

− horeca.

 

Installaties voor het opwekken van hernieuwbare

energie of energierecuperatie. zijn toegelaten.

Voorbeelden van toegelaten recreatieve bedrijven zijn: een bowling, een karting, groot overdekt speelplein …

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- groothandel;

- autonome kantoren;

- overdekte recreatieve bedrijven inclusief grootschalige attractieparken of grootschalige dagrecreatie;

- horeca.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.9 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.9 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor agro-industrie

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Regionaal bedrijventerrein voor agro-industrie

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met als hoofdactiviteit:

Dit is een bedrijventerrein dat specifiek aangeduid wordt voor agro-industrie, te weten deze industrie die aanleunt bij landbouwactiviteiten maar op een specifiek terrein thuishoren.

 

Sorteren en verpakken wordt gezien als bewerken. Verwerking is bv mestverwerking.

Gebiedsspecifieke typebepaling

- aan de landbouw toeleverende activiteiten;

- landbouwverwerkende activiteiten;

- aan de landbouw dienstverlenende activiteiten;

- niet aan de grond gebonden agrarische productie;

- verwerking en bewerking van mest;

- verwerking en bewerking van slib;

- tuinaanleg.

 

Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie.zijn toegelaten

Onder niet aan de grond gebonden agrarische productie wordt verstaan, productie die geen gebruik maakt van de aanwezige teelaarde, zoals een champignonkwekerij.

 

Met tuinaanlegbedrijven worden hier bedoeld deze die alleen machines stallen. Tuincentra vallen hier niet onder, deze horen thuis bij kleinhandel.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- aan de landbouw toeleverende activiteiten;

- landbouw verwerkende activiteiten;

- aan de landbouw dienstverlenende activiteiten;

- niet aan de grond gebonden agrarische productie;

- verwerking en bewerking van mest;

- verwerking en bewerking van slib;

- grondopslag en grondbe- en -verwerking;

- tuinaanleg.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.10 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.10 Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Specifiek regionaal bedrijventerrein voor afvalverwerking en recyclage

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor regionale bedrijven met afvalverwerkende en recyclerende activiteiten.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Daarnaast zijn de volgende activiteiten toegelaten:

- verwerking en bewerking van mest of slib;

- verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen;

- grondopslag en grondbewerking en -verwerking.

 

Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie zijn.toegelaten.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

De volgende activiteiten zijn niet toegelaten:

- productie en verwerking van goederen;

- onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;

- op- en overslag, voorraadbeheer, groepage, fysieke distributie en groothandel;

- verwerking en bewerking van mest of slib;

- verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen;

- grondopslag en grondbewerking en -verwerking.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.11 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.11 Bedrijventerrein voor historisch gegroeid bedrijf

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Bedrijventerrein voor historisch gegroeid bedrijf

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor het behoud en de uitbreiding van de huidige historisch gegroeide bedrijfsactiviteiten (specifieke activiteiten bedrijf) aan volledig adres.

 

Nevenactiviteiten zijn alleen toegelaten voor zover ze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het historisch gegroeide bedrijf.

 

Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie. zijn toegelaten.

 

Als de huidige bedrijfsactiviteiten worden stopgezet, geldt de nabestemming bestemming. Als de huidige bedrijfsactiviteiten worden stopgezet, wordt op basis van een uitgewerkte visie aan de hand van een ruimtelijk uitvoeringsplan op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau beslist over de inrichting van dit xxxxgebied. In afwachting van de goedkeuring van een dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kunnen geen stedenbouwkundige vergunningen worden verleend na de stopzetting van de huidige bedrijfsactiviteiten.

Historisch gegroeide bedrijven zijn bedrijven, gelegen in gemeenten die in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd zijn als gemeenten in het buitengebied.

 

De bedrijfsactiviteiten worden overwegend zo omschreven dat enerzijds de bestaande activiteiten behouden blijven en anderzijds die activiteiten technologisch en economisch kunnen ontwikkelen voor zover die ontwikkeling ruimtelijk verantwoord is.

 

Onder bestaande activiteiten moeten worden verstaan: de activiteiten in gelijkaardige vorm, met inbegrip van de normale technologische evolutie van activiteiten. De omstandigheid dat het bedrijf verandert van eigenaar kan op zichzelf niet beschouwd worden als een stopzetting van de huidige bedrijfsactiviteiten.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.12 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.12 Bedrijventerrein voor bestaand regionaal bedrijf

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Bedrijventerrein voor bestaand regionaal bedrijf

 

 

Standaard typebepaling

Het bedrijventerrein is bestemd voor het behoud en de uitbreiding van de huidige bestaande regionale bedrijfsactiviteiten (specifieke activiteiten bedrijf) aan volledig adres.

 

Nevenactiviteiten zijn alleen toegelaten voor zover ze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het bestaand regionaal bedrijf.

 

Installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie of energierecuperatie. zijn toegelaten.

 

Als de huidige bedrijfsactiviteiten worden stopgezet, geldt de nabestemming bestemming. Op basis van een uitgewerkte visie wordt aan de hand van een ruimtelijk uitvoeringsplan op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau beslist over de inrichting van dit xxxxgebied. In afwachting van de goedkeuring van een dergelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kunnen geen stedenbouwkundige vergunningen worden verleend na de stopzetting van de huidige bedrijfsactiviteiten.

Een bestaand regionaal bedrijf is gelegen in een (deel van een) gemeente, behorend tot een stedelijk gebied, in een gemeente, geselecteerd als een specifiek economisch knooppunt, of in een gemeente, geselecteerd in het Economisch Netwerk Albertkanaal.

 

Onder bestaande activiteiten moeten worden verstaan: de activiteiten in gelijkaardige vorm, met inbegrip van de normale technologische evolutie van activiteiten. De omstandigheid dat het bedrijf verandert van eigenaar kan op zichzelf niet beschouwd worden als een stopzetting van de huidige bedrijfsactiviteiten.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.13 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.13 Buffer voor bedrijventerrein (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Buffer

 

 

Standaard typebepaling

Tussen de bedrijven en de aangrenzende zones wordt in een buffer voorzien. De buffer moet voldoen aan de voorwaarden van visuele afscherming, geluidsafscherming, landschappelijke inpassing, afstand, beheersing van veiligheidsrisico’s.

 

De buffer (strook/zone) wordt voor ten minste x % (dicht) beplant met streekeigen struiken en hoogstammige bomen met het oog op het bufferen van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de aanliggende functies.

 

Alleen werken en handelingen met het oog op de aanleg en het onderhoud van de buffer zijn toegelaten met inbegrip van de aanleg en het onderhoud van toegangswegen met inbegrip van de aanleg van brandwegen in waterdoorlatende verharding indien dit om redenen van brandveiligheid wordt opgelegd of van waterbeheersingswerken.

 

Uiterlijk in het plantseizoen dat volgt op het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, na de inwerkingtreding van dit ruimtelijk uitvoeringsplan, moet de zone voor buffer aangelegd en beplant zijn.

 

Daarnaast zijn installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie toegelaten.

Een buffer behoort tot het bedrijventerrein en moet een overgang vormen tussen het bedrijventerrein en de aangrenzende bestemmingen. Naargelang van de aard van de aangrenzende bestemming zal de buffer gebiedsspecifiek moeten worden ingevuld.

 

Wat kan toegelaten worden in een buffer is beperkt maar in bepaalde gevallen is het belangrijk te voorzien dat toegangswegen kunnen toegelaten worden voor zover ze niet afzonderlijk voorzien zijn in het RUP.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP2.14 Categorie van gebiedsaanduiding 2: Bedrijvigheid

2.14 Diverse typebepalingen voor bedrijventerreinen

 

Typebepaling

toelichting

Standaard typebepaling

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze rekening houden met zuinig ruimtegebruik. Daarbij wordt minstens aandacht besteed aan:

- het optimaal gebruiken van de percelen, echter rekening houdend met de verplichtingen inzake veiligheid;

- de mogelijkheid om bepaalde diensten onder te brengen in gemeenschappelijke gebouwen op het bedrijventerrein;

- het groeperen en organiseren op het bedrijventerrein van parkeermogelijkheden voor de gebruikers en bezoekers.

Zuinig ruimtegebruik is een algemeen principe voor een bedrijventerrein.

 

Bij de beoordeling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt niet alleen rekening gehouden met het zuinig ruimtegebruik maar ook onder meer met:

- de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid;

- de relatie met de in de omgeving van het gebied vastgelegde bestemmingen;

- de inpassing in de omgeving.

Standaard typebepaling

Gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen, inherent aan het functioneren van het xxx bedrijventerrein, zijn toegelaten.

Voorbeelden van gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen zijn een vrachtwagentankstation, een gemeenschappelijk bedrijfsrestaurant, een bank-/postloket.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Kantoren en toonzalen met beperkte vloeroppervlakte, ondergeschikt en gekoppeld aan de productieactiviteit van individuele bedrijven, zijn toegelaten voor zover die activiteiten geen loketfunctie hebben en geen autonome activiteiten uitmaken. De toonzalen mogen maximaal 10% van de gelijkvloerse bebouwde oppervlakte innemen, ongeacht op welk niveau de toonzalen worden ingericht, en de toonzaaloppervlakte mag maximaal 500 m² zijn.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Inrichtingen voor de huisvesting van bewakingspersoneel van maximaal 200 m² vloeroppervlakte, geïntegreerd in het bedrijfsgebouw, zijn toegelaten. Indien het noodzakelijk is voor de veiligheid van het bewakingspersoneel is de niet-integratie toegelaten.

In specifieke gevallen kan onder bewakingspersoneel ook de eigenaar, een zaakvoerder of kaderlid worden begrepen, voor zover diens aanwezigheid nuttig of nodig is voor de bewaking en voor de veiligheid van het bedrijf.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De minimale perceelsoppervlakte bedraagt 5000 m².

 

Uitzonderingen zijn toegestaan voor:

- percelen met bestaande stedenbouwkundig vergunde bedrijfsgebouwen binnen de zone;

- percelen met bedrijven die gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen verzorgen;

- percelen met bedrijfsverzamelgebouwen;

- een beperkt aantal percelen die omwille van de globale inrichting van het bedrijventerrein een kleinere terreinoppervlakte verkrijgen;

- percelen met aaneengesloten gebouwen of gebouwen die architectonisch een geheel vormen maar voor verschillende bedrijven bestemd zijn.

Bedrijfsverzamelgebouwen: voorbeelden daarvan zijn gebouwen waarin verschillende bedrijven hun kantoren voor administratieve diensten groeperen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning worden voor advies voorgelegd aan de gewestelijke dienst die bevoegd is voor de veiligheidsrapportering wanneer het voorwerp van de aanvraag tegelijk aan de onderstaande voorwaarden voldoet:

- het gaat over werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen voor een nieuwe inrichting die valt onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;

- de geplande inrichting is gelegen binnen een straal van 2 km van een gebied waar wonen is toegelaten en ten minste vier niet-onteigende woongelegenheden gegroepeerd aanwezig of gepland zijn, of van een gebied waar een ziekenhuis of een school of een verzorgingsinstelling aanwezig of gepland is.

 

Deze adviesvraag wordt behandeld volgens de bepalingen van de wetgeving ruimtelijke ordening over niet-bindende adviesvragen met betrekking tot vergunningsaanvragen, met name artikel 111, § 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Inrichtingen die vallen onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken zijn niet toegelaten.

Deze bepaling slaat op alle inrichtingen die vallen onder toepassing van de Seveso-wetgeving, zowel hogedrempelinrichtingen als lagedrempelinrichtingen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Inrichtingen die vallen onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en waarvoor een veiligheidsrapport vereist is als gevolg van de toepassing van de milieuwetgeving, zijn niet toegelaten.

Deze bepaling slaat op de hogedrempelinrichtingen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x.x. Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor wonen in bestaande woningen en voor de landbouwbedrijfsvoering van de bestaande landbouwbedrijven en voor de bestaande bedrijven met aan de landbouw toeleverende, verwerkende en dienstverlenende activiteiten.

Overgangsmaatregel voor landbouw met bedrijfsgebouw in het gebied. Onder landbouw wordt verstaan, landbouw in de ruime zin van het woord, namelijk het beroepsmatig kweken van planten of dieren voor de markt en niet voor recreatieve doeleinden. Daaronder vallen veeteelt, plantenen bomenkwekerijen, akkerbouw ... Tuinaanlegbedrijven die planten of bomen kweken of conditioneren over een minimumoppervlakte van ongeveer een vierde hectare vallen hier ook onder.

 

Het gaat om een overgangsmaatregel, bestaande bedrijven kunnen overgenomen worden door een andere rechtspersoon zonder het statuut bestaand te verliezen op voorwaarde dat de activiteit dezelfde of gelijkaardig blijft.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x.y. Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor wonen in bestaande woningen en voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven, met uitsluiting van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies.

Overgangsmaatregel voor landbouw zonder bedrijfsgebouw in het gebied. Onder landbouw wordt verstaan, landbouw in de ruime zin van het woord, namelijk het beroepsmatig kweken van planten of dieren voor de markt en niet voor recreatieve doeleinden. Daaronder vallen veeteelt, planten- en bomenkwekerijen, akkerbouw ... Tuinaanlegbedrijven die planten of bomen kweken of conditioneren over een minimumoppervlakte van ongeveer een vierde hectare vallen hier ook onder.

 

Het gaat om een overgangsmaatregel, bestaande bedrijven kunnen overgenomen worden door een andere rechtspersoon zonder het statuut bestaand te verliezen op voorwaarde dat de activiteit dezelfde of gelijkaardig blijft.

 

Categorie van gebiedaanduiding 3: Recreatie

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP3.1 Categorie van gebiedsaanduiding 3: Recreatie

3.1 Recreatiegebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Recreatiegebied

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor recreatie / dagrecreatie / verblijfsrecreatie.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het realiseren van de bestemming, zijn toegelaten, onverminderd de bepalingen over de zone in overdruk voor specifieke gebouwen en constructies.

 

De volgende werken, handelingen en wijzigingen zijn eveneens toegelaten:

- de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Voorbeelden van recreatie zijn: een zwembad, voetbalveld voor niet-professioneel gebruik, speelruimten en voorzieningen voor activiteiten voor jeugdwerking, tennisvelden, plas voor waterrecreatie, manege, terreinen voor lawaaierige sporten, een voetbalstadion.

 

Als gebouwen overal in het gebied toegelaten zijn, wordt er geen bepaling opgenomen (in overdruk) voor een zone waar gebouwen toegelaten zijn.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP3.2 Categorie van gebiedsaanduiding 3: Recreatie

3.2 Gebied voor golfterrein

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor golfterrein

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor aanleg en exploitatie van golfterreinen. Gebruik van het gebied voor andere sporten en laagdynamisch recreatief medegebruik is toegelaten voor zover dat de exploitatie van het golfterrein niet in het gedrang brengt.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg of exploitatie van golfterreinen en andere ermee verenigbare sporten zijn toegelaten, onverminderd de bepalingen over de zone in overdruk voor specifieke gebouwen en constructies.

 

De volgende werken, handelingen en wijzigingen zijn eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied, natuureducatie of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Het gebied wordt bestemd als gebied voor golfterreinen, waarbij:

- alle werken, handelingen, functiewijzigingen, inrichtingen en voorzieningen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg of de exploitatie van het gebied als golfterrein mogelijk moeten zijn. Hierbij hoort bijvoorbeeld ook infrastructuur voor niet-gemotoriseerde caddywagentjes;

- andere sporten toegelaten zijn voor zover ze de exploitatie van het golfterrein niet in het gedrang brengen: over het algemeen zullen gemotoriseerde sporten dus niet worden toegelaten;

- het overwegend onbebouwd karakter van het gebied behouden blijft. Alleen de noodzakelijke technische installaties, zoals verlichting aan driving range, schuilhuisjes, sanitaire voorziening van beperkte omvang zijn toegelaten in het gebied. Bebouwing in relatie tot de golfsport en ermee verenigbare sporten (clubhuizen, cafetaria’s, kleedkamers, parkeerterreinen of parkeerplaatsen) is alleen toegelaten in het gebied met verticale arcering in overdruk;

- de niet-bebouwde of niet-verharde oppervlakten worden ingericht als groene ruimte of als natuur.

 

Als gebouwen overal in het gebied toegelaten zijn, wordt er geen bepaling opgenomen (in overdruk) voor een zone waar gebouwen toegelaten zijn…

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP3.3 Categorie van gebiedsaanduiding 3: Recreatie

3.3 Gebied voor gemotoriseerde sporten

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor gemotoriseerde sporten

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor aanleg en exploitatie van terreinen voor gemotoriseerde sporten. Gebruik van het gebied voor andere sporten of recreatie is toegelaten voor zover dat de exploitatie van de terreinen voor gemotoriseerde sporten niet in het gedrang brengt.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg of exploitatie van terreinen voor gemotoriseerde en andere ermee verenigbare sporten zijn toegelaten, onverminderd de bepaling over de zone in overdruk voor specifieke gebouwen en constructies.

 

De volgende werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen zijn eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied, natuureducatie of recreatie, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Het gebied wordt bestemd als gebied voor gemotoriseerde sporten, waarbij:

- alle werken, handelingen, functiewijzigingen, inrichtingen en voorzieningen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg of de exploitatie van het gebied als gebied voor gemotoriseerde sporten, mogelijk moeten zijn;

- andere sporten toegelaten zijn voor zover ze het gebruik van het gebied voor gemotoriseerde sporten niet in het gedrang brengen;

- het overwegend onbebouwde karakter van het gebied behouden blijft. Bebouwing in relatie tot de motorport en ermee verenigbare sporten (clubhuizen, cafetaria’s, kleedkamers, parkeerplaatsen) is alleen toegelaten in het gebied met verticale arcering in overdruk;

- de niet-bebouwde of niet-verharde oppervlakten worden ingericht als groene ruimte.

 

Als gebouwen overal in het gebied toegelaten zijn, wordt er geen bepaling opgenomen (in overdruk) voor een zone waar gebouwen toegelaten zijn.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP3.4 Categorie van gebiedsaanduiding 3: Recreatie

3.4 Gebouwen en verharde parkeerplaatsen op recreatieve terreinen (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Gebouwen en verharde parkeerplaatsen

 

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Gebouwen en verharde parkeerplaatsen voor de exploitatie van het recreatie- (specificatie)gebied die een vloeroppervlakte hebben groter dan 25 m², zijn alleen toegelaten in de zones, aangeduid in overdruk. De ruimtelijke, landschapsecologische en milieuhygiënische impact van die gebouwen en constructies op de omgeving wordt geminimaliseerd.

Met de aanduiding in overdruk wordt aangegeven waar gebouwen en verharde parkeerplaatsen toegelaten zijn. Deze bepaling wordt alleen opgenomen als het belangrijk is dat die gebouwen en verhardingen niet overal in het gebied toegelaten zijn.

 

Constructies, omheiningen, reclamepanelen zijn toegelaten en vallen niet onder toepassing van deze typebepaling. Ze zijn vergunbaar voor zover dat ruimtelijk verantwoord is.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP3.5 Categorie van gebiedsaanduiding 3: Recreatie

3.5 Natuurverweving voor recreatie (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. gebied met overdruk

natuurverweving

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een natuurverwevingsgebied waarbij de functies natuurbehoud en recreatie nevengeschikt zijn.

Het gebied wordt beschouwd als een natuurverwevingsgebied in de zin van het decreet Natuurbehoud en maakt in die zin deel uit van het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk (IVON). Verweving houdt in dat een duurzame instandhouding van de aanwezige natuurwaarden gegarandeerd wordt en dat elke functie behouden kan worden zonder andere functies te verdringen of door andere functies verdrongen te worden. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende natuurverwevingsgebieden zijn van toepassing in dit gebied.

 

Dat houdt o.a. in dat naast de maatregelen in het decreet natuurbehoud vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4, hoofdstuk V, en hoofdstuk VI, er ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen kunnen worden genomen en dit ter bevordering van:

- een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;

- de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;

- het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;

- het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;

- de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.

Gebiedsspecifieke typebepaling

In het als natuurverwevingsgebied in overdruk aangeduide gebied gelden de volgende bijkomende bepalingen:

- De voor functie recreatie vermelde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden.

- Het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies is niet toegelaten.

- Alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten.

De functie recreatie en de functie natuurbehoud zijn nevengeschikt; die functies worden behouden zonder elkaar onderling te verdringen.

 

In natuurverwevingsgebieden is het beleid gericht op de ruimtelijke ondersteuning van de verweving tussen de functie recreatie en de functie natuubehoudr. Dat houdt ruimtelijke voorwaarden in voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige en gewenste natuurwaarden. Tegelijk moeten de ontwikkelingsmogelijkheden van functie recreatie met de aanwezige en gewenste natuurwaarden ruimtelijk ondersteund worden.

 

Gebouwen die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op de als natuur beheerde gebieden zijn toegelaten , op voorwaarde dat ze niet samen gebruikt worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal, …). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor zover ze landschappelijk inpasbaar en de betrokken oppervlakte als natuur beheerd gebied aanzienlijk is.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Categorie van gebiedaanduiding 4: Landbouw

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP4.1 Categorie van gebiedsaanduiding 4: Landbouw

4.1 Agrarisch gebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Agrarisch gebied

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten.

 

Een landbouwbedrijfszetel mag alleen de noodzakelijke bedrijfsgebouwen en de woning van de exploitanten bevatten, alsook verblijfsgelegenheid, verwerkende en dienstverlenende activiteiten voor zover die een integrerend deel van het bedrijf uitmaken.

 

In het gebied zijn ook aan de landbouw verwante bedrijven toegelaten voor zover hun aanwezigheid in het agrarisch gebied nuttig of nodig is voor het goed functioneren van de landbouwbedrijven in de omgeving en ze gevestigd worden in bestaande landbouwbedrijfzetels. Die bedrijven moeten een directe en uitsluitende relatie hebben met de aanwezige landbouwbedrijven door afname of toelevering van diensten of producten. Primaire bewerking of opslag van producten kan worden toegelaten. Verwerking van producten is uitgesloten, met uitzondering van mestbehandeling en mestvergisting. Er moet rekening gehouden worden met de schaal en de ruimtelijke impact van deze bedrijven. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan:

- de relatie met de in de omgeving aanwezige functies;

- de invloed op de omgeving wat het aantal te verwachten gebruikers of bezoekers betreft;

- de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid;

- de relatie met de in de omgeving van het gebied vastgelegde bestemmingen.

Landbouw is de hoofdbestemming in dit gebied. Naast landbouw in de eigenlijke zin van het woord zijn de volgende activiteiten eveneens toegelaten: hoevetoerisme (dat valt onder de noemer verblijfsgelegenheid), verkoop van eigen landbouwproducten, zorgboerderijen en landbouweducatie voor zover dat een integrerend deel uitmaakt van een bedrijf, waterverzamelbekken op niveau van het bedrijf, kleinschalige werken om erosie te vermijden of te bestrijden …. Een landbouwbedrijf is een werkelijk bedrijf en geen hobbylandbouw.

 

Verblijfsgelegenheid moet aan de onderstaande voorwaarden voldoen: het gaat om verblijfsgelegenheid binnen de bestaande gebouwen en ondergeschikt aan het landbouwbedrijf. Het gaat geenszins om een hotel. Het voorzien in verblijfsgelegenheid moet proportioneel bekeken worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de sectorale wetgeving. Het gaat bijvoorbeeld om hoevetoerisme, het ter beschikking stellen van slaapruimten en sanitair voor jeugdkampen of het voorzien van sanitair voor hoevekamperen.

 

Onder landbouw wordt verstaan, landbouw in de ruime zin van het woord, namelijk het beroepsmatig kweken van planten of dieren voor de markt en niet voor recreatieve doeleinden. Daaronder vallen veeteelt, planten- en bomenkwekerijen, akkerbouw ….

 

Onder aan de landbouw verwante bedrijven worden verstaan: bedrijven die alleen aan de landbouwers producten toeleveren of van landbouwers afgenomen producten stockeren, sorteren of verpakken in verse toestand, tuinaanlegbedrijven die planten of bomen kweken of conditioneren over een minimumoppervlakte van een halve hectare. Bij verwerking is alleen mestbehandeling of mestvergisting toegelaten. Als mestbehandeling en mestvergisting worden in de omzendbrief RO 2006/01 van 19 mei 2006 beschouwd een proces waarbij minstens 60 % van het gewicht van de te verwerken producten bestaat uit stromen direct afkomstig uit land- en tuinbouw en maximaal 40 % uit andere organische en biologische stromen. Voorbeelden van dergelijke bedrijven zijn: aardappelhandelaar, graantrieerinstallatie, centrale mestopslag, verkoop van meststoffen, verkoop van veevoeders, koelplaatsen, silo’s, drooginstallaties, vlasroterijen, loonwerker, herstelplaats van tractors, landbouwproefbedrijf, tuinbouwproefbedrijf, centrum voor kunstmatige inseminatie voor landbouwdieren, schoolhoeve. De schaal van die bedrijven moet aansluiten bij de schaal van de activiteiten in de omgeving. Bedrijven met een groot hinterland horen niet thuis in het agrarisch gebied maar op een bedrijventerrein.

 

Als er in het plangebied een agrarische bedrijvenzone is opgenomen, dan worden de nieuwe glastuinbouwbedrijven zo veel mogelijk daarnaar verwezen. Bestaande glastuinbouwbedrijven kunnen in het agrarisch gebied uitbreiden.

 

Bebossing in agrarisch gebied is vergunningsplichtig op grond van artikel 35 van het Veldwetboek. Vergunningsaanvragen voor permanente bebossing moeten met de nodige omzichtigheid beoordeeld worden aangezien met dit ruimtelijk uitvoeringsplan het gebied bestemd wordt voor de landbouw. Dit geldt in mindere mate voor tijdelijke bebossing.

 

Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen;

- de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden;

- het aanbrengen van windturbines en windturbineparken, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie. De mogelijke efecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten dienen in een lokalisatienota te worden beschreven en geëvalueerd.

Natuurbehoud, landschapszorg en recreatief medegebruik zijn ondergeschikte functies in het agrarisch gebied. Ondergeschikt betekent ‘van betrekkelijk minder grote betekenis’.

 

Kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, bestaat onder meer uit toegangspoortjes, wegwijzers, verbodsborden, wegafsluitingen ... Kleinschalige infrastructuur, gericht op recreatief medegebruik bestaat uit zitbanken, picknicktafels, vuilnisbakken, informatieborden, paden, kijk- of schuilhutten, ...

 

Niet-gemotoriseerd verkeer is onder meer wandelen, fietsen, paardrijden, ....

 

Verharde paden worden bij voorkeur aangelegd in een waterdoorlatende verharding.

 

Onder openbare wegen worden ook verkeersveilige fietspaden begrepen.

 

Afwegingselementen en randvoorwaarden die behandeld moeten worden in de lokalisatienota, worden meer in detail omschreven in een omzendbrief.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Het wijzigen van de functie van de bestaande agrarische bebouwing kan toegelaten worden, voor zover de nieuwe functie betrekking heeft op:

- wonen, met een maximum van één eengezinswoning per gebouwencomplex;

- kantoor- of dienstenfunctie die aan het landbouwbedrijf of wonen complementair is, tot een maximum van 100 m², en waarbij de landbouw- of woonfunctie een grotere oppervlakte beslaat dan de complementaire functie;

- aan het wonen complementaire toeristisch-recreatieve verblijven tot een maximum van acht verblijfseenheden, met uitsluiting van elke vorm van restaurant of café;

- aan de landbouw toeleverende, verwerkende en dienstverlenende activiteiten en landbouwverwante activiteiten;

- de opslag van allerhande materialen of materieel;

- een paardenhouderij, manege, dierenasiel, dierenpension, dierenartsenpraktijk, dierenkliniek, tuinaanlegbedrijf, jeugdlogies, kinderboerderij of instelling waar hulpbehoevenden al dan niet tijdelijk verblijven en landbouwactiviteiten of aan de landbouw verwante activiteiten uitoefenen.

 

De functiewijzigingen andere dan wonen, kunnen alleen toegelaten worden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- het gaat om hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen die voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit;

- het nieuwe gebruik brengt de landbouwkundige bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven in de omgeving niet in het gedrang;

- de bestaande erfgoedwaarde van de bebouwing blijft ongeschonden of wordt verhoogd;

- een gebouw of gebouwencomplex is bouwfysisch geschikt voor een nieuwe functie als het aan gebouw of gebouwencomplex uit financieel of bouwtechnisch oogpunt geen ingrijpende werken uitgevoerd hoeven te worden voor de nieuwe functie. Daarmee wordt bedoeld dat de functie gerealiseerd kan worden als de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd, waarbij het gebouw aangepast kan worden aan hedendaagse comfort-, energie- of milieueisen.

Tuinaanlegbedrijven waar geen planten of bomen gekweekt worden of die minder dan ongeveer een halve hectare nodig hebben voor het kweken van planten en bomen, vallen hieronder.

 

Onder wonen wordt voor de functiewijzigingen, residentieel wonen bedoeld.

 

Een gebouwencomplex is het geheel van gebouwen van een boerderij.

 

Aan het wonen complementaire toeristisch-recreatieve voorzieningen valt onder de noemer plattelandstoerisme en momenteel gaat dit om maximum acht verblijfseenheden voor maximum 32 personen. Toeristisch-recreatief verblijf is een tijdelijk verblijf.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Voor zover de landbouwbedrijfsvoering niet in het gedrang wordt gebracht is het toegelaten bestaande woningen, gebouwen of constructies te verbouwen of te herbouwen binnen het vergunde bouwvolume.

 

Indien een woning niet aangesloten is op een riolering, wordt de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater.

 

Bestaande woningen kunnen worden uitgebreid, voor zover de uitbreiding - met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysiek één geheel mee vormen – slechts leidt tot een maximaal bouwvolume van 1000 m³. Die uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % niet overschrijden. Het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

Voormelde mogelijkheden gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

(1) de woning, het gebouw of de constructie is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot; Woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;

(2) de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;

(3) het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m³, ook indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

[Herbouw binnen hetzelfde bouwvolume is alleen vergunbaar als de woning geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd is door een plotse ramp, buiten de wil van de aanvrager en op voorwaarde dat (1) de woning voor de vernieling of beschadiging niet verkrot was, (2) de woning volgens het bevolkingsregister in de loop van het jaar voor de vernieling of beschadiging werd bewoond; (3) de aanvraag uiterlijk binnen een jaar na het toekennen van het verzekeringsbedrag wordt ingediend; (4) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft. Als het bestaande bouwvolume vóór de vernieling of beschadiging meer bedroeg dan 1.000 m³, wordt de herbouwde woning beperkt tot 1.000 m3]

Agrarische (bedrijfs)gebouwen die uit de agrarische bedrijfsvoering worden uitgestoten, kunnen een functie krijgen als bestendiging van het wonen, los van de agrarische functie, in de gebieden van de agrarische structuur op voorwaarde dat het beantwoordt aan de grenzen, gesteld aan zonevreemde woningen.

 

Er zijn drie typeoplossingen:

- verbouwen, herbouwen en uitbreiden tot 1000 m³;

- verbouwen en uitbreiden tot 1000 m³, en alleen herbouwen bij plotse rampen

- verbouwen binnen het bestaande volume, geen uitbreiding, alleen herbouwen bij plotse rampen.

 

[grijze tekst tussen haken] is afhankelijk van de ypeoplossing.

 

Onder het bouwvolume wordt het brutobouwvolume verstaan, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, te vertrekken van het maaiveld. Het deel van het keldervolume onder het maaiveld wordt dus niet meegerekend, op voorwaarde dat het een gebruikelijke onderkeldering van het woongebouw betreft.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Alle instandhoudingwerken, ook structurele, aan bestaande vergunde of vergund geachte gebouwen en constructies die geen agrarische functie hebben zijn toegelaten.

 

Voor het wijzigen van de functie van deze gebouwen en constructies gelden dezelfde bepalingen als voor de agrarische bebouwing zoals bepaald in artikel x.x (typebepaling over functiewijziging in agrarisch gebied).

Het behoud en de instandhouding van bestaande vergunde of vergund geachte bebouwing en constructies in het gebied is toegelaten, ongeacht de functie die ze hebben. Voor het wijzigen van de functie van deze bebouwing gelden dezelfde voorwaarden als voor de toelaatbare functiewijzigingen voor agrarische bebouwing.

Gebiedsspecifieke typebepaling

In de delen van dit gebied waar op het ogenblik van de totstandkoming van dit plan een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van kracht is met voorschriften voor woningen waarvan de woonfunctie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied, blijven de bepalingen van dat ruimtelijk uitvoeringsplan gelden en hebben ze voorrang op de voorschriften, opgenomen onder (verwijzing naar de bepalingen over zonevreemde woningen die gelden bij ontstentenis van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan).

In het gebied dat bestreken wordt door dit ruimtelijk uitvoeringsplan, hebben één of meer gemeenten een ruimtelijk uitvoeringsplan voor de zogenoemde zonevreemde woningen opgemaakt. Deze bepaling houdt in dat de voorschriften van die plannen van toepassing blijven. In de delen van het gebied waar geen dergelijk gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geldt, gelden de voorschriften zoals ze in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn opgenomen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Indien een gemeente of een provincie voor delen van dit gebied een ruimtelijk uitvoeringsplan opmaakt met voorschriften voor gebouwen en constructies waarvan de functie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied, krijgen de voorschriften van dat plan na goedkeuring ervan voorrang op de voorschriften opgenomen onder (verwijzing naar de bepalingen over zonevreemde woningen die gelden bij ontstentenis van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan).

In dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn voorschriften opgenomen voor de zogenaamde zonevreemde gebouwen en constructies. Aan de gemeente en provincie wordt evenwel de mogelijkheid gelaten om specifiek voor het eigen grondgebied op te treden en in een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan het statuut van die constructies of gebouwen te regelen. In een dergelijk geval nemen de voorschriften van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de plaats in van de voorschriften zoals ze in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn opgenomen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Indien een gemeente voor delen van dit gebied een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaakt met voorschriften voor woningen waarvan de woonfunctie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied, krijgen de voorschriften van dat plan na goedkeuring ervan voorrang op de voorschriften opgenomen onder (verwijzing naar de bepalingen over zonevreemde woningen die gelden bij ontstentenis van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan).

In dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn voorschriften opgenomen voor de zogenaamde zonevreemde woningen. Aan de gemeente wordt evenwel de mogelijkheid gelaten om specifiek voor het eigen grondgebied op te treden en in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het statuut van die woningen te regelen. In een dergelijk geval nemen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de plaats in van de voorschriften zoals ze in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn opgenomen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

De voorschriften onder (verwijzing naar de bepalingen over zonevreemde woningen die gelden bij ontstentenis van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan) gelden alleen als er geen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is met voorschriften voor woningen waarvan de woonfunctie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied.

In dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn voorschriften opgenomen voor de zogenaamde zonevreemde woningen. De toepassing van bestaande gemeentelijke plannen voor de zonevreemde woningen wordt evenwel behouden, en aan de (andere) gemeenten wordt de mogelijkheid gelaten om ook specifiek voor het eigen grondgebied op te treden en in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het statuut van die woningen te regelen. In beide gevallen krijgen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorrang op de voorschriften zoals ze in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn opgenomen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Als een gemeente voor een deel of delen van dit gebied een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaakt met voorschriften voor een of meer bedrijven waarvan de functie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied, krijgen de voorschriften van dat plan na goedkeuring ervan voorrang op de voorschriften, opgenomen in dit plan.

Aan de gemeente wordt de mogelijkheid gelaten om specifiek voor het eigen grondgebied op te treden en in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de mogelijkheden van lokale zogenaamde zonevreemde bedrijven te regelen, bijvoorbeeld als gevolg van de afgifte van een positief planologisch attest.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP4.2 Categorie van gebiedsaanduiding 4: Landbouw

4.2 Agrarische bedrijvenzone

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Agrarische bedrijvenzone

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten. Daarnaast zijn de woningen van de exploitanten en de gemeenschappelijke aanvullende voorzieningen voor die bedrijven toegelaten.

Op de agrarische bedrijvenzone worden zowel de bedrijven zelf als de woning van de exploitanten toegelaten. De woningen van de exploitanten moeten niet noodzakelijk gekoppeld worden met de bedrijfsgebouwen, maar kunnen gegroepeerd worden op een bepaald deel van de bedrijvenzone voor zover dat gunstig is voor de inrichting van het terrein.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP4.3 Categorie van gebiedsaanduiding 4: Landbouw

4.3 Bouwvrij agrarisch gebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Bouwvrij agrarische gebied

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies.

 

Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen;

- de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden.

De volgende constructies geplaatst voor beroepslandbouw zijn evenwel toegelaten. Ze worden niet als gebouwen en gelijkaardige constructies beschouwd: schuilhokken, plastictunnels, constructies voor oogstbescherming en constructies voor kleinschalige energieopwekking die tijdelijk geplaatst worden of gemakkelijk verplaatsbaar zijn (bv kleinschalige zonnepanelen om bv een waterpomp te laten werken in een weide of om stroom op te wekken voor schrikdraad) … Serres daarentegen behoren tot de niet toegelaten gebouwen en vergelijkbare constructies.

 

Bebossing in agrarisch gebied is vergunningsplichtig op grond van artikel 35 van het Veldwetboek. Vergunningsaanvragen voor permanente bebossing moeten met de nodige omzichtigheid beoordeeld worden aangezien met dit ruimtelijk uitvoeringsplan het gebied bestemd wordt voor de landbouw. Dit geldt in mindere mate voor tijdelijke bebossing.

 

Bouwvrij agrarisch gebied is een gebied dat een belangrijke functie heeft voor de landbouw op zich en bijgevolg zoveel mogelijk bouwvrij moet behouden blijven.

 

Natuurbehoud, landschapszorg en recreatief medegebruik zijn ondergeschikte functies in het agrarisch gebied. Ondergeschikt betekent ‘van betrekkelijk minder grote betekenis’.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP4.4 Categorie van gebiedsaanduiding 4: Landbouw

4.4 Agrarisch gebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel Z. x gebied met overdruk

natuurverweving

 

 

 

Het in overdruk aangeduide gebied is een natuurverwevingsgebied waarbij de functies natuurbehoud en landbouw nevengeschikt zijn.

Het gebied wordt beschouwd als een natuurverwevingsgebied in de zin van het decreet Natuurbehoud en maakt in die zin deel uit van het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk (IVON). Verweving houdt in dat een duurzame instandhouding van de aanwezige natuurwaarden gegarandeerd wordt en dat elke functie behouden kan worden zonder andere functies te verdringen of door andere functies verdrongen te worden. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende natuurverwevingsgebieden zijn van toepassing in dit gebied.

 

Dat houdt o.a. in dat behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, naast de maatregelen in het decreet natuurbehoud vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4, hoofdstuk V, en hoofdstuk VI, er ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen kunnen worden genomen en dit ter bevordering van:

- een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;

- de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;

- het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;

- binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;

- het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;

- de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.

 

In het als natuurverwevingsgebied in overdruk aangeduide gebied gelden de volgende bijkomende bepalingen:

- De voor functie landbouw vermelde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden.

- Het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies is niet toegelaten.

- Alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten.

De functie landbouw en de functie natuurbehoud zijn nevengeschikt; die functies worden behouden zonder elkaar onderling te verdringen.

 

In natuurverwevingsgebieden is het beleid gericht op de ruimtelijke ondersteuning van de verweving tussen de functie bos en de functie natuurbehoud. Dat houdt ruimtelijke voorwaarden in voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige en gewenste natuurwaarden. Tegelijk moeten de ontwikkelingsmogelijkheden van functie x met de aanwezige en gewenste natuurwaarden ruimtelijk ondersteund worden.

 

De volgende constructies geplaatst voor beroepslandbouw zijn evenwel toegelaten. Ze worden niet als gebouwen en gelijkaardige constructies beschouwd: schuilhokken, plastictunnels, constructies voor oogstbescherming en constructies voor kleinschalige energieopwekking die tijdelijk geplaatst worden of gemakkelijk verplaatsbaar zijn (bv kleinschalige zonnepanelen om bv een waterpomp te laten werken in een weide of om stroom op te wekken voor schrikdraad) … Serres daarentegen behoren tot de niettoegelaten gebouwen en vergelijkbare constructies.

 

Gebouwen die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op de als natuur beheerde gebieden zijn toegelaten, op voorwaarde dat ze niet samen gebruikt worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal, …). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor zover ze landschappelijk inpasbaar en de betrokken oppervlakte als natuur beheerd gebied aanzienlijk is.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Categorie van gebiedaanduiding 5: Bos

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP5.1 Categorie van gebiedsaanduiding 5: Bos

5.1 Bosgebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Bosgebied

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van bos, waarbij het recreatief medegebruik een ondergeschikte functie is.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg, het beheer en de inrichting van bos zijn toegelaten.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten.

 

Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied, waaronder sanitaire gebouwen of schuilplaatsen van één bouwlaag met een oppervlakte van ten hoogste 100 m², met uitsluiting van elke verblijfsaccommodatie;

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

“Bos” moet in ruime zin geïnterpreteerd worden, zoals in het Bosdecreet. Open plekken in het bos vallen daar bijvoorbeeld ook onder.

 

Het aanbrengen van infrastructuren voor het beheer van het gebied als bosgebied is mogelijk. Die infrastructuren zijn onder meer: veekerende rasters, het bouwen van schuilplaatsen voor dieren die ingezet worden bij het beheer van het gebied ...

 

In het gebied zijn uitsluitend gebouwen toegelaten die noodzakelijk voor het beheer van en het toezicht op de bossen, op voorwaarde dat ze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal ...). Een dergelijke bebouwing kan alleen toegelaten worden in bossen met een aanzienlijke oppervlakte.

 

Recreatief medegebruik is een ondergeschikte functie in bosgebied. Ondergeschikt betekent ‘van betrekkelijk minder grote betekenis’.

 

Kleinschalige infrastructuur voor de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied is toegelaten:

- kleinschalige infrastructuur voor de recreatieve functie zoals speeltuigen, infrastructuren voor speelbossen of speelzones in een bos en speelweiden, een overdekte picknickplaats, beperkte sanitaire voorziening. Hoogdynamische dagrecreatieve of verblijfsrecreatie is uitgesloten (sportvelden, golfterreinen, omvangrijke speeltuinen, permanente kampeervoorzieningen, ...). Beperkte, uitzonderlijke en tijdelijke recreatieve activiteiten kunnen gebiedsspecifiek ingeschreven worden als toelaatbare activiteiten (bijvoorbeeld een tijdelijk gebruik als kampeer- of evenementenweide);

- kleinschalige infrastructuur, gericht op recreatief medegebruik: zitbanken, picknicktafels, vuilnisbakken, …;

- kleinschalige infrastructuur gericht op het al dan niet toegankelijk maken voor educatief of recreatief medegebruik zoals toegangspoortjes, wegwijzers, verbodsborden, wegafsluitingen, ...;

- kleinschalige infrastructuur gericht op educatie zoals informatieborden, verrekijkers, knuppelpaden, vogelkijkhutten, ...;

- kleinschalige infrastructuur voor niet-gemotoriseerd verkeer zoals: wandelen, fietsen, paardrijden, ... Verharde paden worden bij voorkeur aangelegd in een waterdoorlatende verharding.

 

Onder openbare wegen worden ook verkeersveilige fietspaden begrepen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Voor zover de bestemming bos niet in het gedrang wordt gebracht, is het toegelaten bestaande woningen te verbouwen binnen het vergunde volume, waarbij (1) de woning op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot is (de woning wordt beschouwd als verkrot als ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen); en (2) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft.

 

Als een woning niet aangesloten is op een riolering, wordt de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater.

 

Het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

Herbouw binnen hetzelfde bouwvolume is alleen vergunbaar indien de woning geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd is door een plotse ramp, buiten de wil van de aanvrager en op voorwaarde dat (1) de woning voor de vernieling of beschadiging niet verkrot was, (2) de woning volgens het bevolkingsregister in de loop van het jaar voor de vernieling of beschadiging werd bewoond; (3) de aanvraag uiterlijk binnen een jaar na het toekennen van het verzekeringsbedrag gebeurt; (4) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft. Als het bestaande bouwvolume vóór de vernieling of beschadiging meer bedroeg dan 1.000 m³, wordt de herbouwde woning beperkt tot 1.000 m³.

In bosgebied is in principe enkel het bestendigen van de bestaande vergunde woningen toegelaten.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x.x. Tot aan de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten, die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van de bestaande landbouwbedrijven en voor de bestaande bedrijven met aan de landbouw toeleverende, verwerkende en dienstverlenende activiteiten.

Overgangsmaatregel voor landbouw met bedrijfsgebouw in het gebied.

Gebiedsspecifieke typebepaling

x. y. Tot aan de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten, die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven, met uitsluiting van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies.

Overgangsmaatregel voor landbouw zonder bedrijfsgebouw in het gebied.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP5.2 Categorie van gebiedsaanduiding 5. Bos

5.2 GEN voor bos (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Overdruk grote eenheid natuur

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een Grote Eenheid Natuur (GEN).

Dit gebied is een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP5.3 Categorie van gebiedsaanduiding 5. Bos

5.3 GENO voor bos (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel Y. Overdruk grote aanheid

natuur in ontwikkeling

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is. een Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling (GENO).

Dit gebied is een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur in ontwikkeling zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

Gebiedsspecifieke typebepaling voor gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen of voor bestaand landbouwgebruik

Totdat de natuurfunctie met inbegrip van ecologisch beheerd bos effectief gerealiseerd is, zijn werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de bestaande activiteiten toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies én voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden en ontwikkeld worden.

Bestaande activiteiten in het gebied kunnen tijdelijk behouden blijven totdat de natuur- of bosbestemming gerealiseerd is en voor zover inpasbaar in de grote eenheid in natuur in ontwikkeling. Dat is een feitelijke kwestie. En voor zover de werken, handelingen en wijzigingen toegelaten zijn volgens de wetgeving op natuurbehoud.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP5.4 Categorie van gebiedsaanduiding 5. Bos

5.4 Natuurverweving voor bos (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. gebied met overdruk

natuurverweving

 

 

 

Het in overdruk aangeduide gebied is een natuurverwevingsgebied waarbij de functies natuurbehoud en bosbouw nevengeschikt zijn.

Het gebied wordt beschouwd als een natuurverwevingsgebied in de zin van het decreet Natuurbehoud en maakt in die zin deel uit van het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk (IVON). Verweving houdt in dat een duurzame instandhouding van de aanwezige natuurwaarden gegarandeerd wordt en dat elke functie behouden kan worden zonder andere functies te verdringen of door andere functies verdrongen te worden. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende natuurverwevingsgebieden zijn van toepassing in dit gebied.

 

Dat houdt o.a. in dat behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, naast de maatregelen in het decreet natuurbehoud vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4, hoofdstuk V, en hoofdstuk VI, er ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen kunnen worden genomen en dit ter bevordering van:

- een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;

- de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;

- het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;

- binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;

- het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;

- de totstandkoming van een verenigbaar recreatie medegebruik.

 

In het als natuurverwevingsgebied in overdruk aangeduide gebied gelden de volgende bijkomende bepalingen:

- de voor functie bos vermelde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden;

- het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies is niet toegelaten;

- alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten.

De functie bos en de functie natuurbehoud zijn nevengeschikt; die functies worden behouden zonder elkaar onderling te verdringen.

 

In natuurverwevingsgebieden is het beleid gericht op de ruimtelijke ondersteuning van de verweving tussen de functie bos en de functie natuurbehoud. Dat houdt ruimtelijke voorwaarden in voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige en gewenste natuurwaarden. Tegelijk moeten de ontwikkelingsmogelijkheden van functie bos met de aanwezige en gewenste natuurwaarden ruimtelijk ondersteund worden.

 

Gebouwen die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op de als natuur beheerde gebieden zijn toegelaten, op voorwaarde dat ze niet samen gebruikt worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal, …). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor zover ze landschappelijk inpasbaar en de betrokken oppervlakte als natuur beheerd gebied aanzienlijk is.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Categorie van gebiedaanduiding 6: Overig groen

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP6.1 Categorie van gebiedsaanduiding 6. Overig groen

6.1 Gemengd openruimtegebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gemengd openruimtegebied

 

 

Standaard typebepaling

Binnen dit gebied zijn natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg, landbouw en recreatie nevengeschikte functies. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor deze functies zijn toegelaten.

Het aanbrengen van infrastructuren voor het beheer van het gebied als openruimtegebied is mogelijk. Die infrastructuren zijn onder meer: veekerende rasters, het bouwen van schuilplaatsen voor dieren die ingezet worden bij het beheer van het gebied.

 

Het openruimtegebied is in principe een bouwvrij gebied. In het gebied zijn uitsluitend gebouwen toegelaten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het gebied, op voorwaarde dat ze niet gebruikt kunnen worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal ...). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor openruimtegebieden met een aanzienlijke oppervlakte.

 

Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden zijn, in uitzondering op het onbebouwde karakter van het gebied, de volgende werken, handelingen en wijzigingen toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur die gericht op de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied, waaronder sanitaire gebouwen of schuilplaatsen van één bouwlaag met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² met uitsluiting van elke verblijfsaccomodatie;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid;

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur die gericht op het gebruik van het gebied voor landbouw of hobbylandbouw.

 

Hoogdynamische occasionele recreatieve activiteiten kunnen worden toegelaten voor zover XXXX

Tot kleinschalige infrastructuur voor de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied worden gerekend:

- speeltuigen, speelbossen en speelweiden, een (overdekte) picknickplaats, zitbanken, vuilnisbakken, beperkte sanitaire voorziening ...

- toegangspoortjes, wegwijzers, verbodsborden, wegafsluitingen, informatieborden, verrekijkers, knuppelpaden, vogelkijkhutten, ...

- paden voor niet-gemotoriseerd verkeer: wandelen, fietsen, paardrijden ... Verharde paden worden bij voorkeur aangelegd in een waterdoorlatende verharding.

 

Kleinschalige infrastructuur voor landbouw of hobbylandbouw zoals schuilhokken, afsluitingen. Infrastructuur voor hoogdynamische dagrecreatieve of verblijfsrecreatie is uitgesloten (sportvelden, golfterreinen, permanente kampeervoorzieningen...).

 

Beperkte, uitzonderlijke en tijdelijke recreatieve activiteiten kunnen toegelaten worden (bv. Tijdelijk gebruik als kampeer- of evenementenweide).

Gebiedsspecifieke typebepaling

Voor zover de bestemming van het gebied niet in het gedrang wordt gebracht, is het toegelaten bestaande woningen te verbouwen binnen het vergunde volume, op voorwaarde dat (1) de woning op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot is (de woning wordt beschouwd als verkrot indien ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen); en (2) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft.

 

Indien een woning niet aangesloten is op een riolering, wordt de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater.

 

Het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

Herbouw binnen hetzelfde bouwvolume is enkel vergunbaar indien de woning geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd is door een plotse ramp, buiten de wil van de aanvrager en op voorwaarde dat (1) de woning voor de vernieling of beschadiging niet verkrot was, (2) de woning volgens het bevolkingsregister in de loop van het jaar voorafgaand aan de vernieling of beschadiging werd bewoond; (3) de aanvraag ten laatste binnen het jaar na het toekennen van het verzekeringsbedrag gebeurt; (4) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft. Indien het bestaande bouwvolume vóór de vernieling of beschadiging meer bedroeg dan 1.000 m³, wordt de herbouwde woning beperkt tot 1.000 m³.

In openruimtegebied is in principe enkel het bestendigen van de bestaande vergunde woningen toegelaten.

 

In parken kunnen eventueel bestaande woningen mogelijkheden krijgen

Gebiedsspecifieke typebepaling

In bestaande vergunde gebouwen kunnen behalve de activiteiten voor de realisatie van de bovenvermelde functies, ook de volgende activiteiten toegelaten worden:

- wonen;

- horeca;

- diensten;

- nuts- en gemeenschapsvoorziening;

- socioculturele voorzieningen;

- kantoren;

- recreatievoorzieningen.

 

Alle instandhoudingswerken, ook structurele, zijn aan die gebouwen toegelaten. Daarnaast zijn toegelaten:

- verbouwen binnen het bestaande volume voor zover xxx

- herbouwen voor zover XXX

- uitbreiden voor zover XXX

het aanleggen en onderhouden van een parking voor zover XXX

Ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bebouwing (kloosters, kastelen...) moeten gebiedsspecifiek uitgewerkt worden, rekening houdend met de cultuurhistorische en landschappelijke waarde en de potenties voor hergebruik van het bestaande patrimonium voor andere functies (wonen, werken, toerisme, horeca, nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, socioculturele voorzieningen ...).

Gebiedsspecifieke typebepaling waterbeheer

Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; zijn werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden, voor zover de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden.

Waterbeheersing is een ondergeschikte functie in dit gebied.

 

Voor werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen buiten de natuurlijke overstromingsgebieden of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden worden de stroomgebiedbeheersplannen en de bekkenbeheersplannen als afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Met ‘technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-en-infrastructuur/vademecumsnatuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecums regelmatig geactualiseerd.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP6.2 Categorie van gebiedsaanduiding 6. Overig groen

6.2 Parkgebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Park

 

 

Standaard typebepaling voor park

Het gebied is bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een park of parken. Dit gebied heeft ook een sociale functie.

 

Binnen dit gebied zijn natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg en recreatie nevengeschikte functies. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor deze functies zijn toegelaten.

 

De genoemde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de cultuurhistorische waarden, horticulturele waarden landschapswaarden en natuurwaarden in het gebied bewaard blijven.

Het behoud van de ruimtelijke samenhang en de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied wordt als randvoorwaarde ingeschreven.

 

Recreatie moet hier verstaan worden in verhouding tot de andere functies van het gebied. Het is een nevengeschikte functie en geen enige functie noch de enige hoofdfunctie.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Binnen het gebied is landbouw een ondergeschikte functie. Werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de bestaande landbouwactiviteiten zijn toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies.

Landbouwactiviteiten kunnen verspreid en versnipperd in het gebied voorkomen en in dat geval behouden blijven. Dat gebied onderscheidt zich van een “agrarisch gebied met overdruk natuurverweving” doordat het aandeel van de agrarische activiteiten in verhouding tot de totale omvang van het parkgebied vrij beperkt is en van betrekkelijk minder grote betekenis is dan natuur, bos of park. Uitbreiden van de agrarische activiteiten ten koste van natuur, bos of park is niet toegelaten.

 

In voorkomend geval kunnen gebiedsspecifieke bepalingen opgenomen worden voor de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande landbouwbedrijfsgebouwen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Voor zover de bestemming van het gebied niet in het gedrang wordt gebracht, is het toegelaten bestaande woningen te verbouwen binnen het vergunde volume.

 

Indien een woning niet aangesloten is op een riolering, wordt de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater.

 

Bestaande woningen kunnen worden uitgebreid, voor zover de uitbreiding - met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysiek één geheel mee vormen - slechts leidt tot een maximaal bouwvolume van 1000 m³. Die uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % niet overschrijden. Het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

Voormelde mogelijkheden gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarde

(1) de woning, het gebouw of de constructie is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot. Woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;

(2) de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;

(3) het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m³, ook indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal.

 

Herbouw binnen hetzelfde bouwvolume is enkel vergunbaar indien de woning geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd is door een plotse ramp, buiten de wil van de aanvrager en op voorwaarde dat (1) de woning voor de vernieling of beschadiging niet verkrot was, (2) de woning volgens het bevolkingsregister in de loop van het jaar voorafgaand aan de vernieling of beschadiging werd bewoond; (3) de aanvraag ten laatste binnen het jaar na het toekennen van het verzekeringsbedrag gebeurt; (4) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft. Indien het bestaande bouwvolume vóór de vernieling of beschadiging meer bedroeg dan 1.000 m³, wordt de herbouwde woning beperkt tot 1.000 m³.

In openruimtegebied is in principe enkel het bestendigen van de bestaande vergunde woningen toegelaten.

 

In parken kunnen eventueel bestaande woningen mogelijkheden krijgen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

In bestaande vergunde gebouwen kunnen behalve de activiteiten voor de realisatie van de bovenvermelde functies, ook de volgende activiteiten toegelaten worden:

- wonen;

- horeca;

- diensten;

- nuts- en gemeenschapsvoorziening;

- socioculturele voorzieningen;

- kantoren;

- recreatievoorzieningen.

 

Alle instandhoudingswerken, ook structurele, zijn aan die gebouwen toegelaten. Daarnaast zijn toegelaten:

- verbouwen binnen het bestaande volume voor zover xxx

- herbouwen voor zover XXX

- uitbreiden voor zover XXX

- het aanleggen en onderhouden van een parking voor zover XXX

Ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bebouwing (kloosters, kastelen...) moeten gebiedsspecifiek uitgewerkt worden, rekening houdend met de cultuurhistorische en landschappelijke waarde en de potenties voor hergebruik van het bestaande patrimonium voor andere functies (wonen, werken, toerisme, horeca, nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, socioculturele voorzieningen, ...).

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP6.3 Categorie van gebiedsaanduiding 6. Overig groen

6.3 GEN voor overig groen (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Overdruk grote eenheid natuur

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een Grote Eenheid Natuur (GEN).

Dit gebied is een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk.. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP6.4 Categorie van gebiedsaanduiding 6. Overig groen

6.4 GENO voor overig groen (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel Y. overdruk grote eenheid natuur in ontwikkeling

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling (GENO).

Dit gebied is een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur in ontwikkeling zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

Gebiedsspecifieke typebepaling voor gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen

of voor bestaand landbouwgebruik

Totdat de natuurfunctie effectief gerealiseerd is, zijn werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de bestaande activiteiten toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies en voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden en ontwikkeld worden.

Bestaande activiteiten in het gebied kunnen tijdelijk behouden blijven totdat de natuur- of bosbestemming gerealiseerd is en voor zover inpasbaar in de grote eenheid in natuur in ontwikkeling. Dat is een feitelijke kwestie. En voor zover de werken, handelingen en wijzigingen toegelaten zijn volgens de wetgeving op natuurbehoud.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP6.5 Categorie van gebiedsaanduiding 6. Overig groen

6.5 Natuurverweving voor overig groen (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel Z. x gebied met overdruk

natuurverweving

 

 

 

Het in overdruk aangeduide gebied is een natuurverwevingsgebied waarbij de functies natuurbehoud, landbouw, bosbouw en recreatie nevengeschikt zijn.

Het gebied wordt beschouwd als een natuurverwevingsgebied in de zin van het decreet Natuurbehoud en maakt in die zin deel uit van het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk (IVON). Verweving houdt in dat een duurzame instandhouding van de aanwezige natuurwaarden gegarandeerd wordt en dat elke functie behouden kan worden zonder andere functies te verdringen of door andere functies verdrongen te worden. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende natuurverwevingsgebieden zijn van toepassing in dit gebied.

 

Dat houdt onder andere in dat behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, naast de maatregelen in het decreet natuurbehoud vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4, hoofdstuk V, en hoofdstuk VI, er ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen kunnen worden genomen en dit ter bevordering van:

- een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;

- de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;

- het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;

- binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van het risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;

- het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;

- de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.

 

In het als natuurverwevingsgebied in overdruk aangeduide gebied gelden de volgende bijkomende bepalingen:

- de voor functie x vermelde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden;

- het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies is niet toegelaten;

- alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten.

De functie natuurbehoud, landbouw, bosbouw en recreatie en de functie natuurbehoud zijn nevengeschikt; die functies worden behouden zonder elkaar onderling te verdringen.

 

In natuurverwevingsgebieden is het beleid gericht op de ruimtelijke ondersteuning van de verweving tussen de functie x en de functie natuur. Dat houdt ruimtelijke voorwaarden in voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de aanwezige en gewenste natuurwaarden. Tegelijk moeten de ontwikkelingsmogelijkheden van functie x met de aanwezige en gewenste natuurwaarden ruimtelijk ondersteund worden.

 

Gebouwen die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op de als natuur beheerde gebieden zijn toegelaten, op voorwaarde dat ze niet samen gebruikt worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal, …). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor zover ze landschappelijk inpasbaar en de betrokken oppervlakte als natuur beheerd gebied aanzienlijk is.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Categorie van gebiedaanduiding 7: Reservaat en natuur

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP7.1 Categorie van gebiedsaanduiding 7. Reservaat en natuur

7.1 Natuurgebied

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Natuurgebied

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en bos. Recreatief medegebruik is een ondergeschikte functie.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de ontwikkeling, de instandhouding en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu, bos en van de landschapswaarden zijn toegelaten.

In het natuurgebied is de hoofdfunctie natuur. Recreatief medegebruik laat evenwel toe dat bepaalde zones in het natuurgebied afgeschermd kunnen worden, niet toegankelijk zijn voor het publiek omwille van de natuurwaarde.

 

Onder bos wordt begrepen ecologisch beheerd bos zoals bedoeld in het Bosdecreet in artikel 18 en volgende.

 

Het aanbrengen van infrastructuren voor het beheer van het gebied als natuurgebied is mogelijk. Die infrastructuren zijn onder meer: veekerende rasters, het bouwen van schuilplaatsen voor dieren die ingezet worden bij het beheer van het gebied.

 

In het gebied zijn uitsluitend gebouwen toegelaten die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op het betrokken natuurgebied, op voorwaarde dat ze niet samen gebruikt worden als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal…). Een dergelijke bebouwing kan slechts toegelaten worden voor zover ze landschappelijk inpasbaar is en de betrokken oppervlakte natuurgebied aanzienlijk is.

 

Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet overschreden wordt, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten:

- het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur voor het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;

- het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de ;volksgezondheid.

Recreatief medegebruik is een ondergeschikte functies in het natuurgebied. Ondergeschikt betekent ‘van betrekkelijk minder grote betekenis’.

 

Kleinschalige infrastructuur voor het al dan niet toegankelijk maken bestaat onder meer uit: toegangspoortjes, wegwijzers, verbodsborden, wegafsluitingen …

 

Kleinschalige infrastructuur voor natuureducatie is bijvoorbeeld: informatieborden, verrekijkers, knuppelpaden, vogelkijkhutten …

 

Kleinschalige infrastructuur voor recreatief medegebruik: zitbanken, picknicktafels, vuilnisbakken …

 

Niet-gemotoriseerd verkeer is onder meer: wandelen, fietsen, paardrijden ...

 

Verharde paden worden bij voorkeur aangelegd in een waterdoorlatende verharding.

 

Onder openbare wegen worden ook verkeersveilige fietspaden begrepen.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Voor zover de bestemming van het gebied niet in het gedrang wordt gebracht is het toegelaten bestaande woningen, gebouwen of constructies te verbouwen of te herbouwen binnen het vergunde bouwvolume.

 

Voormelde mogelijkheden gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

(1) de woning, het gebouw of de constructie is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot; Woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;

(2) de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;

(3) het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal. Indien een woning niet aangesloten is op een riolering, wordt de vergunningsaanvraag afhankelijk gemaakt van de aanleg van een installatie voor het behandelen van afvalwater.

 

Herbouw binnen hetzelfde bouwvolume is enkel vergunbaar indien de woning geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd is door een plotse ramp, buiten de wil van de aanvrager en op voorwaarde dat (1) de woning voor de vernieling of beschadiging niet verkrot was, (2) de woning volgens het bevolkingsregister in de loop van het jaar voor de vernieling of beschadiging werd bewoond; (3) de aanvraag uiterlijk binnen een jaar na het toekennen van het verzekeringsbedrag wordt ingediend; (4) de woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn, ook wat de functie betreft. Indien het bestaande bouwvolume vóór de vernieling of beschadiging meer bedroeg dan 1.000 m³, wordt de herbouwde woning beperkt tot 1.000 m³.

In natuurgebied is in principe enkel het bestendigen van de bestaande vergunde woningen toegelaten.

Gebiedsspecifieke typebepaling waterbeheer

Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; zijn werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden, voor zover de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden.

Waterbeheersing is een ondergeschikte functie in dit gebied.

 

Voor werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen buiten de natuurlijke overstromingsgebieden of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden worden de stroomgebiedbeheersplannen en de bekkenbeheersplannen als afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

Met ‘technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-eninfrastructuur/vademecums-natuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecums regelmatig geactualiseerd.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP7.2 Categorie van gebiedsaanduiding 7. Reservaat en natuur

7.2 GEN voor reservaat en natuur (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Overdruk grote eenheid natuur

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een Grote Eenheid Natuur (GEN).

Dit gebied is een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP7.3 Categorie van gebiedsaanduiding 7. Reservaat en natuur

7.3 GENO voor reservaat en natuur (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel Y. overdruk grote eenheid natuur in ontwikkeling

 

 

Standaard typebepaling

Het in overdruk aangeduide gebied is een Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling (GENO).

Dit gebied is onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Alle bepalingen van het decreet Natuurbehoud betreffende grote eenheden natuur in ontwikkeling zijn van toepassing in dit gebied.

 

In voorkomend geval is een vastgesteld natuurrichtplan bepalend voor de inrichting en het beheer van het gebied. Een dergelijk natuurrichtplan wordt als een afwegingselement gehanteerd bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voor bovenvermelde werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen.

Gebiedsspecifieke typebepaling voor gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen of voor bestaand landbouwgebruik

Totdat de natuurfunctie effectief gerealiseerd is, zijn werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de bestaande activiteiten toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies en voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden en ontwikkeld worden.

Bestaande activiteiten in het gebied kunnen tijdelijk behouden blijven totdat de natuur- of bosbestemming gerealiseerd is en voor zover inpasbaar in de grote eenheid in natuur in ontwikkeling. Dat is een feitelijke kwestie. En voor zover de werken, handelingen en wijzigingen toegelaten zijn volgens de wetgeving op natuurbehoud.

 

Categorie van gebiedaanduiding 8: Lijninfrastructuur

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.1 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.1 Verkeers- of vervoersinfrastructuur

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

Wegeninfrastructuur

 

grafisch element → niet opgenomen

Waterweginfrasructuur

 

grafisch element → niet opgenomen

Sportinfrastructuur

 

grafisch element → niet opgenomen

Verkeers- en vervoersinfrastructuur

 

Artikel X. Gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur

 

 

Standaard typebepaling

Dit gebied is bestemd voor verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen- /spoor-/waterweginfrastructuur (te specifiëren) en aanhorigheden.

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of aanpassing van die voor verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen-/spoor- /waterweginfrastructuur (te specifiëren) en aanhorigheden. Daarnaast zijn alle werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de ruimtelijke inpassing, buffers, ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, leidingen, telecommunicatie infrastructuur, lokaal openbaar vervoer, lokale dienstwegen, jaagpaden, recreatienetwerk en waterwegennetwerk en paden voor niet-gemotoriseerd verkeer toegelaten.

Onder aanhorigheden van wegeninfrastructuur wordt onder andere verstaan: al dan niet verharde bermen, grachten en taluds, de stationeer- en parkeerstroken, de wegsignalisatie en wegbebakening, de verlichting, de afwatering, de beplantingen, de veiligheidsuitrustingen zoals stootbanden en hulpposten, de geluidswerende constructies, de parkeerplaatsen langs autosnelwegen.

 

Onder aanhorigheden van waterwegen wordt onder andere verstaan: sluizen, liften, hellende vlakken, stuwen, pompstations, spaar- en overloopbekkens, oevers of dijken en eventuele grachten achter het dijktalud, meerpalen, geleide inrichtingen, signalisatie, aanlegplaatsen, dokken, aanlegbolders, kaaimuren, meetinstallaties voor waterpeil, debiet, stroomsnelheid en waterkwaliteit.

 

Onder aanhorigheden van spoorwegen wordt onder andere verstaan: Spooruitrustingen zoals sporen, bovenleidingen, seininrichting, kabelwerken, alle grond- en kunstwerken voor de realisatie van de dragende structuur, alle gebouwen en andere constructies, met noodzakelijke toegangswegen, die verband houden met het onderhoud en de exploitatie van de spoorlijn zoals tractieonderstations, sectioneerposten, seinposten, onderhoudsplatformen, dienstlokalen, communicatie, alle toegangs- en langswegen ten behoeve van onderhouds- en veiligheidsdoeleinden, alle voorzieningen op het gebied van veiligheid en eventuele ventilatie zoals evacuatieschachten, afsluitingen, ventilatie-uitrustingen, de infrastructuren voor de afwatering van de spoorbedding zoals grachten, duikers, pompstations.

 

Eventuele stopplaatsen/treinstations, voor zover die in de aangeduide strook te lokaliseren zijn en voor zover hiertoe beslist wordt.

 

Alle werken van natuurtechnische milieubouw kunnen gerealiseerd worden. Met ‘technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-eninfrastructuur/ vademecums-natuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecums regelmatig geactualiseerd.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Alle werken, handelingen en wijzigingen voor watergebonden recreatie zijn eveneens toegelaten.

Met gebouwen en constructies wordt bedoeld deze die op het land geplaatst worden. Het gaat dus bijvoorbeeld niet om de aanlegsteigers die in de waterweginfrastructuur aangelegd worden, of om oever- of kaai-infrastructuur voor het te water laten van recreatievaartuigen.

 

grafisch element → niet opgenomen

 

Gebouwen, constructies en verharde parkeerplaatsen voor het watergebonden recreatieve gebruik met een vloeroppervlakte van meer dan 25 m², zijn alleen toegelaten in de zones aangeduid met deze overdruk.

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Na aanleg van de infrastructuur kunnen voor het gedeelte van de zone dat voorlopig niet werd benut, de voorschriften van de naastliggende bestemming toegepast worden.

In een zeehavengebied of bij een vervoersinfrastructuur is het niet altijd mogelijk precies aan te geven waar de infrastructuren beginnen en de overgang naar de naastliggende bestemming. Daarom wordt met deze gebiedsspecifieke typebepaling toegelaten om de voorschriften van de naastliggende bestemming toe te passen. In de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt duidelijk aangegeven welke oppervlakte voor de infrastructuur ingenomen wordt en waar de toepassing van het voorschrift van de naastliggende bestemming begint. Deze typebepaling wordt bijvoorbeeld gehanteerd voor een waterweginfrastructuur of een vervoerinfrastructuur.

Gebiedsspecifieke typebepaling

Gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van de verkeers- en vervoersinfrastructuur gebruikt worden, worden op een kwaliteitsvolle manier geïntegreerd in de omgeving.

In de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning voor een project dat een deel van het gebied beslaat, moet aangegeven worden wat met het overige gedeelte gebeurt. De vergunningverlenende overheid moet aan de hand van de aanvraag kunnen oordelen of het nog niet benutte deel lange tijd onbenut zal blijven voor vervoers- of verkeersinfrastructuur en wat er tussentijds mee zal gebeuren.

 

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Reservatiegebied voor lijninfrastructuur

 

 

Gebiedsspecifieke typebepaling

Het gebied aangeduid in overdruk is bestemd voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen- / spoor- / waterweginfrastructuur (te specifiëren) en aanhorigheden.

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of aanpassing van die voor verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen- / spoor- / waterweginfrastructuur (te specifiëren) en aanhorigheden. Daarnaast zijn alle werken, handelingen en wijzigingen met het oog op de ruimtelijke inpassing, buffers, ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, leidingen, telecommunicatie infrastructuur, lokaal openbaar vervoer, lokale dienstwegen, jaagpaden, recreatienetwerk en waterwegennetwerk en paden voor niet-gemotoriseerd verkeer toegelaten. De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de vergunningen die afgeleverd worden tijdelijke vergunningen zijn.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.2 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.2 Ongelijkvloerse verkeers- en vervoersinfrastructuur (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor ongelijkvloerse verkeers- en vervoersinfrastructuur

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren en de aanpassing van de ongelijkvloerse verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen- /spoor- /waterweginfrastructuur (te specifiëren) en aanhorigheden. Daarnaast zijn werken, handelingen en wijzigingen in functie van de ruimtelijke inpassing, ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren en leidingen toegelaten.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, het functioneren en de aanpassing van verkeers- en vervoersinfrastructuur/ wegen- /spoor- /waterweginfrastructuur (te specifiëren) niet in het gedrang wordt gebracht.

Alle werken van natuurtechnische milieubouw zijn toegelaten. Met technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar en geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-en-infrastructuur/vademecumsnatuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecums regelmatig geactualiseerd.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.3 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.3 Bouwvrije strook (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Bouwvrije strook

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, geldt een verbod om vergunningsplichtige gebouwen en constructies op te richten behalve werken, handelingen en wijzigingen voor leidingen, telecommunicatie infrastructuur, lokaal openbaar vervoer, lokale dienstwegen en paden voor niet-gemotoriseerd verkeer.

 

In afwijking van de paragraaf hierboven zijn werken, handelingen en wijzigingen aan bestaande bebouwing en constructies toegelaten, voor zover ze in overeenstemming zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van de grondkleur. Bij onteigening wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit die werken en handelingen voortvloeit.

Een bouwvrije strook heeft als doel een zone voor erfdienstbaarheid van Vlaams belang in te richten. Die erfdienstbaarheid wordt opgelegd ten voordele van het principe dat infrastructuur gebundeld wordt om een efficiënt ruimtegebruik te creëren (bundelingsprincipe). De erfdienstbaarheid betekent dat alle huidige functies en activiteiten die vandaag in deze strook aanwezig zijn (landbouw, wonen, recreatie …) blijven functioneren en bestaan zolang zij de aanleg van met hoofd- en primaire wegen gebundelde infrastructuur niet hinderen.

 

De concrete uitwerking van die aanleg of van aanpassingen aan de bestaande hoofdinfrastructuur geeft aanleiding tot grote ingrepen en gebeurt dus steeds op basis van gebiedsgericht onderzoek (planningsproces) waarna het vigerende plan van aanleg wordt gewijzigd. Dat neemt niet weg dat in de tussentijd in de bouwvrije strook infrastructuur kan toegestaan worden die minder impact heeft op de omgeving en de eventuele toekomstige ontwikkelingen van de bestaande lijninfrastructuur.

 

Voor de hoofdwegen en primaire wegen I wordt er buiten de stedelijke gebieden en in voorkomend geval in kernen van het buitengebied een bouwvrije strook van respectievelijk 100 m of 30 m (vanaf langsgracht of berm) aangelegd. Voor de primaire wegen II wordt er buiten de stedelijke gebieden een bouwvrije strook van 30 m vanaf de as van de weg aangelegd.

 

Met afstand van meerwaarde wordt bedoeld dat voor de vergoeding bij een onteigening geen rekening moet worden gehouden met de waardevermeerdering die uit werken zou voortvloeien in de zone met overdruk aangeduid na de inwerkingtreding van het RUP. Het is een uitzondering op het bouwverbod dat hier toegelaten worden met voorwaarden. In de praktijk ondertekent de aanvrager die afstand van meerwaarde voordat de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd wordt, opdat de aanvrager volledig in kennis is van deze erfdienstbaarheid van openbaar nut.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.4 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.4 Gebied voor overstap

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor overstap

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor een overstapplaats, met name een gebied voor uitwisseling tussen individueel en openbaar/collectief vervoer/verschillende soorten openbaar vervoer.

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of het aanpassen van de overstapplaats en bijbehorende technische voorzieningen evenals voor ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, leidingen en telecommunicatie-infrastructuur.

 

Complementaire voorzieningen ter ondersteuning van het functioneren van de overstapplaats zijn toegelaten.

 

Gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van de overstapplaats gebruikt worden, worden op een kwaliteitsvolle manier geïntegreerd in de omgeving.

Dit gebied is bestemd voor alle nodige infrastructuur voor:

- overstap van individueel naar collectief vervoer (bijvoorbeeld carpoolparking;

- overstap van individueel naar openbaar vervoer (park & ride …);

- overstap voor openbaar vervoer (busstation …).

 

Naast bovenvermelde aanhorigheden bij lijninfrastructuur worden de volgende basisvoorzieningen beschouwd als werken, handelingen en wijzigingen voor het functioneren van de overstapplaats: parking, fietsenstallingen en beperkte fietsherstelplaats, sanitair, schuilvoorzieningen, halte-accommodatie voor collectief en/of openbaar vervoer, …

 

Er kunnen ondersteunende voorzieningen worden toegelaten: café en/of snackbar, beperkte winkelverkoop van dagelijkse producten, beperkte openbare dienstverlening (bankagentschap, postkantoor …), tankplaats, …

 

Alle werken van ‘Met technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-eninfrastructuur/vademecums-natuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecum regelmatig geactualiseerd. zijn toegelaten.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.5 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.5 Gebied voor overslag

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor overslag

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor een overslagplaats, met name een gebied voor de uitwisseling tussen verschillende modi voor goederenvervoer/volgende modi voor goederenvervoer (omschrijving, bimodaal, trimodaal, …).

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of het aanpassen van de overslagplaats en bijbehorende technische voorzieningen evenals voor ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, leidingen en telecommunicatie-infrastructuur.

 

Complementaire voorzieningen ter ondersteuning van het functioneren van de overslagplaats zijn toegelaten.

 

Gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van de overslagplaats gebruikt worden, worden op een kwaliteitsvolle manier geïntegreerd in de omgeving.

Er kunnen ondersteunende voorzieningen worden toegelaten: beperkte horecavoorzieningen, beperkte openbare dienstverlening (bankagentschap, postkantoor …), tankplaats, …

 

Alle werken van met ‘technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van infrastructuurwerken (wegen, waterlopen) bestaande natuurwaarden zoveel als mogelijk te behouden of ze te ontwikkelen of te versterken, en meer algemeen om te komen tot "milieuvriendelijke" oplossingen voor ruimtelijke ingrepen. Een beschrijving van en toelichting bij dergelijke technieken is te vinden in de "Vademecums Natuurtechniek", die onder meer te raadplegen zijn op de website van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid: http://www.lne.be/themas/milieu-eninfrastructuur/vademecums-natuurtechniek. Op basis van onderzoek en ervaring worden deze Vademecums regelmatig geactualiseerd. zijn toegelaten.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.6 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.6 Gebied voor diensten bij wegeninfrastructuur

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor diensten bij wegeninfrastructuur

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor een dienstenzone bij wegeninfrastructuur, met name de zone waar de weggebruiker kan voorzien in de verzorging van zijn voertuig, in zijn persoonlijke verzorging en die van zijn medereizigers of in de communicatie met anderen zonder dat hij zich op het onderliggende wegennet kan begeven.

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of aanpassen van de dienstenzone en bijbehorende technische voorzieningen evenals voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nutsvoorzieningen met het oog op wegeninfrastructuur en voor ecologische verbindingen, kruisende infrastructuren, leidingen en telecommunicatie infrastructuur.

 

Gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van de dienstenzone gebruikt worden, worden op een kwaliteitsvolle manier geïntegreerd in de omgeving.

Naast bovenvermelde aanhorigheden bij weginfrastructuur worden onder meer de volgende voorzieningen als nodig of nuttig beschouwd voor het functioneren van de dienstenzone: parking, sanitair, horeca, winkelverkoop van dagelijkse producten, benzinestation. Conferentieruimtes horen in principe niet thuis op deze plaatsen behalve beperkte vergaderfaciliteiten.

 

Gemeenschaps- of openbare nutsvoorzieningen voor wegeninfrastructuur kunnen de volgende voorzieningen betreffen: stalplaatsen voor strooiwagens, opslag van reinigings- en onderhoudsproducten voor de weg en aanhorigheden, weegbruggen.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.7 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.7 Gebied voor diensten bij waterwegeninfrastructuur

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor diensten bij waterweginfrastructuur

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen bij waterweginfrastructuur.

 

In dit gebied zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren of aanpassen van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nutsvoorzieningen met het oog op waterweginfrastructuur.

 

Gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen gebruikt worden, worden op een kwaliteitsvolle manier geïntegreerd in de omgeving.

Gemeenschaps- of openbare nutsvoorzieningen voor waterweginfrastructuur kunnen de volgende voorzieningen zijn: reception facilities om de scheepsruimen te reinigen, plaatsen om afval af te leveren.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.8 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.8 Buffer (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Buffer

 

 

Standaard typebepaling

Tussen het gebied voor overstap/overslag/diensten bij wegeninfrastructuur/ diensten bij waterweginfrastructuur en de aangrenzende zones wordt in een buffer voorzien. De buffer moet voldoen aan de voorwaarden van visuele afscherming, geluidsafscherming, landschappelijke inpassing of afstand.

 

De buffer (strook/zone) wordt voor ten minste x % (dicht) beplant met streekeigen struiken en hoogstammige bomen met het oog op het bufferen van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de aanliggende functies.

 

Alleen werken en handelingen met het oog op de aanleg en het onderhoud van de buffer zijn toegelaten met inbegrip van de aanleg van brandwegen in waterdoorlatende verharding indien dit om redenen van brandveiligheid wordt opgelegd of van waterbeheersingswerken.

 

Uiterlijk in het plantseizoen dat volgt op het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, na de inwerkingtreding van dit ruimtelijk uitvoeringsplan, moet de zone voor buffer aangelegd en beplant zijn.

Een buffer behoort tot het gebied en moet een overgang vormen tussen het terrein en de aangrenzende bestemmingen. Naargelang de aard van de aangrenzende bestemming moet de buffer gebiedsspecifiek ingevuld worden.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.9 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.9 Leidingstraat (overdruk - symbolisch)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Leidingstraat

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van ondergrondse transportleidingen en hun aanhorigheden. Nieuwe leidingen worden gerealiseerd in functie van het optimaal ruimtegebruik van de leidingstraat. De aanvragen voor vergunningen voor een transportleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de leidingen en hun aanhorigheden niet in het gedrang worden gebracht.

Een leidingstraat wordt symbolisch aangegeven wat betekent dat de grenzen van de leidingstraat niet vastliggen.

 

Aanhorigheden van een leidingstraat zijn de constructies of gebouwen die nodig of nuttig zijn om de leidingen te kunnen exploiteren. De aanhorigheden kunnen bovengronds of ondergronds aangebracht zijn.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.10 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.10 Leidingstrook (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Leidingstrook

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van ondergrondse transportleidingen en hun aanhorigheden. Nieuwe leidingen worden gerealiseerd met het oog op het optimale ruimtegebruik van de leidingstrook. De aanvragen voor vergunningen voor een transportleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de leidingen en hun aanhorigheden niet in het gedrang worden gebracht.

Een leidingstrook wordt in overdruk aangegeven wat betekent dat de grenzen van de leidingstrook vastliggen.

 

Aanhorigheden van een leidingstrook zijn de constructies of gebouwen die nodig of nuttig zijn om de leidingen te kunnen exploiteren. De aanhorigheden kunnen bovengronds of ondergronds aangebracht zijn.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.11 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.11 Enkelvoudige leiding (overdruk - symbolisch)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Enkelvoudige leiding

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en de wijzigingen van een ondergrondse transportleiding en haar aanhorigheden. De aanvragen voor vergunningen voor een transportleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de enkelvoudige leiding en haar aanhorigheden niet in het gedrang worden gebracht.

Het tracé dat opgenomen wordt voor de enkelvoudige leiding is een symbolische aanduiding. Dat betekent dat de grens van het tracé gevolgd moet worden in de mate dat er geen onoverkomelijke obstakels zijn die een aanpassing vereisen. Onoverkomelijke obstakels zijn bijvoorbeeld bomen, structuur van de ondergrond, kleine constructies of andere obstakels voor het tracé die bij de opmaak van het RUP niet bekend zijn. Gebouwen vallen normaal gezien niet onder die obstakels omdat die bij de opmaak van het RUP bekend zijn.

 

Aanhorigheden van een leiding zijn de constructies of gebouwen die nodig of nuttig zijn om de leiding te kunnen exploiteren. De aanhorigheden kunnen bovengronds of ondergronds aangebracht zijn.

 

Voor welke stoffen de leiding gebruikt zal worden, wordt niet vastgelegd; dat is ruimtelijk niet relevant.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.12 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.12 Hoogspanningsleiding (overdruk - symbolisch)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Hoogspanningsleiding

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en de wijzigingen van een hoogspanningsleiding en haar aanhorigheden. De aanvragen voor vergunningen voor een hoogspanningsleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de bestaande hoogspanningsleiding niet in het gedrang worden gebracht.

Deze aanduiding betreft de bestaande en nieuwe (bovengrondse) hoogspanningsleidingen en aanhorigheden.

 

Aanhorigheden van een hoogspanningsleiding zijn de constructies of gebouwen die nodig of nuttig zijn om de leiding te kunnen exploiteren. De aanhorigheden kunnen bovengronds of ondergronds aangebracht zijn.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.13 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.13 Op te heffen reservatiestrook (overdruk - symbolisch)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Op te heffen reservatiestrook

 

 

Standaard typebepaling

Op te heffen reservatiestrook

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

RUP8.14 Categorie van gebiedsaanduiding 8. Lijninfrastructuur

8.14 Verbinding voor langzaam verkeer (overdruk - symbolisch)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Verbinding voor langzaam verkeer

 

 

Standaard typebepaling

Om functionele relaties te leggen worden op verschillende plaatsen verbindingen gerealiseerd voor de zachte weggebruiker. De pijlen duiden symbolisch aan welke plaatsen met elkaar verbonden moeten worden.

 

 

Categorie van gebiedaanduiding 9: Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 9. Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen

9.1 Gebied voor gemeenschaps- en openbare voorzieningen

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

 

Alle werken, handelingen, en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het aanbieden van gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn toegelaten.

De betrokken werken, handelingen en wijzigingen kunnen worden toegelaten ongeacht het publiek- of privaatrechtelijk statuut van de initiatiefnemer of het al dan niet aanwezig zijn van winstoogmerk.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 9. Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen

9.2 Gebied voor zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor de zuivering van afvalwater.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen voor de aanleg, het functioneren of aanpassing van de infrastructuur voor de zuivering van afvalwater zijn toegelaten.

 

Daarnaast zijn toegelaten: het aanleggen van nieuwe nutsleidingen, het herstellen of heraanleggen van bestaande nutsleidingen. Bestaande nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

De zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater omvat de installaties, voor de zuivering van afvalwater zoals de collectoren, pompstations, rioleringen en de waterzuiveringsinstallaties met inbegrip van de dienstgebouwen. De infrastructuur voor louter particulier gebruik valt hier niet onder omdat die niet onder de noemer openbaar nut valt.

 

De buffer moet gebiedsspecifiek bekeken worden.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 9. Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen

9.3 Gebied voor windturbines (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor windturbines

 

 

Standaard typebepaling

In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor de aanleg, het functioneren en de aanpassing van de infrastructuren voor het optimaal winnen van windenergie. Daarnaast zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten voor het plaatsen van telecommunicatieinfrastructuur op deze infrastructuren.

 

De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, het functioneren en de aanpassing van de infrastructuur voor de optimale winning van windenergie niet in het gedrang wordt gebracht.

 

Aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning worden voor advies voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid voor het energiebeleid. De adviesvraag wordt behandeld volgens de bepalingen van de wetgeving over ruimtelijke ordening voor niet-bindende adviesvragen, met name artikel 111, § 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.

Voor informatie over de inplanting van de windturbines wordt verwezen naar de “Omzendbrief: EME/2006/01-RO/2006/02 Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines” of de omzendbrief of de wetgeving die van toepassing is.

 

De functies die aangeduid zijn met de grondkleur en met deze overdruk, zijn nevengeschikte functies.

 

De aanvragen voor realisatie van windturbines worden beoordeeld op basis van het principe van optimaal gebruik van het gebied en vanuit een visueel samenhangend totaalbeeld dat wordt vastgesteld op basis van de specifieke kenmerken van het gebied. Het eerste windturbineproject (aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning) voor het aansnijden van de 'zone voor windturbines' is naar vorm en uitzicht bepalend voor het te realiseren visueel samenhangend totaalbeeld. Nieuwe projecten (latere aanvragen) sluiten aan bij het gerealiseerde of vergunde geheel van windturbines en vormen samen een visueel samenhangend totaalbeeld. Het is wenselijk dat de aanvrager bij zijn aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning een verantwoording voegt waarin aangetoond wordt dat het project past in het vastgestelde visueel samenhangend totaalbeeld. Elk project wordt binnen dit totaalbeeld afgewogen op basis van de in de zone voorkomende ritmiek in tussenafstand, hoogte, vorm en uitzicht van de windturbines ten opzichte van elkaar.

 

Van de windturbinemasten kan gebruik worden gemaakt voor de plaatsing van openbare nutsfuncties als de schaal ervan in relatie tot de windturbine beperkt blijft en de redelijke benutting van de windturbine niet onmogelijk wordt gemaakt. Van de windturbinemasten mag geen gebruik worden gemaakt voor het plaatsen van reclameboodschappen.

 

Categorie van gebiedaanduiding 10: Ontginning en waterwinning

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 10. Ontginning en waterwinning

10.1 Gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening

 

 

Standaard typebepaling

Het gebied is bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor duurzame watervoorziening.

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg, het functioneren of aanpassen van de infrastructuur voor de winning, opvang, de behandeling, het transport en de distributie van het water zijn toegelaten.

 

Daarnaast zijn toegelaten: het aanleggen van nieuwe nutsleidingen, het herstellen of heraanleggen van bestaande nutsleidingen, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijke milieu en van landschapswaarden. Bestaande nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

Infrastructuur voor waterwinning kan onder meer pompstations, drukstations, waterspaarbekkens of zuiveringsstations voor gewonnen water omvatten, met uitzondering van infrastructuur voor louter particulier gebruik.

 

Tijdens de constructie en het gebruik van de infrastructuur moet rekening gehouden worden met voorkomende natuur- en landschapswaarden.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 10. Ontginning en waterwinning

10.2 Gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen met nabestemming [...]

 

 

Standaard typebepaling

X.1. Bestemming

 

Het gebied is bestemd voor de ontginning van [delfstof].

 

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het winnen en mechanisch behandelen van [delfstof] zijn toegelaten voor zover het tijdelijke infrastructuur betreft. Verwerking is uitgesloten.

 

Als het noodzakelijk is voor de ontginning van [delfstof] en/of de kwalitatieve inrichting met het oog op de nabestemming van het gebied, is het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande ondergrondse transportleidingen eveneens toegelaten.

 

Bij het ontginnen moet de ruimtelijke, landschapsecologische en milieuhygiënische impact van de ontginning op het gebied en de omgeving geminimaliseerd worden.

 

De volgende voorwaarden worden opgelegd aan de ontginningsactiviteit:

- Het bufferen

- De toegelaten ontginningsdiepte

- Het stockeren van de plaatselijke teelaarde

- Het heropvullen in functie van de eindafwerking

- …

 

De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor ontginning bevat de nodige informatie over de fasering van de ontginning, de eindafwerking met het oog op de nabestemming en de toepassing van de inrichtingsbepalingen.

De nabestemming wordt opgenomen in het voorschrift als dit reeds gekend is op het ogenblik van het opmaken van het RUP.

 

Het gebied is bestemd voor de winning van oppervlaktedelfstoffen, waarbij:

- het gebied als tijdelijke hoofdfunctie de ontginning van primaire delfstoffen, met name [delfstof], krijgt, overeenkomstig de wetgeving inzake de ontginning van delfstoffen;

- het gebied onmiddellijk voor ontginning kan worden aangesneden;

- tijdelijke infrastructuur voor de ontginningsactiviteit en de mechanische behandeling van de ontgonnen delfstoffen is toegelaten. Die constructies dienen na ontginning te worden verwijderd. Het bouwen van gebouwen en het plaatsen van installaties voor de verwerking van oppervlaktedelfstoffen is niet toegestaan.

 

De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor bedrijfsgebouwen moet hierover de nodige informatie bevatten.

 

Mechanische behandeling: daaronder wordt onder meer verstaan zeven, mengen, breken …

 

Een voorbeeld van niet-toegelaten verwerkingsactivitieit is een betoncentrale.

 

Een buffer behoort tot het gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen en moet een overgang vormen tussen het gebied en de aangrenzende bestemmingen. Naargelang van de aard van de aangrenzende bestemming zal de buffer gebiedsspecifiek moeten worden ingevuld.

 

Wat kan toegelaten worden in een buffer is beperkt maar in bepaalde gevallen is het belangrijk te voorzien dat toegangswegen kunnen toegelaten worden voor zover ze niet afzonderlijk voorzien zijn in het RUP. Daarnaast is het in bepaalde gevallen belangrijk om werken toe te laten om de waterhuishouding van het gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen te beperken tot dat gebied zodat er geen overlast is voor de aangrenzende bestemming.

 

X.2. (alternatief 1)

 

grafisch element → niet opgenomen

 

 

 

Het gebied aangeduid met deze overdruk (enkele lijn) kan slechts aangesneden worden voor het winnen van [delfstof] nadat de optimale hoeveelheden [delfstof] gewonnen werden in de overige delen van het gebied zonder overdruk tenzij de overheid omwille van milieuredenen geen optimale ontginning in die delen toelaat.

Toelichting randvoorwaarden

 

X.2. (alternatief 2)

 

grafisch element → niet opgenomen

 

 

 

Het gebied aangeduid met deze overdruk (dubbele lijn) kan slechts aangesneden worden voor het winnen van [delfstof] nadat de optimale hoeveelheden [delfstof] gewonnen werden in de overige delen van het gebied tenzij de overheid omwille van milieuredenen geen optimale ontginning in die delen toelaat.

 

 

X.4. Nabestemming [...]

 

grafisch element → niet opgenomen

 

 

 

Na ontginning is het gebied bestemd als […]

 

Het typevoorschrift voor de bestemming hier opnemen.

Na ontginning krijgt het gebied een bestemming [...], waarbij:

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 10. Ontginning en waterwinning

10.3 Gebied voor de verwerking van oppervlaktedelfstoffen

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen

 

 

Standaard typebepaling

X.1. Het gebied is bestemd voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken.

 

Beperkte vloeroppervlakten voor kantoren en voor toonzalen die ondergeschikt en gekoppeld zijn aan de activiteiten van het bedrijf, zijn toegelaten voor zover ze geen loketfunctie hebben en geen autonome activiteiten uitmaken. De toonzalen mogen maximaal XX% van de gelijkvloerse bebouwde oppervlakte innemen, ongeacht op welk niveau de toonzalen worden ingericht, en de toonzaaloppervlakte mag maximaal XXm² zijn.

 

Kleinhandel is niet toegelaten.

 

De volgende werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten:

- de tijdelijke opslag en de verwerking van oppervlaktedelfstoffen afkomstig uit groeven;

- de tijdelijke opslag van en groothandel in, hoofdzakelijk eigen, afgewerkte producten die voortkomen uit de oppervlaktedelfstoffen;

- [delfstof-]ontginning die de inrichting als zone voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen voorafgaat.

 

X.2. Bij de inrichting van het gebied moet de ruimtelijke, landschapsecologische en milieuhygiënische impact van het bedrijf voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen op de omgeving geminimaliseerd worden.

 

Volgende randvoorwaarden worden opgelegd:

- Voorbeelden: de natuurverbindingsfunctie van .... moet gevrijwaard worden; de continuïteit van het langzaamverkeersnetwerk moet gevrijwaard worden; inzake gebouwen en constructies en hun inkleding geldt dat ....

 

De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor bedrijfsgebouwen bevat de nodige informatie over de toepassing van de inrichtingsbepalingen.

Het gebied is bestemd voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen,

- het gebied is bestemd is voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken (hoofdfunctie). Kantoren en toonzalen zijn alleen toegelaten met het oog op de eigen bedrijfsactiviteiten. Kleinhandel is niet toegelaten.

- alle werken, handelingen en wijzigingen (steenbakkerij, loodsen, verharde oppervlakten ...), voor de tijdelijke opslag en verwerking van oppervlaktedelfstoffen uit groeven zijn mogelijk.

- alle werken, handelingen en wijzigingen, voor de tijdelijke opslag van en groothandel in, hoofdzakelijk eigen, afgewerkte producten, die voorkomen uit oppervlaktedelfstoffen zijn mogelijk;

- andere functiewijzigingen zijn niet toegelaten;

- voorafgaandelijk aan de inrichting van deze zone voor verwerking van delfstoffen is ontginning toegestaan, als bij een eventuele heropvulling voldoende stabiliteit wordt gegarandeerd in functie van de latere industriële bebouwing en activiteit.

- bij de inrichting van het gebied moet aandacht besteed worden aan hoe de ruimtelijke, landschapsecologische en milieuhygiënische impact van de delfstofverwerkende installatie op de omgeving geminimaliseerd kan worden.

 

Toelichting randvoorwaarden

 

De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor bedrijfsgebouwen moet hierover de nodige informatie bevatten.

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

Categorie van gebiedsaanduiding 10. Ontginning en waterwinning

10.4 Buffer voor gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen (overdruk)

 

typebepaling

toelichting

Standaard grafische aanduiding

grafisch element → niet opgenomen

 

Artikel X. Buffer

 

 

Standaard typebepaling

Tussen het gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen en de aangrenzende zones wordt een buffer voorzien. De buffer moet voldoen aan de voorwaarden van visuele afscherming, geluidsafscherming, landschappelijke inpassing of afstand.

 

De buffer (strook/zone) wordt voor ten minste x % (dicht) beplant met streekeigen struiken en hoogstammige bomen met het oog op het bufferen van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de aanliggende functies.

 

Alleen werken en handelingen met het oog op de aanleg en het onderhoud van de buffer zijn toegelaten met inbegrip van de aanleg van brandwegen in waterdoorlatende verharding indien dit om redenen van brandveiligheid wordt opgelegd of van waterbeheersingswerken.

 

Uiterlijk in het plantseizoen dat volgt op het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, na de inwerkingtreding van dit ruimtelijk uitvoeringsplan, moet de zone voor buffer aangelegd en beplant zijn.

Een buffer behoort tot het gebied en moet een overgang vormen tussen het gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen en de aangrenzende bestemmingen. Naargelang van de aard van de aangrenzende bestemming moet de buffer gebiedsspecifiek ingevuld worden.

 

11: Diverse gebiedsspecifieke typebepalingen

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

11. Diverse gebiedsspecifieke typebepalingen

11.1 Typebepaling mbt inrichtingsstudie

 

typebepaling

toelichting

Gebiedsspecifieke typebepaling

Bij vergunningsaanvragen voor (soort projecten nader te omschrijven) wordt een inrichtingsstudie gevoegd. De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied.

 

De inrichtingsstudie geeft ook aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is in het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied. De inrichtingsstudie maakt deel uit van het dossier betreffende de aanvraag van stedenbouwkundige vergunning en wordt als zodanig meegestuurd aan de adviesverlenende instanties overeenkomstig de toepasselijke procedure voor de behandeling van de aanvragen. Elke nieuwe vergunningsaanvraag kan een bestaande inrichtingsstudie of een aangepaste of nieuwe inrichtingsstudie bevatten.

 

 

BIJLAGE (11/08/2008- ...)

11. Diverse gebiedsspecifieke typebepalingen

11.2 Typebepaling mbt passende beoordeling, MER, watertoets

 

typebepaling

toelichting

Gebiedsspecifieke typebepaling

In het gebied zijn eveneens, in zoverre in overeenstemming met of aangewezen in de passende beoordeling, alle werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen nodig voor de instandhouding, de vervanging, het herstel of de ontwikkeling van natuur en het natuurlijk milieu in de speciale beschermingszone voor de gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van de soorten en soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of van het beperken van de milieuimpact toegelaten.

Onder speciale beschermingszone wordt verstaan: gebied dat aangewezen (definitief vastgesteld is) ter uitvoering van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (“vogelrichtlijngebied”) of ter uitvoering van artikel 4 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (“habitatrichtlijngebied”). De speciale beschermingszones zijn dus het geheel van vogel- en habitatrichtlijngebieden.

Gebiedsspecifieke typebepaling voor watertoets

In het gebied zijn eveneens toegelaten, voor zover de hoofdbestemming niet in het gedrang komt, voor zover in overeenstemming met of aangewezen in de watertoets, alle werken, handelingen en wijzigingen in functie van het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van de watersystemen en het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden toegelaten voor zover de technieken van de natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden.

Voor werken die uit een watertoets voortvloeien. Met ‘technieken van natuurtechnische milieubouw’ wordt verwezen naar een geheel van technieken die gebruikt kunnen worden om bij de inrichting (en het beheer) van