Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Datum 12/12/2008

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I Definities en toepassingsgebied
  2. HOOFDSTUK II Gewestelijke entiteit
  3. [HOOFDSTUK II/1. Gemachtigd ambtenaar (ing. BVR 30 april 2009, art. 3, I: 25 juni 2009)]
  4. HOOFDSTUK III Lijst van milieu-inbreuken
  5. HOOFDSTUK IV Organisatie van het milieuhandhavingsbeleid
    1. [Afdeling I Protocollen (ing. BVR 19 november 2010, art. 4)]
    2. [Afdeling I/1 (verv. BVR 19 november 2010, art. 4)] Milieuhandhavingsprogramma
    3. [Afdeling II Handhavingsrapport (verv. BVR 9 februari 2018, art. 39, I: 1 maart 2018)]
    4. [Afdeling III De Raad (verv. BVR 10 juni 2016, art. 3, I: 14 november 2014)]
  6. HOOFDSTUK V Toezicht
    1. Afdeling I Toezichthouders
      1. Onderafdeling I Algemene bepalingen
      2. [Onderafdeling II Lokale toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 8, I: 5 september 2015)]
        1. [A. Bevoegdheid van lokale toezichthouders in een andere gemeente (ing. BVR 3 juli 2015, art. 9, I: 5 september 2015)]
        2. [A/1. Minimumaantal lokale toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 10, I: 5 september 2015)]
        3. B. Aanstelling van waarnemende lokale toezichthouders
        4. C. Aanwijzing van officieren van gerechtelijke politie
    2. Afdeling II Toezichtopdrachten
      1. Onderafdeling I Bepaling
      2. Onderafdeling II Legitimatiebewijs
      3. [Onderafdeling III. Uitoefening van toezichtsopdrachten (ing. BVR 7 juni 2013, art. 218, I: 20 september 2013)]
      4. [Onderafdeling IV Taakverdeling tussen lokale toezichthouders en gewestelijke toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 18, I: 5 september 2015)]
    3. Afdeling III Toezichtrechten
      1. Onderafdeling I Bepaling
      2. Onderafdeling II Monsternemingen, metingen, beproevingen, analyses
        1. A. Algemeen
        2. B. Technische controles
        3. C. Het nemen en analyseren van monsters
        4. D. Het uitvoeren van metingen of beproevingen
    4. Afdeling IV Vaststelling van milieu-inbreuken
    5. Afdeling V Vaststelling van milieumisdrijven
  7. HOOFDSTUK VI Bestuurlijke maatregelen
    1. Afdeling I Bevoegdheid van de provinciegouverneur en van de burgemeester
    2. Afdeling II [Procedure voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke dwangsommen (verv. BVR 7 september 2018, art. 39, I: 17 november 2018)]
    3. [Afdeling II/1 ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 43, I: 17 november 2018)]
    4. Afdeling III Beroepsprocedure tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen
    5. Afdeling IV Verzoek tot oplegging van bestuurlijke maatregelen
  8. HOOFDSTUK VII Bestuurlijke geldboeten
    1. [Afdeling I ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)]
      1. [Onderafdeling I ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)]
      2. [Onderafdeling II ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)]
      3. [Onderafdeling III ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)]
    2. [Afdeling II Dossier houdende de oplegging van een exclusieve of alternatieve bestuurlijke geldboete (verv. BVR 7 september 2018, art. 49, I: 17 november 2018)]
    3. Afdeling III Beroep bij het Milieuhandhavingscollege
  9. [HOOFDSTUK VII/1 Inning en invordering van verschuldigde bedragen (ing. BVR 19 november 2010, art. 23/1)]
  10. [HOOFDSTUK VII/2 Opsporing van misdrijven (ing. BVR 25 april 2014, art. 23, I: 30 juni 2014)]
  11. HOOFDSTUK VIII Veiligheidsmaatregelen
  12. HOOFDSTUK IX Slotbepalingen
  13. Bijlage I. [Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 55, I: 17 november 2018)]
  14. Bijlage II.
  15. Bijlage III.
  16. Bijlage IV. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  17. Bijlage V. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  18. Bijlage VI. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  19. Bijlage VII.
  20. Bijlage VIII. [Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f) en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (verv. BVR 22 maart 2019, art. 3, I: 17 juni 2019)]
  21. Bijlage IX. [Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 61, I: 17 november 2018)]
  22. Bijlage X. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  23. Bijlage XI. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  24. Bijlage XII.
  25. Bijlage XIII
  26. Bijlage XIV.
  27. [Bijlage XV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 65, I: 17 november 2018)]
  28. [Bijlage XVI. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 66, I: 17 november 2018)]
  29. Bijlage XVII.
  30. [Bijlage XVIII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 68, I: 17 november 2018)]
  31. [Bijlage XIX Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (ing. BVR 4 september 2009, art. 13, I: 1 november 2009)]
  32. [Bijlage XX Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (ing. BVR 4 september 2009, art. 12)]
  33. Bijlage XXI
  34. Bijlage XXII
  35. Bijlage XXIII
  36. Bijlage XXIV
  37. [Bijlage XXV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 72, I: 17 november 2018)]
  38. [Bijlage XXVI. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 73, I: 17 november 2018)]
  39. Bijlage XXVII
  40. Bijlage XXVIII
  41. [Bijlage XXIX. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 76, I: 17 november 2018)]
  42. [Bijlage XXX. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 77, I: 17 november 2018)]
  43. Bijlage XXXI
  44. Bijlage XXXII

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20;

Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, inzonderheid op artikel 6 en 10, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007;

Gelet op de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, inzonderheid op artikel 9;

Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de decreten van 20 april 1994,20 december 2002,30 april 2004,22 april 2005 en 21 december 2007;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 29;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, inzonderheid op artikel 16.1.1, 10°, 16.1.2, 1° en 4°, 16.2.4, 16.2.5, 16.2.10, 16.3.1, § 1, 1°, 16.3.6, 16.3.7, 16.3.8, 16.3.9, § 2, 16.3.10, 16.3.16, 16.3.24, 16.4.6, 2°, 16.4.6, 3°, 16.4.10, § 5, 16.4.17, 16.4.18, § 5, 16.4.20, 16.4.21, § 3, 16.4.21, § 4, 16.4.22, § 1, 16.4.24, 16.4.27, derde lid, 16.4.38, 16.4.50, 16.4.64, 16.7.5, § 6;

Gelet op het decreet van 20 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, inzonderheid op artikel 172, § 1;

Gelet op het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen », inzonderheid op artikel 32, 33 en 43;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, inzonderheid op artikel 3, 3°, en 6, 1° en 2°;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op artikel 58, 59, 60, 61, 62 en 63, 64, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 5 december 2003, 6 februari 2004 en 14 juli 2004, en op artikel 65, 66, 67, 68 en 69, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en 12 januari 1999;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, inzonderheid op artikel 9.1, 9.2 en 9.3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005,9 februari 2007, 14 november 2007, 7 maart 2008 en 10 juli 2008;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven, inzonderheid op artikel 18;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, inzonderheid op artikel 38, § 1 en § 4;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, inzonderheid op artikel 224;

Gelet op het akkoord van de Minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 juli 2008;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I Definities en toepassingsgebied (... - ...)

Artikel 1. (08/07/2021- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° Boswetboek : het Boswetboek van 19 december 1854;
2° Jachtwet : de Jachtwet van 28 februari 1882;
3° Riviervisserijwet : de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij;
4° wet Luchtverontreiniging : de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
4° /1 wet onbevaarbare waterlopen: de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
5° ...;
6° Natuurbehoudswet : de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
7° wet Geluidshinder : de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;
8°Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
9° CITES-wet : de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de bijlagen, opgemaakt in Washington op 3 maart 1973;
10° Grondwaterdecreet : het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
10° /1 Milieuvergunningendecreet: het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
11° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
11°/1 wet betreffende de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen : de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen;
12° Bosdecreet : het Bosdecreet van 13 juni 1990;
13° Jachtdecreet : het Jachtdecreet van 24 juli 1991;
14° decreet: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
15° Natuurdecreet : het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
16° Oppervlaktedelfstoffendecreet : het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen;
16° /1 gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid: het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
17° Bodemdecreet van 27 oktober 2006 : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
18° Mestdecreet : het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
18°/1 decreet Diepe Ondergrond : het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond;
18°/2 Pesticidendecreet: het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest; 19° VLAREMA : het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
20° VLAREBO-besluit van 14 december 2007 : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
20° /1 Omgevingsvergunningenbesluit : het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
21° het Departement : het Departement Omgeving;
22° ...;
23° de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving : de subentiteit van het departement, bevoegd voor bestuurlijke handhaving;
24° de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : de subentiteit van het Departement, bevoegd voor uitvoering milieuhandhaving;
25° de afdeling, bevoegd voor ondergrond en diepe ondergrond: de subentiteit van het departement, bevoegd voor ondergrond en diepe ondergrond;
25° /1 de afdeling, bevoegd voor de omgevingsplanning: de subentiteit van het Departement, bevoegd voor de omgevingsplanning;
26° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de subentiteit van het departement, bevoegd voor de erkenningen;
27 ° de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging : de subentiteit van het departement, bevoegd voor luchtverontreiniging;
28° ...;
29° OVAM: de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
30° ...;
31° ...;
32° ...;
33° ...;
34° ...;
35° de entiteit, bevoegd voor het beheer van waterlopen: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor het beheer van waterlopen;
35° /1 de entiteit, bevoegd voor de monitoring van water: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor de monitoring van water;
35°/2 ...;
35° /3 de entiteit, bevoegd voor de erkenning van boorbedrijven: de entiteit binnen de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor de erkenning van boorbedrijven;
35° /4 de entiteit, bevoegd voor de gebiedsgerichte werking: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor de gebiedsgerichte werking;
36° ...;
36°/1 ...;
36°/2 ...;
36°/3 ...;
36°/4 ...;
36°/5 ...;
36°/6 ...;
36°/7 ...;
36°/8 ...;
37° ...;
38°...;
39° ...;
39°/1 ...;
40° de Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988;
41° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, de landinrichting en het natuurbehoud, en de natuurlijke rijkdommen;
42° de Raad: de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, vermeld in artikel 16.2.2 van het decreet en in artikel 6.1.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
43° milieubeheerrecht : het geheel van rechtsregels die gericht zijn op het beheer van het leefmilieu en de natuur, enerzijds, en het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, anderzijds, meer bepaald de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 7°, 14°, 15° en 16°, van het decreet;
44° referentiemeetmethode : geschreven en publiek toegankelijke werkwijze die voor een bepaalde meting moet worden toegepast. De volgende bepalingen en normen worden in elk geval beschouwd als referentiemeetmethode en worden in geval van onderlinge tegenstrijdigheden toegepast in de hierna vermelde volgorde :
a) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten;
b) de Belgische normen uitgegeven door het NBN;
c) de normen, uitgevaardigd door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
d) de normen, uitgevaardigd door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO);
e) de normen, uitgevaardigd door de International Organization for Standardization (ISO).
44° /1 indelingslijst : de lijst die opgenomen is als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
45° GPBV-installatie : een vaste technische eenheid als vermeld in artikel 2, eerste lid, 18°, van het Omgevingsvergunningenbesluit of in rubriek 59 van de indelingslijst;
46° controle : alle door of namens de gewestelijke toezichthouders als vermeld in artikel 12, 1° en 7°, ondernomen acties, met inbegrip van bezoeken ter plaatse, controle van emissies en toetsing van interne rapporten en opvolgingsdocumenten, toetsing van het eigen controlesysteem, toetsing van de gebruikte technieken en de adequaatheid van het milieubeheer van de installatie. De acties worden ondernomen om na te gaan of en te bevorderen dat installaties aan hun milieuvoorwaarden voldoen en om, indien nodig, hun milieueffect te monitoren;
47° lokale toezichthouder: een gemeentelijke toezichthouder, een intergemeentelijke toezichthouder of een toezichthouder van een politiezone;
48° lokale toezichthouder geluid: een lokale toezichthouder met een beperkte toezichtsopdracht, namelijk enkel voor milieuvoorschriften inzake geluid.

Artikel 2. (26/05/2023- ...)

Tot de in artikel 16.1.1, vierde lid van het decreet bedoelde milieuregelgeving van de Europese Unie behoren de volgende verordeningen van de Europese Unie, alsook de door of krachtens die verordeningen uitgevaardigde verordeningen :
1° Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
2° Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de gemeenschap en op het binnenbrengen in de gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen;
3° Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen;
4° Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
5° Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van Richtlijn 97/117/EEG;
5°/1 Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen
6° Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad;
7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
8° Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
9 ° Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie, alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en Richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
10° Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is;
11° Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
12° Verordening (EG) nr. 359/2009 van de Commissie van 30 april 2009 tot schorsing van het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten.
13° verordening (EG) nr. 1102/2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik;
13° /1 verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008;
14° verordening (EG) nr. 708/2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.
15° Verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad;
16° verordening (EU) nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
17° verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
18° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
19° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
20° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
21° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
22° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
23° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
24° verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
25° verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie;
26° Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1666 van de Commissie van 24 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden voor de monitoring van het vervoer en de aankomst van zendingen van bepaalde goederen van de grenscontrolepost van aankomst tot de inrichting op de plaats van bestemming in de Unie.

Artikel 2/1. (17/11/2018- ...)

Tot de in artikel 16.1.1, vierde lid van het decreet bedoelde internationale milieuregelgeving behoort de volgende regelgeving:
het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg, op 9 september 1996.

HOOFDSTUK II Gewestelijke entiteit (... - ...)

Artikel 3. (17/11/2018- ...)

De afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of de subentiteit ervan die wordt aangewezen door het hoofd van het Departement of bij delegatie door zijn gemachtigde, wordt aangewezen als gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van de alternatieve bestuurlijke geldboete of de exclusieve bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 16.1.2, 4°, van het decreet.

[HOOFDSTUK II/1. Gemachtigd ambtenaar (ing. BVR 30 april 2009, art. 3, I: 25 juni 2009)] (... - ...)

Artikel 3/1. (25/06/2009- ...)

De minister wijst de gemachtigde ambtenaren aan, vermeld in artikel 16.1.2,5°, van het decreet.

HOOFDSTUK III Lijst van milieu-inbreuken (... - ...)

Artikel 4. (01/05/2009- ...)

De lijst van milieu-inbreuken, vermeld in artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet, zijn de lijsten die als bijlagen bij dit besluit zijn gevoegd.

De minister evalueert vijfjaarlijks de lijst, vermeld in het eerste lid en rapporteert hierover aan de Vlaamse Regering.

HOOFDSTUK IV Organisatie van het milieuhandhavingsbeleid (... - ...)

[Afdeling I Protocollen (ing. BVR 19 november 2010, art. 4)] (... - ...)

Artikel 4/1. (24/12/2010- ...)

De minister bekrachtigt de protocollen die gesloten worden tussen de afdelingen van het Departement en de agentschappen, vermeld in artikel 1, 21° tot en met 40°.

De protocollen die gesloten worden tussen gewestelijke en andere overheden of instanties,worden ondertekend door de minister. Die protocollen worden als mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd.

[Afdeling I/1 (verv. BVR 19 november 2010, art. 4)] Milieuhandhavingsprogramma (... - ...)

Artikel 5. (30/06/2014- ...)

§ 1. Op basis van strategische en operationele doelstellingen, onder meer opgenomen in de beleidsnota, maakt de Raad een vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma op.

Dit programma bevat ten minste:
1° handhavingsprioriteiten van de handhavingsinstanties, gebundeld onder de coördinatie van de Raad;
2° overkoepelende aanbevelingen van de Raad met betrekking tot de strategische en de operationele doelstellingen betreffende het gewestelijke, provinciale en gemeentelijke milieuhandhavingsbeleid;
3° strategische en operationele doelstellingen met betrekking tot de taken en de werkzaamheden van de Raad.

§ 2. De vaste secretaris van de Raad plaatst het goedgekeurde vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma op de website van de Raad.

§ 3. De Raad kan het vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma jaarlijks evalueren en, indien vereist, tussentijds actualiseren op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering of het Vlaams Parlement.

[Afdeling II Handhavingsrapport (verv. BVR 9 februari 2018, art. 39, I: 1 maart 2018)] (... - ...)

Artikel 6. (01/03/2018- ...)

De vaste secretaris van de Raad bezorgt het handhavingsrapport elektronisch aan de overheden, vermeld in artikel 16.2.5, vijfde lid, van het decreet.

Het Departement plaatst het handhavingsrapport op zijn website, vermeldt daar de manier waarop een papieren exemplaar kan verkregen worden en maakt het via de pers bekend.
 

Artikel 6/1. (01/03/2018- ...)

De voorzitter en de ondervoorzitters zijn gemachtigd om de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht en waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, te verzoeken de gegevens dewelke zij bezitten, vrijwillig ter beschikking te stellen van de Raad voor de opstelling van het handhavingsrapport, op voorwaarde van kennisgeving van dit verzoek aan de Vlaamse Regering.

[Afdeling III De Raad (verv. BVR 10 juni 2016, art. 3, I: 14 november 2014)] (... - ...)

Artikel 6/2. (17/11/2018- ...)

De wijzigingen aan het huishoudelijk reglement, vermeld in artikel 16.2.9 van het decreet, worden goedgekeurd door de minister vermeld in artikel 1, 41°, en door de minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening.

Artikel 7. (01/04/2017- ...)

§ 1. De voorzitter en de vaste secretaris van de Raad beheren de werkingsmiddelen die de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 16.2.10 van het decreet aan de Raad ter beschikking stelt.

§ 2. De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de Raad ontvangen voor hun werkzaamheden een forfaitaire jaarlijkse vergoeding. Die vergoeding bedraagt:
1° voor de voorzitter van de Raad: 12.500 euro;
2° voor de ondervoorzitters: 10.000 euro;
3° voor de leden, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 4° tot en met 10°, van het decreet: 7500 euro.

Aan de plaatsvervangers van de leden, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 4° tot en met 10°, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro per jaar.

De leden en hun plaatsvervangers, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, vijfde en zesde lid, van het decreet wordt een presentievergoeding van 100 euro per vergadering toegekend tot maximaal 1000 euro.

§ 3. Het Departement betaalt uit zijn algemene middelen:
1° de werkingsmiddelen van de Raad;
2° de forfaitaire vergoeding van de voorzitter, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 1°, van het decreet;
3° de forfaitaire vergoeding of de presentievergoeding van de ondervoorzitters, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet, en van de leden, de vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers, vermeld in artikel 16.2.7, § 2, eerste lid, 4°, 5°, 6° 7°, 8°, 9° en 10°, en vijfde lid, van het decreet;
4° de kosten voor de werking van het permanente secretariaat van de Raad en van de vaste secretaris.

Artikel 8. (14/11/2014- ...)

De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de Raad, alsook hun plaatsvervangers, kunnen alleen aanspraak maken op ofwel de forfaitaire jaarlijkse vergoeding, ofwel de presentievergoeding, als ze geen Vlaams ambtenaar zijn.
 

Artikel 9. (... - ...)

Aan de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de Raad, alsook aan hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend voor reiskosten die verbonden zijn aan de uitoefening van hun werkzaamheden, overeenkomstig de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid.
 

Artikel 9. (01/05/2009- ...)

Aan de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Raad, alsook aan hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend voor reiskosten die verbonden zijn aan de uitoefening van hun werkzaamheden, overeenkomstig de regeling die geldt voor de vergoeding van reiskosten van personeelsleden van de Vlaamse overheid.

Artikel 10. (01/05/2009- ...)

De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen, de presentievergoedingen en de reiskostenvergoedingen worden aangerekend op de begroting van de Raad.

Artikel 11. (25/06/2009- ...)

De forfaitaire jaarlijkse vergoedingen en de presentievergoedingen, vermeld in artikel 7, § 2, en 9, volgen de ontwikkeling van het prijsindexcijfer dat daartoe berekend en benoemd wordt, en dit overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

HOOFDSTUK V Toezicht (... - ...)

Afdeling I Toezichthouders (... - ...)

Onderafdeling I Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 12. (01/06/2023- ...)

Naast de leidend ambtenaar van het Departement worden de volgende personen aangesteld als gewestelijke toezichthouders:
1° de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, die de leidend ambtenaar van het Departement aanstelt;
2° ...;
3° de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, die de leidend ambtenaar van het Departement aanstelt;
3° /1 de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor de omgevingsplanning, die de leidend ambtenaar van het Departement aanstelt;
4° de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor ondergrond en diepe ondergrond, die de leidend ambtenaar van het Departement aanstelt;
5° de personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos, die de minister aanstelt;
5° /1 ...;
5° /2 ...;
6° de door de leidend ambtenaar van de OVAM aan te stellen personeelsleden van de OVAM;
7° de door de leidend ambtenaar van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap aan te stellen personeelsleden van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap;
8° ...;
9° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor beheer van de waterlopen, die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij aanstelt;
9° /1 de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de monitoring van water, die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij aanstelt;
9° /2 de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de erkenning van boorbedrijven en de erkenning van deskundigen overstromingsattest, die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij aanstelt;
9° /3 de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor gebiedsgerichte werking, die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij aanstelt;
10° de personeelsleden van de Mestbank, die de leidend ambtenaar van de Vlaamse Landmaatschappij aanstelt;
11° de door de leidend ambtenaar van het Departement Zorg aan te stellen personeelsleden van het Departement Zorg;
12° de door de leidend ambtenaar van het Agentschap Wegen en Verkeer aan te stellen personeelsleden van het Agentschap Wegen en Verkeer;
13° de door de leidend ambtenaar van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken aan te stellen personeelsleden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;
14° de door de leidend ambtenaar van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust aan te stellen personeelsleden van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust;
15 ° de door de leidend ambtenaar van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv aan te stellen personeelsleden van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv;
16° ...

Artikel 12/1. (17/11/2018- ...)

De eedaflegging van de contractuele personeelsleden die aangesteld worden als toezichthouder, wordt als volgt geregeld:
1° ze leggen de eed af vooraleer ze hun toezichtsopdracht aanvatten;
2° de gewestelijke toezichthouders die personeelslid zijn van een departement, leggen de eed af in handen van het hoofd van dat departement;
3° de gewestelijke toezichthouders die personeelslid zijn van een agentschap, leggen de eed af in handen van het hoofd van dat agentschap;
4° de niet-gewestelijke toezichthouders leggen de eed af in handen van de overheid die hen heeft aangesteld of, bij gebrek aan een regeling van de eedaflegging, voor de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waartoe hun standplaats behoort.

Artikel 13. (17/11/2018- ...)

§ 1. Provinciale en lokale toezichthouders moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving'.

Provinciale toezichthouders geluid en lokale toezichthouders geluid moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid'.

§ 2. Om met toepassing van artikel 15 een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving' of een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid' te kunnen verkrijgen, moeten de provinciale en lokale toezichthouders de volgende vier certificaten behalen door de opleidingen te volgen en te slagen voor de bekwaamheidsproeven:
1° het certificaat algemene beginselen milieuregelgeving;
2° het certificaat theorie en praktijk milieuhandhaving;
3° het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
4° het certificaat kijkstage.

In afwijking van het eerste lid hoeven de toezichthouders van de politiezones en de toezichthouders geluid van de politiezones het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing, vermeld in het eerste lid, 3°, niet te behalen.

§ 3. De opleidingen die gericht zijn op het behalen van de certificaten, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, hebben de volgende leerdoelen:
1° opleiding algemene beginselen milieuregelgeving:
a) onderscheid kunnen maken tussen de verschillende regelgevende niveaus en die kunnen situeren;
b) de essentie van de toepasselijke regelgeving begrijpen;
c) de instanties en hun bevoegdheden kennen;
d) nuttige bronnen kunnen raadplegen;
2° opleiding theorie en praktijk milieuhandhaving:
a) goede kennis hebben van titel XVI van het decreet, van dit besluit en de toepassing ervan:
1) de eigen bevoegdheden kennen;
2) weten welke rechten en verplichtingen er zijn en die correct en verantwoord kunnen toepassen;
3) weten welke handhavingsinstrumenten er ter beschikking zijn en kunnen afwegen welke wanneer ingezet moeten worden;
4) handhavingsdocumenten correct en volledig kunnen opstellen;
b) goede kennis hebben van de regelgeving waarvoor de toezichthouder bevoegd is:
1) de regelgeving begrijpen en kunnen interpreteren;
2) vergunningen begrijpen en kunnen interpreteren;
3) monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses kunnen uitvoeren;
4) meetresultaten correct kunnen interpreteren en aftoetsen aan de juiste normen;
3° opleiding communicatievaardigheden en conflictbeheersing:
a) beschikken over de vereiste schriftelijke en mondelinge communicatievaardigheden;
b) praktijksituaties correct kunnen inschatten en beheersen;
c) conflicten kunnen hanteren;
4° opleiding kijkstage: inzicht hebben in de vereiste kennis, competenties en attitudes van een toezichthouder.

§ 4. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de gemeentelijke toezichthouders en de intergemeentelijke toezichthouders:
1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 12 uur;
4° kijkstage: 12 uur.

§ 5. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders van de politiezones:
1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
3° kijkstage: 12 uur.

§ 6. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders milieuhandhaving:
1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 42 uur;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
4° kijkstage: 6 uur.

§ 7. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders geluid, de gemeentelijke toezichthouders geluid en de intergemeentelijke toezichthouders geluid:
1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
4° kijkstage: 6 uur.

§ 8. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders geluid van de politiezones:
1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
3° kijkstage: 6 uur.

§ 9. Om een certificaat te behalen, moeten de cursisten na het volgen van de toepasselijke opleiding slagen voor de bekwaamheidsproef door ten minste 50% van de punten te behalen.

Artikel 14. (17/11/2018- ...)

§ 1. De opleidingen, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid, mogen alleen gegeven worden door de instellingen die daartoe erkend zijn door de minister, na gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

§ 2. Met het oog op hun erkenning richten deze instellingen per brief een aanvraag tot de minister waarin ze aantonen dat ze :
1° over gekwalificeerde medewerkers beschikken die, hetzij houder zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of master in de wetenschappen en ten minste één jaar praktijkervaring hebben met de leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die leerdoelen;
2° over de nodige lokalen en materiële uitrusting beschikken;
3° over leerplannen beschikken die invulling geven aan de leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3;
4° over een evaluatiemethode beschikken waarbij wordt nagegaan in hoeverre de in de leerplannen geformuleerde doelstellingen met betrekking tot kennis en vaardigheden behaald zijn.

§ 2/1. De instellingen, vermeld in paragraaf 1, moeten zich richten naar de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

§ 3. Wijzigingen van de leerplannen en de evaluatiemethode, vermeld in paragraaf 2, punten 3° en 4°, worden voorafgaand ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. 

De instellingen moeten zich onderwerpen aan de controle die wordt uitgevoerd door de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Die personeelsleden worden uitgenodigd om de bekwaamheidsproef bij te wonen.

§ 4. Als de personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, vaststellen dat een erkende instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in § 2, dan doen zij hiervan kennisgeving aan deze instelling. Als de instelling binnen dertig dagen na die kennisgeving niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in § 2, kan de minister, op gemotiveerd advies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de erkenning opheffen.

§ 5. De besluiten van de minister houdende erkenning of houdende opheffing van de erkenning van de instellingen worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

§ 6. De erkenning, vermeld in paragraaf 1, vervalt van rechtswege op de dag dat de instelling aan de minister de stopzetting van het gebruik van de erkenning meedeelt.
 

Artikel 15. (17/11/2018- ...)

De instelling, vermeld in artikel 14, § 1, levert de certificaten af aan de cursisten die de toepasselijke opleidingen, vermeld in artikel 13, § 2 tot en met § 8, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, vermeld in artikel 13, § 9. De certificaten worden, samen met het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, en een digitale pasfoto in kleur van de houder met een minimumgrootte van 20 mm op 30 mm en 236 x 354 pixels met de post of digitaal bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert op basis van die documenten een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs af. Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van dat bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van de gerechtelijke arrondissementen waar de houder van het bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitvoert.
 

Artikel 15/1. (26/05/2023- ...)

In de gevallen, vermeld in artikel 16.3.4bis, eerste lid, van het decreet, wordt de melding gedaan met een brief of een e-mail aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van de wijzigingen, ofwel via de jaarlijkse informatieverstrekking zoals bedoeld in artikel 16.2.3, §2 van het decreet.

[Onderafdeling II Lokale toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 8, I: 5 september 2015)] (... - ...)

[A. Bevoegdheid van lokale toezichthouders in een andere gemeente (ing. BVR 3 juli 2015, art. 9, I: 5 september 2015)] (... - ...)

Artikel 15/2. (17/11/2018- ...)

Een gemeente die met toepassing van artikel 16.3.5 van het decreet toestemming heeft gegeven aan een gemeentelijke toezichthouder van een aangrenzende gemeente of van een andere gemeente van het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, om toezicht uit te oefenen in de eigen gemeente, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, daarvan op de hoogte.

[A/1. Minimumaantal lokale toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 10, I: 5 september 2015)] (... - ...)

Artikel 16. (17/11/2018- ...)

§ 1. Elke gemeente moet een beroep kunnen doen op minstens één lokale toezichthouder.

Een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig de indelingslijst of meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is moet minstens een beroep kunnen doen op twee lokale toezichthouders.

§ 2. Elk intergemeentelijk samenwerkingsverband die toezichthouders aanwijst, wijst minstens twee toezichthouders aan per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken, vermeld in artikel 34, een beroep doen op de toezichthouders van het intergemeentelijk samenwerkingsverband.

§ 3. Elke politiezone die uit meer dan één gemeente bestaat en die toezichthouders aanwijst, wijst minstens twee toezichthouders aan per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken, vermeld in artikel 34, beroep doen op deze toezichthouders van een politiezone.
 

B. Aanstelling van waarnemende lokale toezichthouders (... - ...)

Artikel 17. (01/05/2009- ...)

Als waarnemende toezichthouders kunnen, bij verhindering van krachtens artikel 16.3.1, § 1, 3°, 4° en 5° van het decreet aangewezen toezichthouders, alleen personen worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtopdracht naar behoren te vervullen.

Waarnemende toezichthouders moeten houder zijn hetzij van een getuigschrift van hoger onderwijs, hetzij van hoger secundair onderwijs of van hogere secundaire leergangen aangevuld met een nuttige ervaring van meer dan drie jaar.

Artikel 18. (17/11/2018- ...)

§ 1. Het college van burgemeester en schepenen stelt de waarnemende gemeentelijke toezichthouders aan onder de personeelsleden van de gemeente.

Het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid stelt de waarnemende toezichthouders van het intergemeentelijk samenwerkingsverband aan onder de personeelsleden van het intergemeentelijk samenwerkingsverband.

Het bevoegde orgaan van de politiezone stelt de waarnemende toezichthouders van de politiezone aan onder de personeelsleden van de politiezone.

Het aanstellingsbesluit bepaalt de duur van deze aanstelling zonder dat deze de termijn van een jaar mag overschrijden.

§ 2. Contractuele personeelsleden kunnen alleen toezichthouder zijn mits zij hiertoe speciaal zijn beëdigd overeenkomstig artikel 12/1.

Artikel 19. (17/11/2018- ...)

Het college van burgemeester en schepenen of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband of van de politiezone legt een kopie van het behaalde getuigschrift of diploma en het bewijs van de nuttige ervaring, samen met het aanstellingsbesluit, voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

De afdeling kan op basis van die documenten een tijdelijk bekwaamheidsbewijs afleveren.

Ze bezorgt binnen vijftien dagen na de afgifte ervan een kopie van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs aan de procureur des Konings van het gerechtelijke arrondissement waar de houder van het tijdelijke bekwaamheidsbewijs de aan hem toegewezen toezichtopdrachten uitoefent.
 

C. Aanwijzing van officieren van gerechtelijke politie (... - ...)

Artikel 20. (30/06/2014- ...)

...

Artikel 20/1. (30/06/2014- ...)

...

Afdeling II Toezichtopdrachten (... - ...)

Onderafdeling I Bepaling (... - ...)

Artikel 20/2. (17/11/2018- ...)

De leidend ambtenaar van het Departement oefent toezicht uit op de naleving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 21 tot en met 32 van dit besluit. De leidend ambtenaar van het Departement zal deze bevoegdheid aanwenden in geval van uitzonderlijke omstandigheden.

Artikel 21. (13/10/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° titel III, titel IV, titel V en titel XV van het decreet;
2° de wet Luchtverontreiniging;
3°. Titel III, hoofdstuk 2 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid;
4° de wet Geluidshinder;
4°/1 de wet betreffende de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen;
5° het Materialendecreet;
6° het Grondwaterdecreet;
7° het Milieuvergunningendecreet en het decreet betreffende de omgevingsvergunning
8° ...;
9° Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen;
10° Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
11° verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG;
11°/1 Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen;
12° verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad;
13° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
14° verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
15° verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
16° verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is;
17° het Mestdecreet;
18° het Oppervlaktedelfstoffendecreet;
19° het decreet Diepe Ondergrond;
20° Verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.
21° het Pesticidendecreet, als het van toepassing is op hinderlijke inrichtingen vermeld in artikel 5.2.1 van het decreet;
22° verordening EG nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik;
22° /1 verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008;
23° verordening (EU) nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
24° verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt;
25° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
26° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
27° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
28° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
29° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
30° Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1666 van de Commissie van 24 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden voor de monitoring van het vervoer en de aankomst van zendingen van bepaalde goederen van de grenscontrolepost van aankomst tot de inrichting op de plaats van bestemming in de Unie.  Voor de toepassing van artikel 3.1 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1666, voor zover het de gevallen betreft vermeld in artikel 4, §1 van de Overeenkomst van 16 januari 2014 tussen de Federale Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, is de afdeling vermeld in artikel 12, 1° van dit besluit de bevoegde autoriteit aan wie de in kennisstelling van de aankomst van de zending bij de inrichting dient te gebeuren;
31° artikel 21, 3°, van de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen en hun aanhorigheden én voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.

Artikel 22. (17/11/2018- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 3°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving:
1° titel V, hoofdstuk 6, van het decreet voor wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als milieucoördinator en als opleidingscentrum voor milieucoördinatoren, en het gebruik van die erkenningen;
2° hoofdstuk II - Milieucoördinatoren als vermeld titel III van het decreet.
 

Artikel 23. (26/05/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 3°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving en dat enkel op het vlak van de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning, met uitzondering van de verplichtingen, vermeld in artikel 22, artikel 26, 3°, a) en b), artikel 28/2 en artikel 29, 5°:
1° titel III, met uitzondering van hoofdstukken II en III, titel IV en titel V van het decreet;
2° ...
3° de wet Geluidshinder;
4° het Grondwaterdecreet;
5° ...
6° ...
7°...
 

Artikel 23/1. (17/11/2018- ...)

 De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 3° /1, van dit besluit, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving:
1° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat het gevaar voor stabiliteitsproblemen betreft bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van de subrubrieken 2.3.11, 18.1 en 18.7 van de indelingslijst en bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van rubriek 60 van de indelingslijst als het een opvulling van een eerdere ontginning betreft, met uitzondering van de inrichtingen, vermeld in artikel 24, 1°, van dit besluit;
2° het Oppervlaktedelfstoffendecreet, met uitzondering wat betreft de verplichtingen, vermeld in artikel 24, 2°, van dit besluit.

Artikel 24. (17/11/2018- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 4°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat het gevaar voor stabiliteitsproblemen betreft bij grindontginningen, die vergund zijn in het kader van de subrubriek 18.1 van de indelingslijst en bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van rubriek 60 van de indelingslijst als het een opvulling van een eerdere grindontginning betreft;
2° het Oppervlaktedelfstoffendecreet wat betreft de verplichtingen voor de voortgangsrapporten, vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet;
3° het decreet Diepe Ondergrond.

Artikel 25. (13/10/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12,5°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° titel XV van het decreet;
2° het Boswetboek;
3° de Riviervisserijwet;
4° de Jachtwet;
5° de Natuurbehoudswet;
6° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA voor:
a) de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
b) de buffergebieden, de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, de militaire domeinen en de bestemmingsgebieden die met een van die gebieden vergelijkbaar zijn, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die in de ruimtelijke ordening van kracht zijn;
c) de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, de agrarische gebieden en de bestemmingsgebieden die met een van die gebieden vergelijkbaar zijn, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die in de ruimtelijke ordening van kracht zijn;
d) de speciale beschermingszones die op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet afgebakend zijn;
7° de CITES-wet;
8° het Bosdecreet;
9° het Jachtdecreet;
10° het Natuurdecreet;
11° ...;
12° Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
12°/1 Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
12°/2 Verordening (EG) nr. 359/2009 van de Commissie van 30 april 2009 tot schorsing van het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten;
13° Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de gemeenschap en op het binnenbrengen in de gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen.
14° het Pesticidendecreet in speciale beschermingszones vermeld in artikel 36bis van het Natuurdecreet, de bermen langs wegen en spoorwegen en alle terreinen, inclusief de bermen op minder dan zes meter van het talud van het oppervlaktewater;
15° artikel 21 van het Mestdecreet, voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en voor wat betreft de speciale beschermingszones afgebakend op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
16° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
17° verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie;
18° artikel 1.3.2.2, § 1, 1°, 2° en 3°, van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en voor wat betreft de speciale beschermingszones afgebakend op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
19° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de preventie, surveillance en bestrijding van ziekten bij in het wild levende dieren;
20° de beperkingen of verboden opgelegd door de gouverneur krachtens artikel 29, §1 en artikel 31, §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, en dit voor wat betreft de onbevaarbare waterlopen of publieke grachten gelegen binnen een terrein waarvoor een natuurbeheerplan werd opgemaakt zoals vermeld in artikel 16bis van het Natuurdecreet, binnen de ruimtelijk kwetsbare gebieden vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of binnen de speciale beschermingszones afgebakend op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
21° artikel 21, 3°, van de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen en hun aanhorigheden én voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.

Artikel 26. (27/08/2021- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving:
1° het Materialendecreet wat de volgende aspecten betreft:
a) de inzameling en het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door de particulier, zoals dat door de gemeentelijke overheden georganiseerd wordt;
b) het verloop van de afvalstromen die onder de toepassing vallen van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, met uitsluiting van het toezicht op de bepalingen ter uitvoering van titel V van het decreet en de bepalingen over het vervoer van of het inzamelen of handelen of makelen in afvalstoffen;
c) de bepalingen over afvalpreventie- en recyclagedoelstellingen waaronder de bepalingen over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het opstellen van milieubeleidsovereenkomsten, en afvalpreventie- en afvalbeheerplannen voor bepaalde afvalstromen;
d) de afgifte van scheepsafvalstoffen;
e) de rapportering over geproduceerde, ingezamelde en verwerkte afvalstoffen in het kader van beleidsevaluatie;
f) het afvalstoffen- en materialenregister;
g) de naleving van sectorale uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 18 van het Materialendecreet;
h) de toepassing van artikel 12 van het Materialendecreet in het kader van het ambtshalve inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen;
i) de toepassing van artikel 12, § 1 van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval, inzake het verbod op sluikstort en zwerfvuil zoals vermeld in artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA.
2° het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
3° titel V, hoofdstuk VI, van het decreet, wat betreft:
a) de verplichtingen inzake de erkenning als laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, en het gebruik van die erkenning;
b) de verplichtingen inzake de erkenning als opleidingscentrum voor de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, de erkenning als bodemsaneringsdeskundige en inzake de erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, en het gebruik van die erkenningen;
4° het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

Artikel 27. (02/02/2021- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 7°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving en dat enkel op het vlak van de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning:
1° titel V van het decreet, enkel voor wat betreft de erkenning als airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) van het VLAREL en de erkenning als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f) van het VLAREL;
2° de wet Luchtverontreiniging;
3° verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen;
4° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 28. (26/05/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen;
2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen;
3° ...;
4° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen;
5° de wet onbevaarbare waterlopen, voor wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.

Artikel 28/1. (01/01/2019- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9°/1 en artikel 12, 9° /3, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° titel III, hoofdstuk 2 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid;
2° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat de oppervlaktewaterverontreiniging betreft;
3° ...;
4° artikel 1.7.3.3. en 1.7.5.4. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid.

Artikel 28/2. (01/01/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9° /2, van dit besluit, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens titel V, hoofdstuk VI, van het decreet, wat betreft de verplichtingen inzake de erkenning als boorbedrijf, en het gebruik van die erkenning, evenals de erkenning als deskundige overstromingsattest, en het gebruik van die erkenning.

Artikel 29. (26/05/2023- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 10°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° het Mestdecreet;
2° het Materialendecreet, wat de aanwending van grondstoffen, als meststof, als bodemverbeterend middel of als bodem betreft;
2/1° het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA;
3° Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
4° Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, voor de in-, door- en uitvoer van dierlijke mest;
5° titel V, hoofdstuk VI, van het decreet, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, en het gebruik van die erkenning;
6° artikel 5.9.2.1, 5.9.2.1bis, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2, 5.28.2.3, 5.28.3.1.1. tot en met 5.28.3.5.3', 5.28.3.4, 5.28.3.5, 5.28.4.1, 5.28.4.2 en 5.28.4.3 van titel II van het VLAREM;
7° artikel 1.3.2.2, § 1, 1°, 2° en 3°, en 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid;
8° de beperkingen of verboden opgelegd door de gouverneur krachtens artikel 29, §1 en artikel 31, §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
9° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.
 

Artikel 30. (17/11/2018- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 11°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° het Materialendecreet, wat betreft onderafdeling 5.2.3. « Medisch afval » van afdeling 5.2 van het VLAREMA;
2° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat betreft de gezondheidsaspecten bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het Vlarem of volgens artikel 37 van het Omgevingsvergunningenbesluit
3° ...
 

Artikel 31. (27/08/2021- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 12°, van dit besluit oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving:
1° artikel 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de grachten en kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater langs de openbare wegen, en hun aanhorigheden;
2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA, wat betreft de openbare wegen en hun aanhorigheden..

Artikel 32. (27/08/2021- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 13°, 14° en 15° oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving:
1° artikel 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden;
2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA, wat betreft de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden;
3° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden.

Artikel 33. (26/05/2023- ...)

§ 1. De provinciale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen;
2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet wat betreft het achterlaten van afval en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen;
3° ...;
4° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet onbevaarbare waterlopen.
5° artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;
6° de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.

§ 2. De provinciale toezichthouders geluid, vermeld in artikel 13, § 1, tweede lid, oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° de wet Geluidshinder;
2° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat de geluidsaspecten betreft voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3.

Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, kunnen ze, binnen het kader van de milieuvoorschriften, vermeld in het eerste lid, wat de geluidsaspecten betreft, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het decreet.

Artikel 34. (26/05/2023- ...)

§ 1. De lokale toezichthouders oefenen, voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3, voor de niet-ingedeelde inrichtingen en voor de vrijevelddelicten, het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° titel III van het decreet;
2° de wet Luchtverontreiniging;
3° titel III, hoofdstuk 2, van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat de lozing van afvalwater en de opsporing van elke vorm van waterverontreiniging betreft;
4° de wet Geluidshinder;
5° artikel 11, 12, 13, 23, 25, § 1, artikel 39 en 40 van het Materialendecreet en artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het VLAREMA;
6° het Grondwaterdecreet;
7° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet;
7°/1 het Mestdecreet;
8° ...;
8° /1: Hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het VLAREM;
9° Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen;
10° Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
11° verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG;
11°/1 Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen;
12° verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
13° het Pesticidendecreet;
14° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.
15° artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO.

Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 kunnen zij, binnen het kader van de milieuvoorschriften, vermeld in het eerste lid, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het decreet.

De lokale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de wet onbevaarbare waterlopen voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 3 en hun aanhorigheden, en de publieke grachten, vermeld in artikel 23ter van de voormelde wet.

§ 2. De in artikel 13, § 1, tweede lid, vermelde lokale toezichthouders geluid oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving :
1° de wet Geluidshinder;
2° het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat de geluidsaspecten betreft voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3.

Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, kunnen ze, binnen het kader van de milieuvoorschriften, vermeld in het eerste lid, wat de geluidsaspecten betreft, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het decreet.

Onderafdeling II Legitimatiebewijs (... - ...)

Artikel 35. (05/09/2015- ...)

De gewestelijke toezichthouders verkrijgen hun legitimatiebewijs overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden.

De overige toezichthouders verkrijgen vanwege de afdeling, bevoegd voor erkenningen hun legitimatiebewijs samen met het bekwaamheidsbewijs, vermeld in artikel 13, § 1 en artikel 19, tweede lid. Dat legitimatiebewijs wordt opgemaakt naar het model van het legitimatiebewijs van de gewestelijke toezichthouders.

[Onderafdeling III. Uitoefening van toezichtsopdrachten (ing. BVR 7 juni 2013, art. 218, I: 20 september 2013)] (... - ...)

Artikel 35/1. (20/09/2013- ...)

Deze afdeling is van toepassing op de GPBV-installaties.

Artikel 35/2. (20/09/2013- ...)

De gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12.1° en 7°, zetten in overeenstemming met de hen bij dit besluit toegewezen toezichtsopdrachten gezamenlijk een systeem op van controles van de GPBV-installaties om het volledige spectrum van relevante milieueffecten van de installaties in kwestie te onderzoeken.

Artikel 35/3. (20/09/2013- ...)

§ 1. De gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, zorgen ervoor dat er voor alle GPBV-installaties een controleplan is. Het controleplan wordt regelmatig getoetst, en waar nodig, bijgewerkt.

§ 2. Het controleplan, vermeld in paragraaf 1, omvat de volgende elementen :
1° een algemene beoordeling van de relevante en significante milieuaspecten;
2° het geografische gebied waarop het plan betrekking heeft;
3° een register van de GPBV-installaties waarop het plan betrekking heeft;
4° procedures voor het opstellen van programma's voor routinematige controles overeenkomstig artikel 35/4;
5° procedures voor niet-routinematige controles overeenkomstig artikel 35/6;
6° als dat nodig is, bepalingen over de samenwerking tussen verschillende instanties.

Artikel 35/4. (23/02/2017- ...)

Op basis van het controleplan, vermeld in artikel 35/3, stellen de gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, geregeld programma's voor routinematige controles op, waarbij de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor de verschillende types GPBV-installaties wordt vermeld.

De periode tussen twee bezoeken ter plaatse wordt gebaseerd op een systematische evaluatie van de milieurisico's van de GPBV-installaties in kwestie en bedraagt ten hoogste een jaar voor GPBV-installaties met de grootste risico's en drie jaar voor GPBV-installaties met de kleinste risico's.

Als bij een controle een schending van de milieuvoorwaarden wordt vastgesteld, wordt binnen zes maanden een bijkomend bezoek ter plaatse verricht.

Binnen vier jaar na de bekendmaking van de BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de installatie, die door de Europese Commissie worden aangenomen, wordt gecontroleerd of de installatie aan de, aan die BBT-conclusies getoetste, milieuvoorwaarden voldoet.

Artikel 35/5. (23/02/2017- ...)

De systematische evaluatie van de milieurisico's, vermeld in artikel 35/4, wordt gebaseerd op ten minste de volgende criteria :
1° de potentiële en de reële gevolgen van de GPBV-installaties in kwestie voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, rekening houdend met de emissieniveaus en de soorten emissies, de gevoeligheid van het plaatselijke milieu en het risico op ongevallen;
2° de naleving van de milieuvoorwaarden;
3° de deelname van de exploitant aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

Artikel 35/6. (23/02/2017- ...)

Niet-routinematige controles worden uitgevoerd om ernstige milieuklachten, ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo snel mogelijk te onderzoeken en dit, in voorkomend geval, voor de afgifte of toetsing van een milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, of wijziging of aanvulling van vergunningsvoorwaarden, overeenkomstig artikel 41bis van titel I van het VLAREM respectievelijk artikel 82 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning.

Artikel 35/7. (01/10/2019- ...)

Na elk bezoek ter plaatse stellen de betrokken gewestelijke toezichthouders een controlerapport op.

In het controlerapport worden de volgende zaken opgenomen :
1° de relevante bevindingen ten aanzien van de naleving van de milieuvoorwaarden door de GPBV-installatie;
2° de conclusies over de eventuele noodzaak van verdere maatregelen.

Het controlerapport wordt binnen twee maanden ter kennis gebracht van de betrokken exploitant.

Het rapport wordt door de gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, openbaar gemaakt binnen een termijn van vier maanden nadat het bezoek ter plaatse heeft plaatsgevonden, overeenkomstig titel II, hoofdstuk 3, van het bestuursdecreet van 7 december 2018.

Met behoud van toepassing van artikel 61 zien de betrokken gewestelijke toezichthouders erop toe dat de exploitant binnen een redelijke termijn alle noodzakelijke maatregelen neemt die in het controlerapport vermeld zijn.

[Onderafdeling IV Taakverdeling tussen lokale toezichthouders en gewestelijke toezichthouders (verv. BVR 3 juli 2015, art. 18, I: 5 september 2015)] (... - ...)

Artikel 35/8. (... - ...)

§ 1. De gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° van dit besluit, stellen voor het toezicht op de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, geregeld en ten minste om de vijf jaar, programma's op.

De gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12, 4°, 10° en 11°, van dit besluit stellen voor het toezicht op de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 en 2, geregeld en ten minste om de vijf jaar, programma's op.

Bij het opstellen van een programma brengen de gewestelijke toezichthouders de toezichthouders, vermeld in artikel 34 van dit besluit, tijdig op de hoogte van hun ontwerp van programma, met het oog op afstemming van de programma's, vermeld in paragraaf 2.

§ 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 34 van dit besluit, kunnen een programma opstellen voor routinematige controles van de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2.

Een programma als vermeld in het eerste lid, is complementair aan het ontwerp van programma, vermeld in paragraaf 1, en bestrijkt dezelfde periode.

§ 3. Een programma voor routinematige controles maakt ten minste melding van:
1° de periode die het programma bestrijkt;
2° de aard en het aantal van de geprogrammeerde routinematige controles;
3° de toezichthouders die worden belast met de concrete uitvoering van de controles.

Artikel 35/8. (23/02/2017- ...)

§ 1. De gewestelijke toezichthouders, vermeld in artikel 12.1°, 4°, 10° en 11°, van dit besluit stellen voor het toezicht op de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 en 2, geregeld en ten minste om de vijf jaar, programma's op.

Bij het opstellen van een programma brengen de gewestelijke toezichthouders de toezichthouders, vermeld in artikel 34 van dit besluit, tijdig op de hoogte van hun ontwerp van programma, met het oog op afstemming van de programma's, vermeld in paragraaf 2.

§ 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 34 van dit besluit, kunnen een programma opstellen voor routinematige controles van de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2.

Een programma als vermeld in het eerste lid, is complementair aan het ontwerp van programma, vermeld in paragraaf 1, en bestrijkt dezelfde periode.

§ 3. Een programma voor routinematige controles maakt ten minste melding van:
1° de periode die het programma bestrijkt;
2° de aard en het aantal van de geprogrammeerde routinematige controles;
3° de toezichthouders die worden belast met de concrete uitvoering van de controles.

Artikel 35/9. (30/06/2014- ...)

De toezichthouders, vermeld in artikel 34, voeren niet-routinematige controles uit om milieuklachten zo snel mogelijk te onderzoeken.

Afdeling III Toezichtrechten (... - ...)

Onderafdeling I Bepaling (... - ...)

Artikel 36. (01/05/2009- ...)

Elke categorie van toezichthouders, inclusief de waarnemende toezichthouders, beschikt over alle toezichtrechten, vermeld in artikel 16.3.10, eerste lid, van het decreet.

Artikel 36/1. (17/11/2018- ...)

In afwijking van artikel 36 van dit besluit kan de minister bepalen dat de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 5°, van dit besluit, voor de controle van de machtigings-, vergunnings- en subsidievoorwaarden en de meldingen op grond van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 25 van dit besluit, alleen beschikken over het recht op toegang, vermeld in artikel 16.3.10, eerste lid, 1°, van het decreet.

Onderafdeling II Monsternemingen, metingen, beproevingen, analyses (... - ...)

A. Algemeen (... - ...)

Artikel 37. (01/05/2009- ...)

Monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, hierna technische controles te noemen, worden uitgevoerd volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 38 tot en met 56.

B. Technische controles (... - ...)

Artikel 38. (01/05/2009- ...)

De technische controles op de lozing van afvalwater kunnen omvatten :
1° het nemen van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
a) minstens één monster van het geloosde water;
b) minstens één monster van het opgenomen oppervlaktewater als dat toepasselijk is;
c) eventueel minstens één monster van het opgenomen grondwater;
d) eventueel minstens twee monsters van het ontvangende water, minstens één stroomopwaarts van de lozing en minstens één stroomafwaarts van de lozing;
2° het onderzoeken van door de lozing van afvalwater veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;
3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, stromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies.

Artikel 39. (01/05/2009- ...)

De technische controles op de luchtverontreiniging, met inbegrip van geurhinder, kunnen bestaan in :
1° het nemen van minstens één monster van de geloosde stoffen of van de verontreinigd geachte lucht en de analyse ervan;
2° het onderzoeken van door luchtverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;
3° de uitvoering van metingen ter plaatse van de emissies, gasstromen die de emissies kunnen beïnvloeden en immissies, met inbegrip van snuffelploegmetingen.

Artikel 40. (01/05/2009- ...)

De technische controles op bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen bestaan in :
1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
a) een monster van het grondwater;
b) een monster van de bodem;
c) een monster van stoffen die de bodem of het grondwater verontreinigen;
2° het onderzoeken van door bodem-of grondwaterverontreiniging veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;
3° de uitvoering van metingen ter plaatse op bodem of grondwater.

Artikel 41. (17/11/2018- ...)

De technische controles op de eigenschappen en de samenstelling van materialen kunnen bestaan in :
1° het nemen van minstens een van de volgende monsters en de analyse van die monsters :
a) een monster van de afvalstof of van het medium waarin een afvalstof vermoed wordt;
b) een monster van de grondstoffen, tussenproducten of eindproducten die voorkomen in het proces waarbij de afvalstof ontstaat;
c) een monster van grondstoffen zoals gedefinieerd in artikel 1.2.1, § 2, 35°, van het VLAREMA, namelijk bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt;
2° het onderzoeken van door afvalstoffen veroorzaakte schade aan mens, dieren, planten en materialen;
3° de uitvoering van metingen ter plaatse op afvalstoffen of het medium waarin de afvalstof vermoed wordt.
 

Artikel 42. (01/05/2009- ...)

De technische controles op de geluidshinder bestaan in de meting van het geluidsniveau.

Artikel 43. (01/05/2009- ...)

De technische controles op de trillingshinder bestaan in de meting van trillingen.

Artikel 44. (01/05/2009- ...)

De technische controles op de lichthinder bestaan in de meting van de lichtintensiteit.

Artikel 45. (01/05/2009- ...)

De technische controles op ggo's of pathogene organismen bestaan in het nemen van een biologisch staal.

Artikel 45/1. (31/10/2011- ...)

De technische controles op de milieuhinder van elektromagnetische golven bestaan in de meting van de elektrische veldsterkte van de elektromagnetische golven.

C. Het nemen en analyseren van monsters (... - ...)

Artikel 46. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders nemen, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, monsters of geven opdracht ze te laten nemen door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige, en analyseren ze zelf of laten ze door een daartoe erkend laboratorium analyseren. Zij bepalen het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de monsterneming plaatsvindt.

Artikel 47. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders kunnen, overeenkomstig artikel 16.3.14, § 2, van het decreet, van de houder van de te bemonsteren stoffen, de nodige technische middelen en personeel kosteloos opvorderen om de monsterneming uit te voeren.

Voor de technische controle op ggo's en pathogene organismen moet de gebruiker de microbiologische of moleculaire methodes, die het mogelijk maken de gebruikte ggo's of pathogene organismen te traceren, ter beschikking stellen van de toezichthouders.

Artikel 48. (30/06/2014- ...)

§ 1. Elk monster bestaat uit twee identieke delen. Eén deel is bestemd voor de analyse en één deel is bestemd voor een eventuele tegenanalyse.

Een monster dat genomen wordt in het kader van de technische controle op de luchtverontreiniging, kan uit slechts één deel bestaan dat bestemd is voor de analyse.

Elk monster dat genomen wordt in het kader van de technische controle van meststoffen, kan alleen bestaan uit een deel dat bestemd is voor de analyse.

§ 2. Alle verrichtingen die bij de monsterneming plaatsvinden en die noodzakelijk zijn voor een goede analyse van het monster, moeten op elk deel van het monster uitgevoerd worden. De toezichthouders nemen die verrichtingen op in het verslag van monsterneming, vermeld in artikel 50.

§ 3. De toezichthouders bepalen de monstergrootte naargelang van de aard van de verrichtingen die in het laboratorium moeten worden uitgevoerd.

Artikel 49. (01/05/2009- ...)

§ 1. De toezichthouders of hun opdrachtnemers als vermeld in artikel 46 verzamelen elk deel van het monster in één of meerdere gepaste recipiënten of in een geschikte middenstof, afhankelijk van de aard van de te bemonsteren stof, de bewaring en de te verrichten analyses.

Elk deel van het monster dat toezichthouders of de in het eerste lid vermelde opdrachtnemers niet ter plaatse analyseren, verpakken ze ter plaatse en verzegelen ze, ofwel met hun zegel, ofwel met het zegel van de toezichthouder die de monsterneming heeft laten uitvoeren. Dat gebeurt om elke vervanging, verwijdering of bijvoeging van welke aard ook te vermijden.

§ 2. De buitenverpakking van elk deel van het monster bevat de volgende vermeldingen :
1° een identificatiekenmerk;
2° de aard van de bemonsterde stof;
3° de datum en het uur van monsterneming;
4° de naam en de handtekening van de toezichthouder die het monster heeft genomen of heeft laten nemen.

Artikel 50. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders stellen een verslag van monsterneming op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van monsterneming. Een andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de monsterneming aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee.

Artikel 51. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de monsterneming, een kopie van het verslag van monsterneming aan de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, of aan zijn vertegenwoordiger.

Als die personen niet bekend zijn, overhandigen of zenden de toezichthouders het verslag van monsterneming aan de persoon van wie de activiteit aanleiding geeft tot de monsterneming, of aan zijn vertegenwoordiger.

Artikel 52. (25/06/2009- ...)

De toezichthouders overhandigen het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse, ter plaatse en tegen ontvangstbewijs aan de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, aan de exploitant of aan zijn vertegenwoordiger.

Als de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, de exploitant of zijn vertegenwoordiger het deel van het monster dat bestemd is voor de eventuele tegenanalyse, niet in ontvangst kan nemen, wordt het gedurende tien werkdagen voor hen ter beschikking gehouden.

Die termijn gaat in op de dag na de datum van de monsterneming.

De toezichthouders die het monster hebben genomen of hebben laten nemen, stellen de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, de exploitant of zijn vertegenwoordiger daarvan zo snel mogelijk na de monsterneming in kennis.

Artikel 53. (24/12/2010- ...)

Elk deel van het genomen monster wordt bewaard en verstuurd in fysische omstandigheden die wijzigingen in de samenstelling van het monster zo veel mogelijk vermijden.

Uiterlijk op de eerste werkdag na de monsterneming wordt elk deel van het genomen monster aan het laboratorium bezorgd dat de analyses uitvoert. Het laboratorium deelt het protocol van de analyse mee aan de persoon die de analyse aanvraagt.

Een eventuele tegenanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de persoon tegen wie het resultaat van de monsterneming kan worden ingeroepen, of op kosten van de exploitant, door een daartoe erkend laboratorium.

D. Het uitvoeren van metingen of beproevingen (... - ...)

Artikel 54. (17/11/2018- ...)

§ 1. De toezichthouders voeren, overeenkomstig artikel 16.3.15 van het decreet, metingen of beproevingen uit of geven een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige opdracht om ze uit te voeren. Zij bepalen ook het tijdstip waarop en de bedrijfsomstandigheden waaronder de meting of beproeving wordt uitgevoerd.

§ 2. De metingen of beproevingen ter plaatse kunnen worden uitgevoerd met meetapparatuur die ingevolge de wetgeving of ingevolge de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit aan de exploitant is opgelegd.

De toezichthouder mag een ijking van die meetapparatuur laten uitvoeren door een daartoe erkend laboratorium of door een daartoe erkende milieudeskundige. De ijkingskosten zijn voor rekening van de exploitant van de inrichting.

§ 3. Voor de toezichthouder conform paragraaf 2 overgaat tot de ijking van meetapparatuur, nodigt hij de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die ijking bij te wonen.
 

Artikel 55. (01/05/2009- ...)

De metingen van het geluidsniveau, van trillingen of van de lichtintensiteit worden uitgevoerd op basis van een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens methoden die de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, aanvaardt.

Het Departement maakt de methoden, vermeld in het eerste lid bekend op haar website en vermeldt daar de manier waarop deze informatie op papier kan verkregen worden.

Artikel 56. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders stellen een verslag van de meting op.

De toezichthouders stellen een verslag op, en ondertekenen het met vermelding van de datum van de meting of beproeving. De andere toezichthouder of een getuige die wordt opgeroepen om bij de meting of beproeving aanwezig te zijn, ondertekent dat verslag mee.

De toezichthouders die de meting of beproeving hebben uitgevoerd of hebben laten uitvoeren, overhandigen of zenden, binnen vijf werkdagen die volgen op de datum van de meting of beproeving, een kopie van het verslag aan de persoon tegen wie het resultaat van de meting of beproeving kan worden ingeroepen of aan zijn vertegenwoordiger.

Afdeling IV Vaststelling van milieu-inbreuken (... - ...)

Artikel 57. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders stellen milieu-inbreuken vast in een verslag van vaststelling, waarvan de minister de vorm bepaalt.

Afdeling V Vaststelling van milieumisdrijven (... - ...)

Artikel 58. (26/05/2023- ...)

§1. De toezichthouders stellen de milieumisdrijven vast in een proces-verbaal waarvan de minister de vorm bepaalt.

§2. De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal is opgesteld. Daarin melden ze minstens de concrete locatie van het milieumisdrijf en, als die bekend is, de naam van vermoedelijke overtreder en de datum van de vaststelling.

Voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, 2 en 3, wordt van elk proces-verbaal een kopie bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

Voor de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, wordt die melding gedaan aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur.

De melding, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.

§3. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 5°, van dit besluit, bezorgen een kopie van het proces-verbaal dat is opgesteld :
1° wegens schending van de jachtregelgeving aan de instanties bevoegd voor de afgifte van het jachtverlof;
2° wegens ontbossing aan de afdeling, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken op het beleidsveld ruimtelijke ordening;
3° tegen landbouwers wegens schending van de regels over de bescherming van vogels en de bescherming van vegetatie en kleine landschapselementen aan de Afdeling Markt- en Inkomensbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij;
4° wegens het niet legaal in bezit hebben van fazanten aan de provinciale controle-eenheden van het federaal voedselagentschap;
5° wegens schending van de CITES-wet en zijn uitvoeringsbesluiten aan de dienst CITES van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
6° wegens het wijzigen van de vegetaties, vermeld in artikel 7, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, als ze gelegen zijn in een beschermd landschap, aan de afdeling Inspectie van het Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.

§4. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, van dit besluit, en de lokale toezichthouders bezorgen een kopie van het proces-verbaal dat is opgesteld wegens schending van het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning, titel V van het decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, aan de OVAM, voor zover dit het beheren van afvalstoffen betreft.

§5. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, van dit besluit, en de lokale toezichthouders bezorgen ook een kopie van het proces-verbaal aan de OVAM als ze nieuwe bodemverontreiniging vaststellen in de inrichtingen waarbij in de indelingslijst in kolom 8 een vermelding is opgenomen.

§6. De toezichthouders bezorgen een kopie van het proces-verbaal aan de afdeling, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken op het beleidsveld ruimtelijke ordening wanneer ze vaststellen dat er een reliëfwijziging op terreinen is aangebracht die een schending inhoudt op het Materialendecreet of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.

§7. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, en de lokale toezichthouders bezorgen aan de Vlaamse Milieumaatschappij, onder meer ten behoeve van het opleggen van heffingen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.2, §3 gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid en als achtergrondinformatie inzake aangelegenheden zoals bedreigde grondwaterlagen en stroomopwaartse waterverontreiniging in waterlopen van categorie 2 en 3, een kopie van het proces-verbaal dat is opgesteld wegens:
1° het lozen van afvalwater via een lozingsplaats zonder te beschikken over de vereiste milieu- of omgevingsvergunning of de vereiste meldingsakte;
2° het winnen van grondwater zonder in het bezit te zijn hetzij van de vereiste voorafgaande milieu- of omgevingsvergunning, hetzij van de vereiste voorafgaande meldingsakte.

HOOFDSTUK VI Bestuurlijke maatregelen (... - ...)

Afdeling I Bevoegdheid van de provinciegouverneur en van de burgemeester (... - ...)

Artikel 59. (26/05/2023- ...)

De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als :
1° er een overtreding is van artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid;;
2° er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet;
3° een vergunningsplichtige inrichting wordt geëxploiteerd zonder omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
4° een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden;
5° een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kan de gouverneur of zijn plaatsvervanger bij de bevoegde toezichthouders een kopie van het proces-verbaal of van het verslag van vaststelling opvragen over de feiten in kwestie. Binnen een termijn van veertien dagen nadat ze het verzoek hebben ontvangen, bezorgen de toezichthouders een kopie van het proces-verbaal of van het verslag van vaststelling of melden ze dat er geen proces-verbaal of verslag van vaststelling is opgemaakt.
 

Artikel 60. (01/01/2019- ...)

De burgemeester of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als :
1° er een overtreding is van artikel 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid;
2° er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet;
3° een vergunningsplichtige inrichting wordt geëxploiteerd zonder omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
4° een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden;
5° een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden;
6° er een overtreding is van artikel 62 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.
 

Afdeling II [Procedure voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke dwangsommen (verv. BVR 7 september 2018, art. 39, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 60/1. (26/05/2023- ...)

§ 1. De toezichthouders kunnen, als ze een bestuurlijke maatregel opleggen voor de schending van de regelgeving die tot hun toezichtsopdrachten behoort, een bestuurlijke dwangsom opleggen.

§ 2. De beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom door de toezichthouders, vermeld in artikel 12, wordt medeondertekend door het hoofd van de afdeling waarin de toezichthouders werkzaam zijn of door zijn gemachtigde.

Het totaal van dwangsommen voor eenzelfde schending kan niet meer bedragen dan 1.000.000 euro.

§ 3. De beslissing van een provinciale toezichthouder tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom wordt medeondertekend door de provinciegouverneur of zijn gemachtigde.

De beslissing van een gemeentelijke toezichthouder tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom wordt medeondertekend door de burgemeester of zijn gemachtigde.

Voor de lokale toezichthouders andere dan de gemeentelijke toezichthouders wordt de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom medeondertekend door de persoon die daarvoor aangewezen is door het orgaan dat bevoegd is voor de aanwijzing van die lokale toezichthouders.

Het totaal van dwangsommen voor eenzelfde schending kan niet meer bedragen dan 100.000 euro.

Artikel 61. (23/02/2017- ...)

§ 1. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf dat de schending inhoudt van een milieuvoorwaarde voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, voor voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of voor voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen bij een GPBV-installatie, manen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 6°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, de exploitant aan onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen opdat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.

Als de exploitant geen gevolg geeft aan die aanmaning of als de door de exploitant genomen maatregelen ontoereikend zijn, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 6°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant alle passende aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.

§ 2. Als de schending van de milieuvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of als ze onmiddellijke en aanzienlijk nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 6°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant de exploitatie van de GPBV-installatie in kwestie of het deel ervan stop te zetten, zolang niet kan worden gegarandeerd dat aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.

§ 3. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 8 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)

Artikel 61/1. (17/11/2018- ...)

§ 1. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 5°, melden aan de burgemeester welk besluit houdende bestuurlijke maatregelen is genomen.

De andere toezichthouders dan de toezichthouders, vermeld in het eerste lid, melden schriftelijk aan de provinciegouverneur, aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, welk besluit houdende bestuurlijke maatregelen is genomen.

§ 2. De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, welk besluit houdende bestuurlijke maatregelen is genomen.

§ 3. De burgemeester of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de provinciegouverneur en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, welk besluit houdende bestuurlijke maatregelen is genomen.

Artikel 61/2. (17/11/2018- ...)

§ 1. De toezichthouders, vermeld in artikel 12,5°, melden aan de burgemeester dat er een besluit houdende opheffing van bestuurlijke maatregelen is genomen.

De andere toezichthouders dan de toezichthouders, vermeld in het eerste lid, melden schriftelijk aan de provinciegouverneur, aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende opheffing van bestuurlijke maatregelen is genomen.

§ 2. De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de burgemeester en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende opheffing van bestuurlijke maatregelen is genomen.

§ 3. De burgemeester of zijn plaatsvervanger meldt schriftelijk aan de provinciegouverneur en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, dat er een besluit houdende opheffing van bestuurlijke maatregelen is genomen.

§ 4. Als de opheffing van de bestuurlijke maatregelen gepaard gaat met de oplegging van nieuwe bestuurlijke maatregelen, worden deze meegedeeld zoals bepaald in artikel 61/1.

[Afdeling II/1 ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 43, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 61/3. (17/11/2018- ...)

...

Artikel 61/4. (17/11/2018- ...)

...

Artikel 61/5. (17/11/2018- ...)

...

Afdeling III Beroepsprocedure tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen (... - ...)

Artikel 62. (17/11/2018- ...)

§ 1. Tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen kan degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd beroep aantekenen bij de Vlaamse minister. Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending bij de minister, per adres van het Departement, Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 Brussel. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt hij dat in zijn beroepschrift.

§ 2. Het beroepschrift moet op straffe van onontvankelijkheid voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° de naam en de woonplaats vermelden van de beroepsindiener. Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de beroepsindiener, wordt dat in het beroepschrift aangegeven;
2° ondertekend zijn door de beroepsindiener of zijn raadsman. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het voorwerp van het beroep vermelden, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
4° een kopie van de bestreden beslissing bevatten;
5° in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken bevatten.

§ 3. Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde onderzoekt het beroep, vermeld in § 1, op zijn ontvankelijkheid :
1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd;
2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep.

Binnen tien dagen na de ontvangst van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, 2°, dient de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, of zijn gemachtigde het administratieve dossier met een beveiligde zending in bij de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving. Dat administratieve dossier bevat minstens een kopie van de processen-verbaal of van de verslagen van vaststelling die geleid hebben tot de oplegging van de bestuurlijke maatregel, alsook alle andere stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling van het beroep.

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde geeft kennis van de termijnverlenging, vermeld in artikel 16.4.17, § 3, tweede lid, van het decreet.

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde stelt binnen een termijn van vijfenveertig dagen vanaf de ontvankelijkheidverklaring een advies op over het beroep, vermeld in § 1, en bezorgt dat onmiddellijk aan de minister.

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde bezorgt de beslissing van de minister of een eensluidend verklaarde kopie ervan aan de beroepsindiener en aan de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing, per beveiligde zending.

§ 4. ...
 

Afdeling IV Verzoek tot oplegging van bestuurlijke maatregelen (... - ...)

Artikel 63. (17/11/2018- ...)

§ 1. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het verzoek om oplegging van bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.18 van het decreet, met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde personen, vermeld in artikel 16.4.6 van het decreet. Als een verzoek gericht wordt aan een persoon, die niet bevoegd is om bestuurlijke maatregelen op te leggen overeenkomstig artikel 16.4.6 van het decreet, of aan een instantie, dan stuurt deze persoon of deze instantie het verzoek zo spoedig mogelijk door naar de persoon, die overeenkomstig artikel 16.4.6 van het decreet wel bevoegd is om bestuurlijke maatregelen op te leggen en die gevat is door dit verzoek.

Het verzoek is onontvankelijk als het wordt ingediend bij meer dan één bevoegd persoon als vermeld in artikel 16.4.6 van het decreet.

§ 2. Om ontvankelijk te zijn, moet een verzoek aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker vermelden;
2° de aard van het verzoek vermelden, met inbegrip van een uiteenzetting van de gedragingen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen uitmaken;
3° een indicatie bevatten van de beweerde geschonden regelgeving waarop het verzoek steunt zonder dat een vergissing in de juridische kwalificatie daarbij mag leiden tot de onontvankelijkheid van het verzoek;
4° de wijze aangeven waarop natuurlijke personen en rechtspersonen rechtstreeks nadeel ondervinden als gevolg van een beweerde milieu-inbreuk of een beweerd milieumisdrijf, dan wel een belang hebben bij de beteugeling ervan;
5° ondertekend zijn door de verzoeker;
6° in voorkomend geval een inventaris van de bijgevoegde stukken.

In afwijking van het eerste lid, 4°, moeten de rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu alleen beantwoorden aan de vereisten die artikel 2 van deze wet stelt.

§ 3. Als het verzoek ontvankelijk wordt bevonden, wordt degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen hiervan binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek per beveiligde zending op de hoogte gebracht.

§ 4. De personen, vermeld in artikel 16.4.6 van het decreet, stellen, na degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen eerst gehoord te hebben, de verzoeker zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de kennisgeving van het verzoek, per beveiligde zending in kennis van de genomen beslissing.

Die beslissing omschrijft in voorkomend geval de bestuurlijke maatregel die zij gepast achten, alsook de redenen daarvoor.

De toezichthouders, vermeld in artikel 12,5° melden aan het college van burgemeester en schepenen welke beslissing werd genomen.

De andere toezichthouders dan de toezichthouders, vermeld in het vorige lid melden schriftelijk aan de deputatie, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving, welke beslissing werd genomen.

De toezichthouders bezorgen per beveiligde zending een kopie van de genomen beslissing aan degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen.

Artikel 64. (17/11/2018- ...)

Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep tegen de beslissing, vermeld in artikel 16.4.18, § 4, van het decreet, ingesteld bij de minister binnen veertien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 63, § 4, van dit besluit. Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending die gericht is aan de minister, op het adres van het Departement, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt hij dat in zijn beroepschrift.

Artikel 65. (26/05/2023- ...)

Het beroepschrift moet op straffe van onontvankelijkheid voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° de naam en de woonplaats van de beroepsindiener vermelden;
2° ondertekend zijn door de beroepsindiener of zijn raadsman. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
3° het voorwerp van het beroep vermelden, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
4° een kopie van de bestreden beslissing bevatten;
5° in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken bevatten.
 

Artikel 66. (17/11/2018- ...)

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde onderzoekt het beroep, vermeld in artikel 64, op zijn ontvankelijkheid :
1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener, alsook de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen en degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte. Dit gebeurt binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd;
2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener, alsook de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen, en degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen zeven dagen na de ontvangst van het beroep.

Binnen tien dagen na de ontvangst van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, 2°, dient de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen of zijn gemachtigde, het administratieve dossier met een beveiligde zending in bij de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving. Dat administratieve dossier bevat minstens alle stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling van het beroep.

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde stelt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de ontvankelijkheidsverklaring een advies op over het beroep, vermeld in artikel 64 en bezorgt dat onmiddellijk aan de minister.

Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde bezorgt de beslissing van de minister of een eensluidend verklaarde kopie ervan aan de beroepsindiener, alsook aan de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen, en aan degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen, binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing, met een beveiligde zending.
 

Artikel 67. (01/05/2009- ...)

In de gevallen waarin de minister beslist dat aan het verzoek gevolg moet worden gegeven, zendt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde het dossier terug naar de bevoegde persoon die in eerste aanleg het verzoek heeft behandeld. Die persoon behandelt opnieuw het verzoek om bestuurlijke maatregelen.

HOOFDSTUK VII Bestuurlijke geldboeten (... - ...)

[Afdeling I ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)] (... - ...)

[Onderafdeling I ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 68. (17/11/2018- ...)

...

[Onderafdeling II ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 69. (01/05/2009- ...)

...

Artikel 70. (01/05/2009- ...)

...

Artikel 71. (17/11/2018- ...)

...

Artikel 72. (01/05/2009- ...)

...

[Onderafdeling III ... (opgeh. BVR 7 september 2018, art. 48, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 73. (17/11/2018- ...)

...

Artikel 74. (17/11/2018- ...)

...

Artikel 75. (22/07/2011- ...)

...

[Afdeling II Dossier houdende de oplegging van een exclusieve of alternatieve bestuurlijke geldboete (verv. BVR 7 september 2018, art. 49, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Artikel 75/1. (17/11/2018- ...)

De gewestelijke entiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als ze van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de milieu-inbreuk heeft gepleegd.

De termijn waarin de geldsom betaald moet worden bedraagt drie maanden.

Het voorstel tot betaling van een geldsom wordt schriftelijk gedaan met een beveiligde zending en omvat minstens de volgende gegevens :
1° de datum en het nummer van het verslag van vaststelling;
2° de vastgestelde milieu-inbreuk, inclusief de geschonden regelgeving;
3° de decretale grondslag voor de toepassing van een voorstel tot betaling van een geldsom;
4° de voorgestelde geldsom, alsook de betalingstermijn en de wijze van betaling;
5° de gevolgen in geval van niet-tijdige betaling van de voorgestelde geldsom.

Artikel 75/2. (26/05/2023- ...)

De gewestelijke entiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als ze van mening is dat volgens de vaststellingen in het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd.

De gewestelijke entiteit kan echter geen voorstel tot betaling van een geldsom doen in de volgende gevallen :
1° ...;
2° ...;
3° als het proces-verbaal melding maakt van ernstige fysieke of materiële schade aan derden.

De termijn waarin de geldsom betaald moet worden bedraagt drie maanden.

Het voorstel tot betaling van een geldsom wordt schriftelijk gedaan met een beveiligde zending en omvat minstens de volgende gegevens :
1° de datum en het notitienummer van het proces-verbaal;
2° het vastgestelde milieumisdrijf, inclusief de geschonden regelgeving;
3° de decretale grondslag voor de toepassing van een voorstel tot betaling van een geldsom;
4° de voorgestelde geldsom, alsook de betalingstermijn en de wijze van betaling;
5° de gevolgen in geval van niet-tijdige betaling van de voorgestelde geldsom.

Artikel 76. (26/05/2023- ...)

§1. Nadat de gewestelijke entiteit de verbalisant heeft geïnformeerd over de beslissing van de procureur des Konings tot het niet strafrechtelijk-behandelen van het milieumisdrijf, vermeld in artikel 16.4.33 van het decreet, bezorgt de verbalisant binnen veertien dagen minstens de volgende stukken aan de gewestelijke entiteit :
1° een kopie van het proces-verbaal waarbij het betreffende milieumisdrijf werd vastgesteld;
2° in voorkomend geval een kopie van de navolgende processen-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van het betreffende milieumisdrijf;
3° in voorkomend geval een kopie van de kantschriften die het parket naar aanleiding van het betreffende milieumisdrijf heeft opgesteld;
4° alle andere stukken die de verbalisant nuttig acht om het milieumisdrijf in kwestie te beoordelen.

§2. De gewestelijke entiteit stelt het dossier houdende oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete samen. Dat dossier bevat minstens de volgende stukken :
1° de stukken, vermeld in § 1;
2° een kopie van de kennisgeving van het voornemen van de gewestelijke entiteit om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen.

§3. Het dossier, vermeld in § 2, ligt bij de gewestelijke entiteit ter inzage van de vermoedelijke overtreder of zijn raadsman.

Als de vermoedelijke overtreder of zijn raadsman een kopie van het dossier of van bepaalde stukken eruit wil verkrijgen, dient hij daartoe schriftelijk een aanvraag in bij de gewestelijke entiteit.

De gewestelijke entiteit kan de overhandiging van een kopie van het dossier of van bepaalde stukken afhankelijk maken van de betaling van een kostendekkende vergoeding.

§4. Als de gemeente de gevolgen van het milieumisdrijf in kwestie heeft hersteld, kan ze met het oog op de terugvordering van de kosten verzoeken om een kopie van de boetebeslissing of van het betaalde voorstel tot betaling van een geldsom.
 

Afdeling III Beroep bij het Milieuhandhavingscollege (... - ...)

Artikel 77. (22/07/2011- ...)

...

Artikel 78. (31/12/2011- ...)

...

[HOOFDSTUK VII/1 Inning en invordering van verschuldigde bedragen (ing. BVR 19 november 2010, art. 23/1)] (... - ...)

Artikel 78/1. (17/11/2018- ...)

Als de ambtenaar vermeld in artikel 16.5.2, § 1, eerste lid van het decreet, wordt de leidend ambtenaar van het Departement aangewezen.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering en de tenuitvoerlegging van maatregelen door de toezichthouders van de OVAM die toezicht uitoefenen op de toepassing van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming en de uitvoeringsbesluiten ervan en op de toepassing van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, als de ambtenaar, vermeld in artikel 16.5.2, § 1, eerste lid van het decreet, de leidend ambtenaar van de OVAM aangewezen.

[HOOFDSTUK VII/2 Opsporing van misdrijven (ing. BVR 25 april 2014, art. 23, I: 30 juni 2014)] (... - ...)

Artikel 78/2. (17/11/2018- ...)

De minister kan personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos aanwijzen als officier van gerechtelijke politie of als officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

De minister kan aan personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, de hoedanigheid toekennen van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, voor zover ze niet werden aangewezen als gewestelijke toezichthouders overeenkomstig artikel 12.

De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren van het Agentschap voor Natuur en Bos zijn bevoegd om milieumisdrijven op te sporen en vast te stellen met betrekking tot de regelgeving vermeld in artikel 25 van dit besluit.

HOOFDSTUK VIII Veiligheidsmaatregelen (... - ...)

Artikel 79. (17/11/2018- ...)

In geval van een incident of ongeval in een GPBV-installatie dat de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloedt, leggen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1°, 7° en 8°, ieder wat zijn toezichtopdracht betreft, bij het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen, vermeld in artikel 16.7.5 van het decreet, de persoon die verantwoordelijk is voor het aanzienlijke risico, alle passende aanvullende maatregelen op die nodig zijn om de gevolgen voor de mens of het leefmilieu te beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen.

Artikel 79/1. (20/09/2013- ...)

Een kopie van het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen of van de schriftelijke bevestiging van de mondeling genomen veiligheidsmaatregelen wordt onmiddellijk bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, van het decreet.

In voorkomend geval kan eveneens een kopie worden bezorgd aan andere relevante overheden.

HOOFDSTUK IX Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 80. (01/05/2009- ...)

In artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en de modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, wordt het punt 3°, vervangen door wat volgt :
« 3° de aanvrager moet de identiteit van de natuurlijke persoon of personen die het laboratorium of de instelling exploiteren, of, wanneer het om een rechtspersoon gaat, de statuten van de vereniging en de namen van haar zaakvoerders of beheerders mededelen aan de afdeling Milieuvergunningen van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Ministeries. ».

Artikel 81. (01/05/2009- ...)

In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° worden de woorden « door de Koning » vervangen door de woorden « door de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid »;
2° in punt 2° worden de woorden « aan de Minister van Volksgezondheid, Leefmilieu en Gezin » vervangen door de woorden « aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid ».

Artikel 82. (01/05/2009- ...)

In het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning wordt hoofdstuk XV, dat bestaat uit artikel 58, 59, 60, 61, 62 en 63, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 5 december 2003, 6 februari 2004 en 14 juli 2004 opgeheven.

Artikel 83. (01/05/2009- ...)

In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk XVI, dat bestaat uit artikel 64, 65, 66, 67, 68 en 69, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en 12 januari 1999 opgeheven.

Artikel 84. (01/05/2009- ...)

Artikel 224 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering wordt opgeheven.

Artikel 85. (01/05/2009- ...)

In het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, wordt hoofdstuk IX, dat bestaat uit artikel 9.1, 9.2 en 9.3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, 7 oktober 2005 en 9 februari 2007, opgeheven.

Artikel 86. (01/05/2009- ...)

In het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven wordt hoofdstuk VI, bestaande uit artikel 18, opgeheven.

Artikel 87. (01/05/2009- ...)

In artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, worden § 1 en § 4 opgeheven.

Artikel 88. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 89. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 90. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 91. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 91/1. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 91/2. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 91/3. (05/09/2015- ...)

De instellingen die voor 1 januari 2013 erkend waren voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders, zijn vanaf 1 januari 2013 van rechtswege erkend voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders geluid. Zij leggen de leerplannen en evaluatiemethode, vermeld in artikel 14, § 2, punten 3° en 4°, ter goedkeuring voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen

Artikel 91/4. (05/09/2015- ...)

...

Artikel 91/5. (05/09/2015- ...)

Personen die voor 1 september 2015 gestart zijn met de opleiding lokale of provinciale toezichthouder of toezichthouder geluid, maar nog niet voor alle onderdelen de bekwaamheidsproef met gunstig gevolg hebben afgelegd, kunnen tot en met 1 september 2017 bij de instellingen, vermeld in artikel 14, § 1, een vrijstelling aanvragen voor de overeenkomstige certificaten, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid. De instellingen doen binnen dertig dagen een uitspraak over de aanvraag.

Artikel 91/6. (05/09/2015- ...)

Bekwaamheidsbewijzen die voor 1 september 2015 met toepassing van artikel 15 zijn verleend, overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op het moment van het verlenen van die bekwaamheidsbewijzen, blijven ook na 1 september 2015 geldig.

Artikel 91/7. (05/09/2015- ...)

De toezichthouders die op 1 september 2015 nog niet over het bekwaamheidsbewijs beschikken en die met gunstig resultaat de opleiding voor het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs voor lokale of provinciale toezichthouder of voor lokale of provinciale toezichthouder geluid, zoals van kracht op het moment van het volgen van de opleiding, hebben gevolgd, moeten, om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, het behaalde getuigschrift voorleggen aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

Het getuigschrift wordt samen met het aanstellingsbesluit van het bevoegde orgaan en, in voorkomend geval, met de verleende vrijstellingen van onderricht, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert conform artikel 15 het bekwaamheidsbewijs af.

Artikel 92. (01/05/2009- ...)

De toezichthouders die toezicht houden op de toepassing van de wetten, decreten en hun uitvoeringsbesluiten, vermeld in artikel 16.1.1 van het decreet, en op de milieuregelgeving van de Europese Unie, vermeld in artikel 2, blijven hun bevoegdheden uitoefenen tot de datum waarop overeenkomstig artikel 12 nieuwe toezichthouders worden aangewezen.

Artikel 93. (01/05/2009- ...)

Het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » en dit besluit treden in werking op 1 mei 2009.

Artikel 94. (01/05/2009- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I. [Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 55, I: 17 november 2018)] (... - ...)

(26/11/2022- ...)

Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in titel III van het decreet, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

 
Artikel Wettelijke verplichting
3.2.1, § 4, tweede lid Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling, voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant.
3.2.2, § 2 De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt.
3.2.2, § 3 De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.
3.2.3, § 3 De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de bevoegde afdeling.
3.2.5, tweede lid De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.

 

Bijlage II. (... - ...)

(17/11/2018- ...)

Bijlage II. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in titel IV van het decreet, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

artikel

wettelijke verplichting

4.2.9, §3, eerste lid

Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, vermeld in artikel 4.2.8, §6, in acht nemen.

4.3.6, §3

Tijdens het opstellen van het project-MER zijn de erkende MER-coördinator en in voorkomend geval de erkende MER-deskundigen gehouden tot overleg met de administratie.

4.4.2, §1

Het ruimtelijk veiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.

De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende VR-deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie die voorhanden is ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.

4.4.2, §3

Tijdens het opstellen van het ruimtelijk veiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen zoals geïntegreerd in de scopingnota vermeld in artikel 2.2.4, §3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, van de administratie in acht nemen.

4.5.5, §3

Tijdens het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, §4, in acht nemen.

 

 

Bijlage III. (... - ...)

(17/11/2018- ...)

Bijlage III. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

 

artikel

wettelijke verplichting

27, §1, eerste lid

Bij vaststelling van een gemengde bodemverontreiniging maakt de bodemsaneringsdeskundige naar alle redelijkheid een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging in een deel dat vóór 29 oktober 1995 en een deel dat na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is.

28, §2, eerste lid

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van het oriënterend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.

29

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risicogrond.

30

In afwijking van artikel 29 en 102 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 moet voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom zoals bedoeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek of dat valt onder toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, alleen in de volgende gevallen een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd:

1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;

2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd, die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.
   Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of desgevallend de gemandateerde.

30bis

In de volgende gevallen moet voor een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars voor 31 december 2014:
   1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;
   2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de gedwongen mede-eigendom.
   Bij afwezigheid van een vereniging van mede-eigenaars wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op initiatief en op kosten van de mede-eigenaars.

31, §1, eerste lid

Voor de volgende risicogronden waarop volgens de informatie in het grondeninformatieregister nog geen oriënterend bodemonderzoek is uitgevoerd, moet op initiatief en op kosten van de volgende personen een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd:

1° risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, aangeduid in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 met kenletter ‘O’, worden geëxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de exploitant van de risico-inrichting;

2° risicogronden waarop een of meer risico-inrichtingen, vermeld in bijlage 1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, werden geëxploiteerd met aanvang van de exploitatie vóór 29 oktober 1995: de eigenaar van de risicogrond.

31, §1, tweede lid

De bodemsaneringsdeskundige onder wiens leiding het oriënterend bodemon­derzoek werd uitgevoerd, dient het verslag in bij de OVAM.

31, §2

Het oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd en het verslag er­van bij de OVAM worden ingediend voor het volgende tijdstip:

1° voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 1°: vóór 31 januari 2027;

2° voor de risicogronden, vermeld in paragraaf 1, 2°:

a) als het gaat om een of meer risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2021;

b) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘A’, meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘A’ of meerdere risico-inrichtingen waarvan minstens één met kenletter ‘A’ en geen enkele met kenletter ‘B’: vóór 31 december 2023;

c) als het gaat om een risico-inrichting met kenletter ‘O’ of meerdere risico-inrichtingen met allemaal kenletter ‘O’: vóór 31 januari 2027.

32

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting.

33, eerste volzin

De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uitvoeren.

33bis, §1

Naar aanleiding van de aanvang van de exploitatie van de door de Vlaamse Regering aangewezen risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan wordt aan de OVAM bezorgd vóór de omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de risico-inrichting bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend.

33bis, §2

Voor de risico-inrichtingen, vermeld in artikel 33bis, §1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, waarvoor op het moment van de aanvang van de exploitatie de onderzoeksplicht, vermeld in §1, niet van toepassing was, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant eenmalig een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd.
   De Vlaamse Regering bepaalt voor welke van die risico-inrichtingen het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan aan de OVAM wordt bezorgd vóór 7 januari 2014, en voor welke van die risico-inrichtingen die verplichtingen worden uitgevoerd vóór 7 juli 2015.

34

Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond.

35, eerste lid

Als de OVAM van oordeel is dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bodemverontreiniging op een grond, kan ze de personen, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een oriënterend bodemonderzoek op de grond uit te voeren en het verslag ervan aan haar te bezorgen.

38, §2, eerste lid

Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van het beschrijvend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.

44, tweede lid

Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Een verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.

47, §2

Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk.

67, §3

Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevaluatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

69, §2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

70, §2, eerste volzin

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

78, tweede volzin

Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.

96

Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de activiteit waarvoor ze is opgericht:
   1° het opmaken van een algemeen bodempreventieplan;
   2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks- en saneringsconcepten;
   3° het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan de personen die met de bodemsaneringsorganisatie een overeenkomst hebben gesloten als vermeld in artikel 97, §1 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.

97, §2, eerste twee volzinnen

De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de beschrijvende bodemonderzoeken en de bodemsaneringen waarvoor ze conform artikel 97, §1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een overeenkomst heeft gesloten uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig §1.

101, §1

Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver.

101, §2

De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.

101, §3, eerste volzin

In alle akten betreffende de overdracht van gronden neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest.

101, §3, tweede volzin

De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.

102, §1

Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM werd bezorgd.

 

In afwijking van het eerste lid geldt de regeling, vermeld in artikel 30 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek in het kader van de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom zoals bedoeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek of dat valt onder toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek.

102, §2

Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de persoon, vermeld in artikel 29 of 30 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.

117

In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk VIII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werden toegepast.

122, §1

Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.

122, §3, eerste volzin

De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting binnen de termijn, vermeld in artikel 122, §1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.

123, §1

Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond. De curator neemt het initiatief tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen na zijn vaststelling dat de gefailleerde eigenaar is van een risicogrond.

124, §1

De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.

125, §3

Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

142, tweede lid

Een verslag van siteonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure.

 

Bijlage IV. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (... - ...)

(01/01/2011- ...)

...

Bijlage V. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (... - ...)

(01/01/2011- ...)

...

Bijlage VI. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (... - ...)

(01/01/2011- ...)

...

Bijlage VII. (... - ...)

Artikel 1. (05/07/2024- ...)

Bijlage VII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

artikel

wettelijke verplichting

1.5.2.1, vierde lid, eerste zin

Bij elk volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker de risicoanalyse aan de technisch deskundige.

1.5.2.1, vierde lid, tweede zin

De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van de risicoanalyse van het volgende gebruik van risiconiveau 1.

1.5.2.1, vierde lid, derde zin

De gebruiker kan de activiteit van risiconiveau 1 aanvangen de dag na de verzending van de risicoanalyse.

1.5.2.1, vierde lid, vierde zin

Zodra de technisch deskundige een probleem vaststelt met betrekking tot de risicoanalyse, informeert hij de bevoegde instantie daarover.

4.1.4.2

De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde meet- en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.

4.1.5.2

Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit en van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming.

4.1.5.4

Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld.

4.1.8.1, § 4

Bij de opmaak van het deelformulier ''Luchtemissies'' en het deelformulier ''Wateremissies'' van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en/of in het kader van de afvalwaterheffingen.

4.1.8.1, § 5

Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd:
1° inrichtingen als vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 5°: het deelformulier “Identificatiegegevens”, het deelformulier “Luchtemissies”, het relevante gedeelte van het deelformulier “Energiegegevens”, deelformulier “Wateremissies” en deelformulier “Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval”;
2° inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3°: het deelformulier “Identificatiegegevens” en het relevante gedeelte van het deelformulier “Energiegegevens”;
3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier “Identificatiegegevens” en het deelformulier “Wateremissies”;
4° inrichtingen als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, die het deelformulier “Luchtemissies”, “Wateremissies” of “Afvalproducent” moeten indienen: het deelformulier “Productievolumes”.

4.1.8.2, § 1

De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd.

4.1.8.2, § 3

Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.

4.1.8.3, § 1

Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit:
1° het deelformulier ''Identificatiegegevens'';
2° het deelformulier ''Luchtemissies'' en het deelformulier ''Wateremissies'': deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier ''Luchtemissies'' en het deelformulier ''Wateremissies'' van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;
3° het deelformulier ''Energiegegevens'': dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier ''Energiegegevens'' van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;
4° het deelformulier “Productievolumes”: dit deelformulier bevat de gegevens uit het model van het deelformulier “Productievolumes” van het integrale milieujaarverslag, dat is opgenomen in bijlage I, die bij het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag is gevoegd.

4.1.8.3, § 2

Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.

4.1.8.3, § 4

Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders.

4.1.9.1.1, § 4

Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
Die instemming is echter niet vereist als:
1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft;
2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.

4.1.9.1.3, § 2

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieuoogpunt relevant kan zijn.
Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.

Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning alsook van de toezichthoudende overheid.

4.1.9.1.4, § 1

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

4.1.9.1.4, § 2, eerste zin

De exploitant houdt het aanstellingsdossier op de exploitatiezetel ter beschikking van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

4.1.9.1.4, § 2, tweede zin Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2 bedoelde voorwaarden of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit besluit, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.

4.1.9.2.6, § 1

De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:
1° aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:
de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2;
2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij:
de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.

4.1.9.2.6, § 2

De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

4.1.9.3.1, § 1, 1° en 2°

De exploitant moet inzonderheid:
1° aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement;

b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3 van dit reglement;

c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5 van dit reglement;
2° ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement;
b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid;

inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden;

4.1.9.3.1, § 2

De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk:

1° vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3, § 3 van dit reglement;
2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3 van dit reglement.

4.2.5.2.1, § 4, laatste zin

De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.

4.2.5.3.1, § 4, laatste zin

De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.

4.2.5.4.2, § 2

De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.

4.3.2.2, § 3, derde lid, eerste zin

De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten.

4.3.2.2, § 3, derde lid, laatste zin

De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.

4.3.2.3, § 3

In het geval, vermeld in paragraaf 1, meldt de exploitant aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 2, verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat voor de toezichthouder altijd ter inzage ligt.

4.4.2.4, eerste volzin

De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder.

4.4.5.3, § 1

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient zich in staat van paraatheid te houden voor het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen zodra:

1° ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 190 μg/m3;

2° ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 μg/m3.

4.4.6.2.1, § 4

Het programma, vermeld in § 1, bestaat uit de volgende onderdelen :

1° een beschrijving van de inrichting die bestaan uit :

a) een opdeling van de inrichting in meetblokken;

b) een kwantificering van het aantal apparaten per type zoals vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6, op verifieerbare manier gedocumenteerd (bijvoorbeeld per processchema);

2° een inventaris van apparaten;

3° een meet- en herstelprogramma;

4° een berekening van de emissies;

5° een rapportering.

4.4.6.2.2,§ 2

Als de meetwaarde van een gemeten apparaat het registratiecriterium overschrijdt, moeten binnen een termijn van twee maanden na de meting de volgende gegevens in de inventaris opgenomen of geactualiseerd worden:

1° identificatie van het apparaat : type, locatie, identificatienummer;

2° naam product;

3° beschrijving van de productstroom :

a) gas of vloeibaar;

b) gew% organische stoffen (exclusief methaan; vol% bij gassen), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;

4° datum en resultaten van de uitgevoerde metingen;

5° uitgevoerde reparaties en datum en resultaat van de controlemetingen.

4.4.6.2.3, § 3

De metingen worden uitgevoerd door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, of door de exploitant. Als de metingen uitgevoerd worden door de exploitant, worden apparatuur en een code van goede praktijk gehanteerd, die goedgekeurd worden door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

4.4.7.1.1, § 3

Vanaf 1 januari 2014 moet de exploitant procedures en instructies voor de beheersing van de niet-geleide stofemissies ter beschikking hebben voor het eigen personeel en voor het personeel van derden die op de inrichting activiteiten uitvoeren met een potentiële impact op de stofemissies.

4.4.7.2.10, § 1, 1°

De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in het aanvraagformulier, op voor de volgende inrichtingen :

1° inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m² grondoppervlakte.

4.4.7.2.10, § 1, 1°

(…) of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;

4.4.7.2.10, § 1, 2°

De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in het aanvraagformulier, op voor de volgende inrichtingen :

2° inrichtingen met een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700.000 ton per jaar.

4.4.7.2.10, § 1, 2°

of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

4.4.7.2.10, § 2, eerste zin

Bij een toename van de opslagcapaciteit of de overslaghoeveelheden met 50 % of meer ten opzichte van de toestand in het meest recente stofrapport of addendum, stelt de exploitant een addendum bij het bestaande stofrapport, als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning op.

4.4.7.2.10, § 2, tweede zin

(…)of wordt per aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

4.6.0.3

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.

4.6.0.4

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.

4.10.1.4, § 1

De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.

4.10.1.4, § 2

De exploitant van een BKG-installatie controleert regelmatig of het monitoringplan, zoals vermeld in paragraaf 1, overeenstemt met de aard en het functioneren van de installatie, en of de monitoringmethode vatbaar is voor verbetering. De exploitant van een BKG-installatie actualiseert het monitoringplan conform artikel 14 en 15 van de uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie.

4.10.1.4, § 3

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, stelt de exploitant van elke afgesplitste omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit een monitoringplan op voor het deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van de afgesplitste vergunning gelegen is.

4.10.1.4, § 4, eerste volzin

In voorkomend geval loopt de bewaking, vermeld in paragraaf 1, door voor het volledige kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet conform artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 over verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties voor de periode 2021-2030.

4.10.1.5, § 1

Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.

4.10.1.5, § 2, eerste volzin

De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig de uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.

4.10.1.6

Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in.

4.10.1.7, §1bis De exploitant van een BKG-installatie controleert regelmatig of het monitoringmethodiekplan, zoals vermeld in paragraaf 1, overeenstemt met de aard en het functioneren van de installatie, en of de monitoringmethode vatbaar is voor verbetering. De exploitant van een BKG-installatie actualiseert het monitoringmethodiekplan conform artikel 9 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.

5.2.1.5, § 1

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactiviteiten worden verwerkt, wordt bij de ingang van de inrichting een uithangbord van minstens 1 m2 grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen:
1° de aard van de inrichting;

2° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;

3° de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ...";
4° de normale openingsuren;

5° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;

6° bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer;

5.2.1.5, § 3

Voldoende parkeerruimte voor voertuigen en vrachtwagens wordt aangelegd.

5.2.1.6, § 7

Het is verboden dieren vrij te laten rondlopen in de inrichting.

5.2.1.8, § 2

De exploitant is ertoe gehouden een voldoende verzekering aan te gaan inzake burgerlijke aansprakelijkheid.

5.2.2.3.4

De exploitant houdt een compostdagboek bij met vermelding van gegevens inzake temperatuurmetingen, data van het omzetten en afoogsten.

5.2.2.4bis.8

Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen:

1° “toegang verboden voor onbevoegden”;

2° de aard van de inrichting;

3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;

4° de normale openingsuren;

5° de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;

6° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;

7° bij brand of onheil: het telefoonnummer van de brandweer.

5.2.2.8.6, § 1

De exploitant van een vergunde opslagplaats voor afgewerkte olie stelt een bankgarantie ten gunste van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

5.2.2.8.6, § 3

De bankgarantie kan mits akkoord van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gelicht worden wanneer overeenkomstig de bepalingen van dit reglement en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit alle afgewerkte olie uit de inrichting is verwijderd en de exploitant geen nieuwe afgewerkte olie meer aanvoert in de inrichting.

5.2.3bis.1.36, § 1

Alle verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties moeten een informatiepunt oprichten waar men terecht kan met vragen en klachten over de installatie.

5.2.3bis.1.36, § 2

De exploitant verzorgt tenminste jaarlijks een informatie en duidingsdag over de werking van de installatie ten behoeve van de omwonenden, waarop het jaarlijks rapport wordt voorgesteld.

5.2.3bis.1.36, § 3, tweede zin

De commissie is evenredig samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichting, de overheid en omwonenden, zo nodig aangevuld met één of meer onafhankelijke deskundigen.

5.2.4.3.3, § 9

De uitvoering van de voorbereidende infrastructuurwerken kan gefaseerd worden overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan.

5.2.4.6.3, § 5, eerste volzin

Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens in verband met zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat.

5.2.4.6.3, § 5, tweede volzin

Deze fiche wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

5.2.4.6.6, § 2

Alle documenten die de informatie bevatten, als vermeld in paragraaf 1 en artikel 5.2.4.1.11/1, inclusief het certificaat dat het vat begeleidt, alsook de registers met betrekking tot het uitslaan en de verzending van metallisch kwik na de tijdelijke opslag ervan en de bestemming en de voorgenomen behandeling, worden gedurende ten minste drie jaar na het einde van de opslag bewaard.

5.2.4.7.1, § 4, eerste volzin

Het voorstel van financiële zekerheden wordt aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij toegestuurd of afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

5.2.5.7.1, § 4, eerste volzin

Het voorstel van financiële zekerheden wordt naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd of wordt afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

5.4.1.4, § 1

De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:
1° gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen producten:
per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;
2° gegevens omtrent de opslag:
per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze producten in de inrichting zijn opgeslagen;
3° gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting:
per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:
a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;
b) de naam van degene aan wie het product werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid.

5.4.1.4, § 2

Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.

5.4.2.3bis, § 3

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.

5.4.3.1.4, § 6

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.

5.4.3.2.3, § 4, eerste lid

In afwijking van de algemene bepalingen inzake meetstrategie zijn periodieke meetverplichtingen voor het spuiten niet vereist als de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder houdt, waarin aangetoond wordt dat aan de emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm3 voor het spuiten, vermeld in paragraaf 3, voldaan is.

5.4.3.2.3, § 4, tweede lid

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

5.4.3.2.3, § 8

Alle droge, stofferige materialen moeten in gesloten recipiënten worden bewaard

5.4.3.2.4, § 1, eerste lid, eerste zin

Alle spuitwerk moet worden uitgevoerd met toestellen die een aanbrengrendement hebben van ten minste 65 %.

5.4.3.2.4, § 1, eerste lid, tweede zin

Tijdens het spuiten wordt de luchttoevoer ingesteld zodat een druk van 70 kPa aan de luchtkap van het spuitpistool niet overschreden wordt.

5.4.3.2.4, § 1, eerste lid, derde zin

Elke inrichting beschikt over een meettoestel om die druk te kunnen meten.

5.4.3.2.4, § 1, tweede lid

Andere spuitapparatuur mag gebruikt worden, als aangetoond kan worden dat bedekkingsmiddelen kunnen worden aangebracht met een spuitrendement van ten minste 65 %.

5.4.3.2.4, § 2

Bij het reinigen van spuitpistolen en -installaties moet steeds een recipiënt aangebracht worden om de spoelvloeistoffen op te vangen. Als hierbij organische oplosmiddelen gebruikt worden, moet de reiniging steeds in een volledig gesloten automatisch reinigingsapparaat gebeuren, of in een andere schoonmaakmachine met gelijke of lagere emissies.

5.4.3.2.4, § 3

Testen van het spuitpistool en proefspuiten na het schoonmaken moet worden uitgevoerd in de schoonmaakmachine die een afzuiging bevat, of in een aparte ruimte die ook voorzien is van een afzuiging.

Bovendien moet een recipiënt worden aangebracht om de verspoten bedekkings- of schoonmaakmiddelen op te vangen.

5.4.3.2.4, § 4, eerste zin

Recipiënten die oplosmiddelhoudende producten of afval bevatten, moeten goed gesloten worden bewaard.

5.4.3.2.4, § 4, tweede zin

Schoonmaakdoeken die doordrenkt zijn met organische oplosmiddelen moeten na gebruik in gesloten containers worden bewaard.

5.4.3.2.4, § 5

Washprimers op basis van organische oplosmiddelen mogen enkel worden gebruikt als ze noodzakelijk zijn voor de aanhechting van opeenvolgende lagen op blote metalen, op aluminium, zinkplaat of gegalvaniseerde metalen. Het gebruik van zulke washprimers moet worden beperkt tot ten hoogste 5 volumepercent van alle bedekkingsmiddelen, uitgezonderd wanneer beitsprimer wordt aangebracht als eerste laag op aluminium en uitgezonderd voor voertuigen met een massa die groter is dan 3,5 ton.

5.4.4.2, § 8

De exploitant is er toe gehouden een voldoende verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid aan te gaan.

5.5.1.3, § 1

Tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij de ingang van inrichtingen als vermeld in rubriek 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 van de indelingslijst, een identificatie- en informatiebord van ten minste 1 m2 aangebracht waarop duidelijk leesbaar ten minste de volgende vermeldingen voorkomen :

1° “PESTICIDEN”;

2° naam, adres en telefoonnummer van de exploitant.

5.5.1.4, § 3, eerste lid

De exploitant van een inrichting waar pesticiden geformuleerd worden, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, tenzij het anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, ten minste de volgende gegevens worden vermeld :

1° de hoeveelheid actieve stoffen, uitgedrukt in kilogram of ton 100 % actief, die in de inrichting wordt geproduceerd of verwerkt;

2° gegevens over de afvoer uit de inrichting :

a) de hoeveelheid die als afval wordt verwijderd;

b) de hoeveelheid die als product of grondstof aan derden is geleverd.

5.5.1.4, § 3, tweede lid

Die gegevens worden zo opgeslagen dat het op elk ogenblik mogelijk is om de hoeveelheden pesticiden die in het bedrijf aanwezig zijn, te bepalen.

5.5.2.5

De exploitant houdt een gebruiksregister bij (afzonderlijk of in combinatie met een ander register) waarin de gegevens kunnen worden gekoppeld aan de uitgevoerde bespuitingen en gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. In dat register worden de volgende gegevens genoteerd, met de vermelding van datum :

1° de hoeveelheid te behandelen restvloeistoffen;

2° de hoeveelheid opgeslagen en hergebruikte gezuiverde vloeistoffen en hun bestemming;

3° bij biologische behandeling, de hoeveelheid en de afvoerwijze van het substraat;

4° bij fysico-chemische zuivering, de hoeveelheid en de afvoerwijze van de vaste restanten;

5° de vaststelling en omschrijving van een onregelmatigheid en de genomen herstelmaatregelen.

5.6.2.3.3, § 9

In een benzinestation dat uitgerust is met een fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt op de benzinepomp of in de buurt van de benzinepomp een uithangbord, een zelfklever of een andere melding aangebracht om de consumenten daarvan op de hoogte te brengen.

5.6.2.3.4, § 5

Het resultaat van de testen, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, alsook de datum waarop die testen uitgevoerd zijn, worden genoteerd in het verslag van de milieucoördinator, vermeld in artikel 4.1.9.1.3, §3.

5.6.2.3.6, § 1

De initiële controle, de algemene en de beperkte onderzoeken, de metingen en de testen, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, paragraaf 2 tot en met 5 en in artikel 5.6.2.3.5, worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige.

In afwijking van het eerste lid kan de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, uitgevoerd worden door de milieucoördinator of door de exploitant in aanwezigheid van de milieucoördinator.

5.6.2.3.6, § 3

De deskundige stelt van elke controle, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, paragraaf 2 en 3 en in artikel 5.6.2.3.5, in voorkomend geval met inbegrip van de test, vermeld in bijlage 5.6.3, punt 6, een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of het fase II-benzinedampterugwinningssysteem voldoet aan de voorschriften van het reglement.

De attesten, vermeld in het eerste lid, bevatten de volgende gegevens:

1° de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken en metingen; 

2° het erkenningsnummer van de deskundige die het attest heeft opgesteld;

3° de naam en de handtekening van de deskundige die het attest heeft opgesteld.

5.6.2.3.8, § 1

De exploitant geeft uiterlijk drie maanden na de datum van de ingebruikname van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem de volgende gegevens door aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:

1° naam en adres van de exploitant;

2° referentie(s) van de lopende vergunning(en);

3° aantal verdeelzuilen, pompen en vulpistolen voor benzine;

4° type fase II-benzinedampterugwinningssysteem;

5° datum van ingebruikname van het systeem;

6° kopie van het certificaat van het systeem, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §1;

7° attest van de initiële controle, vermeld in artikel 5.6.2.3.4, §2;

8° orde van de grootte van het debiet.

5.9.2.1bis, § 2, laatste zin

Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.9.2.3, § 6, laatste zin

Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.9.7.1, § 3

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid.

5.9.8.1, § 2

Ramen blijven gesloten voor zover zij geen functie hebben bij de luchtverversing. Buitendeuren die conceptueel geen functie hebben bij de luchtverversing zijn enkel open voor doorgang van personen, dieren of goederen of in geval van overmacht.

5.9.11.1

De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking.

5.16.1.9, § 1

Het attest, vermeld in artikel 5.16.1.8, bevat :

1° de gedetailleerde opgave van de gedane controles en beproevingen, die de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zelf heeft uitgevoerd alsmede van de hierbij gedane relevante vaststellingen;

2° in het geval hij beslist heeft een drukweerstandsproef uit te voeren, de motivatie van deze beslissing;

3° het ondubbelzinnige besluit dat :

a) de installatie wel of niet voldoet aan de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.16 van titel II van het Vlarem, aan de bijzondere vergunningsvoorwaarden alsmede aan alle andere eisen die de goede en veilige werking van de installatie moeten waarborgen;

b) de goede werking van de installatie wel of niet in het gedrang wordt gebracht door de opstelling ervan, door de voorziene gebruiksomstandigheden of door enig ander zichtbaar gebrek;

4° bij een tekort : of de installatie al dan niet in werking mag gesteld werden en zo ja binnen welke termijn deze tekorten moeten verholpen worden en welke voorzorgsmaatregelen de exploitant dient te treffen om ondertussen een aanvaardbaar veiligheidspeil te waarborgen;

5° bij het ontbreken van een gebruiksaanwijzing, een opsomming van de vereiste veiligheidsvoorzieningen en onderhoudshandelingen;

6° de termijn waarbinnen de inrichting aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden om in dienst te mogen blijven met in acht name van de maximumtermijnen vastgesteld in dit hoofdstuk.

5.16.2.2.4, laatste zin

Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.16.3.3, § 2, 1°

De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, (...).

5.16.3.3, § 3, 2°, laatste zin

De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder.

5.16.3.3, § 3, 4°

(...) De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. (...)

5.16.3.3, § 7, 2°

Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd.

5.16.3.3, § 8, 2°

De beheerder van een koelinstallatie of een warmtepomp moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de installatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
 a) de datum van ingebruikname van de installatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel- en installatiewerkzaamheden die aan een installatie worden verricht;
c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de installatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een installatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;
e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een installatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
h) indien de installatie buiten dienst is gesteld: de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het erkenningsnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.

5.16.3.3, § 8, 3°

Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden:
a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;
b) het in sub 2° bedoelde logboek.

5.16.4.1.3, § 3, 1°, laatste zin

De testresultaten worden genoteerd in een notitieboek dat ter beschikking wordt gehouden van de toezichthouder alsmede van de erkende milieudeskundige belast met de in sub 2° vermelde controles.

5.16.4.1.3, § 3, 2°, derde lid

Het voormelde controleverslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.16.4.3.3, § 2, eerste zin

Aan al de toegangen tot de in § 1 bedoelde zone zijn op zichtbare wijze berichten aangeplakt betreffende het verbod te roken of vuur te maken en het verbod er binnen te treden zonder dienstredenen.

5.16.4.3.3, § 2, tweede zin

Voormelde toegangen zijn voorzien van deuren die buiten de exploitatie-uren op slot zijn.

5.16.4.3.6, § 3, eerste zin

(...) verslagen (...) die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.16.4.4.2, § 5

De vulplaats dient voldoende verlicht.

5.16.4.4.3, § 3

Het in § 2 vermelde rookverbod alsmede de verplichting de motors van de voertuigen tijdens de bevoorrading te stoppen moeten duidelijk zichtbaar worden uitgehangen.

5.16.4.4.7, § 6

Voor selfservice-installaties moeten duidelijke instructies, met verklarende tekeningen, goed zichtbaar worden uitgehangen ten behoeve van de verbruiker, aan de tankzuil en ook in de controlecabine.

5.16.4.4.7, § 7

Duidelijke en nauwkeurige veiligheids- en ingreepinstructies moeten doorlopend uithangen in de controlecabine van het tankstation.

5.16.7.8, § 1

De exploitant houdt de resultaten van de keuring bij ingebruikname ter inzage van de toezichthouder en dit tot na verwijdering van de aflevereenheid. De exploitant houdt de resultaten van de periodiek voorgeschreven metingen, keuringen en controles bij ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle van de aflevereenheid beschikbaar zijn.

5.17.1.1, § 1

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt bij de ingang van een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst, een identificatie- en informatiebord van tenminste 1 m² grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar ten minste de volgende vermeldingen voorkomen:

1° “VR-PLICHTIGE INRICHTING” als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, dan wel “GEVAARLIJKE PRODUCTEN” als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.1 van de indelingslijst;

2° de naam, het adres en telefoonnummer van de exploitant;

3° het telefoonnummer van contactpersonen en voor noodgevallen (brandweer).

5.17.1.1, § 2

Bij de toegang tot een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst, bevindt zich een actueel situatieplan van de inrichting in een voor de hulpdiensten gemakkelijk bereikbare brandvrije kast. Op dit situatieplan is voor alle opslagplaatsen van gevaarlijke producten, aanwezig in de inrichting, duidelijk aangeduid:

1° de juiste liggingsplaats;

2° de chemische of technische benaming van het gevaarlijke product, met de vermelding van het gevarenpictogram/de gevarenpictogrammen volgens de CLP-verordening, en van het UN-nummer;

3° de vermelding of het gaat om een opslag in :

  a) verplaatsbare recipiënten;

  b) vaste bovengrondse houders;

  c) rechtstreeks in de grond ingegraven houders;

  d) in een groeve geplaatste houders;

4° de maximum opslagcapaciteit in ton of m³;

5° de normale opslagtemperatuur in °C en de opslagdruk in Pa.

5.17.1.1, § 3

De kast, vermeld in paragraaf 2, draagt de vermelding "GS-SITUATIEPLAN", in zwarte letters van ten minste 8 cm hoogte op een gele achtergrond. In geval deze kast op slot wordt gehouden, wordt ofwel:

1° de desbetreffende vergrendelingssleutel in de onmiddellijke nabijheid van de kast bewaard achter een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken;

2° de kast afgesloten met een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken.

5.17.1.1, § 4

Van de bepalingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, mag worden afgeweken als in een alternatief systeem voorzien wordt, aanvaard door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, dat op gebied van informatie minstens dezelfde waarborgen biedt.

5.17.1.1, § 5

De nodige voorzieningen worden aangebracht om de inrichting ontoegankelijk te maken voor onbevoegden.

5.17.3.2.9, § 3

De aanwezigheid van gassen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 (groep 1), en het verbod tot roken en vuur te maken wordt door reglementaire pictogrammen aangeduid.

5.17.3.2.10, § 2

Een duidelijk zichtbaar bericht verbiedt de toegang tot de opslagplaats aan de personen die vreemd zijn aan de inrichting en aan diegenen die er niet door hun beroepsbezigheden geroepen zijn.

5.17.3.3.6

De houder draagt op een, rekening gehouden met zijn bestemming, bereikbare plaats, een vastgelaste stalen plaat, waarop volgende aanduidingen geslagen zijn:

1° naam of kenteken van de constructeur;

2° volgnummer;

3° inhoudsvermogen;

4° maximale dienstdruk;

5° beproevingsdruk;

6° de letter E gevolgd door de datum van deze beproeving en de ijkstempel van de milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

De plaat omvat een vrije oppervlakte die toelaat vijfmaal de beproevingsdatum en ijkstempel te slaan.

Als de houder bestemd is om ingegraven te worden en als de plaat hierdoor gevaar loopt onzichtbaar te worden, zijn de hierboven vermelde merken eveneens op de snede van het mangat geslagen.

5.17.3.3.7

De milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen stelt een attest van goedkeuring op dat de door de constructeur verstrekte documenten, de gedetailleerde opgave van de controles, nazichten, onderzoeken en beproevingen, welke hij zelf uitgevoerd heeft, vermeldt.

In het attest van goedkeuring besluit de erkende milieudeskundige zonder dubbelzinnigheid dat de houder al of niet in overeenstemming is met de voorschriften van een code van goede praktijk in functie van het in de houder op te slagen gas.

5.17.3.3.12, § 8

Het aanbrengen van iedere wijziging aan de houder en het lassen van bijhorigheden op de houder moeten aan de voorafgaande toestemming van een erkende milieudeskundige onderworpen worden.

5.17.4.2.2, § 1

Op een duidelijk zichtbare en goed bereikbare plaats bij de houder, wordt een kenplaat aangebracht conform bijlage 5.17.2.

5.17.4.2.2, § 2, eerste en tweede lid

Nabij de vulopening en nabij het mangat worden de volgende aanduidingen aangebracht :

1° het nummer van de houder;

2° de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;

3° de gevarenpictogrammen;

4° het waterinhoudsvermogen van de houder.

De aanduidingen moeten duidelijk leesbaar zijn.

5.17.4.2.6, § 2

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", ondertekend door de constructeur en opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

De houders zijn voorzien van een kenplaat, aangebracht door de constructeur.

5.17.4.3.3, § 2

De exploitant beschikt voor elke houder over een "verklaring van conformiteit van de houder", ondertekend door de constructeur en opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.

De houders zijn voorzien van de kenplaat, aangebracht door de constructeur.

5.17.4.3.5, § 1

Op de vaste houder wordt op een zichtbare en goed bereikbare plaats een kenplaat aangebracht, conform bijlage 5.17.2.

5.17.4.3.5, § 2, eerste lid

Nabij de vulopening en op een goed zichtbare plaats op de vaste houder worden de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar aangebracht :

1° het nummer van de houder;

2° de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;

3° de gevarenpictogrammen;

4° het waterinhoudsvermogen van de houder.

5.17.4.3.15, § 1

De exploitant van een tankenpark houdt op oordeelkundige plaatsen in de inrichting een dossier ter beschikking van de bevoegde brandweer, met ten minste de volgende gegevens:

1° een plan van het tankenpark en de toegangswegen;

2° een beschrijving van de brandbestrijdingsmiddelen met aanduiding ervan op een plan;

3° een beschrijving van de opgeslagen producten met de voornaamste fysische en chemische eigenschappen (gevarenkaarten) met de vermelding van de indeling volgens de CLP-verordening, van het UN- nummer en van de ADR-code;

4° het waterinhoudsvermogen van de houders;

5° de samenstelling van de eventuele eigen brandweerdienst.

Elke andere evenwaardige manier van informatieverstrekking is toegelaten mits het akkoord van de toezichthouder en van de bevoegde brandweer.

5.17.4.3.16, § 3

De periodieke onderzoeken worden uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkende stookolietechnicus.

5.17.4.3.16, § 4

Voor de houders gelegen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones kan van deze termijn, vermeld in paragraaf 1 en 2, afgeweken worden bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur in te schatten van de tank. De erkenning van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.

5.18.1.1, § 3

De exploitant houdt een afschrift van de vergunningsbesluiten en de bijhorende plannen waarop de vergunde kadastrale percelen duidelijk zijn aangegeven, ter inzage van de toezichthouders.

5.18.1.1, § 5, eerste lid

De naam van die verantwoordelijke persoon wordt door de exploitant aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen schriftelijk meegedeeld.

5.18.1.2, § 4

De exploitant stelt een voortgangsrapport op, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet.

5.18.2.1.1, laatste zin

De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.

5.18.2.2.1

De toegang tot de ontginning wordt verboden door borden die op oordeelkundig gekozen plaatsen worden opgesteld en duidelijk vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. In overleg met de burgemeester wordt voor de plaatsen die een groot gevaar voor het publiek vormen, bepaald waar en hoe de ontginning afgeschermd moet worden.

5.19.2.1.1, § 9

In de onmiddellijke omgeving van de drenkkuipen worden de toepasselijke reglementaire pictogrammen aangebracht.

5.19.2.3.3, 3°

de exploitant houdt ter beschikking van de toezichthouders, een attest (...)

5.19.2.3.4, § 3, derde lid, eerste volzin

De exploitant houdt een controleprogramma ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar.

5.19.2.3.4, § 4

De data van de in § 3 bedoelde controles, de meetresultaten en andere vaststellingen alsmede de eventueel uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties, worden in een register ingeschreven dat, samen met de controleverslagen, ter beschikking gehouden wordt van de toezichthouder.

5.20.2.8, § 3

Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthouder.

5.20.2.8, § 4

Als het totaal geïnstalleerde nominaal thermisch ingangsvermogen in dezelfde vestiging meer dan 300 MW bedraagt, worden in de omgeving van de installaties toestellen voor het meten van de immissies van SO2 en NO2 in de lucht bij de grond door en op kosten van de exploitant geïnstalleerd en onderhouden. Het type, de meetplaats, de wijze van controle en de overige gebruiksvoorwaarden van die toestellen worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

5.28.2.3, § 7, tweede lid, eerste volzin

De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning.

5.28.3.2.1, § 1, laatste zin

De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

5.28.3.2.3, § 1

De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste:
1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) [...];
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.
2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte);
c) de bestemming van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) [...];
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.
3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing):
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;
b) de aard van de afgewerkte producten;
c) de bestemming van de afgewerkte producten;
d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten;
f) [...];
4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) [...];
g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;
5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting;
6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;
b) de aard van de andere (grond)stoffen;
c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;
d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen;
e) [...].

5.28.3.2.3, § 3

Het register, bedoeld in § 1, ligt ter inzage van de toezichthouders.

5.28.3.2.4, § 1

De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest en de hoeveelheid aangevoerde andere (grond)stoffen moeten in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor wat betreft de dierlijke mest per type. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De hoeveelheid aangevoerde dierlijke mest wordt eveneens getotaliseerd per Mestbanknummer per kalenderjaar.

5.29.0.6, § 1, vijfde lid, laatste zin

Het tijdstip en de uitvoerder van de metingen worden uiterlijk 72 uur voor de aanvang van de metingen per faxbericht gemeld aan de toezichthouder.

5.32.1.3, tweede lid

Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder.

5.32.2.2bis, § 2, 3°, tweede lid

De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder gedurende een periode van ten minste een maand.

5.32.2.2bis, § 2, 5°, a)

De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:
a) het vrij en kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik.

5.32.2.2bis, § 2, 4°, b)

De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:
b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid;
2) de meetplaats;
3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen;
4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt;
5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek.
Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.

5.32.2.3, § 1, derde lid

De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen.

5.32.2.3, § 3

De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.

5.32.3.8, § 5, laatste twee volzinnen

Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

5.32.4.2, § 6, laatste volzin

Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

5.32.7.2.10, § 3

Aanduidingen die een rookverbod opleggen, moeten op goed zichtbare plaatsen aangebracht worden.

5.32.7bis.3.1, eerste lid

Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst wordt ter inzage gehouden voor de toezichthouder.

5.32.8.4.2.1, tweede lid De exploitant houdt die risicobeoordeling ter inzage van de toezichthouder 
5.32.8.5.4, tweede lid De exploitant houdt die risicobeoordeling ter inzage van de toezichthouder 

5.32.9.4.2, § 4

De filters worden ten minste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het bad en wel zo dat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

5.32.9.4.2, § 5

Indien op het circuit van de hot whirlpool een afzonderlijke bufferbak is voorzien, wordt deze tijdig en ten minste eenmaal per jaar gereinigd.

5.32.9.7.3, § 4

De filters worden tenminste tweemaal per week gespoeld buiten de openingsuren van het zwembad en wel zo dat het filtermateriaal in fluïdisatie komt.

5.32.9.8.1, §2, tweede lid

Dit reglement hangt uit op goed zichtbare plaatsen in de inrichting samen met de meest recente meetresultaten van de uitgevoerde bemonsteringen van het water. De inrichting wordt voorzien van een veilige en gemakkelijk toegankelijke aanlijnmogelijkheid (voor assistentiehonden).

5.32.10.1, § 3, tweede lid, tweede zin

Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld

5.32.10.5, § 3

Door middel van waarschuwingsborden moeten de klanten geïnformeerd worden over volgende risico’s :

1° wegens de mogelijkheid van verhoogde koolstofmonoxideniveaus is de aanwezigheid in de racehall af te raden voor zwangeren, jonge kinderen en hartlijders;

2° wegens verhoogde geluidsniveaus is het dragen van gehoorbeschermers in de racehall wenselijk.

5.33.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.33.0.2, § 2, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.33.0.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.35.1.2, § 1

De inrichting bestaat uit tenminste de volgende ruimten:

1° een plaats bestemd voor het in- en uitladen van de lijken;

2° een lokaal bestemd voor de lijkverzorging, in voorkomend geval met inbegrip van de balseming;

3° een bewaarruimte voor de lijken, die ofwel is ingericht in het lokaal bedoeld in sub 2°, ofwel met dit lokaal in rechtstreekse verbinding staat;

4° een lokaal bestemd voor het opbaren van de lijken;

5° een wachtkamer voorzien van een vestiaire en een toilet ten behoeve van de bezoekers.

5.35.1.2, § 2

De schikking van de plaats bedoeld in § 1, sub 1° is zodanig dat het laden en lossen van de lijken aan het zicht van derden is onttrokken.

5.35.1.2, § 4

De inrichting wordt uitsluitend gebruikt voor het bewaren en opbaren van lijken. Elke andere activiteit die verband houdt met de begrafenisonderneming dient in lokalen te gebeuren die niet in rechtstreekse verbinding staan met de lokalen vermeld in § 1, sub 2° en sub 3°.

5.35.1.3, § 1

De bewaarruimte voor lijken is voldoende ruim om het aantal lijken te bevatten waarvoor de toelating in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is verleend.

5.35.1.4, § 1

Het lokaal bestemd voor het opbaren van de lijken heeft een afzonderlijke ingang voor de bezoekers, volledig gescheiden van de lokalen bestemd voor de lijkverzorging en de bewaarruimte.

5.35.1.4, § 2

Het lokaal bestemd voor het opbaren van de lijken wordt bereikt langs de in artikel 5.35.1.2., § 1, sub 5° bedoelde wachtkamer.

5.35.2.1, § 1

Het lokaal bestemd voor de lijkverzorging is voldoende groot om toe te laten dat alle manipulaties aan en met de lijken op een veilige manier kunnen worden uitgevoerd.

5.35.2.2, § 2

Dieren, tenzij assistentiehonden, worden in de inrichting niet toegelaten.

5.35.2.2, § 3

Elke activiteit bij de verzorging van de lijken gebeurt derwijze dat zij geheel aan het zicht van buitenuit is onttrokken.

5.35.3.1, § 1

Het lokaal bestemd voor de lijkverzorging is voldoende groot om toe te laten dat alle manipulaties aan en met de lijken op een veilige manier kunnen worden uitgevoerd.

5.35.3.2, § 2

Dieren, tenzij assistentiehonden, worden in de inrichting niet toegelaten.

5.35.3.2, § 3

Elke activiteit bij de verzorging van de lijken gebeurt derwijze dat zij geheel aan het zicht van buitenuit is onttrokken.

5.36.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.36.0.2, § 2, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.36.0.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.2, § 2, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.2, § 4, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.3, § 5, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.41.1.3, § 1, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.41.1.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.41.2.2, § 4, eerste lid, eerste zin

Voor elke machine die gebruik maakt van tetrachlooretheen als reinigingsmiddel houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder, waarin aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 of 3, voldaan is.

5.41.2.2, § 4, tweede lid

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

5.41.2.3, § 3, laatste zin

Dat logboek wordt voor een periode van minstens 5 jaar na de laatste registratie bewaard en ter inzage van de toezichthoudende overheid gehouden.

5.43.2.30, § 2

Als voor de bestrijding van de emissie van stof, NOx of SO2 nageschakelde zuiveringstechnieken worden gebruikt om aan de emissiegrenswaarden te voldoen, toont de exploitant op onbetwistbare wijze aan dat die nageschakelde zuiveringstechnieken operationeel zijn gedurende de werking van de stookinstallatie

5.43.2.32, eerste lid

De meet- of berekeningsresultaten worden ter inzage van de toezichthouder gehouden.

5.43.2.32, tweede lid

De exploitant registreert, verwerkt en presenteert de resultaten, vermeld in het eerste lid, op zodanige wijze dat de toezichthouder kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.

5.43.2.36, 1°

de toezichthouder wordt vooraf op de hoogte gebracht van de datum en de uitvoerder van periodieke metingen. Als de meting niet uitgevoerd kan worden op het doorgegeven tijdstip, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan uiterlijk 24 uren op voorhand op de hoogte;

5.43.2.36, 2°

voor continue metingen bezorgt de exploitant maandelijks het overzicht van de resultaten aan de toezichthouder. De resultaten van de metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk bezorgd, bij voorkeur binnen een maand na de uitvoering van de metingen.

5.43.3.30, §2

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, op de hoogte van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen.

5.43.3.31, eerste lid

De meet- of berekeningsresultaten worden ter inzage van de toezichthouder gehouden.

5.43.3.31, tweede lid

De exploitant registreert, verwerkt en presenteert die resultaten op zodanige wijze dat de toezichthouder kan controleren of de exploitatievoorwaarden en de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in de vergunning worden nageleefd.

5.43.3.31, derde lid

Voor continue metingen, uitgevoerd op stookinstallaties waarin biomassa wordt verbrand, bezorgt de exploitant maandelijks het overzicht van de resultaten aan de toezichthouder.

5.43.3.31, laatste lid

De resultaten van de metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk bezorgd, bij voorkeur binnen een maand na de uitvoering van de metingen.

5.43.3.32

Voor stookinstallaties waarin biomassa wordt verbrand, wordt de toezichthouder vooraf op de hoogte gebracht van de datum en de uitvoerder van de periodieke metingen.

5.43.4.2, eerste lid

Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof en van de uren van buitengebruikstelling, alsook iedere andere verandering die de toepasselijke emissiegrenswaarden beïnvloedt, wordt ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthoudende overheid.

5.51.4.1

De gebruiker houdt het verslag van de risicoanalyse en een register met GGO's en pathogene organismen, aangewend in het kader van ingeperkt gebruik, ter beschikking van de toezichthouders en de bevoegde instantie.

5.51.4.2, § 2, tweede lid, laatste zin

Dat controleprogramma moet ter beschikking gehouden worden van de toezichthoudende overheid.

5.53.3.2, § 1

De meetinrichting is ofwel:

1° een vleugelradmeter of meter met schroef van het Woltman type;

2° een dynamische turbinemeter;

3° een elektromagnetische meter;

4° een ultrasone meter;

5° een gecombineerde meter: een meter die binnen hetzelfde huis een combinatie is van meters, bedoeld in 1° tot en met 4°.

5.53.3.2, § 2

Een andere meter of meetmethode dan deze vermeld in § 1 is toegelaten mits gemotiveerde aanvraag door de exploitant en uitdrukkelijke toestemming van de vergunningverlenende overheid.

5.53.3.3, § 4

Op elke meter staan volgende aanduidingen:

1° de naam van de fabricant of het merk van de meter;

2° het bouwjaar en het fabricagenummer;

3° de vermelding van de stroomrichting;

4° de maximale bedrijfsdruk indien deze hoger kan zijn dan 10 bar.

Op koudwatermeters, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 18 februari 1977 betreffende de koudwatermeters, moeten bovendien ook volgende gegevens vermeld staan:

1° de metrologische klasse en het nominaal meetvermogen;

2° het modelgoedkeuringsteken;

3° het ijkmerkteken.

5.53.3.3, § 5

(...) een attest (...) dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. (...)

5.53.3.3, § 6

(...) De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. (...)

5.53.3.3, § 9

De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.

5.53.4.6, § 2.

De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

5.53.4.7

De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

5.53.4.8

Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater : 1° ...; 2° ...; 3° ...; 4° ...; 5° ...; 6° ...; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° ...; 9° ...; 10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef; 11° ....

5.53.6.3.1, § 4

De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

5.53.6.3.2

De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud:

1° de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan;
2° de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;
3° bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand.
De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.54.3, § 2

De exploitant houdt met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin worden ingeschreven:
1° de resultaten van de peilmetingen, bedoeld in § 1, samen met het peil in het infiltratiepand;
2° gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen, de hoeveelheid water die tijdens de 24 uren voorafgaand aan de wekelijkse peilmetingen kunstmatig werd aangevuld;
3° de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig werd aangevuld.
Het register wordt door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.3, § 3

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 2, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.54.4, § 2, derde lid

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in het eerste lid, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.5, § 2

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in § 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.5, § 3

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 1, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.57.1.2, § 1

Rondom een vliegveld, ingedeeld in de eerste klasse, worden de volgende geluidscontouren berekend:

1° Lday-geluidscontouren voor een weergave van de geluidsbelasting overdag:

waarin:

T = aantal seconden gedurende de dag

Nd = aantal vliegtuigbewegingen overdag tijdens het jaargemiddelde etmaal

i = index die de i-de gemiddelde vliegtuigbeweging overdag weergeeft

LAE(i) = SEL resulterend uit de vliegtuigbeweging i, uitgedrukt in dB(A)

Dag = periode van 07u00 tot 19u00

2° Levening-geluidscontouren voor een weergave van de geluidsbelasting ’s avonds:

waarin:

T = aantal seconden gedurende de avond

Ne = aantal vliegtuigbewegingen ’s avonds tijdens het jaargemiddelde etmaal

k = index die de k-de gemiddelde vliegbeweging ’s avonds weergeeft

LAE(k) = SEL resulterend uit de vliegtuigbeweging k, uitgedrukt in dB(A)

Avond = periode van 19u00 tot 23u00

3° Lnight-geluidscontouren voor een weergave van de geluidsbelasting ’s nachts:

 

 

waarin:

T = aantal seconden gedurende de nacht

Nn = aantal vliegtuigbewegingen ’s nachts tijdens het jaargemiddelde etmaal

j = index die de j-de gemiddelde vliegtuigbeweging ’s nachts weergeeft

LAE(j) = SEL resulterend uit de vliegtuigbeweging j, uitgedrukt in dB(A)

Nacht = periode van 23u00 tot 07u00

4° Lden-geluidscontouren ter bepaling van het aantal potentieel sterk gehinderden:

 

5.57.1.2, § 2

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moeten ten minste de volgende geluidscontouren berekend worden:

1° de Lden-geluidscontouren van 55, 60, 65, 70 en 75 dB(A)

2° de LAeq,day-geluidscontouren van 55, 60, 65, 70 en 75 dB(A)

3° de LAeq,evening-geluidscontouren van 50, 55, 60, 65, 70 en 75 dB(A)

4° de Lnight-geluidscontouren van 45, 50, 55, 60, 65 en 70 dB(A)

5.57.1.2, § 3

De geluidscontouren worden berekend met het simulatieprogramma “Integrated Noise Model” (INM) versie 6.0c [of met een recentere versie] van de Amerikaanse “Federal Aviation Administration” (FAA).

Nd, Ne en Nn worden bepaald op basis van de vluchten voor een volledig jaar; ze worden per vliegtuigtype berekend voor de verschillende vliegroutes (landen en opstijgen) en voor de dagperiode, de avondperiode en de nachtperiode afzonderlijk.

5.57.1.2, § 5

Binnen de verschillende Lden-geluidszones wordt het aantal potentieel sterk gehinderden bepaald, opgesplitst per betrokken gemeente. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gebeurt de bepaling van het aantal potentieel sterk gehinderden op basis van de formule

 

 

 

5.57.2.2, § 2, tweede lid

De exploitant bezorgt een exemplaar van dit plan:
1° aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
2° aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;
3° aan de afdeling, bevoegd voor de geluidshinder;
4° aan de Bestendige Deputatie van de provincie(s) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken;
5° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(n) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken.

5.57.2.2, § 3

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden het plan, bedoeld in § 2, en de gegevens, bedoeld in artikel 5.57.1.2, § 5, uiterlijk tegen 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarover de berekening gaat, bezorgd aan de in § 2 vermelde instanties.

5.60.3, § 1, laatste zin

De exploitant deelt de naam van die bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

5.60.3, § 4

Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, houdt de exploitant een register bij waarin tenminste de volgende gegevens zijn genoteerd:
1° het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
2° de herkomst en oorsprong van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
3° de vervoerder van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
4° de hoeveelheid aangevoerde niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;

5° opmerkingen over de uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en opmerkingen over de aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodems, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem.

5.60.6

De exploitant meldt elke dreigende instabiliteit die een gevaar voor de omgeving kan vormen, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
De exploitant meldt elke effectieve instabiliteit die een volume van meer dan 250 m³ heeft en waarbij een definitieve helling of de perceelgrens werd aangetast, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.

5.61.2, § 4

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd:
1° voor wat betreft de aanvoer:
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem;
b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem;
c) de vervoerder van de uitgegraven bodem;
d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;
e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem.
2° voor wat betreft de opslag: de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt.
3° voor wat betreft de afvoer:
a) de bestemming van de uitgegraven bodem;
b) de vervoerder van de uitgegraven bodem;
c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;

6.3.0.3

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.

6.3.0.4

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.

6.5.3.1, § 1, 5°

(...) dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

6.5.4.1, eerste zin

Opslaginstallaties dienen geplaatst onder toezicht van een erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

6.5.4.1, tweede en derde zin

Na de plaatsing maar vóór de ingebruikname stelt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen een certificaat op waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de opslaginstallatie voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk.

Dit certificaat vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

6.5.4.2

Voor de bouw van een opslaginstallatie mag enkel gebruik gemaakt zijn van producten en onderdelen waarvan ofwel de overeenkomst met de toepasselijke code van goede praktijk gecertificeerd is door een erkende certificeringsinstelling ofwel na een beproeving overeenkomstig de toepasselijke code van goede praktijk. Voor wat betreft de prefabconstructie bestaande uit een prefab betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, bestaat het certificaat op zijn minst uit een verklaring van de fabrikant welke hij gemachtigd is af te leveren na keuring van een prototype.

6.5.4.3, eerste lid

Binnen de maand na de aanleg van de opslaginstallatie conform de bepalingen van dit hoofdstuk, brengt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen op de houder een duidelijk leesbare en onuitwisbare groene merkplaat aan waarop onuitwisbaar volgende gegevens dienen aangebracht :

 - zijn erkenningsnummer;

 - de datum van de plaatsing van de opslaginstallatie;

 - de uiterste datum van de eerstvolgende controle ingeval van opslag in ondergrondse houder.

6.5.4.4, eerste volzin

Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan.

6.5.4.4, tweede volzin

De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.

6.5.5.2, § 2

Van de termijn, vermeld in § 1, kan worden afgeweken bij gebruik van een controlemethode die toelaat de kwaliteit en de levensduur van de ondergrondse houder in te schatten, waarbij maximaal gezocht wordt naar het detecteren van niet-dichte houders en/of het classificeren van houders naargelang de kwaliteitstoestand.

De aanvaarding van laatstgenoemde controlemethode en de bijhorende criteria om de maximale termijn voor de hercontrole te bepalen, gebeurt door de afdeling Milieu bevoegd voor de omgevingsvergunning en bijkomend moet worden aangetoond dat deze controlemethode als basis dient voor het voorkomen van de milieuschade die kan ontstaan vanaf de eerste controle met dit systeem.

6.10.2.2, § 1, eerste volzin

De exploitatie van een vast opgestelde zendantenne of de verandering van een vast opgestelde zendantenne is verboden zonder conformiteitsattest, met uitzondering van straalverbindingen.

6.10.2.2, § 2, tweede lid, eerste zin In geval van vrijstelling dient de operator vóór de exploitatie een kennisgeving in via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven zoals vermeld in artikel 6.10.2.2bis, § 2.

6.10.2.2, § 2, laatste zin

Voor gemiddelde effectief isotroop uitgestraalde vermogens (EIRP) boven de 20 W is altijd een conformiteitsattest noodzakelijk.

6.10.2.2, § 3, tweede lid, eerste zin In geval van vrijstelling dient de operator vóór de exploitatie een kennisgeving in via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven als vermeld in artikel 6.10.2.2bis, § 2.

6.10.2.2, § 3, laatste zin

Voor gemiddelde effectief isotroop uitgestraalde vermogens (EIRP) boven de 20 W is altijd een conformiteitsattest noodzakelijk.

6.10.2.2, § 5, laatste zin Voor die antennes dient de operator vóór de exploitatie een kennisgeving in via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven als vermeld in artikel 6.10.2.2bis, § 2.
6.10.2.2, § 6 Voor straalverbindingen dient de operator vóór de exploitatie een kennisgeving in via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven als vermeld in artikel 6.10.2.2bis, § 2.

6.10.2.2bis, § 1, eerste zin

Voor de vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.2. en waarvoor een kennisgeving geldt, wordt voorafgaand aan de exploitatie een kennisgeving ingediend via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven.
 

6.10.2.2bis, § 1, tweede zin

Deze kennisgeving bevat volgende elementen:
1° de gegevens van de aanvrager: naam van de aanvrager, naam van de operator, namelijk een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, in voorkomend geval, de roepnaam, telefoonnummer van de aanvrager, e-mailadres van de aanvrager, volledig adres van de aanvrager en site met vast opgestelde zendantennes;
2° de gebruikte frequentie (MHz);
3° in voorkomend geval, de gebruikte technologie en of het gaat om een actief antennesysteem;
4° vermogen, geleverd aan de antenne (dBm);
5° hoogte (centerlijn) ten opzichte van het maaiveld (m);
6° in voorkomend geval, de aanduiding binnen- of buitenantenne;
7° in voorkomend geval, afmetingen van de antenne;
8° in voorkomend geval, de visuele impact;
9° de winst (dBi);
10° in voorkomend geval, azimut (° ), het noorden is nul, het oosten 90 enzovoort (stralingsrichting);
11° antennetype: fabrikant en referentie (indien van toepassing);
12° de coördinaten van de vast opgestelde zendantenne: de coördinaten worden in Lambert72 opgegeven.

6.10.2.8, § 1

Elke operator die een conformiteitsattest aanvraagt, is een retributie verschuldigd.

6.10.2.8, § 4

Een bewijs van betaling van de retributie wordt bij de aanvraag van een conformiteitsattest gevoegd.

Art. 6.10.3.1. § 1, tweede lid

Operatoren van bestaande vast opgestelde zendantennes waarvoor een conformiteitsattest nodig is vanaf 31 juli 2022, beschikken uiterlijk op 31 juli 2023 over een conformiteitsattest conform artikel 6.10.2.1 en artikel 6.10.2.2. In afwijking van artikel 6.10.2.2. mag de exploitatie worden voortgezet.

Art. 6.10.3.1. § 2 Operatoren van bestaande vast opgestelde zendantennes die kennisgevingsplichtig zijn geworden vanaf 31 juli 2022, dienen een kennisgeving in vóór 31 juli 2023. In afwijking van artikel 6.10.2.2bis, § 1, mag de exploitatie worden voortgezet.
Een conformiteitsattest vermeld in artikel 6.10.2.2., afgeleverd voor 31 juli 2022 geldt als kennisgeving vermeld in artikel 6.10.2.2bis.
6.14.3, eerste lid De netbeheerder van een hoogspanningsverbinding houdt een register bij dat de stroombelasting van de hoogspanningsverbindingen in kwartierwaarden bevat. Het voormelde register wordt actueel gehouden en bevat de belastingscijfers voor een periode van minstens één jaar. Als de hoogspanningsverbinding nog geen volledig jaar in gebruik is genomen, bevat het voormelde register alle beschikbare belastingscijfers vanaf de ingebruikname.
6.14.3, tweede lid De netbeheerder houdt het register, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de toezichthouder of het departement. Op verzoek van de toezichthouder of het departement, bezorgt de netbeheerder een kopie van het register, vermeld in het eerste lid, dat is bijgewerkt tot en met de dag van het voormelde verzoek.

Artikel 2. (17/11/2018- ...)

Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

bijlage

wettelijke verplichting

4.2.5.1, C) CONTROLE-INRICHTING BIJ GESLOTEN AFVOER, 1° Debietmeetsysteem, a)

(…) de desbetreffende ijkingsattesten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar;

4.5.2, artikel 2. Uitvoering, tweede lid

Het volledige akoestische onderzoek wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...)

4.5.3, artikel 2. Redactie, tweede lid

Het saneringsplan wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...)

5.30.1, § 5, laatste zin

De resultaten van de emissiemetingen worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.51.4, 4. Algemene maatregelen, punt 10

Bijhouden van adequate registers;

5.51.4, 4. Algemene maatregelen, punt 13

Voorzien in schriftelijke gestandaardiseerde werkprocedures om de veiligheid te waarborgen;

5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.1: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in laboratoria, 4.1.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

 

L1

L2

 

44

beschikken over geschikte registers

 

46

nota voor gebruiksaanwijzing van doeltreffende ontsmettingsmiddelen

 

49

schriftelijke instructies inzake procedures met betrekking tot bioveiligheid

5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.2: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in animalaria, 4.2.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

     

A1

A2

A3

A4

 

46

register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van proefdieren, inoculatie van GGM's enz.)

vereist

vereist

vereist

vereist
 

 

48

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist
 

 

51

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist

5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.3: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in serres en kweekkamers, 4.3.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

     

G1

G2

G2-Q

G3

 

39

register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van planten, inoculatie van GGM's enz.)

vereist

vereist

vereist

vereist

 

41

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist

 

43

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist

5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.5: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in inrichtingen voor grootschalige activiteiten, 4.5.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

 

   

LS1

LS2

LS3

LS4

 

57

beschikken over geschikte registers

vereist

vereist

vereist

vereist
 

 

59

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist
 

 

62

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist

Bijlage VIII. [Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f) en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (verv. BVR 22 maart 2019, art. 3, I: 17 juni 2019)] (... - ...)

Enig artikel (08/04/2024- ...)

Bijlage IX. [Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 61, I: 17 november 2018)] (... - ...)

(07/09/2023- ...)

Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk :

Verplichtingen van de gebruiker en de eigenaar van een centraal stooktoestel
 

artikel wettelijke verplichting
11, § 1 De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport of een duplicaat daarvan bij het toestel blijft zolang dat ongewijzigd in gebruik is.
11, § 2 De gebruiker bezorgt een duplicaat van het attest aan de eigenaar. De gebruiker en de eigenaar houden minstens de duplicaten van de attesten van de laatste twee onderhoudsbeurten bij.
11, § 3 De eigenaar van het centrale stooktoestel houdt het verwarmingsauditrapport bij zolang het toestel in gebruik is en geen nieuwe verwarmingsaudit werd uitgevoerd. De eigenaar bezorgt een duplicaat van het verwarmingsauditrapport aan de gebruiker.
11, § 4 De attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en voorgelegd op eenvoudig verzoek.
11, § 5 De eigenaar van het toestel bezorgt een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, aan een gebruiker.

Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt of met de verwarmingsaudit van een centraal stooktoestel
 
artikel wettelijke verplichting
12, § 1 De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit :
1° het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
2° het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
3° de controle van het rookgasafvoerkanaal, met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van het rookgasafvoerkanaal voor het stooktoestel waarmee het verbonden is;
4° de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
5° het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
12, § 2 Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
12, § 3 De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.
13, § 1, eerste lid De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.
13, § 1, tweede lid De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
13, § 2 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit:
1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
2° een reinigingsbeurt:
a) voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b) voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal.
c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
3° de verbrandingscontrole: het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
13, § 3 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit:
1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
2° een reinigingsbeurt:
a) voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel voor stooktoestellen die werken door middel van natuurlijke trek, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b) voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel: het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
3° een verbrandingscontrole: dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.
13, § 4 Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
1° het controleren van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht.
2° het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
3° het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel : het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.
13, § 5, tweede lid Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.
14, § 1 De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 1° en 2°, wordt, bij een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 100 kW, uitgevoerd aan de hand van het rekeninstrument dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.
14, § 2, eerste lid De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, a) en b), wordt uitgevoerd aan de hand van software die door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.
14, § 2, tweede lid, eerste zin De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, c), wordt uitgevoerd aan de hand van een berekeningsmethodiek die door de erkende technicus verwarmingsaudit wordt gekozen maar een beoordeling toelaat van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw.
14, § 2, tweede lid, tweede zin De erkende technicus verwarmingsaudit geeft de afdeling op eenvoudig verzoek de nodige informatie over de gehanteerde berekeningsmethodiek.
14, § 4, 1° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
1° verstrekt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel informatie omtrent de bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden en de geschatte besparing op het energieverbruik met het oog op de vervanging van oudere ketels;
14, § 4, 2° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
2° adviseert de eigenaar van het centrale stooktoestel over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren.
15, § 1, eerste zin De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport en een verbrandingsattest.
15, § 1, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 2, eerste zin De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest.
15, § 2, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 3, eerste zin De persoon die de verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, heeft uitgevoerd, overhandigt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel een verwarmingsauditrapport.
15, § 3, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 5, eerste zin Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest, keuringsrapport of verwarmingsauditrapport bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens.
15, § 6, tweede lid Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.
15, §7 De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel zoals het type toestel, de locatie, het vermogen, de brandstof, de brandertechnologie, het bouwjaar en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt, zoals het type activiteit, de datum van uitvoering van de activiteit en de eindbeoordeling, en dit via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt binnen dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt.

Bijlage X. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (... - ...)

Enig artikel. (05/09/2016- ...)

...

Bijlage XI. Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (... - ...)

(05/09/2016- ...)

...

Bijlage XII. (... - ...)

(01/04/2019- ...)

Bijlage XII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

 

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

artikel

wettelijke verplichting

5

De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld.

6, eerste lid

De analyses in het kader van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard.

61

De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de kolom 'Categorie' van de lijst in bijlage I, gevoegd bij het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, met de letter B zijn aangeduid, en de exploitanten van de risico-inrichtingen die in kolom 8 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met de letter B zijn aangeduid, evenals met de letter B* voor zover het gaat om een inrichting met ondergrondse opslag of met een combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema :
1° een eerste maal :
a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2011;
b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat : voor 31 december 2015;
c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen zes jaar na de aanvang van de exploitatie;
d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen tien jaar na de aanvang van de exploitatie;
2° vervolgens periodiek om de tien jaar.

62

De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de kolom 'Categorie' van de lijst in bijlage I, gevoegd bij het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, met de letter A zijn aangeduid, en de exploitanten van de risico-inrichtingen die in kolom 8 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met de letter A zijn aangeduid, evenals met de letter A* voor zover het gaat om een inrichting met ondergrondse opslag of met een combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag, en met de letter B* voor zover het gaat om een inrichting met uitsluitend bovengrondse opslag, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema :
1° een eerste maal :
a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2013;
b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat : voor 31 december 2017;
c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twaalf jaar na de aanvang van de exploitatie;
d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van
het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twintig jaar na de aanvang van de exploitatie;
2° vervolgens periodiek om de twintig jaar.

81, derde lid, tweede volzin

De vereniging van mede-eigenaars brengt de eigenaars en gebruikers van die mede-eigendom op de hoogte van de kennisgeving van de OVAM binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.

86, tweede lid

Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan maakt de burgemeester het bodemsaneringsproject gedurende dertig dagen bekend door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiële berichten van bekendmaking. Gedurende diezelfde periode van dertig dagen legt hij het bodemsaneringsproject ter inzage bij de diensten van het gemeentebestuur. Tijdens die periode van bekendmaking kan iedereen schriftelijk bezwaren en opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen. Na afloop van de periode van bekendmaking maakt de burgemeester een proces-verbaal op over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject wordt het proces-verbaal aan de OVAM bezorgd.

89, §1, tweede lid, eerste zin

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het aangepaste bodemsaneringsproject aan de OVAM moet worden bezorgd.

103, eerste lid

De opdrachtgever van de bodemsaneringswerken stelt tijdig de volgende personen in kennis van de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken:
   1° de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;
   2° de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben.

104, eerste zin

Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beëdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken.

234

Met behoud van de toepassing van artikelen 61 en 62 zijn de exploitanten die hun periodieke onderzoeksplicht als bepaald in artikel 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering nog niet zijn nagekomen voor de inwerkingtreding van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, ertoe gehouden om die verplichting alsnog uit te voeren binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.


 

Bijlage XIII (... - ...)

BIJLAGE XIII (26/05/2023- ...)


Bijlage XIV. (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XIV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

 

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het Jachtdecreet van 24 juli 1991, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

 

artikel

wettelijke verplichting

7, tweede lid

Elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruikmaakt, is verplicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen bij de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan, is gelegen.

7, vierde lid, tweede zin

Elke houder van het jachtrecht die een plan heeft neergelegd dat de toestand van zijn jachtterrein niet juist weergeeft, is verplicht op verzoek van de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, om binnen de gestelde termijn de juiste gegevens neer te leggen.

22, tweede lid, vierde streepje

Indien de eigenaar of de grondgebruiker kan aantonen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat, kan hij het jaagbaar wild eveneens doden of laten doden onder de in het voorgaande lid vermelde voorwaarden. Het doden mag alleen gebeuren:

‑ na voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling van de houder van het jachtrecht op de grond waarop de bestrijding gebeurt en na voorafgaande schriftelijke verwittiging van de ambtenaar die daartoe door de Vlaamse regering is aangewezen. Deze laatste kan, bij gemotiveerde beslissing, de bestrijding zo nodig beperken of verbieden.

[Bijlage XV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 65, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Enig artikel. (05/09/2015- ...)

Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
 

Artikel Wettelijke verplichting
27, lid 1 Elke onderneming verstrekt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat voor elke gereguleerde stof en elke in bijlage II genoemde nieuwe stof jaarlijks uiterlijk op 31 maart de in de leden 2 tot en met 6 vermelde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar.
27, lid 2 Iedere producent verstrekt de volgende gegevens:
a) zijn totale productie voor elke in lid 1 bedoelde stof;
b) de in de Gemeenschap op de markt gebrachte of voor eigen rekening van de producent gebruikte geproduceerde hoeveelheden, gesplitst naar productie voor gebruik als grondstof, gebruik als technische hulpstof, of andere toepassingen;
c) de productie om te voorzien in de behoeften voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen in de Gemeenschap waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend;
d) de productie om in de essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen van de partijen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 8, toestemming is verleend, te voorzien;
e) in voorkomende geval, de toename van de productie waarvoor in verband met industriële rationalisering krachtens artikel 14, leden 2, 3 en 4, toestemming is verleend;
f) de gerecycleerde, geregenereerde of vernietigde hoeveelheden onder vermelding van de bij de vernietiging gebruikte techniek, met inbegrip van de in artikel 3, punt 14, bedoelde als bijproduct geproduceerde en vernietigde hoeveelheden;
g) de voorraden;
h) de van en aan andere producenten in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden.
27, lid 3 Iedere importeur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:
a) de in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden, uitgesplitst naar invoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend, voor gebruik voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer en voor vernietiging; Importeurs die gereguleerde stoffen voor vernietiging hebben ingevoerd, vermelden tevens voor elke stof de eindbestemming of eindbestemmingen, onder vermelding, voor elke eindbestemming, van de hoeveelheden van elke stof die daar afgeleverd zijn en van de naam en het adres van de vernietigingsinstallatie;
b) de hoeveelheden die volgens andere douaneprocedures zijn ingevoerd, onder aparte vermelding van de soort douaneprocedure en het aangegeven gebruik;
c) de hoeveelheden gebruikte in lid 1 bedoelde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn ingevoerd;
d) de voorraden;
e) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;
f) het land van uitvoer.
27, lid 4 Iedere exporteur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:
a) de hoeveelheden uitgevoerde stoffen, uitgesplitst naar uitvoer naar de verschillende landen van bestemming, en naar uitvoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen, voor kritische toepassingen en voor toepassingen voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer;
b) de voorraden;
c) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;
d) het land van bestemming.
27, lid 5 Elke onderneming die gereguleerde stoffen vernietigt als bedoeld in lid 1 en niet onder lid 2 valt, verstrekt de volgende gegevens:
a) de hoeveelheden van die stoffen die werden vernietigd, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevonden;
b) de voorraden van die stoffen die wachten op vernietiging, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevinden;
c) de bij de vernietiging gebruikte techniek.
27, lid 6 Elke onderneming die gereguleerde stoffen als grondstof of als technische hulpstof gebruikt, verstrekt de volgende gegevens:
a) de hoeveelheden van die stoffen die als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt;
b) de voorraden van die stoffen;
c) de betrokken methoden en emissies.
27, lid 7 Elke producent of importeur die overeenkomstig artikel 10, lid 6, een vergunning heeft verkregen, deelt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat jaarlijks vóór 31 maart voor alle stoffen waarvoor hij toestemming heeft verkregen mee waarvoor die zijn gebruikt, welke hoeveelheden hij het voorgaande jaar heeft gebruikt, welke hoeveelheden hij in voorraad heeft, gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd heeft en welke hoeveelheden producten en apparaten die deze stoffen bevatten of nodig hebben hij op de communautaire markt gebracht en/of uitgevoerd heeft.

 

[Bijlage XVI. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 66, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Enig artikel. (01/12/2017- ...)

Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

artikel wettelijke verplichting
14, § 2, tweede zin De nieuwe vergunninghouder stelt het departement hiervan per beveiligde zending in kennis.
15, § 3, eerste lid Indien de vergunninghouder een tijdelijke opslag van de uit zijn onderzoeksareaal gewonnen oppervlaktedelfstoffen voorziet op een perceel dat geen deel uitmaakt van de aanvraag, dient hij het departement daarvan schriftelijk en voorafgaandelijk op de hoogte te brengen, met opgave van de referenties van dit perceel. Dit geldt zowel voor percelen gelegen binnen als buiten het ontginningsgebied.
24 Uiterlijk op 31 maart na elk volledig kalenderjaar vanaf de start van de vergunningstermijn bezorgt de vergunninghouder aan het departement een voortgangsrapport over de exploitatie en de eindafwerking in het voorbije kalenderjaar, in de vorm van een digitale zending in een geschikt uitwisselingsformaat, vastgesteld door het departement. Bij wijze van uitzondering heeft het eerste basisvoortgangsrapport betrekking op de periode vanaf de aanvang van de ontginning tot en met het einde van het eerste volledige kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt. De verplichting om jaarlijks een voortgangsrapport te bezorgen aan het departement, eindigt met een laatste basisvoortgangsrapport wanneer de eindafwerking volledig gerealiseerd is.
   Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan het departement gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan het departement bezorgd.
   Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens:
   1° de stand van zaken betreffende de ontginning die bestaat uit een situeringsplan en een opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst in de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes;
   2° een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen:
   a) kadastrale gegevens;
   b) grens van de vergunning;
   c) situering van alle gebouwen;
   d) situering van de toegangswegen en uitbatingswegen;
   e) aanduiding van grachten, beken en andere waterlopen;
   f) aanduiding van de ontginningsfronten;
   g) voldoende hoogtepeilen van het maaiveld;
   h) voldoende hoogtepeilen van het oorspronkelijke reliëf binnen de vergunning, voor het gedeelte van de vergunning waar de ontginning aangevat wordt na 1 januari 2018;
   i) in geval van droge ontginning: voldoende hoogtepeilen langs taluds en ontginningsfronten;
   j) in geval van natte ontginning: voldoende peilpunten van de baggerzones;
   k) voldoende hoogtepeilen of voldoende peilpunten van de gerealiseerde opvullingen en de definitieve eindafwerking;
   l) aanduiding van waterplassen, slibbekkens en andere bekkens;
   m) aanduiding, met behulp van inkleuring of arcering, van de delen die niet in ontginning zijn of die onaangeroerd zijn, de delen die in ontginning, inclusief afgedekt, zijn, en de delen die hun eindafwerking gekregen hebben;
   n) aanduiding van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen;
   3° een tabel met een bondige beschrijving van de referentiepunten, onder meer piket, grenspaal, merkteken en hoek van het gebouw, samen met de respectieve coördinaten in Lambert BD72/TAW;
   4° de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden, de werkelijk gerealiseerde depots, de hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en de nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;
   5° een plan met de zonering en fasering van de ontginning en met vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones;
   6° de stand van zaken betreffende de realisatie van de eindafwerking, met opgave van de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd.

Bijlage XVII. (... - ...)

Enig artikel (17/11/2018- ...)

Bijlage XVII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, §1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

artikel

wettelijke verplichting

6, lid 1

Exploitanten van apparatuur die ingevolge artikel 4, lid 1, op lekken moet worden gecontroleerd, belasten zich voor elk hieronder vallend apparaat met het verrichten en bijhouden van registraties waarin de volgende informatie wordt gespecificeerd:

a) de hoeveelheid en het type geïnstalleerde gefluoreerde broeikasgassen;

b) de hoeveelheden tijdens installatie, onderhoud en service of door lekkage toegevoegde gefluoreerde broeikasgassen;

c) of de hoeveelheden geïnstalleerde gefluoreerde broeikasgassen gerecycled of geregenereerd zijn, met de naam en het adres van het recycling- of regeneratiebedrijf en, waar van toepassing, het certificeringsnummer;

d) de hoeveelheid teruggewonnen gefluoreerde broeikasgassen;

e) de identiteit van de onderneming die de apparatuur heeft geïnstalleerd, geservicet, onderhouden en, indien van toepassing, gerepareerd of buiten dienst gesteld, met inbegrip van, indien van toepassing, het nummer van het certificaat;

f) de datums en resultaten van de volgens artikel 4, leden 1 tot en met 3, uitgevoerde controles;

g) indien de apparatuur buiten dienst is gesteld, de maatregelen die zijn genomen om de gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen en te verwijderen.

6, lid 2

Tenzij de in lid 1 bedoelde registraties in een door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten opgezette databank worden opgenomen, gelden de volgende regels:

a) de in lid 1 bedoelde exploitanten bewaren gedurende ten minste vijf jaar de in dat lid bedoelde registraties;

b) ondernemingen die de in lid 1, onder e), bedoelde activiteiten voor exploitanten uitvoeren, bewaren gedurende ten minste vijf jaar een kopie van de in lid 1 bedoelde registraties.

De in lid 1 bedoelde registraties worden op verzoek ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat of de Commissie. Voor zover dergelijke registraties informatie in verband met het milieu bevatten, is naargelang het geval Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad of Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing.

19, lid 1

Uiterlijk op 31 maart 2015 en vervolgens elk jaar rapporteert iedere producent, invoerder en uitvoerder die tijdens het voorgaande kalenderjaar een metrische ton of 100 ton CO2 -equivalent of meer gefluoreerde broeikasgassen en in bijlage II vermelde gassen heeft geproduceerd, ingevoerd of uitgevoerd, aan de Commissie de in bijlage VII beschreven gegevens over elk van deze stoffen voor het betrokken kalenderjaar. Deze bepaling is ook van toepassing op ondernemingen die een quotum ontvangen ingevolge artikel 18, lid 1.

Bijlage VII

KRACHTENS ARTIKEL 19 MEE TE DELEN GEGEVENS
   1. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde producent brengt verslag uit over:
   a) de totale hoeveelheid van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij in de Unie heeft geproduceerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan;
   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie op de markt heeft gebracht, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;
   c) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycleerd, geregenereerd en vernietigd;
   d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden;
   e) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden.
   2. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde invoerder brengt verslag uit over:
   a) de hoeveelheid van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie heeft ingevoerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor vernietiging, gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, herverpakking, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;
   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycled, geregenereerd en vernietigd;
   c) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden;
   d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden.
   3. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde uitvoerder brengt verslag uit over:
   a) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij uit de Unie heeft uitgevoerd voor andere doeleinden dan recycling, regeneratie of vernietiging;
   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij heeft uitgevoerd uit de Unie om respectievelijk te worden gerecycled, geregenereerd en vernietigd.

[Bijlage XVIII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 68, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Enig artikel. (05/09/2015- ...)

Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) Nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
 

Artikel Wettelijke verplichting
36, lid 1 Elke fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur verzamelt alle informatie die hij nodig heeft om zijn verplichtingen krachtens deze verordening te vervullen en houdt die informatie beschikbaar gedurende ten minste tien jaar nadat hij de stof of het mengsel voor het laatst heeft vervaardigd, ingevoerd, geleverd of gebruikt. Deze
   informatie wordt, onverminderd de titels II en VI, door de bedoelde fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur op verzoek onverwijld verstrekt of beschikbaar gesteld aan een bevoegde instantie van de lidstaat waar hij is gevestigd of aan het Agentschap.
36, lid 2 Indien een registrant, downstreamgebruiker of distributeur zijn activiteiten beëindigt, of zijn activiteiten geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een derde, is degene die verantwoordelijk is voor de liquidatie van de onderneming van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur of die de verantwoordelijkheid op zich neemt om de stof of het mengsel in kwestie in de handel te brengen, gehouden aan de verplichting van lid 1 in plaats van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur.
41, lid 4 De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.
46, lid 2 De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.
63, lid 3 Alvorens te verwijzen naar een eerdere aanvraag overeenkomstig de leden 1 en 2 actualiseert de latere aanvrager zo nodig de informatie van de oorspronkelijke aanvraag.

 

[Bijlage XIX Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (ing. BVR 4 september 2009, art. 13, I: 1 november 2009)] (... - ...)

Enig artikel (05/09/2016- ...)

...

[Bijlage XX Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (ing. BVR 4 september 2009, art. 12)] (... - ...)

BIJLAGE XX (05/09/2016- ...)

...

Bijlage XXI (... - ...)

BIJLAGE XXI (05/09/2016- ...)

...

Bijlage XXII (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XXII. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

 

artikel

wettelijke verplichting

5

Het is verboden zich met een jachtwapen te bevinden op jachtkansels die op minder dan 150 meter liggen van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder.

In het eerste lid wordt verstaan onder jachtkansel: iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al dan niet ingerichte bomen, die het mogelijk maakt wild te schieten vanaf een punt dat ligt boven het normale niveau van de grond.

8

Een organisator van jacht of bestrijding besteedt bij het uitoefenen van de activiteit bijzondere aandacht aan de veiligheid van de activiteit en aan de verenigbaarheid ervan met activiteiten van andere gebruikers van het buitengebied.

De organisator van een drukjacht of een drijfjacht op grof wild of zijn aangestelde neemt de volgende maatregelen:
1° met het oog op de verenigbaarheid met andere activiteiten worden waarschuwingsborden voor de activiteit geplaatst aan de toegangen van het gebied waarin de actie plaatsvindt. De borden worden uiterlijk op de dag die voorafgaat aan de dag waarop de activiteit plaatsvindt, geplaatst en ze worden uiterlijk een uur na het einde van de activiteit verwijderd. Het model van het aankondigingsbord wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap;
2° met het oog op een betere gebiedsgerichte samenwerking om de efficiëntie van een drukjacht of drijfjacht op grof wild te verhogen, nodigt de organisator van de drukjacht of drijfjacht minstens vijf dagen voor de actie de jachtrechthouders of WBE’s die een jachtterrein hebben dat paalt aan het jachtterrein van de organisator, uit voor een overleg. De schriftelijke neerslag van dat overleg wordt gevoegd bij de melding van de actie aan de provinciale dienst van het agentschap en aan de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt;
3° met het oog op de verenigbaarheid van drukjacht en drijfjacht op grof wild met andere activiteiten brengt de organisator minstens drie werkdagen voor de aanvang van de activiteit de provinciale dienst van het agentschap en de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt, op de hoogte van de activiteit.

10, derde lid, 5°, 6°

Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid is het voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding verboden om de volgende soorten munitie te gebruiken:
5° loodhagel;
6° zinkhagel.

13, vierde lid

De kastvallen of kooivallen worden geïdentificeerd met een weersbestendig plaatje waarop het jachtverlofnummer van de plaatser van de val en het telefoonnummer van de provinciale dienst van het agentschap leesbaar vermeld staan.

19

Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.

 

Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

 

Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE;

 

Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

 

Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

20

Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linker onderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt.

25, §1, eerste lid, 5°, eerste zin

§1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:
5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.

25, §1, eerste lid, 6°, eerste zin

§1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:
6° kooivallen, waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.

29

Bijzondere jacht wordt door een jachtrechthouder bij het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

        

         Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:

1° met een aangetekende brief;

2° via elektronische indiening via het e-loket op de website van het agentschap.

        

De melding bevat de volgende informatie:

1° informatie over de locatie waarvoor bijzondere jacht wordt gemeld;

2° een motivering van het type en de vermoedelijke omvang van de schade die de jachtrechthouder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren;

3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn.

30

De bijzondere jacht mag op zijn vroegst een aanvang nemen 24 uur na de melding.

        

         Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bijzondere jacht. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing de aangemelde bijzondere jacht op elk moment beperken of verbieden.

        

         Als bijzondere jacht beoogd wordt voor soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.

34

De jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE meldt binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot is vervuld, elk geschoten dier aan het agentschap met een papieren formulier of elektronisch.

        

         Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

        

         Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE.

        

Wie het formulier elektronisch invult en verzendt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

        

         Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

35

Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linkeronderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot is vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt.

 

39, §1, 5°, 6°

 

§1. De bijzondere jacht op overig wild mag worden uitgeoefend met de volgende middelen:

5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal;

6° kooivallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.

 

42

Bestrijding wordt door een eigenaar of grondgebruiker aan het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
1° met een aangetekende brief;
2° per e-mail;
3 via elektronische indiening.

De melding bevat de volgende informatie:
1° informatie over de locatie waarvoor bestrijding wordt gemeld;
2° een motivering van het type en de omvang van de schade die de eigenaar of de grondgebruiker heeft geleden;
3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn.

De melding kan betrekking hebben op afzonderlijke activiteiten of op een activiteitenkalender.

43

De bestrijding mag op zijn vroegst een aanvang nemen op een van volgende tijdstippen:
1° 24 uur na het verrichten van de melding. In de 24 uur tussen melding en aanvang van de bestrijding zit een halve werkdag vervat.

2° zodra het agentschap een ontvangstbevestiging bezorgt waarbij wordt meegedeeld dat de bestrijding wordt toegestaan.

Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bestrijding beperken of verbieden.

Ingeval de bestrijding van grof wild door het agentschap niet verboden wordt, voorziet het agentschap voor elk specimen een uniek label.

Als bestrijding beoogd wordt van soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.

47

Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.

Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE.

Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

48

Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linker onderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt.

51, 5°, 6°

De bestrijding van overig wild mag worden beoefend met de volgende middelen:

5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal;

6° kooivallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.

 

57

De jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters mogen, voor het natuurbeheer en na melding aan het agentschap, eieren van Canadese ganzen en de grauwe ganzen schudden, rapen of vernielen.

 

De personen, vermeld in het eerste lid, mogen, na melding aan het agentschap, de grauwe gans en de Canadese gans voor het natuurbeheer doden of laten doden:
1° met vuurwapens;
2° door afvangen met behulp van netten tijdens de periode van 1 juni tot en met 14 juli.

In het geval, vermeld in het tweede lid, 1°, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de door de jachtrechthouder aangestelde bijzondere veldwachters, in het bezit van een geldig jachtverlof.

De acties, vermeld in het eerste en tweede lid, worden gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
1° met een aangetekende brief;

2° per e-mail;

3° via elektronische indiening.

58

Uiterlijk op 1 april van elk jaar wordt aan het agentschap gerapporteerd over de dieren die in het afgelopen kalenderjaar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk werden gedood. Die rapportage heeft betrekking op de aantallen van de dieren die gedood werden, alsook op het tijdstip en de locatie ervan.

De rapportering wordt gedaan met een papieren of elektronisch rapporteringsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het rapporteringsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
1° met een aangetekende brief;

2° per e-mail;

3° via elektronische indiening.

 

Bijlage XXIII (... - ...)

BIJLAGE Enig artikel (08/04/2024- ...)








































*Bij BVR van 25 november 2022 worden met ingang van 1 januari 2023 de volgende rijen toegevoegd aan het punt “Bijzondere gebruikseisen voor deskundigen”:

 

39/3, 1° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
1° volgt bij de uitvoering van de taken de bepalingen van het ministerieel besluit met de richtlijnen voor het aanpassen van de G-score en de P-score, vermeld in artikel 8/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
39/3, 2° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
2° beschikt over het noodzakelijke materiaal voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning is verkregen, dat behoorlijk onderhouden is en voldoet aan alle reglementaire eisen;
39/3, 3° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
3° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
39/3, 4° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
4° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen met betrekking tot overstromingsbescherming door tweejaarlijks een geattesteerde bijscholing van ten minste twee uur te volgen;
39/3, 5° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
5° heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat apparaten, toestellen of andere middelen aanlevert om gebouwen beter te beschermen tegen overstromingen;
39/3, 6° De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
6° bezorgt na iedere attestering het overstromingsattest aan de eigenaar van het gebouw. Het overstromingsattest bevat het resultaat van de attestering, alsook, indien van toepassing, de bijkomende maatregelen die nodig zijn om een aanpassing van de P-score of G-score te verkrijgen en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige attestering zijn geformuleerd;


*Bij BVR van 22 december 2023, BS 29 maart 2024 worden met ingang van 8 april 2024 de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het punt “Bijzondere gebruikseisen voor technici” worden de rijen 


40/3, 1°  De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i): 
1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning; 
40/3, 4°  De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i): 
4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven; 



vervangen door de volgende rijen:


40/3, §1, 1°  De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i): 
1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning; 
40/3, §1, 4°  De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i): 
4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven; 
40/3, §2, eerste zin De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, i), die werkt in een centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als vermeld in artikel 5.2.4.4, 3°, van het VLAREMA, volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in artikel 43/10, §1, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), of een gelijkwaardige bijscholing die aanvaard is door de bevoegde afdeling, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, §3, van het VLAREMA, en slaagt voor het bijscholingsexamen of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de bevoegde afdeling.
40/3, §2, tweede zin Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/5, 2°, of artikel 32, §2, eerste lid, 11°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, of als het meest recente certificaat van bijscholing ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, moet de technicus de bijscholing gevolgd hebben, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, §3, van het VLAREMA, en voor het bijscholingsexamen geslaagd zijn vóór hij de erkenning kan gebruiken.


”;

2° in het punt “Bijzondere gebruikseisen voor opleidingscentra” worden de volgende wijzigingen aangebracht:
    
a) de rij 

 

43/10, §1, eerste lid  Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008. 



wordt vervangen door de volgende rij:


 

43/10, §1, eerste lid  Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijscholingsexamen en, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen voor personen die het certificaat van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het bijhorende examen, en de bijscholing en het bijscholingsexamen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.


”;
b) de rij
    

 

43/10, §2, eerste lid  Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1. 



wordt vervangen door de volgende rij:

43/10, §2, eerste lid  Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen of bijscholingsexamen, of, in voorkomend geval, geslaagd is in het bijscholingsexamen, vermeld in paragraaf 1. 


”;

c) de rij

43/10, §5  Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren. 




wordt vervangen door de volgende rij:

43/10, §5  Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding, de bijscholing en de examens, vermeld in paragraaf 1, te organiseren. 


”;
d) de rijen

43/10, §7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de bevoegde afdeling minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen. 
43/10, §7, tweede zin  Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de bevoegde afdeling personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. 




worden vervangen door de volgende rijen:

43/10, §7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de bevoegde afdeling minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding en bijhorende examen, de bijscholing en het bijscholingsexamen of het bijscholingsexamen. 
43/10, §7, tweede zin  Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de bevoegde afdeling personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. 


Bijlage XXIV (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XXIV

[Bijlage XXV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 72, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Enig artikel. (01/01/2017- ...)

Bijlage XXV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
 

artikel wettelijke verplichting
11, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de winningsvergunning voor koolwaterstoffen en de eerste vijf jaar na het beëindigen van de winning wordt het meetplan jaarlijks geactualiseerd, en daarna vijfjaarlijks. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.
11, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks met een beveiligde zending aan de minister gerapporteerd.
14, § 1, eerste lid De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen dient jaarlijks voor het einde van de derde maand na het aflopen van een winningsperiode per beveiligde zending een aangifte in bij de minister met daarin een opgave van de in de voorbije winningsperiode gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onverdeeld per type koolwaterstof.
14, § 1, tweede lid De vergunninghouder noteert maandelijks de gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onderverdeeld per type koolwaterstof, in een daartoe bijgehouden register. Als hij daar om verzocht wordt, legt de vergunninghouder alle documenten en gegevens voor die nodig zijn om de juistheid van de aangegeven gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen te controleren.
14/38, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan tweejaarlijks geactualiseerd, en tijdens de duur van de winningsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan vijfjaarlijks geactualiseerd. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.
14/38, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks aan de minister gerapporteerd.

[Bijlage XXVI. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 73, I: 17 november 2018)] (... - ...)

Enig artikel. (08/04/2012- ...)

Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wat betreft het maximaal geluidsniveau van muziek in inrichtingen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk :

artikel

wettelijke verplichting

17

De exploitant van een inrichting waarvan de exploitatie is vergund, deelt vóór 1 september 2012 per aangetekende brief aan de vergunningsverlenende overheid mee in welke klasse de muziekactiviteiten vanaf 1 januari 2013 zullen ingedeeld zijn.

 


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 18/07/2024

Bijlage XXVII (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XXVII

Bijlage XXVIII (... - ...)

Enig artikel (17/11/2018- ...)

Bijlage XXVIII

[Bijlage XXIX. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 76, I: 17 november 2018)] (... - ...)

(26/05/2023- ...)

...

 

[Bijlage XXX. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet (verv. BVR 7 september 2018, art. 77, I: 17 november 2018)] (... - ...)

BIJLAGE XXX (26/05/2023- ...)

Bijlage XXXI (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XXXI

Bijlage XXXII (... - ...)

Enig artikel. (17/11/2018- ...)

Bijlage XXXII

BIJLAGE XXXIII (26/05/2023- ...)

 

BIJLAGE XXXIV (01/10/2019- ...)

Bijlage XXXIV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet

 

Enig artikel. Het niet voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2013 tot uitvoering van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

 

Artikel

Wettelijke verplichting

8

Het agentschap bepaalt de vorm van het visverlof.

Een visverlof kan worden verkregen op een van de volgende wijzen :

1° op het postkantoor;

2° door middel van een internetapplicatie die wordt beheerd door of in opdracht van het agentschap.

Een visverlof is persoonlijk en geldt alleen voor het jaar waarin het is afgegeven.

Het vissen met een visverlof dat niet is afgegeven met toepassing van het eerste en het tweede lid, wordt gelijkgesteld met het vissen zonder visverlof.

11

Het is verboden te vissen op de volgende plaatsen :

1° in sluizen;

2° van boven op de bruggen van de waterwegen;

3° in vispassages;

4° in gedeelten van de waterlopen als het peil abnormaal laag is of als zich uitzonderlijk hoge visconcentraties voordoen;

5° op alle plaatsen, zowel vanaf de oever als op het water, waar het agentschap ter plaatse door middel van de signalisatie, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, een tijdelijk of permanent visverbod heeft aangeduid.

12, §2, §3, §4, §5 eerste lid

§ 2. Het vissen is onderworpen aan de volgende beperkingen :

1° in alle wateren is het verboden te vissen op zalmachtigen in de periode van 1 oktober tot en met 28 februari;

2° in alle onbevaarbare waterlopen, in de waterwegen of delen daarvan, opgesomd in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en in de visplassen, opgesomd in bijlage 3, is het verboden :

a) te vissen op snoek en snoekbaars in de periode van 1 maart tot en met 31 mei;

b) te vissen op alle andere vissoorten in de periode van 16 april tot en met 31 mei;

c) nachtvisserij uit te oefenen.

§ 3. Alle vissen die toevallig gevangen worden in de tijd waarin dat volgens paragraaf 2 verboden is, moeten onmiddellijk en voorzichtig in het water van herkomst worden vrijgelaten.

In alle wateren moet elke gevangen vis onmiddellijk en voorzichtig in het water van herkomst worden vrijgelaten tijdens het vissen in de periode van 16 april tot en met 31 mei of tijdens de nachtvisserij. Tijdens de nachtvisserij mag een visser evenmin vis in het bezit hebben die buiten de periode van nachtvisserij is gevangen.

In alle wateren is het gebruik van aasvissen verboden in de periode van 16 april tot en met 31 mei.

§ 4. Nachtvisserij is toegestaan in de waterwegen of delen daarvan die niet in bijlage 3 zijn opgesomd en in de visplassen die niet in bijlage 3 zijn opgesomd. Daarbij is echter het gebruik van aasvissen en het gebruik van kunstaas met een totale lengte van meer dan 2 cm verboden.

§ 5. De volgende afwijkingen zijn van toepassing :
1° in afwijking van paragraaf 2, 2°, b), is het vliegvissen toegestaan in de periode van 16 april tot en met 31 mei;
2° in afwijking van paragraaf 2, 2°, b) en c), is het altijd en in alle wateren toegestaan met de peur op paling te vissen;
3° in afwijking van paragraaf 3, tweede lid, mogen vissers tijdens het vissen in de periode van 16 april tot en met 31 mei of tijdens de nachtvisserij alleen paling in het bezit hebben of meenemen op voorwaarde dat ze gebruik maken van één peur en geen andere hengel gebruiken.

13, eerste lid, 1°, 2°, 4° t/m 8° en tweede lid

De volgende vistuigen en wijzen van vissen zijn verboden :
1° onder het ijs vissen;
2° gekleurde maden gebruiken;
4° in de periode van 1 maart tot en met 31 mei in alle onbevaarbare waterlopen, in de waterwegen of delen daarvan, opgesomd in bijlage 3, en de visplassen, opgesomd in bijlage 3, aasvissen gebruiken en kunstaas met een totale lengte van meer dan 2 cm gebruiken;
5° eenzelfde hengel van meer dan drie enkelvoudige of veelvoudige haken voorzien;
6° met meer dan twee hengels tegelijk vissen;
7° in de periode van 1 december tot en met 28 februari en van 16 april tot en met 31 mei wadend vissen;
8° een leefnet gebruiken.

In het eerste lid, 7°, wordt verstaan onder wadend vissen : de wijze van vissen waarbij de visser zich tijdens het vissen door het water verplaatst over de bedding van de rivier.

14

Het gebruik van de hengel is alleen geoorloofd voor zover de visser zich in de mogelijkheid bevindt de hengel voortdurend te bewaken.

Het schepnet mag alleen worden gebruikt om de met de hengel gevangen vis weg te nemen.

15, §1, §2, §3, §4, §5

§ 1. Een visser mag:
1° maximaal twintig vissen kleiner dan of gelijk aan 15 cm, waarvan maximaal vijf levende, vervoeren en tijdens het hengelen in zijn bezit houden;
2° maximaal vijf dode vissen groter dan 15 cm vervoeren en tijdens het hengelen in zijn bezit houden.

De vissen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend behoren tot de volgende soorten: baars, beekforel, blankvoorn, brasem, (kol)blei, paling, rietvoorn, riviergrondel, snoekbaars en winde. Alle andere vissoorten worden na de vangst onmiddellijk en voorzichtig in het water van herkomst vrijgelaten.

§ 2. Levende vissen mogen uitsluitend in een visemmer bewaard en vervoerd worden.

In het eerste lid wordt verstaan onder visemmer: een emmer of recipiënt die gevuld is met water waarin vissen levend in bezit gehouden en vervoerd kunnen worden.

§ 3. Voor de volgende vissoorten gelden beperkingen voor de maten bij het in bezit houden overeenkomstig paragraaf 1:
1° beekforel, paling: minimummaat 30 cm;
2° snoekbaars: minimummaat 45 cm en maximummaat 70 cm.

Vissen kleiner dan de minimummaten of groter dan de maximummaat, vermeld in het eerste lid, worden na de vangst onmiddellijk en voorzichtig in het water van herkomst vrijgelaten.

§ 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, 2 en 3 gelden voor de volgende vissoorten beperkingen voor het bezit of vervoer ervan:
1° snoekbaars: een visser mag maximaal drie stuks vervoeren en tijdens het hengelen in zijn bezit houden;
2° paling: een visser mag maximaal drie stuks vervoeren en tijdens het hengelen in zijn bezit houden.

§ 5. De lengte van de vis wordt gemeten in rechte lijn van de punt van de bek tot het uiteinde van de staartvin. Gevangen vissen mogen ter plaatse niet ontdaan worden van kop of staart en mogen niet ter plaatse geconsumeerd worden.

16

§ 1. Wedstrijden moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° minstens één maand vooraf wordt meldingsbewijs gedaan aan het agentschap. Dit meldingsbewijs wordt door de wedstrijdverantwoordelijke getoond op elk verzoek van de officieren van de gerechtelijke politie en van de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de naleving van de regelgeving over de riviervisserij;
2° het voederen wordt beperkt tot maximaal 10 liter klaargemaakt voer per deelnemer per wedstrijd;
3° de hengelvangstgegevens van elke wedstrijd worden geregistreerd en jaarlijks aan het agentschap bezorgd.

§ 2. In afwijking van artikel 12, § 3, artikel 13, eerste lid, 8°, en artikel 15, §§ 1 tot 4, mogen vissen het hele jaar door zonder beperking in aantal bewaard worden in een leefnet tijdens een wedstrijd die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

Alle gevangen vissen worden in voldoende grote leefnetten bewaard tot na de weging of meting. Snoek, snoekbaars en de soorten, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, mogen niet in een leefnet bewaard worden.

Na weging, meting of telling wordt elke vis onmiddellijk en voorzichtig in het water van herkomst vrijgelaten.

BIJLAGE XXXV (17/11/2018- ...)

Bijlage XXXV

BIJLAGE XXXVI (27/08/2021- ...)


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 18/07/2024