Decreet Woonzorgdecreet

Datum 13/03/2009

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK II. Doelstelling en werkingsprincipes van de woonzorg
  3. HOOFDSTUK III. Opdrachten en activiteiten van voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
    1. Afdeling I. Voorzieningen
      1. Onderafdeling I. Dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg
      2. Onderafdeling II. Dienst voor logistieke hulp
      3. Onderafdeling III. Dienst voor oppashulp
      4. Onderafdeling IV. Dienst voor thuisverpleging
      5. Onderafdeling V. Dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds
      6. Onderafdeling VI. Lokaal en regionaal dienstencentrum
      7. Onderafdeling VII. Dienst voor gastopvang
      8. Onderafdeling VIII. Dagverzorgingscentrum
      9. Onderafdeling IX. Centrum voor herstelverblijf
      10. Onderafdeling X. Centrum voor kortverblijf
      11. Onderafdeling XI. Groep van assistentiewoningen
      12. Onderafdeling XII. Woonzorgcentrum
      13. Onderafdeling XIII. Specifieke bepalingen met betrekking tot sommige voorzieningen
    2. Afdeling II. Woonzorgnetwerken
    3. Afdeling III. Verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
  4. HOOFDSTUK IV. Erkenning, programmatie, voorafgaande vergunning en subsidiëring
    1. Afdeling I. Erkenning
      1. Onderafdeling I. Algemene bepalingen
      2. Onderafdeling II. Specifieke bepalingen voor thuiszorgvoorzieningen en verenigingen
      3. Onderafdeling III. Specifieke bepalingen voor ouderenvoorzieningen en woonzorgnetwerken
    2. Afdeling II. Programmatie en voorafgaande vergunning
    3. Afdeling III. Subsidiëring
      1. Onderafdeling I. Algemene bepaling
      2. Onderafdeling II. Specifieke bepalingen voor thuiszorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
      3. Onderafdeling III. Specifieke bepalingen voor ouderenvoorzieningen en woonzorgnetwerken
    4. Afdeling IV. Specifieke regeling met betrekking tot Brussel-Hoofdstad
  5. HOOFDSTUK V. Aanmelding
  6. HOOFDSTUK VI. Registratie
  7. HOOFDSTUK VII. Partnerorganisaties en projecten
  8. HOOFDSTUK VIII. Financiële bepalingen met betrekking tot de thuiszorg
  9. HOOFDSTUK IX. Toezicht, wijziging, schorsing, intrekking en verval van de erkenning en sluiting
    1. Afdeling I. Toezicht
    2. Afdeling II. Wijziging, schorsing en intrekking van de erkenning en sluiting
    3. Afdeling III. Verval van de erkenning
  10. HOOFDSTUK X. Sancties
  11. HOOFDSTUK XI. Wijzigingsbepalingen
    1. Afdeling I. Wijzigingen in het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden
    2. Afdeling II. Wijzigingen in het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk
    3. Afdeling III. Wijzigingen in het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders
  12. HOOFDSTUK XII. Slotbepalingen

Inhoud

HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen

Artikel 1. (01/01/2010- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2. (01/01/2010- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° woonzorg : thuiszorg of ouderenzorg;
2° thuiszorg : de zorg aan huis of de zorg die er specifiek op gericht is de gebruiker te handhaven in of te laten terugkeren naar zijn natuurlijk thuismilieu;
3° natuurlijk thuismilieu : de plaats waar de gebruiker effectief woont of inwoont, met uitsluiting van het centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 30, of het woonzorgcentrum, vermeld in artikel 37;
4° ouderenzorg : de zorg die er specifiek op gericht is de levenskwaliteit van gebruikers van 65 jaar of ouder te behouden, te herstellen of te ondersteunen in een thuisvervangend milieu;
5° gebruiker : iedere natuurlijke persoon die vanuit een verminderd zelfzorgvermogen een beroep doet op woonzorg;
6° zelfzorgvermogen : de beslissingen en de acties die een natuurlijke persoon in het dagelijkse leven kan nemen om te voorzien in zijn eigen basisbehoeften;
7° georganiseerde woonzorg : de thuiszorg of ouderenzorg die verstrekt wordt door professionelen en vrijwilligers in een georganiseerd verband;
8° vrijwilliger : de natuurlijke persoon die, op vrijwillige basis en onbezoldigd en in een georganiseerd verband, zijn activiteiten uitvoert;
9° vrijwilligerszorg : woonzorg die geboden wordt door vrijwilligers;
10° mantelzorger : de natuurlijke persoon die vanuit een sociale en emotionele band een of meer personen met verminderd zelfzorgvermogen, niet beroepshalve maar meer dan occasioneel, helpt en ondersteunt in het dagelijkse leven;
11° mantelzorg : woonzorg die geboden wordt door mantelzorgers;
12° voorziening : een thuiszorgvoorziening of een ouderenvoorziening;
13° initiatiefnemer : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een voorziening uitbaat of zal uitbaten;
14° thuiszorgvoorziening : een dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg, een dienst voor logistieke hulp, een dienst voor oppashulp, een dienst voor thuisverpleging, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een lokaal of regionaal dienstencentrum, een dienst voor gastopvang of een centrum voor herstelverblijf;
15° gezinszorg : het zorgaanbod dat bestaat uit persoonsverzorging, huishoudelijke hulp en schoonmaakhulp, alsook de daarmee verband houdende algemene psychosociale en pedagogische ondersteuning en begeleiding;
16° aanvullende thuiszorg : de zorg die bestaat in het aanbieden van schoonmaakhulp, oppashulp, of karweihulp;
17° schoonmaakhulp : het aanbieden van activiteiten die tot doel hebben de woning van de gebruiker te reinigen en er de hygiëne te bevorderen;
18° oppashulp : het aanbod dat erin bestaat de gebruiker gezelschap te bieden en toezicht op hem te houden bij afwezigheid of ter ondersteuning van de mantelzorg;
19° karweihulp : het uitvoeren van kleine praktische taken in het huishouden of het huis;
20° gastopvang : vrijwilligerszorg door een gezin dat of een natuurlijke persoon die, in de verblijfswoning of de eigen aangrenzende woning, opvang biedt aan een gebruiker gedurende een korte periode;
21° ouderenvoorziening : een dagverzorgingscentrum, een centrum voor kortverblijf, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum;
22° vereniging : een vereniging van gebruikers en mantelzorgers;
23° partnerorganisatie : een rechtspersoon die deskundig is in een bepaald segment van de woonzorg;
24° project : een bijzonder initiatief met betrekking tot de woonzorg dat gekenmerkt wordt door een tijdelijk, vernieuwend en experimenteel karakter;
25° samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg : een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders;
26° buurthulp : het organiseren en ondersteunen van activiteiten en initiatieven die het sociale netwerk, de communicatie en het veiligheidsgevoel versterken;
27° sociale netwerkvorming : het uitbouwen van sociale contacten en gemeenschapsvorming;
28° centrumraad : adviesraad opgericht door een lokaal dienstencentrum met als opdracht advies uit te brengen over de algemene werking van het lokaal dienstencentrum.

HOOFDSTUK II. Doelstelling en werkingsprincipes van de woonzorg

Artikel 3. (01/01/2010- ...)

Dit decreet regelt de aanmelding, de erkenning en de subsidiëring van voorzieningen in de georganiseerde woonzorg.

Het heeft als doel de levenskwaliteit van de gebruiker te waarborgen door :
1° het ondersteunen van de zelfzorg en/of de mantelzorg;
2° het verlenen van gedifferentieerde en gespecialiseerde vormen van woonzorg;
3° het bevorderen van de samenwerking en de afstemming tussen de verschillende actoren binnen de woonzorg.

Artikel 4. (01/01/2010- ...)

Erkende voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen nemen de volgende werkingsprincipes in acht :
1° de toegankelijkheid van de woonzorg waarborgen zonder discriminatie op grond van ideologische, godsdienstige en filosofische overtuiging of lidmaatschap of enig ander criterium op grond waarvan kan worden gediscrimineerd;
2° door de gebruiker, in voorkomend geval de mantelzorgers, gevraagd en aanvaard zijn;
3° oog hebben voor de hele zorgsituatie, inclusief palliatie;
4° naar aard, tijdstip, plaats, duur en intensiteit het best aangepast zijn aan de behoeften van de gebruiker;
5° de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en zijn mantelzorgers eerbiedigen zonder discriminatie op grond van ideologische, godsdienstige en filosofische overtuiging of lidmaatschap of enig ander criterium op grond waarvan kan worden gediscrimineerd;
6° de persoonlijke autonomie en zelfverantwoordelijkheid van de gebruiker en zijn mantelzorgers vrijwaren, ondersteunen en stimuleren;
7° maximaal een beroep doen op het zelfzorgvermogen en de zelfredzaamheid van de gebruiker en zijn mantelzorgers, rekening houdend met hun draagkracht;
8° de gebruiker en zijn mantelzorgers informeren over de mogelijkheden en beperkingen van de woonzorg en van eventuele andere hulp- en dienstverlening;
9° de communicatie tussen gebruiker, mantelzorgers en voorziening stroomlijnen om de gebruiker en zijn mantelzorgers naar de gepaste zorg te kunnen toeleiden;
10° bijzondere aandacht besteden aan gebruikers die een verhoogd risico lopen op verminderde welzijnskansen;
11° bijzondere aandacht hebben voor diversiteit;
12° bijzondere aandacht besteden aan specifieke doelgroepen;
13° de door de Vlaamse Regering bepaalde prijsvorming voor de gebruikers naleven, inclusief de tarieven voor de persoonlijke bijdragen die zijn vastgesteld ter uitvoering van artikel 70;
14° een beleid ontwikkelen rond ethisch verantwoorde zorg;
15° de vrijwilligerszorg stimuleren, organiseren of samenwerkingsverbanden aangaan met organisaties die vrijwilligerszorg aanbieden;
16° de inspraak van de gebruikers organiseren;
17° belemmerende factoren in het aanbieden van de woonzorg beleidsgericht signaleren;
18° programma's ontwikkelen rond vorming, training en systemen van intervisie ter bevordering van de deskundigheid van personeel en management.

HOOFDSTUK III. Opdrachten en activiteiten van voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Afdeling I. Voorzieningen

Onderafdeling I. Dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg

Artikel 5. (01/01/2010- ...)

Een dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg is een voorziening die als opdracht heeft, aan gebruikers met een verminderd zelfzorgvermogen :
1° persoonsverzorging en huishoudelijke hulp aan te bieden;
2° aanvullende thuiszorg aan te bieden, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband.

Artikel 6. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet die dienst ten minste de volgende zorgverlening aanbieden :
1° persoonsverzorging;
2° huishoudelijke hulp;
3° algemene psychosociale en pedagogische ondersteuning en begeleiding, die verband houden met de activiteiten, vermeld in punten 1° en 2°;
4° schoonmaakhulp, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband.

Artikel 7. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 6 kan een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband, karweihulp en oppashulp aanbieden.

Onderafdeling II. Dienst voor logistieke hulp

Artikel 8. (01/01/2010- ...)

Een dienst voor logistieke hulp is een voorziening die als opdracht heeft aan gebruikers met een verminderd zelfzorgvermogen schoonmaakhulp aan te bieden.

Artikel 9. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende dienst voor logistieke hulp moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan een erkende dienst voor logistieke hulp, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband, karweihulp aanbieden.

Onderafdeling III. Dienst voor oppashulp

Artikel 10. (01/01/2010- ...)

Een dienst voor oppashulp is een voorziening die als opdracht heeft de vraag naar en het aanbod van oppashulp te coördineren in samenwerking met vrijwilligers.

Artikel 11. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende dienst voor oppashulp moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet die dienst ten minste de vraag naar en het aanbod van oppashulp coördineren.

Onderafdeling IV. Dienst voor thuisverpleging

Artikel 12. (01/01/2010- ...)

Een dienst voor thuisverpleging is een organisatie van verpleegkundigen die gecoördineerd wordt door één of meer verpleegkundigen, waarvan de werking is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst en waarvan de verpleegkundigen als werknemer of als zelfstandige verpleegkundige activiteiten in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker uitoefenen.

De Vlaamse Regering bepaalt het minimumaantal verpleegkundigen of het equivalent ervan dat deel uitmaakt van een dienst voor thuisverpleging.

Artikel 13. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 48, tweede lid, bepaalt de Vlaamse Regering voor een erkende dienst voor thuisverpleging welke gegevens de overeenkomst, vermeld in artikel 12, moet bevatten. In elk geval moet die overeenkomst minstens de volgende gegevens bevatten :
1° de permanentieregeling van de verpleegkundigen;
2° het aanleggen en bewaren van een gebruikersdossier, met eerbied voor de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker;
3° het verplichte gebruik van steriel materiaal;
4° de verplichte aanwezigheid van het nodige materiaal dat voor de verzorging aan huis wenselijk is.

Het gebruikersdossier, vermeld in het eerste lid, 2°, is het document dat per gebruiker, op basis van een evaluatie van het zelfzorgvermogen en een omschrijving van de zorgvraag, weergeeft welke passende zorg de dienst voor thuisverpleging voorziet aan te bieden of nodig acht en dat kan worden bijgestuurd in functie van de evoluerende zorgbehoefte. Dit dossier moet de uitwisseling van gegevens tussen de verpleegkundigen van de dienst mogelijk maken met als doel de hulpverlening aan de gebruiker continu en optimaal te laten verlopen.

Onderafdeling V. Dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds

Artikel 14. (01/01/2010- ...)

Een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds is een voorziening die als opdracht heeft hulp- en dienstverlening te bieden aan gebruikers en aan hun mantelzorgers, in het bijzonder als zij door ziekte, handicap, ouderdom of vanuit sociale kwetsbaarheid blijvend of tijdelijk problemen ondervinden.

Artikel 15. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet die dienst ten minste de volgende activiteiten verrichten :
1° ondersteuning bieden bij het oriënteren van hulp- en zorgvragen van gebruikers of mantelzorgers op basis van vraagverheldering en vraagverduidelijking, of die personen naar de georganiseerde thuiszorg toeleiden;
2° door informatie, advies, ondersteuning en bemiddeling de gebruikers en mantelzorgers in staat stellen hun rechten maximaal uit te putten en maximaal toegang te hebben tot zorg;
3° administratieve en psychosociale ondersteuning aanbieden, als de draagkracht of vaardigheden van de gebruikers of mantelzorgers ontoereikend zijn;
4° het zelfzorgvermogen als vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, evalueren;
5° gebruikers met een indicatie van verminderd zelfzorgvermogen proactief benaderen;
6° in complexe zorgsituaties of als een wijziging van zorgvorm wenselijk is, de mogelijkheid tot langdurige begeleiding en ondersteuning aanbieden, waarbij de gebruiker in elke fase van zijn persoonlijke zorgtraject een beroep kan doen op een professionele zorgverlener;
7° belemmerende factoren beleidsgericht signaleren.

Onderafdeling VI. Lokaal en regionaal dienstencentrum

Artikel 16. (01/01/2010- ...)

Een lokaal dienstencentrum is een voorziening die als opdracht heeft aan de gebruikers :
1° activiteiten van algemene informatieve, vormende en recreatieve aard aan te bieden om de zelfredzaamheid en het sociale netwerk van de gebruikers te versterken, in overleg met lokale verenigingen en organisaties die gelijksoortige activiteiten aanbieden;
2° hulp bij activiteiten van het dagelijkse leven aan te bieden.

Het overleg, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt gevoerd in de centrumraad van het lokaal dienstencentrum. De lokale ouderenadviesraad wordt uitgenodigd een vertegenwoordiging af te vaardigen in deze centrumraad.

Artikel 17. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkend lokaal dienstencentrum moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet dat centrum, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband, ten minste de volgende activiteiten verrichten :
1° activiteiten van algemeen informatieve, vormende en recreatieve aard organiseren;
2° hygiënische zorg aanbieden;
3° warme maaltijden aanbieden;
4° hulp bieden bij het boodschappen doen;
5° buurthulp aanbieden;
6° initiatieven nemen of ondersteunen die de mobiliteit van de gebruikers tot stand brengen of verhogen.

Artikel 18. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 17 kan een erkend lokaal dienstencentrum personenalarmtoestellen uitlenen en een personenalarmcentrale organiseren, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband.

Bovendien kan een erkend lokaal dienstencentrum dat in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad werkzaam is, een multidisciplinair overleg coördineren conform artikel 21, § 2.

Artikel 19. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 4 hanteert een erkend lokaal dienstencentrum bij de uitvoering van zijn opdracht de volgende werkingsprincipes :
1° een maximale laagdrempeligheid waarborgen;
2° bijzondere aandacht besteden aan het voorkomen van vereenzaming door te werken aan het behoud en herstel van het sociale netwerk;
3° bijzondere aandacht besteden aan de toegankelijkheid van het zorgaanbod voor nieuwkomers en etnisch-culturele minderheden.

Artikel 20. (01/01/2010- ...)

Een regionaal dienstencentrum is een voorziening die als opdracht heeft :
1° aan de gebruikers, mantelzorgers en vrijwilligers groepsgerichte activiteiten van algemeen informatieve en vormende aard aan te bieden;
2° aan de gebruikers, mantelzorgers en vrijwilligers objectief advies te verlenen over het volledige aanbod van materiële hulp en immateriële hulp- en dienstverlening;
3° materiële en immateriële hulp- en dienstverlening binnen het bereik te brengen van gebruikers en mantelzorgers;
4° de vrijwilligerszorg te organiseren en te ondersteunen door vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, vorming aan de vrijwilligers aan te bieden en in specifieke zorgsituaties de samenwerking tussen organisaties van vrijwilligerszorg te bewerkstelligen.

Artikel 21. (01/01/2010- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkend regionaal dienstencentrum moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet dat centrum, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband, tenminste de volgende activiteiten verrichten :
1° verschillende soorten hulpmiddelen voor de gebruiker of ter ondersteuning van specifieke thuiszorgsituaties uitlenen en daarover advies verstrekken;
2° in specifieke zorgsituaties advies geven over materiële hulp en immateriële hulp- en dienstverlening;
3° informatie- of vormingscursussen voor mantelzorgers organiseren;
4° informatie- of vormingscursussen voor vrijwilligers organiseren;
5° voorlichtingscursussen voor gebruikers organiseren;
6° de vraag naar en het aanbod van vrijwilligerszorg op elkaar afstemmen;
7° personenalarmtoestellen uitlenen en een personenalarmcentrale organiseren;
8° advies geven over aanpassingen aan de woning en over technologische aanpassingen;
9° ergotherapeutische begeleiding aanbieden;
10° initiatieven nemen of ondersteunen die de mobiliteit van de gebruikers tot stand brengen of verhogen.

§ 2. Met behoud van de toepassing van § 1 coördineert een erkend regionaal dienstencentrum een multidisciplinair overleg voor gebruikers met een langdurig ernstig verminderd zelfzorgvermogen, als bij de hulp- en dienstverlening aan die gebruikers, naast mantelzorg, ook verschillende professionele zorgverleners uit de thuiszorg of vrijwilligers betrokken zijn. Die coördinatie omvat het bieden van organisatorische en administratieve ondersteuning, het voorzitten van het overleg en het bewaken van de voortgangscontrole van het overleg. Ze verloopt op basis van een samenwerkingsverband met een samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg.

In afwijking van het eerste lid kan het regionaal dienstencentrum optioneel een multidisciplinair overleg coördineren voor de gebruikers die verblijven in een gemeente waar een andere zorgaanbieder een samenwerkingsverband voor die coördinatie heeft gesloten met het samenwerkingsinitiatief eerstelijnsgezondheidszorg.

Artikel 22. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 21 kan een erkend regionaal dienstencentrum gebruikers begeleiden bij de aanpassing van hun woning. Die begeleiding kan bestaan in advies over een of meer mogelijke uitvoerders van de aanpassingswerkzaamheden, de begeleiding bij de uitvoering van die werkzaamheden en bij de praktische en administratieve formaliteiten die met de aanpassing van de woning gepaard gaan.

Onderafdeling VII. Dienst voor gastopvang

Artikel 23. (01/01/2010- ...)

Een dienst voor gastopvang is een voorziening, georganiseerd door een thuiszorgvoorziening die volgens dit decreet is erkend, en die als opdracht heeft de vraag naar en het aanbod van gastopvang te coördineren in samenwerking met gastgezinnen.

Artikel 24. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende dienst voor gastopvang moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet die dienst ten minste de vraag naar en het aanbod van gastopvang coördineren.

Onderafdeling VIII. Dagverzorgingscentrum

Artikel 25. (01/01/2010- ...)

Een dagverzorgingscentrum is een voorziening die als opdracht heeft, de gebruiker van 65 jaar of ouder in daartoe bestemde lokalen, dagverzorging, alsook geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke persoonsverzorging en huishoudelijke hulp te bieden.

Artikel 26. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkend dagverzorgingscentrum moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet dat centrum ten minste de volgende activiteiten verrichten :
1° hygiënische en verpleegkundige hulp- en dienstverlening aanbieden;
2° activering, ondersteuning en revalidatie aanbieden;
3° animatie en creatieve ontspanning organiseren;
4° psychosociale ondersteuning aanbieden.

Artikel 27. (01/01/2010- ...)

In acute situaties kan een erkend dagverzorgingscentrum ook nachtopvang aanbieden. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden daarvan.

Onderafdeling IX. Centrum voor herstelverblijf

Artikel 28. (01/01/2010- ...)

Een centrum voor herstelverblijf is een voorziening die als opdracht heeft, aan gebruikers die een heelkundige ingreep hebben ondergaan of aan een ernstige aandoening hebben geleden, die gepaard ging met een ziekenhuisopname of een langdurige onderbreking van de normale activiteiten, in daartoe bestemde lokalen, tijdelijke opvang te bieden opdat ze opnieuw zelfstandig kunnen functioneren in het natuurlijke thuismilieu.

Artikel 29. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkend centrum voor herstelverblijf moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet dat centrum tenminste de volgende activiteiten verrichten :
1° verblijf aanbieden;
2° ondersteunende activiteiten aanbieden tot versterking van de lichamelijke en geestelijke toestand van de gebruikers;
3° revalidatie aanbieden;
4° hygiënische en verpleegkundige hulp- en dienstverlening aanbieden.

Onderafdeling X. Centrum voor kortverblijf

Artikel 30. (01/01/2010- ...)

Een centrum voor kortverblijf is een voorziening waar aan gebruikers van 65 jaar of ouder ofwel gedurende een beperkte periode dag en nacht ofwel alleen 's nachts huisvesting en ouderenzorg wordt aangeboden.

Artikel 31. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt waaruit de ouderenzorg, aangeboden door een erkend centrum voor kortverblijf, bestaat. In elk geval moet die ouderenzorg tenminste bestaan uit :
1° de ouderenzorg, vermeld in artikel 38, 1° tot en met 5°;
2° crisisopvang.

Artikel 32. (01/01/2010- ...)

Een erkend centrum voor kortverblijf kan alleen worden uitgebaat in daartoe bestemde lokalen van een erkend woonzorgcentrum of van een erkend centrum voor herstelverblijf, door een initiatiefnemer die in het bezit is van een erkenning van een woonzorgcentrum of van een centrum voor herstelverblijf.

Onderafdeling XI. Groep van assistentiewoningen

Artikel 33. (01/01/2013- ...)

Een groep van assistentiewoningen is een voorziening die bestaat uit een of meer gebouwen die functioneel een geheel vormen en waar, onder welke benaming ook, aan gebruikers van 65 jaar of ouder die er zelfstandig verblijven in individuele aangepaste wooneenheden, huisvesting wordt gegeven en ouderenzorg waarop zij facultatief een beroep kunnen doen.

Artikel 34. (01/01/2013- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt waaruit de ouderenzorg, aangeboden door een erkende groep van assistentiewoningen, bestaat. In elk geval moet die ouderenzorg ten minste bestaan uit :
1° aangepaste huisvesting;
2° ouderenzorg die, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband, op verzoek van de gebruiker wordt aangeboden afhankelijk van de vastgestelde behoeften;
3° het scheppen van voorwaarden tot sociale netwerkvorming;
4° onmiddellijke hulp in noodsituaties.

Artikel 35. (01/01/2013- ...)

In een groep van assistentiewoningen is een woonassistent aanwezig die de sociale netwerkvorming tussen de bewoners faciliteert en stimuleert en die aanspreekbaar is voor de bewoners.

Artikel 36. (01/01/2018- ...)

§ 1. Als een erkend woonzorgcentrum en een erkende groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en functioneel een geheel vormen, en als de uitbating van beide voorzieningen door dezelfde rechtspersoon gebeurt of als een erkend woonzorgcentrum en een erkende groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, dan kan :
1° het woonzorgcentrum, zonder zijn erkende capaciteit van woongelegenheid te overschrijden, één of meer assistentiewoningen tijdelijk laten erkennen als woongelegenheid in een woonzorgcentrum;
2° de opdracht die een woonassistent uitvoert in de groep van assistentiewoningen, opgenomen worden door het personeel van het woonzorgcentrum;
3° de opdracht, vermeld in punt 2°, ook worden opgenomen door personeel van een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg of een erkend lokaal dienstencentrum of een erkend centrum voor kortverblijf, als de dienst of het centrum in de onmiddellijke nabijheid gelegen is van en functioneel een geheel vormt met de groep van assistentiewoningen en door dezelfde rechtspersoon wordt uitgebaat of als de dienst of het centrum in de onmiddellijke nabijheid gelegen is van en een samenwerkingsovereenkomst gesloten heeft met de groep van assistentiewoningen.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de erkenning, vermeld in het eerste lid, 1°.

§ 2. Als een erkend centrum voor kortverblijf dat uitgebaat wordt in de lokalen van een woonzorgcentrum, en een erkende groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en functioneel een geheel vormen, en als beide voorzieningen door dezelfde rechtspersoon worden uitgebaat, of als een erkend centrum voor kortverblijf dat uitgebaat wordt in de lokalen van een woonzorgcentrum, en een erkende groep van assis- tentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, kan :
1° in afwijking van artikel 32, het centrum voor kortverblijf de toelating krijgen om een of meer woongelegenheden kortverblijf in te zetten in die groep van assistentiewoningen;
2° de opdracht die een woonassistent uitvoert in de groep van assistentiewoningen, opgenomen worden door het personeel van het centrum voor kortverblijf;
3° de opdracht, vermeld in punt 2°, ook worden opgenomen door personeel van een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg of een erkend lokaal dienstencentrum of een erkend woonzorgcentrum, als de dienst of het centrum in de onmiddellijke nabijheid ligt van en functioneel een geheel vormt met de groep van assistentiewoningen en door dezelfde rechtspersoon wordt uitgebaat, of als de dienst of het centrum in de onmiddellijke nabijheid ligt van en een samenwerkingsovereenkomst gesloten heeft met de groep van assistentiewoningen.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de toelating, vermeld in het eerste lid, 1°.

Onderafdeling XII. Woonzorgcentrum

Artikel 37. (01/01/2010- ...)

Een woonzorgcentrum is een voorziening die bestaat uit een of meer gebouwen die functioneel een geheel vormen en waar, onder welke benaming ook, aan gebruikers van 65 jaar of ouder, die er permanent verblijven, in een thuisvervangend milieu huisvesting en ouderenzorg wordt aangeboden.

Artikel 38. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt waaruit de ouderenzorg, aangeboden door een erkend woonzorgcentrum, bestaat. In elk geval moet die ouderenzorg ten minste bestaan uit :
1° aangepaste huisvesting;
2° de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke zorg;
3° hygiënische en verpleegkundige zorg, in voorkomend geval van gedifferentieerde en gespecialiseerde aard;
4° (re)activering en psychosociale ondersteuning;
5° animatie en sociale netwerkvorming.

Onderafdeling XIII. Specifieke bepalingen met betrekking tot sommige voorzieningen

Artikel 39. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 4 neemt een erkende ouderenvoorziening de volgende werkingsprincipes in acht :
1° sociale netwerkvorming stimuleren;
2° streven naar integratie in en samenwerking met de buurt waarin ze actief is;
3° aandacht hebben voor animatie en ontspanning.

Bovendien zorgt een erkend woonzorgcentrum ervoor dat een voor zorgverleners toegankelijk zorg- en begeleidingsplan voor elke gebruiker wordt opgemaakt en bijgewerkt. Het zorg- en begeleidingsplan heeft tot doel de zorgverlening aan de gebruiker continu en op maat te laten verlopen in functie van diens evoluerende zorgbehoeften.

Artikel 40. (24/08/2013- ...)

Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan in een erkende ouderenvoorziening ook aan gebruikers, jonger dan 65 jaar, ouderenzorg aangeboden worden.

Artikel 41.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden een erkend woonzorgcentrum :
1° binnen zijn gebouwen ook aan gebruikers van 65 jaar of ouder die er niet gehuisvest zijn, ouderenzorg als vermeld in artikel 38, 2°, 3°, 4° en 5°, kan aanbieden;
2° ook buiten zijn gebouwen aan gebruikers van 65 jaar of ouder ouderenzorg als vermeld in artikel 38, 2°, 3° en 4°, kan aanbieden.

Die voorwaarden hebben onder meer betrekking op de te verrichten activiteiten, de kenmerken van de gebruikers en de noodzakelijke afstemming met andere zorgverleners.

Artikel 42. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden erkende thuiszorgvoorzieningen ook activiteiten kunnen verrichten voor gebruikers in dagverzorgingscentra, centra voor kortverblijf en woonzorgcentra.

Die voorwaarden hebben onder meer betrekking op de te verrichten activiteiten, de kenmerken van de gebruikers en de noodzakelijke afstemming met andere zorgverleners.

Artikel 43. (01/01/2010- ...)

De voorzieningen indiceren de behoeften van de gebruiker, rekening houdend met diens zelfzorgvermogen en met de beschikbare mantelzorg en de behoefte aan ondersteuning ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de voorwaarden van de indicatiestelling.

Afdeling II. Woonzorgnetwerken

Artikel 44.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Een woonzorgnetwerk is een buurtgericht functioneel samenwerkingsverband waarin de in de buurt actieve erkende voorzieningen uitgenodigd worden tot participatie en waarin naast een huisarts of huisartsenkring, minstens de volgende voorzieningen effectief participeren :
1° een erkend woonzorgcentrum;
2° een erkend centrum voor kortverblijf;
3° een erkende groep van assistentiewoningen;
4° een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg of een andere erkende thuiszorgvoorziening die zorg aan huis levert.

Een woonzorgnetwerk heeft als opdracht om de ouderenzorg te optimaliseren door middel van samenwerking en afstemming tussen de leden van het woonzorgnetwerk.

Artikel 45.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke taken een erkend woonzorgnetwerk moet verrichten om zijn opdracht uit te voeren. In elk geval moet een woonzorgnetwerk ten minste :
1° afspraken maken tussen tenminste de verschillende leden van het woonzorgnetwerk met het oog op doelmatigheid, doeltreffendheid en continuïteit van de ouderenzorg;
2° een gezamenlijk aanbod van ouderenzorg organiseren;
3° de toegang tot de ouderenzorg faciliteren met behulp van één aanmelding;
4° acute zorgvragen beantwoorden;
5° ervoor zorgen dat de leden van het woonzorgnetwerk in onderling overleg en in voorkomend geval gezamenlijk personeel en expertise inzetten;
6° ervoor zorgen dat de leden van het woonzorgnetwerk onder elkaar de informatie uitwisselen die noodzakelijk is voor het verlenen van ouderenzorg aan elke gebruiker in het werkgebied van het woonzorgnetwerk.

Afdeling III. Verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Artikel 46. (01/01/2010- ...)

Een vereniging van gebruikers en mantelzorgers heeft als opdracht de gebruikers en hun mantelzorgers te ondersteunen en hun gemeenschappelijke belangen te onderkennen en te behartigen.

Artikel 47. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt welke activiteiten een erkende vereniging moet verrichten om haar opdracht uit te voeren. In elk geval moet die vereniging tenminste de volgende activiteiten verrichten :
1° op regelmatige basis actief overleg plegen met de aangesloten leden;
2° aan de leden een informatieblad of een daarmee gelijkgestelde publicatie met relevante informatie voor gebruikers en mantelzorgers ter beschikking stellen;
3° initiatieven waarbij contact tussen gebruikers en mantelzorgers centraal staat, organiseren of eraan deelnemen;
4° de problemen van de gebruikers en de mantelzorgers inventariseren;
5° probleemsituaties aan de overheid signaleren;
6° de belangen van de gebruikers en mantelzorgers verdedigen.

HOOFDSTUK IV. Erkenning, programmatie, voorafgaande vergunning en subsidiëring

Afdeling I. Erkenning

Onderafdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 48. (01/07/2012- ...)

De Vlaamse Regering erkent voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen.

De bepalingen van artikel 4 en hoofdstuk III gelden als erkenningsvoorwaarden. De Vlaamse Regering kan aanvullende erkenningsvoorwaarden vastleggen met inachtneming van de bepalingen van artikel 4 en hoofdstuk III. Die voorwaarden hebben onder meer betrekking op :
1° de hulp- en dienstverlening;
2° het personeel;
3° de werking;
4° de infrastructuur;
5° de wederzijdse rechten en plichten van voorziening en gebruikers;
6° het behandelen van de klachten van de gebruikers;
7° de initiatiefnemer of zijn vertegenwoordiger, die geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen voor feiten die verband houden met het aanbieden of organiseren van woonzorg;
8° de specifieke brandveiligheidsaspecten voor voorzieningen, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen betreffende de brandveiligheid van gebouwen.

De inachtneming van de voorwaarden voor de specifieke brandveiligheidsaspecten, vermeld in het tweede lid, 8°, wordt vastgelegd in een attest over de brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de voorziening gelegen is, met medewerking van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten die verschillen volgens de mate waarin de voorwaarden voor de specifieke brandveiligheidsaspecten in acht genomen zijn. De Vlaamse Regering bepaalt het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de uitbating van een voorziening mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over het afgeven of verlengen van een attest.

De Vlaamse Regering kan, op vraag van een voorziening of vereniging, een afwijking toestaan op de naleving van sommige erkenningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van het tweede lid, op voorwaarde dat de veiligheid van de gebruikers en het personeel, en de kwaliteit van de verstrekte woonzorg voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.

De Vlaamse Regering bepaalt de erkenningsprocedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. Ze kan voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen alleen erkennen als ze passen in de programmatie die van toepassing is.

Artikel 49. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan andere dan de in dit decreet vermelde vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan gebruikers, georganiseerd door een erkende voorziening, erkennen. De Vlaamse Regering legt de erkenningsvoorwaarden vast met inachtneming van de werkingsprincipes, vermeld in artikelen 4 en 39.

Artikel 49/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan, op vraag van de initiatiefnemer, de erkenning van een thuiszorgvoorziening of een ouderenvoorziening geheel of gedeeltelijk omzetten in de erkenning of vergunning van een andere zorgvorm in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid. De Vlaamse Regering stelt de procedure voor de omzetting vast en bepaalt de voorwaarden waaronder die plaatsvindt.

Onderafdeling II. Specifieke bepalingen voor thuiszorgvoorzieningen en verenigingen

Artikel 50. (29/08/2016- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 12 kunnen thuiszorgvoorzieningen en verenigingen alleen worden erkend als ze door de volgende initiatiefnemers zijn opgericht :
1° een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvoor het bij wet verboden is haar leden een vermogensvoordeel te bezorgen;
2° een provinciebestuur;
3° een gemeentebestuur;
4° een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
5° de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
6° een publiekrechtelijke vereniging;
7° een vereniging, opgericht conform titel VIII van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
8° een ziekenfonds;
9° een openbare instelling van categorie B als vermeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
10° een andere rechtspersoon die geen winst nastreeft en die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

Artikel 51. (01/01/2010- ...)

In afwijking van artikel 50 kan een dienst voor logistieke hulp alleen worden erkend als hij is opgericht :
1° door een gemeentebestuur of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat niet in het bezit is van een erkenning voor een dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg;
2° door een andere instantie dan die, vermeld in het eerste lid, die niet in het bezit is van een erkenning als dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg en die op datum van de inwerkingtreding van artikelen 8 en 9 gesubsidieerd wordt met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 tot regeling van de subsidiëring van de diensten voor logistieke hulp en aanvullende thuiszorg.

Onderafdeling III. Specifieke bepalingen voor ouderenvoorzieningen en woonzorgnetwerken

Artikel 52. (01/01/2010- ...)

In afwijking van artikel 48, tweede lid, kan de Vlaamse Regering dagverzorgingscentra erkennen die voor een door haar te bepalen categorie van gebruikers sommige van de activiteiten, vermeld in artikel 26, verrichten. In dat geval bepaalt de Vlaamse Regering de activiteiten die de dagverzorgingscentra minimaal moeten verrichten en kan ze voor die centra aangepaste erkenningsvoorwaarden vastleggen. Ze kan bepalen dat die dagverzorgingscentra hun activiteiten ook verrichten voor gebruikers die jonger zijn dan 65 jaar.

Artikel 52/1. (01/01/2019- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 48 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, volgens de door haar bepaalde normen en binnen de perken van de begrotingskredieten, een bijkomende erkenning verlenen aan woonzorgcentra die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen opneemt.

Alle rust- en verzorgingstehuizen die voor 1 januari 2019 erkend zijn conform artikel 170 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen worden van rechtswege beschouwd als woonzorgcentra met een bijkomende erkenning.

Artikel 52/2. (01/01/2019- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 48 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, volgens de door haar bepaalde normen en binnen de perken van de begrotingskredieten, een bijkomende erkenning verlenen aan dagverzorgingscentra die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen overdag opvangt en die de noodzakelijke ondersteuning verschaft voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving en aan dagverzorgingscentra die een verzorgingsstructuur aanbieden die overdag personen opvangt die lijden aan een ernstige ziekte die aangepaste zorg vereist en die de noodzakelijke ondersteuning verschaft voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving.

Alle centra voor dagverzorging die voor 1 januari 2019 erkend zijn overeenkomstig artikel 170 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, worden van rechtswege beschouwd als dagverzorgingscentra met een bijkomende erkenning.

Artikel 53. (01/01/2010- ...)

§ 1. Een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum en een centrum voor kortverblijf mogen pas worden uitgebaat nadat de Vlaamse Regering ze heeft erkend.

Het eerste lid geldt niet voor een woonzorgcentrum dat wordt uitgebaat door een natuurlijke persoon en dat bestemd is om maximaal drie gebruikers van 65 jaar of ouder te huisvesten.

§ 2. De erkenning moet worden vermeld op alle officiële stukken die uitgaan van een voorziening waarvoor erkenning verplicht is met toepassing van § 1.

Artikel 53/1. (01/01/2017- ...)

§ 1. Een woonzorgcentrum kan buiten zijn erkende capaciteit als vermeld in artikel 36, eerste lid, 1°, de volgende personen van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast opnemen:
1° een persoon die bij opname van de gebruiker in het woonzorgcentrum gehuwd of wettelijk samenwonend is met deze gebruiker;
2° een persoon die gedurende zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de opname van de gebruiker in het woonzorgcentrum feitelijk samenwonend was met deze gebruiker.

Een persoon van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast als vermeld in het eerste lid:
1° kan uitzonderlijk gebruikmaken van de ouderenzorg, vermeld in artikel 38, 2°, 3° en 4° ;
2° kan kosteloos gebruik maken van de ouderenzorg, vermeld in artikel 38, 5° ;
3° wordt bij voorrang opgenomen binnen de erkende capaciteit van het woonzorgcentrum wanneer zijn zelfzorgvermogen tijdens de opname is aangetast;
4° kan, op zijn verzoek, gedurende minstens zes maanden na het overlijden van de gebruiker, vermeld in het eerste lid, buiten de erkende capaciteit opgenomen blijven in het woonzorgcentrum.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de volgende normen die gelden met betrekking tot het verblijf van een persoon van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast als vermeld in § 1, eerste lid:
1° de infrastructuurnormen;
2° de normen met betrekking tot artikel 48, tweede lid, 8°.

In het attest, vermeld in artikel 48, derde lid, worden de volgende elementen vastgelegd:
1° de woongelegenheden die door het woonzorgcentrum ingezet kunnen worden om personen buiten zijn erkende capaciteit op te nemen;
2° de inachtneming van de normen, vermeld in het eerste lid, 2°.

§ 3. De Vlaamse Regering kan de categorieën van personen, vermeld in § 1, eerste lid, uitbreiden.

Artikel 54. (01/01/2010- ...)

Verschillende vestigingen van eenzelfde soort ouderenvoorziening, die door eenzelfde initiatiefnemer worden uitgebaat en binnen een redelijke afstand van elkaar liggen, kunnen als één ouderenvoorziening erkend worden onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

Artikel 55. (01/01/2010- ...)

Als de initiatiefnemer van een erkend centrum voor kortverblijf dat in een erkend woonzorgcentrum gevestigd is, een aantal woongelegenheden van het woonzorgcentrum aanwendt voor het centrum voor kortverblijf, zodat de reële capaciteit van het woonzorgcentrum daalt, dan wordt de erkende capaciteit van het woonzorgcentrum teruggebracht tot die reële capaciteit.

Als een erkend centrum voor kortverblijf in een woonzorgcentrum gevestigd is, wordt de erkenning als centrum voor kortverblijf beschouwd als een bijzondere erkenning als woonzorgcentrum en kan de initiatiefnemer de erkende woongelegenheden binnen het centrum voor kortverblijf uitsluitend gebruiken voor opnames in kortverblijf.

Artikel 56. (01/01/2010- ...)

Een erkende ouderenvoorziening wordt uitgebaat door één enkele natuurlijke persoon of rechtspersoon. Die is zowel verantwoordelijk voor het opnamebeleid als voor de organisatie van de zorg- en dienstverlening.

Artikel 57. (01/01/2010- ...)

De ouderenvoorzieningen waarvoor voor de eerste maal een aanvraag tot erkenning wordt ingediend, kunnen voorlopig erkend worden in afwachting van een erkenning als vermeld in artikel 48. De voorlopige erkenning geldt voor een periode van een jaar die aanvangt op de dag van de ontvangst van de aanvraag. Ze kan eenmaal worden verlengd met een jaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een voorlopige erkenning en de verlenging ervan, evenals de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. Ze bepaalt de gevolgen van de voorlopige erkenning.

Een ouderenvoorziening kan slechts voorlopig worden erkend als ze past in de programmatie die op haar van toepassing is.

Afdeling II. Programmatie en voorafgaande vergunning

Artikel 58. (01/01/2019- ...)

§ 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 bepaalt de Vlaamse Regering de programmatie van de voorzieningen met uitzondering van de diensten voor thuisverpleging en de groepen van assistentiewoningen, alsook de programmatie van de woonzorgnetwerken en van de verenigingen. De programmatie bepaalt, met het oog op een evenredige spreiding afhankelijk van de behoeften, aan de hand van objectief meetbare criteria, de planning in de tijd en ruimte van ofwel het maximale aantal voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen, ofwel het maximale aantal plaatsen in voorzieningen, ofwel het maximale aantal subsidiabele uren woonzorg die een voorziening mag aanbieden ofwel het maximale aantal subsidiabele personeelsleden van een voorziening.

De Vlaamse Regering stelt per type van voorziening en voor de woonzorgnetwerken en verenigingen, de programmatie vast en kan zo nodig een werkgebied bepalen waar de activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden. De Vlaamse Regering kan specifieke regels bepalen voor de dagverzorgingscentra, vermeld in artikel 52.

De Vlaamse Regering kan een programmatie als vermeld in het eerste lid bepalen voor de groepen van assistentiewoningen.

De Vlaamse Regering kan een programmatie als vermeld in het eerste lid bepalen voor de vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening aan gebruikers, erkend met toepassing van artikel 49.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt aan de hand van objectief meetbare criteria de programmatie voor de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen zodat ofwel elk erkend ziekenfonds ofwel elke erkende landsbond van ziekenfondsen een proportioneel aandeel in die programmatie heeft.

Artikel 59. (01/01/2017- ...)

Het bouwen of verbouwen van een ouderenvoorziening die aan erkenning onderworpen is of die de initiatiefnemer wil laten erkennen, het als dusdanig inrichten of in gebruik nemen van een bestaand gebouw, het verplaatsen van de activiteiten en het verhogen van de capaciteit van zulke voorziening zijn onderworpen aan de voorafgaande vergunning van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering legt de procedure daarvoor vast, die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de types van ouderenvoorzieningen die ze aanwijst, de voorafgaande vergunning wordt verleend op basis van een oproep met het oog op de realisatie van die voorzieningen in het geografische gebied dat in de oproep wordt aangewezen.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt niet wanneer de capaciteit wordt verhoogd in de zin van artikel 53/1.

De voorafgaande vergunning kan alleen worden verleend als het initiatief past in de programmatie, vermeld in artikel 58, en past in het kader van de globale zorgstrategische visie, waarvan de elementen door de Vlaamse Regering worden bepaald. Die elementen hebben onder meer betrekking op de woonzorgbehoeften, de wijze waarop woonzorg zal worden aangeboden, de plaats van het initiatief binnen het geheel van bestaande woonzorgvoorzieningen en andere welzijnsvoorzieningen en zorgverleners en de samenwerking met die voorzieningen en zorgverleners. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden bepalen voor het verlenen van de voorafgaande vergunning.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de groepen van assistentiewoningen zolang de Vlaamse Regering voor die voorzieningen geen programmatie heeft bepaald ter uitvoering van artikel 58, § 1, derde lid.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum en een centrum voor herstelverblijf, dat de initiatiefnemer wil laten erkennen.

Artikel 59/1. (01/01/2019- ...)

De Vlaamse Regering kan, op vraag van de initiatiefnemer, de voorafgaande vergunning van een thuiszorgvoorziening of een ouderenvoorziening geheel of gedeeltelijk omzetten in de erkenning of vergunning van een andere zorgvorm in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid. De Vlaamse Regering stelt de procedure voor de omzetting vast en bepaalt de voorwaarden waaronder die plaatsvindt.

Afdeling III. Subsidiëring

Onderafdeling I. Algemene bepaling

Artikel 60. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan, binnen de begrotingskredieten, een jaarlijkse subsidie verlenen aan erkende voorzieningen, woonzorgnetwerken en verenigingen, met uitzondering van erkende centra voor herstelverblijf en erkende diensten voor thuisverpleging.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de aanvraag, de vaststelling, de toekenning en de vereffening van de subsidie.

De Vlaamse Regering kan subsidievoorwaarden vastleggen.

Onderafdeling II. Specifieke bepalingen voor thuiszorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Artikel 61. (01/01/2010- ...)

Bij het bepalen van de subsidie aan een thuiszorgvoorziening of vereniging legt de Vlaamse Regering de activiteiten vast die de voorziening of vereniging moet verrichten, alsook de personeelsformatie die ze moet inzetten, de kwaliteitseisen waaraan ze moet voldoen en de resultaten die ze moet bereiken.

Onderafdeling III. Specifieke bepalingen voor ouderenvoorzieningen en woonzorgnetwerken

Artikel 62. (01/07/2016- ...)

De Vlaamse Regering kan subsidies voor de organisatie en het aanbod van de ouderenzorg, vermeld in hoofdstuk III en artikel 49, verlenen aan :
1° erkende ouderenvoorzieningen waarvan de initiatiefnemer een rechtsvorm heeft als vermeld in artikel 63, eerste lid;
2° erkende woonzorgnetwerken, waarvan minstens twee participerende voorzieningen, vermeld in artikel 44 een rechtsvorm hebben als vermeld in artikel 63, eerste lid.

Die subsidies kunnen pas worden toegekend aan de voorzieningen en woonzorgnetwerken als ze, naast de erkenningsvoorwaarden, aan aanvullende kwaliteiteisen voldoen. De Vlaamse Regering bepaalt die kwaliteitseisen op basis van objectieve parameters, overwogen uit algemeen belang, die tenminste rekening houden met :
1° de reële inzet van personeel in de voorziening;
2° de vorming en bijscholing van personeel;
3° het prijzenbeleid;
4° het opnamebeleid.

In afwijking van het eerste lid kunnen subsidies voor animatie, vermeld in artikel 38, 5°, worden toegekend aan erkende woonzorgcentra en erkende centra voor kortverblijf, ongeacht de rechtsvorm van de initiatiefnemer.

Artikel 63. (18/04/2017- ...)

Subsidies voor het bouwen, het uitbreiden, het verbouwen en het inrichten van dagverzorgingscentra, of voor de aankoop van gebouwen die bestemd zijn om als dagverzorgingscentrum  te worden ingericht, of als tegemoetkoming in de kosten van huur, huurkoop, leasing of lening voor het aankopen, het bouwen, het inrichten en het in gebruik nemen van een  dagverzorgingscentrum, kunnen alleen worden verleend voor een dagverzorgingscentrum dat wordt opgericht door :
1° een initiatiefnemer als vermeld in artikel 50 of aangewezen ter uitvoering van dat artikel;
2° een intergemeentelijke samenwerking conform het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid moet het dagverzorgingscentrum aan de volgende voorwaarden voldoen om voor subsidiëring in aanmerking te komen :
1° passen in het kader van het programma dat door de Vlaamse Regering wordt vastgesteld;
2° beantwoorden aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering vastlegt.

Artikel 63/1. (18/04/2017- ...)

Binnen de perken van de begrotingskredieten en passend binnen de programmatie kan de Vlaamse Regering aan erkende woonzorgcentra en centra voor kortverblijf subsidies verlenen als tegemoetkoming in de infrastructuurkosten in de vorm van een forfait dat periodiek wordt uitbetaald.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf en de infrastructuur moeten voldoen om voor infrastructuursubsidies in aanmerking te komen. Die hebben onder meer betrekking op :
1° de bouwfysische, technische en kwalitatieve normen waaraan de infrastructuur moet voldoen;
2° de aanrekening van kosten aan zorggebruikers;
3° de cumuleerbaarheid van de subsidies met andere steunmechanismen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de toekenning en de uitbetaling van infrastructuursubsidies. Die procedure bevat de mogelijkheid een bezwaar in te dienen.

De Vlaamse Regering kan een gefaseerde invoering, met een bijbehorende aangepaste procedure, bepalen voor het verlenen van infrastructuursubsidies.

Afdeling IV. Specifieke regeling met betrekking tot Brussel-Hoofdstad

Artikel 64. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan voor de voorzieningen, verenigingen en woonzorgnetwerken in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad specifieke programmatie, vergunnings-, erkennings- en subsidievoorwaarden bepalen.

HOOFDSTUK V. Aanmelding

Artikel 65. (01/01/2017- ...)

Iedereen die woonzorg als vermeld in artikelen 5, 8, 10, 14, 16, 20, 23, 28, 33, 44 of 46, wil aanbieden of organiseren, moet zich vooraf bij de Vlaamse Regering aanmelden. Die aanmeldingsplicht geldt ook voor wie woonzorg als vermeld in artikel 37 wil aanbieden of organiseren en niet aan erkenning onderworpen is conform artikel 53, § 1.

De aanmeldingsplicht geldt ook voor een woonzorgcentrum dat een persoon van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast opneemt buiten zijn erkende capaciteit als vermeld in artikel 53/1.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedureregels voor de aanmelding.

Een aan de Vlaamse Regering gerichte aanvraag voor een voorafgaande vergunning of voor een erkenning wordt met een aanmelding als vermeld in het eerste lid gelijkgesteld.

Artikel 66. (01/01/2019- ...)

§ 1. De ambtenaren, vermeld in artikel 72, zien erop toe dat de woonzorg in aangemelde thuiszorg- en ouderenzorgvoorzieningen wordt verstrekt met inachtneming van de persoonsrechten van de gebruikers. Meer bepaald gaan ze na of de lichamelijke, morele en psychische integriteit en de veiligheid van de gebruikers gewaarborgd wordt. Daarnaast zien ze erop toe dat de woonzorg verloopt op een verantwoorde en transparante wijze en tegen een redelijke prijs.

§ 2. Bij ernstige inbreuken op de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Regering de nodige maatregelen nemen om tot sluiting van de thuiszorg- of ouderenzorgvoorziening over te gaan. De Vlaamse Regering regelt de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. Artikel 74, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VI. Registratie

Artikel 67. (25/05/2018- ...)

De erkende voorzieningen verzamelen op een gecoördineerde, systematische wijze kwantitatieve gegevens over de gebruikers, hun mantelzorgers, de aard van de zorgvraag, de geboden woonzorg en het effect van de geboden woonzorg.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de registratie en de verwerking van de gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de bijzondere categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), met zorg voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers en mantelzorgers.

De gegevensregistratie en -verwerking hebben tot doel over gegevens, nodig voor de zorgverlening aan de gebruiker, te beschikken zodat die zorgverlening door de voorziening zelf of in samenwerking met andere erkende voorzieningen zo optimaal mogelijk kan worden afgestemd op de evoluerende zorgbehoeften van de gebruiker en het zorgverleningstraject per gebruiker kan worden bewaakt. Ze hebben eveneens tot doel aan de Vlaamse overheid gegevens te bezorgen om haar in staat te stellen haar woonzorgbeleid af te stemmen op de evoluerende maatschappelijke behoeften.

HOOFDSTUK VII. Partnerorganisaties en projecten

Artikel 68. (01/01/2014- ...)

§ 1. Om de professionaliteit en de kwaliteit van de woonzorg te stimuleren, kan de Vlaamse Regering partnerorganisaties erkennen en subsidiëren binnen de beschikbare begrotingskredieten.

De Vlaamse Regering bepaalt de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning, alsook de regels om de erkenning te verlenen en om de erkenning te schorsen of in te trekken als de erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd.

Alleen erkende partnerorganisaties kunnen worden gesubsidieerd. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidieregels.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Vlaamse Regering, al dan niet op basis van een oproep, een beheersovereenkomst sluiten met een partnerorganisatie die in Vlaanderen een unieke expertise op het vlak van de professionaliteit en de kwaliteit van woonzorg ontwikkelt. Een partnerorganisatie waarmee een beheersovereenkomst wordt gesloten, wordt geacht erkend te zijn voor de duur van die overeenkomst.

De beheersovereenkomst, vermeld in het eerste lid, omvat minstens :
1° de aard van de deskundigheid van de partnerorganisatie, de doelgroepen aan wie de partnerorganisatie minstens ondersteuning biedt en de opdrachten die de partnerorganisatie heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid;
2° een plan voor de duur van de beheersovereenkomst met :
a) de resultaatsgebieden voor de uitvoering van de overeenkomst;
b) de evaluatiecriteria voor de resultaatsgebieden, vermeld in punt a);
3° de voorwaarden en andere regels voor de subsidie.

Artikel 69. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden die ze bepaalt en binnen de begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor projecten rond de woonzorg.

HOOFDSTUK VIII. Financiële bepalingen met betrekking tot de thuiszorg

Artikel 70. (01/01/2010- ...)

De persoonlijke bijdrage die de erkende thuiszorgvoorzieningen aan de gebruiker aanrekent, is gerelateerd aan de financiële draagkracht van de gebruiker. Om de financiële draagkracht te bepalen wordt ten minste rekening gehouden met het inkomen en de gezinssamenstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de tarieven en stelt de nadere regels vast.

Artikel 71.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Met het oog op de financiële toegankelijkheid van de thuiszorg wordt een systeem van maximumfactuur in de thuiszorg ingesteld.
Dit systeem houdt in dat er een grens wordt gesteld aan de persoonlijke bijdragen van de gebruiker. Deze grens is afhankelijk van de financiële draagkracht van de gebruiker.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden om in aanmerking te komen voor die maximumfactuur in de thuiszorg en stelt de nadere regels vast. In de mate dat de persoonlijke bijdragen van de gebruiker hoger zijn dan de grens, vermeld in het tweede lid, gebeurt de betaling of terugbetaling ervan ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK IX. Toezicht, wijziging, schorsing, intrekking en verval van de erkenning en sluiting

Afdeling I. Toezicht

Artikel 72. (01/01/2019- ...)

De Vlaamse Regering organiseert het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

Afdeling II. Wijziging, schorsing en intrekking van de erkenning en sluiting

Artikel 73. (01/01/2019- ...)

De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de erkenning wijzigen, alsook de erkenning schorsen of intrekken als de erkende voorzieningen, woonzorgnetwerken of verenigingen de erkenningsvoorwaarden niet naleven. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen.

De Vlaamse Regering vermindert de subsidie of ze vordert de subsidie terug volgens de regels die ze bepaalt, als die voorzieningen, woonzorgnetwerken of verenigingen de subsidievoorwaarden niet naleven.

Artikel 74. (01/01/2010- ...)

De intrekking van de erkenning van een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 53, § 1, van een dagverzorgingscentrum of van een centrum voor kortverblijf heeft van rechtswege de sluiting van die voorziening tot gevolg.

De Vlaamse Regering kan de sluiting bevelen van een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 53, § 1, van een dagverzorgingscentrum of van een centrum voor kortverblijf, als het niet erkend is. Ze bepaalt daarvoor de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen.

De sluiting houdt in dat het centrum niet langer mag worden uitgebaat. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de sluiting. Aan de effectieve sluiting gaat een overleg vooraf met het gemeentebestuur en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is.

Artikel 75. (01/01/2010- ...)

Als na de inwerkingtreding van de sluiting van een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum of een centrum voor kortverblijf wordt vastgesteld dat de uitbating ervan niet werd stopgezet, gaat de burgemeester, op schriftelijk verzoek van de Vlaamse Regering, over tot de effectieve sluiting, onverminderd de bevoegdheid die door de nieuwe Gemeentewet aan de burgemeester werd verleend. Hij beveelt de stopzetting van de activiteiten en, in voorkomend geval, de ontruiming van de gebouwen, en verzegelt de gebouwen.

Die maatregelen worden uitgevoerd op kosten en risico van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het woonzorgcentrum, dagverzorgingscentrum of centrum voor kortverblijf uitbaat. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure daarvan.

Artikel 75/1. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de te volgen procedure bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten van een erkende voorziening of vereniging en de gevolgen van die stopzetting.

Als de persoon die bij rechterlijke beslissing gemachtigd wordt om op te treden als verantwoordelijk beheerder van een woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum of een centrum voor kortverblijf, beslist tot de spoedige stopzetting van de uitbating van het centrum, moet voor die beslissing een overleg plaatsvinden met het gemeentebestuur en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is. De Vlaamse Regering kan bepalen wat onder de spoedige stopzetting van de uitbating wordt verstaan.

Afdeling III. Verval van de erkenning

Artikel 76. (01/01/2010- ...)

De erkenning van een centrum voor kortverblijf vervalt van rechtswege :
1° als het woonzorgcentrum waarin het centrum gevestigd is, zijn erkenning verliest of gesloten wordt;
2° als het centrum voor herstelverblijf waarin het centrum gevestigd is, zijn erkenning verliest.

HOOFDSTUK X. Sancties

Artikel 77. (01/01/2017- ...)

Met behoud van de toepassing van artikelen 73, 74 en 75, naargelang van het geval, kan een administratieve geldboete van 500 tot 5.000 euro worden opgelegd aan :
1° degene die de hulp- en dienstverlening, vermeld in dit decreet, aanbiedt of organiseert zonder zich aangemeld te hebben conform artikel 65;
1° /1 degene die een persoon van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast opneemt buiten zijn erkende capaciteit als vermeld in artikel 53/1, § 1, eerste lid, zonder zich te hebben aangemeld conform artikel 65 of die niet voldoet aan de normen, vermeld in artikel 53/1, § 1, tweede lid, en § 2;
2° degene die met overtreding van artikel 59 een dagverzorgingscentrum, een centrum voor kortverblijf of een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 53, § 1, bouwt, een bestaand gebouw als zodanig inricht of in gebruik neemt, of de opnamecapaciteit ervan verhoogt zonder daarvoor een voorafgaande vergunning te hebben verkregen;
3° de uitbater van een erkend woonzorgcentrum, dagverzorgingscentrum of centrum voor kortverblijf dat door de Vlaamse overheid werd aangemaand om binnen een bepaalde termijn aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in de aanmaning, te voldoen en dat binnen die termijn aan die voorwaarden niet voldoet.

In afwijking van het eerste lid kan een administratieve geldboete van 2.000 tot 5.000 euro per uitgebate woongelegenheid worden opgelegd aan degene die zonder erkenning een dagverzorgingscentrum, een centrum voor kortverblijf of een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 53, § 1, uitbaat.

De administratieve geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk door de ambtenaren, vermeld in artikel 72, en nadat de betrokkene werd gehoord. Als een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarbinnen die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete. Ze wijst de ambtenaren aan die de geldboete kunnen opleggen.

De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van een beroep binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de politierechtbank beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

De ambtenaren, vermeld in het vierde lid of, in geval van beroep, de politierechtbank kan bij verzachtende omstandigheden het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete verminderen, zelfs tot onder het toepasselijke minimumbedrag.

Als de betrokkene weigert de administratieve geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het derde lid, of in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

HOOFDSTUK XI. Wijzigingsbepalingen

Afdeling I. Wijzigingen in het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden

Artikel 78. (01/01/2010- ...)

In artikel 7 van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, gewijzigd bij de decreten van 16 maart 1999 en 2 juni 2006, worden de woorden "artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991" vervangen door de woorden "artikel 63, eerste lid, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" en wordt het woord "rusthuis" telkens vervangen door het woord "woonzorgcentrum".

Artikel 79. (01/01/2010- ...)

In artikel 7ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 2 juni 2006, worden de woorden "een rusthuis zoals bedoeld in artikel 2, 6°, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991" vervangen door de woorden "een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 37 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" en worden de woorden "artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991" vervangen door de woorden "artikel 63, eerste lid, van het voormelde Woonzorgdecreet".

Afdeling II. Wijzigingen in het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk

Artikel 80. (01/01/2010- ...)

In artikel 2 van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 2° worden de woorden "centrum voor algemeen welzijnswerk in het kader van de ziekenfondsen," geschrapt;
2° punt 4° wordt opgeheven.

Artikel 81. (01/01/2010- ...)

In hoofdstuk II, afdeling 3, van hetzelfde decreet wordt onderafdeling B, bestaande uit artikel 6, opgeheven.

Artikel 82. (01/01/2010- ...)

In artikel 15, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de zin "Niettemin wordt de programmatie inzake de op basis van artikel 6 erkende centra voor algemeen welzijnswerk in het kader van de ziekenfondsen gebaseerd op objectieve parameters derwijze dat elk erkend ziekenfonds recht heeft op een proportioneel aandeel in de programmatie." geschrapt;
2° het tweede lid wordt opgeheven.

Afdeling III. Wijzigingen in het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders

Artikel 83. (01/01/2010- ...)

In artikel 2 van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 2°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"2°bis. dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds : een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds als vermeld in het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;";
2° punt 13° wordt opgeheven;
3° punt 15° wordt vervangen door wat volgt :
"15° regionaal dienstencentrum : een regionaal dienstencentrum als vermeld in het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;".

Artikel 84. (01/01/2010- ...)

In artikel 12, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "en de ziekenfondsdiensten voor maatschappelijk werk en woonondersteuning" vervangen door de woorden ", de regionale dienstencentra en de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen".

Artikel 85. (01/01/2010- ...)

In artikel 26 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.

HOOFDSTUK XII. Slotbepalingen

Artikel 86. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering regelt de opheffing van elk van de bepalingen van de volgende decreten :
1° de decreten inzake de voorzieningen voor ouderen, gecoördineerd op 18 december 1991, gewijzigd bij de decreten van 23 februari 1994, 15 juli 1997, 14 juli 1998 en 13 juli 2007;
2° het decreet van 14 juli 1998 houdende de erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 en 13 juli 2007.

De Vlaamse Regering stemt de opheffing, vermeld in het eerste lid, af op de inwerking-treding van de bepalingen van dit decreet.

Artikel 87. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke overgangsmaatregelen met behoud van de toepassing van artikel 88.

Artikel 88. (01/01/2010- ...)

§ 1. De rusthuizen, serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en centra voor kortverblijf, die op datum van de inwerkingtreding van artikelen 30 tot en met 32, artikelen 33 tot en met 35 of artikelen 37 en 38 erkend zijn, blijven gedurende vijf jaar verder erkend volgens de regels die voor die datum van toepassing waren, tenzij hun erkenning voordien afloopt of wordt ingetrokken.

Als ze volgens de bepalingen van dit decreet niet aan erkenning onderworpen zijn, kunnen ze verzoeken om hun erkenning in te trekken.

§ 2. De rusthuizen, serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en centra voor kortverblijf, die op datum van de inwerkingtreding van artikelen 30 tot en met 32, artikelen 33 tot en met 35 of artikelen 37 en 38, een aanvraag tot erkenning of verlenging van erkenning hebben ingediend, kunnen voor ten hoogste vijf jaar erkend worden volgens de regels die voor die datum van toepassing waren.

§ 3. Procedures met betrekking tot de schorsing of intrekking van de erkenning van een rusthuis, serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening of centrum voor kortverblijf, waarin op datum van inwerkingtreding van artikel 73 een voornemen tot schorsing of intrekking formeel is betekend, worden voortgezet volgens de regels die voor die datum van toepassing waren.

§ 4. Personen onder de 65 jaar, die op de datum van de inwerkingtreding van artikelen 30 tot en met 32, artikelen 33 tot en met 35 of artikelen 37 en 38, verblijven in een rusthuis, serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening of centrum voor kortverblijf, worden van rechtswege geacht ouderen te zijn.

§ 5. Serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 7, § 1, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, kunnen verder erkend worden of blijven volgens de regels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van artikelen 33 tot en met 35.

Artikel 89. (01/01/2010- ...)

De Vlaamse Regering stelt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding vast.

De Vlaamse Regering kan de bepalingen van artikel 4, van hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling XIII, van hoofdstukken IV, V, VI, VIII, IX en X, per soort van voorziening, voor verenigingen of woonzorgnetwerken afzonderlijk in werking laten treden.