Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid

Datum 27/03/2009

Inhoudstafel

  1. BOEK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN
  2. BOEK 2 MISSIE, PLANNING EN MONITORING
    1. TITEL 1 Missie
    2. TITEL 2 Planning
      1. HOOFDSTUK 1 Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen
      2. HOOFDSTUK 2 Lokale grond- en pandenbeleidsplanning
      3. HOOFDSTUK 3 Monitoring
        1. Afdeling 1 Register van onbebouwde percelen
        2. Afdeling 2 Leegstandsregister
        3. Afdeling 3 Koppeling van gegevensbanken
  3. BOEK 3 ACTIVERING VAN GRONDEN EN PANDEN
    1. TITEL 1 Stimuli
      1. HOOFDSTUK 1 Activeringsprojecten
      2. HOOFDSTUK 2 Belastingvermindering voor renovatieovereenkomsten
      3. HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 2 april 2021, art. 2, I: 1 juni 2018)]
    2. TITEL 2 Bindende maatregelen
      1. HOOFDSTUK 1 Activeringstoezicht
      2. HOOFDSTUK 2 Activeringsheffing
        1. Afdeling 1 Machtiging
        2. Afdeling 2 Beginselen
        3. Afdeling 3 Procedure
        4. Afdeling 4 Bijzondere regelen betreffende de invoering van een activeringsheffing
      3. HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
        1. Afdeling 1 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
          1. Onderafdeling 1 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
          2. Onderafdeling 2 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
          3. Onderafdeling 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
          4. Onderafdeling 4 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
          5. Onderafdeling 5 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
        2. Afdeling 2 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]
  4. BOEK 4 MAATREGELEN BETREFFENDE BETAALBAAR WONEN
    1. TITEL 1 Verwezenlijking van een sociaal woonaanbod
      1. HOOFDSTUK 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
        1. Afdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
        2. Afdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
          1. Onderafdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
          2. Onderafdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
          3. Onderafdeling 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 57, I: 23 december 2016)]
          4. Onderafdeling 4 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 58, I: 23 december 2016)]
        3. Afdeling 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]
      2. HOOFDSTUK 2 Normen
        1. Afdeling 1 Per gemeente
        2. Afdeling 2 Per bouw- of verkavelingsproject
          1. Onderafdeling 1 ...
          2. Onderafdeling 2 ...
        3. Afdeling 3 Overige bepalingen
      3. HOOFDSTUK 3 ...
        1. Afdeling 1...
        2. Afdeling 2 ...
          1. Onderafdeling 1 ...
          2. Onderafdeling 2 ...
          3. Onderafdeling 3 ...
        3. Afdeling 3 ...
          1. Onderafdeling 1 ...
          2. Onderafdeling 2 ...
          3. Onderafdeling 3 ...
    2. TITEL 2 Verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod
      1. HOOFDSTUK 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
        1. Afdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
        2. Afdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
        3. [Afdeling 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
      2. HOOFDSTUK 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
      3. HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]
    3. TITEL 3 Kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen
  5. BOEK 5 WONEN IN EIGEN STREEK
    1. TITEL 1 Monitoring
    2. TITEL 2 Operationalisering
    3. TITEL 3 Verruimd toepassingsgebied
    4. TITEL 4 Facultatieve toepassing
  6. BOEK 6 KAPITAALSCHADE TEN GEVOLGE VAN ASPECTEN VAN HET GRONDBELEID
    1. TITEL 1 Kapitaalschadecommissies
    2. TITEL 2 Bestemmingswijzigingscompensatie
      1. HOOFDSTUK 1 Begrip
      2. HOOFDSTUK 2 Gewestelijk
      3. HOOFDSTUK 3 Perceelsgebonden
      4. HOOFDSTUK 4 Financieel
      5. HOOFDSTUK 5 Subsidiair
      6. HOOFDSTUK 6. - Kapitaalschade
      7. HOOFDSTUK 7 Procedure
    3. TITEL 3 Compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften
  7. BOEK 7 SLOTBEPALINGEN
    1. TITEL 1 Evaluatie
    2. TITEL 2 Wijzigingsbepalingen
      1. HOOFDSTUK 1 Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
      2. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
      3. HOOFDSTUK 3 Wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
      4. HOOFDSTUK 4 Wijziging van de Vlaamse Wooncode
      5. HOOFDSTUK 5 Wijziging van het decreet Ruimtelijke Ordening
      6. HOOFDSTUK 6 Wijziging van het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten
      7. HOOFDSTUK 7 Wijziging van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen
      8. HOOFDSTUK 8 Wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen
    3. TITEL 3 Overgangsmaatregelen
      1. HOOFDSTUK 1 Opmaak grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen
      2. HOOFDSTUK 2 Opbouw leegstandsregister
      3. HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 60, I: 23 december 2016)]
      4. HOOFDSTUK 4 Invoering activeringsheffing
      5. HOOFDSTUK 5 Invoering gemeentelijke leegstandsheffing
      6. HOOFDSTUK 6 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 61, I: 23 december 2016)]
      7. HOOFDSTUK 7 Normen sociaal en bescheiden woonaanbod
      8. [HOOFDSTUK 7/1 Wonen in eigen streek (ing. decr. 9 juli 2010, art. 19)]
      9. HOOFDSTUK 8 Invoering compensaties voor kapitaalschade
      10. HOOFDSTUK 9 Ondersteuning van de implementatie van dit decreet
    4. TITEL 4 Opdracht tot codificatie
    5. TITEL 5 Inwerkingtredingsbepaling
  8. BIJLAGE 1

Inhoud

BOEK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1.1. (01/09/2009- ...)

Dit decreet betreft een gewestaangelegenheid.

Artikel 1.2. (20/09/2021- ...)

Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° bescheiden woonaanbod : het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels, met uitsluiting van het sociaal woonaanbod, dat met behoud van de toepassing van artikel 4.2.2, § 1, tweede lid, en artikel 4.2.4, § 1, tweede lid, bestaat uit :
a) kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2;
b) eengezinswoningen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m3;
c) overige woningen met een bouwvolume van ten hoogste 240 m3, te verhogen met 50 m3 voor woningen met drie of meer slaapkamers;
2° beveiligde zending : één van de hiernavolgende betekeningswijze :
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
3° bouwgronden : gronden, met uitsluiting van kavels, die palen aan een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en gelegen zijn in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat reeds voor bebouwing in aanmerking komt blijkens een principiële beslissing of op grond van artikel 5.6.6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
4° ...
4°/1 eengezinswoning : elk bebouwd onroerend goed dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van één gezin of één alleenstaande, waarin zich geen andere woningen bevinden;
5° gebouw : elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
6° Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem : het registratiesysteem in de zin van titel II, hoofdstuk 4, van de verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;
7° groepswoningbouw : het gemeenschappelijk oprichten van woningen die een gemeenschappelijke werf hebben en fysisch of stedenbouwkundig met elkaar verbonden zijn;
8° grond(- en panden)speculatie : het in handen houden van gronden (of panden) met het oogmerk om deze met abnormale winsten te verkopen bij prijsstijgingen ten gevolge van de kunstmatige creatie van schaarste aan gronden (of panden);
9° hoofdverblijfplaats : de woning, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 21°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
10° kavels : de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;
10° /1 landmeter-expert : de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
11° onbebouwd : beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
12° plan van aanleg : een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg;
13° renovatie : de werkzaamheden, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 41°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, alsmede sloopwerkzaamheden gevolgd door vervangingsbouw;
14° register van onbebouwde percelen : het register, vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
14°/1 ...
15° sociale contextfactoren : gemeentelijke karakteristieken met een potentiële impact op de nood aan een sociaal woonaanbod, zoals :
a) het bestaande en geplande aanbod aan woonvoorzieningen die opvang en hulp aanbieden;
b) het bestaande en geplande aanbod aan huurwoningen die gehuurd worden middels een gewestelijke of gemeentelijke huursubsidie of tegemoetkoming in de huurprijs;
c) ...
d) het desgevallend door de gemeente geïnventariseerde bescheiden woonaanbod;
16° sociaal woonaanbod : het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels dat voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :
a) zij zijn volledig onderhevig aan de reglementering aangaande het sociale huurstelsel of de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
b) zij worden bestemd tot hoofdverblijfplaats, respectievelijk tot oprichting van een woning die tot hoofdverblijfplaats zal worden bestemd;
17° sociale woonorganisatie : een organisatie, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 53°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
18° stedenbouwkundig voorschrift : een reglementaire bepaling, opgenomen in een ruimtelijk uitvoeringsplan, een plan van aanleg, een stedenbouwkundige verordening of een bouwverordening;
19° verkavelingsvoorschrift : een reglementair voorschrift, opgenomen in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, aangaande de wijze waarop kavels bebouwd kunnen worden;
20° Vlaamse besturen :
a) de Vlaamse ministeries, agentschappen en openbare instellingen;
b) de Vlaamse provincies, gemeenten en districten;
c) de Vlaamse gemeentelijke en provinciale extern verzelfstandigde agentschappen;
d) de Vlaamse verenigingen van provincies en gemeenten, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, en de samenwerkingsvormen, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
e) de Vlaamse openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen, vermeld in hoofdstuk 12 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
f) de polders, vermeld in de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, en de wateringen, vermeld in de wet van 5 juni 1956 betreffende de wateringen;
g) de Vlaamse kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten;
20° /1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening : de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
21° Vlaamse semipublieke rechtspersonen : rechtspersonen die niet behoren tot de Vlaamse besturen, doch met één of meer Vlaamse besturen een bijzondere band vertonen, doordat zij voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
a) hun werkzaamheden worden in hoofdzaak gefinancierd of gesubsidieerd door één of meer Vlaamse besturen;
b) hun werking is rechtstreeks of onrechtstreeks onderworpen aan enig toezicht in hoofde van een Vlaams bestuur middels één van de hiernavolgende regimes :
1) een administratief toezicht;
2) een toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen;
3) de aanwijzing, door een Vlaams bestuur, van ten minste de helft van de leden van de directie, van de raad van bestuur, of van de raad van toezicht;
22° ...;
22° /1 Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;
23° woning : een goed, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 66°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
24° woongebied : de gebieden die :
a) ofwel geordend worden door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding « wonen »;
b) ofwel geordend worden door een plan van aanleg en aangewezen zijn als woongebied in de zin van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen;
25° ...
26° woonreservegebied : de als dusdanig op een plan van aanleg aangewezen gebieden;
27° woonuitbreidingsgebied : de gebieden, aangewezen in een plan van aanleg op grond van artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen;
28° zakelijk gerechtigde : de houder van een van volgende zakelijke rechten :
a) de volle eigendom;
b) het recht van opstal of van erfpacht;
c) het vruchtgebruik.
29° ...

De Vlaamse Regering kan een niet-limitatieve lijst opstellen van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, 21°.

Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt het aanbod aan huur- en koopwoningen en kavels die gefinancierd worden door het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 of door Vlabinvest apb, beschouwd als sociaal woonaanbod in de zin van het eerste lid, 16°.

BOEK 2 MISSIE, PLANNING EN MONITORING

TITEL 1 Missie

Artikel 2.1.1. (01/09/2009- ...)

Het Vlaamse Gewest voert in samenwerking met de provincies en de gemeenten een grond- en pandenbeleid dat bestaat uit de aansturing, de coördinatie, de ontwikkeling en de aanwending van ruimtelijke en sectorale beleidsstrategieën en instrumenten om de grond- en pandenmarkt te faciliteren, te stimuleren, te bevorderen en desnoods te corrigeren.

De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke overheden richten zich bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het grond- en pandenbeleid op het stellen van doelstellingen van algemeen nut en het regisseren en faciliteren van het bereiken daarvan. Directe overheidsinterventie in de grond- en pandenmarkt is evenwel gerechtvaardigd en noodzakelijk wanneer private actoren niet, of niet alleen, bij machte zijn om de gestelde publieke doelen te bereiken, of wanneer zulks noodzakelijk is om kwetsbare maatschappelijke groepen gelijke kansen te bieden om vrij aan die markt te participeren. Dergelijke directe overheidsinterventie is eveneens gerechtvaardigd indien het optreden van de overheid ten opzichte van private initiatieven kennelijk sociale, economische, financiële, ruimtelijke of milieugebonden voordelen of minderkosten inhoudt.

Artikel 2.1.2. (01/01/2021- ...)

Het grond- en pandenbeleid is gericht op een maatschappelijk gewenst en kwaliteitsvol ruimtegebruik en dient ten minste volgende doelstellingen :
1° het bevorderen van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° het voorzien in een voldoende ruim en kwalitatief aanbod aan gronden, panden en infrastructuren die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten, vermeld in artikel 23 van de Grondwet, en voor het recht op menswaardig wonen, vermeld in artikel 1.5 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3° het verwezenlijken van ruimtelijke ontwikkelingskansen voor de diverse maatschappelijke sectoren en activiteiten;
4° het scheppen van ruimtelijke strategieën en voorzieningen die sociale cohesie bevorderen;
5° het versneld verwezenlijken van bestemmingsvoorschriften door middel van gebiedsontwikkeling en -herontwikkeling;
6° het terugdringen en tegengaan van grond- en pandenspeculatie;
7° het faciliteren van de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten door publieke, publiek-private of private actoren;
8° een rechtvaardige verdeling van de gevolgen van bestemmingsvoorschriften, of de wijziging daarvan, over overheid, eigenaars, en gebruikers.
 

Artikel 2.1.3. (01/01/2021- ...)

§ 1. Het grond- en pandenbeleid wordt verwezenlijkt door middel van zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke instrumenten.

Ten bate van de tenuitvoerlegging van het grond- en pandenbeleid kunnen in het bijzonder, maar niet uitsluitend, volgende publiekrechtelijke instrumenten worden ingezet :
1° de instrumenten, vermeld in dit decreet, voor wat betreft :
a) de activering van gronden en panden;
b) het tijdig voorzien in een voldoende ruim, betaalbaar en kwalitatief aanbod aan bouwgronden, kavels en woningen;
c) de compensatie van kapitaalschade;
2° de gemeentelijke belasting op verwaarloosde gebouwen en woningen en de gemeentelijke of de gewestelijke heffing op ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 2.5.1.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
3° de instrumenten, vermeld in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
4° de Vlaamse voorkooprechten, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten;
5° de koopplichten, vermeld in artikel 20 van het decreet van 16 juni 2006 houdende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
6° het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
7° het sociaal beheersrecht, vermeld in boek 5, deel 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° de ruilverkaveling, kavelruil, herverkaveling en landinrichting als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
9° de natuurinrichting, vermeld in artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
10° de onteigening ten algemenen nutte;
11° de faciliteiten, vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
12° de organisatie van een Vlaamse Grondenbank, vermeld in het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
13° stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften;
14° erfdienstbaarheden tot openbaar nut, zijnde publiekrechtelijke erfdienstbaarheden die gevestigd worden op een dienstbaar erf, zoals een bouwverbod;
15° de planschade- en planbatenregeling, vermeld in artikel 2.6.1 en 2.6.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

§ 2. De Vlaamse Regering is er toe gemachtigd om de lijst, vermeld in § 1, tweede lid, aan te vullen met overige voor het grond- en pandenbeleid relevante instrumenten waarin de Vlaamse regelgeving voorziet.
 

TITEL 2 Planning

HOOFDSTUK 1 Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen

Artikel 2.2.1. (01/09/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt voor het Vlaamse Gewest een Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen vast bij elke algehele herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
Het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen is een beleidsdocument dat gericht is op :
1° de uitwerking van een visie op het grond- en pandenbeleid;
2° de vastlegging van beleidskeuzen ten aanzien van het instrumentarium;
3° de ontwikkeling van structurele waarborgen voor de doeltreffendheid, de efficiëntie en de interne samenhang van het grond- en pandenbeleid van de Vlaamse besturen.

§ 2. Het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen omvat volgende drie delen :
1° een informatief gedeelte, bestaande uit :
a) een omschrijving van de werking van de grond- en pandenmarkt;
b) een schets van de beleidsinhoudelijke uitdagingen waaraan het grond- en pandenbeleid dienbaar is;
c) een omschrijving en evaluatie van het gevoerde grond- en pandenbeleid;
d) een omschrijving en evaluatie van de regelgeving die betrekking heeft op het grond- en pandenbeleid, door het grond- en pandenbeleid ondersteund kan worden en op het grond- en pandenbeleid van invloed kan zijn;
2° een beleidsmatig gedeelte, bestaande uit een omschrijving van de krachtlijnen van het grond- en pandenbeleid op korte en op lange termijn;
3° een actieprogramma, bestaande uit de omschrijving van :
a) de ruimtelijke en sectorale regelgeving, maatregelen, middelen, termijnen en prioriteiten die worden vooropgesteld om de krachtlijnen van het grond- en pandenbeleid te bereiken;
b) de wijze van aansturing en coördinatie van de acties, vermeld in a).

Artikel 2.2.2. (01/08/2020- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen vast uiterlijk op het ogenblik van de voorlopige vaststelling van de algehele herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

§ 2. De vaststelling van het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen gebeurt na advies van :
1° de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
2° ...;
3° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
4° de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.

Voorafgaand aan het uitbrengen van een advies worden de ontwerpteksten van het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen ten minste besproken in de schoot van :
1° een gemeenschappelijke vergadering van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
2° een gemeenschappelijke vergadering van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.

§ 3. Het actieprogramma van het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen wordt geïntegreerd in het bindend en het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, uiterlijk op het ogenblik van de voorlopige vaststelling van dat structuurplan.

§ 4. Het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen treedt gelijktijdig met de algehele herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in werking. Het is raadpleegbaar op de webstek van het departement waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake ruimtelijke ordening worden toevertrouwd.
 

Artikel 2.2.3. (01/09/2009- ...)

Het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden herzien overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de opmaak ervan.

De Vlaamse Regering gaat bij elke gedeeltelijke herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen na of deze gedeeltelijke herziening al dan niet tot een herziening van het Grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen aanleiding geeft.

HOOFDSTUK 2 Lokale grond- en pandenbeleidsplanning

Artikel 2.2.4. (01/09/2009- ...)

Provincie- en gemeenteraden kunnen in hun ruimtelijke structuurplannen de beleidskeuzen vastleggen met betrekking tot de door de lokale besturen behartigde aspecten van het grond- en pandenbeleid.

HOOFDSTUK 3 Monitoring

Afdeling 1 Register van onbebouwde percelen

Artikel 2.2.5. (06/02/2012- ...)

§ 1. Het register van onbebouwde percelen vormt een monitorinstrument voor het grond- en pandenbeleid.

Het register geeft een overzicht van onbebouwde percelen die een potentie tot bebouwing hebben, op de wijze bepaald bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Ten behoeve van de toepassing van artikel 3.2.1 en artikel 4.1.7 maakt de opbouw van het register het tevens mogelijk om een overzicht te krijgen van de onbebouwde bouwgronden en kavels die eigendom zijn van Vlaamse besturen, respectievelijk Vlaamse semipublieke rechtspersonen, waarbij, wat de onbebouwde bouwgronden en kavels van Vlaamse besturen betreft, vermeld wordt of zij al dan niet beantwoorden aan de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdspad voor de operationalisering van de bijzondere module of functie in de zin van § 1, derde lid. Zij kan nadere materiële, methodologische en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van § 1, derde lid.

Afdeling 2 Leegstandsregister

Artikel 2.2.6. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 2.2.7. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 2.2.8. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 2.2.9. (23/12/2016- ...)

...

Afdeling 3 Koppeling van gegevensbanken

Artikel 2.2.10.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering belast een overheidsinstantie met de opmaak en het beheer van een digitale koppeling tussen volgende gegevensbanken :
1° het plannenregister, vermeld in artikel 5.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° het vergunningenregister, vermeld in artikel 5.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
3° het register van onbebouwde percelen;
4° het leegstandsregister;
5° de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
6° het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 2.15 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
7° de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen betreffende :
1° de medewerking van de gemeenten bij de totstandkoming van de digitale koppeling;
2° de toegang tot de digitale koppeling en de ontsluiting van de onderliggende gegevensbanken.
 

BOEK 3 ACTIVERING VAN GRONDEN EN PANDEN

TITEL 1 Stimuli

HOOFDSTUK 1 Activeringsprojecten

Artikel 3.1.1. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 3.1.2. (20/09/2021- ...)

...

HOOFDSTUK 2 Belastingvermindering voor renovatieovereenkomsten

Artikel 3.1.3. (03/08/2018- ...)

Een kredietgever die uiterlijk op 31 december 2018 een renovatieovereenkomst sluit, geniet onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, een jaarlijkse belastingvermindering.
 

Artikel 3.1.4. (01/01/2021- ...)

§ 1. Een renovatieovereenkomst is een kredietovereenkomst waarvan de oorzaak gelegen is in de renovatie van een onroerend goed, voor zover voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
1° het onroerend goed is op het ogenblik van het sluiten van de renovatieovereenkomst sinds ten hoogste vier opeenvolgende jaren opgenomen in één of meer van volgende registers, inventarissen of lijsten, gelijktijdig of consecutief :
a) het leegstandsregister;
b) de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
c) het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 2.15 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
d) de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2° het onroerend goed wordt na de renovatie bestemd tot hoofdverblijfplaats van ten minste één van de kredietnemers, en dit, behoudens in het geval van overlijden of een plotse ramp, voor een periode van ten minste acht opeenvolgende jaren.

§ 2. Een renovatieovereenkomst heeft een looptijd van ten hoogste dertig jaar.

§ 3. De rentevoet van een renovatieovereenkomst is bij het aangaan van de lening ten hoogste gelijk aan de in uitvoering van artikel 5.65 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalde referentierentevoet voor het toestaan van leningen aan particulieren door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. De toepasselijke referentievoet is deze die geldt zes maanden voor het sluiten van de renovatieovereenkomst.

De rentevoet van een renovatieovereenkomst kan vijfjaarlijks worden herzien. De herziene rentevoet is ten hoogste gelijk aan de referentierentevoet, vermeld in het eerste lid, die geldt zes maanden voor de vijfde, tiende, vijftiende, twintigste, respectievelijk vijfentwintigste verjaardag van de renovatieovereenkomst.

Het eerste en het tweede lid houden geenszins een verplichting in om interesten te bedingen.

§ 4. Een renovatieovereenkomst wordt opgesteld aan de hand van een modelformulier dat door de Vlaamse Regering wordt vastgesteld.

De renovatieovereenkomst omvat ten minste volgende elementen :
1° de hoofdsom van de renovatieovereenkomst;
2° de begin- en einddatum van de renovatieovereenkomst;
3° de nuttige identificatiegegevens van de kredietgever en de kredietnemer, en het bankrekeningnummer waarop de interesten moeten worden gestort;
4° de concrete omschrijving van de oorzaak van de renovatieovereenkomst, vermeld in § 1;
5° de gegevens van het uittreksel uit het leegstandsregister, de inventaris of de lijsten, vermeld in § 1;
6° de bedragen en de vervaldata van de eventuele interesten die moeten worden betaald;
7° een verklaring op eer van zowel de kredietgever als de kredietnemer dat aan alle voorwaarden van dit hoofdstuk voldaan wordt en zal worden;
8° een verklaring op eer van de kredietgever dat de uitlening of terbeschikkingstelling van geld niet ressorteert onder de handelingen, vermeld in artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
 

Artikel 3.1.5. (01/09/2009- ...)

Een kredietgever bij een renovatieovereenkomst is een natuurlijke persoon die onderworpen is aan de personenbelasting. Hij is in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het sluiten van de renovatieovereenkomst en tijdens de duurtijd van deze overeenkomst geen zakelijk gerechtigde op het te renoveren onroerend goed.

Gedurende de looptijd van de renovatieovereenkomst is de kredietgever geen kredietnemer bij een andere renovatieovereenkomst.

Bij overlijden van de kredietgever wordt het recht op de belastingvermindering, vermeld in artikel 3.1.3, overgedragen aan de rechtverkrijgende die de renovatieovereenkomst in haar geheel overneemt of waaraan de renovatieovereenkomst in haar geheel wordt toebedeeld, en die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste en het tweede lid.

Artikel 3.1.6. (01/09/2009- ...)

Een kredietnemer bij een renovatieovereenkomst is een natuurlijke persoon.

Gedurende de looptijd van de renovatieovereenkomst is hij geen kredietgever of kredietnemer bij een andere renovatieovereenkomst.

Artikel 3.1.7. (01/09/2009- ...)

§ 1. De kredietgever bezorgt de door de Vlaamse Regering aangewezen instantie per beveiligde zending een origineel exemplaar van de renovatieovereenkomst. De renovatieovereenkomst wordt op straffe van verval van de belastingvermindering betekend binnen een termijn van vijfenveertig dagen, ingaand de dag na deze van de sluiting van de renovatieovereenkomst.

§ 2. De aangewezen instantie controleert binnen een ordetermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de renovatieovereenkomst, of voldaan is aan de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsmaatregelen.

§ 3. Als aan alle voorwaarden voldaan is, gaat de aangewezen instantie over tot de registratie van de renovatieovereenkomst. De registratie bestaat uit het toekennen van een nummer aan de renovatieovereenkomst en het opnemen van de renovatieovereenkomst in een register.

Binnen de termijn, vermeld in § 2, verzendt de aangewezen instantie de kredietgever per beveiligde zending een brief waarin het nummer wordt vermeld dat bij de registratie aan de renovatieovereenkomst werd toegekend.

§ 4. Als niet aan alle voorwaarden voldaan is, bezorgt de aangewezen instantie aan de kredietgever per beveiligde zending een schrijven waarin de redenen worden vermeld waarom geen registratie kan plaatsvinden.

De kredietgever wordt in staat gesteld om per beveiligde zending bezwaren te formuleren binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van de brief. De bezwaren worden onderzocht binnen een ordetermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst ervan. De aangewezen instantie stelt de kredietgever per beveiligde zending in kennis van het resultaat van dit onderzoek.

Artikel 3.1.8. (01/01/2015- ...)

§ 1. De belastingvermindering, vermeld in artikel 3.1.3, wordt berekend op basis van de bedragen die ter beschikking werden gesteld in het kader van één of meer renovatieovereenkomsten.

§ 2. Als berekeningsgrondslag voor de belastingvermindering geldt het rekenkundig gemiddelde van alle ter beschikking gestelde bedragen op 1 januari en 31 december van het belastbare tijdperk. In 2009 geldt als berekeningsgrondslag enkel de som van de ter beschikking gestelde bedragen op 31 december 2009.

Die berekeningsgrondslag bedraagt ten hoogste 25.000 euro per belastingplichtige.

§ 3. De belastingvermindering bedraagt 2,5 procent van de berekeningsgrondslag, vermeld in § 2.

§ 4. De belastingvermindering wordt toegestaan voor een termijn gelijk aan het aantal opeenvolgende volle jaren waarin het onroerend goed gebruikt wordt als hoofdverblijfplaats van ten minste één van de kredietnemers. De belastingvermindering wordt voor het eerst toegestaan in het aanslagjaar verbonden aan het belastbare tijdperk waarin het onroerend goed bestemd wordt tot hoofdverblijfplaats van ten minste één van de kredietnemers.

De belastingvermindering wordt niet toegestaan voor de aanslagjaren waarvoor de bewijslevering, vermeld in artikel 3.1.9, ontbreekt of onvolledig of niet correct is.

§ 5. De belastingvermindering wordt aangerekend op de gewestelijke opcentiemen op de gereduceerde belasting Staat als een belastingvermindering als vermeld in artikel 1781, § 2, tweede lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, na aanrekening van de belastingverminderingen, vermeld in hetzelfde wetboek.

Als de belastingvermindering niet of niet volledig kan worden aangerekend, wordt het overschot aangerekend op het saldo van de federale personenbelasting.

Artikel 3.1.9. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kredietgever bij de aangifte van de personenbelasting het bewijs levert dat de belastingvermindering is verschuldigd.

HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 2 april 2021, art. 2, I: 1 juni 2018)]

Artikel 3.1.10. (01/06/2018- ...)

...

TITEL 2 Bindende maatregelen

HOOFDSTUK 1 Activeringstoezicht

Artikel 3.2.1. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 3.2.2. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 3.2.3. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 3.2.4. (20/09/2021- ...)

...

HOOFDSTUK 2 Activeringsheffing

Afdeling 1 Machtiging

Artikel 3.2.5. (06/02/2012- ...)

§ 1. Gemeenten maken potentiële woonlocaties vrij en gaan grondspeculatie tegen.

Met dat oogmerk zijn de gemeenteraden gemachtigd tot het heffen van een jaarlijkse belasting, geheven op onbebouwde bouwgronden in woongebied of onbebouwde kavels, rekening houdend met volgende minimale regelen :
1° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per strekkende meter lengte van de bouwgrond of kavel palende aan de openbare weg, bedraagt de heffing ten minste 12,50 euro per strekkende meter;
2° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per vierkante meter oppervlakte van de bouwgrond of kavel, bedraagt de heffing ten minste 0,25 euro per vierkante meter;
3° in elk geval geldt een minimale aanslag van 125 euro per bouwgrond of kavel.

Binnen dezelfde gemeente kan zowel een activeringsheffing op onbebouwde bouwgronden in woongebied als op onbebouwde kavels worden geheven.

§ 2. De bedragen, vermeld in § 1, tweede lid, zijn gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index en stemmen overeen met de index van november 2008. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat.

Afdeling 2 Beginselen

Artikel 3.2.6. (01/09/2009- ...)

Deze afdeling is van toepassing in zoverre de gemeentelijke heffingsreglementen daarvan niet afwijken.

Artikel 3.2.7. (01/09/2009- ...)

De activeringsheffing is verschuldigd door de persoon die op 1 januari van het heffingsjaar eigenaar is van de bouwgrond of kavel.

Indien er een recht van opstal of erfpacht bestaat, is de activeringsheffing verschuldigd door de erfpachter of de opstalhouder.

Zo er meerdere heffingsplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde activeringsheffing.

Artikel 3.2.8. (01/01/2014- ...)

Van de activeringsheffing zijn vrijgesteld :
1° de eigenaars van één enkele onbebouwde bouwgrond in woongebied of onbebouwde kavel, bij uitsluiting van enig ander onroerend goed gelegen in België of het buitenland;
2° de sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb;
3°...;
4° door de overheid erkende jeugd- en sportverenigingen.

Een vrijstelling, beperkt tot één onbebouwde bouwgrond in woongebied of één onbebouwde kavel per kind, wordt tevens toegekend aan ouders met kinderen die al dan niet ten laste zijn. Deze vrijstelling wordt toegekend op voorwaarde dat het kind op 1 januari van het heffingsjaar voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° het heeft de leeftijd van dertig jaar nog niet bereikt;
2° het heeft nog geen volle drie jaar een onbebouwde bouwgrond in woongebied, een onbebouwde kavel of een woning in volle eigendom, alleen of met de persoon met wie het gehuwd is of wettelijk of feitelijk samenwoont.

Artikel 3.2.9. (01/09/2009- ...)

De activeringsheffing wordt niet geheven op percelen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° ze behoren toe aan dezelfde eigenaar als deze van de aanpalende bebouwde bouwgrond of kavel;
2° ze vormen met die bebouwde bouwgrond of kavel één ononderbroken ruimtelijk geheel.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt slechts voor een straatbreedte van ten hoogste dertig meter. Indien de activeringsheffing per vierkante meter wordt berekend, wordt de vrijstelling berekend door de vrijgestelde straatbreedte te vermenigvuldigen met de gemiddelde lengte van de onbebouwde bouwgrond in woongebied of de onbebouwde kavel.

Artikel 3.2.10. (01/09/2009- ...)

De activeringsheffing wordt niet geheven op bouwgronden en kavels die tijdens het heffingsjaar niet voor bebouwing kunnen worden bestemd :
1° ingevolge hun inrichting als collectieve voorzieningen, met inbegrip van hun aanhorigheden;
2° ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969, waarbij het bewijs van de pacht door alle middelen rechtens mag worden geleverd;
3° ingevolge hun werkelijke en volledige aanwending voor land- of tuinbouw, gedurende het hele jaar;
4° ingevolge een bouwverbod of enige andere erfdienstbaarheid tot openbaar nut die woningbouw onmogelijk maakt;
5° ingevolge een vreemde oorzaak die de heffingsplichtige niet kan worden toegerekend, zoals de beperkte omvang van de bouwgronden of kavels, of hun ligging, vorm of fysieke toestand.

Artikel 3.2.11. (23/02/2017- ...)

De activeringsheffing wordt opgeschort in hoofde van de houders van een in laatste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, en dit gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg, respectievelijk, wanneer de verkaveling werken omvat, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar van afgifte van het attest, vermeld in artikel 4.2.16, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, desgevallend voor die fase van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarvoor het attest wordt verleend.

Artikel 3.2.12. (01/09/2009- ...)

Benevens de vrijstellingen, verleend bij of krachtens deze afdeling, geldt onverkort de algemene onbelastbaarheid van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten voor wat betreft goederen van het openbaar domein en van goederen van het privaat domein die voor een dienst van openbaar nut worden aangewend.

Afdeling 3 Procedure

Artikel 3.2.13. (01/09/2009- ...)

Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen is op de activeringsheffing van toepassing.

Afdeling 4 Bijzondere regelen betreffende de invoering van een activeringsheffing

Artikel 3.2.14. (01/09/2009- ...)

Elke gemeente die niet over een heffing op onbebouwde bouwgronden of kavels beschikt, gaat in januari en in juli de spanning na tussen de woningbehoefte en het bouwpotentieel.

De woningbehoefte wordt berekend aan de hand van een door de Vlaamse Regering vastgesteld prognosemodel, gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten op het vlak van inzonderheid de huishoudensontwikkeling, het migratiepatroon en demografische evoluties en tendensen. Zolang dat prognosemodel niet is vastgesteld, wordt de woningbehoefte berekend aan de hand van de aanwijzingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

Het bouwpotentieel wordt berekend als de optelsom van, enerzijds, het product van het aantal onbebouwde bouwgronden met de door de Vlaamse Regering vastgestelde gemiddelde verwezenlijkingsratio van onbebouwde bouwgronden, en, anderzijds, het product van het aantal onbebouwde kavels met de door de Vlaamse Regering vastgestelde gemiddelde verwezenlijkingsratio van onbebouwde kavels. De Vlaamse Regering houdt bij de vaststelling van de gemiddelde verwezenlijkingsratio's rekening met de stedelijke of landelijke aard van het gebied.

Artikel 3.2.15. (01/09/2009- ...)

Indien de woningbehoefte op drie opeenvolgende meetdata het bouwpotentieel overschrijdt, is sprake van een structureel onderaanbod.

In het geval van een structureel onderaanbod geldt vanaf het eerstvolgende kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een activeringsheffing op onbebouwde kavels te hanteren. Deze verplichting geldt voor een termijn van drie heffingsjaren.

Indien in het tweede en derde jaar van de verplichte activeringsheffing op onbebouwde kavels opnieuw een structureel onderaanbod wordt vastgesteld, geldt vanaf het eerstvolgende kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een activeringsheffing op onbebouwde bouwgronden in woongebied te hanteren. Deze verplichting geldt voor een termijn van drie heffingsjaren.

Artikel 3.2.16. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van deze afdeling.

HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Afdeling 1 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Onderafdeling 1 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.17. (23/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 2 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.18. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.19. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.20. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.21. (23/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.22. (23/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 4 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.23. (23/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 5 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.24. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.25. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.26. (23/12/2016- ...)

..

Afdeling 2 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 52, I: 23 december 2016)]

Artikel 3.2.27. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.28. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 3.2.29. (23/12/2016- ...)

...

BOEK 4 MAATREGELEN BETREFFENDE BETAALBAAR WONEN

TITEL 1 Verwezenlijking van een sociaal woonaanbod

HOOFDSTUK 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Afdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.1.1. (20/09/2021- ...)

...

Afdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Onderafdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.1.2. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.1.3. (20/09/2021- ...)

...

Onderafdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.1.4. (20/09/2021- ...)

...

Onderafdeling 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 57, I: 23 december 2016)]

Artikel 4.1.5. (23/12/2016- ...)

...

Onderafdeling 4 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 58, I: 23 december 2016)]

Artikel 4.1.6. (23/12/2016- ...)

...

Afdeling 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 200, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.1.5. (20/09/2021- ...)

...

HOOFDSTUK 2 Normen

Afdeling 1 Per gemeente

Artikel 4.1.7. (23/12/2016- ...)

§ 1. Bij de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 24, § 3, van de Vlaamse Wooncode, berekent elke gemeente, voor haar grondgebied, de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen, met uitzondering van :
1° de gronden die voldoen aan één of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°;
2° ...

Door middel van haar regiefunctie, vermeld in artikel 28 van de Vlaamse Wooncode, waakt de gemeente er over dat de diverse Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen geconcerteerde acties ondernemen opdat, binnen een periode van tien jaar naar aanleiding van de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 24, § 3, van de Vlaamse Wooncode, de gezamenlijke oppervlakte aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van dit decreet, te behalen. De gemeenteraad stelt ter zake een actieprogramma vast.

§ 2. De eerste gemeentelijke berekening van de gezamenlijke oppervlakte van onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen gebeurt in afwijking van paragraaf 1, eerste lid, uiterlijk op 31 oktober 2010. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2025.

In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan elke gemeente in de periode 2009-2025, voor haar grondgebied, de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse semipublieke rechtspersonen berekenen. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2025.

In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, waakt de gemeente erover dat gezamenlijke oppervlakte, berekend conform het eerste lid, aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van dit decreet, te behalen. Als de gemeente toepassing gemaakt heeft van het tweede lid, geldt die verplichting ten aanzien van de gezamenlijke oppervlakte, berekend conform het eerste en het tweede lid.

In afwijking van het derde lid is een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 22bis, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, te bereiken, ertoe gehouden ten minste een kwart van de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, aan te wenden voor een sociaal woonaanbod. De gronden die eigendom zijn van sociale woonorganisaties, respectievelijk van het Vlabinvest apb, tellen niet mee voor de berekening van het minimale aandeel.

Aan de verplichting, vermeld in het derde lid, is voldaan als het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van dit decreet, in een gemeente wordt behaald in de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2025.

Afdeling 2 Per bouw- of verkavelingsproject

Onderafdeling 1 ...

Artikel 4.1.8. (01/09/2009- ...)

...

Artikel 4.1.9. (... - ...)

...

Artikel 4.1.10. (... - ...)

...

Artikel 4.1.11. (... - ...)

...

Onderafdeling 2 ...

Artikel 4.1.12. (... - ...)

...

Artikel 4.1.13. (... - ...)

...

Afdeling 3 Overige bepalingen

Artikel 4.1.14. (... - ...)

...

Artikel 4.1.14/1. (... - ...)

...

Artikel 4.1.15. (01/09/2009- ...)

Indien gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op grond van het actieprogramma, vermeld in artikel 4.1.7, eigenstandig een sociaal woonaanbod verwezenlijken, wordt dat aanbod geacht door een sociale huisvestingsmaatschappij te zijn gerealiseerd, in zoverre alle voorwaarden die gelden in hoofde van de sociale huisvestingsmaatschappijen in acht genomen worden, en het aanbod verwezenlijkt wordt op gronden die de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband op 31 december 2008 in eigendom heeft.

HOOFDSTUK 3 ...

Afdeling 1...

Artikel 4.1.16. (... - ...)

...

Afdeling 2 ...

Onderafdeling 1 ...

Artikel 4.1.17. (... - ...)

...

Onderafdeling 2 ...

Artikel 4.1.18. (... - ...)

...

Onderafdeling 3 ...

Artikel 4.1.19. (... - ...)

...

Afdeling 3 ...

Onderafdeling 1 ...

Artikel 4.1.20. (... - ...)

...

Artikel 4.1.21. (... - ...)

...

Artikel 4.1.22. (... - ...)

...

Artikel 4.1.23. (... - ...)

...

Artikel 4.1.24. (... - ...)

...

Onderafdeling 2 ...

Artikel 4.1.25. (... - ...)

...

Onderafdeling 3 ...

Artikel 4.1.26. (... - ...)

...

TITEL 2 Verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod

HOOFDSTUK 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Afdeling 1 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.2.1. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.2. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.3. (20/09/2021- ...)

...

Afdeling 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.2.4. (20/09/2021- ...)

...

[Afdeling 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.2.4/1. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.4./2. (20/09/2021- ...)

...

HOOFDSTUK 2 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.2.5. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.6. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.7. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.8. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.8/1. (20/09/2021- ...)

...

HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. Decr. 9 juli 2021, art. 201, I: 20 september 2021)]

Artikel 4.2.9. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 4.2.10. (20/09/2021- ...)

...

TITEL 3 Kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen

Artikel 4.3.1. (01/09/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering gunt aan een instelling of een organisatie de opbouw en het beheer van een kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen. Deze databank omvat ten behoeve van woonbehoeftigen en ter bevordering van een transparante grond- en pandenmarkt :
1° locatie- en prijsgegevens over beschikbare bouwgronden, kavels en woningen binnen het Vlaamse Gewest, in het bijzonder wat betreft het sociaal en bescheiden woonaanbod en bijzondere woonvormen, zoals woonvormen die verbonden zijn met sociale of welzijnsvoorzieningen of kaderen binnen zorgprojecten;
2° geanonimiseerde gegevens over recente overdrachten van de bouwgronden, kavels en woningen, vermeld in 1°.

Bij de beschikbare bescheiden woningen en kavels worden de indicatieve streefprijzen, vermeld in artikel 4.2.9, aangegeven.

De opname van huurprijzen in de databank houdt rekening met artikel 1716 van het Burgerlijk Wetboek.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale specificaties waaraan de kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen moet voldoen. Zij kan de wijze bepalen waarop de kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen technisch en inhoudelijk afgestemd wordt op bestaande gewestelijke databanken waarin woongerelateerde gegevens zijn opgenomen.

Artikel 4.3.2. (01/09/2009- ...)

De opbouw van de kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen wordt aangestuurd door een stuurgroep, die uiterlijk in de maand die volgt op de inwerkingtreding van dit decreet door de Vlaamse Regering wordt samengesteld. De stuurgroep bestaat uit één of meer vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, van sociale woonorganisaties, van private woonactoren, van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, en eventueel van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en van de federale Administratie voor Patrimoniumdocumentatie.

De databank wordt slechts operationeel indien de architectuur en de inhoudelijke opbouw ervan gevalideerd zijn door de stuurgroep.

Artikel 4.3.3. (25/05/2018- ...)

De kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen wordt na oplevering ervan eigendom van het Vlaamse Gewest.

De Vlaamse Regering sluit met de beherende instelling of organisatie een concessieovereenkomst, waarin ten minste volgende elementen zijn opgenomen :
1° garanties omtrent de raadpleegbaarheid van de databank in elke gemeente;
2° passende technische en organisatorische maatregelen betreffende de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens;
3° de vergoedingen die de beherende instelling of organisatie voor het gebruik van de databank kan vragen.
 

BOEK 5 WONEN IN EIGEN STREEK

TITEL 1 Monitoring

Artikel 5.1.1. (... - ...)

...

TITEL 2 Operationalisering

Artikel 5.2.1. (19/07/2010- ...)

...

Artikel 5.2.2. (06/02/2012- ...)

...

Artikel 5.2.3. (01/09/2009- ...)

...

Artikel 5.2.4. (01/09/2009- ...)

...

TITEL 3 Verruimd toepassingsgebied

Artikel 5.3.1. (19/07/2010- ...)

...

Artikel 5.3.2. (01/09/2009- ...)

...

TITEL 4 Facultatieve toepassing

Artikel 5.3.3. (19/07/2010- ...)

...

BOEK 6 KAPITAALSCHADE TEN GEVOLGE VAN ASPECTEN VAN HET GRONDBELEID

TITEL 1 Kapitaalschadecommissies

Artikel 6.1.1. (01/09/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering is belast met de organisatie en samenstelling van vijf kapitaalschadecommissies. Zij wijst aan elke kapitaalschadecommissie een provinciaal werkingsgebied toe.

§ 2. Elke kapitaalschadecommissie is voor het grondgebied van de haar toegewezen provincie belast met de opmaak van kapitaalschaderapporten aangaande ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg die aanleiding kunnen geven tot kapitaalschade. De kapitaalschadecommissies dienen de Vlaamse Regering, respectievelijk de Vlaamse Landmaatschappij tevens van advies over beschikkingen houdende het opleggen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut, overeenkomstig artikel 6.3.1, derde lid. De kapitaalschaderapporten en adviezen omvatten alle nuttige gegevens voor de berekening van de compensaties, vermeld in titel 2, respectievelijk titel 3.

De Vlaamse Regering bepaalt richtsnoeren voor de berekening en raming van grondwaarden en waardeverminderingen in de kapitaalschaderapporten en de adviezen van de kapitaalschadecommissies. De richtsnoeren voor de toepassing van titel 2 zijn zo veel als mogelijk geforfaitariseerd.

§ 3. Een kapitaalschadecommissie bezorgt binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek over het ontwerpplan een voorlopig kapitaalschaderapport aan de overheid, bevoegd voor het definitief vaststellen of aannemen van het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg, en aan de Vlaamse Landmaatschappij.

De kapitaalschadecommissie bezorgt het definitieve kapitaalschaderapport aan de Vlaamse Landmaatschappij, binnen een ordetermijn van dertig dagen na de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg.

§ 4. De kapitaalschadecommissies worden alle voorgezeten door dezelfde persoon.

De kapitaalschadecommissies bestaan benevens de voorzitter uit vier deskundigen. Twee deskundigen worden aangewezen op voordracht van de Vlaamse Landmaatschappij. De twee overige deskundigen worden aangewezen op voordracht van, respectievelijk, de gewestelijke administratie belast met de uitvoering van het beleid inzake landbouw en visserij en de gewestelijke administratie belast met de uitvoering van het beleid inzake natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu en van het milieubeleid.

Voor elk commissielid wordt een plaatsvervanger aangeduid.

§ 5. De leden van de kapitaalschadecommissies hebben voor de uitoefening van hun werkzaamheden inzage in het Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem.

Zij delen de daarin opgenomen gegevens niet mee aan anderen dan diegenen die gerechtigd zijn er kennis van te nemen.

§ 6. Elke kapitaalschadecommissie kan in het kader van haar opdracht een beroep doen op deskundigen om de adviezen in te winnen die zij nuttig acht.

§ 7. De Vlaamse Regering stelt op voorstel van de Vlaamse Landmaatschappij een deontologische code vast voor de leden van de kapitaalschadecommissies. Deze code omvat het geheel van beginselen, gedragsregels, richtlijnen en principes, die de leden van de kapitaalschadecommissies tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.

§ 8. De Vlaamse Landmaatschappij verzorgt het secretariaat van de kapitaalschadecommissies.

§ 9. De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de kapitaalschadecommissies en het secretariaat komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Landmaatschappij, onder de voorwaarden als omschreven in de beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering.

TITEL 2 Bestemmingswijzigingscompensatie

HOOFDSTUK 1 Begrip

Artikel 6.2.1. (01/09/2009- ...)

Een bestemmingswijzigingscompensatie is een gewestelijke, perceelsgebonden, financiële en subsidiaire compensatie voor de kapitaalschade ten gevolge van :
1° een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding « landbouw » valt, omzet naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding « reservaat en natuur », « bos » of « overig groen » valt;
2° een plan van aanleg dat een agrarisch gebied omzet naar een groengebied, een bosgebied of een parkgebied.

HOOFDSTUK 2 Gewestelijk

Artikel 6.2.2. (01/09/2009- ...)

Het Vlaamse Gewest voorziet jaarlijks in een bijzondere dotatie aan de Vlaamse Landmaatschappij voor de bekostiging van de bestemmingswijzigingscompensaties. Ook de toepassing van artikel 6.2.10 komt ten laste van deze bijzondere dotatie.

Artikel 6.2.3. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Landmaatschappij is belast met de behandeling van aanvragen voor een bestemmingswijzigingscompensatie en met de vereffening van de bedragen verbonden aan de beslissingen houdende de toekenning van een bestemmingswijzigingscompensatie.

HOOFDSTUK 3 Perceelsgebonden

Artikel 6.2.4. (31/12/2016- ...)

Een bestemmingswijzigingscompensatie wordt toegekend voor een perceel dat voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° het perceel is in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg definitief wordt vastgesteld of aangenomen, geregistreerd in het Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem, uitgezonderd de percelen die geregistreerd worden binnen de teeltgroep `geen cultuurgrond';
2° het perceel heeft een oppervlakte van ten minste 0,5 hectare of behoort tot een groep van getroffen percelen van dezelfde eigenaar met een totale oppervlakte van ten minste 0,5 hectare.

HOOFDSTUK 4 Financieel

Artikel 6.2.5. (01/09/2009- ...)

Een bestemmingswijzigingscompensatie bedraagt tachtig procent van de waardevermindering, die op basis van het kapitaalschaderapport berekend wordt door de gemiddelde venale waarde van het perceel te vermenigvuldigen met een waardeverminderingscoëfficiënt.

HOOFDSTUK 5 Subsidiair

Artikel 6.2.6. (06/02/2012- ...)

Een planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan niet worden verleend ten aanzien van kapitaalschade die in aanmerking komt voor een bestemmingswijzigingscompensatie.

Artikel 6.2.7. (01/09/2009- ...)

Indien een perceel na de toekenning van een bestemmingswijzigingscompensatie wordt onteigend voor de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg dat de gedekte kapitaalschade heeft doen ontstaan, wordt het bedrag van de onteigeningsvergoeding verminderd met het bedrag van de bestemmingswijzigingscompensatie.

Artikel 6.2.8. (01/09/2009- ...)

Onverminderd artikel 6.2.7 geldt dat lopende betalingen worden stopgezet en reeds betaalde tranches teruggevorderd worden, indien de door een bestemmingswijzigingscompensatie reeds gedekte waardevermindering gecompenseerd wordt door middel van de toepassing van een publiekrechtelijk instrument van het grond- en pandenbeleid.

Artikel 6.2.9. (01/09/2009- ...)

Indien in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg verwervingssubsidies verkregen zijn, wordt het bedrag van deze subsidies in mindering gebracht van de bestemmingswijzigingscompensatie.

Artikel 6.2.9/1. (01/09/2014- ...)

Als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting is geen bestemmingswijzigingscompensatie van toepassing op dat perceel.

Artikel 6.2.10. (01/09/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Grondenbank kan naar aanleiding van een aanvraag voor een bestemmingswijzigingscompensatie een aanbod doen tot ruil van een gelijkwaardige grond.

Indien de naakte eigenaar van het getroffen perceel, die dit perceel niet effectief gebruikt, dat aanbod weigert, vervallen zijn aanspraken op een bestemmingswijzigingscompensatie.

In elk ander geval leidt de weigering van het aanbod niet tot het verval van de aanspraken op een bestemmingswijzigingscompensatie.

§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van § 1.

HOOFDSTUK 6. - Kapitaalschade

Artikel 6.2.11. (31/12/2016- ...)

Een bestemmingswijzigingscompensatie kan slechts worden aangevraagd door de eigenaar die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestemmingswijziging titularis is van ten minste het naakte eigendomsrecht op het perceel, of aan de eigenaar waaraan dit eigendomsrecht of naakt eigendomsrecht kosteloos of ingevolge erfopvolging of testament wordt overgedragen.

Een bestemmingswijzigingscompensatie kan evenwel niet worden aangevraagd door het Vlaamse Gewest en de diensten, instellingen, besturen en vennootschappen, vermeld in artikel 2.1.2, § 2, tweede, derde en vierde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Het recht op bestemmingswijzigingscompensatie ontstaat ofwel bij een overdracht onder bezwarende titel van het goed, ofwel bij inbreng van het goed in een vennootschap.

HOOFDSTUK 7 Procedure

Artikel 6.2.12. (01/09/2009- ...)

Aanvragen voor een bestemmingswijzigingscompensatie worden bij de Vlaamse Landmaatschappij ingediend binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde vervaltermijn.

Artikel 6.2.13. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Landmaatschappij stelt de aanvrager per beveiligde zending in kennis van haar ontwerpbeslissing. De aanvrager kan bezwaren omtrent deze ontwerpbeslissing formuleren binnen een door de Vlaamse Regering te bepalen vervaltermijn.

Indien geen tijdig bezwaar is ingediend, neemt de Vlaamse Landmaatschappij onmiddellijk een definitieve beslissing. Zij stelt de aanvrager daarvan per beveiligde zending in kennis.

In het geval van een tijdig ingediend bezwaar stelt de Vlaamse Landmaatschappij een onderzoek in naar de gegrondheid van de zienswijzen van de aanvrager. In zoverre het bezwaar betrekking heeft op het kapitaalschaderapport van de kapitaalschadecommissie, kan zij de kapitaalschadecommissie horen, haar bevelen een aanvullend onderzoek te verrichten en haar desgevallend opdragen het kapitaalschaderapport dienovereenkomstig aan te passen. De Vlaamse Landmaatschappij neemt na de behandeling van het bezwaar een definitieve beslissing en stelt de aanvrager daarvan per beveiligde zending in kennis.

Artikel 6.2.14. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere materiële, methodologische en procedurele regelen bepalen betreffende :
1° de wijze van aanvraag van een bestemmingswijzigingscompensatie;
2° de wijze van behandeling van de aanvraag en eventuele bezwaren door de Vlaamse Landmaatschappij;
3° de wijze van uitbetaling van de bestemmingswijzigingscompensatie en de uitbetalingstermijnen.

TITEL 3 Compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften

Artikel 6.3.1. (01/09/2009- ...)

Een compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften is een gewestelijke, perceelsgebonden, financiële en subsidiaire compensatie voor de kapitaalschade ten gevolge van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of gewestelijke, provinciale of gemeentelijke beschikkingen houdende het opleggen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut, dewelke op een agrarisch gebied of op een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding « landbouw » valt, meer beperkingen op het vlak van de economische aanwending van de grond opleggen dan redelijkerwijs geduld moet worden in het algemeen belang en ter vrijwaring van de op de vooravond van de beperkingen bestaande basismilieukwaliteit, zijnde de kwaliteit die wordt bereikt door het naleven van de gebruikelijke goede landbouwmethoden, door de naleving van de eisen gesteld in de artikelen 3, 4 en 5 van de verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, en door de naleving van de voorschriften van de Vlaamse regelgeving omtrent milieu en natuur.

Indien de kapitaalschade voortvloeit uit een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, is aan het criterium, vermeld in het eerste lid, slechts voldaan, en wordt de compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften slechts toegekend, indien beide hiernavolgende vereisten zijn vervuld :
1° de aangebrachte overdruk betreft een nieuwe overdruk die nieuwe beschermingsvoorschriften betreffende inrichting en beheer oplegt;
2° de aangebrachte overdruk betreft de overdruk « ecologisch belang », « ecologische waarde », « overstromingsgebied », « reservaat » of « valleigebied », of een vergelijkbare, door de Vlaamse Regering aangewezen, overdruk.

Indien de kapitaalschade voortvloeit uit een beschikking houdende het opleggen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut, wordt de compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften slechts toegekend indien de Vlaamse Landmaatschappij op grond van een advies van de territoriaal bevoegde kapitaalschadecommissie oordeelt dat deze erfdienstbaarheid tot openbaar nut voldoet aan het criterium, vermeld in het eerste lid. Indien de erfdienstbaarheid tot openbaar nut opgelegd wordt door de Vlaamse Regering, wordt deze afweging door de Vlaamse Regering zelf gemaakt, eveneens op grond van een advies van de territoriaal bevoegde kapitaalschadecommissie.

Artikel 6.3.2. (01/09/2009- ...)

Het Vlaamse Gewest voorziet jaarlijks in een bijzondere dotatie aan de Vlaamse Landmaatschappij voor de bekostiging van de uitzonderlijke compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften. Ook de overeenkomstige toepassing van artikel 6.2.10 komt ten laste van deze bijzondere dotatie.

De Vlaamse Landmaatschappij is belast met de behandeling van aanvragen voor een compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften en met de vereffening van de bedragen verbonden aan de beslissingen houdende de toekenning van een compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften.

Artikel 6.3.3. (01/09/2009- ...)

De voorwaarden en procedureregelen van artikelen 6.2.4 tot 6.2.14 zijn van overeenkomstige toepassing.

BOEK 7 SLOTBEPALINGEN

TITEL 1 Evaluatie

Artikel 7.1.1. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering onderwerpt dit decreet aan een wetenschappelijke evaluatie, overeenkomstig een vooraf vastgestelde methodologie.

De evaluatie gaat in het bijzonder de doelmatigheid na van de tariefregeling, vermeld in artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, en van de borging van het sociaal en bescheiden woonaanbod.

De conclusies van de evaluatie worden vastgelegd in een rapport, dat tevens beleidsaanbevelingen aangaande mogelijke nieuwe of aangepaste instrumenten voor de realisatie van een bescheiden woonaanbod omvat.

Het rapport wordt in 2014 aan het Vlaams Parlement bezorgd.

TITEL 2 Wijzigingsbepalingen

HOOFDSTUK 1 Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Artikel 7.2.1. (01/09/2009- ...)

In het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt een artikel 46ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 46ter
§ 1. De heffingsgrondslag voor de bepaling van de registratierechten ten aanzien van verkopingen, als bepaald in de artikelen 45 en 46, wordt verminderd met 30.000 euro ingeval van aankoop van een onroerend goed om er een hoofdverblijfplaats te vestigen.

Aan deze vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verkochte onroerend goed is ten hoogste vier opeenvolgende jaren opgenomen in één of meer van volgende registers, inventarissen of lijsten, gelijktijdig of consecutief :
a) het leegstandsregister, vermeld in artikel 2.2.6, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
b) de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
c) de lijsten van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen en verwaarloosde gebouwen en/of woningen, vermeld in artikel 28, § 1, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;
2° het goed wordt gerenoveerd en een hoofdverblijfplaats wordt gevestigd op de plaats van het aangekochte goed binnen de termijnen, vermeld in artikel 46bis, vierde lid, 2°, c) ;
3° in of onderaan op het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van de verminderingsregeling vragen;
b) verklaren dat voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in 1°, en dat de verplichting, vermeld in 2°, nageleefd wordt.

§ 2. Indien de verklaring, vermeld in § 1, tweede lid, 3°, b) onjuist wordt bevonden, zijn de verkrijgers ondeelbaar gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten over het bedrag waarmee de heffingsgrondslag werd verminderd, en van een boete gelijk aan die aanvullende rechten.

Dezelfde aanvullende rechten en boete zijn ondeelbaar verschuldigd door de verkrijgers indien de verplichting, vermeld in § 1, tweede lid, 2°, niet wordt nageleefd.

De boete is niet verschuldigd indien de niet-naleving van de verplichting, vermeld in § 1, tweede lid, 2°, het gevolg is van overmacht. ».

Artikel 7.2.2. (01/09/2009- ...)

Artikel 161, 8°, van hetzelfde wetboek, opgeheven bij wet van 10 januari 1978, wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing :
« 8° de akten houdende ruiling van gronden bij wijze van bestemmingswijzigingscompensatie of compensatie ingevolge beschermingsvoorschriften, waarbij de Vlaamse Grondenbank optreedt overeenkomstig artikel 6.2.10 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. ».

Artikel 7.2.3. (01/09/2009- ...)

In artikel 212ter van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij de decreten van 20 december 2002, 24 december 2004 en 19 december 2008, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden tussen de woorden « Ingeval de in artikel 46bis » en de woorden « bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag » de woorden « en/of artikel 46ter » gevoegd;

2° in het derde lid worden tussen de woorden « bij het artikel 46bis, vierde lid, 2°, b), c) en d), » en de woorden « bij het artikel 61/4, eerste lid, 2° en 3°, » de woorden « bij het artikel 46ter, » gevoegd.

HOOFDSTUK 2 Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Artikel 7.2.4. (01/09/2009- ...)

In artikel 253, eerste lid, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, toegevoegd bij decreet van 20 december 2002, worden de woorden « renovatiewerkzaamheden in de zin van artikel 24, 4°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 » vervangen door de woorden « renovatiewerkzaamheden, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 18°, van de Vlaamse Wooncode, alsmede sloopwerkzaamheden gevolgd door vervangingsbouw; ».

HOOFDSTUK 3 Wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996

Artikel 7.2.5. (01/01/2010- ...)

In hoofdstuk VIII van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, worden in het opschrift van afdeling 2 de woorden « leegstand en » geschrapt.

Artikel 7.2.6. (01/01/2010- ...)

In artikel 24 van hetzelfde decreet, wordt punt 8°, ingevoegd bij decreet van 7 mei 2004, opgeheven.

Artikel 7.2.7. (01/01/2010- ...)

In artikel 25 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 7 mei 2004, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden « leegstaande en/of » en het woord « leegstaande » geschrapt;
2° het tweede en derde lid worden opgeheven.

Artikel 7.2.8. (01/01/2010- ...)

In artikel 27 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 7 mei 2004 en 23 december 2005, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden de woorden « leegstand en » geschrapt;
2° in § 3 wordt het woord « leegstand » geschrapt.

Artikel 7.2.9. (01/01/2010- ...)

In artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden « - leegstaande gebouwen en/of woningen » geschrapt;
2° in het tweede lid, worden de woorden « , de leegstand » geschrapt;
3° in het vierde lid, worden de woorden « of leegstaat » geschrapt.

Artikel 7.2.10. (01/01/2010- ...)

Artikel 30 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 8 juli 1997, 18 mei 1999, 7 mei 2004 en 24 december 2004, wordt opgeheven.

Artikel 7.2.11. (01/01/2010- ...)

Artikel 33 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 24 december 2004 en gewijzigd bij decreet van 24 maart 2006, wordt opgeheven.

Artikel 7.2.12. (01/01/2010- ...)

In artikel 34bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 24 december 2004, worden de woorden « leegstand en » geschrapt.

Artikel 7.2.13. (01/01/2010- ...)

In artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 8 juli 1997, 7 mei 2004 en 24 maart 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden « - meer dan 50 procent van de totale vloeroppervlakte van het gebouw, zoals bedoeld in artikel 30, § 1, na de periode van leegstand, meer dan 6 opeenvolgende maanden effectief wordt gebruikt overeenkomstig haar bestemming; » geschrapt;
2° in § 2 worden de woorden « - de woning, na de periode van leegstand, meer dan 6 opeenvolgende maanden effectief wordt gebruikt overeenkomstig haar bestemming; » geschrapt;
3° in § 4 worden de woorden « van het effectief gebruik en/of », « de eerste dag van bewoning », en « bewoning, effectief gebruik of » geschrapt.

Artikel 7.2.14. (01/01/2010- ...)

In artikel 36, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij decreten van 24 december 2004 en 23 december 2005, worden de woorden « het bedrag van de heffing is gelijk aan het resultaat van de volgende formule voor leegstaande gebouwen en/of woningen (KI + M) x (P - 2), waarbij de heffing nooit negatief mag zijn; » geschrapt.

Artikel 7.2.15. (01/01/2010- ...)

In artikel 42 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 7 mei 2004, worden § 2, 4° en 6°, en § 3 opgeheven.

HOOFDSTUK 4 Wijziging van de Vlaamse Wooncode

Artikel 7.2.16. (01/09/2009- ...)

In titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Wooncode, wordt vóór artikel 22 een nieuwe titel ingevoegd, die luidt als volgt :
« Afdeling 1. - Algemene bepalingen »

Artikel 7.2.17. (01/09/2009- ...)

In artikel 22 van de Vlaamse Wooncode, vervangen bij decreet van 24 maart 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Bij de planning van de investeringen wordt tevens rekening gehouden met :
1° de resultaten van de nulmeting, vermeld in artikel 4.1.1 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, en de beginselen van artikelen 4.1.4 tot 4.1.6, van voormeld decreet;
2° de bepalingen van afdeling 2. »;

2° aan § 2, tweede lid, tweede zin, wordt volgende zinsnede toegevoegd :
« , waarbij het door de gemeenten vastgestelde bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, in rekening gebracht wordt »;

3° in § 2, vierde lid, 1°, worden de woorden « 58.035.353 euro » vervangen door de woorden « 420.065.000 euro »;

4° in § 2, vierde lid, 2°, worden de woorden « 58.035.353 euro » vervangen door de woorden « 171.323.000 euro »;

5° in § 2, vierde lid, 3° :
a) worden tussen de woorden « grond- en pandenbeleid » en de woorden « en de aanleg van » de woorden « (overeenstemmend met een investeringsvolume van ten minste 15.000.000 euro op jaarbasis) » gevoegd;
b) worden na de woorden « vermeld in 1° en 2° » de woorden « (overeenstemmend met een investeringsvolume van ten minste 36.516.000 euro op jaarbasis) » toegevoegd.

Artikel 7.2.18. (01/09/2009- ...)

Aan titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Wooncode, wordt een afdeling 2 toegevoegd, bestaande uit artikel 22/1, die luidt als volgt :
« Afdeling 2. - Gewestelijke objectieven voor sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en sociale kavels.
Bijzondere inhaalbeweging 2009-2020. Monitoring

Artikel 22/1
§ 1. In de periode 2009-2020 breidt de Vlaamse overheid het bestaande sociaal woonaanbod, zoals dat blijkt uit de nulmeting, vermeld in artikel 4.1.1 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, uit met 65.000 eenheden. De uitbreiding betreft 43.000 sociale huurwoningen, 21.000 sociale koopwoningen en 1000 sociale kavels.

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om de cijfers voor de sociale koopsector, vermeld in het eerste lid, op te trekken, indien uit een wetenschappelijke studie, op te leveren in 2011, blijkt dat deze cijfers ten opzichte van de reële behoefte onderraamd zijn en/of dat de onderlinge verhouding tussen sociale koopwoningen en sociale kavels niet adequaat is ten opzichte van de sociale woonbehoefte.

De uitbreiding, vermeld in het eerste lid, wordt verwezenlijkt :
1° op initiatief van :
a) de initiatiefnemers, vermeld in artikel 33, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, alsook in artikel 4.1.15 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, met dien verstande dat zij instaan voor :
1) de verwezenlijking van ten minste 17.000 sociale koopwoningen;
2) de verwezenlijking van ten minste 1000 sociale kavels;
b) private actoren, voor zover voldaan wordt aan alle voorwaarden die worden bepaald in artikelen 4.1.20 tot 4.1.23 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
2° op grond van :
a) de reguliere investeringen voor sociale huisvesting, in de zin van artikel 22;
b) een op grond van specifieke begrotingskredieten georganiseerde inhaalbeweging, bijzondere inhaalbeweging 2009-2020 genoemd.

Ongeacht de reële toename, in de periode 2009-2020, van de door de sociale verhuurkantoren in de huisvesting van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden ingeschakelde privéhuurwoningen, worden in die periode ten hoogste 6000 eenheden meegeteld voor het behalen van het gewestelijk objectief voor sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Met het oog op de bewaking van de verwezenlijking van de gewestelijke objectieven, vermeld in § 1, voert de Vlaamse Regering in 2012 een voortgangstoets uit over de implementatie van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. Indien de Vlaamse Regering vaststelt dat een gemeente kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief tijdig te bereiken, sluit zij een overeenkomst met sociale woonorganisaties die bereid worden gevonden om het vereiste sociaal woonaanbod op het grondgebied van de gemeente te verwezenlijken.

De Vlaamse Regering bepaalt de methodologie en de criteria aan de hand waarvan de voortgangstoets, vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd. Zij legt een nadere omschrijving vast van het begrip « kennelijk onvoldoende inspanningen om het bindend sociaal objectief te bereiken », met dien verstande dat daaronder ten minste moet worden verstaan : het niet of onregelmatig aanwenden van de instrumentaria, vermeld in boek 4 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.

De Vlaamse Regering waakt over de medewerking van de gemeenten aan de implementatie van de overeenkomsten met sociale woonorganisaties, vermeld in het eerste lid. Onverminderd gevallen van overmacht kan zij daartoe elk financieel mechanisme aanwenden dat in rechte is voorgeschreven ter sanctionering van de niet-uitvoering van gemeentelijke verplichtingen. ».

Artikel 7.2.19. (01/09/2009- ...)

Aan artikel 33, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, vervangen bij decreet van 24 maart 2006, worden een punt 8° en een punt 9° toegevoegd, die luiden als volgt :
« 8° periodiek oproepen lanceren tot private actoren om projectvoorstellen in te dienen met betrekking tot de verwezenlijking van sociale huurwoningen overeenkomstig de voor de sociale huisvestingsmaatschappijen geldende prijs- en kwaliteitsnormen, rekening houdend met volgende modaliteiten :
a) de VMSW wordt door middel van lastgeving gemandateerd door de sociale huisvestingsmaatschappijen van de betrokken gebieden;
b) de kandidaten die voldoen, worden uitgenodigd om een voorontwerp, met een prijs voor de grond en een prijs voor de opbouw in te dienen;
c) de voorontwerpen en de prijzen worden door een jury naar haalbaarheid getoetst;
d) de betrokken sociale huisvestingsmaatschappij gaat voor de verdere realisatie in onderhandeling met de inschrijver of de inschrijvers, voor de oppuntstelling van het uitvoeringsdossier;
e) na de goedkeuring, door de VMSW, van de definitieve offertebedragen en op voorwaarde dat de vereiste stedenbouwkundige vergunning door de inschrijver werd verkregen, verwerft de sociale huisvestingsmaatschappij het terrein waarna zij de aannemingsopdracht gunt aan de inschrijver;
9° de taken met betrekking tot het grond- en pandenbeleid uitoefenen dewelke worden toegewezen bij of krachtens het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. ».

Artikel 7.2.20. (01/09/2009- ...)

Aan artikel 41 van de Vlaamse Wooncode, opgeheven en opnieuw ingevoegd bij decreet van 24 maart 2006, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. De sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen, benevens hun taken van openbare dienst, ten belope van ten hoogste 20 procent van hun jaarlijkse investeringsvolume een bescheiden woonaanbod in de zin van artikel 1.2, eerste lid, 1°, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, verwerven, verwezenlijken en vervreemden. Dat bescheiden woonaanbod wordt verhuurd of vervreemd aan woonbehoeftigen die geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik hebben. De sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen voor deze autonome taken met betrekking tot een bescheiden woonaanbod geen subsidies of tegemoetkomingen in de zin van titel VI of in de zin van artikelen 80, 94, 95 of 96, van de Huisvestingscode, gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1970 en bekrachtigd door de wet van 2 juli 1971 ontvangen of aanwenden. Zij hanteren gescheiden boekhoudingen voor hun openbarediensttaken en hun autonome taken. De middelen die voortkomen uit hun autonome taken worden wederaangewend voor deze taken of voor de openbarediensttaken. ».

Artikel 7.2.21. (01/09/2009- ...)

Artikel 42, tweede lid, van de Vlaamse Wooncode, opnieuw ingevoegd bij decreet van 24 maart 2006 wordt vervangen door wat volgt :
« De sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen eveneens hun onroerende goederen uit de hand verkopen aan derden, en hun rechten op grondreserves onder bezwarende titel afstaan aan derden, telkens om woonprojecten te verwezenlijken middels publiek-private samenwerking of om woonprojecten te verwezenlijken waarbij een menging wordt gerealiseerd van enerzijds sociale koopwoningen, sociale huurwoningen of sociale kavels, en anderzijds woningen van de privésector. ».

Artikel 7.2.22. (01/09/2009- ...)

In artikel 60, § 2, van de Vlaamse Wooncode worden tussen de woorden « Onverminderd de uitzonderingen die in dit hoofdstuk » en de woorden « »zijn bepaald » de woorden « en in artikel 4.1.15 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid » gevoegd.

Artikel 7.2.23. (01/09/2009- ...)

In artikel 85, § 1, tweede lid, 1°, van de Vlaamse Wooncode, worden tussen de woorden « die is opgenomen » en « op een van de lijsten van de inventaris » de woorden « in het leegstandsregister, vermeld in artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, of » gevoegd.

Artikel 7.2.24. (01/09/2009- ...)

In artikel 90, § 1, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Wooncode, worden de woorden « op de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, bedoeld in artikel 28, § 1, van het decreet op de heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting » vervangen door de woorden « in het leegstandsregister, vermeld in artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid ».

HOOFDSTUK 5 Wijziging van het decreet Ruimtelijke Ordening

Artikel 7.2.25. (01/09/2009- ...)

Artikel 5 van het decreet Ruimtelijke Ordening wordt opgeheven.

Artikel 7.2.26. (01/09/2009- ...)

In artikel 19 van het decreet Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij decreet van 26 april 2000, 21 november 2003 en 10 maart 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 2, vierde lid, wordt volgende zin toegevoegd :
« Van het bindend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt afgeweken indien zulks genoodzaakt wordt door maatregelen die vereist zijn voor de verwezenlijking van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. »;
2° aan § 3, eerste lid, wordt volgende zin toegevoegd :
« Onverminderd voormelde uitzonderingsgronden wordt tevens van het richtinggevend gedeelte van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan afgeweken indien zulks genoodzaakt wordt door maatregelen die vereist zijn voor de verwezenlijking van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 4.1.2 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. »

Artikel 7.2.27. (01/09/2009- ...)

In het opschrift van hoofdstuk IV, van titel II, van het decreet Ruimtelijke Ordening wordt het woord « grondbeleidsplan » vervangen door de woorden « register van onbebouwde percelen ».


Artikel 7.2.28. (01/09/2009- ...)

Artikel 61 van het decreet Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij decreet van 10 maart 2006, wordt opgeheven.

Artikel 7.2.29. (01/09/2009- ...)

In artikel 62 van het decreet Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij decreet van 10 maart 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid worden volgende zinnen toegevoegd :
« Bij de opbouw van het register wordt artikel 2.2.5 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid in acht genomen. De opmaak en de actualisering van het register kunnen worden opgedragen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband in de zin van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking. »;

2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« De Vlaamse Regering kan de specifieke wijze bepalen waarop artikel 261 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, respectievelijk artikel 75 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, geoperationaliseerd wordt indien het gemeentebestuur of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, zich niet gedraagt naar de bij of krachtens dit artikel voorgeschreven regelen. ».

Artikel 7.2.30. (01/09/2009- ...)

In artikel 143 van het decreet Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij decreet van 26 april 2000 en 10 maart 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, 1°, wordt opgeheven;

2° in § 1, 2°, worden de woorden « wonen en » geschrapt;

3° § 2, eerste lid, 1°, 4°, 5° en 6°, worden opgeheven;

4° in § 2, tweede lid, worden de woorden « het eerste lid, 1°, 2° en 6° verleende ontheffingen » vervangen door de woorden « het eerste lid, 2°, verleende ontheffingen »;

5° § 3, eerste lid, wordt opgeheven.

Artikel 7.2.31. (01/09/2009- ...)

In titel IV van het decreet Ruimtelijke Ordening wordt een hoofdstuk VI, bestaande uit artikelen 145/5 tot 145/7, toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Hoofdstuk VI. - Woonuitbreidingsgebieden. - Ontwikkelingsmogelijkheden

Artikel 145/5
Dit hoofdstuk is van toepassing op de gebieden die ressorteren onder de gebiedsbestemming « woonuitbreidingsgebied », vermeld in artikel 5.1.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen.

Artikel 145/6
Een gemeente kan een woonuitbreidingsgebied eerst omzetten naar woongebied door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg, voor zover een toelichtingsnota bij dat bestemmingsplan een beleidsvisie op het gemeentelijk woonbeleid insluit of naar een bestaande beleidsvisie in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan verwijst. Een beleidsvisie bestaat tenminste uit een prioriteitenbepaling en een fasering met betrekking tot het ontwikkelen van de bijkomende ruimte voor woningbouw vanuit een globale visie op het wonen in de gemeente.

Het eerste lid vindt toepassing ten aanzien van planningsprocessen waarbij de voorlopige vaststelling of de voorlopige aanneming geschiedt vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.

Artikel 145/7
§ 1. In woonuitbreidingsgebieden wordt de aanvraag van een sociale woonorganisatie voor een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning ingewilligd indien voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :
1° de gronden zijn niet gelegen in een overstromingsgebied, als vermeld in artikel 2, § 1, 16°, a) 10);
2° de gronden palen aan woongebied, al dan niet met landelijk karakter;
3° de gronden worden niet belast door een bouwverbod ingevolge het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
4° het aangevraagde vormt geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale habitat- of vogelbeschermingszone, of komt ondanks het sociaal karakter van de geplande activiteit niet in aanmerking voor een afwijking, vermeld in artikel 36ter, § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
5° de inrichtingsaspecten van het bouw- of verkavelingsproject zijn in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijk ordening.

De bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan kunnen nimmer worden ingeroepen om de afgifte van de vergunningen, vermeld in het eerste lid, af te wijzen.

§ 2. Buiten de gevallen, vermeld in § 1, en onverminderd de gevallen, toegelaten bij artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, kan een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning in woonuitbreidingsgebied eerst worden afgeleverd, indien de aanvrager beschikt over een principieel akkoord van de deputatie.

In een principieel akkoord bevestigt de deputatie dat de vooropgestelde ontwikkeling ingepast kan worden in het lokaal woonbeleid, zoals vormgegeven in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en desgevallend in andere openbare beleidsdocumenten. De deputatie wint daaromtrent het voorafgaand advies van de gemeenteraad in. Dat advies is bindend in zoverre het negatief is. Indien de gemeenteraad geen advies aflevert binnen een termijn van negentig dagen, ingaande de dag na deze van de betekening van de adviesvraag, kan aan deze adviesverplichting worden voorbijgegaan.

Een principieel akkoord verplicht de gemeente ertoe om binnen het jaar een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg op te maken.

De Vlaamse Regering kan nadere materiële en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 3. De bepalingen van § 1 en § 2 vinden toepassing ten aanzien van bouwprojecten of verkavelingen waarvoor de vergunningsaanvragen vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid betekend worden bij het college van burgemeester en schepenen, of, bij toepassing van de bijzondere procedure, vermeld in artikel 133/30, § 1, 2°, de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar.

De deputaties leveren hun principiële akkoorden vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid af met toepassing van § 2. Principiële akkoorden die voorheen werden afgeleverd op grond van de Omzendbrief RO/2002/03 van 25 oktober 2002 « in verband met het opmaken van een gemeentelijke woonbehoeftestudie en het ontwikkelen van woonuitbreidingsgebieden met of zonder woonbehoeftestudie » sorteren vanaf voormelde inwerkingtredingsdatum het gevolg, vermeld in § 2, eerste lid. ».

HOOFDSTUK 6 Wijziging van het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten

Artikel 7.2.32. (01/09/2009- ...)

Aan het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten, waarvan de huidige tekst van artikel 1 « Hoofdstuk 1. Algemene bepaling » zal worden, en de huidige tekst van artikelen 2 tot 8 « Hoofdstuk 2. - Subsidiëring », zal worden, wordt een hoofdstuk 3 toegevoegd, dat luidt als volgt :

« Hoofdstuk 3. - Voorkooprecht

Artikel 9
§ 1. Gemeenteraden van de steden, vermeld in artikel 3, kunnen zones afbakenen waar een recht van voorkoop geldt op de gronden die dienstig kunnen zijn voor de verwezenlijking van een stadsvernieuwingsproject dat beantwoordt aan de criteria, vermeld in artikel 5, 1° tot 4°. De gemeenteraad bepaalt welk bestuur of welke van de gemeente afhangende rechtspersoon begunstigd is met het voorkooprecht. Indien meerdere instanties begunstigd worden, bepaalt de gemeenteraad een rangorde.

§ 2. De afbakening van een zone waar een recht van voorkoop geldt, gebeurt na een openbaar onderzoek.

Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking aan het gemeentehuis en door bekendmaking in drie lokale dag- of weekbladen, met vermelding van de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek, dat dertig dagen duurt. De eigenaars van de onroerende goederen, gelegen binnen de perimeter van een af te bakenen zone waar een recht van voorkoop geldt, worden bij aangetekend schrijven verwittigd van de organisatie van het openbaar onderzoek.

Bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek aan het college van burgemeester en schepenen of een daartoe aangewezen persoon toegezonden per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

§ 3. Het recht van voorkoop, vermeld in § 1, geldt slechts voor :
1° openbare verkopen waarvan de eerste of enige zitdag gehouden wordt twee maand of meer na de inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van de gemeenteraad;
2° verkopen uit de hand waarvan de akte wordt verleden vier maand of meer na de inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van de gemeenteraad.

§ 4. Het recht van voorkoop, vermeld in § 1, vervalt indien het niet wordt uitgeoefend binnen een termijn van zes jaar, te rekenen vanaf de datum waarop definitief over de afbakening van de zone is beslist.

§ 5. De bepalingen van artikelen 64 tot 68 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in § 1.

§ 6. De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in § 1. »

HOOFDSTUK 7 Wijziging van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen

Artikel 7.2.33. (01/09/2009- ...)

Aan artikel 5 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen worden §§ 4 tot 7 toegevoegd, die luiden als volgt :
« § 4. De Vlaamse Grondenbank kan, op verzoek en in naam en voor rekening van de administratieve overheden in het Vlaamse Gewest, de aan deze overheden toebehorende bevoegdheden inzake onroerende en domaniale verrichtingen uitvoeren.

De Vlaamse Grondenbank dient daarbij tegenover derden niet te doen blijken van een bijzondere lastgeving.

De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 5. De Vlaamse Grondenbank kan, op verzoek en in naam en voor rekening van de administratieve overheden in het Vlaamse Gewest, aan de personen die onteigend worden, gelijkwaardige gronden aanbieden. Het bedrag van de ingevolge artikel 16 van de Grondwet verschuldigde geldelijke schadeloosstelling wordt in voorkomend geval vereffend of verminderd door de voorgestelde grondenruil. Dergelijke grondenruil kan nimmer worden opgelegd aan de onteigende, onverminderd de wetgeving op de ruilverkaveling van landeigendommen.

§ 6. De Vlaamse Grondenbank kan aan personen die een compensatie voor kapitaalschade, vermeld in boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid aanvragen, het aanbod doen om de schadelijdende percelen te ruilen voor gelijkwaardige gronden.

§ 7. De Vlaamse Grondenbank kan, op verzoek en in naam en voor rekening van de betrokken gewestelijke administratie, de conform artikel 126, § 2, eerste, tweede en derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening aangekochte goederen aanhouden, beheren en zakelijke rechten daarop overdragen, en de ruiloperaties, vermeld in artikel 126, § 2, vierde lid, van voormeld decreet, doorvoeren. »

HOOFDSTUK 8 Wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen

Artikel 7.2.34. (01/09/2009- ...)

In dit gebied kan een vergunning voor:

§ 1. In de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt de eerste gebiedsspecifieke typebepaling voor de « Categorie van gebiedsaanduiding 1 : Wonen » evenals de bijhorende toelichting vervangen door twee gebiedsspecifieke typebepalingen, die luiden als volgt :

Gebiedsspecifieke typebepaling

...

...

Gebiedsspecifieke typebepaling

Gebiedsspecifieke typebepaling

In dit gebied kan een vergunning voor:

1° verkavelingen van ten minste tien loten bestemd voor woningbouw, of met een grondoppervlakte groter dan een halve hectare, ongeacht het aantal loten;

2° groepswoningbouwprojecten waarbij ten minste tien woongelegenheden ontwikkeld worden;

3° de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen waarbij ten minste vijftig appartementen gecreëerd worden;

4° verkavelingen, groepswoningbouwprojecten en projecten voor de bouw of de herbouw van

appartementsgebouwen die niet voldoen aan de

voorwaarden, vermeld in 1°, 2° of 3°, en waarvoor een verkavelingsvergunning of een

stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd door een verkavelaar of een

bouwheer wiens project aansluit op andere, door

dezelfde verkavelaar of bouwheer te ontwikkelen

gronden, die samen met de gronden waarop de

aanvraag betrekking heeft, een oppervlakte van

meer dan een halve hectare beslaan;

 

pas afgeleverd worden indien binnen het verkavelings- of bouwproject een bescheiden woonaanbod wordt verwezenlijkt van x procent.

 

Opmerking. Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die een woongebied creëren met een oppervlakte van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen, bepalen steeds een percentage bescheiden wonen dat gelijk is aan veertig procent. Dat procentueel objectief kan ten hoogste worden verminderd tot tien procent, in zoverre dat wordt gemotiveerd vanuit het bestaande en geplande bescheiden en sociaal woonaanbod, de sociale contextfactoren en de ruimtelijke karakteristieken van het geordende woongebied.

 

Het procentueel objectief kan enkel verder worden verlaagd tot nul procent vanaf de bekendmaking van een gemeentelijk bericht waaruit blijkt dat het bindend sociaal objectief verwezenlijkt is. Het bindend sociaal objectief is de gemeentelijke omschrijving van het sociaal woonaanbod dat binnen de tijdshorizon van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ten minste moet

worden verwezenlijkt. (Artikel 4.1.2 DGPB). De bekendmaking van het gemeentelijk bericht geschiedt op de wijze, vermeld in artikel 186 van

het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.

 

Dit voorschrift is gericht op een differentiatie van

woningtypologieën en op het creëren van een aanbod dat beantwoordt aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen. Het legt op om een bepaald percentage “bescheiden wonen” te creëren. Onder andere vanuit het proportionaliteitsbeginsel worden daarbij projecten vanaf een bepaalde omvang beoogd.

 

Het voorschrift is een vertaling van de principes die zijn opgenomen in artikel 4.2.4 van het decreet betreffende het grond- en pandenbeleid (DGPB).

 

Om die reden moeten de gehanteerde begrippen

gelezen worden in de zin die het DGPB daaraan geeft.

 

Onder bescheiden woonaanbod moet worden

begrepen: het aanbod aan kavels en woningen, met uitsluiting van het sociaal woonaanbod, dat bestaat uit kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2, woonhuizen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m2, woonhuizen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m3, respectievelijk overige woongelegenheden met een bouwvolume van ten hoogste 240 m3. Het ruimtelijk uitvoeringsplan kan deze maximale oppervlakte- en volumenormen verder beperken.

 

Ingevolge het DGPB kan de gebiedsspecifieke

typebepaling worden opgelegd door middel van elk ruimtelijk uitvoeringsplan.

Het DGPB bepaalt dat een welomschreven percentage (zie de “opmerking” in de linkerkolom) moet worden opgelegd via gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die een bestemmingswijziging naar woongebied doorvoeren, voor zover het door middel van het plan gecreëerde woongebied een oppervlakte heeft van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen. Informatief kan worden gesteld dat dezelfde verplichting (met dezelfde modaliteiten) geldt in hoofde van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, voor zover er sprake is van een omzetting van woonuitbreidingsgebied of woonreservegebied, of van een zone die geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “landbouw”, “bos”, “overig groen” of “reservaat en natuur”, of geordend wordt door een plan van aanleg en aangewezen is als landelijk gebied overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. Ook voor de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen geldt de voorwaarde dat het door middel van het plan gecreëerde woongebied een oppervlakte heeft van ten minste een halve hectare, ongeacht eventuele andere bestemmingswijzigingen.

 

De openbare besturen, vermeld in artikel 4.2.5, §2, 1° en 2°, van het DGPB kunnen steeds hogere normen nastreven dan deze die middels ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg worden opgelegd, ook indien zij daar niet toe zijn verplicht.

 

Nota bene. Artikelen 4.2.1 – 4.2.3 van het DGPB regelen de wijze waarop verkavelings- en bouwprojecten buiten de gevallen als vermeld in deze gebiedsspecifieke typebepaling kunnen of moeten worden onderworpen aan lasten met het oog op de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod.

 

 

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om de gebiedsspecifieke typebepalingen, vermeld in het eerste lid, aan te passen, in zoverre zulks genoodzaakt of toegelaten wordt door de bepalingen van boek 4, met inbegrip van alle latere wijzigingen van dat boek.

TITEL 3 Overgangsmaatregelen

HOOFDSTUK 1 Opmaak grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen

Artikel 7.3.1. (01/09/2009- ...)

§ 1. In het jaar 2009 :
1° wordt een voorlopig grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen vastgesteld, met een tijdshorizon tot en met 31 december 2011;
2° worden een eerste visieontwikkeling op het grond- en pandenbeleid en een eerste omschrijving van grond- en pandenbeleidsinstrumenten geïntegreerd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, bij de eerste gedeeltelijke herziening van dat structuurplan.

In de periode 2009-2011 kunnen provincies en gemeenten eveneens aspecten van hun grond- en pandenbeleid opnemen in hun ruimtelijk structuurplan, in zoverre dat in die periode gedeeltelijk wordt herzien.

§ 2. In het jaar 2012 wordt een definitief grond- en pandenbeleidsplan Vlaanderen vastgesteld, waarvan de tijdshorizon overeenstemt met deze van de algehele herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in datzelfde jaar.

HOOFDSTUK 2 Opbouw leegstandsregister

Artikel 7.3.2. (01/01/2021- ...)

De gegevens als opgenomen in de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, vermeld in artikel 3.21, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, worden overgedragen naar en opgenomen in het leegstandsregister. Voor wat betreft de gegevens die op basis van deze overdracht opgenomen worden in het leegstandsregister, is de beroepsprocedure, vermeld in artikel 2.2.7, paragraaf 2 en paragraaf 3, niet van toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen aangaande de wijze van gegevensoverdracht.

Zolang deze overdracht en opname niet zijn gerealiseerd, wordt de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, voor de toepassing van dit decreet en van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, beschouwd als leegstandsregister.

Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke leegstandsregisters die tot het jaar 2009 worden aangehouden in gemeenten die beschikken over een autonome leegstandsheffing.

Artikel 7.3.2/1. (06/02/2012- ...)

Gemeentelijke leegstandsreglementen kunnen tot en met 31 december 2012 afwijken van de verplichting om te voorzien in een beroepsprocedure tegen de beslissingen over het verzoek tot schrapping van een gebouw of woning uit het leegstandsregister, vermeld in artikel 2.2.8, derde lid.

HOOFDSTUK 3 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 60, I: 23 december 2016)]

Artikel 7.3.3. (23/12/2016- ...)

...

HOOFDSTUK 4 Invoering activeringsheffing

Artikel 7.3.4. (06/02/2012- ...)

De gemeentelijke belastingreglementen die op de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet uitvoering gaven aan het op dat ogenblik geldende artikel 143 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, blijven onderworpen aan dat decreetartikel, en dit voor de vooropgestelde duur van het reglement.

HOOFDSTUK 5 Invoering gemeentelijke leegstandsheffing

Artikel 7.3.5. (01/09/2009- ...)

De gewestelijke of gemeentelijke heffingen op leegstaande gebouwen of woningen waarvoor het kohier uiterlijk op 31 december 2009 uitvoerbaar is verklaard, worden afgehandeld overeenkomstig de decretale of reglementaire bepalingen overeenkomstig dewelke deze heffingen zijn vastgesteld.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de gemeentelijke opcentiemen die op de gewestelijke heffing, vermeld in het eerste lid, worden geheven.

HOOFDSTUK 6 [... (opgeh. decr. 14 oktober 2016, art. 61, I: 23 december 2016)]

Artikel 7.3.6. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 7.3.7. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 7.3.8. (23/12/2016- ...)

...

HOOFDSTUK 7 Normen sociaal en bescheiden woonaanbod

Artikel 7.3.9. (23/12/2016- ...)

...

Artikel 7.3.10. (... - ...)

...

Artikel 7.3.11. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 7.3.12. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 7.3.12/1. (20/09/2021- ...)

...

Artikel 7.3.13. (25/04/2014- ...)

...

[HOOFDSTUK 7/1 Wonen in eigen streek (ing. decr. 9 juli 2010, art. 19)]

Artikel 7.3.13/1. (... - ...)

...

HOOFDSTUK 8 Invoering compensaties voor kapitaalschade

Artikel 7.3.14. (01/09/2009- ...)

De compensaties voor kapitaalschade, vermeld in boek 6, kunnen worden toegekend naar aanleiding van ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg die vanaf 1 januari 2008 definitief zijn vastgesteld of aangenomen.

De kapitaalschadecommissies, vermeld in artikel 6.1.1, stellen bij prioriteit een kapitaalschaderapport op omtrent de in 2008 definitief vastgestelde of aangenomen ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg.

Voor wat betreft kapitaalschade uit in 2008 definitief vastgestelde of aangenomen ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg neemt de krachtens artikel 6.2.12 vastgestelde aanvraagtermijn slechts een aanvang vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.

HOOFDSTUK 9 Ondersteuning van de implementatie van dit decreet

Artikel 7.3.15. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten de wijze waarop de gemeenten door middel van de toekenning van financiële, personele of materiële middelen ondersteund worden bij de implementatie van dit decreet.

TITEL 4 Opdracht tot codificatie

Artikel 7.4.1. (01/09/2014- ...)

De Vlaamse Regering brengt de bepalingen van dit decreet en volgende wetten en decreten, in zoverre zij betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid, onder in een Vlaamse codex grond- en pandenbeleid :
1° de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet;
2° de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken;
3° de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne;
4° de wet van 27 april 1978 inzake ruil van ongebouwde landeigendommen en bossen;
5° het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
6° afdeling 2 van hoofdstuk VIII van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;
7° het decreet van 21 december 1998 houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij;
8° het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;
9° het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
10° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.

De Vlaamse Regering neemt daarbij de wijzigingen in acht die in bedoelde wetten en decreten uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn of worden aangebracht tot aan het tijdstip van de codificatie.

In functie van de opdracht tot codificatie kan de Vlaamse Regering :
1° de volgorde en de nummering van de te codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te codificeren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde eenheid in de terminologie te brengen, de bepalingen onderling te doen overeenstemmen en ze in overeenstemming te brengen met de actuele stand van de regelgeving;
4° in de bepalingen die niet in de codificatie zijn opgenomen, de verwijzingen naar de gecodificeerde bepalingen aanpassen.

TITEL 5 Inwerkingtredingsbepaling

Artikel 7.5.1. (01/09/2009- ...)

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
1° artikelen 2.2.6 tot 2.2.9, artikelen 3.2.17 tot 3.2.29 en artikelen 7.2.5 tot 7.2.15, die in werking treden op 1 januari 2010;
2° artikel 2.2.5 en artikel 2.2.10, die in werking treden op een door de Vlaamse Regering bepaalde datum.

Indien de reglementaire normen die gelden in hoofde van sociale huisvestingsmaatschappijen op de algemene inwerkingstredingsdatum, vermeld in het eerste lid, nog niet in werking zijn getreden, zullen artikel 4.1.15 en artikel 7.2.22 eerst gevolg hebben vanaf de inwerkingtreding van het besluit dat voormelde reglementaire normen vaststelt.

BIJLAGE 1

BIJLAGE 1 (... - ...)

Gemeente

Gemeente

Sociale koopwoningen 31/12/2007

Soc Kavels

31/12/2007

Sociale huurwoningen (SHM)

31/12/2007

Sociale huurwoningen (SVK)

31/12/2007

Nulmeting absolute cijfers

AALST

47

1

1.322

0

1.370

AALTER

27

0

163

9

199

AARSCHOT

17

0

342

13

372

AARTSELAAR

0

0

3

0

3

AFFLIGEM

0

0

76

2

78

ALKEN

46

0

92

4

142

ALVERINGEM

20

0

50

4

74

ANTWERPEN

144

0

22.465

271

22.880

ANZEGEM

60

0

162

1

223

ARDOOIE

0

0

160

1

161

ARENDONK

0

0

204

0

204

AS

0

0

142

1

143

ASSE

8

1

365

12

386

ASSENEDE

17

17

113

7

154

AVELGEM

23

0

319

12

354

BAARLE-HERTOG

0

0

99

0

99

BALEN

26

1

91

8

126

BEERNEM

53

0

122

1

176

BEERSE

54

0

319

2

375

BEERSEL

17

0

347

4

368

BEGIJNENDIJK

27

0

0

0

27

BEKKEVOORT

0

0

18

4

22

BERINGEN

173

0

1 129

15

1.317

BERLAAR

0

0

84

11

95

BERLARE

10

0

318

19

347

BERTEM

0

0

172

0

172

BEVER

0

2

5

4

11

BEVEREN

150

0

1.210

12

1.372

BIERBEEK

0

0

5

0

5

BILZEN

43

5

546

0

594

BLANKENBERGE

0

21

518

1

540

BOCHOLT

135

8

144

9

296

BOECHOUT

23

0

78

0

101

BONHEIDEN

10

0

78

5

93

BOOM

7

0

851

0

858

BOORTMEERBEEK

0

1

10

0

11

BORGLOON

22

0

87

7

116

BORNEM

171

0

679

2

852

BORSBEEK

0

0

20

0

20

BOUTERSEM

14

1

18

0

33

BRAKEL

38

0

97

0

135

BRASSCHAAT

101

0

246

36

383

BRECHT

0

0

253

5

258

BREDENE

88

0

307

44

439

BREE

63

2

240

0

305

BRUGGE

94

11

3.230

218

3.553

BUGGENHOUT

12

0

107

21

140

DAMME

41

1

104

0

146

DE HAAN

0

7

135

0

142

DE PANNE

0

0

196

30

226

DE PINTE

0

0

0

2

2

DEERLIJK

41

0

193

11

245

DEINZE

53

0

203

0

256

DENDERLEEUW

106

0

327

0

433

DENDERMONDE

143

10

1.749

32

1.934

DENTERGEM

0

0

149

2

151

DESSEL

46

0

118

0

164

DESTELBERGEN

105

0

51

30

186

DIEPENBEEK

124

0

171

0

295

DIEST

29

0

614

16

659

DIKSMUIDE

80

0

266

35

381

DILBEEK

140

0

631

22

793

DILSEN-STOKKEM

84

0

678

4

766

DROGENBOS

0

0

110

0

110

DUFFEL

0

1

677

10

688

EDEGEM

0

0

312

0

312

EEKLO

29

28

692

43

792

ERPE-MERE

62

0

210

0

272

ESSEN

37

0

154

43

234

EVERGEM

73

0

342

2

417

GALMAARDEN

3

0

58

1

62

GAVERE

27

0

70

24

121

GEEL

35

0

667

34

736

GEETBETS

0

0

0

7

7

GENK

105

0

3.233

9

3.347

GENT

211

0

12.422

232

12.865

GERAARDSBERGEN

21

0

311

0

332

GINGELOM

80

0

88

11

179

GISTEL

127

14

221

8

370

GLABBEEK

0

0

0

3

3

GOOIK

0

0

49

1

50

GRIMBERGEN

16

0

398

15

429

GROBBENDONK

33

0

69

6

108

HAACHT

0

0

191

0

191

HAALTERT

24

0

110

0

134

HALEN

7

0

121

0

128

HALLE

0

1

964

63

1.028

HAM

73

12

201

1

287

HAMME

9

15

1.122

21

1.167

HAMONT-ACHEL

9

0

223

11

243

HARELBEKE

28

0

602

25

655

HASSELT

122

0

1.393

5

1.520

HECHTEL-EKSEL

33

0

129

15

177

HEERS

10

0

26

8

44

HEIST-OP-DEN-BERG

79

0

1.127

21

1.227

HEMIKSEM

0

0

182

0

182

HERENT

12

0

344

6

362

HERENTALS

211

0

812

0

1.023

HERENTHOUT

47

0

301

2

350

HERK-DE-STAD

62

0

118

0

180

HERNE

0

0

0

3

3

HERSELT

73

0

212

0

285

HERSTAPPE

0

0

0

0

0

HERZELE

0

0

93

37

130

HEUSDEN-ZOLDER

151

0

798

28

977

HEUVELLAND

19

22

125

2

168

HOEGAARDEN

48

0

0

0

48

HOEILAART

3

0

170

2

175

HOESELT

0

0

173

0

173

HOLSBEEK

0

0

13

1

14

HOOGLEDE

24

0

79

10

113

HOOGSTRATEN

34

0

248

0

282

HOREBEKE

0

0

0

0

0

HOUTHALEN-HELCHTEREN

210

0

846

18

1.074

HOUTHULST

6

12

91

7

116

HOVE

0

0

66

0

66

HULDENBERG

0

0

66

0

66

HULSHOUT

12

0

243

0

255

ICHTEGEM

65

1

176

40

282

IEPER

37

26

1.080

49

1.192

INGELMUNSTER

0

0

95

1

96

IZEGEM

18

0

321

54

393

JABBEKE

50

1

61

1

113

KALMTHOUT

89

0

29

0

118

KAMPENHOUT

32

0

21

0

53

KAPELLEN

0

0

35

0

35

KAPELLE-OP-DEN-BOS

9

1

197

0

207

KAPRIJKE

8

13

43

3

67

KASTERLEE

0

0

310

0

310

KEERBERGEN

0

4

48

10

62

KINROOI

4

2

302

0

308

KLUISBERGEN

0

0

79

2

81

KNESSELARE

0

0

140

5

145

KNOKKE-HEIST

30

0

267

31

328

KOEKELARE

39

0

53

9

101

KOKSIJDE

34

0

338

28

400

KONTICH

0

0

160

0

160

KORTEMARK

0

0

138

14

152

KORTENAKEN

0

0

0

15

15

KORTENBERG

18

0

210

0

228

KORTESSEM

50

0

214

0

264

KORTRIJK

208

0

2.359

317

2.884

KRAAINEM

3

0

126

0

129

KRUIBEKE

14

0

510

5

529

KRUISHOUTEM

48

0

0

0

48

 

Gemeente

Huishoudens

01/01/2008

Aandeel sociale huur

Aandeel sociale koop / kavel

Aandeel sociaal woonaanbod

AALST

35.028

3,77 %

0,14 %

3,91 %

AALTER

7.474

2,30 %

0,36 %

2,66 %

AARSCHOT

12.344

2,88 %

0,14 %

3,01 %

AARTSELAAR

5.738

0,05 %

0,00 %

0,05 %

AFFLIGEM

4.855

1,61 %

0,00 %

1,61 %

ALKEN

4.329

2,22 %

1,06 %

3,28 %

ALVERINGEM

1.930

2,80 %

1,04 %

3,83 %

ANTWERPEN

224.470

10,13 %

0,06 %

10,19 %

ANZEGEM

5.492

2,97 %

1,09 %

4,06 %

ARDOOIE

3.629

4,44 %

0,00 %

4,44 %

ARENDONK

4.868

4,19 %

0,00 %

4,19 %

AS

2 997

4,77 %

0,00 %

4,77 %

ASSE

12.398

3,04 %

0,07 %

3,11 %

ASSENEDE

5.639

2,13 %

0,60 %

2,73 %

AVELGEM

3.970

8,34 %

0,58 %

8,92 %

BAARLE-HERTOG

992

9,98 %

0,00 %

9,98 %

BALEN

8.347

1,19 %

0,32 %

1,51 %

BEERNEM

5.717

2,15 %

0,93 %

3,08 %

BEERSE

6.365

5,04 %

0,85 %

5,89 %

BEERSEL

9.207

3,81 %

0,18 %

4,00 %

BEGIJNENDIJK

3.811

0,00 %

0,71 %

0,71 %

BEKKEVOORT

2.312

0,95 %

0,00 %

0,95 %

BERINGEN

15.852

7,22 %

1,09 %

8,31 %

BERLAAR

4.296

2,21 %

0,00 %

2,21 %

BERLARE

5.945

5,67 %

0,17 %

5,84 %

BERTEM

3.612

4,76 %

0,00 %

4,76 %

BEVER

821

1,10 %

0,24 %

1,34 %

BEVEREN

18.697

6,54 %

0,80 %

7,34 %

BIERBEEK

3.490

0,14 %

0,00 %

0,14 %

BILZEN

11.865

4,60 %

0,40 %

5,01 %

BLANKENBERGE

9.267

5,60 %

0,23 %

5,83 %

BOCHOLT

4.826

3,17 %

2,96 %

6,13 %

BOECHOUT

4.689

1,66 %

0,49 %

2,15 %

BONHEIDEN

5.642

1,47 %

0,18 %

1,25 %

BOOM

7.150

11,90 %

0,10 %

12,00 %

BOORTMEERBEEK

4.582

0,22 %

0,02 %

0,24 %

BORGLOON

4.164

2,26 %

0,53 %

2,79 %

BORNEM

8.250

8,25 %

2,07 %

10,33 %

BORSBEEK

4.533

0,44 %

0,00 %

0,44 %

BOUTERSEM

2.879

0,63 %

0,52 %

1,15 %

BRAKEL

5.690

1,70 %

0,67 %

2,37 %

BRASSCHAAT

15.359

1,84 %

0,66 %

2,49 %

BRECHT

10.412

2,48 %

0,00 %

2,48 %

BREDENE

6.590

5,33 %

1,34 %

6,66 %

BREE

5.898

4,07 %

1,10 %

5,17 %

BRUGGE

51.767

6,66 %

0,20 %

6,86 %

BUGGENHOUT

5.705

2,24 %

0,21 %

2,45 %

DAMME

4.217

2,47 %

1,00 %

3,46 %

DE HAAN

5.770

2,34 %

0,12 %

2,46 %

DE PANNE

4.974

4,54 %

0,00 %

4,54 %

DE PINTE

3.988

0,05 %

0,00 %

0,05 %

DEERLIJK

4.545

4,49 %

0,90 %

5,39 %

DEINZE

11.918

1,70 %

0,44 %

2,15 %

DENDERLEEUW

7.513

4,35 %

1,41 %

5,76 %

DENDERMONDE

18.736

9,51 %

0,82 %

10,32 %

DENTERGEM

3.129

4,83 %

0,00 %

4,83 %

DESSEL

3.567

3,31 %

1,29 %

4,60 %

DESTELBERGEN

7.135

1,14 %

1,47 %

2,61 %

DIEPENBEEK

7.141

2,39 %

1,74 %

4,13 %

DIEST

9.745

6,46 %

0,30 %

6,76 %

DIKSMUIDE

6.487

4,64 %

1,23 %

5,87 %

DILBEEK

16 145

4,04 %

0,87 %

4,91 %

DILSEN-STOKKEM

7.415

9,20 %

1,13 %

10,33 %

DROGENBOS

2.053

5,36 %

0,00 %

5,36 %

DUFFEL

6.627

10,37 %

0,02 %

10,38 %

EDEGEM

9.145

3,41 %

0,00 %

3,41 %

EEKLO

8.937

8,22 %

0,64 %

8,86 %

ERPE-MERE

7.900

2,66 %

0,78 %

3,44 %

ESSEN

6.721

2,93 %

0,55 %

3,48 %

EVERGEM

13.010

2,64 %

0,56 %

3,21 %

GALMAARDEN

3.257

1,81 %

0,09 %

1,90 %

GAVERE

4.839

1,94 %

0,56 %

2,50 %

GEEL

14.820

4,73 %

0,24 %

4,97 %

GEETBETS

2.352

0,30 %

0,00 %

0,30 %

GENK

24.080

13,46 %

0,44 %

13,90 %

GENT

113.847

11,11 %

0,19 %

11,30 %

GERAARDSBERGEN

13.326

2,33 %

0,16 %

2,49 %

GINGELOM

3.160

3,13 %

2,53 %

5,66 %

GISTEL

4.596

4,98 %

3,07 %

8,05 %

GLABBEEK

2.004

0,15 %

0,00 %

0,15 %

GOOIK

3.426

1,46 %

0,00 %

1,46 %

GRIMBERGEN

14.702

2,81 %

0,11 %

2,92 %

GROBBENDONK

4.260

1,76 %

0,77 %

2,54 %

HAACHT

5.417

3,53 %

0,00 %

3,53 %

HAALTERT

7.308

1,51 %

0,33 %

1,83 %

HALEN

3.578

3,38 %

0,20 %

3,58 %

HALLE

15.008

6,84 %

0,01 %

6,85 %

HAM

3.963

5,10 %

2,14 %

7,24 %

HAMME

9.572

11,94 %

0,25 %

12,19 %

HAMONT-ACHEL

5.462

4,28 %

0,16 %

4,45 %

HARELBEKE

11.008

5,70 %

0,25 %

5,95 %

HASSELT

31.711

4,41 %

0,38 %

4,79 %

HECHTEL-EKSEL

4.519

3,19 %

0,73 %

3,92 %

HEERS

2.783

1,22 %

0,36 %

1,58 %

HEIST-OP-DEN-BERG

16.221

7,08 %

0,49 %

7,56 %

HEMIKSEM

4.197

4,34 %

0,00 %

4,34 %

HERENT

7.567

4,63 %

0,16 %

4,78 %

HERENTALS

11.237

7,23 %

1,88 %

9,10 %

HERENTHOUT

3.517

8,62 %

1,34 %

9,95 %

HERK-DE-STAD

4.748

2,49 %

1,31 %

3,79 %

HERNE

2.515

0,12 %

0,00 %

0,12 %

HERSELT

5.751

3,69 %

1,27 %

4,96 %

HERSTAPPE

34

0,00 %

0,00 %

0,00 %

HERZELE

6 906

1,88 %

0,00 %

1,88 %

HEUSDEN-ZOLDER

11 543

7,16 %

1,31 %

8,46 %

HEUVELLAND

3.236

3,92 %

1,27 %

5,19 %

HOEGAARDEN

2.524

0,00 %

1,90 %

1,90 %

HOEILAART

4.160

4,13 %

0,07 %

4,21 %

HOESELT

3.708

4,67 %

0,00 %

4,67 %

HOLSBEEK

3.564

0,39 %

0,00 %

0,39 %

HOOGLEDE

3.783

2,35 %

0,63 %

2,99 %

HOOGSTRATEN

7.461

3,32 %

0,46 %

3,78 %

HOREBEKE

749

0,00 %

0,00 %

0,00 %

HOUTHALEN-HELCHTEREN

10.839

7,97 %

1,94 %

9,91 %

HOUTHULST

3.653

2,68 %

0,49 %

3,18 %

HOVE

3.135

2,11 %

0,00 %

2,11 %

HULDENBERG

3.566

1,85 %

0,00 %

1,85 %

HULSHOUT

3.951

6,15 %

0,30 %

6,45 %

ICHTEGEM

5.490

3,93 %

1,20 %

5,14 %

IEPER

14.511

7,78 %

0,43 %

8,21 %

INGELMUNSTER

4.283

2,24 %

0,00 %

2,24 %

IZEGEM

11.290

3,32 %

0,16 %

3,48 %

JABBEKE

5.249

1,18 %

0,97 %

2,15 %

KALMTHOUT

6.775

0,43 %

1,31 %

1,74 %

KAMPENHOUT

4.293

0,49 %

0,75 %

1,23 %

KAPELLEN

10.629

0,33 %

0,00 %

0,33 %

KAPELLE-OP-DEN-BOS

3.616

5,45 %

0,28 %

5,72 %

KAPRIJKE

2.464

1,87 %

0,85 %

2,72 %

KASTERLEE

6.948

4,46 %

0,00 %

4,46 %

KEERBERGEN

4.864

1,19 %

0,08 %

1,27 %

KINROOI

4.520

6,68 %

0,13 %

6,81 %

KLUISBERGEN

2.556

3,17 %

0,00 %

3,17 %

KNESSELARE

3.330

4.35 %

0,00 %

4,35 %

KNOKKE-HEIST

16.474

1,81 %

0,18 %

1,99 %

KOEKELARE

3.428

1,81 %

1,14 %

2,95 %

KOKSIJDE

10.360

3,53 %

0,33 %

3,86 %

KONTICH

7.978

2,01

0,00 %

2,01 %

KORTEMARK

4.785

3,18 %

0,00 %

3,18 %

KORTENAKEN

3.036

0,49 %

0,00 %

0,49 %

KORTENBERG

7.639