Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid [citeeropschrift: "het Energiedecreet"]

Datum 08/05/2009

Inhoudstafel

  1. TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
  2. TITEL II. DOELSTELLINGEN
  3. TITEL III. INSTELLINGEN
    1. HOOFDSTUK 1. De Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt
      1. Afdeling I. Oprichting
      2. Afdeling II. Missie, Taken en Bevoegdheden
      3. Afdeling III. Bestuur en werking
        1. [Onderafdeling I. De organen van de VREG (ing. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)]
        2. [Onderafdeling II. (verv. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)] Raad van bestuur
        3. [Onderafdeling III. Algemeen directeur (verv. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)]
      4. Afdeling IV. Huishoudelijk reglement
      5. Afdeling V. Beroepsgeheim
      6. [Afdeling V/1. Rechtspositieregeling van de personeelsleden van de VREG (ing. Decr. 8 juli 2011, art. 13, I: 26 augustus 2011)]
      7. [Afdeling V/2. Aansprakelijkheid en rechtspositieregeling (ing. decr. 25 november 2016, art. 19, I: 9 februari 2017)]
      8. [Afdeling VI. Financiële middelen en controle (verv. decr. 25 november 2016, art. 23, I: 9 februari 2017)]
    2. HOOFDSTUK II. Het Energiefonds
  4. TITEL IV. DE ORGANISATIE VAN DE ELEKTRICITEITS- EN AARDGASMARKT IN HET VLAAMSE GEWEST
    1. HOOFDSTUK I. Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest
      1. Afdeling I. Aanwijzing van de netbeheerde
      2. Afdeling II. Werkmaatschappij
      3. Afdeling III. Activiteiten van de netbeheerders
        1. Onderafdeling I. Beheer van het Net
        2. Onderafdeling II.[Activiteiten inzake levering, productie, verschaffen van energiediensten door de netbeheerder en zijn werkmaatschappij (verv. decr. 14 maart 2014, art. 7, I: 7 april 2014)]
      4. Afdeling IV. Vertrouwelijkheid en non-discriminatieverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder en diens werkmaatschappij
      5. [Afdeling IV/1. Vergoedingsplichten van de netbeheerder (ing. decr. 20 december 2013, art. 3, I: 1 januari 2015)]
        1. [Onderafdeling I. Schadevergoeding bij storing (ing. decr. 20 december 2013, art. 4, I: 1 januari 2015)]
        2. [Onderafdeling II. Gemeenschappelijke bepalingen voor onderafdelingen III tot en met V (ing. decr. 20 december 2013, art. 6, I: 1 januari 2015)]
        3. [Onderafdeling III. Forfaitaire vergoeding bij laattijdige aansluiting (ing. decr. 20 decmeber 2013, art. 8, I: 1 januari 2015)]
        4. [Onderafdeling IV. Forfaitaire vergoeding bij laattijdige heraansluiting (ing. decr. 20 december 2013, art. 10, I: 1 januari 2015)]
        5. [Onderafdeling V. Forfaitaire vergoeding bij langdurige stroomonderbreking (ing. decr. 20 december 2013, art. 12, I: 1 januari 2015)]
      6. Afdeling V. Aansluiting op een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit
      7. Afdeling VI. Toegang tot een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit
      8. Afdeling VII. Investeringsplannen
      9. Afdeling VIII. Openbaredienstverplichtingen opgelegd aan de netbeheerder
      10. [Afdeling IX. Slimme meters (ing. Decr. 8 juli 2011, art. 24, I: 26 augustus 2011)]
      11. [Afdeling X. Prerogatieven van de netbeheerders (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 6, I: 1 juli 2012)]
        1. [Onderafdeling I. Erfdienstbaarheden ten voordele van de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 7, I: 1 juli 2012)]
        2. [Onderafdeling II. Onteigeningen door de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 7, I: 1 juli 2012)]
        3. [Onderafdeling III. Recht op toegang van de netbeheerder tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de netgebruiker (ing. decr. 14 maart 2014, art. 13, I: 7 april 2014)]
        4. [Onderafdeling IV. Gebruik van persoonlijke gegevens door de netbeheerder (ing. decr. 24 februari 2017, art. 5, I: 1 april 2017)]
      12. [Afdeling XI. Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 8, I: 1 juli 2012)]
      13. [Afdeling XII. Tarieven voor de aansluiting op en het gebruik van het distributienet (ing. decr. 27 november 2015, art. 8, I: 10 december 2015)]
        1. [Onderafdeling I. Toepassingsgebied (ing. decr. 27 november 2015, art. 9, I: 10 december 2015)]
        2. [Onderafdeling II. Algemene bepalingen (ing. decr. 27 november 2015, art. 11, I: 10 december 2015)]
        3. [Onderafdeling III. Procedure voor het opstellen van de tariefmethodologie (ing. decr. 27 november 2015, art. 13, I: 10 december 2015)]
        4. [Onderafdeling IV. Richtsnoeren voor het opstellen van de tariefmethodologie (ing. decr. 27 november 2015, art. 15, I: 10 december 2015)]
        5. [Onderafdeling V. Procedure voor het indienen en goedkeuren van de tariefvoorstellen (ing. decr. 27 november 2015, art. 17, I: 10 december 2015)]
        6. [Onderafdeling VI. Beroepsprocedure tegen beslissingen van de VREG met betrekking tot de tarieven (ing. decr. 27 november 2015, art. 19, I: 10 december 2015)]
    2. HOOFDSTUK II. Technische reglementen
    3. HOOFDSTUK III. De levering van elektriciteit en aardgas
      1. Afdeling I. De leveringsvergunning
      2. Afdeling II. Openbaredienstverplichtingen opgelegd aan de leveranciers
      3. [Afdeling III. Noodleverancier (ing. decr. 16 november 2018, art. 17, I: 24 december 2018)]
    4. HOOFDSTUK IV. Vrije leverancierskeuze
    5. HOOFDSTUK V. [De aanleg en het beheer van directe lijnen en directe leidingen (verv. decr. 8 juli 2011, art. 30, I: 26 augustus 2011)]
    6. [HOOFDSTUK VI. De aanleg en het beheer van een gesloten distributienet (ing. decr. 8 juli 2011, art. 33, I: 26 augustus 2011)]
    7. [HOOFDSTUK VII. De aanleg en het beheer van een privédistributienet (ing. decr. 8 juli 2011, art. 35, I: 26 augustus 2011)]
  5. [TITEL IV/1. DE ORGANISATIE VAN DE UITBATING VAN WARMTE- EN KOUDENETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
    1. [HOOFDSTUK I. Het beheer van de warmte- en koudenetten in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      1. [Afdeling I. Activiteiten van de warmte- of koudenetbeheerders (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      2. [Afdeling II. Aansluiting op een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      3. [Afdeling III. Toegang tot een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      4. [Afdeling IV. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      5. [Afdeling V. Prerogatieven van de warmte- of koudenetbeheerders (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
        1. [Onderafdeling I. Erfdienstbaarheden ten voordele van de netbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
        2. [Onderafdeling II. Onteigeningen door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
        3. [Onderafdeling III. Recht op toegang van de warmte- of koudenetbeheerder tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de netgebruiker (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
        4. [Onderafdeling IV. Gebruik van persoonlijke gegevens door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      6. [Afdeling VI. Gebruik van het openbaar domein door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
    2. [HOOFDSTUK II. Technische voorschriften voor het beheer van warmte- of koudenetten (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      1. [Afdeling I. Technische reglementen (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      2. [Afdeling II. Verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
    3. [HOOFDSTUK III. De levering van thermische energie via een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      1. [Afdeling I. De levering van thermische energie via een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
      2. [Afdeling II. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de warmte- of koudeleveranciers (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
  6. [TITEL V. HET VOORKOMEN, DETECTEREN EN VASTSTELLEN VAN ENERGIEFRAUDE (ing. decr. 24 februari 2017, art. 8, I: 22 maart 2017)]
  7. TITEL VI. SOCIALE ENERGIEMAATREGELEN VOOR HUISHOUDELIJKE AFNEMERS
    1. [HOOFDSTUK I. Sociale energiemaatregelen voor huishoudelijke afnemers van elektriciteit of aardgas (ing. decr. 10 maart 2017, art. 18, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
    2. [HOOFDSTUK II. Sociale energiemaatregelen voor huishoudelijke afnemers van thermische energie (ing. decr. 10 maart 2017, art. 19, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
  8. TITEL VII. MILIEUVRIENDELIJKE ENERGIEPRODUCTIE EN RATIONEEL ENERGIEGEBRUIK
    1. HOOFDSTUK I. Groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten
      1. Afdeling I. Toekenning van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten
      2. [Afdeling I/1. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren (ing. Decr. 13 juli 2012, art. 6, I: 30 juli 2012)]
      3. Afdeling II. Gebruik van de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten
      4. Afdeling III. Minimumwaarde van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten
      5. Afdeling IV. [... (opgeh. Decr. 13 juli 2012, art. 10, I: 30 juli 2012)]
      6. Afdeling V. Certificatenverplichtingen
        1. Onderafdeling I. De certificatenverplichting hernieuwbare energie
        2. Onderafdeling II. De certificatenverplichting kwalitatieve warmtekrachtkoppeling
        3. Onderafdeling III. Gemeenschappelijke bepalingen
    2. [HOOFDSTUK I/1. Garantie van oorsprong (ing. Decr. 13 juli 2012, art. 14, I: 30 juli 2012)]
    3. [HOOFDSTUK I/2. Werkzaamheden van maatschappelijk belang (ing. decr. 16 november 2018, art. 29, I: 24 december 2018)]
    4. HOOFDSTUK II. Groenewarmtecertificaten
    5. HOOFDSTUK III. Beperking aansluitkosten productie-installaties voor elektriciteit uit warmtekrachtinstallaties
    6. HOOFDSTUK IV. Informatieverlening over de oorsprong en milieugevolgen van de geleverde elektriciteit
    7. HOOFDSTUK V. Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers en netbeheerders [ en de warmte- of koudenetbeheerders (verv. decr. 10 maart 2017, art. 21, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)] ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen
    8. HOOFDSTUK VI. Verplichtingen van de brandstofleveranciers ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen
    9. HOOFDSTUK VII. Instrumenten ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen voor ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen
    10. [HOOFDSTUK VIII. ... (opgeh. decr. 10 maart 2017, art. 23, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
  9. TITEL VIII. TEGEMOETKOMINGEN TER BEVORDERING VAN HET RATIONEEL ENERGIEGEBRUIK, HET RATIONEEL ENERGIEBEHEER, HET GEBRUIK VAN HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN [... (geschr. Decr. 14 februari 2014, art. 36, I: 6 mei 2014)]
    1. HOOFDSTUK I. Kredieten
    2. HOOFDSTUK II. Steunprogramma's voor natuurlijke personen
    3. HOOFDSTUK III. Steunprogramma's voor ondernemingen
      1. Afdeling I. De onderneming als gebruiker van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën
      2. Afdeling II. De onderneming als ontwikkelaar, producent of distributeur van energiezuinige producten, technieken of systemen of van hernieuwbare energietechnologieën
      3. Afdeling III. De onderneming als promotor van rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
    4. [HOOFDSTUK IV. Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen, publiekrechtelijke rechtspersonen en voor de netbeheerders en de beheerders van het transmissienet en het vervoersnet (verv. Decr. 20 december 2013, art. 23, I: 1 januari 2014)]
    5. HOOFDSTUK V. Marktintroductieprogramma
    6. HOOFDSTUK VI. [... (opgeh. Decr. 14 februari 2014, art. 38, I: 6 mei 2014)]
    7. HOOFDSTUK VII. Hoogte van de tegemoetkomingen
  10. [TITEL IX. ENERGIEHUIZEN (ing. decr. 16 november 2018, art. 34, I: 24 december 2018)]
  11. TITEL X. [ERKENNING VAN ENERGIEDESKUNDIGEN, VERSLAGGEVERS EN OPLEIDINGSINSTELLINGEN EN DE CERTIFICERING VAN AANNEMERS (verv. decr. 14 maart 2014, art. 4, I: 28 maart 2014)]
  12. TITEL XI. ENERGIEPRESTATIES VAN GEBOUWEN
    1. HOOFDSTUK I. Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen
      1. Afdeling I. De EPB-eisen
      2. [Afdeling I/1. Voorafgaandelijke handelingen (ing. decr. 18 november 2011, art. 12, I: 15 december 2011)]
      3. Afdeling II. De startverklaring
      4. Afdeling III. EPB-aangifte
      5. Afdeling IV. Energieprestatiedatabank
    2. HOOFDSTUK II. Energieprestatiecertificaten
    3. [HOOFDSTUK II/1. Renovatieadvies (ing. decr. 16 november 2018, art. 44, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]
    4. [HOOFDSTUK III. Retributie (ing. decr. 18 november 2011, art. 19, I: 15 december 2011)]
  13. TITEL XII. ENERGIEBELEIDSRAPPORTERING
    1. HOOFDSTUK I. Energierapport
    2. HOOFDSTUK II. Verstrekking van gegevens aan het Vlaams Energieagentschap
    3. [HOOFDSTUK III. Inventaris van het energiegebruik van overheidsgebouwen (ing. decr. 28 juni 2013, art. 15, I: 28 juni 2013)]
  14. TITEL XIII. TOEZICHT EN SANCTIES
    1. HOOFDSTUK I. Toezicht
      1. Afdeling I. Algemene bepalingen
      2. Afdeling II. Toezicht door de VREG
      3. Afdeling III. Toezicht door het Vlaams Energieagentschap
      4. Afdeling IV. Toezicht in het kader van de [heffingen vermeld in titel XIV (verv. decr. 19 december 2014, art. 99, I: 1 januari 2015)]
      5. [Afdeling V. Vaststelling door personeelsleden van de netbeheerders en de (ing. decr. 24 februari 2017, art. 22, I: 1 april 2017)][werkmaatschappij (verv. decr. 16 november 2018, art. 49, I: 24 december 2018)]
    2. HOOFDSTUK II. Strafrechtelijke sancties
    3. HOOFDSTUK III. Administratieve sancties opgelegd door de VREG
      1. Afdeling I. Algemene procedure
      2. Afdeling II. Algemene administratieve boete
      3. Afdeling III. Administratieve geldboete bij niet-naleving van de sociale openbaredienstverplichtingen
      4. Afdeling IV. Procedure en administratieve geldboete bij niet-naleving van de bepalingen inzake groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten en groenewarmtecertificaten
    4. HOOFDSTUK IV. Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap
      1. Afdeling I. Administratieve sancties wegens overtreding van de maatregelen en verplichtingen inzake de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, warmtekrachtkoppeling en het rationeel energiegebruik
      2. Afdeling II. Administratieve sancties wegens overtreding of niet-naleving van de energieprestatieregelgeving
      3. Afdeling III. Administratieve sanctie wegens overtreding of niet-naleving van de energieprestatieregelgeving bij bestaande gebouwen
      4. Afdeling IV. Administratieve sancties wegens overtreding of niet-naleving van de verplichtingen betreffende energieprestatiecertificaten
      5. [Afdeling V. Procedure en administratieve geldboete bij niet-naleving van verplichtingen in het kader van het netbeheer (ing. decr. 24 februari 2017, art. 24, I: 1 juni 2017)]
    5. HOOFDSTUK V. [Administratieve sancties opgelegd door de Vlaamse Belastingdienst (verv. decr. 23 december 2016, art. 8, I: 8 januari 2017)]
    6. HOOFDSTUK VI. [... (opgeh. Decr. 17 februari 2017, art. 26, I: 30 maart 2017)]
    7. [HOOFDSTUK VII. Inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de administratieve geldboetes (ing. decr. 18 november 2011, art. 27, I: 15 december 2011)]
  15. TITEL XIV. HEFFINGEN
    1. HOOFDSTUK I.Heffing op de afnamepunten van elektriciteit
    2. HOOFDSTUK II. Vestiging van de aanslag, controle, beroep ambtshalve uitvoering en verjaring [van de heffing op de afnamepunten op elektriciteit (ing. decr. 16 november 2018, art. 3, I: 1 januari 2019)]
      1. Afdeling I. Algemene bepalingen
      2. Afdeling II. Inning van de heffing op de afnamepunten van elektriciteit door de toegangshouders
    3. [HOOFDSTUK III. Heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 5, I: 1 januari 2019)]
      1. [Afdeling I. Belastbare materie en tarief van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 6, I: 1 januari 2019)]
      2. [Afdeling II. Inning en invordering van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 10, I: 1 januari 2019)]
    4. [HOOFDSTUK IV. INKOMSTEN UIT DE ENERGIEHEFFINGEN (ing. decr. 16 november 2018, art. 13, I: 1 januari 2019)]
  16. [TITEL XIV/1. EXPERIMENTREGELGEVING EN REGELLUWE ZONES VOOR ENERGIE (ing. decr. 16 november 2018, art. 54, I: 24 december 2018)]
  17. TITEL XV. SLOTBEPALINGEN
    1. HOOFDSTUK I. Wijzigingsbepalingen
    2. HOOFDSTUK II. Opheffingsbepalingen
    3. HOOFDSTUK III. Overgangs- en slotbepalingen
  18. Bijlage

Inhoud

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1.1. (01/01/2011- ...)

Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Artikel 1.1.2. (06/05/2014- ...)

Dit decreet voorziet, voor wat de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest betreft, in de omzetting van :
1° de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG;
2° de richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
3° de Richtlijn 2009/72/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG;
4° de Richtlijn 2009/73/EG van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG;
5° ...
6° de richtlijn 2012/27/EU van de Europese Unie van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
7° ...

Artikel 1.1.3. (... - ...)

Artikel 1.1.3. (01/01/2019- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° aanbieder van energiediensten: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in de inrichtingen of gebouwen van een netgebruiker energiediensten of andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie levert;
1/1° aangifteplichtige : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die de EPB-eisen moet naleven;
2° ...
3° aansluitbare wooneenheid of gebouw : wooneenheid die of gebouw dat nog niet aangesloten is op het aardgasdistributienet, en waarbij aan één van de volgende voorwaarden is voldaan :
a) er is een lagedrukleiding aanwezig langs de openbare weg aan dezelfde kant van de weg en ter hoogte van de wooneenheid of het gebouw;
b) de wooneenheid of het gebouw is niet gelegen in een gebied dat bestemd is voor bewoning en er is een lagedrukleiding aanwezig langs de openbare weg ter hoogte van de wooneenheid of het gebouw, al of niet aan dezelfde kant van de wooneenheid of het gebouw;
c) een middendrukleiding, categorie A of B, is aanwezig langs de openbare weg ter hoogte van de wooneenheid of het gebouw en deze leiding is specifiek aangelegd voor het aansluiten van respectievelijk wooneenheden of gebouwen;
4° aansluitingsgraad : het aantal aangesloten wooneenheden en gebouwen in verhouding tot het totaal aantal wooneenheden en gebouwen in een bepaald gebied;
5° aardgas : elke gasvormige brandstof van ondergrondse oorsprong die hoofdzakelijk uit methaan bestaat, met inbegrip van vloeibaar aardgas;
6° aardgasdistributienet : geheel van onderling verbonden leidingen en de daarmee verbonden hulpmiddelen, die noodzakelijk zijn voor de distributie van aardgas aan afnemers binnen een geografisch afgebakend gebied in het Vlaamse Gewest en dat geen gesloten distributienet, privédistributienet of directe leiding betreft;
7° aardgasdistributienetbeheerder : beheerder van een aardgasdistributienet, aangewezen overeenkomstig artikel 4.1.1;
8° aardgasinvoerder : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die aardgas invoert in België;
8°/1 ACER : het agentschap, opgericht overeenkomstig verordening nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators.
8°/2 achterliggende afnemer : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas afneemt van een gesloten distributienet of een privédistributienet;
8°/3 achterliggende netgebruiker : natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas injecteert op of afneemt van een gesloten distributienet of een privédistributienet;
9° actieverplichting : een door de Vlaamse Regering aan de netbeheerders in het kader van een openbaredienstverplichting opgelegde REG-actie;
9°/1 aerothermische energie : energie die in de vorm van warmte is opgeslagen in de omgevingslucht;
10° afnamepunt : punt waar elektriciteit of aardgas van het net wordt afgenomen en verbruikt;
11° afnemer : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas afneemt om te voorzien in zijn eigen behoeftes;
12° afsluiten : het buiten dienst stellen van de aansluiting of het ontzeggen van de toegang tot het net door de aansluiting af te koppelen van de installaties van de afnemer;
12/1° aggregator: dienstenverrichter die meerdere capaciteiten voor afname, consumptie, productie of injectie combineert om in georganiseerde energiemarkten te verkopen of te veilen;
13° allocatie : toewijzing van energiehoeveelheden aan de verschillende marktpartijen;
13° /1 bandingdeler : de bandingdeler is gelijk aan :
a) 97 euro per groenestroomcertificaat voor de berekening van de bandingfactor voor de toekenning van groenestroomcertificaten;
b) 35 euro per warmte-krachtcertificaat voor de berekening van de bandingfactor voor de toekenning van warmte-krachtcertificaten;
13° /2 bandingfactor : onrendabele top gedeeld door de bandingdeler;
13° /3 beheerder van een gesloten distributienet: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die exploitant is van een gesloten distributienet;
14° beschermd volume : het beschermde volume van het gebouw zoals dat gedefinieerd is in de Belgische norm of de door de Vlaamse overheid vastgelegde specificaties;
15° ...
16° bevrachter : rechtspersoon die een contract heeft afgesloten met een vervoeronderneming met betrekking tot het vervoer van aardgas tussen een of meer injectiepunten en afnamepunten op het vervoernet;
16/1° bijna-energieneutraal gebouw : een gebouw met een zeer hoge energieprestatie, waarbij de dichtbij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die nog vereist is, in zeer aanzienlijke mate wordt geleverd uit hernieuwbare energiebronnen die ter plaatse of dichtbij wordt geproduceerd;
17° ...
18° ...
18°/1 biobrandstoffen : vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit biomassa;
18° /1/1 biogas: gas uit de anaerobe vergisting van organisch-biologische stoffen;
18°/2 biomassa : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
19° BKG-installatie: een vaste technische eenheid met inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als BKG-inrichting of activiteit zijn aangeduid, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende inrichtingen of activiteiten die technisch in verband staan met de voormelde inrichtingen of activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
20° brandstofleveranciers : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die aan afnemers aardgas, stookolie, steenkool, methaan, butaan en propaan levert;
21° ...
22° bruto binnenlands energieverbruik : het primaire energieverbruik verminderd met de geleverde energie aan de internationale lucht- en scheepvaartbunkers;
22/1° Btot: de totale bandingcoëfficiënt, dat is de verhouding tussen het aantal toegekende, voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten in kalenderjaar n-2 en de totale brutoproductie van groene stroom in het Vlaamse Gewest in datzelfde kalenderjaar zoals te rapporteren in het kader van de richtlijn 2009/28/EG en volgens de daarin vastgelegde berekeningsmethode;
23° budgetmeter : een budgetmeter voor elektriciteit of een budgetmeter voor aardgas;
24° budgetmeter voor aardgas: aardgasmeter met hulpkrediet die toelaat te werken via een systeem van voorafbetaling in het kader van een aan de netbeheerder opgelegde openbaredienstverplichting inzake de bescherming van huishoudelijke afnemers bij wanbetaling;
25° budgetmeter voor elektriciteit: elektriciteitsmeter met begrenzer en hulpkrediet die toelaat te werken via een systeem van voorafbetaling in het kader van een aan de netbeheerder opgelegde openbaredienstverplichting inzake de bescherming van huishoudelijke afnemers bij wanbetaling;
25°/1 datum van indienstneming : datum waarop een productie-installatie voor het eerst in dienst werd genomen of datum waarop een warmte-krachtinstallatie ingrijpend gewijzigd werd. Voor groenestroominstallaties is dit de datum waarop de productie-installatie voor het eerst elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron produceerde. Voor warmte-krachtinstallaties is dat de datum waarop de eerste gelijktijdige productie van elektriciteit of mechanische energie, en nuttige warmte plaatsvond, of de datum waarop de laatste ingrijpende wijziging voor het eerst gelijktijdig elektriciteit of mechanische energie, en nuttige warmte produceerde;
26° directe lijn : een elektriciteitslijn met een nominale spanning die gelijk is aan of minder is dan 70 kilovolt, die een productieinstallatie met een afnemer verbindt;
27° directe leiding : elke leiding voor aardgasdistributie die geen deel uitmaakt van een aardgasdistributienet;
28° distributie : de activiteit die erin bestaat elektriciteit via elektrische lijnen met een nominale spanning die gelijk is aan of minder is dan 70 kilovolt, of aardgas via plaatselijke aardgasleidingen te brengen tot bij afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
29° distributienet : elektriciteitsdistributienet of aardgasdistributienet;
30° distributienetbeheerder : elektriciteitsdistributienetbeheerder of aardgasdistributienetbeheerder;
30°/1 eigen site : het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, erfpachter, opstalhouder of concessiehouder;
30/2° eilandwerking : de situatie waarin, met uitzondering van mobiele installaties,een productie-installatie in normale werking niet gekoppeld is aan :
a) het elektriciteitsdistributienet of daaraan gekoppelde gesloten distributienetten;
b) het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of daaraan gekoppelde gesloten distributienetten;
c) het transmissienet;
31° eindverbruiksector : ondernemingen en particulieren die energie afnemen of produceren om geheel of overwegend in de eigen energiebehoefte te voorzien;
32° elektriciteitsdistributienet : geheel van onderling verbonden elektrische leidingen met een nominale spanning die gelijk is aan of minder is dan 70 kilovolt, en de bijbehorende installaties, die noodzakelijk zijn voor de distributie van elektriciteit aan afnemers binnen een geografisch afgebakend gebied in het Vlaamse Gewest, dat geen gesloten distributienet, privédistributienet of directe lijn is;
33° elektriciteitsdistributienetbeheerder : beheerder van een elektriciteitsdistributienet, aangewezen overeenkomstig artikel 4.1.1;
34° ...
35° ...
36° ...
37° energiebeleidsovereenkomst : iedere overeenkomst tussen het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, en een andere partij, waarbij die andere partij zich engageert om binnen een afgesproken termijn een vooropgestelde verbetering inzake energie-efficiëntie te behalen of te stimuleren, tot de wereldtop inzake energie-efficiëntie in haar sector te behoren of een bepaald percentage van het energieverbruik te dekken met behulp van hernieuwbare energietechnologieën of daarvoor stimulansen te verstrekken;
38° energieboekhouding : het regelmatig meten, registreren, analyseren en rapporteren van het energiegebruik;
39° energiedeskundige: de natuurlijke persoon, die onderworpen is aan het sociaal statuut van zelfstandige en die het energieprestatiecertificaat opstelt of energieadvies verstrekt, of de rechtspersoon binnen wiens organisatie het energieprestatiecertificaat opgesteld wordt of energieadvies verstrekt wordt door een zaakvoerder, bestuurder of bezoldigde werknemer;
39/1° energiedienst: het fysieke voordeel, nut of welzijn dat wordt bereikt met een combinatie van energie met energie-efficiënte technologie of actie, die de bewerkingen, het onderhoud en de controle kan omvatten die nodig zijn voor de levering van de dienst, welke wordt geleverd op basis van een overeenkomst en welke onder normale omstandigheden heeft aangetoond te leiden tot een controleerbare en meetbare of een schatbare verbetering van de energie-efficiëntie of tot controleerbare en meetbare of schatbare primaire energiebesparingen;
40° energiedrager : kolen en afgeleide producten, petroleumproducten, gas, elektriciteit, hernieuwbare energiebronnen, warmte en nucleaire warmte;
40° /1 energiefraude: elke onrechtmatige actie van eenieder, zowel actief als passief, die gepaard gaat met het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel. Daaronder wordt minstens verstaan:
a) handelingen uitvoeren op het distributienet of op het plaatselijke vervoernet van elektriciteit zonder daartoe gemachtigd te zijn;
b) de aansluiting of meetinstallatie manipuleren;
c) meldingsverplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan, het aansluitingsreglement, het aansluitingscontract of het technisch reglement niet uitvoeren;
d) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van contract- of aansluitingsaanvragen bij de leverancier, toegangshouder of netbeheerder;
e) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van de aanvraag van groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten of van de rapportering van meetgegevens die aanleiding geven tot het toekennen van groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten;
f) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van subsidie- of premieaanvragen in uitvoering van dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten;
g) informatie bezorgen die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van meldingsverplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan, het aansluitingsreglement, het aansluitingscontract of het technisch reglement;
40° /2 energiehuis: de instantie die op het niveau van één of meer gemeenten energiediensten aanbiedt aan de klant;
41° energiekengetal : het gemiddelde van het energieverbruik in een sector in verhouding tot een parameter die bepalend is voor het energieverbruik in die sector;
42° energieplan : een systematische, gedocumenteerde en objectieve evaluatie van het beheer, de organisatie en de uitrusting van de betrokken onderneming, de niet-commerciële instelling of de publiekrechtelijke rechtspersoon op het gebied van energie-efficiëntie, waarbij de mogelijke maatregelen inzake de verbetering van de energie-efficiëntie in kaart worden gebracht;
42/1° energieprestatie van gebouwen: de berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van het gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting;
43° energieprestatiecertificaat : een certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
44° energieprestatiecertificatendatabank : een geïnformatiseerd gegevensbestand waarin informatie met betrekking tot energieprestatiecertificaten wordt opgenomen;
45° energieprestatiedatabank : een geïnformatiseerd gegevensbestand waarin informatie met betrekking tot de energieprestaties van de gebouwen waarvoor EPB-eisen gelden, wordt opgenomen;
46° energiestudie : studie die aantoont dat een nieuwe of een gewijzigde installatie aan bepaalde criteria van energie-efficiëntie zal voldoen;
47° EPB-aangifte : energieprestatie- en binnenklimaataangifte, dat wil zeggen het unieke document waarin de verslaggever alle uitgevoerde maatregelen tot naleving van de EPB-eisen beschrijft en ze al dan niet conform met die eisen verklaart;
47/1° EPB-eenheid: elke eenheid van aangrenzende lokalen die in hetzelfde gebouw liggen, die het voorwerp zijn van werken van dezelfde aard, die ontworpen of aangepast zijn om afzonderlijk te worden gebruikt en die ten hoogste één wooneenheid bevatten;
48° EPB-eisen : eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat, dat wil zeggen het geheel van voorwaarden waaraan een gebouw, een technisch bouwsysteem of de constructieonderdelen inzake energetische prestaties, thermische isolatie, binnenklimaat, systeemeisen en ventilatie moet voldoen;
49° erkende instelling voor schuldbemiddeling : instelling die erkend is volgens het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling;
50° evenwichtsverantwoordelijke : rechtspersoon die een contract heeft afgesloten met de beheerder van het transmissienet met betrekking tot de transmissie van elektriciteit tussen een of meer injectiepunten en afnamepunten en die voor een geheel van toegangspunten zorg draagt voor het evenwicht tussen de injectie en de afname van elektriciteit op die toegangspunten;
51° federale Elektriciteitswet: de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
53° garantie van oorsprong : uniek, verhandelbaar en overdraagbaar elektronisch document dat uitsluitend tot doel heeft om de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is op basis van hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling.
54° gaswinningsinstallatie : installatie waarmee aardgas wordt gewonnen uit de ondergrond of waarin biogas wordt geproduceerd;
55° gebied bestemd voor bewoning : gebied dat volgens het gewestplan of ruimtelijk uitvoeringsplan één van de volgende bestemmingen heeft :
a) woongebied;
b) woongebied met culturele, historische of esthetische waarde;
c) woongebied met landelijk karakter;
d) woongebied met landelijk karakter en culturele, historische of esthetische waarde;
e) woonuitbreidingsgebied;
56° gebouw: voor de toepassing van titels X en XI en artikel 13.4.5 tot en met 13.4.10, elk gebouw in zijn geheel of delen ervan die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt, en waarvoor energie verbruikt wordt om een specifieke binnentemperatuur te verkrijgen;
56°/1 geothermische energie : energie die in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak is opgeslagen;
56/1° gemeenschappelijk deel : elke eenheid van aangrenzende lokalen die door meerdere EPB-eenheden samen gebruikt wordt en die behoort tot het beschermd volume van het gebouw;
56°/2 gesloten distributienet : een net dat gebruikt wordt voor de distributie van elektriciteit of aardgas binnen een geografisch afgebakende industriële of commerciële locatie of een geografisch afgebakende locatie met gedeelde diensten, dat, behoudens incidenteel, geen huishoudelijke afnemers van elektriciteit of aardgas voorziet, en dat aan een van de volgende vereisten voldoet :
a) om specifieke technische eisen of veiligheidseisen voorziet het in een geïntegreerde exploitatie of een geïntegreerd productieproces van de verschillende gebruikers van het net;
b) het distribueert primair elektriciteit of aardgas aan de eigenaar of beheerder van het net of de daarmee verwante bedrijven.
56° /3 gezondheidsvoorziening: een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van de zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding en de preventieve gezondheidszorg, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van de voorzieningen werkzaam op het vlak van de medisch verantwoorde sportbeoefening;
57° gestrande kosten : de kosten die ondernemingen moeten dragen ten gevolge van verplichtingen die ze in het verleden zijn aangegaan, maar die ze niet langer kunnen nakomen door de liberalisering van de betrokken sector;
58° groene stroom : elektriciteit die geproduceerd is uit een hernieuwbare energiebron;
59° groene warmte : warmte die geproduceerd is uit een hernieuwbare energiebron;
60° groenestroomcertificaat : uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode een hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen;
61° groenewarmtecertificaat : uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode 1 000 kWh warmte heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen;
62° grote onderneming : onderneming die niet ressorteert onder de categorie kleine of middelgrote onderneming;
63° haalbaarheidsstudie : studie die de economische, sociale of juridische haalbaarheid van een concreet project onderzoekt;
64° heffingsjaar : het kalenderjaar waarvoor de heffing, vermeld in titel XIV, is verschuldigd;
65° hernieuwbare energiebronnen : hernieuwbare niet-fossiele en niet-nucleaire energiebronnen, met name wind, zon, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogas;
66° hernieuwbare energietechnologieën : technologieën die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen;
66° /1 hoogspanning: een nominaal spanningsniveau van 30 kilovolt of hoger;
67° huishoudelijke afnemer : elke natuurlijke persoon aangesloten op een aardgasdistributienet of een elektriciteitsdistributienet op een spanning gelijk aan 1 000 volt of minder, die elektriciteit of aardgas afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomicilieerd zijn, behoudens in het geval dat het leveringscontract voor de levering van elektriciteit respectievelijk aardgas op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een onderneming, als vermeld in artikel I.4, 1°, van het Wetboek van Economisch Recht;
67° /2 huishoudelijke netgebruiker : een huishoudelijke afnemer of een natuurlijke persoon die aangesloten is op een aardgasdistributienet of een elektriciteitsdistributienet op een spanning gelijk aan 1000 volt of minder, die elektriciteit opwekt, biogas produceert of aardgas wint om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomicilieerd zijn;
68° hulpkrediet : een krediet dat ter beschikking wordt gesteld van een huishoudelijke afnemer, zodra het op de budgetmeter voor elektriciteit of op de budgetmeter voor aardgas opgeladen bedrag opgebruikt is;
68°/1 hydrothermische energie : energie die in de vorm van warmte in het oppervlaktewater is opgeslagen;
68° /2 ingrijpende wijziging: wijziging van een warmte-krachtinstallatie, waarvan de motor ouder is dan tien jaar en/of waarvan de turbine ouder is dan vijftien jaar, en waarbij minstens de motor of de turbine vervangen wordt door een nog niet gebruikte motor of turbine. Indien een warmte-krachtinstallatie uit meerdere motoren of turbines bestaat, dan moeten alle motoren en turbines ouder zijn dan respectievelijk tien of vijftien jaar en moeten alle motoren en turbines vervangen worden door een nog niet gebruikte motor of turbine;
69° injecteren : het inbrengen van elektriciteit of aardgas in een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, vanuit een net of door een producent;
70° injectiepunt : punt waar elektriciteit of aardgas in het net wordt geïnjecteerd;
71° internationale luchtvaartbunkers : de hoeveelheid energie die geleverd wordt aan vliegtuigen die op buitenlandse luchthavens vliegen;
72° internationale scheepvaartbunkers : de hoeveelheid energie die geleverd wordt aan schepen die op buitenlandse havens varen;
72/1° K-peilvolume : elke eenheid van aaneengesloten lokalen die in hetzelfde gebouw gelegen zijn, die het voorwerp zijn van werken van dezelfde aard en die moeten voldoen aan dezelfde K-peileis;
73° ...
74° karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik : het conventioneel bepaalde jaarlijkse energieverbruik van een gebouw, uitgedrukt in primaire energie-equivalenten;
74° /1 klantengroep: iedere groep van distributienetgebruikers die elektriciteit, aardgas of biogas injecteren en/of afnemen van het distributienet en die zich kenmerkt door het type netwerk waarop de netgebruiker is aangesloten, het type aansluiting waarover die netgebruiker beschikt, de automatische compensatie van afgenomen en geïnjecteerde elektriciteit, het jaarverbruik, het type meetinstallatie, het toegangsvermogen, het piekvermogen of door het feit of die netgebruiker al dan niet elektriciteit of biogas injecteert op het netwerk waarop die netgebruiker is aangesloten, met dien verstande dat één netgebruiker volgens zijn toegangspunten tot verschillende klantengroepen kan behoren;
75° kleine onderneming : ondernemingen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) minder dan 50 werknemers tewerkstellen;
b) een jaaromzet hebben van maximaal 10 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximaal 10 miljoen euro;
c) beantwoorden aan het zelfstandigheidscriterium;
75°/1 kolencentrale : elektriciteitsproductie-eenheid waar producten met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, zoals bedoeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-Verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, als brandstof worden of werden gebruikt;
75/2° kostenoptimaal niveau: het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, waarbij:
a) de laagste kosten worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten, de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de betrokken gebouwencategorie, inkomsten van geproduceerde energie), waar van toepassing en verwijderingskosten, waar van toepassing;
b) de resterende geraamde economische levensduur van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor het gebouw in zijn geheel worden vastgesteld, hetzij op de geraamde economische levensduur van een onderdeel van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor afzonderlijke onderdelen van gebouwen worden vastgesteld;
en dat binnen het scala van prestatieniveaus ligt waar de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur positief is;
76° kwalitatieve warmte-krachtinstallatie: warmte-krachtinstallatie waarvan het productieproces voldoet aan de kwaliteitsvoorwaarden die opgelegd zijn overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4;
77° kwalitatieve warmte-krachtkoppeling: warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de kwaliteitsvereisten, opgelegd overeenkomstig artikel 7.1.2, § 4;
77° /1 laagspanning: een nominaal spanningsniveau van 1000 volt of lager;
78° leverancier : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die aan afnemers elektriciteit of aardgas verkoopt behoudens indien de verkoop plaatsvindt via een directe lijn, een directe leiding of privédistributienet;
79° lokale adviescommissie : commissie als vermeld in artikel 7 van het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water;
79° /1 lopende projecten : projecten met startdatum tot en met de eerstvolgende hieronder genoemde van toepassing zijnde datum :
a) 31 juli;
b) ..;
80° m3(n) : de hoeveelheid gas die, bij een temperatuur van nul graden Celsius en onder absolute druk van 1,01325 bar, een volume van één kubieke meter inneemt;
81° marktpartij : producent, aardgasinvoerder, distributienetbeheerder, beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, beheerder van het transmissienet, de beheerder van het vervoernet, werkmaatschappij, leverancier, tussenpersoon, bevrachter of evenwichtsverantwoordelijke;
82° marktintroductieproject : project voor het installeren en monitoren van het gebruik van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën die nog niet ruim verspreid zijn in het Vlaamse Gewest, door een particulier, een niet-commerciële instelling, een publiekrechtelijke persoon of een onderneming, die niet de ontwikkelaar, fabrikant of distributeur ervan is;
83° melding : de verplichte melding van de handelingen aan het college van burgemeester en schepenen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
84° met een onderneming geassocieerde ondernemingen : de ondernemingen, met uitsluiting van de gemeenten en de netbeheerders, waarin de onderneming een deelneming bezit en waarin ze een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het beleid; behoudens tegenbewijs wordt een invloed van betekenis vermoed als de stemrechten die aan deze deelneming verbonden zijn één vijfde of meer vertegenwoordigen van het totaal aantal stemrechten van de aandeel-houders of vennoten van deze ondernemingen;
85° met een onderneming verbonden ondernemingen : de ondernemingen, met uitsluiting van de gemeenten en de netbeheerders :
a) waarover de onderneming een controlebevoegdheid, vermeld in het Wetboek van vennootschappen, uitoefent;
b) die een controlebevoegdheid, vermeld in het Wetboek van vennootschappen, over de onderneming uitoefenen;
c) waarmee de onderneming een consortium, vermeld in het Wetboek van vennootschappen, vormt;
d) die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen, vermeld in a), b) en c) ;
86° middelgrote onderneming : ondernemingen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) minder dan 250 werknemers tewerkstellen;
b) een jaaromzet hebben van maximaal 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximaal 43 miljoen euro;
c) beantwoorden aan het zelfstandigheidscriterium;
86° /1 middenspanning: een nominaal spanningsniveau van meer dan 1000 volt en lager dan 30 kilovolt;
87° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid;
88°...
89° net : distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit, transmissienet, vervoersnet, gesloten distributienet of privédistributienet;
90° netbeheerder : een elektriciteitsdistributienetbeheerder, een aardgasdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;
91° neteigenaar : eigenaar van een net;
91°/1 netgebruiker : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas injecteert op of afneemt van een distributienet;
92° niet-commerciële instellingen : scholen, universiteiten, verzorgingsinstellingen en andere gemeenschapsdiensten, verenigingen van mede-eigenaars, kerkfabrieken, verenigingen zonder winstoogmerk en feitelijke verenigingen die een filantropisch, wetenschappelijk, technisch of pedagogisch doel nastreven op het gebied van energie, milieubescherming of bestrijding van sociale uitsluiting;
92° /1/1 nieuwe groenestroominstallatie: een nieuw opgerichte installatie die volledig zelfstandig en onafhankelijk elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekt, en waarbij de noodzakelijke onderdelen van de installatie nog niet eerder gebruikt zijn in een groenestroominstallatie;
92° /1/2 nieuwe productie-installatie: een nieuwe groenestroominstallatie of een nieuwe warmte-krachtinstallatie;
92° /2 nieuwe projecten : projecten met startdatum na de eerstvolgende hieronder genoemde van toepassing zijnde datum :
a) 31 juli;
b) ...;
92° /2/1 nieuwe warmtekracht-installatie: een nieuw opgerichte installatie die volledig zelfstandig en onafhankelijk in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische energie opwekt, en waarbij de noodzakelijke onderdelen van de installatie nog niet eerder gebruikt zijn in een warmtekracht-installatie;
92° /3 noodgroep: generatoren die uitsluitend tot bedoeling hebben om kritische belasting te voeden bij netuitval, en die verder enkel netgekoppeld worden om te testen of om een aanzienlijk of systematisch onevenwicht in de Belgische regelzone op te vangen zoals onder de tertiaire reserve omschreven in het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe;
92°/4 ombudsdienst voor energie : de ombudsdienst, vermeld in artikel 27 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
93° ondernemingen : elke natuurlijke persoon die koopman is of een zelfstandig beroep uitoefent, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, de Europese economische samenwerkingsverbanden en de economische samenwerkingsverbanden die beschikken over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest of die zich ertoe verbinden in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen;
93° /1 onderneming in moeilijkheden: een onderneming die zich in één van de volgende situaties bevindt:
a) in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal is verdwenen door de opgebouwde verliezen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming, een negatief cumulatief bedrag oplevert dat hoger is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;
b) in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming: meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, is door de gecumuleerde verliezen verdwenen;
c) tegen de onderneming loopt een collectieve insolventieprocedure of de onderneming voldoet volgens het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;
d) wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;
e) in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:
1) de verhouding tussen de schulden en het eigen vermogen van de onderneming meer dan 7,5 bedroeg; en
2) de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0;
94° ondersteunende dienst: een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributienet;
94° /1 onderwijsinstelling: alle scholen, internaten, centra voor volwassenenonderwijs en voor basiseducatie, centra voor leerlingenbegeleiding, hogescholen en universiteiten, die gefinancierd, gesubsidieerd of erkend zijn door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
95° onrendabele top : het productieafhankelijk gedeelte van de inkomsten dat nodig is om de netto contante waarde van een investering op nul te doen uitkomen en die berekend wordt aan de hand van een cashflowberekening;
96° ...
97° openbaredienstverplichting : verplichting die betrekking heeft op de sociaaleconomische, ecologische of technische aspecten van de energievoorziening;
97° /1 peil van de energetische prestatie van de schil (of S-peil): peil dat de energetische prestatie van de schil van de EPB-eenheid weergeeft zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering;
98° peil van globale warmte-isolatie (of K-peil) : peil van de globale warmte-isolatie zoals dat gedefinieerd is volgens de Belgische norm of de door de Vlaamse overheid vastgelegde specificaties;
99° peil van primair energieverbruik (of E-peil) : peil dat de globale energetische prestatie weergeeft en uitgedrukt wordt door de verhouding van het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik tot een referentiewaarde;
100° plaatselijk vervoernet van elektriciteit : het geheel van elektrische leidingen met een nominale spanning tot en met 70 kilovolt en de bijbehorende installaties, die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest, dat voornamelijk gebruikt wordt om het vervoer van elektriciteit naar distributienetten mogelijk te maken en dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1.2;
100/1° primaire energie: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;
101° primair energieverbruik : de totale hoeveelheid energie die Vlaanderen nodig heeft om aan de energiebehoefte te voldoen;
101/1° privacywetgeving:
a) wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en diens uitvoeringsbesluiten;
b) decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer;
101°/2 privédistributienet : een elektriciteitslijn, aardgasleiding of net voor distributie van elektriciteit of aardgas dat niet wordt uitgebaat door een door de VREG aangewezen distributienetbeheerder noch door de beheerder van het plaatselijk vervoersnet, en dat geen gesloten distributienet, directe lijn of directe leiding is;
102° producent : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit opwekt, biogas produceert en/of aardgas wint;
103° promotor-bouwheer : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die als geregelde werkzaamheid heeft om gebouwen op te richten, te laten oprichten of te verbouwen om ze onder bezwarende titel te vervreemden;
104° ...
105° rationeel energiebeheer : het geheel van handelingen die ondernomen worden om het energiegebruik te meten, te analyseren, te verminderen en te volgen met het oog op het verkrijgen van een rationeel energiegebruik, met inbegrip van het volgen van vormingsactiviteiten rond rationeel energiegebruik en het ondernemen van haalbaarheidsstudies voor de installatie van een energiezuinig product, systeem of een energiezuinige techniek;
106° rationeel energiegebruik : het zo efficiënt mogelijke gebruik van energie;
107° reconciliatie : onderlinge verrekening tussen marktpartijen op basis van het verschil tussen gealloceerde en werkelijk gemeten energiehoeveelheden;
108° ...
109° referentieproject : project voor het installeren en monitoren bij een eerste gebruiker, die niet de ontwikkelaar, fabrikant of distributeur is, van voor het Vlaamse Gewest nieuwe energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën of van voor het Vlaamse Gewest nieuwe toepassingen van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën door de ontwikkelaar, fabrikant of distributeur ervan;
110° REG-actieplan : actieplan voor de bevordering van het rationeel energiegebruik, waarbij de acties minstens bestaan uit het geven van een financiële stimulans aan de afnemers voor het uitvoeren van maatregelen en uit het verlenen van informatie, waardoor de aandacht op de actie wordt gevestigd en de doelgroep de nodige informatie krijgt over de besparingsmogelijkheden ervan;
111° rendabele investeringen : investeringen met een interne rentevoet na belastingen die hoger is dan een minimum, dat vastgelegd is door de Vlaamse Regering;
111° /1 residentiële afnemer: elke natuurlijke persoon aangesloten op een elektriciteitsdistributienet op laagspanning, die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomicilieerd zijn, behoudens in het geval dat het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een onderneming, zoals bedoeld in artikel I.4, 1°, van het Wetboek van Economisch Recht;
112° richtlijn 2010/31/EU : richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
113° 113° richtlijn 2009/28/EG: de richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG;
113°/1 slimme meter : een elektronische meter die energiestromen en aanverwante fysische grootheden meet en registreert en die uitgerust is met een tweerichtingscommunicatiemiddel, dat ervoor zorgt dat de gegevens niet alleen lokaal, maar ook op afstand uitgelezen kunnen worden en dat de meter in staat is om op basis van de gegevens die hij lokaal of van op afstand ontvangt bepaalde acties uit te voeren;
113/1/1° SPF: de seizoensprestatiefactor van een warmtepomp;
113/1/1° stadsverwarming of -koeling: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
113° /2 startdatum : voor wat betreft projecten die niet over een omgevingsvergunning dienen te beschikken, de datum van indienstneming van de installatie;
voor wat betreft projecten die over een omgevingsvergunning dienen te beschikken : de datum waarop een aanvraag voor de toekenning van certificaten voor het project is ingediend, of de datum waarop het project beschikt over de vereiste omgevingsvergunning, indien deze laatste datum een latere datum is. Deze startdatum blijft voor installaties op basis van zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) kleiner of gelijk aan 10 MW geldig gedurende twaalf maanden, voor installaties op basis van zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 10 MW gedurende vijftien maanden, voor warmte-krachtinstallaties met een elektrisch vermogen groter dan 25 MW gedurende 48 maanden en voor andere installaties gedurende 36 maanden na de aanvraag. Een project kan maar een nieuwe startdatum krijgen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
a) de installatie is nog niet in gebruik genomen gedurende de geldigheidsduur van de startdatum en op voorwaarde dat de nieuwe aanvraag gebeurt in hetzelfde kalenderjaar als het jaar van de indienstname;
b) zij beschikt nog steeds over de vereiste stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning of omgevingsvergunning;
c) er zijn voor installaties op basis van zonne-energie minstens twaalf maanden en voor andere installaties minstens 36 maanden verstreken sinds de vorige aanvraag voor de toekenning van certificaten werd ingediend;
114° startverklaring : een schriftelijke verklaring met de startdatum van de werkzaamheden en het overzicht van de prestaties inzake EPB-eisen die voor het gebouw worden nagestreefd;
114/1° ...;
114° /2 storing : elke overschrijding van de norm NBN EN 50160 in de elektriciteitstoevoer of elke afwijking van de toegelaten drukniveaus van het aardgasdistributienet;
115° subsidieovereenkomst : een overeenkomst waarin de rechten en de verplichtingen van de Vlaamse Regering en van de begunstigde van de subsidie worden geregeld;
115/1° systeemeisen : eisen in verband met de totale energieprestatie, het adequaat installeren, dimensioneren, afstellen en controleren van de technische bouwsystemen die in nieuwe gebouwen worden geïnstalleerd of in bestaande gebouwen nieuw worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd;
115° /1/1 tariefdrager: objectieve, meetbare eenheid waarvoor er een distributienettarief bestaat;
115/2° technisch bouwsysteem : de installaties voor energieopwekking, ruimteverwarming, bereiding van sanitair warm water, koeling, ventilatie en verlichting of een combinatie daarvan;
116° technische reglementen : het technisch reglement distributie elektriciteit, het technisch reglement distributie gas en het technisch reglement plaatselijk vervoer van elektriciteit;
117° technisch reglement distributie elektriciteit : de technische en operationele regels die verbonden zijn aan het beheer van het elektriciteitsdistributienet, inclusief de regels inzake aansluiting, meting en toegang, vermeld in artikel 4.2.1;
118° technisch reglement distributie gas : de technische en operationele regels die verbonden zijn aan het beheer van het aardgasdistributienet, inclusief de regels inzake aansluiting, meting en toegang, vermeld in artikel 4.2.1;
119° technisch reglement plaatselijk vervoer van elektriciteit : de technische en operationele regels die verbonden zijn aan het beheer van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, inclusief de regels inzake aansluiting, meting en toegang, vermeld in artikel 4.2.1;
120° titularis van een toegangspunt : natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het toegangsregister bekend staat als afnemer of producent op het toegangspunt in kwestie;
120°/1 toegang tot het net : de mogelijkheid tot injectie of afname van actieve energie op één of meer toegangspunten, met inbegrip van het gebruik van het net en de aansluitingsinstallaties die door de beheerder van het betrokken net worden beheerd, en van diens ondersteunende diensten;
121° toegangshouder : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een contract heeft gesloten met een netbeheerder, beheerder van het transmissienet of beheerder van het vervoersnet met betrekking tot de toegang tot diens net op een bepaald toegangspunt;
122° toegangspunt : afnamepunt of injectiepunt;
123° toegangsregister : register met alle toegangspunten van een bepaald net, dat opgesteld en beheerd wordt door de betrokken netbeheerder, beheerder van het transmissienet of beheerder van het vervoernet, en waarin onder meer voor ieder toegangspunt de titularis van het toegangspunt en de toegangshouder worden vermeld;
124° ...
125° transmissienet : het transmissienet, vermeld in artikel 2, 7°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
126° tussenpersoon : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of aardgas koopt met het oog op de doorverkoop aan een andere tussenpersoon of leverancier;
126/1° uitbating volgens de regels van de kunst : een uitbating overeenkomstig het « goede-huisvader »-beginsel en waarbij bovendien het potentieel aan energie-opwekking of energie-besparing ten aanzien van het vermogen van de installatie niet significant wordt onderbenut voor langdurige periodes door de expliciete of impliciete wil van de exploitant en/of eigenaar, en waarbij louter contractuele en/of commerciële overwegingen niet kunnen gelden als verschoning voor een langdurige onderbenutting van het potentieel van deze installatie. Kortdurende onderbenutting met het oog op een betere afstemming van elektriciteitsproductie en marktvraag of met het oog op een ondersteuning van het netbeheer beantwoordt wel aan het « goede-huisvader »-beginsel;
126/2° vergunningverlenend bestuursorgaan : het bestuursorgaan dat de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aflevert;
126° /3 verordening 2016/631/EU: verordening 2016/631/EU van de Commissie van 14 april 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net;
126° /4 verordening 2016/1388/EU: verordening 2016/1388/EU van de Commissie van 17 augustus 2016 tot vaststelling van een netcode voor aansluiting van verbruikers;
127° verslaggever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die in het kader van de energieprestatieregelgeving energieadvies aan de aangifteplichtige verstrekt en die instaat voor de decretaal verplichte rapporteringen, vermeld in titel XI, hoofdstuk I;
128° vervoersnet : het vervoersnet, vermeld in artikel 1, 10°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
129° vervoeronderneming : vervoeronderneming, vermeld in artikel 1, 9°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
130° Vlaams Energieagentschap : het agentschap dat opgericht werd door het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap, het Vlaamse Energieagentschap, vervangen door het Energiebesluit van 19 november 2010;
131° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap dat opgericht werd door het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst;
131°/1 vloeibare biomassa : vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;
131/2° vollasturen :
a) voor groenestroomproductie is dit de netto groenestroomproductie over een bepaalde periode die in aanmerking komt voor groenestroomcertificaten, gedeeld door het nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen, rekening houdend met de groenfactor;
b) voor warmte-krachtbesparing is dit de netto warmte-krachtbesparing over een bepaalde periode die in aanmerking komt voor warmte-krachtcertificaten, gedeeld door het theoretisch vermogen aan warmte-krachtbesparing, dat berekend wordt op basis van de constructeursgegevens zoals die gebruikt werden voor het berekenen van de RPE die werd vastgelegd in de beslissing van de VREG;
131/3° vraagzijdebeheer: een algemene of geïntegreerde aanpak die erop gericht is de omvang en de timing van het elektriciteitsverbruik te beïnvloeden teneinde het primaire energieverbruik en piekbelastingen te verminderen door voorrang te geven aan investeringen in energie-efficiëntiebevorderende maatregelen of andere maatregelen, zoals onderbreekbare leveringscontracten, in plaats van aan investeringen om de productiecapaciteit te verhogen, indien de eerstgenoemde maatregelen de doelmatigste en meest economische optie vormen, mede gelet op het positieve milieueffect van een lager energieverbruik en de daarmee verband houdende aspecten met betrekking tot de voorzieningszekerheid en de distributiekosten;
132° VREG : autonome dienst met rechtspersoonlijkheid, die overeenkomstig artikel 3.1.1 wordt opgericht;
133° wanbetaling : de niet-betaling of onvolledige betaling van minstens één elektriciteits- of aardgasfactuur;
134° warmtedoorgangscoëfficiënt (of U-waarde) : de warmtedoorgang door een constructieonderdeel per eenheid van oppervlakte, eenheid van tijd en eenheid van temperatuurverschil tussen de omgevingen aan beide zijden van het deel, zoals die gedefinieerd is volgens de Belgische norm of de door de Vlaamse overheid vastgelegde specificaties;
135° warmtekrachtcertificaat : uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode een hoeveelheid primaire energiebesparing heeft gerealiseerd door gebruik te maken van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling ten opzichte van een moderne referentiecentrale en een moderne referentieketel;
136° warmtekrachtinstallatie : installatie die in één proces thermische warmte en elektrische of mechanische energie opwekt;
137° warmtekrachtkoppeling : gelijktijdige opwekking in één proces van thermische warmte en elektrische of mechanische energie;
137/1° warmtepomp: voor wat de toepassing van de titels X en XI betreft, een machine, toestel of installatie dat/die warmte uit de natuurlijke omgeving, zoals de lucht, het water of de bodem overdraagt aan gebouwen of industriële installaties door de natuurlijke warmtestroming om te keren van een lagere naar een hogere temperatuur of waar bij omkeerbare warmtepompen de warmtestroming ook van het gebouw naar de natuurlijke omgeving kan plaatsvinden;
137° /2 welzijnsvoorziening: een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van inwijkelingen, de mindervaliden, de bejaarden, de jeugdbescherming en de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale re-integratie, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
138° werkmaatschappij : de privaatrechtelijke vennootschap waarin de distributienetbeheerder participeert of de publiekrechtelijke rechtspersoon die participeert in de distributienetbeheerder, die in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder belast is met de exploitatie van zijn net en de toepassing van openbaredienstverplichtingen;
138/1° Woningbouwwet: de wet van 9 juli 1971 tot regeling van de woningbouw en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen;
139° wooneenheid : elke eenheid in een woongebouw die over de nodige woonvoorzieningen beschikt om autonoom te kunnen functioneren.

TITEL II. DOELSTELLINGEN

Artikel 2.1.1. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

In het kader van de totstandbrenging en de werking van een goed werkende elektriciteits- en gasmarkt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het Vlaamse energiebeleid erop gericht :
1° de werking van de Vlaamse elektriciteits- en gasmarkt te waarborgen;
2° de continuïteit van de energievoorziening in het Vlaamse Gewest te waarborgen;
3° energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren;
4° de interconnectie van energienetwerken te bevorderen.

Onverminderd het eerste lid bewaakt het Vlaamse Gewest dat in de uitvoering van haar energiebeleid:
1° de impact van de verschillende gewestelijke componenten in de energiekost in Vlaanderen geen significant negatief effect heeft op de koopkracht van huishoudelijke afnemers;
2° de competitiviteit van ondernemingen beschermd wordt door de energiekost te vergelijken met de buurlanden, en in het bijzonder voor energie-intensieve bedrijven ervoor te zorgen dat de som van de verschillende gewestelijke componenten van de energiekost niet significant hoger is dan de som van de vergelijkbare kosten in de buurlanden.

De Vlaamse Regering rapporteert jaarlijks over de maatregelen die in het kader van het tweede lid werden uitgewerkt.

TITEL III. INSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1. De Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt

Afdeling I. Oprichting

Artikel 3.1.1. (09/02/2017- ...)

§ 1. Er wordt een autonome dienst met rechtspersoonlijkheid opgericht. Deze dienst draagt als naam Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt, hierna VREG te noemen.

Alle officiële akten, officiële aankondigingen of andere officiële stukken die van de VREG uitgaan, vermelden de benaming van de dienst, met onmiddellijk daarvoor of daarna, leesbaar en voluit geschreven, de woorden `autonome dienst met rechtspersoonlijkheid'.

§ 2. De VREG staat onder toezicht van het Vlaams Parlement.

§ 3. Het Vlaams Parlement kan de vestigingsplaats van de zetel van de VREG bepalen.

§ 4. De VREG fungeert voor het Vlaamse Gewest en voor de gewestelijke bevoegdheden inzake elektriciteit en aardgas als de regulerende instantie, vermeld in artikel 35, tweede lid, van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG en artikel 39, tweede lid, van de richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG.

Bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden als regulator vraagt of ontvangt de VREG, noch zijn bestuurders, noch zijn personeelsleden, instructies van de Vlaamse Regering, van het Vlaams Parlement of van een andere publieke of particuliere entiteit.

De VREG oefent zijn taken en bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uit.

Afdeling II. Missie, Taken en Bevoegdheden

Artikel 3.1.2. (01/01/2011- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

De VREG heeft als missie de regulering van, de controle op en de bevordering van de transparantie van de elektriciteits- en gasmarkt in het Vlaamse Gewest.

Artikel 3.1.3. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Om haar missie waar te maken, vervult de VREG de volgende taken :
1° toezichthoudende en controlerende taken :
a) het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen van titels IV, VI en hoofdstuk I tot en met IV van titel VII van dit decreet, evenals de bijbehorende uitvoeringsbepalingen;
b) het toezicht en de controle op de naleving van de technische reglementen;
c) het toezicht houden op de doeltreffendheid van de vrijmaking van de elektriciteits- en gasmarkt in het Vlaamse Gewest, inclusief de opvolging van de overstap- en afsluitingspercentages en de elektriciteits- en gasprijzen van huishoudelijke afnemers;
d) het toezicht houden op de kwaliteit van de dienstverlening van de elektriciteits- en aardgasleveranciers, inclusief hun systemen van vooruitbetaling en de klachten van huishoudelijke afnemers;
e) het toezicht houden op de zekerheid en betrouwbaarheid van de distributie netten en het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, alsook de kwaliteit van de dienstverlening van de netbeheerders, onder meer bij de uitvoering van herstellingen en onderhoud en op het vlak van de tijd die de beheerders van de netten nodig hebben om aansluitingen en herstellingen uit te voeren;
f) het toezicht houden op de uitvoering van regels betreffende de taken en verantwoordelijkheden van de distributienetbeheerders, leveranciers, afnemers en andere marktpartijen die actief zijn in het Vlaamse Gewest;
g) het toezicht houden op de vrije toegang voor de afnemer tot zijn verbruiksgegevens;
2° regulerende taken: de regulering van toegang tot en de werking van de elektriciteits- en gasmarkt, inclusief de distributienettarieven voor elektriciteit en aardgas of overgangsmaatregelen hierover, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
3° taken in verband met bemiddeling en beslechting van geschillen :
a) het bemiddelen in geschillen met betrekking tot de verplichtingen van een netbeheerder of beheerder van een gesloten distributienet, vermeld in de titels IV, V, VI en de hoofdstukken I tot en met IV van titel VII van dit decreet en haar uitvoeringsbepalingen;
b) het beslechten van geschillen met betrekking tot de verplichtingen van een netbeheerder of beheerder van een gesloten distributienet, vermeld in de titels IV, V, VI en de hoofdstukken I tot en met IV van titel VII van dit decreet en haar uitvoeringsbepalingen;
4° informerende taken :
a) het informeren van de marktactoren en de afnemers van elektriciteit en aardgas over de werking van de elektriciteits- en aardgasmarkt;
b) het informeren van de afnemers van elektriciteit en aardgas over de prijzen en voorwaarden die de leveranciers hanteren, met inbegrip van het aanbieden of laten aanbieden van een objectieve vergelijking van die prijzen en voorwaarden;
c) het opstellen en publiceren van statistieken en gegevens met betrekking tot de elektriciteits- en gasmarkt;
d) het jaarlijks voor 15 mei per leverancier in het Vlaamse Gewest publiceren van de gewogen gemiddelde kost per groenestroom- of warmtekrachtcertificaat dat gedurende de laatste inleveringsperiode werd ingeleverd voor de certificatenverplichtingen, vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11, waarbij de VREG :
1) bij de berekeningen van de gewogen gemiddelde kost voor de ingeleverde certificaten die verhandeld werden, de handelsprijs gebruikt die de leveranciers moeten kenbaar maken aan de VREG;
2) bij de berekeningen van de gewogen gemiddelde kost voor de ingeleverde certificaten die op grond van artikel 7.1.1 en artikel 7.1.2 aan de leverancier in zijn hoedanigheid als producent werden toegekend, de onrendabele top hanteert die is berekend voor de technologie en datum van indienstname van de installatie waarvoor het certificaat werd toegekend. Bij ontstentenis van een onrendabele top wordt gebruikgemaakt van een geschatte onrendabele top;
e) het jaarlijks voor 15 mei per leverancier in het Vlaamse Gewest publiceren
1) van het aantal certificaten waarover een leverancier beschikt;
2) van het aantal certificaten dat gedurende de laatste inleveringsperiode werd ingeleverd voor de certificatenverplichtingen, vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11;
f) het jaarlijks voor 15 mei publiceren van een rapport over de door elke leverancier gemaakte en doorgerekende kosten om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en 7.1.11, waarbij de VREG per elektriciteitsleverancier de gewogen gemiddelde kost per certificaat, berekend volgens punt d) voor de vorige inleveringsperiode, vergelijkt met de doorgerekende kost per certificaat voor die inleveringsperiode, zoals door de elektriciteitsleverancier gerapporteerd in het kader van de V-test voor het gemiddelde huishoudelijke klantenprofiel;
j) het jaarlijks voor 15 mei publiceren van een in samenwerking met de federale energieregulator, en eventueel de andere gewestelijke energieregulatoren, opgestelde studie rond de verschillende componenten van de energiekost die minstens een benchmark met de buurlanden bevat.
5° adviserende taken :
a) het op verzoek of op eigen initiatief verlenen van adviezen met betrekking tot de elektriciteits- en gasmarkt aan het Vlaams Parlement, de minister of de Vlaamse Regering;
b) het uitvoeren van studies of onderzoeken betreffende de elektriciteits- en gasmarkt, op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement, de minister of de Vlaamse Regering.

De VREG kan door het Vlaams Parlement worden belast met bijzondere opdrachten die met haar missie en taken verband houden.

Artikel 3.1.4. (09/02/2017- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. Met het oog op de vervulling van haar taken is de VREG gerechtigd om alle activiteiten te verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde missie en taken.

§ 2. De VREG beschikt over de hierna vermelde bevoegdheden, die hij uitoefent in overeenstemming met de bepalingen in dit decreet, de uitvoeringsbepalingen, en het ondernemingsplan dat hem verbindt:
1° het aangaan van overeenkomsten met derden;
2° het opleggen van administratieve sancties wegens overtreding van de bepalingen van titels IV, V, VI en hoofdstuk I tot en met IV van titel VII van dit decreet, evenals de bijbehorende uitvoeringsbepalingen;
3° de aanwijzing, de wijziging en beëindiging van de aanwijzing van de netbeheerders;
4° het toekennen aan een distributienetbeheerder van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij;
5° de toekenning van leveringsvergunningen, de wijziging en de opheffing ervan;
6° het opstellen van de technische reglementen;
7° de toekenning van groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten, groenewarmtecertificaten en garanties van oorsprong, en het beheer van die certificaten en garanties van oorsprong in een centrale databank;
8° het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten en het tot stand brengen van duurzame samenwerkingsverbanden, de zogenaamde partnerschapovereenkomsten met de regulatoren en instanties die werkzaam zijn binnen de Vlaamse, Belgische en Europese elektriciteits- en aardgasmarkt;
9° het uitvoeren van onderzoeken naar de werking van de elektriciteits- en gasmarkt in het Vlaamse Gewest;
10° het opleggen van noodzakelijke en evenredige maatregelen om de daadwerkelijke mededinging te bevorderen en de goede werking van de Vlaamse elektriciteits- en gasmarkt te waarborgen;
11° de samenwerking en uitwisseling van gegevens met de regulatoren en instanties die werken binnen de Vlaamse, Belgische en Europese elektriciteits- en gasmarkt, voor zover de bepalingen van artikel 3.1.12 worden nageleefd;
12° het goedkeuren van distributienettarieven voor elektriciteit en aardgas en het vaststellen van de berekeningsmethodes hiervoor, volgens transparante criteria of het nemen van overgangsmaatregelen hierover, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

Artikel 3.1.4/1. (07/04/2014- ...)

Bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden neemt de VREG alle redelijke maatregelen om de volgende doelstellingen te bereiken, indien nodig in overleg met andere betrokken en bevoegde instanties :
1° de bevordering, in nauwe samenwerking met ACER, de regulerende instanties van andere Belgische overheden en Europese lidstaten en de Europese Commissie, van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en vanuit milieuoogpunt duurzame Europese interne markt voor elektriciteit en gas, en van een daadwerkelijke openstelling van de markt voor alle afnemers en Europese leveranciers, en een waarborging dat elektriciteits- en aardgas-distributienetten op een doeltreffende en betrouwbare manier werken, rekening houdend met doelstellingen op lange termijn;
2° de ontwikkeling van door concurrentie gekenmerkte en goed functionerende regionale markten binnen de Europese Gemeenschap met het oog op het bereiken van de onder 1° genoemde doelstelling;
3° het opheffen van alle beperkingen voor handel in elektriciteit en aardgas tussen de lidstaten, inclusief de ontwikkeling van afdoende grensoverschrijdende transmissiecapaciteit om aan de vraag te voldoen en de integratie van nationale markten te versterken, hetgeen de elektriciteits- en gasstromen in de Europese Gemeenschap kan faciliteren;
4° de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte niet-discriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van die netten bevorderen, alsook, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en gedistribueerde productie in distributienetten en het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit;
5° de toegang van nieuwe productiecapaciteit tot het net vergemakkelijken, namelijk door belemmeringen voor de toegang van nieuwkomers op de markt en van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen weg te nemen;
6° ervoor zorgen dat de netbeheerders en -gebruikers de nodige stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie van netprestaties te verbeteren en de marktintegratie te versterken;
7° ervoor zorgen dat afnemers de vruchten dragen van een efficiënte werking van de Vlaamse elektriciteits- en gasmarkt, het bevorderen van daadwerkelijke mededinging en het bijdragen tot het waarborgen van consumentenbescherming;
8° het bereiken van een hoog niveau van universele en openbare dienstverlening bij het leveren van elektriciteit en aardgas, tot de bescherming van kwetsbare afnemers en tot de compatibiliteit van de processen voor de uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor het veranderen van leverancier;
9° het geven van prikkels voor de deelname van vraagzijdemiddelen aan het aanbod op de Vlaamse elektriciteits- en gasmarkt.

Artikel 3.1.4/2. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Partijen die een klacht hebben met betrekking tot de verplichtingen van een netbeheerder of beheerder van een gesloten distributienet uit hoofde van de titels IV, V, VI en de hoofdstukken I tot en met IV van titel VII van dit decreet of haar uitvoeringsbepalingen, kunnen het geschil schriftelijk ter bemiddeling voorleggen aan de VREG. De VREG stelt de bemiddelingsprocedure vast.

Artikel 3.1.4/3. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Partijen die een klacht hebben met betrekking tot de verplichtingen van een netbeheerder of beheerder van een gesloten distributienet uit hoofde van de titels IV, V, VI en de hoofdstukken I tot en met IV van titel VII van dit decreet of haar uitvoeringsbepalingen, kunnen het geschil schriftelijk ter beslechting voorleggen aan de VREG. Enkel geschillen waarin reeds een bemiddelingspoging door de VREG of de ombudsdienst voor energie is geweest, kunnen worden voorgelegd ter beslechting, tenzij in geval van hoogdringendheid en behoudens andersluidende bepaling.

De VREG beslecht het geschil met een gemotiveerde, bindende beslissing binnen twee maanden na ontvangst van de klacht. Deze periode kan met twee maanden worden verlengd als de VREG aanvullende informatie vraagt. Een nieuwe verlenging van deze termijn is mogelijk voor zover de klager daarmee akkoord gaat.

De beslissing wordt genomen na de betrokken partijen te hebben gehoord. De VREG kan overgaan of doen overgaan tot alle nuttige onderzoeken en kan, indien nodig, deskundigen aanwijzen en getuigen horen. Zij kan bewarende maatregelen opleggen in dringende gevallen. De beslissing kan al of niet een terugbetaling of vergoeding opleggen.

Afdeling III. Bestuur en werking

[Onderafdeling I. De organen van de VREG (ing. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)]

Artikel 3.1.4/4. (09/02/2017- ...)

De organen van de VREG zijn de raad van bestuur en de algemeen directeur.

[Onderafdeling II. (verv. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)] Raad van bestuur

Artikel 3.1.5. (09/02/2017- ...)

§ 1. De VREG wordt bestuurd door een raad van bestuur die uit zeven leden bestaat.

De leden van de raad van bestuur worden aangewezen door het Vlaams Parlement voor een eenmalig hernieuwbare termijn van vijf jaar. De raad van bestuur kiest onder zijn leden een voorzitter.

Alle leden van de raad van bestuur moeten beantwoorden aan artikel 3.1.7 van het Energiedecreet.

§ 2. Ten hoogste twee derde van de leden is van hetzelfde geslacht.

§ 3. De leden van de raad van bestuur kunnen alleen worden ontslagen op eigen verzoek, bij niet-naleving van de vereisten vermeld in artikel 3.1.7 of ten gevolge van een strafrechtelijke veroordeling.

§ 4. De leden van de raad van bestuur worden vergoed overeenkomstig categorie I van het besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de vergoeding van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen.

Artikel 3.1.6. (09/02/2017- ...)

Alle leden van de raad van bestuur zijn stemgerechtigd.

De algemeen directeur van de VREG woont de raad van bestuur bij met raadgevende stem.

Artikel 3.1.7. (09/02/2017- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. Het mandaat van bestuurder van de VREG is onverenigbaar met :
1° iedere functie of activiteit, al dan niet bezoldigd, ten dienste van een neteigenaar, een netbeheerder, een producent die geen zelfopwekker is, een aardgasinvoerder, de beheerder van het transmissienet, de beheerder van het vervoersnet, een werkmaatschappij, een leverancier, een bevrachter of een evenwichtsverantwoordelijke;
2° het bezit van aandelen, of andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren, uitgegeven door een neteigenaar of marktpartij, of het bezit van financiële instrumenten die het mogelijk maken om dergelijke aandelen of waardepapieren te verwerven of over te dragen, of die aanleiding geven tot een betaling in contanten die hoofdzakelijk afhankelijk is van de evolutie van de waarde van dergelijke aandelen of waardepapieren;
3° het lidmaatschap van de wetgevende kamers, het Europees Parlement en de gemeenschaps- en gewestraden;
4° de functie of het ambt van minister, staatssecretaris, het lidmaatschap van een gewest- of gemeenschapsregering, het lidmaatschap van het kabinet van een lid van de Federale Regering of van een gemeenschaps- of gewestregering, het lidmaatschap van de bestendige deputatie van de provincieraden en het lidmaatschap van het college van burgemeester en schepenen van een gemeente;
5° een functie in de VREG;
6° een functie in een departement of een ander agentschap van de federale of gewestelijke overheid.

Het verbod, vermeld in het eerste lid, 1°, blijft van kracht gedurende één jaar na afloop van het mandaat bij de VREG.

§ 2. Als een bestuurder de bepalingen van paragraaf 1 overtreedt, beschikt hij over een termijn van drie maanden om de mandaten of functies die tot de onverenigbaarheid aanleiding geven, neer te leggen.

Als de bestuurder nalaat de onverenigbare mandaten of functies neer te leggen, wordt hij na afloop van de termijn, vermeld in het eerste lid, van rechtswege geacht zijn mandaat in het agentschap te hebben neergelegd, zonder dat het afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen. In zijn vervanging wordt voorzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.1.5.

Artikel 3.1.8. (09/02/2017- ...)

De raad van bestuur beschikt over de volheid van bestuursbevoegdheid en beslist in alle aangelegenheden waarvoor de VREG krachtens dit decreet bevoegd is.

Tot de bevoegdheden van de raad van bestuur, waarvoor geen delegatie mogelijk is, behoren, naast de bevoegdheden in andere decreten, in elk geval:
1° het goedkeuren van het ontwerp van begroting en van de rekeningen;
2° het vaststellen en goedkeuren van een jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan;
3° het beslissen over de deelname van de VREG aan de oprichting van of de deelname in andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen, het bestuur of de leiding en de financiering van die rechtspersonen;
4° het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten en het tot stand brengen van duurzame samenwerkingsverbanden met andere regulatoren en instanties die werkzaam zijn binnen de Vlaamse, Waalse, Brusselse Hoofdstedelijke, Belgische en Europese elektriciteits- en aardgasmarkt;
5° het vaststellen en bepalen van de tariefmethodologie overeenkomstig de bepaling zoals opgenomen in afdeling XII van het Energiedecreet;
6° het vaststellen en bepalen van de tariefstructuur;
7° het goedkeuren van de technische reglementen.

De VREG licht het Vlaams Parlement in van zijn beslissing tot goedkeuring van de tariefmethodologie, zoals bedoeld in punt 5° van het vorige lid.

[Onderafdeling III. Algemeen directeur (verv. decr. 25 november 2016, art. 7, I: 9 februari 2017)]

Artikel 3.1.9. (09/02/2017- ...)

De algemeen directeur van de VREG wordt op gemotiveerde wijze benoemd en ontslagen door de raad van bestuur.

De algemeen directeur wordt benoemd omwille van zijn deskundigheid, inzonderheid voor wat betreft het management.

De algemeen directeur wordt benoemd voor een termijn van zes jaar. Deze termijn is eenmalig hernieuwbaar na een positieve evaluatie door de raad van bestuur.

De marktconforme bezoldiging van de algemeen directeur wordt bepaald door de raad van bestuur.

De rechtspositieregeling van de algemeen directeur wordt bepaald door de raad van bestuur van de VREG.

Artikel 3.1.10. (09/02/2017- ...)

§ 1. De algemeen directeur is, binnen de perken van dit decreet, de bijbehorende uitvoeringsbepa-lingen en het huishoudelijk reglement, vermeld in artikel 3.1.11, belast met het dagelijks bestuur van de VREG.

Het huishoudelijk reglement legt de taken van het dagelijks bestuur vast.

§ 2. De algemeen directeur is belast met de voorbereiding van de beslissingen van de raad van bestuur. Hij verstrekt aan de raad van bestuur alle inlichtingen en brengt alle voorstellen die voor de werking van de VREG nuttig of nodig zijn op de agenda van de raad van bestuur.

§ 3. De algemeen directeur vertegenwoordigt de VREG in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, met inbegrip van het optreden voor administratieve rechtscolleges, en treedt rechtsgeldig in naam en voor rekening van de VREG op, zonder dat hij dat aan de hand van een beslissing van de raad van bestuur moet staven.

§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de rechtspositieregeling van het personeel, kan de algemeen directeur onder zijn verantwoordelijkheid een of meerdere specifieke bevoegdheden delegeren aan een of meer personeelsleden van de VREG. Die delegatie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

§ 5. De algemeen directeur voert de beslissingen van de raad van bestuur uit.

§ 6. De algemeen directeur is belast met de leiding van het personeel.

Artikel 3.1.10/1. (09/02/2017- ...)

De algemeen directeur stelt een directieteam samen.

De leden van het directieteam worden tewerkgesteld krachtens arbeidsovereenkomsten beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

De leden van het directieteam worden gekozen omwille van hun deskundigheid, inzonderheid voor wat betreft de directies die zij leiden.

Afdeling IV. Huishoudelijk reglement

Artikel 3.1.11. (09/02/2017- ...)

§ 1. De raad van bestuur stelt een huishoudelijk reglement op, dat inzonderheid de volgende inhoud heeft :
1° de regels inzake de bijeenroeping van de raad van bestuur, op verzoek van de voorzitter van de raad van bestuur, de algemeen directeur of ten minste vier leden van de raad van bestuur;
2° de regels inzake het voorzitterschap van de raad van bestuur, en de regels bij afwezigheid of verhindering van de voorzitter;
3° de nadere precisering van het dagelijks bestuur;
4° de regels die de raad van bestuur in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;
5° de voorwaarden die de raad van bestuur moet respecteren bij de behartiging van bijzondere vraagstukken;
6° de regels op grond waarvan de leden van de raad van bestuur zich op kosten van de VREG kunnen laten bijstaan door technische raadgevers.

Bij de vaststelling van het huishoudelijk reglement doet de raad van bestuur geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 3.1.8.

§ 2. ...

§ 3. ...

§ 4. Het huishoudelijk reglement wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling V. Beroepsgeheim

Artikel 3.1.12. (09/02/2017- ...)

De bestuurders, de algemeen directeur en de personeelsleden van de VREG zijn gebonden door het beroepsgeheim. Zij mogen de vertrouwelijke gegevens die hun ter kennis komen op grond van hun functie bij de VREG aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opge-roepen om in rechte te getuigen of in het kader van de uitwisseling van gegevens met de regulatoren en instanties die werkzaam zijn binnen de Vlaamse, Belgische en Europese elektriciteits- en aardgasmarkt, voor zover die gegevensuitwisseling nadrukkelijk bepaald of toegestaan is in verordeningen of richtlij-nen die de instellingen van de Europese Unie hebben vastgesteld, of als met die instanties een overeenkomst is gesloten, als vermeld in artikel 3.1.4, § 2, 8°.

[Afdeling V/1. Rechtspositieregeling van de personeelsleden van de VREG (ing. Decr. 8 juli 2011, art. 13, I: 26 augustus 2011)]

Artikel 3.1.12/1. (09/02/2017- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Het uitoefenen van een Functie als algemeen directeur of personeelslid van de VREG is onverenigbaar met :
1° iedere functie of activiteit, al dan niet bezoldigd, ten dienste van een neteigenaar, een netbeheerder, een producent die geen zelfopwekker is, een aardgasinvoerder, de beheerder van het transmissienet, de beheerder van het vervoersnet, een werkmaatschappij, een leverancier, een bevrachter of een evenwichtsverantwoordelijke;
2° het bezit van aandelen, of andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren, uitgegeven door een neteigenaar of marktpartij, of het bezit van financiële instrumenten die het mogelijk maken om dergelijke aandelen of waardepapieren te verwerven of over te dragen, of die aanleiding geven tot een betaling in contanten die hoofdzakelijk afhankelijk is van de evolutie van de waarde van dergelijke aandelen of waardepapieren;
3° het lid zijn van de wetgevende kamers, het Europees Parlement en de gemeenschaps- en gewestraden;
4° de functie of het ambt van minister, staatssecretaris, lid van gewest- of gemeenschapsregering, lid van het kabinet van een lid van de Federale Regering of van een gemeenschaps- of gewestregering, lid van de bestendige deputatie van de provincieraden en lid van het college van burgemeester en schepenen van een gemeente;
5° een functie in een departement of een ander agentschap van de federale of gewestelijke overheid.

[Afdeling V/2. Aansprakelijkheid en rechtspositieregeling (ing. decr. 25 november 2016, art. 19, I: 9 februari 2017)]

Artikel 3.1.12/2. (09/02/2017- ...)

Als een bestuurder rechtstreeks of onrechtstreeks een belang heeft dat strijdig is met een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort, mag hij niet deelnemen aan de beraadslaging van de raad van bestuur over deze verplichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband.

Artikel 3.1.12/3. (09/02/2017- ...)

De bestuurders zijn verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur. Zij zijn hetzij jegens de VREG, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten.

Artikel 3.1.12/4. (09/02/2017- ...)

§ 1. De personeelsleden van de VREG zijn onderworpen aan de rechtspositieregeling die van toepassing is op de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.

§ 2. De personeelsleden van de VREG zijn onderworpen aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 2007 op basis waarvan de VREG gemachtigd is om deel te nemen aan de pensioenregeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbende alsook het koninklijk besluit van 6 maart 2008 waarmee deze pensioenregeling van toepassing werd verklaard op het personeel van de VREG.

[Afdeling VI. Financiële middelen en controle (verv. decr. 25 november 2016, art. 23, I: 9 februari 2017)]

Artikel 3.1.13. (09/02/2017- ...)

§ 1. De VREG kan beschikken over de volgende ontvangsten :
1° de dotatie;
2° retributies voor zover die bij decreet aan de VREG toegewezen zijn;
3° ontvangsten die voortvloeien uit daden van beheer of beschikking met betrekking tot eigen domeingoederen;
4° de subsidies waarvoor de VREG als begunstigde in aanmerking komt;
5° terugvorderingen van ten onrechte gedane uitgaven;
6° vergoedingen voor prestaties aan derden, volgens de voorwaarden in de beheersovereenkomst.

§ 2. Tenzij het in een decreet anders is bepaald, worden de ontvangsten, vermeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.

 § 3. De werkingskosten van de VREG worden gedekt door het Energiefonds, ten belope van de kredieten in de begroting bepaald door de raad van bestuur na rapportering aan het Vlaams Parlement zoals bepaald in paragraaf 5.

§ 4. De VREG duidt een bedrijfsrevisor aan. Deze bedrijfsrevisor mag geen functie vervullen bij de netbeheerder, de distributienetbeheerders alsook bij de producenten, leveranciers en tussenpersonen.

De bedrijfsrevisor, aangeduid overeenkomstig het eerste lid, controleert de financiële toestand en de jaarrekeningen van de VREG alsook de regelmatigheid van de verrichtingen te constateren in de jaarrekeningen. Hiervan stelt hij een verslag op.

Bij het uitvoeren van hun opdracht passen het Rekenhof en de bedrijfsrevisor de regels inzake single audit toe.

§ 5. Het ontwerp van begroting van de VREG wordt opgemaakt door de algemeen directeur. Het ontwerp van begroting van de VREG, vergezeld van een ontwerp van ondernemingsplan, wordt na goedkeuring door de raad van bestuur van het jaar voorafgaand aan dit waarop het betrekking heeft, overgemaakt aan het Vlaams Parlement, ter bespreking.

Na de hoorzitting in het Vlaams Parlement stelt de VREG zijn definitieve begroting en ondernemingsplan vast.

Op basis van deze definitieve begroting stelt de Vlaamse Regering de dotatie voor de VREG vast.

De VREG zendt de jaarrekening, vergezeld van het verslag van de bedrijfsrevisor opgesteld op basis van paragraaf 4, tweede lid, voor 31 maart van het jaar volgend op het betrokken jaar, over aan het Vlaams Parlement en aan het Rekenhof. Het Rekenhof controleert de jaarrekening van de VREG en zendt zijn auditverslag over aan het Vlaams Parlement.

§ 6. De VREG is onderworpen aan de bepalingen zoals opgenomen in titel 6 van het Rekendecreet van 8 juli 2011.

§ 7. De algemeen directeur staat in voor de noodzakelijke informatie-uitwisseling met de Vlaamse Regering voor de opmaak van de algemene uitgavenbegroting en de opmaak van de ESR-consolidatie.

§ 8. De VREG stelt jaarlijks uiterlijk op 31 januari een ondernemingsplan voor dat jaar vast en deelt het mee aan het Vlaams Parlement. Het omvat onder meer de beleids- en beheersdoelstellingen, zowel meerjarig als voor het komende jaar, en de operationele vertaling ervan. Als bij het verstrijken van een ondernemingsplan geen nieuw ondernemingsplan in werking is getreden, blijft het bestaande ondernemingsplan van toepassing tot op het ogenblik dat het nieuwe ondernemingsplan in werking treedt.

§ 9. De VREG stelt jaarlijks een jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan op dat hij aan het Vlaams Parlement overzendt. Wat betreft de punten 1°, 3° en 4° gebeurt dit voor 31 januari van het jaar volgend op het betrokken boekjaar. Wat betreft punt 2° gebeurt dit voor 31 maart van het jaar volgend op het betrokken boekjaar. Het jaarrapport van de VREG heeft onder meer betrekking op:
1° de uitvoering van het ondernemingsplan van het voorgaande jaar;
2° de staat van zijn werkingskosten en de wijze waarop zij gedekt zijn, met inbegrip van een overzicht van activa/passiva en het verslag van de bedrijfsrevisor;
3° de evolutie van de energiemarkten;
4° de beslissingen die eventueel werden genomen tijdens het betrokken boekjaar inzake de methodologie voor de berekening van de tarieven, de tariefstructuur en het technisch reglement.

De VREG beschrijft in dit verslag de wijze waarop hij zijn doelstellingen al dan niet heeft bereikt.

Dit verslag wordt op de internetsite van de VREG gepubliceerd. Ter informatie wordt een afschrift van dit verslag eveneens naar de Vlaamse Regering gestuurd.

Artikel 3.1.14. (09/02/2017- ...)

De raad van bestuur van de VREG staat in voor de interne controle op de bedrijfsprocessen en activiteiten van de VREG. De interne controle is in het bijzonder gericht op:
1° het bereiken van de opgelegde doelstellingen en het effectief en efficiënt beheer van risico's;
2° de naleving van regelgeving en procedures;
3° de betrouwbaarheid van de financiële en beheersrapportering;
4° de effectieve en efficiënte werking van de diensten en het efficiënt inzetten van de middelen;
5° de bescherming van haar activa en de voorkoming van fraude.

De raad van bestuur evalueert de interne controlesystemen van de VREG, gaat na of ze adequaat zijn en formuleert aanbevelingen tot verbetering daarvan. Zij voert daartoe financiële audits, overeenstemmingsaudits en operationele audits uit en is gemachtigd alle bedrijfsprocessen en activiteiten te onderzoeken.

Artikel 3.1.15. (09/02/2017- ...)

§ 1. De algemene rekeningen bestaan uit:
1° een jaarrekening die de volgende elementen bevat:
a) de balans op 31 december;
b) de resultatenrekening, opgesteld op basis van de kosten en de opbrengsten van het afgelopen boekjaar;
2° een jaarrapport over de uitvoering van de begroting, opgesteld in dezelfde vorm als de begroting;
3° een rapportering die de aansluiting tussen de jaarrekening, vermeld in punt 1°, en de rapportering, vermeld in punt 2°, bevat;
4° een toelichting bij de balans, de resultatenrekening en de rapportering over de begroting.

§ 2. De VREG volgt bij het opstellen van de rekeningen de boekhoudkundige regels zoals bepaald in artikel 10 tot en met 15 van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen.

HOOFDSTUK II. Het Energiefonds

Artikel 3.2.1. (01/03/2016- ...)

§ 1. Er wordt een Energiefonds opgericht. Dit fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.

§ 2. Aan dit Energiefonds worden rechtstreeks de volgende inkomsten toegewezen :
1° opbrengsten uit heffingen en administratieve geldboetes die decretaal aan het Energiefonds worden toegewezen, de opbrengsten afkomstig van de dadingen die hierover worden aangegaan, evenals de opbrengsten die worden geïnd naar aanleiding van beslissingen van de hoven en rechtbanken die hierover worden genomen ten laste van de decretaal aangewezen heffings- of boeteplichtigen;
2° andere middelen aan het Energiefonds toegewezen krachtens wettelijke, decretale of conventionele bepalingen, de terugstortingen, de middelen van de Europese Unie of andere internationale instellingen voor projecten die tot stand komen met cofinanciering vanuit het Energiefonds, de middelen van de andere gewesten en de federale overheid voor projecten die tot stand komen met cofinanciering vanuit het Energiefonds en die een financiering op Belgisch niveau vergen zoals overlegd op het energie-overleg staat-gewesten, de middelen van andere partners die aan deze projecten deelnemen, de toevallige inkomsten uit deze projecten volgens de overeenkomsten afgesloten met of tussen de projectpartners, de inkomsten uit de verkoop van publicaties die kaderen in het energiebeleid en de overige toevallige ontvangsten.

§ 3. De Vlaamse Regering beschikt over de kredieten van het Energiefonds, inclusief de machtiging om hiermee subsidies toe te kennen, voor de uitvoering van haar energiebeleid, in het bijzonder voor de financiering van de VREG, van de openbaredienstverplichtingen inzake energie, voor haar sociaal energiebeleid, haar beleid inzake het rationeel energiegebruik, haar beleid inzake warmte-krachtkoppeling, haar beleid inzake de hernieuwbare energiebronnen alsmede voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid.

TITEL IV. DE ORGANISATIE VAN DE ELEKTRICITEITS- EN AARDGASMARKT IN HET VLAAMSE GEWEST

HOOFDSTUK I. Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest

Afdeling I. Aanwijzing van de netbeheerde

Artikel 4.1.1. (01/01/2019- ...)

De VREG wijst, voor een aaneensluitend geografisch afgebakend gebied, een rechtspersoon aan die belast is met het beheer van het elektriciteits- en het aardgasdistributienet in dat gebied.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de beoordeling of een netbeheerder over een geografisch aaneensluitend afgebakend gebied beschikt echter geen rekening gehouden met het grondgebied van de gemeente Voeren en het grondgebied van de gemeente Baarle-Hertog dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied.

In afwijking van het eerste lid kan de VREG, voor het grondgebied van de gemeente Baarle-Hertog dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied en als daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat, een verschillende elektriciteitsdistributienetbeheerder en aardgasdistributienetbeheerder aanstellen.

Als het distributienet in kwestie geheel of gedeeltelijk eigendom is van een gemeente of groep van gemeenten, doet de VREG de aanwijzing op voorstel van die gemeente of groep van gemeenten. De VREG kan alleen afwijken van dit voorstel, als de voorgestelde netbeheerder niet voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld ter uitvoering van artikel 4.1.4, § 1, 1°.

Artikel 4.1.2. (01/01/2011- ...)

De VREG stelt een lijst op met de elektrische leidingen met een nominale spanning van minder dan of gelijk aan 70 kilovolt, en de bijbehorende installaties, die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en die voornamelijk gebruikt worden voor het vervoer van elektriciteit naar distributienetten. Dat geheel van elektrische leidingen en installaties vormt het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

De VREG wijst een rechtspersoon aan die belast wordt met het beheer van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest, zoals vermeld in het eerste lid.

Alleen de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan elektrische leidingen aanleggen en beheren met een nominale spanning van minder dan of gelijk aan 70 kilovolt, die gebruikt worden voor het vervoer van elektriciteit naar distributie-netten.

Op eigen initiatief of op verzoek van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan de VREG de lijst wijzigen van het geheel van elektrische leidingen en installaties die het plaatselijk vervoernet van elektriciteit uitmaken, als vermeld in het eerste lid.

Artikel 4.1.3. (01/01/2011- ...)

De aanwijzing, vermeld in artikel 4.1.1 en artikel 4.1.2, tweede lid, is geldig voor een hernieuwbare termijn van twaalf jaar.

Artikel 4.1.4. (01/01/2019- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt, op advies van de VREG :
1° de voorwaarden waaraan een kandidaat-netbeheerder moet voldoen om te kunnen worden aangewezen als netbeheerder en waaraan een netbeheerder moet blijven voldoen om aangewezen te blijven als netbeheerder inclusief het beschikken over een door de VREG gecontroleerd ondernemingsplan;
2° de voorwaarden en gevallen waarin kan of moet worden overgegaan tot wijziging van de aanwijzing of beëindiging van de aanwijzing van de netbeheerder;
3° de procedure die nageleefd moet worden bij de aanwijzing van een netbeheerder, evenals bij de wijziging en de beëindiging van een aanwijzing van een netbeheerder.

§ 2. De voorwaarden, vermeld in § 1, 1°, hebben in ieder geval betrekking op :
1° de technische, organisatorische en financiële capaciteit van de (kandidaat-)netbeheerder;
2° de professionele betrouwbaarheid van de (kandidaat-)netbeheerder;
3° het exploitatie- of gebruiksrecht van de (kandidaat-)netbeheerder over het distributienet in kwestie;
4° de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de (kandidaat-)elektriciteitsdistributienetbeheerder ten aanzien van de leveranciers, tussenpersonen en producenten die actief zijn in het Vlaamse Gewest, en de met deze ondernemingen verbonden en geassocieerde ondernemingen en de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de (kandidaat-)aardgasdistributienetbeheerder ten aanzien van de leveranciers, tussenpersonen en aardgasinvoerders die actief zijn in het Vlaamse Gewest.

§ 3. De voorwaarden, vermeld in § 2, 4°, hebben onder meer betrekking op de activiteiten van de netbeheerder, de deelneming van andere ondernemingen in de netbeheerder, de deelneming van de netbeheerder in andere ondernemingen, de verhouding van de netbeheerder tot derden, het bestuursorgaan van de netbeheerder, het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en de personeelsleden van de netbeheerder.

§ 4. De voorwaarden en gevallen waarin kan of moet worden overgegaan tot wijziging van de aanwijzing of beëindiging van de aanwijzing van de netbeheerder, vermeld in § 1, 2°, bepalen onder meer dat de aanwijzing van de netbeheerder eindigt bij faillissement, ontbinding of fusie en dat de VREG de aanwijzing van een netbeheerder kan herroepen, op voorwaarde dat die werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, bij :
1° een significante wijziging in het aandeelhouderschap van de netbeheerder of de werkmaatschappij waarop de netbeheerder een beroep doet, die de onafhankelijkheid van het beheer van het net in kwestie in gevaar zou kunnen brengen;
2° een grove tekortkoming van de netbeheerder of de werkmaatschappij waarop hij een beroep doet, met betrekking tot de verplichtingen krachtens dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan.

Afdeling II. Werkmaatschappij

4.1.5. Nieuwe versie (01/01/2019- ...)

Als een distributienetbeheerder voor de exploitatie van het distributienet en de uitvoering van openbaredienstverplichtingen een beroep wil doen op een werkmaatschappij, moet voorafgaandelijk toestemming verkregen worden van de VREG.

De distributienetbeheerders kunnen op elk moment maar op één gezamenlijke werkmaatschappij een beroep doen gedurende een door de VREG aanvaarde periode. Die periode is voor iedere afzonderlijke distributienetbeheerder niet langer dan de duur van de aanwijzing van die distributienetbeheerder, maar is hernieuwbaar na afloop van die termijn.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de nadere voorwaarden waaraan de distributienetbeheerder en de werkmaatschappij waarop ze een beroep wil doen, moeten voldoen. Die voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, en de (mede)zeggenschap van de distributienetbeheerder over de werkmaatschappij.

De VREG geeft haar toestemming, zoals vermeld in het eerste lid, als zij van mening is dat de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden die opgelegd zijn ter uitvoering van het vorige lid en aan de voorwaarden, vermeld in de artikelen 4.1.7 tot en met artikel 4.1.8/1.

De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de toestemming van de VREG moet worden gevraagd en de procedure voor het onderzoek en het verlenen van de toestemming.

De VREG kan haar toestemming, vermeld in het eerste lid, intrekken wanneer zij van oordeel is dat niet langer voldaan is aan de voorwaarden ter uitvoering van het derde lid of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.7 tot en met 4.1.8/1.

Artikel 4.1.5/1. (01/01/2019- ...)

De raad van bestuur van de werkmaatschappij telt maximaal twintig leden, waarbij elke deelnemende distributienetbeheerder ten minste één vertegenwoordiger heeft.

Het mandaat van lid van de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, is onverenigbaar met:
1° het lidmaatschap van de wetgevende kamers, het Europees Parlement, de gemeenschaps- en gewestparlementen, de Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie;
2° de functie of het ambt van minister, staatssecretaris, of het lidmaatschap van een gewest- of gemeenschapsregering.

Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen mag ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, van hetzelfde geslacht zijn.

Telkens als er door een voordrachtprocedure één of meer mandaten vacant zijn in de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, en de voorgedragen kandidaturen het niet mogelijk maken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het derde lid, wordt de voordrachtprocedure hernomen.

Artikel 4.1.5/2. (01/01/2019- ...)

De jaarlijkse bezoldiging van de gedelegeerd bestuurder, de CEO en de leden van het managementcomité van de werkmaatschappij mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering. Hoofdstuk 5 van het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector is op die functies van overeenkomstige toepassing.

Afdeling III. Activiteiten van de netbeheerders

Onderafdeling I. Beheer van het Net

Artikel 4.1.6. (01/04/2017- ...)

Het beheer van een distributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit omvat, onder meer, de volgende taken :
1° het beheer en onderhoud en het ontwikkelen onder economische voorwaarden van een veilig, betrouwbaar en efficiënt net met inachtneming van het milieu en de energie-efficiëntie van het net, en in dat verband, het instaan voor de nodige ondersteunende diensten;
2° het aanhouden van voldoende capaciteit om de elektriciteits- en aardgasbehoefte te dekken van de afnemers die aangesloten zijn op zijn net en het vervoer van elektriciteit en aardgas naar distributienetten mogelijk te maken;
3° de uitbreiding van zijn net in het geografisch afgebakende gebied waarvoor hij werd aangewezen of, als er nog geen net aanwezig is, de aanleg van het net in dit geografisch afgebakende gebied;
4° de herstelling, het preventieve onderhoud, de vernieuwing en de verbetering van zijn net en de bijbehorende installaties;
5° het herstellen van onderbrekingen en storingen bij de elektriciteits- of aardgastoevoer via zijn net;
6° het opstellen, het bewaren en ter beschikking stellen van de plannen van zijn net;
7° het aansluiten, verzegelen, afsluiten en heraansluiten van installaties op zijn net en het verzwaren van de aansluitingen op zijn net;
8° het verlenen van toegang tot zijn net;
9° het beheren van het toegangsregister van zijn net;
10° het ter beschikking stellen, de plaatsing, de activering, de desactivering, het onderhoud en het herstellen van meters en tellers op de toegangspunten op zijn net;
11° het aflezen van de meters en tellers op de toegangspunten op zijn net, de bepaling van de injectie en de afname van de producenten en afnemers die aangesloten zijn op zijn net en de verwerking en de bewaring van die gegevens;
12° het verstrekken van de nodige meetgegevens en andere gegevens aan de beheerder van het transmissienet, de vervoeronderneming, de producenten, de evenwichtsverantwoordelijken, de bevrachters, de tussenpersonen, de leveranciers, de afnemers en de VREG;
13° het verstrekken van de nodige inlichtingen aan de beheerders van de netten waarmee zijn net in kwestie verbonden is, om een veilige en efficiënte uitbating, een gecoördineerde ontwikkeling en een goede wisselwerking tussen de netten te waarborgen;
14° als elektriciteitsdistributienetbeheerder transparante, niet-discriminerende en op de markt gebaseerde procedures hanteren bij de aankoop van elektriciteit;
15° alle vormen van energiefraude, gerelateerd aan hun activiteiten, actief detecteren en vaststellen, en maatregelen nemen om energiefraude te vermijden.

Onderafdeling II.[Activiteiten inzake levering, productie, verschaffen van energiediensten door de netbeheerder en zijn werkmaatschappij (verv. decr. 14 maart 2014, art. 7, I: 7 april 2014)]

Artikel 4.1.7. (01/01/2011- ...)

Een netbeheerder en zijn werkmaatschappij kunnen geen activiteiten ondernemen inzake de levering van elektriciteit en aardgas, tenzij voor de levering ervan in het kader van een openbaredienstverplichting die op grond van dit decreet is opgelegd.

Artikel 4.1.8. (26/08/2011- ...)

§ 1. De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan geen andere activiteiten ondernemen voor de productie van elektriciteit dan de productie van elektriciteit die nodig is om zijn taken als netbeheerder goed te kunnen uitoefenen.

§ 2. Een distributienetbeheerder en zijn werkmaatschappij kunnen geen activiteiten ondernemen inzake de productie van elektriciteit of gas, behoudens de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in productie-installaties waarvan de distributienetbeheerder op 1 oktober 2006 eigenaar is en die op het net van deze distributienetbeheerder aangesloten zijn. De elektriciteit die in deze installaties wordt opgewekt, wordt alleen aangewend voor de dekking van het eigen verbruik van de distributienetbeheerder, het eigen verbruik van de werkmaatschappij en/of de netverliezen. De verdere exploitatie van kwalitatieve warmtekrachtinstallaties waarvan hij op 1 oktober 2006 eigenaar is, vormt een openbaredienstverplichting voor de distributienetbeheerder zolang de certificaten die toegekend zijn voor de primaire energiebesparing die de installatie realiseert, niet aanvaard worden voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11. De distributienetbeheerder streeft daarbij naar een maximale primaire energiebesparing.

Artikel 4.1.8/1. (07/04/2014- ...)

Een netbeheerder en zijn werkmaatschappij ondernemen geen activiteiten inzake het aanbieden van commerciële energiediensten of het optreden als aggregator.

Niettegenstaande het eerste lid kan de netbeheerder of zijn werkmaatschappij diensten aanbieden aan aandeelhouders/vennoten of op grond van een openbaredienstverplichting die door dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden opgelegd.

Afdeling IV. Vertrouwelijkheid en non-discriminatieverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder en diens werkmaatschappij

Artikel 4.1.9. (07/04/2014- ...)

De netbeheerder en zijn werkmaatschappij onthouden zich van elke vorm van discriminatie tussen producenten, aardgasinvoerders, evenwichtsverantwoordelijken, bevrachters, leveranciers, tussenpersonen, aanbieders van energiediensten met inbegrip van aggregatoren, afnemers en categorieën van afnemers.

Artikel 4.1.10. (26/08/2011- ...)

De netbeheerder en zijn werkmaatschappij eerbiedigen de vertrouwelijkheid van alle persoonlijke en commerciële gegevens die ze bij de uitoefening van hun taken verwerven.

De netbeheerder en zijn werkmaatschappij nemen de nodige maatregelen om de toegang tot die gegevens en de verwerking van die gegevens te beperken tot de leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder of zijn werkmaatschappij, en de personeelsleden die die gegevens nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

De netbeheerder en zijn werkmaatschappij voorkomen ook dat informatie over hun eigen activiteiten die commercieel voordeel kan opleveren, op discriminerende wijze wordt vrijgegeven.

Artikel 4.1.11. (01/01/2011- ...)

De personeelsleden en bestuurders van de netbeheerder en zijn werkmaatschappij zijn gebonden door het beroepsgeheim. Zij mogen de vertrouwelijke gegevens die hun ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij de netbeheerder of zijn werkmaatschappij aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen, zonder afbreuk te doen aan de informatieverplichtingen die uitdrukkelijk door dit decreet of de bijbehorende uitvoeringsbesluiten, met inbegrip van de technische reglementen, zijn bepaald en toegestaan.

[Afdeling IV/1. Vergoedingsplichten van de netbeheerder (ing. decr. 20 december 2013, art. 3, I: 1 januari 2015)]

[Onderafdeling I. Schadevergoeding bij storing (ing. decr. 20 december 2013, art. 4, I: 1 januari 2015)]

Artikel 4.1.11/1. (01/01/2015- ...)

De netbeheerder is de netgebruiker die aangesloten is op zijn net in overeenstemming met de wettelijke bepalingen vergoeding verschuldigd van de schade die de netgebruiker leed als gevolg van een storing, behoudens andersluidende contractuele bepalingen.

De vergoeding kan echter niet meer bedragen dan 2.000.000 euro per incident, voor het geheel van de schadegevallen. Als het totale bedrag van de schadevergoedingen dat maximumbedrag overschrijdt, is de schadevergoeding die verschuldigd is aan elke netgebruiker naar evenredigheid beperkt. Dit maximumbedrag geldt niet voor schade aan personen.

De netbeheerder wordt in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in de rechten van de netgebruiker gesteld ten opzichte van de veroorzaker van de storing, voor de door hem betaalde vergoeding met toepassing van dit artikel.

[Onderafdeling II. Gemeenschappelijke bepalingen voor onderafdelingen III tot en met V (ing. decr. 20 december 2013, art. 6, I: 1 januari 2015)]

Artikel 4.1.11/2. (01/01/2015- ...)

De bepalingen van onderafdeling III tot en met V gelden behoudens andersluidende contractuele bepalingen.

De bepalingen van onderafdeling III tot en met V sluiten de toepassing van andere wettelijke bepalingen niet uit. De gezamenlijke toepassing van verschillende aansprakelijkheidsgronden kan nooit leiden tot een hogere vergoeding dan de integrale herstelling van de geleden schade. De vergoeding is beperkt tot 2.000.000 euro per incident, voor het geheel van de schadegevallen. Als het totale bedrag van de schadevergoedingen dat maximumbedrag overschrijdt, is de schadevergoeding die verschuldigd is aan elke netgebruiker naar evenredigheid beperkt. Dit maximumbedrag geldt niet voor schade aan personen.

De bedragen, vermeld in artikel 4.1.11/3 tot en met 4.1.11/5, worden vanaf 1 januari 2015 jaarlijks van rechtswege geïndexeerd door vermenigvuldiging met het gezondheidsindexcijfer voor de maand juni van het jaar n-1 en die te delen door het gezondheidsindexcijfer voor de maand juni 2013.

Onder gezondheidsindexcijfers als vermeld in het tweede lid, wordt verstaan : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.

[Onderafdeling III. Forfaitaire vergoeding bij laattijdige aansluiting (ing. decr. 20 decmeber 2013, art. 8, I: 1 januari 2015)]

Artikel 4.1.11/3. (01/01/2015- ...)

De distributienetbeheerder is de aanvrager van een aansluiting op zijn net een vergoeding verschuldigd per dag overschrijding van de aansluitingstermijn die voorgeschreven is door de technische reglementen of die in onderling overleg werd afgesproken, behalve als hij kan bewijzen dat hij de laattijdigheid van de aansluiting niet heeft kunnen beletten.

De dagvergoeding bedraagt 25 euro voor een huishoudelijke netgebruiker in geval van een laattijdige eenvoudige aansluiting of een laattijdige tijdelijke aansluiting, 50 euro voor een niet-huishoudelijke netgebruiker in geval van een laattijdige eenvoudige aansluiting of een laattijdige tijdelijke aansluiting, en 100 euro voor een laattijdige aansluiting met detailstudie.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de voorwaarden en de procedure tot indiening van de aanvraag van de vergoeding.

[Onderafdeling IV. Forfaitaire vergoeding bij laattijdige heraansluiting (ing. decr. 20 december 2013, art. 10, I: 1 januari 2015)]

Artikel 4.1.11/4. (01/01/2015- ...)

De distributienetbeheerder is een aanvrager van een heraansluiting op zijn net een vergoeding verschuldigd per dag vertraging van de realisatie van de heraansluiting van die netgebruiker op zijn net, behalve als hij kan bewijzen dat hij de laattijdigheid van de heraansluiting niet heeft kunnen beletten.

De vergoeding bedraagt 75 euro.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de voorwaarden en de procedure tot indiening van de aanvraag van de vergoeding.

[Onderafdeling V. Forfaitaire vergoeding bij langdurige stroomonderbreking (ing. decr. 20 december 2013, art. 12, I: 1 januari 2015)]

Artikel 4.1.11/5. (01/01/2015- ...)

§ 1. De netbeheerder is de netgebruiker, aangesloten op het distributienet, een vergoeding verschuldigd in geval van een niet-geplande stroomonderbreking met technische oorzaak van minstens vier uur.

De vergoeding bedraagt 35 euro voor de huishoudelijke netgebruiker, vermeerderd met 20 euro voor elke bijkomende periode van vier uur. Deze bedragen worden verdubbeld als de onderbreking plaatsvindt in de periode vermeld in artikel 6.1.2, § 1, derde lid.

Voor de niet-huishoudelijke netgebruiker bedraagt de vergoeding 20% van het bedrag overeenkomstig de distributiekosten voor de maand die voorafgaat aan de maand waarin de onderbreking zich heeft voorgedaan, met een minimum van 35 euro. Dat bedrag wordt vermeerderd met de helft van het bedrag, met een minimum van 20 euro, voor elke bijkomende periode van vier uur.

§ 2. De vergoedingsplicht, vermeld in paragraaf 1, geldt niet in geval van een onderbreking als gevolg van een noodsituatie of overmacht, zoals omschreven in de technische reglementen.

§ 3. De netgebruiker dient de aanvraag voor de vergoeding in bij de distributienetbeheerder, op straffe van onontvankelijkheid binnen dertig kalenderdagen die volgen op de langdurige onderbreking. Binnen zestig kalenderdagen die volgen op de indiening van de aanvraag, wordt de vergoeding door de distributienetbeheerder betaald als de aanvraag gegrond is.

§ 4. De distributienetbeheerder wordt in de rechten van de netgebruiker gesteld ten opzichte van degene die het ontstaan of het aanhouden van de onderbreking veroorzaakte, voor de door hem betaalde vergoeding met toepassing van dit artikel.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de voorwaarden en de procedure tot indiening van de aanvraag van de vergoeding.

Afdeling V. Aansluiting op een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

Artikel 4.1.12. (01/01/2011- ...)

Iedere netbeheerder maakt de geldende tarieven en voorwaarden bekend voor de aansluiting op zijn net.

Artikel 4.1.13. (01/01/2011- ...)

§ 1. De aardgasdistributienetbeheerder mag voor de aansluiting van een aansluitbare wooneenheid of gebouw op het aardgasdistributienet in de gebieden in het geografische gebied waarvoor hij werd aangewezen, een maximale prijs aanrekenen van 250 euro als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de aardgasleiding langs de openbare weg waar de aansluitbare wooneenheid of het aansluitbare gebouw gelegen is, heeft voldoende capaciteit;
2° er is maximaal 20 meter afstand tussen de aardgasleiding en het toekomstige afnamepunt;
3° de gevraagde capaciteit van de aansluiting is lager dan of gelijk aan 10 m3(n) per uur;
4° de gevraagde leveringsdruk is gelijk aan 21 of 25 mbar.

§ 2. Als de aardgasdistributienetbeheerder om technische of economische redenen toch beslist om een niet-aansluitbare wooneenheid of gebouw gelegen in een gebied bestemd voor bewoning via een onderboring aan te sluiten op een aardgasleiding aan de overkant van de straat, mag hij in het geografische gebied waarvoor hij werd aangewezen, voor de aansluiting een maximale prijs aanrekenen van 250 euro als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de aardgasleiding langs de openbare weg waar het aansluitbare wooneenheid of het aansluitbare gebouw gelegen is, heeft voldoende capaciteit;
2° er is maximaal 20 meter afstand tussen de aardgasleiding en het toekomstige afnamepunt;
3° de gevraagde capaciteit van de aansluiting is lager dan of gelijk aan 10 m3(n) per uur;
4° de gevraagde leveringsdruk is gelijk aan 21 of 25 mbar.

Artikel 4.1.14. (24/12/2018- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder is ertoe gehouden om elke afnemer die elektriciteit koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten overeenkomstig de regels van het toepasselijke technisch reglement aan te sluiten op het elektriciteitsdistributienet als de afnemer die elektriciteit koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten erom vraagt, op voorwaarde dat :
a) de aanvrager bij nieuwbouw een geldige omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kan voorleggen;
b) een bestaande woning hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn.

Artikel 4.1.15. (05/06/2017- ...)

Elke aardgasdistributienetbeheerder is ertoe gehouden om elke afnemer die aardgas koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten overeenkomstig de regels van het toepasselijke technisch reglement aan te sluiten op het aardgasdistributienet als hij daartoe verzocht wordt, op voorwaarde dat :
a) de aanvrager bij nieuwbouw een geldige omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kan voorleggen;
b) een bestaande wooneenheid of een bestaand gebouw hoofdzakelijk vergund is of geacht wordt vergund te zijn.

Artikel 4.1.16. (05/06/2017- ...)

Onverminderd artikel 4.1.13 is voor de netuitbreiding of netversterking met het oog op de aansluiting van een wooneenheid of gebouw het rendabele deel van de kosten voor de aanleg op het openbaar domein van de verbinding tussen de lagedrukleiding of de residentiële middendrukleiding, vermeld in artikel 1.1.3, 3°, c), enerzijds, en de wooneenheid of het gebouw, anderzijds, ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder, behalve in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.

Voor de netuitbreiding of netversterking met het oog op de ontsluiting van een verkaveling is het rendabele deel van de kosten voor de aanleg op het openbaar domein van de verbinding tussen de lagedrukleiding of de residentiële middendrukleiding, vermeld in artikel 1.1.3, 3°, c), enerzijds, en de verkaveling, anderzijds, ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder, behalve in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.

De Vlaamse Regering houdt voor het vaststellen van de uitzonderingen, vermeld in het eerste en tweede lid, minstens rekening met de aanwezigheid van andere netten en de energieprestaties van de aan te sluiten gebouwen.

De aanvrager van de aansluiting of verkaveling draagt de overige kosten.

De VREG beslist, met toepassing van afdeling XII, over het rendabele deel van de kosten voor de aanleg op het openbaar domein tussen het aardgasdistributienet en de wooneenheid, het gebouw of de verkaveling.

Artikel 4.1.17. (26/08/2011- ...)

Iedere aardgasdistributienetbeheerder stelt jaarlijks op zijn website en in zijn klantenkantoren een indicatieve lijst ter beschikking van het publiek die per gemeente, de straten aangeeft waar de aardgasdistributienetbeheerder volgens zijn investeringsplan in de komende drie jaren aardgasleidingen zal aanleggen. Als de aardgasleiding niet in de volledige straat of aan beide kanten zal worden aangelegd, worden de huisnummers en de straatkant vermeld waarlangs de aardgasleiding zal worden aangelegd. De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt die gegevens ook aan de betrokken gemeente.

Afdeling VI. Toegang tot een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

Artikel 4.1.18. (24/12/2018- ...)

§ 1. Afnemers en producenten hebben recht op toegang tot een distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor respectievelijk de afname en injectie van elektriciteit of aardgas.

De technische reglementen bepalen wie door de toegangsgerechtigden, bedoeld in het voorgaande lid, als toegangshouder op een toegangspunt aangeduid kan worden.

§ 2. Iedere netbeheerder maakt de geldende tarieven en voorwaarden bekend waartegen de toegangshouder toegang tot het distributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan verkrijgen.

Een netbeheerder kan de toegang tot zijn net alleen weigeren, beëindigen of opschorten in één of meer van onderstaande gevallen :
1° zijn net beschikt niet over voldoende capaciteit om het vervoer te verzekeren;
2° de veilige en betrouwbare werking van zijn net komt in het gedrang;
3° ...

Een netbeheerder kan de toegang tot zijn net voor een toegangshouder bovendien weigeren of beëindigen indien de aanvrager van de toegang tot het net niet voldoet of de toegangshouder niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot zijn net, vastgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1.

§ 3. Bij een weigering, beëindiging of opschorting van de toegang tot zijn net stuurt de netbeheerder aan de aanvrager van de toegang tot zijn net of aan de toegangshouder een schriftelijke en gemotiveerde verklaring.

De netbeheerder kan de toegang tot zijn net alleen opschorten of beëindigen na voorafgaande toestemming door de VREG, tenzij in één van de volgende vier gevallen :
1° bij overmacht of een noodsituatie, zoals omschreven in het van toepassing zijnde technisch reglement;
2° in geval de toegangshouder geen evenwichtsverantwoordelijke of bevrachter meer heeft;
3° de netbeheerder oordeelt dat er een ernstig risico bestaat voor de veiligheid van personen of materieel;
4° voor een individueel toegangspunt, het aansluitingsvermogen op aanzienlijke wijze overschreden wordt.

§ 3/1. De netbeheerder is verplicht om een bemiddeling op te starten bij de VREG indien hij in het geval, vermeld in paragraaf 2, derde lid, de toegang tot het net wil weigeren of beëindigen, behoudens in de gevallen waar geen voorafgaande toestemming door de VREG is vereist.

§ 4. Tegen een weigering, opschorting of beëindiging van toegang tot het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan overeenkomstig artikel 3.1.4/3, zonder voorafgaande bemiddeling, een geschillenbeslechtingsprocedure gevoerd worden bij de VREG. De Vlaamse Regering stelt de beroepsprocedure vast, na advies van de VREG. Als de VREG, bij de behandeling van het beroep, van mening is dat de weigering, opschorting of beëindiging van de toegang onterecht was, geeft de netbeheerder de betrokken persoon alsnog of opnieuw toegang tot zijn net.

Artikel 4.1.18/1. (07/04/2014- ...)

De netbeheerders stellen, in nauwe samenwerking met aanbieders van energiediensten, met inbegrip van aggregatoren, en afnemers, en na goedkeuring door de VREG, technische specificaties op met betrekking tot de toegang tot en de deelname van vraagzijdebeheer aan de markten inzake balancerings-, en andere ondersteunende diensten op het distributienet. Deze technische specificaties zijn gebaseerd op de technische eisen van deze markten en de mogelijkheden die vraagzijdebeheer biedt.

Artikel 4.1.18/2. (01/06/2017- ...)

Teneinde de veilige en betrouwbare werking van het net te garanderen, dienen installateurs van hernieuwbare energiesystemen maandelijks aan elke netbeheerder in wiens gebied ze gedurende de voorgaande maand werken hebben uitgevoerd een lijst met hernieuwbare energie-installaties voor elektriciteitsproductie die door hen werden geïnstalleerd over te maken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van deze meldingen.

Afdeling VII. Investeringsplannen

Artikel 4.1.19. (05/06/2017- ...)

§ 1. Iedere netbeheerder stelt jaarlijks een indicatief investeringsplan op voor het net dat hij beheert. Het investeringsplan bestrijkt een periode van drie jaar.

Het investeringsplan bevat :
1° een gedetailleerde raming van de capaciteitsbehoeften van het net in kwestie, met aanduiding van de onderliggende hypothesen;
2° het investeringsprogramma inzake vernieuwing en uitbreiding van het net dat de netbeheerder zal uitvoeren om aan de behoeften te voldoen;
3° een overzicht en toelichting over de in het afgelopen jaar uitgevoerde investeringen;
4° de toekomstverwachtingen in verband met decentrale productie.

Voor wat de aardgasdistributienetbeheerders betreft, bevat het investeringsplan ook :
1° een gedetailleerd plan van het aardgasdistributienet van de aardgasdistributienetbeheerder, met aanduiding per straat (en eventueel huisnummers) van de bestaande aardgasleidingen;
2° een gedetailleerde lijst van het aardgasdistributienet van de aardgasdistributienetbeheerder, met aanduiding per straat (en eventueel huisnummers) van de aardgasleidingen waarvan de aanleg in de drie daaropvolgende jaren wordt gepland;
3° het aantal aangesloten en het aantal aansluitbare wooneenheden en gebouwen op 1 januari van het beschouwde jaar.

Het technisch reglement kan nader bepalen op welke wijze deze informatie ter beschikking wordt gesteld.

§ 2. Het investeringsplan wordt jaarlijks ter goedkeu-ring voorgelegd aan de VREG.

Als de VREG, na overleg met de netbeheerder, vaststelt dat de investeringen voorzien in het investeringsplan de netbeheerder niet in de mogelijkheid stellen om op een adequate en doeltreffende manier aan de capaciteitsbehoeften te voldoen, kan de VREG de netbeheerder verplichten om het plan binnen een redelijke termijn aan te passen.

Bij gebrek aan een beslissing door de VREG binnen drie maanden na de ontvangst ervan wordt het investeringsplan geacht aangenomen te zijn. Als de VREG aan de netbeheerder bijkomende inlichtingen vraagt, wordt die termijn met nog eens drie maanden verlengd.

Afdeling VIII. Openbaredienstverplichtingen opgelegd aan de netbeheerder

Artikel 4.1.20. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de netbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen met betrekking tot hun dienstverlening aan afnemers en aanvragers van een aansluiting op hun net.

Die openbaredienstverplichtingen kunnen onder meer handelen over :
1° de informatieverlening en het eventueel voorafgaand overleg bij een onderbreking van de elektriciteits- en aardgastoevoer voor aanleg, onderhoud en herstelling van het net;
2° de karakteristieken van de geleverde elektrische spanning, aardgasdruk en aardgaskwaliteit op het toegangspunt;
3° de termijnen waarbinnen aanvragen voor nieuwe aansluitingen en aanpassingen van aansluitingen behandeld en uitgevoerd worden;
4° de termijnen waarbinnen klachten en vragen van afnemers behandeld worden;
5° de facturatie aan afnemers;
6° de informatieverlening aan afnemers en aanvragers van een aansluiting op het net;
7° de behandeling van klachten van afnemers en aanvragers van een aansluiting op het net.

Artikel 4.1.21. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de netbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen met betrekking tot hun dienstverlening aan de leveranciers die toegang hebben tot hun net en/of hun aangestelden.

Deze openbaredienstverplichtingen kunnen onder meer handelen over de termijnen waarbinnen meetgegevens en de aansluitingsgegevens van de klanten van de leverancier door de netbeheerder worden overgemaakt aan de leverancier en/of zijn aangestelde.

Artikel 4.1.22. (26/08/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de netbeheerders extra openbaredienstverplichtingen opleggen naast de openbaredienstverplichtingen van dit decreet, met betrekking tot :
1° hun investeringen in het net;
2° de levering van elektriciteit of aardgas aan iedere afnemer die elektriciteit of aardgas koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten die niet over een leveringscontract beschikken of van wie de leverancier zijn verplichtingen niet nakomt, doordat de toegang tot het distributienet beëindigd wordt of doordat hij, om welke reden dan ook, geen elektriciteit of aardgas meer kan leveren aan zijn afnemers;
3° de procedure die de netbeheerder moet volgen bij wanbetaling door de afnemer;
4° maatregelen van sociale aard, zoals de plaatsing en de exploitatie van budgetmeters voor elektriciteit, budgetmeters voor aardgas en van stroombegrenzers;
5° de exploitatie van openbare verlichting.

De gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verlenen hun medewerking aan de netbeheerders bij de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen die hun opgelegd zijn volgens dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm waarin die medewerking zal bestaan.

Artikel 4.1.22/1. (10/12/2015- ...)

De netbeheerder of zijn werkmaatschappij brengen de evenwichtsverantwoordelijken onmiddellijk op de hoogte van de onderbreking of van de beperking van de afname en injectie van de productie-eenheden, aangesloten op hun net en de modaliteiten hiervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende welke gegevens worden vrijgegeven en de wijze waarop deze worden vrijgegeven.

[Afdeling IX. Slimme meters (ing. Decr. 8 juli 2011, art. 24, I: 26 augustus 2011)]

Artikel 4.1.22/2. (07/04/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de situaties waarin de netbeheerder en de beheerder van een gesloten distributienet een slimme meter plaatsen.

§ 2. In het geval dat een slimme meter wordt geplaatst, zorgen de netbeheerder en de beheerder van een gesloten distributienet ervoor dat de afnemer voldoende geïnformeerd en geadviseerd wordt over zijn rechten en plichten en het volledige potentieel dat de meter heeft, onder meer inzake het gebruik van de gegevens van de slimme meter en inzake de mogelijkheid voor de afnemer tot controle van zijn energieverbruik.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke voorwaarden deze slimme meters moeten voldoen.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt welke partijen voor welke doeleinden toegang krijgen tot welke gegevens uit slimme meters.

§ 5. De partijen die via dit decreet en zijn uitvoeringsbepalingen toegang krijgen tot de gegevens uit deze slimme meters, zorgen ervoor dat te allen tijde de dataveiligheid gegarandeerd wordt en voldaan wordt aan de privacywetgeving.

[Afdeling X. Prerogatieven van de netbeheerders (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 6, I: 1 juli 2012)]

[Onderafdeling I. Erfdienstbaarheden ten voordele van de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 7, I: 1 juli 2012)]

Artikel 4.1.23. (01/07/2012- ...)

§ 1. De netbeheerders hebben als erfdienstbaarheid het recht :
1° op blijvende wijze steunen, ankers en de bijhorende uitrustingen aan te brengen voor bovengrondse elektrische lijnen, aan de buitenzijde van de muren en gevels die uitgeven op de openbare weg;
2° elektrische lijnen boven de private eigendommen te laten doorgaan zonder vasthechting noch aanraking;
3° boomtakken af te hakken die te dicht bij de bovengrondse elektrische lijnen komen en die kortsluitingen of schade aan de lijn zouden kunnen veroorzaken;
4° wortels in te korten die te dicht bij ondergrondse elektrische lijnen of aardgasleidingen komen en die schade aan de lijn of leiding zouden kunnen veroorzaken.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 3° en 4°, kan de netbeheerder ook overgaan tot het rooien van de aanwezige bomen en beplantingen, als om veiligheidsredenen het recht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° en 4°, niet volstaat.

§ 3. De Vlaamse Regering kan per geval bepalen dat het voor de netbeheerder van algemeen nut is om elektrische lijnen of aardgasleidingen aan te leggen boven of onder private onbebouwde gronden en onder welke voorwaarden dat dient te gebeuren.

De netbeheerder heeft in dat geval het recht de lijnen of leidingen aan te leggen boven of onder deze gronden, voor het toezicht daarop te zorgen en de noodzakelijke onderhouds- en herstellingswerken uit te voeren.

§ 4. De aangelegde kabels, lijnen, leidingen en de bijbehorende uitrustingen blijven eigendom van de netbeheerder. Hij is ertoe gemachtigd alle nodige instandhoudingswerken daarvoor uit te voeren.

§ 5. Behalve in hoogdringende gevallen waarbij de veiligheid imminent in het gedrang komt, wordt het recht wortels in te korten of boomtakken af te hakken, vermeld in paragraaf 1, 3° en 4°, en het recht om te rooien, vermeld in paragraaf 2, afhankelijk gesteld van de expliciete weigering van de eigenaar of desgevallend de domeinbeheerder, pachter, huurder of een andere houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed om zelf binnen een redelijke termijn te kappen, in te korten of te rooien, of van het feit dat deze gedurende een maand het verzoek van de netbeheerder zonder gevolg heeft gelaten. In die gevallen kan de netbeheerder overgaan tot inkorten, afhakken of rooien op kosten van de eigenaar. Als de netbeheerder overgaat tot afhakken, inkorten of rooien wegens hoogdringendheid, gebeurt dat op kosten van de netbeheerder zelf.

Behalve in hoogdringende gevallen waarbij de veiligheid imminent in het gedrang komt, mogen de werken, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, door de netbeheerder pas worden aangevangen na de rechtstreekse voorafgaande kennisgeving met een aangetekende brief aan de belanghebbende eigenaars, huurders, pachters, domeinbeheerder en iedere andere houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed. Die kennisgeving vindt minstens twee maanden voor de geplande start van de werken plaats.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de te volgen procedure bij de uitvoering van die rechten.

Artikel 4.1.24. (01/07/2012- ...)

§ 1. De netbeheerder vergoedt bij minnelijke overeenkomst de eigenaars en de eventuele huurders, pachters of iedere andere houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed in de vorm van een vergoeding voor het nadeel dat mogelijk voortvloeit uit de toepassing van artikel 4.1.23, § 1, 1°.

§ 2. Als de aanwezige bomen en beplantingen gerooid worden, als vermeld in artikel 4.1.23, § 2, is de netbeheerder een eenmalige vergoeding verschuldigd aan de eigenaar als vergoeding voor de gerooide bomen en beplantingen en voor de eventuele minwaarde van het onroerend goed.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding.

§ 4. Als partijen niet tot een minnelijke overeenkomst komen, wordt het geschil voorgelegd aan de vrederechter.

Artikel 4.1.25. (01/07/2012- ...)

De uitoefening door de netbeheerder van het recht, vermeld in artikel 4.1.23, kan de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of de houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed niet hinderen in zijn recht van omheinen, afbreken, verbouwen, herstellen of bouwen.

Als de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of houder van een zakelijk recht een dergelijk recht, als vermeld in het eerste lid, wil uitoefenen, dan moet de netbeheerder de ondergrondse lijnen of leidingen, de bovengrondse lijnen en de steunen die geplaatst zijn op de onbebouwde grond, wegnemen, verplaatsen of aanpassen, voor zover deze de uitvoering van de rechten, vermeld in het eerste lid, hinderen. De eigenaar, pachter, domeinbeheerder of de houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed bezorgt de betrokken netbeheerder dat verzoek minstens zes maanden voor de geplande start van de werken.

De kosten voor het wegnemen, verplaatsen of aanpassen zijn ten laste van de betrokken netbeheerder.

De betrokken netbeheerder kan die kosten terugvorderen van respectievelijk de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of van de houder van een zakelijk recht als die nog niet gestart is met de werken binnen een termijn van drie jaar na het verzoek tot wegneming, verplaatsing of aanpassing.

[Onderafdeling II. Onteigeningen door de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 7, I: 1 juli 2012)]

Artikel 4.1.26. (01/01/2018- ...)

§ 1. Met uitzondering voor het gewestelijk openbaar domein kunnen netbeheerders, daartoe gemachtigd door de Vlaamse Regering, overeenkomstig de reglementering betreffende de onteigening ten algemenen nutte, in eigen naam en voor eigen rekening onroerende goederen onteigenen die voor de rechtstreekse verwezenlijking van hun doel nodig zijn.

De onteigeningen, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd conform de bepalingen van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017.

§ 2. In afwijking van § 1 kan de Vlaamse Regering aan de netbeheerder op het gewestelijk openbaar domein domeintoelatingen, vergunningen voor het privatief gebruik of domeinconcessies verlenen via het gelasten van de door haar of via decreet aangestelde domeinbeheerder.

[Onderafdeling III. Recht op toegang van de netbeheerder tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de netgebruiker (ing. decr. 14 maart 2014, art. 13, I: 7 april 2014)]

Artikel 4.1.26/1. (07/04/2014- ...)

De netbeheerder heeft het recht op toegang tot de ruimte(s) waardoor de aansluitkabel loopt of de ruimte waarin de elektriciteits- of aardgasmeter is opgesteld en waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, voor werken aan de aansluiting, de plaatsing, de inschakeling, de controle of de meteropname van de elektriciteitsmeter, inclusief de budgetmeter voor elektriciteit en de stroombegrenzer, of van de aardgasmeter, inclusief de budgetmeter voor aardgas.

De netgebruiker verschaft de netbeheerder onmiddellijk toegang op eenvoudig mondeling verzoek na behoorlijke legitimatie.

[Onderafdeling IV. Gebruik van persoonlijke gegevens door de netbeheerder (ing. decr. 24 februari 2017, art. 5, I: 1 april 2017)]

Artikel 4.1.26/2. (01/04/2017- ...)

De netbeheerders kunnen, onder toezicht van de VREG, voor de unieke identificatie van netgebruikers het ondernemingsnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer opvragen en gebruiken.

[Afdeling XI. Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder (ing. Decr. 16 maart 2012, art. 8, I: 1 juli 2012)]

Artikel 4.1.27. (23/02/2017- ...)

§ 1. De netbeheerder heeft het recht het openbaar domein te gebruiken voor de aanleg en het onderhoud van aardgasleidingen en elektrische lijnen boven of onder het openbaar domein en de bijbehorende uitrustingen, als hij over een voorafgaandelijke domeintoelating van de domeinbeheerder beschikt. Daarbij gelden de voorwaarden die de domeinbeheerder nuttig acht bij de verlening van de domeintoelating.

In afwijking van het eerste lid en onverminderd de bepalingen van artikel 4.1.28 hebben de netbeheerders, waarvan de gemeenten enerzijds geheel of gedeeltelijk en anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder zijn, het recht om op het openbaar domein dat beheerd wordt door een van hun deelnemende gemeenten, distributienetten aan te leggen, te onderhouden en uit te baten.

§ 2. In afwijking van de procedure, vermeld in paragraaf 1, wordt, als voor de geplande werkzaamheden, vermeld in paragraaf 1, zowel een domeintoelating als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is, de aanvraag tot het verkrijgen van een domeintoelating samengevoegd met de aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Beide aanvragen worden samen ingediend bij het vergunningverlenende bestuursorgaan.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan verzoekt binnen tien dagen na de ontvangst van de aanvraag elke domeinbeheerder op het openbaar domein van wie het geplande traject loopt of de werkzaamheden gepland zijn om een domeintoelating, als vermeld in paragraaf 1, te verlenen of af te wijzen. De door het verzoek gevatte domeinbeheerders brengen hun beslissing ter kennis van het vergunningverlenende bestuursorgaan, rekening houdend met volgende regelingen :
1° indien de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een openbaar onderzoek, voorzien in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt de beslissing ter kennis gebracht aan het vergunningverlenende bestuursorgaan binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze waarop het openbaar onderzoek werd afgesloten;
2° in alle andere gevallen, wordt de beslissing ter kennis gebracht binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan door de domeinbeheerder eenmalig gemotiveerd worden verlengd met vijftien dagen.

Als de domeinbeheerder binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing neemt, wordt de aanvraag tot het verkrijgen van de domeintoelating geacht te zijn toegestaan.

De beslissingen over het al dan niet verlenen van de domeintoelatingen en de omgevingsvergunning worden door het vergunningverlenende bestuursorgaan ter kennis gebracht van de aanvrager met een aangetekende brief of enige andere vorm van beveiligde zending, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de na te leven voorwaarden, de dossiersamenstelling en de te volgen procedure.

Artikel 4.1.28. (01/07/2012- ...)

De domeinbeheerder kan om redenen van algemeen belang op elk moment voorwaarden van de domeintoelating toevoegen of aanpassen of de netbeheerder verplichten de ondergrondse lijnen of leidingen, de bovengrondse lijnen en de steunen die geplaatst zijn op het openbaar domein weg te nemen, te verplaatsen of aan te passen. De betrokken netbeheerder geeft daar uitvoering aan binnen een redelijke termijn na de ontvangst van het verzoek daartoe.

De kosten voor het wegnemen, verplaatsen of aanpassen zijn ten laste van de betrokken netbeheerder.

[Afdeling XII. Tarieven voor de aansluiting op en het gebruik van het distributienet (ing. decr. 27 november 2015, art. 8, I: 10 december 2015)]

[Onderafdeling I. Toepassingsgebied (ing. decr. 27 november 2015, art. 9, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.29. (10/12/2015- ...)

De aansluiting op en het gebruik van het distributienet voor de afname en/of injectie van elektriciteit, aardgas of biogas, met inbegrip van de meetdiensten en, in voorkomend geval, de ondersteunende diensten en de openbaredienstverplichtingen, maken het voorwerp uit van gereguleerde tarieven.

[Onderafdeling II. Algemene bepalingen (ing. decr. 27 november 2015, art. 11, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.30. (10/12/2015- ...)

§ 1. De VREG stelt een tariefmethodologie op en oefent zijn tariefbevoegdheid uit om aldus een stabiele en voorzienbare regulering te bevorderen die bijdraagt tot de goede werking van de vrijgemaakte markt en die de distributienetbeheerders in staat stelt de noodzakelijke investeringen in hun distributienetten uit te voeren.

§ 2. De VREG oefent zijn tariefbevoegdheid uit, rekening houdend met het algemene energiebeleid zoals gedefinieerd op Europees, federaal en gewestelijk niveau.

§ 3. De VREG motiveert volledig en op omstandige wijze zijn tariefbeslissingen, zowel op het vlak van de tariefmethodologieën als op het vlak van de tarieven. Indien een beslissing op economische of technische overwegingen steunt, maakt de motivering melding van alle elementen die de beslissing rechtvaardigen. Indien deze beslissingen op een vergelijking steunen, omvat de motivering alle gegevens die in aanmerking werden genomen om deze vergelijking te maken.

§ 4. De tarieven die van toepassing zijn, kunnen niet met terugwerkende kracht worden aangepast, zonder echter afbreuk te doen aan de verrekening van de saldi, of de compensatiemaatregelen na voorlopige tarieven.

[Onderafdeling III. Procedure voor het opstellen van de tariefmethodologie (ing. decr. 27 november 2015, art. 13, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.31. (10/12/2015- ...)

 § 1. Na gestructureerd, gedocumenteerd en transparant overleg met de distributienetbeheerders, werkt de VREG het ontwerp van tariefmethodologie uit die deze distributienetbeheerders moeten gebruiken voor het opstellen van hun tariefvoorstellen.

De overlegprocedure, vermeld in het eerste lid, komt tot stand met akkoord van en in samenspraak met de distributienetbeheerders. Bij gebrek aan een akkoord tussen de VREG en de distributienetbeheerders over de overlegprocedure, wordt het overleg ten minste gehouden als volgt:
1° de VREG stuurt de oproeping voor de overlegvergadering naar de distributienetbeheerders. De VREG maakt die oproeping minstens acht kalenderdagen vóór de vergadering in kwestie op zijn website bekend alsook de documentatie met betrekking tot de agendapunten van die overlegvergadering. De oproeping vermeldt de plaats, de datum en het uur van de overlegvergadering, alsook de agendapunten;
2° na de overlegvergadering stelt de VREG een ontwerp van proces-verbaal op van de overlegvergadering waarin de argumenten van de verschillende partijen worden opgenomen, alsook de vastgestelde punten waarover wel of geen overeenstemming bestaat. De VREG zendt dat verslag ter goedkeuring over aan de aanwezige partijen binnen acht kalenderdagen na de overlegvergadering.

§ 2. De VREG organiseert een openbare raadpleging over het ontwerp van tariefmethodologie. Tijdens die raadpleging krijgen alle belanghebbenden gedurende minstens vijfenveertig kalenderdagen de tijd om hun opmerkingen aan de VREG te bezorgen. Na afloop van die periode publiceert de VREG daarover binnen vijfenveertig kalenderdagen een gemotiveerd consultatieverslag.

§ 3. Na het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 1 en 2, stelt de VREG de tariefmethodologie vast. Onverminderd de toepassing van de algemene boekhoudkundige normen en regels, preciseert die tariefmethodologie onder andere:
1° de definitie van de kostencategorieën;
2° de algemene tariefstructuur, tariefdragers en de klantengroepen.

§ 4. Met inachtneming van de vertrouwelijkheid van informatie met een persoonlijk karakter of commercieel gevoelige informatie met betrekking tot de distributienetbeheerders, leveranciers of de netgebruikers publiceert de VREG op zijn website de toepasselijke tariefmethodologie, het geheel van de stukken met betrekking tot het overleg met de distributienetbeheerders, het gemotiveerd consultatieverslag, en alle documenten die nuttig worden geacht voor de motivering van de beslissing van de VREG over de tariefmethodologie.

[Onderafdeling IV. Richtsnoeren voor het opstellen van de tariefmethodologie (ing. decr. 27 november 2015, art. 15, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.32. (24/12/2018- ...)

§ 1. De VREG stelt de tariefmethodologie op met inachtneming van de volgende richtsnoeren:
1° de tariefmethodologie is volledig en transparant, zodat het voor de distributienetbeheerders mogelijk is om hun tariefvoorstellen op basis van de tariefmethodologie op te stellen. Ze bevat de elementen die verplicht zijn in het tariefvoorstel. Ze definieert rapporteringsmodellen die de distributienetbeheerders moeten gebruiken;
2° onverminderd de mogelijkheid om conform artikel 4.1.33, § 4, de tariefmethodologie tussentijds te herzien, stelt de tariefmethodologie het aantal jaren vast van de reguleringsperiode die aanvangt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de VREG de tariefmethodologie heeft vastgesteld;
3° de criteria voor de verwerping van kosten zijn niet-discriminerend en transparant;
4° de tarieven zijn niet-discriminerend en proportioneel;
5° de tarieven zijn een afspiegeling van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte en structureel vergelijkbare distributienetbeheerder;
6° de tarieven strekken ertoe een juist evenwicht te bieden tussen de kwaliteit van de gepresteerde diensten en de prijzen die door de netgebruikers worden gedragen. Dit wordt door de VREG onder andere gecontroleerd door middel van een vergelijking met distributienetactiviteiten in de andere gewesten en de buurlanden;
7° de verschillende tarieven worden gevormd op basis van een uniforme structuur op het grondgebied dat de distributienetbeheerder beheert;
8° in geval van fusie of wijzigingen van distributienetbeheerders kunnen tot het einde van de op het moment van die fusie of van die wijzigingen lopende evenals de daaropvolgende reguleringsperiode in elke geografische zone verschillende tarieven verder worden toegepast;
9° de vergoeding van in de gereguleerde activa geïnvesteerde kapitalen moet de distributienetbeheerder toelaten om de noodzakelijke investeringen te doen voor de uitoefening van zijn opdrachten en maakt een toegang tot kapitaal mogelijk;
10° de kosten voor de openbaredienstverplichtingen die worden opgelegd door of krachtens het decreet, en die niet worden gefinancierd door belastingen, taksen, subsidies, bijdragen en heffingen, worden op een transparante en niet-discriminerende wijze verrekend in de tarieven na controle door de VREG;
11° de tariefmethodologie bepaalt de nadere regels voor de integratie en controle van de gestrande kosten, die bestaan uit de lasten voor het niet-gekapitaliseerde aanvullend pensioen of het pensioen van de publieke sector, die worden betaald aan personeelsleden die een gereguleerde distributieactiviteit hebben verricht, die verschuldigd zijn krachtens statuten, collectieve arbeidsovereenkomsten of andere voldoende geformaliseerde overeenkomsten, die werden goedgekeurd vóór 30 april 1999, of die worden betaald aan hun rechthebbenden of vergoed aan hun werkgever door een distributienetbeheerder, die in de tarieven kunnen worden opgenomen;
12° de tariefmethodologie bepaalt de wijze van vaststelling van de positieve of negatieve saldi van de kosten, vermeld in 10° en 11°, en andere kosten of inkomsten die worden gerecupereerd of teruggegeven via de tarieven;
13° de productiviteitsinspanningen die aan de distributienetbeheerders worden opgelegd mogen op korte en op lange termijn noch de veiligheid van personen en goederen noch de continuïteit van de levering in het gedrang brengen;
14° de kruissubsidiëring tussen gereguleerde en niet-gereguleerde activiteiten is niet toegestaan;
15° de tariefmethodologie moedigt de distributienetbeheerders aan om hun efficiëntie te verbeteren, de integratie van de markt en de bevoorradingszekerheid te bevorderen en aan onderzoek en ontwikkeling te doen die nodig zijn voor hun activiteiten. Daarbij wordt onder andere rekening gehouden met de uitvoering van hun investeringsplannen;
16° de structuur van de tarieven bevordert het rationeel gebruik van energie en het rationeel gebruik van de infrastructuren;
17° de tarieven zijn een realistische weergave van de kostenvoordelen die kunnen voortvloeien uit de aansluiting op en het gebruik van het distributienet door installaties die gebruikmaken van hernieuwbare-energiebronnen en gedistribueerde opwekking;
18° de tarieven weerspiegelen de kostenbesparingen in distributienetten die worden behaald vanuit maatregelen die passen binnen het vraagzijdebeheer en kunnen een dynamische prijsstelling voor afnemers ondersteunen;
19° de tarieven bevatten geen prikkels die de algehele efficiëntie, inclusief de energie-efficiëntie, aantasten van de productie, de distributie en de levering van elektriciteit of die de marktdeelname van de vraagrespons in verband met balancerings- en nevendiensten kunnen belemmeren. De tarieven geven wel prikkels voor de deelname van vraagzijdemiddelen aan het aanbod op georganiseerde elektriciteitsmarkten en voor de levering van ondersteunende diensten;
20° de tarieven beletten netbeheerders of energiedetailhandelaren niet systeemdiensten beschikbaar te stellen voor vraagresponsmaatregelen, vraagzijdebeheer en gedistribueerde opwekking op georganiseerde elektriciteitsmarkten, met name:
a) verschuiven van de belasting van piekperioden naar dalperioden omdat de eindafnemer rekening houdt met de beschikbaarheid van hernieuwbare energie, energie uit warmte-krachtkoppeling en verspreide opwekking;
b) energiebesparing vanuit de vraagrespons van verspreide verbruikers door aggregatoren;
c) vermindering van de vraag resulterend uit energie-efficiëntiemaatregelen die door aanbieders van energiediensten met inbegrip van bedrijven die energiediensten leveren, zijn genomen;
d) de aansluiting op en verdeling van opwekkingsbronnen op lagere spanningsniveaus;
e) de aansluiting van opwekkingsbronnen vanuit een locatie dichterbij het verbruik;
f) energieopslag;
21° bij de invoering van een capaciteitstarief houden de tarieven rekening met regionaal objectiveerbare verschillen.

§ 2. De VREG kan de kosten van de distributienetbeheerders controleren en in voorkomend geval verwerpen, in het licht van de toepasselijke wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, en van de beoordelingscriteria, vermeld in paragraaf 1, 3°.

[Onderafdeling V. Procedure voor het indienen en goedkeuren van de tariefvoorstellen (ing. decr. 27 november 2015, art. 17, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.33. (10/12/2015- ...)

§ 1. De distributienetbeheerders stellen hun tariefvoorstellen op met inachtneming van de tariefmethodologie en dienen die in bij de VREG, met inachtneming van de indienings- en goedkeuringsprocedure voor de tariefvoorstellen.

§ 2. De VREG onderzoekt het tariefvoorstel, beslist over de goedkeuring ervan en deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de distributienetbeheerder met inachtneming van de indienings- en goedkeuringsprocedure voor de tariefvoorstellen.

§ 3. De VREG stelt de indienings- en goedkeuringsprocedure voor de tariefvoorstellen op met akkoord van en in samenspraak met de distributienetbeheerders. Bij gebrek aan een akkoord is de procedure als volgt:
1° de distributienetbeheerder dient binnen dertig kalenderdagen op voorstel van de VREG zijn tariefvoorstel in voor het volgende jaar in de vorm van het rapporteringsmodel dat de VREG vaststelt overeenkomstig artikel 4.1.32, § 1, 1° ;
2° de distributienetbeheerder bezorgt het tariefvoorstel in één exemplaar met een aangetekende brief aan de VREG of geeft het af tegen ontvangstbewijs. De distributienetbeheerder bezorgt tegelijk een elektronische versie van het tariefvoorstel dat de VREG kan bewerken;
3° binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het tariefvoorstel bevestigt de VREG aan de distributienetbeheerder met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs, alsook per e-mail, dat het dossier volledig is of bezorgt de distributienetbeheerder een lijst van aanvullende inlichtingen of vragen die de distributienetbeheerder moet verstrekken of beantwoorden. Binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van de voormelde lijst, verstrekt de distributienetbeheerder de gevraagde aanvullende inlichtingen, antwoorden en, in voorkomend geval, een aangepast tariefvoorstel met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs, en tegelijk op elektronische wijze aan de VREG. De onder dit punt vermelde procedure tot bekomen van bijkomende inlichtingen kan herhaald worden indien de VREG dit nuttig acht;
4° binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het tariefvoorstel, vermeld in punt 2°, of, in voorkomend geval, binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van de laatste antwoorden en de laatste aanvullende inlichtingen en, in voorkomend geval, een aangepast tariefvoorstel, van de distributienetbeheerder, vermeld in punt 3°, brengt de VREG de distributienetbeheerder met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs, en tegelijk op elektronische wijze op de hoogte van zijn ontwerp van beslissing over het tariefvoorstel in kwestie. Ingeval de VREG in zijn ontwerp beslist tot weigering van het tariefvoorstel geeft de VREG op gemotiveerde wijze aan welke punten de distributienetbeheerder moet aanpassen overeenkomstig de tariefmethodologie om een beslissing tot goedkeuring van de VREG te verkrijgen;
5° als de VREG een ontwerp van beslissing tot weigering van het tariefvoorstel aan de distributienetbeheerder bezorgt, kan de distributienetbeheerder binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van dat ontwerp van beslissing zijn bezwaren daarover meedelen aan de VREG. Die bezwaren worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of met een aangetekende brief verzonden aan de VREG, en tegelijk op elektronische wijze. De distributienetbeheerder kan binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het ontwerp van beslissing tot weigering van het tariefvoorstel, zijn aangepaste tariefvoorstel in één exemplaar met een aangetekende brief of door afgifte met ontvangstbewijs aan de VREG bezorgen. De distributienetbeheerder bezorgt tegelijk een elektronische kopie aan de VREG. Binnen vijftien kalenderdagen nadat de VREG het ontwerp van de beslissing over het tariefvoorstel of, in voorkomend geval, binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van de bezwaren en in voorkomend geval het aangepaste tariefvoorstel, heeft verzonden, brengt de VREG de distributienetbeheerder met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs, alsook elektronisch, op de hoogte van zijn beslissing tot goedkeuring of weigering van het in voorkomend geval aangepaste tariefvoorstel;
6° als de distributienetbeheerder zijn verplichtingen niet nakomt binnen de termijnen, vermeld in de punten 1° tot 5°, of als de VREG een beslissing heeft genomen tot weigering van het tariefvoorstel of tot weigering van het aangepaste tariefvoorstel, zijn voorlopige tarieven die de VREG oplegt, van kracht, tot de distributienetbeheerder zijn verplichtingen, vermeld in de punten 1° tot 5°, alsnog is nagekomen, tot alle rechtsmiddelen van de distributienetbeheerder of van de VREG zijn uitgeput, of tot over de twistpunten tussen de VREG en de distributienetbeheerder een akkoord wordt bereikt. De VREG is bevoegd om te besluiten tot passende compenserende maatregelen als de definitieve tarieven afwijken van de voorlopige tarieven.

§ 4. Onverminderd de mogelijkheid van de VREG om de tariefmethodologie of de tarieven gedurende de reguleringsperiode te allen tijde en in afwijking van de termijnen uit de procedure, vermeld in paragraaf 3, op eigen initiatief te wijzigen, kan een distributienetbeheerder, voor zover dat strikt noodzakelijk wordt geacht, binnen de reguleringsperiode een gemotiveerde vraag tot herziening van zijn tarieven voor de komende jaren van die tariefmethode ter goedkeuring voorleggen aan de VREG. Het gemotiveerd verzoek tot herziening van de tarieven houdt rekening met de tariefmethodologie, zonder de integriteit van de bestaande tariefstructuur te wijzigen. Het gemotiveerd verzoek tot herziening van de tarieven wordt door de distributienetbeheerder ingediend en door de VREG behandeld overeenkomstig de geldende procedure, vermeld in paragraaf 3.

§ 5. Met inachtneming van de vertrouwelijkheid van informatie met een persoonlijk karakter of van commercieel gevoelige informatie met betrekking tot de distributienetbeheerders, leveranciers of de netgebruikers publiceert de VREG op zijn website, op een transparante wijze, de stand van zaken van de goedkeuringsprocedure van de tariefvoorstellen, de ontwerpen van tarifaire beslissingen en, in voorkomend geval, de goedgekeurde tariefvoorstellen die de distributienetbeheerders hebben ingediend.

De VREG publiceert de tarieven en hun motivering binnen drie werkdagen na hun goedkeuring op zijn website. De VREG houdt rekening met een redelijke implementatietermijn voor de leveranciers.

§ 6. De distributienetbeheerders delen zo spoedig mogelijk aan hun toegangshouders de tarieven mee die ze moeten toepassen en stellen ze ter beschikking van alle personen die hierom verzoeken. Ze publiceren die tarieven ook zo spoedig mogelijk op hun website, samen met een berekeningsmodule die de praktische toepassing ervan preciseert.

[Onderafdeling VI. Beroepsprocedure tegen beslissingen van de VREG met betrekking tot de tarieven (ing. decr. 27 november 2015, art. 19, I: 10 december 2015)]

Artikel 4.1.34. (24/12/2018- ...)

Tegen de beslissingen die de VREG met toepassing van titel IV, hoofdstuk I, afdeling XII, heeft genomen, kan door iedere persoon die een belang aantoont, beroep aangetekend worden voor het Hof van Beroep te Brussel, dat zetelt zoals in kort geding.

Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld bij ondertekend verzoekschrift dat wordt neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet ter kennis is gebracht, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing, of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.

Binnen de drie werkdagen die volgen op de neerlegging van het verzoekschrift, wordt hiervan kennis gegeven via gerechtsbrief door de griffie van het Hof van Beroep aan alle partijen die door de verzoeker bij de zaak worden betrokken. De griffie van het Hof van Beroep vraagt de VREG het administratief dossier betreffende de aangevochten akte met het verzoekschrift bij de griffie neer te leggen. De neerlegging van het administratief dossier geschiedt ten laatste samen met de eerste conclusie van de VREG. Het administratief dossier kan door de partijen worden geraadpleegd bij de griffie van het Hof van Beroep vanaf de neerlegging ervan en tot de sluiting der debatten.

Het Hof van Beroep kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief oordelen dat de rechtsgevolgen van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing geheel of gedeeltelijk in stand blijven of voorlopig in stand blijven voor een termijn die het bepaalt. Deze maatregel kan evenwel enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing moet ook rekening houden met de belangen van derden.

HOOFDSTUK II. Technische reglementen

Artikel 4.2.1. (24/12/2018- ...)

§ 1. De VREG stelt, na voorafgaandelijk stakeholdersoverleg, een ontwerp van technisch reglement op voor het beheer van het elektriciteitsdistributienet, het aardgasdistributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Dit ontwerp van reglement wordt vervolgens ter consultatie aan de marktpartijen voorgelegd.

De reglementen bevatten telkens de bepalingen van toepassing op de gesloten distributienetten.

§ 2. De technische reglementen, vermeld in § 1, bevatten voor het beheer, de toegang tot en de aansluiting op het net in ieder geval :
1° de technische en operationele regels die verbonden zijn aan de taken die behoren tot het beheer van het net, vermeld in artikel 4.1.6;
2° de verplichtingen die opgelegd zijn aan producenten, evenwichtsverantwoordelijken, bevrachters, leveranciers, aanbieders van energiediensten met inbegrip van exploitanten van noodgroepen, aggregatoren, afnemers, om de netbeheerder in staat te stellen zijn net zo kwaliteitsvol mogelijk te beheren, inclusief de handels- en balanceringsvereisten opgelegd aan iedere leverancier van elektriciteit of aardgas aan afnemers in het Vlaamse Gewest;
3° de regels voor de uitwisseling van gegevens tussen de beheerder van het transmissienet, de vervoeronderneming, de distributienetbeheerders, de beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit, de beheerder van het gesloten distributienet, de producenten, de aardgasinvoerders, de evenwichtsverantwoordelijken, de bevrachters, de tussenpersonen, de leveranciers, de aanbieders van energiediensten met inbegrip van aggregatorenen de afnemers;
4° de regels die opgelegd zijn aan leveranciers en netbeheerders bij klant- of leverancierswissels, contractuele wijzigingen op het toegangspunt, de opname en rechtzetting van meterstanden en de allocatie en reconciliatie, inclusief de financiële verrekeningen tussen marktpartijen;
5° de eventuele technische uitvoeringsregels bij openbaredienstverplichtingen die opgelegd zijn aan leveranciers of netbeheerders op grond van dit decreet;
6° de informatieverplichtingen of voorafgaande goedkeuring of vaststelling door de VREG van de operationele regels, algemene voorwaarden, typeovereenkomsten, formulieren en procedures die gebruikt worden door de netbeheerder ten aanzien van leveranciers, aanbieders van energiediensten met inbegrip van aggregatoren en afnemers;
7° de prioriteit die moet worden gegeven aan kwalitatieve warmtekrachtinstallaties en aan productie-installaties van groene stroom;
8° de verplichting voor de netbeheerders tot het verstrekken van informatie aan de VREG over de beoordeling die zij uitvoeren van het potentieel voor energie-efficiëntie van hun gas- en elektriciteitsinfrastructuur, in het bijzonder wat betreft transport, distributie, beheer van de belasting van het net en interoperabiliteit, en de aansluiting op installaties voor energieopwekking, inclusief de toegangsmogelijkheden voor micro-energiegeneratoren;
9° de vaststelling of goedkeuring van niet-tarifaire toegangs- en aansluitingsvoorwaarden.

§ 3. De technische reglementen, vermeld in paragraaf 1, worden na een openbare consultatie goedgekeurd door de raad van bestuur van de VREG.

De technische reglementen treden pas in werking na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

HOOFDSTUK III. De levering van elektriciteit en aardgas

Afdeling I. De leveringsvergunning

Artikel 4.3.1. (26/08/2011- ...)

§ 1. De levering van elektriciteit en aardgas via het distributienet of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, aan afnemers, is onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een leveringsvergunning door de VREG of aan de eisen, gesteld door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of een andere gewestelijke bevoegde overheid in verband met de levering van elektriciteit of aardgas.

De levering van elektriciteit en aardgas door een netbeheerder in het kader van zijn taken, vermeld in artikel 4.1.6, of een openbaredienstverplichting die opgelegd is in dit decreet of een uitvoeringsbesluit ervan, is niet onderworpen aan de toekenning van een leveringsvergunning.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de voorwaarden en de procedure tot toekenning, wijziging en opheffing van een leveringsvergunning.

De voorwaarden tot toekenning van een leveringsvergunning hebben in ieder geval betrekking op :
1° de technische, organisatorische en financiële capaciteit van de aanvrager;
2° de professionele betrouwbaarheid van de aanvrager;
3° de capaciteit van de aanvrager om aan de behoeften van zijn afnemers te voldoen;
4° de openbaredienstverplichtingen die opgelegd zijn aan de leveranciers volgens dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan;
5° de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de aanvrager ten opzichte van de netbeheerders.

Bij gebrek aan een beslissing door de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van een volledig aanvraagdossier, waarvan het model wordt vastgesteld door de VREG, wordt de leveringsvergunning geacht verleend te zijn.

§ 3. Iedere leverancier die elektriciteit of aardgas levert aan afnemers in het Vlaamse Gewest voldoet aan de handels- en balanceringsvereisten, vastgelegd in de technische reglementen.

Afdeling II. Openbaredienstverplichtingen opgelegd aan de leveranciers

Artikel 4.3.2. (26/08/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, iedere leverancier die elektriciteit of aardgas levert aan afnemers in het Vlaamse Gewest openbaredienstverplichtingen opleggen met betrekking tot :
1° de facturatie van het elektriciteits- en aardgasverbruik;
2° de informatieverlening;
3° de behandeling van klachten van hun klanten;
4° maatregelen van sociale aard, zoals beschermingsmaatregelen bij wanbetaling en opzegging van het leveringscontract.

Artikel 4.3.2/1. (26/10/2012- ...)

Behoudens in de gevallen bepaald door de Vlaamse Regering kan een leverancier niet weigeren een huishoudelijke afnemer te beleveren.

Dit artikel treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum.

[Afdeling III. Noodleverancier (ing. decr. 16 november 2018, art. 17, I: 24 december 2018)]

Artikel 4.3.3. (24/12/2018- ...)

In het geval de VREG de leveringsvergunning van een leverancier, vermeld in artikel 4.3.1, intrekt, of indien een leverancier de toegang tot het net wordt ontzegd, of in geval van het faillissement van een leverancier, treedt de netbeheerder, wat betreft de afnemers van die leverancier die op zijn net zijn aangesloten, op als noodleverancier. De Vlaamse Regering bepaalt de maximale periode, die niet langer kan zijn dan zestig dagen, gedurende dewelke de netbeheerder voor die afnemers als noodleverancier kan optreden en de Vlaamse Regering kan ook nadere voorwaarden bepalen waaronder zij deze taak uitvoeren.

HOOFDSTUK IV. Vrije leverancierskeuze

Artikel 4.4.1. (26/08/2011- ...)

Iedere afnemer heeft de volgende rechten :
1° het recht om van elektriciteit of aardgas, naargelang het geval, te kunnen worden voorzien door een leverancier naar keuze;
2° het recht om kosteloos van leverancier te veranderen.

Als een afnemer wil veranderen van leverancier, met inachtneming van de contractuele voorwaarden van het leveringscontract met zijn leverancier, wordt dat binnen een termijn van drie weken na de ontvangst van dat bericht geregeld door de betrokken netbeheerder.

HOOFDSTUK V. [De aanleg en het beheer van directe lijnen en directe leidingen (verv. decr. 8 juli 2011, art. 30, I: 26 augustus 2011)]

Artikel 4.5.1. (01/01/2019- ...)

§ 1. De aanleg en het beheer van een directe lijn of een directe leiding die de grenzen van de eigen site niet overschrijdt om elektriciteit of aardgas te leveren, is altijd toegelaten.

De beheerder van de directe lijn of directe leiding, vermeld in het eerste lid, meldt elektronisch binnen de dertig dagen volgende op de ingebruikname dat die directe lijn of directe leiding in gebruik werd genomen en de ligging ervan:
1° aan de VREG wanneer het eilandwerking betreft. De VREG stelt daarvoor een meldingsformulier ter beschikking op zijn website;
2° aan de netbeheerder op wiens net de afnemer van die directe lijn is aangesloten. De netbeheerder stelt daarvoor een meldingsformulier ter beschikking op zijn website. De netbeheerder stelt de ontvangen gegevens op eerste vraag ter beschikking aan de VREG.

§ 2. De aanleg en het beheer van een directe lijn of een directe leiding die de grenzen van de eigen site overschrijdt om elektriciteit of aardgas te leveren, is alleen toegestaan na een voorafgaande toelating van de VREG. De VREG stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking op zijn website. De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan een directe lijn of directe leiding die de grenzen van de eigen site overschrijdt moet voldoen om te worden toegelaten.

De VREG beslist over de toelating binnen een termijn van zestig dagen nadat hij een aanvraag heeft ontvangen. De VREG wint in het kader van een aanvraag tot het verkrijgen van de toelating het advies in van de netbeheerder in wiens geografisch gebied de directe lijn of directe leiding gelegen is. Deze adviestermijn bedraagt vijftien dagen.

De VREG kan een aanvraag als vermeld in het eerste lid alleen weigeren in een van de hierna volgende gevallen:
1° de installaties die achter verschillende toegangspunten liggen worden met elkaar verbonden;
2° de rechten van afnemers worden niet gewaarborgd;
3° er is niet voldaan aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, die de Vlaamse Regering vastgesteld heeft;
4° de veiligheid van het net van de netbeheerder in wiens geografisch gebied de directe lijn of directe leiding is gelegen, komt aantoonbaar in het gedrang.

Onverminderd het derde lid houdt de VREG bij het beoordelen van een aanvraag als vermeld in het eerste lid met betrekking tot bestaande productie-installaties die voor 1 januari 2019 reeds zijn aangesloten op een net en die vanaf 1 januari 2019 hun aansluiting willen wijzigen om een directe lijn of directe leiding aan te leggen, bijkomend rekening met de risico's inzake inefficiëntie en de impact op de distributienettarieven.

De VREG brengt de aanvrager van de toelating en de netbeheerder in wiens geografisch gebied de directe lijn of directe leiding gelegen is, op de hoogte van zijn beslissing.

De VREG publiceert op zijn website een actuele lijst van de directe lijnen en de directe leidingen, waarvoor conform deze paragraaf een toelating is verleend, alsook van de beheerders van die directe lijnen en directe leidingen.

§ 3. Als de aanleg van een directe lijn of een directe leiding de eigen site overschrijdt en als het openbaar domein daarbij wordt doorkruist, zijn de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.27 en artikel 4.1.28, van overeenkomstige toepassing. De beheerder van de directe lijn of de directe leiding kan de procedure pas starten als hij de toelating van de VREG, vermeld in paragraaf 2, gekregen heeft.

Artikel 4.5.2. (26/08/2011- ...)

De taken van de beheerder van een directe lijn of leiding omvatten onder meer :
1° het beheer en het onderhoud van de directe lijn of leiding;
2° het verstrekken van de nodige meetgegevens en andere gegevens aan de producent, de afnemer en de VREG;
3° het verstrekken van de nodige inlichtingen aan de beheerder van het net waarop de directe lijn of leiding is aangesloten om een veilige en efficiënte uitbating en ontwikkeling van dat net te waarborgen.

[HOOFDSTUK VI. De aanleg en het beheer van een gesloten distributienet (ing. decr. 8 juli 2011, art. 33, I: 26 augustus 2011)]

Artikel 4.6.1. (01/01/2019- ...)

§ 1. De aanleg en het beheer van een gesloten distributienet op eigen site is toegelaten na voorafgaande melding aan de VREG.

§ 2. De aanleg van een gesloten distributienet dat de grenzen van de eigen site overschrijdt, is toegestaan na een voorafgaande toelating, verleend door de VREG, die hiertoe het advies van de betrokken netbeheerder inwint. De adviestermijn voor de betrokken netbeheerder bedraagt vijftien dagen. De VREG beslist over de toelating binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de aanvraag. Als de VREG oordeelt dat de toetsing van de aanvraag aan de voorwaarden uit dit hoofdstuk moeilijk tijdig uit te voeren is, dan deelt de VREG aan de aanvrager mee dat de termijn van zestig dagen verlengd wordt tot een termijn van negentig dagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel. Bij gebrek aan beslissing binnen de voormelde termijn, wordt de toelating geacht stilzwijgend te zijn verleend.

De VREG hanteert hierbij de criteria zoals vermeld in artikel 1.1.3, 56°/2, en houdt ook rekening met de risico's inzake inefficiëntie, de risico's inzake veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden.

De VREG kan de toelating opheffen zodra wordt vastgesteld dat niet meer aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, is voldaan.

Als door de aanleg van een gesloten distributienet het openbaar domein moet worden doorkruist, zijn de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.27 en artikel 4.1.28, van overeenkomstige toepassing. De procedure kan door de beheerder van het gesloten distributienet pas worden aangevat als de toelating van de VREG, vermeld in het eerste lid, verworven is.

§ 3. De VREG kan de nadere modaliteiten vastleggen voor de melding, de toekenning en de opheffing van de toelating, onverminderd wat bepaald is in paragraaf 2, eerste lid.

Artikel 4.6.2. (26/08/2011- ...)

De gebruikers van een gesloten distributienet van elektriciteit hebben alleen met de beheerder van dat gesloten distributienet een contractuele relatie, en niet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit of de transmissienetbeheerder.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder, de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit of de transmissienetbeheerder heeft alleen met de beheerder van een gesloten distributienet voor elektriciteit dat gekoppeld is aan zijn net, een reglementaire of contractuele relatie en niet met de gebruikers van het gesloten distributienet van elektriciteit.

De gebruikers van een gesloten distributienet van aardgas hebben alleen met de beheerder van het gesloten distributienet van aardgas een contractuele relatie, en niet met de aardgasdistributienetbeheerder en de beheerder van het vervoersnet.

De aardgasdistributienetbeheerder of de beheerder van het vervoersnet heeft alleen met de beheerder van een gesloten distributienet van aardgas dat gekoppeld is aan zijn net, een reglementaire of contractuele relatie en niet met de gebruikers van het gesloten distributienet van aardgas.

Artikel 4.6.3. (07/04/2014- ...)

Het beheer van een gesloten distributienet omvat, onder meer, de volgende taken :
1° het beheer van de elektriciteits- of aardgasstromen op zijn net, met daarbij het waarborgen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van zijn net, en in dat verband, het instaan voor de nodige ondersteunende diensten;
2° het aanhouden van voldoende netcapaciteit om de redelijke elektriciteits- en aardgasbehoefte te dekken van de achterliggende afnemers en om het vervoer van elektriciteit en aardgas van en naar het net waarmee het gesloten distributienet gekoppeld is, mogelijk te maken;
3° de uitbreiding van zijn net in het geografisch afgebakende gebied waarvoor hij werd aangewezen of, als er nog geen net aanwezig is, de aanleg van het net in dit geografisch afgebakende gebied;
4° de herstelling, het preventieve onderhoud, de vernieuwing en de verbetering van zijn net en de bijbehorende installaties;
5° het herstellen van onderbrekingen en storingen bij de elektriciteits- of aardgastoevoer via zijn net;
6° het opstellen, het bewaren en ter beschikking houden van de plannen van zijn net aan de bevoegde regulator, de gebruikers van het gesloten distributienet en de beheerder van het net waaraan zijn net is gekoppeld;
7° het aansluiten, afsluiten en heraansluiten van installaties op zijn net en het verzwaren van de aansluitingen op zijn net;
8° het verlenen van toegang tot zijn net;
9° het beheren van het toegangsregister van zijn net;
10° het ter beschikking stellen, de plaatsing, de activering, de desactivering, het onderhoud en het herstellen van meters en tellers op de toegangspunten op zijn net;
11° het aflezen van de meters en tellers op de toegangspunten op zijn net, de bepaling van de injectie en de afname van de achterliggende netgebruikers en de verwerking en de bewaring van die gegevens;
12° het verstrekken van de nodige meetgegevens en andere gegevens aan de producenten, de evenwichtsverantwoordelijken, de bevrachters, de tussenpersonen, de leveranciers, de aanbieders van energiediensten met inbegrip van aggregatoren, de afnemers en de VREG;
13° het verstrekken van de nodige inlichtingen aan de beheerders van de netten waaraan zijn net in kwestie gekoppeld is, om een veilige en efficiënte uitbating, een gecoördineerde ontwikkeling en een goede wisselwerking tussen de netten te waarborgen.

De beheerder van een gesloten distributienet kan de taken, vermeld in de punten 9 tot en met 12 van het vorig lid, uitbesteden aan de beheerder van het net waaraan zijn net is gekoppeld, waarbij deze laatste de uitvoering van deze taken niet kan weigeren.

Artikel 4.6.4. (26/08/2011- ...)

De beheerder van een gesloten distributienet kan activiteiten inzake levering of productie van elektriciteit en aardgas ondernemen, mits zijn net minder dan 100 000 achterliggende afnemers bedient.

Artikel 4.6.5. (07/04/2014- ...)

De beheerder van het gesloten distributienet onthoudt zich van elke vorm van discriminatie tussen aardgasinvoerders, evenwichtsverantwoordelijken, bevrachters, leveranciers, aanbieders van energiediensten met inbegrip van aggregatoren, tussenpersonen, achterliggende netgebruikers en categorieën van achterliggende netgebruikers.

Artikel 4.6.6. (12/04/2012- ...)

De beheerder van het gesloten distributienet behandelt alle persoonlijke en commerciële gegevens die hij bij de uitoefening van zijn taken verwerft strikt vertrouwelijk.

De beheerder van het gesloten distributienet neemt de nodige maatregelen om de toegang tot die gegevens en de verwerking van die gegevens te beperken tot de leden van het orgaan dat belast is met zijn dagelijkse leiding en de personeelsleden die deze gegevens nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

Artikel 4.6.7. (26/08/2011- ...)

De personeelsleden en bestuurders van de beheerder van het gesloten distributienet mogen de vertrouwelijke gegevens die hun ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij de beheerder van het gesloten distributienet aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen, zonder afbreuk te doen aan de informatieverplichtingen die uitdrukkelijk door dit decreet of de bijbehorende uitvoeringsbesluiten, met inbegrip van de technische reglementen, zijn bepaald en toegestaan.

Artikel 4.6.8. (26/08/2011- ...)

Iedere beheerder van het gesloten distributienet maakt de geldende tarieven en voorwaarden voor de aansluiting op zijn net bekend aan de achterliggende netgebruikers.

Artikel 4.6.9. (07/04/2014- ...)

§ 1. Achterliggende netgebruikers hebben recht op toegang tot een gesloten distributienet voor de afname en injectie van elektriciteit of aardgas.

De technische reglementen bepalen wie door de toegangsgerechtigden, bedoeld in het voorgaande lid, als toegangshouder op een toegangspunt aangeduid kan worden.

§ 2. Iedere beheerder van het gesloten distributienet maakt de geldende tarieven en voorwaarden waartegen de toegangshouder toegang tot het gesloten distributienet kan verkrijgen bekend aan de achterliggende netgebruikers op dat gesloten distributienet.

§ 3. Een beheerder van een gesloten distributienet kan de toegang tot zijn net alleen weigeren, beëindigen of opschorten in één of meer van onderstaande gevallen :
1° zijn net beschikt niet over voldoende capaciteit om het vervoer te verzekeren;
2° de veilige en betrouwbare werking van zijn net komt in het gedrang;
3° de aanvrager van de toegang tot het net voldoet niet of de toegangshouder voldoet niet meer aan de voorwaarden voor toegang tot zijn net, omschreven in het van toepassing zijnde technische reglement, het reglement of contract van de beheerder van het gesloten distributienet.

Bij een weigering, beëindiging of opschorting van de toegang tot zijn net stuurt de beheerder van het gesloten distributienet aan de aanvrager van de toegang tot zijn net of aan de toegangshouder een schriftelijke en gemotiveerde verklaring.

De beheerder van het gesloten distributienet kan de toegang tot zijn net alleen opschorten of beëindigen na voorafgaande toestemming door de VREG, tenzij in één van de volgende vier gevallen :
1° bij overmacht of een noodsituatie, zoals omschreven in het van toepassing zijnde technisch reglement;
2° in geval de toegangshouder geen evenwichtsverantwoordelijke of bevrachter meer heeft;
3° de beheerder van het gesloten distributienet oordeelt dat er een ernstig risico bestaat voor de veiligheid van personen of materieel;
4° voor een individueel toegangspunt, het aansluitingsvermogen op aanzienlijke wijze overschreden wordt.

§ 4. Tegen een weigering, opschorting of beëindiging van toegang tot het gesloten distributienet kan overeenkomstig artikel 3.1.4/3, zonder voorafgaande bemiddeling, een geschillenbeslechtingsprocedure gevoerd worden bij de VREG.

Als de VREG oordeelt dat de weigering, opschorting of beëindiging van de toegang onterecht was, geeft de beheerder van het gesloten distributienet de betrokken persoon alsnog of opnieuw toegang tot zijn net.

Als de VREG oordeelt dat de weigering, opschorting of beëindiging van de toegang terecht was, heeft de betrokken persoon de mogelijkheid zich te wenden tot de beheerder van het net waaraan het gesloten distributienet gekoppeld is.

Artikel 4.6.10. (10/12/2015- ...)

Iedere beheerder van een gesloten distributienet past voor de aansluiting, het gebruik en de ondersteunende diensten die van toepassing zijn op dat net, tarieven toe die in overeenstemming zijn met de volgende richtsnoeren:
1° de tarieven zijn niet-discriminerend, gebaseerd op de kosten en een redelijke winstmarge;
2° de tarieven zijn transparant voor de gebruiker van een gesloten distributienet;
3° het tarief dat de beheerder van een gesloten distributienet op de gebruikers van dat net toepast, omvat de kosten voor aansluiting, gebruik en ondersteunende diensten, alsook in voorkomend geval, de kosten die verband houden met de extra lasten die het gesloten distributienet moet dragen om het transmissie- of distributienet of het plaatselijk vervoersnet voor elektriciteit waarop hij aangesloten is te gebruiken;
4° de beheerder van het gesloten distributienet kiest de afschrijvingstermijnen en de winstmarges gekozen binnen de marges tussen de waarden die hij toepast in zijn belangrijkste bedrijfssector en de marges die in de distributienetten worden toegepast;
5° de tarieven zijn, wat de aansluiting, de versterking ervan en de vernieuwing van de uitrusting van het net betreft, afhankelijk van de mate van socialisering of individualisering van de investeringen die eigen zijn aan de locatie, rekening houdend met het aantal gebruikers van het gesloten distributienet.

[HOOFDSTUK VII. De aanleg en het beheer van een privédistributienet (ing. decr. 8 juli 2011, art. 35, I: 26 augustus 2011)]

Artikel 4.7.1. (01/01/2019- ...)

§ 1. De aanleg en het beheer van een privédistributienet is principieel verboden.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de aanleg en het beheer van volgende privédistributienetten toegelaten :
1° privédistributienetten waarbij de distributie van elektriciteit of aardgas een inherent en ondergeschikt karakter heeft ten opzichte van het geheel van diensten die door de beheerder van het privédistributienet aan de achterliggende afnemer worden geleverd, zoals bij garageverhuur, bij verhuur van een studentenkamer, een verblijfplaats in een recreatie- of vakantiepark, een kamer in een rusthuis, de terbeschikkingstelling van een standplaats bij markten, evenementen en kermissen;
2° laadpunten voor voertuigen.

Een privédistributienet kan een openbare weg, waterloop, treinspoor of ander openbaar domein alleen kruisen als hiertoe toestemming van de distributienetbeheerder verkregen is. De netbeheerder beslist over de toestemming binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de aanvraag. Als de netbeheerder oordeelt dat de toetsing van de aanvraag aan de voorwaarden uit dit hoofdstuk moeilijk tijdig uit te voeren is, dan deelt de netbeheerder aan de aanvrager mee dat de termijn van zestig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van negentig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

Als door de aanleg van een privédistributienet het openbaar domein moet worden doorkruist, zijn de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.27 en artikel 4.1.28, van overeenkomstige toepassing. De procedure kan door de beheerder van het privédistributienet pas worden aangevat als de toelating van de distributienetbeheerder, vermeld in het tweede lid, verworven is.

Artikel 4.7.2. (26/08/2011- ...)

De gebruikers van een privédistributienet hebben alleen met de beheerder van het privédistributienet een contractuele relatie, en niet met de distributienetbeheerder, de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, de transmissienetbeheerder of de beheerder van het vervoersnet waarop het privédistributienet aangesloten is.

De distributienetbeheerder, de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, de transmissienetbeheerder of de beheerder van het vervoersnet heeft alleen met de beheerder van het privédistributienet aangesloten op zijn net een reglementaire of contractuele relatie, en niet met de gebruikers van dat privédistributienet.

Het privédistributienet is op elk moment slechts via één aansluitingspunt verbonden met het distributienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het transmissienet of het vervoersnet, tenzij de betrokken beheerders toestemming verlenen voor een meervoudige verbinding.

Artikel 4.7.3. (26/08/2011- ...)

De beheerder van een privédistributienet is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van zijn privédistributienet.

Artikel 4.7.4. (26/08/2011- ...)

De beheerder van een privédistributienet heeft geen openbare dienstverplichtingen ten aanzien van de achterliggende afnemer.

[TITEL IV/1. DE ORGANISATIE VAN DE UITBATING VAN WARMTE- EN KOUDENETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

[HOOFDSTUK I. Het beheer van de warmte- en koudenetten in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

[Afdeling I. Activiteiten van de warmte- of koudenetbeheerders (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Het beheer van een warmte- of koudenet omvat onder meer de volgende taken:
1° het beheer en onderhoud en het ontwikkelen onder economische voorwaarden van een veilig, betrouwbaar en efficiënt warmte- of koudenet, met inachtneming van het milieu en de energie-efficiëntie van het warmte- of koudenet, en het instaan voor de nodige ondersteunende diensten ervoor;
2° het aanhouden van voldoende capaciteit om de warmte- of koudebehoefte te dekken van de warmte- of koudeafnemers die aangesloten zijn op zijn warmte- of koudenet;
3° de herstelling, het preventieve onderhoud, de vernieuwing en de verbetering van zijn warmte- of koudenet en de bijbehorende installaties;
4° het herstellen van onderbrekingen en storingen bij de toevoer van warmte of koude via zijn net;
5° het opstellen, het bewaren en ter beschikking stellen van de plannen van zijn warmte- of koudenet;
6° het aansluiten, verzegelen, afsluiten en heraansluiten van installaties op zijn warmte- of koudenet en het verzwaren van de aansluitingen op zijn warmte- of koudenet;
7° het verlenen van toegang tot zijn warmte- of koudenet;
8° het beheren van het toegangsregister van zijn warmte- of koudenet;
9° het ter beschikking stellen, de plaatsing, de activering, de desactivering, het onderhoud en het herstellen van meters en tellers op de toegangspunten op zijn warmte- of koudenet;
10° het aflezen van de meters en tellers op de toegangspunten op zijn warmte- of koudenet, de bepaling van de injectie en de afname van de warmte- of koudeproducenten en van de warmte- of koudeafnemers die aangesloten zijn op zijn warmte- of koudenet, en de verwerking en de bewaring van die gegevens;
11° het verstrekken van de nodige meetgegevens en andere gegevens aan de warmteproducenten, de warmte- of koudeleveranciers, de warmte- of koudeafnemers en de VREG;
12° het actief detecteren en vaststellen van alle vormen van energiefraude, en het nemen van maatregelen om energiefraude te vermijden.

De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen voor de taken, vermeld in het eerste lid. Die regels kunnen de taken van de warmte- of koudenetbeheerders verder preciseren en concretiseren.

[Afdeling II. Aansluiting op een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Iedere warmte- of koudenetbeheerder maakt de geldende tarieven en voorwaarden bekend voor de aansluiting op zijn warmte- of koudenet.

[Afdeling III. Toegang tot een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Als de warmte- of koudenetbeheerder niet optreedt als leverancier van thermische energie, maakt hij de geldende tarieven bekend en de voorwaarden waaronder de toegangshouder voor thermische energie toegang tot het warmte- of koudenet kan verkrijgen.

[Afdeling IV. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan de warmte- of koudenetbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen met betrekking tot hun dienstverlening aan warmte- of koudeafnemers en aanvragers van een aansluiting op hun warmte- of koudenet.

Die openbaredienstverplichtingen kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° de informatieverlening en het eventuele voorafgaande overleg bij een onderbreking van de toevoer van thermische energie voor de aanleg, het onderhoud en de herstelling van het net;
2° de karakteristieken van de geleverde thermische energie;
3° de termijnen waarin aanvragen voor nieuwe aansluitingen en aanpassingen van aansluitingen behandeld en uitgevoerd worden;
4° de termijnen waarin klachten en vragen van warmte- of koudeafnemers behandeld worden;
5° de facturatie aan warmte- of koudeafnemers;
6° de informatieverlening aan warmte- of koudeafnemers en aanvragers van een aansluiting op het warmte- of koudenet;
7° de behandeling van klachten van warmte- of koudeafnemers en aanvragers van een aansluiting op het warmte- of koudenet.

Artikel 4/1.1.5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan de warmte- of koudenetbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen met betrekking tot hun dienstverlening aan de warmte- of koudeleveranciers die toegang hebben tot hun warmte- of koudenet, of aan de personen die de warmte- of koudeleveranciers aangesteld hebben.

De openbaredienstverplichtingen kunnen onder meer betrekking hebben op de termijnen waarin de meetgegevens en de aansluitingsgegevens van de klanten van de warmte- of koudeleverancier door de warmte- of koudenetbeheerder worden bezorgd aan de warmte- of koudeleveranciers of aan de personen die de warmte- of koudeleveranciers aangesteld hebben.

Artikel 4/1.1.6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan de netbeheerders extra openbaredienstverplichtingen opleggen, naast de openbaredienstverplichtingen van dit decreet, met betrekking tot:
1° hun investeringen in het warmte- of koudenet;
2° de procedure die de warmte- of koudenetbeheerders moeten volgen bij wanbetaling door de warmte- of koudeafnemer;
3° het nemen van maatregelen van sociale aard.

De gemeenten en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn verlenen hun medewerking aan de warmte- of koudenetbeheerders bij de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen die hun opgelegd zijn volgens dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm waarin die medewerking zal bestaan.

[Afdeling V. Prerogatieven van de warmte- of koudenetbeheerders (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

[Onderafdeling I. Erfdienstbaarheden ten voordele van de netbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. De warmte- of koudenetbeheerders hebben als erfdienstbaarheid het recht:
1° boomtakken af te hakken die te dicht bij de bovengrondse leidingen van een warmte- of koudenet komen en die schade aan de leiding kunnen veroorzaken;
2° wortels in te korten die te dicht bij ondergrondse leidingen van een warmte- of koudenet komen en die schade aan de leiding kunnen veroorzaken.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 1° en 2°, kan de warmte- of koudenetbeheerder ook overgaan tot het rooien van de aanwezige bomen en beplantingen als om veiligheidsredenen het recht, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, niet volstaat.

§ 3. De Vlaamse Regering kan voor elk geval afzonderlijk bepalen of het voor de warmte- of koudenetbeheerder van algemeen nut is om leidingen van een warmte- of koudenet aan te leggen boven of onder private onbebouwde gronden en welke voorwaarden daarbij gelden.

De warmte- of koudenetbeheerder heeft in dat geval het recht de leidingen van een warmte- of koudenet aan te leggen boven of onder die gronden, voor het toezicht daarop te zorgen en de noodzakelijke onderhouds- en herstellingswerken uit te voeren.

§ 4. De aangelegde leidingen en de bijbehorende uitrustingen blijven eigendom van de warmte- of koudenetbeheerder. Hij is ertoe gemachtigd alle nodige instandhoudingswerken daarvoor uit te voeren.

§ 5. Behalve in hoogdringende gevallen waarbij de veiligheid imminent in het gedrang komt, wordt het recht wortels in te korten of boomtakken af te hakken, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, en het recht om te rooien, vermeld in paragraaf 2, afhankelijk gesteld van de expliciete weigering van de eigenaar of, in voorkomend geval, van de domeinbeheerder, pachter, huurder of een andere houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed om zelf binnen een redelijke termijn te kappen, in te korten of te rooien, of van het feit dat hij gedurende een maand het verzoek van de warmte- of koudenetbeheerder zonder gevolg heeft gelaten. In die gevallen kan de warmte- of koudenetbeheerder overgaan tot inkorten, afhakken of rooien op kosten van de eigenaar. Als de warmte- of koudenetbeheerder overgaat tot afhakken, inkorten of rooien wegens hoogdringendheid, is dat voor rekening van de netbeheerder zelf.

Behalve in hoogdringende gevallen waarbij de veiligheid imminent in het gedrang komt, mogen de werken, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, door de warmte- of koudenetbeheerder pas worden aangevangen na de rechtstreekse voorafgaande kennisgeving met een aangetekende brief aan de belanghebbende eigenaars, huurders, pachters, domeinbeheerder en iedere andere houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed. Die kennisgeving vindt minstens twee maanden voor de geplande start van de werken plaats.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de te volgen procedure bij de uitvoering van die rechten.

Artikel 4/1.1.8.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. Als de aanwezige bomen en beplantingen gerooid worden, als vermeld in artikel 4/1.1.7, § 2, is de warmte- of koudenetbeheerder een eenmalige vergoeding verschuldigd aan de eigenaar als vergoeding voor de gerooide bomen en beplantingen en voor de eventuele minwaarde van het onroerend goed.

§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de procedure om de hoogte van de vergoeding te bepalen.

§ 3. Als partijen niet tot een minnelijke overeenkomst komen, wordt het geschil voorgelegd aan de vrederechter.

Artikel 4/1.1.9.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De uitoefening door de warmte- of koudenetbeheerder van het recht, vermeld in artikel 4/1.1.7, kan de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of de houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed niet hinderen in zijn recht van omheinen, afbreken, verbouwen, herstellen of bouwen.

Als de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of houder van een zakelijk recht een dergelijk recht als vermeld in het eerste lid, wil uitoefenen, moet de warmte- of koudenetbeheerder de ondergrondse leidingen en de bovengrondse leidingen die geplaatst zijn op de onbebouwde grond, wegnemen, verplaatsen of aanpassen als ze de uitvoering van de rechten, vermeld in het eerste lid, hinderen. De eigenaar, pachter, domeinbeheerder of de houder van een zakelijk recht op het bewuste onroerend goed bezorgt de betrokken warmte- of koudenetbeheerder dat verzoek minstens zes maanden voor de geplande start van de werken.

De kosten voor het wegnemen, verplaatsen of aanpassen zijn ten laste van de warmte- of koudenetbeheerder in kwestie.

De betrokken warmte- of koudenetbeheerder kan die kosten terugvorderen van respectievelijk de eigenaar, pachter, domeinbeheerder of van de houder van een zakelijk recht als die nog niet gestart is met de werken binnen een termijn van drie jaar na het verzoek tot wegneming, verplaatsing of aanpassing.

[Onderafdeling II. Onteigeningen door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.10.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. Warmte- of koudenetbeheerders die daartoe gemachtigd zijn door de Vlaamse Regering, kunnen overeenkomstig de reglementering over de onteigening ten algemenen nutte in eigen naam en voor eigen rekening onroerende goederen onteigenen die voor de rechtstreekse verwezenlijking van hun doel nodig zijn, met uitzondering van het gewestelijk openbaar domein.

De onteigeningen, vermeld in het eerste lid, zullen worden gevorderd met toepassing van de gemeenrechtelijke onteigeningsprocedure of van de rechtspleging in urgente omstandigheden.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Vlaamse Regering aan de warmte- of koudenetbeheerder op het gewestelijk openbaar domein domeintoelatingen, vergunningen voor privatief gebruik of domeinconcessies verlenen via het gelasten van de door haar of bij decreet aangestelde domeinbeheerder.

[Onderafdeling III. Recht op toegang van de warmte- of koudenetbeheerder tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de netgebruiker (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.11.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De warmte- of koudenetbeheerder heeft recht op toegang tot de ruimtes waar de warmtewisselaar en de installatie voor de registratie van geleverde thermische energie zijn opgesteld en waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, voor werken aan de aansluiting, de plaatsing, de inschakeling, de controle of de meteropname van de warmtewisselaar en van de installatie voor de registratie van geleverde thermische energie.

De netgebruiker verschaft de warmte- of koudenetbeheerder onmiddellijk toegang op eenvoudig mondeling verzoek na een behoorlijke legitimatie.

[Onderafdeling IV. Gebruik van persoonlijke gegevens door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.12.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De warmte- of koudenetbeheerders kunnen voor de unieke identificatie van warmte- of koudenetgebruikers het ondernemingsnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer opvragen en gebruiken.

[Afdeling VI. Gebruik van het openbaar domein door de warmte- of koudenetbeheerder (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.1.13.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. De warmte- of koudenetbeheerder heeft het recht het openbaar domein te gebruiken voor de aanleg en het onderhoud van leidingen boven of onder het openbaar domein en de bijbehorende uitrustingen als hij over een voorafgaande domeintoelating van de domeinbeheerder beschikt. Daarbij gelden de voorwaarden die de domeinbeheerder nuttig acht bij de verlening van de domeintoelating.

§ 2. In afwijking van de procedure, vermeld in paragraaf 1, wordt, als voor de geplande werkzaamheden, vermeld in paragraaf 1, zowel een domeintoelating als een stedenbouwkundige vergunning nodig is, de aanvraag van een domeintoelating samengevoegd met de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning. Beide aanvragen worden samen ingediend bij het vergunningverlenende bestuursorgaan.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan verzoekt binnen tien dagen na de ontvangst van de aanvraag elke domeinbeheerder op het openbaar domein van wie het geplande traject loopt of de werkzaamheden gepland zijn, om een domeintoelating als vermeld in paragraaf 1, te verlenen of af te wijzen. De domeinbeheerders op wie het verzoek betrekking heeft, brengen het vergunningverlenende bestuursorgaan op de hoogte van hun beslissing en ze houden daarbij rekening met de volgende regelingen:
1° als de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een openbaar onderzoek als vermeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt het vergunningverlenende bestuursorgaan op de hoogte gebracht van de beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag nadat het openbaar onderzoek is afgesloten;
2° in alle andere gevallen wordt het vergunningverlenende bestuursorgaan op de hoogte gebracht van de beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek. Die termijn kan door de domeinbeheerder eenmalig gemotiveerd worden verlengd met vijftien dagen.

Als de domeinbeheerder binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing neemt, wordt de aanvraag van de domeintoelating geacht te zijn toegestaan.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan brengt de aanvrager op de hoogte van de beslissingen over het verlenen van de domeintoelatingen en de stedenbouwkundige vergunning met een aangetekende brief of met een andere beveiligde zending als vermeld in artikel 1.1.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de na te leven voorwaarden, de dossiersamenstelling en de te volgen procedure.

Artikel 4/1.1.14.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De domeinbeheerder kan om redenen van algemeen belang op elk moment voorwaarden van de domeintoelating toevoegen of aanpassen of de warmte- of koudenetbeheerder verplichten de ondergrondse of bovengrondse leidingen en de steunen die geplaatst zijn op het openbaar domein, weg te nemen, te verplaatsen of aan te passen. De betrokken warmte- of koudenetbeheerder geeft daar uitvoering aan binnen een redelijke termijn na de ontvangst van het verzoek daarom.

De kosten voor het wegnemen, verplaatsen of aanpassen zijn ten laste van de betrokken warmte- of koudenetbeheerder.

[HOOFDSTUK II. Technische voorschriften voor het beheer van warmte- of koudenetten (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

[Afdeling I. Technische reglementen (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.2.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. De VREG kan, na voorafgaand stakeholdersoverleg, een ontwerp van technisch reglement opstellen voor het beheer van warmte- of koudenetten. Dat ontwerp van reglement wordt ter consultatie aan de marktpartijen voorgelegd.

§ 2. Het technisch reglement, vermeld in paragraaf 1, kan voor het beheer van, de toegang tot en de aansluiting op het net onder meer de volgende bepalingen bevatten:
1° de technische en operationele regels die verbonden zijn aan de taken die behoren tot het beheer van het warmte- of koudenet, vermeld in artikel 4/1.1.1;
2° de verplichtingen die opgelegd zijn aan warmte- of koudeproducenten, warmte- of koudeleveranciers, warmte- of koudeafnemers, aanvragers van toegang tot het warmte- of koudenet en aanvragers van een aansluiting op het warmte- of koudenet, om de warmte- of koudenetbeheerder in staat te stellen zijn warmte- of koudenet zo kwaliteitsvol mogelijk te beheren, inclusief de vereisten die opgelegd zijn aan iedere warmte- of koudeleverancier in het Vlaamse Gewest;
3° de regels voor de uitwisseling van gegevens tussen de warmte- of koudebeheerders, de warmte- of koudeproducenten, de warmte- of koudeleveranciers, en de warmte- of koudeafnemers;
4° de regels die opgelegd zijn aan warmte- of koudeleveranciers en warmte- of koudenetbeheerders bij klantenwissels, verhuizing, bewoning naar een nieuwe of verzegelde woning, verzegeling, afsluiting, de beëindiging van een leveringscontract, de opname en rechtzetting van meterstanden en de allocatie en reconciliatie, inclusief de financiële verrekeningen;
5° de eventuele technische uitvoeringsregels bij openbaredienstverplichtingen die opgelegd zijn aan warmte- of koudeleveranciers of warmte- of koudenetbeheerders op grond van dit decreet;
6° de informatieverplichtingen of de voorafgaande goedkeuring door de VREG van de operationele regels, de algemene voorwaarden, de typeovereenkomsten, de formulieren en de procedures die gebruikt worden door de warmte- of koudenetbeheerder ten aanzien van warmte- of koudeleveranciers en warmte- of koudeafnemers;
7° de prioriteit die in voorkomend geval moet worden gegeven aan kwalitatieve warmte-krachtinstallaties en aan productie-installaties van groene warmte;
8° de verplichting voor de warmte- of koudenetbeheerders om informatie te verstrekken aan de VREG over de beoordeling die ze uitvoeren van het potentieel voor energie-efficiëntie van hun netinfrastructuur, in het bijzonder wat betreft vervoer van thermische energie, beheer van de belasting van het net en interoperabiliteit, en de aansluiting op installaties voor energieopwekking, inclusief de toegangsmogelijkheden voor micro-energiegeneratoren.

§ 3. Het technisch reglement, vermeld in paragraaf 1, is onderworpen aan de goedkeuring van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt de beslissing tot niet-goedkeuring onverwijld meegedeeld aan de VREG, die, rekening houdend met de opmerkingen van de Vlaamse Regering, de gevraagde aanpassingen verricht. Daarna wordt het technisch reglement opnieuw ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

De technische reglementen treden pas in werking na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

[Afdeling II. Verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.2.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. Als de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, wordt een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en de nadere regels bepalen voor de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan de koude- of warmtenetbeheerder of de beheerder van een centrale bron, die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, moet voldoen om een dergelijk warmte- of koudenet of een bron te mogen uitbaten.

§ 3. De warmte- of koudenetbeheerder of de beheerder van een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, zorgt ervoor dat in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit zijn warmte- of koudenet of zijn centrale bron individuele verbruiksmeters geïnstalleerd worden om het warmte- of koelingsverbruik of het warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten.

De Vlaamse Regering kan uitzonderingen bepalen voor de gevallen waarin het technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om een dergelijke meter te installeren. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke voorwaarden de meters moeten voldoen. De partijen die via dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan toegang krijgen tot de gegevens van de meters, zorgen ervoor dat de dataveiligheid op elk moment gegarandeerd wordt en dat voldaan wordt aan de de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de transparante en accurate berekening van het individuele verbruik en voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik voor:
1° warm water voor huishoudelijk gebruik;
2° warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten;
3° de verwarming van de appartementen.

[HOOFDSTUK III. De levering van thermische energie via een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

[Afdeling I. De levering van thermische energie via een warmte- of koudenet (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.3.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De leverancier van thermische energie via een warmte- of koudenet voert onder meer de volgende taken uit:
1° de levering van thermische energie;
2° de facturatie voor de levering van thermische energie en voor het gebruik van het warmte- of koudenet;
3° het garanderen van het evenwicht tussen de injectie van thermische energie door de warmteproducenten met wie hij een overeenkomst heeft gesloten, en de warmte- of koudeafname van zijn afnemers van thermische energie;
3° informatieverlening;
4° de behandeling van de klachten van zijn klanten;
5° het nemen van maatregelen van sociale aard, zoals beschermingsmaatregelen bij wanbetaling en opzegging van het leveringscontract.

De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen voor de taken, vermeld in het eerste lid. In die regels kunnen de taken van de leveranciers van thermische energie verder worden gepreciseerd en geconcretiseerd.

[Afdeling II. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de warmte- of koudeleveranciers (ing. decr. 10 maart 2017, art. 14, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 4/1.3.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan iedere leverancier die thermische energie levert aan warmte- of koudeafnemers in het Vlaamse Gewest via een warmte- of koudenet, openbaredienstverplichtingen opleggen voor:
1° de facturatie van het verbruik van thermische energie;
2° informatieverlening;
3° de behandeling van klachten van zijn klanten;
4° het nemen van maatregelen van sociale aard, zoals beschermingsmaatregelen bij wanbetaling en opzegging van het leveringscontract.

[TITEL V. HET VOORKOMEN, DETECTEREN EN VASTSTELLEN VAN ENERGIEFRAUDE (ing. decr. 24 februari 2017, art. 8, I: 22 maart 2017)]

Artikel 5.1.1. (24/12/2018- ...)

De distributienetbeheerders of hun werkmaatschappij stellen jaarlijks gezamenlijk een actieplan op voor het komende jaar over het voorkomen, detecteren en vaststellen van energiefraude en bezorgen dat aan de minister voor 30 november.

De distributienetbeheerders stellen jaarlijks een rapport op over het afgelopen jaar over het voorkomen, detecteren en vaststellen van energiefraude en bezorgen dat aan de minister voor 1 mei.

Artikel 5.1.2. (01/04/2017- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Onverminderd de bepalingen van artikel 6.1.2 kan de netbeheerder de toevoer van elektriciteit of aardgas afsluiten met het oog op een regularisatie van het net, de aansluiting of van de meetinstallatie door de netgebruiker als er energiefraude door de netgebruiker als vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, a), b), c), d) en g), wordt vastgesteld, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald.

De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt om de energiefraude, vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, a), b), c), d) en g), ongedaan te maken, de kosten van de afsluiting, bedoeld in voorgaand lid, de regularisatie van de aansluiting of van de meetinstallatie, de heraansluiting, de kosten voor het onrechtmatig verkregen voordeel en de interesten zijn ten laste van de betreffende netgebruiker.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, richtlijnen uitvaardigen voor de wijze waarop de hoeveelheid onrechtmatig verkregen voordeel kan worden berekend.

Artikel 5.1.3. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Onverminderd de wet van 7 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaring te doen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat zijn, onderneemt de netbeheerder of beheerder van het transmissienet met toepassing van dit hoofdstuk voor de uitbetaling van groenestroomcertificaten, warmtekrachtkoppelingscertificaten, vergoedingen en premies die zijn ingesteld ter uitvoering van titel VII en VIII van dit decreet de volgende handelingen:
1° als een vermoeden bestaat dat er energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, e) of f), van dit decreet wordt gepleegd, wordt de uitbetaling tijdelijk opgeschort totdat vastgesteld is of er al dan niet energiefraude is gepleegd;
2° als vaststaat dat er energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, e) of f), van dit decreet, wordt gepleegd of is gepleegd, wordt de uitbetaling definitief stopgezet en wordt de steun teruggevorderd die onterecht is uitgekeerd.

De kosten die de netbeheerder of beheerder van het transmissienet heeft gemaakt om de energiefraude, vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, e) of f), van dit decreet, ongedaan te maken, en de kosten van de opschorting, stopzetting of terugvordering en de intresten zijn ten laste van de betreffende netgebruiker. De netbeheerder of zijn gemandateerde zal deze kosten rechtstreeks invorderen bij de netgebruiker.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, richtlijnen uitvaardigen voor de wijze waarop de hoeveelheid onrechtmatig verkregen voordeel kan worden berekend.

Artikel 5.1.4. (26/03/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

De netbeheerders mogen de gegevens waarover ze voor de uitoefening van hun taken, vermeld in artikel 4.1.6, beschikken, of de gegevens die voor hen hiertoe toegankelijk zijn of worden gemaakt door het Vlaams Energieagentschap, de VREG, de toegangshouders en leveranciers of gegevens uit het Rijksregister, de Kruispuntbank Sociale Zekerheid of de Kruispuntbank voor de Ondernemingen, gebruiken om energiefraude te detecteren en vast te stellen via technieken als datamining of profilering.

De netbeheerders die gebruikmaken van technieken als datamining of profilering om energiefraude te detecteren en vast te stellen hanteren proportionele en relevante criteria, die periodiek kunnen variëren, en die ervoor zorgen dat de te verwerken persoonsgegevens zo beperkt mogelijk maar tegelijk relevant zijn om fraudetypologieën te detecteren. De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met betrekking tot de te hanteren criteria.

Elke partij die data aanlevert hiervoor blijft verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van de betreffende data. De netbeheerders zijn verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van het gebruik van de gegevens voor het detecteren en vaststellen van energiefraude. Zij stellen hierover een intern rapport op, volgen de risico's van de techniek van datamining continu op, waken over hun zorgvuldigheidsplicht om kwaliteitsvolle analyses van persoonsgegevens te verrichten, evalueren continu de gebruikte dataminingmethode en passen ze indien nodig aan.

De Vlaamse Regering vaardigt nadere regels uit met betrekking tot het gebruik van de gegevens die voortkomen uit technieken als datamining of profilering, om de transparantie ten aanzien van de natuurlijke personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt te garanderen en misbruik van deze gegevens zoveel mogelijk te voorkomen. Minstens bevatten deze regels richtlijnen op vlak van de verantwoordelijkheid van de verschillende leveranciers van data en van de netbeheerders inzake dataverwerking, op vlak van de aard van deze verwerking, de categorieën verwerkte gegevens en de bewaring van de gegevens.

TITEL VI. SOCIALE ENERGIEMAATREGELEN VOOR HUISHOUDELIJKE AFNEMERS

[HOOFDSTUK I. Sociale energiemaatregelen voor huishoudelijke afnemers van elektriciteit of aardgas (ing. decr. 10 maart 2017, art. 18, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 6.1.1. (01/01/2016- ...)

Behoudens de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, heeft iedere huishoudelijke afnemer recht op een ononderbroken toevoer van elektriciteit en aardgas.

De kosten voor de levering van elektriciteit en aardgas komen steeds ten laste van de huishoudelijke afnemer.

Artikel 6.1.2. (01/04/2017- ...)

§ 1. De netbeheerder kan de toevoer van elektriciteit of aardgas alleen in de volgende gevallen afsluiten :
1° bij een onmiddellijke bedreiging van de veiligheid, zolang die toestand duurt;
2° bij een leegstaande woning, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
3° bij energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40° /1, a), b), c), d) en g) van de huishoudelijke afnemer, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
4° als de huishoudelijke afnemer geen wanbetaler is en weigert om een leveringscontract te sluiten, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
5° als de huishoudelijke afnemer weigert om aan de netbeheerder toegang te geven tot de ruimte waarin de elektriciteits- of aardgasmeter is opgesteld en waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, voor de plaatsing, de inschakeling, de controle of de meteropname van de elektriciteitsmeter, inclusief de budgetmeter voor elektriciteit en de stroombegrenzer of van de aardgasmeter, inclusief de budgetmeter voor aardgas;
6° als de huishoudelijke afnemer weigert om aan de netbeheerder toegang te geven tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit is opgesteld en waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, voor het uitschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit;
7° als de huishoudelijke afnemer weigert om met de netbeheerder een afbetalingsplan te sluiten of als hij het gesloten afbetalingsplan met de netbeheerder niet naleeft, onder de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden bepaald, en na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
8° als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling en als de huishoudelijke afnemer binnen een periode die door de Vlaamse Regering wordt vastgelegd, geen leveringscontract heeft gesloten, tenzij de betreffende afnemer kan aantonen dat hij geen leveringscontract heeft kunnen sluiten.

In de gevallen, vermeld in 5°, 6°, 7° en 8°, van het eerste lid, kan de afsluiting pas na een advies van de lokale adviescommissie.

In de gevallen, vermeld in 5°, 6°, 7° en 8°, van het eerste lid, kan de Vlaamse Regering de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer in bepaalde periodes beperken of verbieden.

De netbeheerder kan alleen in het voordeel van de huishoudelijke afnemer afwijken van het advies van de lokale adviescommissie.

§ 2. In het geval, vermeld in § 1, 1°, komen alle kosten die verbonden zijn aan de afsluiting of heraansluiting van de huishoudelijke afnemer, ten laste van de netbeheerder, tenzij de netbeheerder kan aantonen dat de oorzaak van de onveiligheid toegeschreven kan worden aan de huishoudelijke afnemer of aan de eigenaar van de woning.

In de gevallen, vermeld in § 1, 2°, komen alle kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting van de woning, ten laste van de eigenaar van de woning.

In de gevallen, vermeld in § 1, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, komen alle kosten die verbonden zijn aan de afslui-ting en de heraansluiting van de huishoudelijke afnemer, ten laste van die huishoudelijke afnemer.

In afwijking van de vorige leden vallen de kosten die verbonden zijn aan de heraansluiting steeds ten laste van de netbeheerder als blijkt dat de huishoudelijke afnemer ten onrechte werd afgesloten.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een heraansluiting en de termijnen waarbinnen de heraansluiting van de elektriciteits- en de aardgastoevoer en de herinschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit wordt uitgevoerd.

Artikel 6.1.3. (01/01/2011- ...)

Alle kosten die verbonden zijn aan het opzeggen van het leveringscontract van een wanbetaler door een leverancier, vallen ten laste van de leverancier.

[HOOFDSTUK II. Sociale energiemaatregelen voor huishoudelijke afnemers van thermische energie (ing. decr. 10 maart 2017, art. 19, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 6.2.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Behalve in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.2, heeft iedere huishoudelijke afnemer van thermische energie via een warmte- of koudenet recht op een ononderbroken toevoer van thermische energie.

De kosten voor de levering van thermische energie zijn altijd ten laste van de huishoudelijke afnemer van thermische energie.

Artikel 6.2.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

§ 1. De warmte- of koudenetbeheerder kan de toevoer van thermische energie alleen in de volgende gevallen afsluiten:
1° bij een onmiddellijke bedreiging van de veiligheid, zolang die toestand duurt;
2° bij een leegstaande woning, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
3° bij fraude van de huishoudelijke afnemer van thermische energie, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
4° als de huishoudelijke afnemer van thermische energie geen wanbetaler is en weigert om een leveringscontract te sluiten, na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
5° als de huishoudelijke afnemer van thermische energie weigert om aan de warmte- of koudenetbeheerder toegang te verlenen tot de ruimte waarin de warmtewisselaar en de installatie voor de registratie van geleverde thermische energie zijn opgesteld, waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, voor de plaatsing, de inschakeling, de controle of de meteropname van de warmtewisselaar en de installatie voor de registratie van geleverde thermische energie;
6° als de huishoudelijke afnemer van thermische energie weigert om een afbetalingsplan te sluiten of als hij het gesloten afbetalingsplan niet naleeft, onder de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden bepaald, en na het volgen van een procedure die door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
7° als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer van thermische energie is opgezegd om een andere reden dan wanbetaling en als de huishoudelijke afnemer van thermische energie binnen een periode die door de Vlaamse Regering wordt vastgelegd, geen leveringscontract heeft gesloten, tenzij de betreffende afnemer van thermische energie kan aantonen dat hij geen leveringscontract heeft kunnen sluiten.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 7°, is de afsluiting pas mogelijk na een advies van de lokale adviescommissie.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 7°, kan de Vlaamse Regering de afsluiting van de toevoer van thermische energie in bepaalde periodes beperken of verbieden.

De warmte- of koudenetbeheerder kan alleen in het voordeel van de huishoudelijke afnemer van thermische energie afwijken van het advies van de lokale adviescommissie.

§ 2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, zijn alle kosten die verbonden zijn aan de afsluiting of heraansluiting van de huishoudelijke afnemer van thermische energie, ten laste van de warmte- of koudenetbeheerder, tenzij de warmte- of koudenetbeheerder kan aantonen dat de oorzaak van de onveiligheid toegeschreven kan worden aan de huishoudelijke afnemer van thermische energie of aan de eigenaar van de woning.

In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, zijn alle kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting van de woning, ten laste van de eigenaar van de woning.

In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, zijn alle kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting van de huishoudelijke afnemer van thermische energie, ten laste van die huishoudelijke afnemer.

In afwijking van de vorige leden zijn de kosten die verbonden zijn aan de heraansluiting, altijd ten laste van de warmte- of koudenetbeheerder als blijkt dat de huishoudelijke afnemer van thermische energie ten onrechte is afgesloten.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een heraansluiting en de termijnen waarin de heraansluiting van de toevoer van thermische energie wordt uitgevoerd.

Artikel 6.2.3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Alle kosten die verbonden zijn aan de opzegging van het leveringscontract van een wanbetaler door een warmte- of koudeleverancier, zijn ten laste van de warmte- of koudeleverancier.

TITEL VII. MILIEUVRIENDELIJKE ENERGIEPRODUCTIE EN RATIONEEL ENERGIEGEBRUIK

HOOFDSTUK I. Groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten

Afdeling I. Toekenning van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten

Artikel 7.1.1. (24/12/2018- ...)

§ 1. Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, wordt een groenestroomcertificaat toegekend aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.

Een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de periode van tien jaar. Indien de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6, en die periode langer is dan tien jaar, krijgt de installatie groenestroomcertificaten gedurende de periode dat de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun.

In afwijking van het tweede lid kan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, aan het Vlaams Energieagentschap een verlenging van de steunperiode, vermeld in het tweede lid, aanvragen voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd, voor zover :
1° de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst;
2° de opwekking van groene stroom niet gebeurt op basis van zonne-energie;
3° het aantal al ontvangen groenestroomcertificaten minstens 5 % ligt onder het aantal groenestroomcertificaten dat overeenkomt met het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd.

In afwijking van het tweede en derde lid, krijgt een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 aanvullend een aantal groenestroomcertificaten gedurende de periode van vijf jaar na het verstrijken van de periode, vermeld in het tweede en derde lid, op basis van een bandingfactor die berekend is voor het deel van de oorspronkelijke investering of van eventuele extra investeringen in de installatie, dat op het moment van het verstrijken van de periode, vermeld in het tweede en derde lid, nog niet is afgeschreven. Ook indien er geen oorspronkelijke investering of extra investeringen zijn die nog niet zijn afgeschreven, wordt een bandingfactor berekend. Daarbij worden dan geen investeringskosten in rekening gebracht. De extra investeringen zijn uitgevoerd en in gebruik genomen voor 1 juli 2013. De waarde van de extra, nog niet volledig afgeschreven investeringen wordt enkel in rekening gebracht indien die minstens :
a) [... (vernietigd arrest Grondwettelijk Hof nr. 8/2014 van 23 januari 2014)]
b) 100.000 euro bedraagt; en
c) uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie.

Het aantal groenestroomcertificaten dat gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum voor 1 januari 2013 wordt toegekend, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de voor die installatie van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 1. De periode, vermeld in het vierde lid, kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd voor zover nog altijd aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid wordt voldaan. Voor die nieuwe periode wordt een nieuwe bandingfactor berekend die maximaal gelijk is aan Btot voor het lopende kalenderjaar.

Het Vlaams Energieagentschap oordeelt of een aanvraag, vermeld in het derde, vierde of vijfde lid, van de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen gegrond is. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen levert daarvoor de vereiste bewijsstukken aan het Vlaams Energieagentschap. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen stelt op eenvoudig verzoek alle benodigde aanvullende informatie aan het Vlaams Energieagentschap ter beschikking. Wanneer de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen een aanvraag tot verlenging, als vermeld in het vierde lid, indient zonder dat eerder een aanvraag tot verlenging, vermeld in het derde lid, werd ingediend, dan verliest deze installatie alle rechten tot verlenging van de steunperiode die ze kan verkrijgen op grond van het derde lid.

§ 2. Wat installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden groenestroomcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen.

In afwijking van het eerste lid worden, als het fotovoltaïsch zonne-energiesysteem in aanmerking komt om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, geen groenestroomcertificaten toegekend voor de opwekking van de hoeveelheid elektriciteit uit zonne-energie die nodig is om aan die voorwaarde te voldoen. Voor de hoeveelheid elektriciteit die door het fotovoltaïsche zonne-energiesysteem wordt geproduceerd bovenop de hoeveelheid die nodig is om aan die verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, te voldoen, worden wel groenestroomcertificaten toegekend.

Een installatie met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie wordt gehanteerd.

Het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het derde lid, een alternatieve methode voor toekennen van groenestroomcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie.

§ 3. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van § 2, derde lid, bepalen dat aan installaties waaraan groenestroomcertificaten werden toegekend, na afloop van de periode waarin de installatie voor steun in aanmerking komt op grond van § 2, derde lid, extra groenestroomcertificaten worden toegekend. Installaties die als brandstof gebruikmaken van biomassa komen echter niet in aanmerking voor een dergelijke verlenging.

De Vlaamse Regering legt de periode en de voorwaarden vast voor de toekenning van die extra certificaten, inclusief de manier waarop de bandingfactoren voor die extra steunperiode worden berekend.

Het aantal extra groenestroomcertificaten dat kan worden toegekend voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in een dergelijke installatie, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is maximaal gelijk aan Btot

Artikel 7.1.2. (07/04/2014- ...)

§ 1. Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, wordt een warmte-krachtcertificaat toegekend aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh primaire energiebesparing die in de installatie wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties.

Een productie-installatie of een ingrijpende wijziging met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel warmte-krachtcertificaten gedurende een door de Vlaamse Regering bepaalde periode, waarbij het aantal warmte-krachtcertificaten dat gedurende deze periode wordt toegekend degressief afneemt volgens een door de Vlaamse Regering bepaalde formule.

§ 2. Wat betreft kwalitatieve warmte-krachtinstallaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden warmte-krachtcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen.

Een installatie of ingrijpende wijziging met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel warmte-krachtcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek voor de onrendabele top voor de WKK-technologie wordt gehanteerd.

Het aantal warmte-krachtcertificaten dat voor installaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing, gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het tweede lid, een alternatieve methode voor toekennen van warmte-krachtcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die warmte-krachttechnologie.

§ 3. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van § 1 en § 2, tweede lid, bepalen dat aan installaties waaraan warmte-krachtcertificaten werden toegekend, na afloop van de periode waarin de installatie in aanmerking komt voor steun op grond van § 1 of § 2, tweede lid, extra warmte-krachtcertificaten worden toegekend.

De Vlaamse Regering legt ook de periode en de voorwaarden vast voor de toekenning van deze extra certificaten, inclusief de manier waarop de bandingfactoren voor deze extra steunperiode worden berekend.

Het aantal extra warmte-krachtcertificaten dat kan worden toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.

De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 0,75.

§ 4. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast waaraan een warmte-krachtinstallatie moet voldoen om te worden beschouwd als een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie en bepaalt de referentie-installaties.

Artikel 7.1.3. (24/12/2018- ...)

Groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten worden toegekend door de VREG op basis van de gegevens die hem daartoe worden overgemaakt door het Vlaams Energieagentschap, de netbeheerders, de transmissienetbeheerder, de eigenaar van de productie-installatie of diens gemachtigde.

De Vlaamse Regering legt de nadere toepassingsregels en procedures vast met betrekking tot de aanvraag en de toekenning van groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, met inbegrip van de gegevensoverdracht, bedoeld in het vorig lid. De Vlaamse Regering zorgt er hierbij voor dat een onderneming in moeilijkheden geen aanvraagdossiers voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten of warmtekracht certificaten kan indienen.

Artikel 7.1.4. (01/04/2017- ...)

De door de VREG toegekende groenestroom-certificaten en warmtekrachtcertificaten worden geregistreerd in een centrale databank. De Vlaamse Regering bepaalt de specificaties die per certificaat in de centrale databank moeten worden vermeld.

De VREG kan voor de unieke identificatie van de gebruikers van de databank het ondernemingsnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer opvragen en gebruiken.

[Afdeling I/1. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren (ing. Decr. 13 juli 2012, art. 6, I: 30 juli 2012)]

Artikel 7.1.4/1. (01/01/2019- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap berekent en actualiseert minstens jaarlijks de onrendabele toppen volgens een procedure en methode die door de Vlaamse Regering wordt vastgelegd, als vermeld in § 3. De Vlaamse Regering bepaalt in dit kader de verschillende categorieën waarvoor een onrendabele top wordt berekend en houdt daarbij minstens rekening met de gehanteerde technologievorm, de vermogensklasse en de gebruikte brandstof.

De onrendabele toppen worden berekend voor representatieve projectcategorieën. De Vlaamse Regering legt deze representatieve projectcategorieën vast. De Vlaamse Regering kan ook niet-representatieve projectcategorieën vastleggen waarvoor per project een specifieke onrendabele top wordt bepaald.

De onrendabele toppen worden berekend voor nieuwe projecten die certificaten kunnen ontvangen op grond van artikel 7.1.1, § 2, of artikel 7.1.2, § 2, volgens een methodiek die de Vlaamse Regering vastlegt, als vermeld in § 4.

De onrendabele toppen worden ook berekend voor lopende projecten voor de periode dat ze certificaten kunnen ontvangen op grond van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en § 2 of § 3 of artikel 7.1.2, § 2 of § 3, volgens een methodiek die de Vlaamse Regering vastlegt, als vermeld in § 4.

Op basis van de onrendabele toppen berekent het Vlaams Energieagentschap telkens ook de overeenstemmende bandingfactoren.

De bandingfactoren die van toepassing zijn worden zowel voor nieuwe als voor lopende projecten aangepast als de geactualiseerde bandingfactor meer dan 2 % afwijkt van de bandingfactor die van toepassing is.

De geactualiseerde bandingsfactoren voor lopende projecten en voor nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar zijn één maand na de actualisering van toepassing.

Het Vlaams Energieagentschap deelt minstens een keer per jaar en dit in elk geval voor 30 juni het rapport met de berekening van de onrendabele toppen en overeenstemmende bandingfactoren voor de representatieve en niet-representatieve projectcategorieën, bedoeld in het tweede lid mee aan de Vlaamse Regering en aan de minister.

De Vlaamse Regering legt de procedure vast voor aanpassing van de nieuwe banding factoren op basis van het rapport, meegedeeld aan de Vlaamse Regering en de minister.

Voor relevante technologieën en projecten die buiten de vastgestelde representatieve projectcategorieën vallen, legt het Vlaams Energieagentschap ook een voorstel voor op basis van een berekening van de onrendabele top en de bandingfactor. Daarbij legt het Vlaams Energieagentschap op basis van het verwachte aantal toe te kennen certificaten een analyse voor van de verwachte impact op de certificatenmarkt en de certificatenverplichting.

§ 2. ...

§ 3. Voor het Vlaams Energieagentschap een rapport aan de Vlaamse Regering en aan de minister bezorgt, organiseert het een stakeholderoverleg. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor het voorwerp en de methode van dit stakeholderoverleg, en voor de deelnemers eraan.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de methodiek voor de berekening van de onrendabele top en houdt daarbij minstens rekening met de volgende parameters :
1° de geraamde investeringskosten in het geval van nieuwe projecten, de investeringskosten gebruikt bij de bepaling van de oorspronkelijke onrendabele top voor lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar tijdens de afschrijvingsperiode, en de vervangingsinvesteringskosten voor lopende projecten na de afschrijvingsperiode;
2° de afschrijvingsperiode;
3° de brandstofkosten;
4° de elektriciteitsprijs.

In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt voor installaties voor de productie van groene stroom met startdatum voor 1 januari 2013 ook rekening gehouden met het nog niet afgeschreven gedeelte van de oorspronkelijke investeringskosten of van latere extra investeringen, voor zover die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid. Tenzij anders door de Vlaamse Regering bepaald, wordt dit wat betreft het nog niet afgeschreven gedeelte van de oorspronkelijke investeringskosten berekend aan de hand van het oorspronkelijke afschrijvingsritme dat gehanteerd werd bij de indienstname van de betrokken installatie.

Voor lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bedoeld in artikel 7.1.1, § 2 of § 3, of in artikel 7.1.2, § 2 of § 3, niet geactualiseerd wanneer in de methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten, vermeld in het eerste lid, 3°, van toepassing kunnen zijn. De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs.

In afwijking van het derde lid wordt voor alle lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekracht koppeling de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 of § 3, of in artikel 7.1.2, § 2 of § 3, wel geactualiseerd op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting.

De Vlaamse Regering kan in het kader van de berekeningsmethodiek van de onrendabele top maximumwaarden opleggen voor de parameters, vermeld in het eerste lid, of voor de bandingfactoren.

De bandingfactor bedraagt in elk geval nooit meer dan 1,25.

Afdeling II. Gebruik van de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten

Artikel 7.1.5. (01/07/2017- ...)

§ 1. Groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten kunnen worden aangewend als in te dienen bewijsstuk in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11.

§ 2. Een groenestroomcertificaat of een warmte-krachtcertificaat kan slechts eenmaal worden ingediend in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van § 1.

§ 3. Een groenestroomcertificaat kan worden ingediend in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van § 1, 2°, tot tien jaar na de toekenning ervan.

§ 4. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedures vast voor het voorleggen, aanvaarden en indienen van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten.

Productie-installaties voor zonne-energie die na 1 januari 2010 in dienst worden genomen en die geïnstalleerd worden op woningen of woongebouwen, waarvan het dak of de zoldervloer niet geïsoleerd is, komen niet langer in aanmerking voor het toekennen van groenestroomcertificaten die kunnen worden aanvaard in het kader van de certificatenverplichting, bedoeld in artikel 7.1.10. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de isolatievoorwaarde.

Voor de bijstook tot 60 % van hernieuwbare energiebronnen in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, wordt het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %. Voor een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW waar enkel hernieuwbare energiebronnen worden verbruikt wordt voor de eerste 60 % groenestroomproductie het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %.

In afwijking van het vierde lid, wordt voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in kolencentrales met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW die actief zijn op 1 januari 2011 en waar op en na deze datum niet langer producten worden verbruikt met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, zoals bedoeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-Verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 11 %. Dit percentage kan niet verhoogd worden tot en met 30 april 2021. Indien het percentage alsnog zou verhoogd worden, vergoedt de Vlaamse overheid de eigenaars van de desbetreffende installaties voor de geleden schade.

Het Vlaams Energieagentschap bepaalt de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de stroomproductie.

Voor installaties die elektriciteit produceren op basis van zonne-energie zijn alleen de groenestroomcertificaten aanvaardbaar voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10, die zijn toegekend voor elektriciteit geproduceerd tijdens de periode dat de installatie kan genieten van minimumsteun vermeld in artikel 7.1.6.

In afwijking van het vierde tot en met het zevende lid, zijn wat betreft productieinstallaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 alleen de groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 en § 3, en artikel 7.1.2, § 2 en § 3, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11. Wat productie-installaties voor zonne-energie betreft, voldoen die tevens aan de voorwaarden, vermeld in het tweede en derde lid.

Afdeling III. Minimumwaarde van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten

Artikel 7.1.6. (24/12/2018- ...)

§ 1. De netbeheerders kennen voor zover de producent zelf daarom verzoekt een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen draagt de producent het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.

Een groenestroomcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen waarvoor het betreffende groenestroomcertificaat niet kan worden aanvaard in het kader van artikel 7.1.10.

De minimumsteun wordt vastgelegd afhankelijk van de gebruikte hernieuwbare energiebron en de gebruikte productietechnologie.

Voor installaties in gebruik genomen vóór 1 januari 2010 bedraagt de minimumsteun :
1° voor zonne-energie : 450 euro per overgedragen certificaat;
2° voor waterkracht, getijden- en golfslagenergie en aardwarmte : 95 euro per overgedragen certificaat;
3° voor windenergie op land en voor organisch-biologische stoffen waarbij al dan niet co-verbranding wordt toegepast, voor de vergisting van organisch-biologische stoffen in stortplaatsen, en voor het organisch-biologisch deel van restafval : 80 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering : 100 euro per overgedragen certificaat.

Voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2010 en met startdatum voor 1 januari 2013 bedraagt de minimumsteun :
1° voor waterkracht, voor getijden- en golfslagenergie, voor aardwarmte, voor windenergie op land, voor vaste of vloeibare biomassa, biomassa-afval en biogas, voor zover deze niet vermeld worden in punt 2° : 90 euro per overgedragen certificaat;
2° voor stortgas, voor biogas uit vergisting van afvalwater(zuiveringsslib) of rioolwaterzuivering(sslib) en voor verbranding van restafval : 60 euro per overgedragen certificaat;
3° voor andere technieken : 60 euro per overgedragen certificaat;
4° voor biogasinstallaties die niet vermeld zijn in punt 2° : 90 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering :
a) wanneer deze installaties in dienst zijn genomen voor 1 januari 2012 : 100 euro per overgedragen certificaat;
b) wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en een ecologiepremie kregen toegekend : 100 euro per overgedragen certificaat;
c) wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en geen ecologiepremie kregen toegekend : 110 euro per overgedragen certificaat;
5° voor zonne-energie bedraagt de minimumsteun per overgedragen certificaat :
a) voor installaties in gebruik genomen in het jaar 2010 : 350 euro;
b) voor installaties met een piekvermogen van maximaal 250 kW :
1) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 : 330 euro;
2) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011 : 300 euro;
3) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 : 270 euro;
4) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 : 250 euro;
5) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 april 2012 tot en met 30 juni 2012 : 230 euro;
6) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 : 210 euro;
7) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 : 90 euro;
c) voor installaties met een piekvermogen van meer dan 250 kW :
1) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 : 330 euro;
2) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011 : 240 euro;
3) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 : 150 euro;
4) voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 : 90 euro.

Aan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt een minimumsteun gegeven van 93 euro per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.1, § 2. Deze minimumsteun geldt ook voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 die groenestroomcertificaten ontvangen met toepassing van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en die reeds minimumsteun ontvingen voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013.

Als een installatie voor zonne-energie wordt uitgebreid in een periode die recht geeft op een andere minimumsteun dan de minimumsteun op de datum van indienstneming van de oorspronkelijke installatie of de vorige uitbreiding, moet een aparte productiemeter en omvormer worden geplaatst voor de meting van de productie van de bijgeplaatste zonnepanelen. De minimumsteun voor de groenestroomcertificaten toegekend voor de productie via deze bijgeplaatste zonnepanelen is de minimumsteun van de datum van indienstneming van de uitbreiding van de installatie.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, begint bij de inwerkingstelling van een nieuwe productie-installatie en loopt over een periode van tien jaar. Voor nieuwe en bestaande installaties voor gft-vergisting met nacompostering loopt deze verplichting over een periode van twintig jaar vanaf de inwerkingstelling. In het geval van zonne-energie loopt de verplichting voor installaties die in dienst zijn genomen vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2012 over een periode van twintig jaar. Voor zonne-energie-installaties die in dienst worden genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 loopt de verplichting over een periode van tien jaar. Voor installaties die een startdatum vanaf 1 januari 2013 hebben, loopt de verplichting tot het einde van de periode waarin groenestroomcertificaten worden toegekend.

In afwijking van het achtste lid loopt de verplichting, vermeld in het eerste lid, in de gevallen, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, derde lid, tot het einde van de verlenging van de steunperiode.

In afwijking van het achtste lid, kunnen nieuwe productie-installaties die over een omgevingsvergunning moeten beschikken, in aanmerking komen voor de minimumsteun die geldt op het moment dat de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend, de laatste van die vergunningen werd verkregen, op voorwaarde dat na het verlenen van die laatste vergunning de installatie in gebruik wordt genomen binnen de volgende termijn :
1° voor zonne-energie binnen 12 maanden;
2° voor alle andere technologieën binnen 36 maanden.

De Vlaamse Regering kan voor projectcategorieën waarvoor een specifieke onrendabele top wordt bepaald, beslissen om de termijnen, vermeld in het tiende lid, te verlengen.

De Vlaamse Regering kan verdere definities voor toepassing van deze paragraaf vastleggen.

§ 2. De netbeheerders brengen minstens één keer per jaar certificaten die aan hen werden overgedragen op de markt om de kosten die verbonden zijn aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van die certificaten door de netbeheerders. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de manier waarop, de voorwaarden waaronder en het tijdsbestek waarbinnen de netbeheerder de certificaten terug op de markt brengt.

De lijsten van de overgedragen certificaten en van de certificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.

Vanaf het jaar 2010 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kost van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1. De te verdelen kosten worden per netbeheerder beperkt tot een percentage van het distributiebudget, dat overeenstemt met het aandeel dat de kosten van de verplichting voor alle betrokken netbeheerders samen vertegenwoordigt in het totale distributiebudget, plus 5 %.

Vanaf het jaar 2015 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1.

§ 3. De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor installaties die aangesloten zijn op het transmissienet, of op gesloten distributienetten of op gesloten industriële netten, vermeld in artikel 2, 41°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gekoppeld aan zijn net of voor installaties in eilandwerking, een minimumsteun, als bepaald in paragraaf 1, toe per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend ter uitvoering van artikel 7.1.1. Voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 geldt deze verplichting enkel voor groenestroomcertificaten toegekend vanaf 1 juli 2013. Paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Als de steun, vermeld in paragraaf 1 en 3, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt het Vlaamse Gewest de geleden schade voor bestaande installaties.

§ 5. De netbeheerder kan de uitbetaling schorsen van de minimumsteun, bedoeld in § 1 en § 3, aan installaties, aangesloten op zijn net of op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, indien deze niet voldoen aan de verplichtingen, opgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1, tot alsnog aan deze verplichtingen wordt voldaan.

Artikel 7.1.7. (24/12/2018- ...)

§ 1. De netbeheerders kennen een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit die is opgewekt in kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net, voor zover de producent zelf daarom verzoekt. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling draagt de producent het overeenstemmende aantal warmte-krachtcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.

Een warmte-krachtcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling waarvoor het betreffende warmtekrachtcertificaat niet kan worden aanvaard in het kader van artikel 7.1.11.

De minimumsteun bedraagt 27 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat. Voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 en met startdatum voor 1 januari 2013 bedraagt de minimumsteun 31 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat. Aan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt een minimumsteun gegeven van 31 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 2.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt voor warmte-krachtinstallaties waarvoor de certificatenaanvraag werd ingediend na 30 juni 2006 en loopt over een periode van tien jaar vanaf de datum van indienstneming van de warmte-krachtinstallatie. Voor installaties die een startdatum vanaf 1 januari 2013 hebben, loopt de verplichting tot het einde van de periode waarin warmte-krachtcertificaten worden toegekend.

§ 2. De netbeheerders brengen minstens één keer per jaar warmte-krachtcertificaten die aan hen werden overgedragen op de markt om de kosten die verbonden zijn aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van die warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de manier waarop, de voorwaarden waaronder en het tijdsbestek waarbinnen de netbeheerder de certificaten terug op de markt brengt.

De lijsten van de overgedragen warmte-krachtcertificaten en van de warmte-krachtcertificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.

Vanaf het jaar 2010 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de meerkosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1. De te verdelen kosten worden per netbeheerder beperkt tot een percentage van het distributiebudget, dat overeenstemt met het aandeel dat de kosten van de verplichting voor alle betrokken netbeheerders samen vertegenwoordigt in het totale distributiebudget, plus 5 %.

Vanaf het jaar 2015 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1.
 

§ 3.De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op het transmissienet, of voor installaties in eilandwerking, een minimumsteun, als vermeld in paragraaf 1, toe per overgedragen warmte-krachtcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 2.

De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op het transmissienet, of voor installaties in eilandwerking en die een startdatum hebben van voor 1 januari 2013, een minimumsteun toe van 18 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat dat vanaf 1 juli 2013 werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 1.

Paragraaf 1 en 2, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Als de steun, vermeld in paragraaf 1 en 3, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt het Vlaamse Gewest de geleden schade voor bestaande installaties.

§ 5. De netbeheerder kan de uitbetaling schorsen van de minimumsteun, bedoeld in § 1 en § 3, aan installaties, aangesloten op zijn net of op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, indien deze niet voldoen aan de verplichtingen, opgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1, tot alsnog aan deze verplichtingen wordt voldaan.

Afdeling IV. [... (opgeh. Decr. 13 juli 2012, art. 10, I: 30 juli 2012)]

Artikel 7.1.8. (30/07/2012- ...)

...

Artikel 7.1.9. (30/07/2012- ...)

...

Afdeling V. Certificatenverplichtingen

Onderafdeling I. De certificatenverplichting hernieuwbare energie

Artikel 7.1.10. (24/12/2018- ...)

§ 1. Iedere persoon die in het jaar n-1 als toegangshouder geregistreerd stond in het toegangsregister van een elektriciteitsdistributienetbeheerder, een beheerder van een gesloten distributienet de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet, op een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, en geen netbeheerder is, is verplicht jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het jaar n, bij de VREG het aantal groenestroomcertificaten in te dienen dat bepaald wordt met toepassing van § 2 of § 4 in voorkomend geval.

§ 2. Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt tot en met 31 maart 2012 vastgesteld met de formule :
C = G x Ev, waarbij :
C gelijk is aan het aantal in het jaar n in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
G gelijk is aan :
1° 0,008 als het jaar n gelijk is aan 2003;
2° 0,012 als het jaar n gelijk is aan 2004;
3° 0,020 als het jaar n gelijk is aan 2005;
4° 0,025 als het jaar n gelijk is aan 2006;
5° 0,030 als het jaar n gelijk is aan 2007;
6° 0,0375 als het jaar n gelijk is aan 2008;
7° 0,0490 als het jaar n gelijk is aan 2009;
8° 0,0525 als het jaar n gelijk is aan 2010;
9° 0,0600 als het jaar n gelijk is aan 2011;
10° 0,0700 als het jaar n gelijk is aan 2012;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder.

Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt vanaf 31 maart 2013 vastgesteld met de formule :
C = Gr x Ev, waarbij :
C gelijk is aan het aantal in het jaar in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder;
Gr gelijk is aan :
1° 0,14 in 2013;
2° 0,155 in 2014;
3° 0,168 in 2015;
4° 0,18 in 2016;
5° 0,23 in 2017;
6° 0,205 in 2018;
7° 0,215 in 2019 en daarna;

Wanneer een bandingfactor wordt vastgelegd voor een installatie voor de productie van groene stroom met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 20 MW, wordt het aantal in te dienen groenestroomcertificaten geëvalueerd en eventueel verhoogd door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering stelt ook voor elk jaar een bruto binnenlandse groenestroomproductie voorop en legt indicatieve subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron vast die erop gericht zijn de vooropgestelde bruto binnenlandse groenestroomproductie te bereiken.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt Ev vanaf 31 maart 2017 verminderd met de volgende hoeveelheden:
1° voor de afname tussen 1000 MWh en 20.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47% van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. Die vermindering geldt alleen voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391, code 52100 of code 52241;
2° voor de afname tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80% van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
3° voor de afname tussen 100.000 MWh en 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80% van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
4° voor de afname boven 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 98% van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
5° de hoeveelheid elektriciteit waarvoor grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers met een totaal verbruik van meer dan 5 GWh in naam van de certificaatplichtige groenestroomcertificaten hebben ingediend.

De modaliteiten en de te volgen procedure voor de indiening van de groenestroomcertificaten door grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers zullen worden bepaald door de Vlaamse Regering.

Het geheel van afnamepunten van afnemers op een op 1 juli 2011 bestaand net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd.

Het geheel van afnamepunten van afnemers van een na 1 juli 2011 aangelegd net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd, voor zover het gesloten distributienet is aangesloten op het transmissienet of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit.

In afwijking van het derde en vierde lid wordt het geheel van afnemers die instaan voor het verzorgen van openbaar vervoer niet als één afnamepunt beschouwd.

§ 3/1. Het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten wordt beperkt tot 4% van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming of vestiging. Voor ondernemingen of vestigingen met een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20% wordt dit beperkt tot 0,5% van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming of vestiging. Dit houdt in dat in afwijking van paragraaf 3 de factor Ev, vermeld in paragraaf 2, wordt verminderd met 100% van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt van de betrokken onderneming of vestigingseenheid naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarvan de certificaatplichtige, vermeld in paragraaf 1, toegangshouder was.

De Vlaamse Regering bepaalt de te volgen procedures, alsmede de modaliteiten en voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor het verkrijgen van deze vermindering. De Vlaamse Regering maakt de toepassing van deze paragraaf afhankelijk van het storten van een bijdrage in het Energiefonds in het jaar n-1.

De Vlaamse Regering zorgt met toepassing van het eerste en het tweede lid en alleen als er op het federale niveau een gelijkaardige regeling bestaat, in jaar N voor een verrekening of terugbetaling van een bedrag ter grootte van het door de federale overheid vastgestelde op ondernemingsniveau of vestigingsniveau in het jaar N-1 door die onderneming of vestiging verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten. De Vlaamse Regering stelt in het kader van die verrekening of terugbetaling echter een plafond vast van een percentage van het in het jaar N-1 in totaal verschuldigde bedrag, vermeld in het eerste lid, dat die verrekening of terugbetaling niet mag overschrijden.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap legt een evaluatie van de quota- en productiedoelstellingen, vermeld in § 2, voor aan de Vlaamse Regering indien :
1° het aantal beschikbare certificaten minder dan 105 % of meer dan 125 % bedraagt van het aantal voor te leggen certificaten;
2° de verhouding tussen het aantal toegekende voor de certificatenverplichting aanvaardbare certificaten en de totale bruto geproduceerde groene stroom meer dan 5 % afwijkt van de verhouding bij de vorige evaluatie;
3° de werkelijke productie per hernieuwbare energiebron meer dan 10 % afwijkt van de subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron, vermeld in § 2. In dat geval wordt tevens geëvalueerd welke de oorzaken zijn van die afwijkingen en worden remediërende maatregelen of bijsturing van de subdoelstellingen voorgesteld.

De resultaten van de evaluatie worden door het Vlaams Energieagentschap publiek gemaakt.

Indien uit deze evaluatie blijkt dat een verwachte daling van het bruto binnenlands elektriciteitsverbruik groter zal zijn dan de verplichte stijging van de doelstelling, vermeld in § 2, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2 te verhogen.

Indien Europese verplichtingen aanleiding geven tot een met de in § 2 vermelde doelstellingen niet haalbaar aandeel groene stroom, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.

Indien de Vlaamse Regering certificaten aanvaardt voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaamse Gewest, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.

Onderafdeling II. De certificatenverplichting kwalitatieve warmtekrachtkoppeling

Artikel 7.1.11. (07/01/2018- ...)

§ 1. Iedere persoon die in het jaar n-1 geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van een elektriciteitsdistributienetbeheerder, een beheerder van een gesloten distributienet, de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet, op een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, en geen netbeheerder is, is verplicht jaarlijks, uiterlijk op 31 maart van het jaar n, bij de VREG het aantal warmtekrachtcertificaten in te dienen dat bepaald wordt met toepassing van § 2.

§ 2. Het aantal warmte-krachtcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt vastgesteld met de formule :

Cw = W x Ev, waarbij :

Cw gelijk is aan het aantal in het jaar n in te dienen warmte-krachtcertificaten door een bepaalde toegangshouder; W gelijk is aan :
1° 0,0119 als het jaar n gelijk is aan 2006;
2° 0,0216 als het jaar n gelijk is aan 2007;
3° 0,0296 als het jaar n gelijk is aan 2008;
4° 0,0373 als het jaar n gelijk is aan 2009;
5° 0,0439 als het jaar n gelijk is aan 2010;
6° 0,0490 als het jaar n gelijk is aan 2011;
7° 0,0760 als het jaar n gelijk is aan 2012;
8° 0,086 als het jaar n gelijk is aan 2013;
9° 0,098 als het jaar n gelijk is aan 2014;
10° 0,105 als het jaar n gelijk is aan 2015;
11° 0,112 als het jaar n gelijk is aan 2016;
12° 0,112 als het jaar n gelijk is aan 2017;
13° 0,112 als het jaar n gelijk is aan 2018;
14° 0,112 als het jaar n gelijk is aan 2019 en daarna;

Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder.

Wanneer een bandingfactor wordt vastgelegd voor een warmte-krachtinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, wordt het aantal in te dienen warmte-krachtcertificaten geëvalueerd en eventueel verhoogd door de Vlaamse Regering.

§ 2/1. In afwijking van paragraaf 2 wordt Ev vanaf 31 maart 2017 verminderd met de volgende hoeveelheden:
1° voor de afname tussen 1000 MWh en 5000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47% van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. De vermindering geldt enkel voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391 of code 52100 of code 52241;
2° voor de afname tussen 5000 MWh en 20.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47% van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. De vermindering geldt enkel voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391 of code 52100 of code 52241;
3° voor de afname tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 50% van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
4° voor de afname tussen 100.000 MWh en 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80% van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
5° voor de afname boven 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 85% van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was.

Het geheel van afnamepunten van afnemers op een op 1 juli 2011 bestaand net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56° /2, wordt als één afnamepunt beschouwd.

Het geheel van afnamepunten van afnemers van een na 1 juli 2011 aangelegd net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56° /2, wordt als één afnamepunt beschouwd, voor zover het gesloten distributienet is aangesloten op het transmissienet of het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap legt een evaluatie van de quotadoelstellingen, vermeld in § 2, voor aan de Vlaamse Regering indien :
1° het aantal beschikbare certificaten minder dan 105 % of meer dan 125 % bedraagt van het aantal voor te leggen certificaten;
2° de verhouding tussen het aantal toegekende voor de certificatenverplichting aanvaardbare certificaten en de gerealiseerde warmte-krachtbesparing meer dan 5 % afwijkt van de verhouding bij de vorige evaluatie.

De resultaten van de evaluatie worden door het Vlaams Energieagentschap publiek gemaakt.

De Vlaamse Regering kan onder meer op basis van die evaluatie de quotadoelstelling zoals vermeld in dit artikel aanpassen.

Onderafdeling III. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 7.1.12. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan besluiten om, na advies van de VREG, in het kader van de verplichtingen van artikelen 7.1.10 en 7.1.11, certificaten te aanvaarden die respectievelijk worden toegekend voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energie en primaire energiebesparing door kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in installaties buiten het Vlaamse Gewest.

Voor het aanvaarden van de in het eerste lid vermelde certificaten dienen een aantal randvoorwaarden vervuld te zijn. Die randvoorwaarden hebben betrekking op het bestaan van gelijke of gelijkwaardige garanties inzake de aflevering en op de goede werking van de certificatenmarkt.

De Vlaamse Regering stelt de procedure en voorwaarden vast voor de aanvaarding van dergelijke certificaten in het kader van de verplichtingen van artikelen 7.1.10 en 7.1.11. De Vlaamse Regering kan een voorwaarde tot wederkerigheid instellen.

De Vlaamse Regering sluit hierover een samenwerkingsakkoord af met de federale overheid, de andere gewesten of andere landen.

Artikel 7.1.13. (28/06/2013- ...)

Een groenestroomcertificaat of warmtekracht-certificaat dat ingediend wordt in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van artikel 7.1.5, § 1, in de periode van 1 april van het jaar n tot en met 31 maart van het jaar n+1, wordt geacht te zijn ingediend in het kader van de certificatenverplichting van het jaar n.

Artikel 7.1.14. (01/04/2014- ...)

Om de drie jaar, en voor het eerst vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet, legt de Vlaamse Regering een evaluatierapport over de certificatenverplichtingen hernieuwbare energie en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor aan het Vlaams Parlement. Dat rapport evalueert de effecten en de kosteneffectiviteit van de certificatenverplichtingen.

Artikel 7.1.15. (30/07/2012- ...)

[noot: Dit artikel werd vernietigd bij arrest Grondwettelijk Hof nr. 154/2013 van 13 november 2013, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie]

Elke leverancier mag maximaal de door hem daadwerkelijk gemaakte kosten om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en 7.1.11, doorrekenen aan de eindgebruiker.

Als een leverancier die kosten expliciet vermeldt op de factuur, mag het vermelde bedrag niet hoger zijn dan het bedrag dat de VREG voor die leverancier gepubliceerd heeft in het rapport, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 4°, d).

[HOOFDSTUK I/1. Garantie van oorsprong (ing. Decr. 13 juli 2012, art. 14, I: 30 juli 2012)]

Artikel 7.1/1.1. (30/07/2012- ...)

§ 1. De VREG kent een garantie van oorsprong toe aan de eigenaar van een productie-installatie die in het Vlaamse Gewest ligt, of aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daarvoor door hem is aangewezen, voor iedere 1 000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere toepassingsregels en procedures vast voor de vorm, de inhoud, de aanvraag en de toekenning van de garanties van oorsprong.

§ 3. De garanties van oorsprong die de VREG toegekend heeft, worden geregistreerd in een centrale databank. De Vlaamse Regering bepaalt de specificaties die per garantie van oorsprong in de centrale databank worden opgenomen.

Artikel 7.1/1.2. (... - ...)

De levering van elektriciteit in het Vlaamse Gewest als een hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling is toegestaan als de aldus geleverde hoeveelheid elektriciteit overeenstemt met het overeenstemmend aantal kWh van de garanties van oorsprong respectievelijk inzake elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, die ingeleverd zijn in de centrale databank.

Artikel 7.1/1.3. (30/07/2012- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden garanties van oorsprong die toegekend zijn door de daarvoor bevoegde instantie van de federale overheid, de andere gewesten of andere landen, kunnen worden ingeleverd, zoals vermeld in artikel 7.1/1.2. Die voorwaarden moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn.

Artikel 7.1/1.4. (30/07/2012- ...)

Een garantie van oorsprong kan enkel worden ingeleverd, zoals vermeld in artikel 7.1/1.2, binnen twaalf maanden na het einde van de productieperiode van de desbetreffende energiehoeveelheid.

Ingeval de garanties van oorsprong door een oorzaak die niet bij de certificaatgerechtigde ligt, later dan zes maanden na het einde van de productieperiode worden uitgereikt, mogen deze in afwijking van het eerste lid ingeleverd worden tot zes maanden na de toekenning ervan.

[HOOFDSTUK I/2. Werkzaamheden van maatschappelijk belang (ing. decr. 16 november 2018, art. 29, I: 24 december 2018)]

Artikel 7.1/2.1. (24/12/2018- ...)

Onverminderd enige andersluidende bepaling worden de bouw en de aanleg, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, van productie installaties voor warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energie, in ieder geval windturbines, beschouwd als zijnde van maatschappelijk belang. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen waaraan het vermogen van een dergelijke productie-installatie moet voldoen om als van maatschappelijk belang zijnde te worden beschouwd.

HOOFDSTUK II. Groenewarmtecertificaten

Artikel 7.2.1. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan een systeem van groenewarmtecertificaten instellen.

Artikel 7.2.2. (01/01/2011- ...)

De VREG verleent op aanvraag van een producent per schijf van 1000 kWh groene warmte een certificaat voor de hoeveelheid groene warmte waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat die geleverd wordt aan een warmteverbruiker en in het Vlaamse Gewest is geproduceerd.

De Vlaamse Regering stelt nadere toepassingsregels en procedures vast voor het toekennen van groenewarmtecertificaten.

Artikel 7.2.3. (26/08/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, iedere leverancier van aardgas aan afnemers via het aardgasdistributienet of vervoersnet, verplich-ten jaarlijks een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal groenewarmtecertificaten in te dienen bij de VREG.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt welke groenewarmtecertificaten in aanmerking komen om te voldoen aan die openbaredienstverplichting.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke omstandigheden het voorleggen van het aantal groenewarmtecertificaten geheel of gedeeltelijk kan worden vervangen door het voorleggen van een aantal groenestroomcertificaten.

HOOFDSTUK III. Beperking aansluitkosten productie-installaties voor elektriciteit uit warmtekrachtinstallaties

Artikel 7.3.1. (26/08/2011- ...)

De kosten voor de aanleg van de elektrische leidingen over de eerste duizend meter op het openbaar domein tussen het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de productie-installatie, zijn ten laste van de netbeheerder in kwestie voor zover het aansluitingsvermogen van die productieinstallatie niet hoger is dan 5 MVA. De aanvrager van de aansluiting draagt alle overige kosten bij een nieuwe aansluiting van een productie-installatie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

De kosten voor de aanleg van de aardgasleidingen over de eerste duizend meter op het openbaar domein tussen het aardgasdistributienet en de productie-installatie zijn ten laste van de aardgasnetbeheerder voor zover de aansluitingscapaciteit van die productie-installatie niet hoger is dan 2500 m3/h. De aanvrager van de aansluiting draagt alle overige kosten bij een nieuwe aansluiting van een productie-installatie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling op het aardgasdistributienet.

De kosten, vermeld in het eerste en tweede lid, die ten laste van de netbeheerder gelegd worden, worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder.

HOOFDSTUK IV. Informatieverlening over de oorsprong en milieugevolgen van de geleverde elektriciteit

Artikel 7.4.1. (01/01/2011- ...)

De leverancier voor elektriciteit meldt op zijn facturen en in al zijn gedrukte en elektronische promotiemateriaal :
1° het aandeel van elke energiebron in de totale brandstofmix die de leverancier in het voorgaande jaar heeft gebruikt in het Vlaamse Gewest, en het aandeel van elke energiebron in de brandstofmix van het aangeboden product van de leverancier aan de betrokken afnemers in het Vlaamse Gewest;
2° een verwijzing naar de bestaande officiële referentiebronnen waar voor het publiek toegankelijke informatie beschikbaar is over de gevolgen voor het milieu, ten minste voor wat betreft CO2-emissies en radioactief afval van elektriciteitsproductie die met verschillende energiebronnen geproduceerd is door de totale brandstofmix van de leverancier gedurende het voorafgaande jaar;
3° een verklaring dat aan de VREG garanties van oorsprong werden voorgelegd voor geleverde stroom uit hernieuwbare energie of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.

De VREG gaat na of de door de leverancier aan zijn klanten verstrekte informatie betrouwbaar is.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere toepassingsregels voor de verplichtingen in het eerste lid.

HOOFDSTUK V. Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers en netbeheerders [ en de warmte- of koudenetbeheerders (verv. decr. 10 maart 2017, art. 21, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)] ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen

Artikel 7.5.1. (01/04/2017- ...)

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de leveranciers en netbeheerders openbaredienst-verplichtingen opleggen inzake programma's ter bevordering van het rationeel energiegebruik en hernieuwbare energiebronnen, minimumnormen inzake rationeel energiegebruik bij hun afnemers en investeringen in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, installaties voor de productie van groene stroom, groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de VREG, de netbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen inzake programma's ter bevordering van elektrische voertuigen, met inbegrip van voertuigen met brandstofcellen, hybride voertuigen en voertuigen op aardgas.

In afwijking van artikel 4.1.10, eerste lid, kan de netbeheerder of zijn werkmaatschappij echter in het kader van de uitvoering van de hun op grond van dit artikel opgelegde openbaredienstverplichtingen en onder de door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden, gegevens verstrekken aan personen die daarvoor door de Vlaamse Regering zijn aangewezen.

Artikel 7.5.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De Vlaamse Regering kan de warmte- of koudenetbeheerders openbaredienstverplichtingen opleggen voor programma's ter bevordering van rationeel energiegebruik en hernieuwbare energiebronnen, minimumnormen voor rationeel energiegebruik bij hun afnemers en investeringen in kwalitatieve warmte-krachtinstallaties of installaties voor de productie van groene warmte.

HOOFDSTUK VI. Verplichtingen van de brandstofleveranciers ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen

Artikel 7.6.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan aan de brandstof-leveranciers actie- en middelenverplichtingen opleggen voor de bevordering van rationeel energiebeheer, rationeel energiegebruik en hernieuwbare energietechnologieën.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de rapporteringsvereisten vast voor de uitvoering van de actie- en middelenverplichtingen, vermeld in § 1.

§ 3. De brandstofleveranciers kunnen voor het uitvoeren van de actie- en middelenverplichtingen op hun kosten een beroep doen op derden, onder de voorwaarden die door de Vlaamse Regering bepaald zijn.

Artikel 7.6.2. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan aan de brandstofleveranciers verplichtingen opleggen inzake het geven van informatie aan en het sensibiliseren van hun klanten over rationeel energiebeheer, rationeel energiegebruik en hernieuwbare energietechnologieën.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de rapporteringsvereisten vast voor de uitvoering van de informatie- en sensibilisatieverplichting, vermeld in § 1.

HOOFDSTUK VII. Instrumenten ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen voor ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen

Artikel 7.7.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan energiebeleidsovereenkomsten sluiten met :
1° een of meer organisaties van ondernemingen, niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen;
2° een of meer ondernemingen of niet-commerciële instellingen;
3° een of meer publiekrechtelijke rechtspersonen.

§ 2. De Vlaamse Regering legt het ontwerp van energiebeleidsovereenkomst ter bespreking voor aan het Vlaams Parlement.

Energiebeleidsovereenkomsten met individuele ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen worden niet meegedeeld aan het Vlaams Parlement.

§ 3. Jaarlijks rapporteert de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement over de gesloten energiebeleidsovereenkomsten.

Artikel 7.7.2. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan aan ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen verplichtingen opleggen om hen aan te zetten hun energiegebruik te rationaliseren en gebruik te maken van hernieuwbare energietechnologieën.

§ 2. De verplichtingen, vermeld in § 1, omvatten :
1° het opzetten van een energieboekhouding;
2° het uitvoeren van rendabele investeringen, die al dan niet ter kennis worden gebracht door een energieplan of een energiestudie;
3° het periodiek dan wel eenmalig laten opmaken van een energieplan en/of een energiestudie door een energiedeskundige.

De Vlaamse Regering kan voor een of meer van de voorgaande verplichtingen vrijstelling verlenen en/of de periodiciteit bepalen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de rendabele investeringen. De Vlaamse Regering evalueert om de vier jaar en voor het eerst in 2012 de definitie van rendabele investeringen, zoals bepaald in artikel 1.1.3, 111°. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om na evaluatie een nieuwe interne rentevoet na belastingen vast te leggen.

§ 4. De Vlaamse Regering kan een instantie aanduiden die de energieplannen en de energiestudies conform moet verklaren.

§ 5. De energiedeskundige stelt de energieplannen en de energiestudies ter beschikking van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of bij ontstentenis van die organen, de vakbondsafvaardiging.

§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt de concrete opmaak, de inhoud en, in voorkomend geval, de conformverklaring van de energieplannen en energiestudies.

§ 7. Ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die een energiebeleidsovereenkomst met de Vlaamse Regering sluiten, moeten minstens voldoen aan de verplichtingen, vermeld in § 1, die gelden op het moment van het sluiten van de energiebeleidsovereenkomst.

Als de Vlaamse Regering op basis van § 1 verplichtingen oplegt, zijn die verplichtingen voor ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die een energiebeleidsovereenkomst hebben gesloten, niet strenger dan de overeenkomstige bepalingen, opgenomen in de energiebeleidsovereenkomst en van die aard dat ze niet voor extra lasten zorgen ten opzichte van de overeenkomstige bepalingen in de energiebeleidsovereenkomst, behalve om te voldoen aan internationale of Europese verplichtingen, steeds rekening houdend met het engagement van het Vlaamse Gewest in de energiebeleidsovereenkomsten. In die gevallen pleegt de Vlaamse Regering vooraf overleg met de andere partijen van de energiebeleidsovereenkomst.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de te volgen overlegprocedure.

§ 8. In afwijking van de vorige paragraaf kan de Vlaamse Regering verplichtingen, als vermeld in § 1, opleggen aan ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die de bepalingen van de gesloten energiebeleidsovereenkomst niet naleven.

§ 9. De Vlaamse Regering kan de tegemoetkomingen, vermeld in titel VIII van dit decreet beperken tot de ondernemingen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die een energiebeleidsovereenkomst hebben gesloten.

[HOOFDSTUK VIII. ... (opgeh. decr. 10 maart 2017, art. 23, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 7.8.1. (25/05/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. Ingeval de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een stadsverwarmingsnet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, wordt een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. De Vlaamse Regering kan voorwaarden en nadere regels bepalen aangaande de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw door een stadsverwarmingsnet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan de beheerder van een stadsverwarmingsnet of centrale bron moet voldoen om een dergelijk net of bron te mogen uitbaten.

§ 3. De beheerder van een stadsverwarmingsnet of van een centrale bron die verschillende gebouwen of verbruikers bedient, zorgt er voor dat tegen uiterlijk 31 december 2016 in appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings/koelingsbron of met levering vanuit diens stadsverwarmingsnet of diens centrale bron, individuele verbruiksmeters geïnstalleerd worden om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten.

De Vlaamse Regering kan uitzonderingen bepalen voor die gevallen waar het niet technisch haalbaar of niet kostenefficiënt is om een dergelijke meter te installeren. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke voorwaarden deze meters moeten voldoen. De partijen die via dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten toegang krijgen tot de gegevens uit deze meters zorgen ervoor dat te allen tijde de dataveiligheid gegarandeerd wordt en voldaan wordt aan de de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de transparante en accurate berekening van het individuele verbruik en voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik voor:
1° warm water voor huishoudelijk gebruik;
2° warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten;
3° voor het verwarmen van appartementen.

TITEL VIII. TEGEMOETKOMINGEN TER BEVORDERING VAN HET RATIONEEL ENERGIEGEBRUIK, HET RATIONEEL ENERGIEBEHEER, HET GEBRUIK VAN HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN [... (geschr. Decr. 14 februari 2014, art. 36, I: 6 mei 2014)]

HOOFDSTUK I. Kredieten

Artikel 8.1.1. (06/05/2014- ...)

De tegemoetkomingen die op basis van de steunprogramma's in deze titel kunnen worden toegekend ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het rationeel energiebeheer, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, worden toegekend binnen de perken van de beschikbare kredieten van het Energiefonds of de algemene uitgavenbegroting.

HOOFDSTUK II. Steunprogramma's voor natuurlijke personen

Artikel 8.2.1. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan een steunprogramma opstellen met tegemoetkomingen ten voordele van natuurlijke personen die niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als onderneming voor :
1° de toepassing van energiezuinige producten, technieken en systemen;
2° een rationeel energiebeheer;
3° de toepassing van hernieuwbare energietechnologieën.

Artikel 8.2.2. (24/12/2018- ...)

§1. De Vlaamse Regering kan leningen verstrekken ter ondersteuning van investeringen in het kader van de bevordering van het rationeel energieverbruik, door:
1° via energiehuizen leningen aan eindafnemers te verstrekken voor de financiering van investeringen in privéwoningen die dienen als hoofdverblijfplaats;
2° het rechtstreeks verstrekken van deze leningen aan eindafnemers.

De Vlaamse Regering kan de modaliteiten voor de leningen bepalen evenals de procedure voor aanvraag en toekenning.

De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.

§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor Energie schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.

HOOFDSTUK III. Steunprogramma's voor ondernemingen

Afdeling I. De onderneming als gebruiker van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën

Artikel 8.3.1. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan een steunprogramma opstellen met tegemoetkomingen ten voordele van ondernemingen voor :
1° de toepassing van energiezuinige producten, technieken en systemen;
2° een rationeel energiebeheer;
3° de toepassing van hernieuwbare energietechnologieën;
4° het ondernemen van haalbaarheidsstudies voor de toepassing van energiezuinige producten, technieken en systemen of voor de toepassing van hernieuwbare energietechnologieën.

Artikel 8.3.1/1. (24/12/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan leningen verstrekken ter ondersteuning van investeringen in het kader van de bevordering van het rationeel energieverbruik, door:
1° via energiehuizen leningen aan coöperatieve vennootschappen te verstrekken voor de financiering van investeringen in gebouwen;
2° het rechtstreeks verstrekken van deze leningen aan coöperatieve vennootschappen.

De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.

§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.

Afdeling II. De onderneming als ontwikkelaar, producent of distributeur van energiezuinige producten, technieken of systemen of van hernieuwbare energietechnologieën

Artikel 8.3.2. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan een steunprogramma opstellen met tegemoetkomingen ten voordele van ondernemingen die ontwikkelaar, fabrikant of distributeur zijn van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën, voor het uitvoeren van referentieprojecten.

§ 2. Een onderneming, als vermeld in § 1, sluit met de eerste gebruiker een overeenkomst waarin het deel van de tegemoetkoming dat gegeven wordt om de investerings- en installatiekosten te dekken, wordt overgedragen aan de eerste gebruiker en waarin de gebruiker de onderneming toestaat om de resultaten van het project te gebruiken bij commercialisering.

Afdeling III. De onderneming als promotor van rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen

Artikel 8.3.3. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan een steunprogramma opstellen met tegemoetkomingen ten voordele van ondernemingen voor :
1° het voeren van sensibiliserings- en communicatieacties over rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
2° de informatieverzameling en -verstrekking voor rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
3° het organiseren van vormingsprojecten over rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer en hernieuwbare energietechnologieën.

[HOOFDSTUK IV. Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen, publiekrechtelijke rechtspersonen en voor de netbeheerders en de beheerders van het transmissienet en het vervoersnet (verv. Decr. 20 december 2013, art. 23, I: 1 januari 2014)]

Artikel 8.4.1. (01/01/2014- ...)

De Vlaamse Regering kan een steunprogramma opstellen met tegemoetkomingen ten voordele van niet-commerciële instellingen, publiekrechtelijke rechtspersonen, de netbeheerders en de beheerders van het transmissienet en het vervoersnet voor :
1° de toepassing van energiezuinige producten, technieken en systemen;
2° een rationeel energiebeheer;
3° de toepassing van hernieuwbare energietechnologieën;
4° het ondernemen van haalbaarheidsstudies voor de toepassing van energiezuinige producten, technieken en systemen of voor de toepassing van hernieuwbare energietechnologieën;
5° het voeren van sensibiliserings- en communicatieacties over rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
6° de informatieverzameling en -verstrekking voor rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
7° het organiseren van vormingsprojecten voor rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
8° de kosten die verbonden zijn aan de voorbereiding, ondertekening, uitvoering en voortgangscontrole van een energiebeleidsovereenkomst.
9° kosten die verbonden zijn aan openbaredienstverplichtingen die door of krachtens dit decreet worden opgelegd.

Artikel 8.4.2. (24/12/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan leningen verstrekken ter ondersteuning van investeringen in het kader van de bevordering van het rationeel energieverbruik, door:
1° via energiehuizen leningen aan niet-commerciële instellingen te verstrekken voor de financiering van investeringen in gebouwen;
2° het rechtstreeks verstrekken van deze leningen aan niet-commerciële instellingen.

De Vlaamse Regering kan bij het verstrekken van de leningen, vermeld in het eerste lid, gebruikmaken van de diensten van het Participatiefonds-Vlaanderen.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energiehuizen, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, dienen te voldoen. Tussen het Vlaamse Gewest en elke energiehuis wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De Vlaamse Regering kan een tegemoetkoming geven in de personeels- en werkingskosten van de energiehuizen.

§ 3. De Vlaamse Regering kan op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, schulden die door een energiehuis ten aanzien van het Vlaamse Gewest in het kader van de uitvoering van dit artikel werden gemaakt geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de modaliteiten en de voorwaarden waaronder deze kwijtschelding kan geschieden.

HOOFDSTUK V. Marktintroductieprogramma

Artikel 8.5.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan op geregelde tijdstippen een steunprogramma opstellen om marktintroductieprojecten te ondersteunen. Dat steunprogramma geeft een beschrijving van de energiezuinige producten, technieken en systemen of van de hernieuwbare energietechnologieën, waarvoor de Vlaamse Regering een hogere marktintroductie wil verkrijgen, het totale budget dat ze daartoe wil aanwenden en de maximale hoogte van de tegemoetkomingen die in het kader van dat marktintroductieprogramma kunnen worden toegestaan.

Het steunprogramma geeft aan welke van de volgende doelgroepen kunnen inschrijven op het marktintroductieprogramma : natuurlijke personen, ondernemingen, niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen.

De Vlaamse Regering lanceert vervolgens een oproep, waarop belangstellenden uit de aangewezen doelgroepen kunnen intekenen, die deze energie-zuinige producten, technieken of systemen of hernieuwbare energietechnologieën willen installeren en die bereid zijn mee te werken aan de monitoring en kennisoverdracht aan de gebruikerssector.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels van de oproep, en de nadere regels voor de monitoring en de bekendmaking van de resultaten van de marktintroductieprojecten.

HOOFDSTUK VI. [... (opgeh. Decr. 14 februari 2014, art. 38, I: 6 mei 2014)]

Artikel 8.6.1. (06/05/2014- ...)

...

HOOFDSTUK VII. Hoogte van de tegemoetkomingen

Artikel 8.7.1. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de tegemoetkomingen en de in aanmerking komende kosten, vermeld in deze titel, en de nadere regels voor de aanvraag, de beoordeling van de aanvragen en het toekennen van de tegemoetkomingen.

De tegemoetkomingen, vermeld in het vorige lid, kunnen de vorm aannemen van een subsidie, een lening tegen een verlaagde rentevoet, een voorschot of een ander geldelijk voordeel.

Artikel 8.7.2. (10/12/2015- ...)

§ 1. De tegemoetkomingen die ter uitvoering van deze titel worden toegekend aan natuurlijke personen, niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen, kunnen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

§ 2. De tegemoetkomingen die ter uitvoering van deze titel worden toegekend aan kleine of middelgrote ondernemingen, kunnen maximaal 50 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

Als de onderneming een grote onderneming is, kunnen die tegemoetkomingen maximaal 40 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

De Vlaamse Regering past die maximumpercentages aan overeenkomstig de percentages die opgenomen zijn in de Europese kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu.

Alleen de extra investeringen die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de milieudoeleinden worden in aanmerking genomen, exclusief de voordelen van een eventuele capaciteitsverhoging, de kostenbesparingen gedurende de eerste vijf jaar van de gebruiksduur van de investeringen en de extra bijproducten gedurende diezelfde periode. Gestrande kosten komen niet in aanmerking.

Artikel 8.7.3. (01/01/2011- ...)

Beschermde afnemers hebben recht op een tegemoetkoming die minstens 20 % hoger is dan de tegemoetkoming voor dezelfde aankoop of in aanmerking komende kosten, die gegeven wordt aan natuurlijke personen die geen beschermde afnemer zijn.

Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste lid kunnen de tegemoetkomingen aan een beschermde afnemer maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

Artikel 8.7.4. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering beperkt de tegemoetkomingen in elk individueel geval dusdanig dat de cumulatie van de tegemoetkomingen die ter uitvoering van deze titel worden gegeven, met de overheidssteun die op grond van andere regelgevingen wordt toegekend, de maximale tegemoetkomingspercentages in artikel 8.7.2 niet overschrijdt.

[TITEL IX. ENERGIEHUIZEN (ing. decr. 16 november 2018, art. 34, I: 24 december 2018)]

Artikel 9.1.1. (24/12/2018- ...)

De Vlaamse Regering kan aan de energiehuizen de volgende taken opdragen:
1° het als kredietbemiddelaar of kredietgever verstrekken van de leningen, vermeld in de artikelen 8.2.2, 8.3.1/1 en 8.4.2;
2° het verlenen van advies over en het voeren van sensibiliserings- en communicatieacties over rationeel energiegebruik, rationeel energiebeheer of hernieuwbare energietechnologieën;
3° het bevorderen van het gebruik van energiezuinige producten, technieken, systemen of hernieuwbare energietechnologieën, inclusief de begeleiding bij de uitvoering van werken en diensten bij huishoudelijke afnemers daaromtrent;
4° het verlenen van informatie aan huishoudelijke afnemers over de werking van de energiemarkt;
5° het optreden als uniek loket voor door de Vlaamse Regering door of krachtens dit decreet vastgestelde taken en opdrachten.

Artikel 9.1.2. (24/12/2018- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de energiehuizen moeten voldoen om in het kader van de taken, vermeld in artikel 9.1.1, door het Vlaamse Gewest te worden aanvaard.

Onverminderd het eerste lid voldoet elk energiehuis om als kredietbemiddelaar of kredietgever als vermeld in artikel 9.1.1, 1°, op te treden minstens aan de volgende voorwaarden:
1° het beschikt over rechtspersoonlijkheid;
2° het beschikt over de nodige expertise en kritische capaciteit op technisch, juridisch, financieel en boekhoudkundig vlak;
3° het kan werken volgens het derde-investeerderprincipe en fungeren als lokale ESCO in het kader van de financiering van tussenkomsten voor de door de Vlaamse Regering vastgestelde doelgroep;
4° het kan de sociale begeleiding van de door de Vlaamse Regering vastgestelde doelgroep garanderen.

Artikel 9.1.3. (24/12/2018- ...)

De Vlaamse Regering kan de medewerking van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn opleggen voor taken die door of krachtens dit decreet aan de energiehuizen zijn opgedragen. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm waarin die medewerking bestaat.

Artikel 9.1.4. (06/05/2014- ...)

...

TITEL X. [ERKENNING VAN ENERGIEDESKUNDIGEN, VERSLAGGEVERS EN OPLEIDINGSINSTELLINGEN EN DE CERTIFICERING VAN AANNEMERS (verv. decr. 14 maart 2014, art. 4, I: 28 maart 2014)]

Artikel 10.1.1. (06/05/2014- ...)

In het kader van beleidsmaatregelen voor rationeel energiebeheer, rationeel energiegebruik, hernieuwbare energiebronnen, energieprestaties van gebouwen kan de Vlaamse Regering voorwaarden vastleggen waaraan kandidaat-energiedeskundigen moeten voldoen. Die voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op :
1° diploma's en opleiding;
2° beroepskennis en -ervaring;
3° de onafhankelijke wijze van handelen van de energiedeskundige ten aanzien van opdrachtgevers en commerciële belangen.

Artikel 10.1.2. (28/03/2014- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van energiedeskundigen. Ze legt de procedure voor de erkenning van de energiedeskundigen en de procedure en voorwaarden voor de schorsing en intrekking van die erkenning vast. De Vlaamse Regering kan voorwaarden koppelen aan de opheffing van een schorsing. De Vlaamse Regering legt ook de kwaliteitseisen vast en wijst de instantie aan die belast is met de controle op hun werkzaamheden.

Artikel 10.1.3. (24/12/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan kandidaat-verslaggevers en verslaggevers moeten voldoen. Die voorwaarden kunnen in elk geval betrekking hebben op de opleiding, beroepskennis en -ervaring.

Om als verslaggever te kunnen optreden is de natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon de zaakvoerder, bestuurder of werknemer, onverminderd het eerste lid, houder van een van de volgende diploma's of van een daarmee gelijkgesteld diploma:
1° architect;
2° burgerlijk ingenieur-architect;
3° burgerlijk ingenieur;
4° industrieel ingenieur;
5° technisch ingenieur;
6° bio-ingenieur;
7° gegradueerde in de Bouw;
8° architect-assistent;
9° bachelor in de Bouw(kunde);
10° bachelor in de Elektromechanica: afstudeerrichting Klimatisering;
11° bachelor in de (Toegepaste) Architectuur;
12° interieurarchitect;
13° master in de Architectuur;
14° master in de Ingenieurswetenschappen;
15° master in de Ingenieurswetenschappen: afstudeerrichting Architectuur;
16° master in de Industriële Wetenschappen;
17° master in de Bio-ingenieurswetenschappen.

Onverminderd het tweede lid kan de Vlaamse Regering beslissen om de lijst, vermeld in het tweede lid, uit te breiden met conform het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur erkende beroepskwalificaties.

Onverminderd artikel 11.1.6/1, § 1, tweede en derde lid, kan de Vlaamse Regering bijkomende voorwaarden vastleggen betreffende de onafhankelijke wijze van handelen van de verslaggever ten aanzien van opdrachtgevers en commerciële belangen.

De Vlaamse Regering kan categorieën van verslaggevers bepalen.

De Vlaamse Regering legt de procedure voor de erkenning van de verslaggevers vast.

§ 2. Voor de aflevering van energieprestatiecertificaten bij bouw wordt de verslaggever aangewezen als energiedeskundige.

Artikel 10.1.4. (30/03/2017- ...)

De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan de opleidingsinstellingen voor de energiedeskundigen, de verslaggevers of de aannemers, vermeld in artikel 10.1.5, dienen te voldoen. De Vlaamse Regering kan ook voorwaarden vastleggen waaraan de lesgevers van een opleidingsinstelling moeten voldoen.

De Vlaamse Regering kan de procedure voor de erkenning van de opleidingsinstellingen en de procedure en voorwaarden voor de schorsing en intrekking van die erkenning vastleggen. De Vlaamse Regering kan ook kwaliteitseisen vastleggen voor de opleiding en de lesgevers en wijst de instantie aan die belast is met de controle op hun werkzaamheden.

De Vlaamse Regering kan tevens de inhoud van de door de erkende opleidingsinstellingen aan de energiedeskundigen, de verslaggevers en de aannemers te verstrekken opleidingen bepalen.

Artikel 10.1.5. (30/03/2017- ...)

De Vlaamse Regering zorgt voor een certificatieregeling voor aannemers van hernieuwbare energiesystemen en energie-efficientiesystemen, in ieder geval voor kleinschalige warmwaterketels en verwarmingsketels op biomassa, fotovoltaïsche en thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen en warmtepompen en aannemers van daarmee verband houdende energiediensten.

De Vlaamse Regering legt de procedure voor de certificering en de procedure en voorwaarden voor de schorsing en intrekking van die certificering vast. De Vlaamse Regering legt ook de kwaliteitseisen vast en wijst de instantie aan die belast is met de controle op hun werkzaamheden.

De Vlaamse Regering erkent certificaten als gelijkwaardig die door andere lidstaten of andere gewesten overeenkomstig de criteria van de richtlijn 2009/28/EG zijn afgegeven.

Artikel 10.1.6. (24/12/2018- ...)

De Vlaamse Regering kan in het kader van de uitvoering van de verplichtingen die worden opgelegd door of krachtens dit decreet, kwaliteitseisen en kwaliteitscontroles opleggen aan aannemers van werken en diensten. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de manier waarop die eisen en controles worden uitgevoerd. De Vlaamse Regering kan eisen bepalen waaraan de personen of organisaties die de controles uitvoeren moeten voldoen.

TITEL XI. ENERGIEPRESTATIES VAN GEBOUWEN

HOOFDSTUK I. Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen

Afdeling I. De EPB-eisen

Artikel 11.1.1. (30/03/2017- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan gebouwen moeten voldoen waarvoor een aanvraag tot het verkrijgen van een de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt ingediend.

De invoering van de meldingsplicht, vermeld in artikel 4.2.2, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 laat voor de gebouwen, vermeld in het eerste lid, de door de Vlaamse Regering op grond van het eerste lid vastgestelde EPB-eisen onverminderd van toepassing.

Bij het vaststellen van de eisen wordt een onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande gebouwen. Er kan ook een onderscheid gemaakt worden tussen verschillende categorieën gebouwen. De Vlaamse Regering bepaalt welke EPB-eisen overeenkomen met een bijna-energieneutraal gebouw. De Vlaamse Regering zorgt er in dat kader voor dat :
1° uiterlijk op 1 januari 2021 de EPB-eisen voor alle nieuwe gebouwen overeenkomen met de EPB-eisen voor bijna-energieneutrale gebouwen;
2° na 31 december 2018 nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen, bijna-energieneutrale gebouwen zijn.

Als op een gebouw EPB-eisen van toepassing zijn, gelden die voor de totaliteit van de werken, handelingen en wijzigingen die aan het gebouw uitgevoerd worden en dus ook voor de werken, handelingen en wijzigingen die op zich niet vergunningsplichtig zijn.

Indien een gebouw waarvoor geen energie wordt verbruikt om een specifieke binnentemperatuur te verkrijgen, binnen de twaalf maanden na de ingebruikname van de werken waarvoor conform artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, en artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 een omgevingsvergunning werd aangevraagd of een melding werd gedaan, wordt aangepast om alsnog energie te verbruiken om een specifiek binnenklimaat te creëren, dan moet alsnog worden voldaan aan de EPB-eisen die van toepassing zouden zijn geweest mocht in het gebouw vanaf het begin energie zijn verbruikt om een specifiek binnenklimaat te creëren.

In afwijking van het vijfde lid kan de Vlaamse Regering een lijst van type gebouwen vaststellen die geacht worden steeds energie te verbruiken om een specifieke binnentemperatuur te bereiken.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan bestaande gebouwen moeten voldoen als werken, wijzigingen of handelingen uitgevoerd worden die de energieprestatie van het gebouw bepalen en daarvoor geen aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden ingediend, of geen melding, als vermeld in artikel 4.2.2, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, moet worden gedaan.

Artikel 11.1.2. (16/11/2012- ...)

Bij nieuwe gebouwen wordt, voordat met de bouw gestart wordt, de technische, milieutechnische en economische haalbaarheid in aanmerking genomen van alter- natieve systemen zoals :
1° gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen;
2° kwalitatieve warmte-krachtinstallatie;
3° stads- of blokverwarming of -koeling, indien beschikbaar;
4° warmtepompen.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat die haalbaarheidsstudie kan worden verricht voor afzonderlijke gebouwen of groepen van soortgelijke gebouwen of voor soortgelijke ge- bouwen in hetzelfde gebied.

Artikel 11.1.3. (15/12/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan bij het bepalen van de EPB-eisen voor nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, vastleggen dat een minimumniveau van energie uit hernieuwbare energiebronnen moet worden gehaald.

Artikel 11.1.4. (30/03/2017- ...)

De Vlaamse Regering kan vrijstellingen of afwijkingen toestaan op de door haar vastgestelde EPB-eisen :
1° voor beschermde monumenten of gebouwen die deel uitmaken van een beschermd landschap, stads- of dorpsgezicht of gebouwen die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundige erfgoed voor zover de toepassing van bepaalde EPB-eisen hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;
2° voor gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;
3° als voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning of de melding de tussenkomst van een architect niet vereist is;
4° als het behalen van de EPB-eisen bij bestaande gebouwen en bij nieuwe gebouwen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is;
5° voor industriegebouwen of werkplaatsen;
6° voor tijdelijke constructies;
7° voor alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2;
8° voor niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een energiebeleidsovereenkomst inzake energieprestatie valt;
9° voor de niet voor bewoning bestemde gedeelten met een maximale bruikbare vloeroppervlakte van 50 m2 met een andere functie dan industrie of landbouw, gelegen in industriegebouwen, niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een energiebeleidsovereenkomst inzake energieprestatie valt.

Als de Vlaamse Regering wat punt 3° betreft een vrijstelling toestaat, als vermeld in het eerste lid, 3°, dan gelden de EPB-eisen, vermeld in artikel 11.1.1, § 2.

Artikel 11.1.5. (30/03/2017- ...)

De Vlaamse Regering legt de berekeningsmethode van de energieprestatie van een gebouw vast op basis van het algemene kader in de bijlage van de richtlijn 2010/31/EG.

De Vlaamse Regering kan daarbij bepalen dat gebouwen die gebruikmaken van innovatieve bouwconcepten of technologieën een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Vlaamse Regering kan daarbij afwijkingen toestaan van de indieningstermijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1.

De Vlaamse Regering kan in het kader van de toepassing van de berekeningsmethode kwaliteitseisen en kwaliteitscontroles opleggen aan aannemers van werken en diensten en aan verslaggevers. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de manier waarop die eisen en controles worden uitgevoerd. De Vlaamse Regering kan eisen bepalen waaraan de personen of organisaties die de controles uitvoeren moeten voldoen.

De energieprestatie van een gebouw wordt op transparante wijze uitgedrukt.

Artikel 11.1.6. (28/03/2014- ...)

De Vlaamse Regering evalueert minstens om de twee jaar de EPB-eisen, rekening houdende met het kostenoptimale niveau van het peil van primair energieverbruik, en de berekeningsmethodiek en om de vier jaar de te volgen procedures en de administratieve lasten van de regelgeving en past die in voorkomend geval aan.

[Afdeling I/1. Voorafgaandelijke handelingen (ing. decr. 18 november 2011, art. 12, I: 15 december 2011)]

Artikel 11.1.6/1. (30/03/2017- ...)

§ 1. Voor werken en handelingen aan gebouwen waarvoor met toepassing van artikel 11.1.1, § 1, EPB-eisen gelden, stelt de aangifteplichtige voor de aanvang van de werken en handelingen een verslaggever aan.

Die verslaggever vervult zijn opdracht onafhankelijk, objectief en neutraal ten aanzien van de aangifteplichtige. Tijdens het contact met de aangifteplichtige onthoudt hij zich ervan commerciële voorstellen te doen met betrekking tot energieleveringen aan het gebouw of met betrekking tot de te realiseren maatregelen om te voldoen aan de EPB-eisen. De functie van verslaggever is onverenigbaar met het beroep van aannemer. Ieder mandaat, iedere functie of activiteit, al dan niet bezoldigd, in dienst van een aannemingsbedrijf is dan ook verboden. De verslaggever mag de als onverenigbaar aangemerkte handelingen niet rechtstreeks en evenmin onrechtstreeks of met een tussenpersoon verrichten.

§ 2. Voorafgaand aan de start van de werken dient de verslaggever een berekening te maken met de maatregelen die door de architect en in voorkomend geval, de ontwerper van technische bouwsystemen zijn genomen om de EPB-eisen te halen. De verslaggever maakt de berekening op basis van de materialen en de keuzes die door de architect en de ontwerper van de technische bouwsystemen zijn gemaakt om aan de EPB-eisen te voldoen. De architect en de ontwerper van de technische bouwsystemen zijn ertoe gehouden die gegevens ter beschikking te stellen van de aangifteplichtige en de verslaggever.

Als de berekening aantoont dat het ontworpen gebouw niet zal voldoen aan de EPB-eisen, signaleert de verslaggever dat aan de aangifteplichtige en aan de architect. De verslaggever geeft hen één schriftelijk niet-bindend advies over hoe ze kunnen voldoen aan de EPB-eisen. Hij toont aan welke punten kunnen worden bijgestuurd en bakent de probleemzones af. De aangifteplichtige neemt mede op voorstel van de architect, de uiteindelijke beslissing over de maatregelen om te voldoen aan de EPB-eisen en de eventuele noodzakelijke bijsturingen.

§ 3. In het kader van de toewijzingsprocedure van een aannemingsopdracht bezorgt de opdrachtgever of de architect aan de gecontracteerde aannemers de beschikbare gegevens over het behalen van de EPB-eisen.

Afdeling II. De startverklaring

Artikel 11.1.7. (30/03/2017- ...)

§ 1. De werken en handelingen mogen pas worden aangevat nadat een startverklaring met voorafberekening is ingediend. De startverklaring met voorafberekening wordt voor het aanvatten van de werken en handelingen door de verslaggever namens de aangifteplichtige ingediend bij het Vlaams Energieagentschap.

De gegevens die aan de basis liggen van de keuze voor materialen en maatregelen om te voldoen aan de EPB-eisen, zijn opvraagbaar door het Vlaams Energieagentschap en de partijen die bij de werken en handelingen betrokken zijn. De architect en de ontwerper van de technische installatie stellen die gegevens op eerste verzoek ter beschikking.

§ 2. De verslaggever houdt gedurende drie jaar van elke door hem opgestelde startverklaring een exemplaar en de bijbehorende gegevens bij zich. Die documenten zijn ondertekend door de verslaggever, de aangifteplichtige en de architect. De verslaggever stelt op eenvoudig verzoek een exemplaar en de bijbehorende gegevens ter beschikking aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 3. Als er voor de indiening van de EPB-aangifte een verandering van verslaggever plaatsvindt, wordt die wijziging door de nieuw aangestelde verslaggever of door de aangifteplichtige zo snel mogelijk elektronisch gemeld aan het Vlaams Energieagentschap.

Afdeling III. EPB-aangifte

Artikel 11.1.8. (24/12/2018- ...)

§ 1.Voor nieuwbouw gebouwen waarvoor EPB-eisen gelden als vermeld in artikel 11.1.1, § 1, dient de verslaggever namens de aangifteplichtige een EPB-aangifte in bij het Vlaams Energieagentschap binnen een termijn van twaalf maanden die ingaat van zodra een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de ingebruikname van het gebouw, waarbij bij een nieuwbouw dit moment ten laatste steeds de eerste domiciliering van natuurlijke personen in een gebouw of de vestiging van een maatschappelijke zetel van een rechtspersoon in een gebouw is;
2° het beëindigen van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen.

De EPB-aangifte wordt in elk geval ten laatste vijf jaar na het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het neerleggen van de melding ingediend.

In afwijking van het tweede lid dient in het geval bij de nieuwbouw van meerdere EPB-eenheden de stedenbouwkundige vergunning voor onbepaalde duur conform artikel 4.2.21 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen conform artikel 80 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, de termijn van vijf jaar, vermeld in het tweede lid, voor elke EPB-eenheid van die vergunning te worden gerekend per fase waaronder zij valt en waaronder de werken aan die EPB-eenheid het eerst werden gestart.

Voor de EPB-aangifte met betrekking tot gebouwen waarvan de stedenbouwkundige vergunning in 2006 werd aangevraagd, dient de verslaggever uiterlijk twaalf maanden na de ingebruikname van het gebouw en uiterlijk vijf jaar na het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning namens de aangifteplichtige een EPB-aangifte in bij het Vlaams Energieagentschap.

§ 1/1. Voor andere gebouwen dan de gebouwen, vermeld in paragraaf 1, waarvoor EPB-eisen gelden als vermeld in artikel 11.1.1, § 1, dient de verslaggever namens de aangifteplichtige een EPB-aangifte in bij het Vlaams Energieagentschap binnen een termijn van vijf jaar na het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het indienen van de melding.

§ 2. De verslaggever houdt gedurende vijf jaar van elke door hem opgestelde EPB-aangifte een exemplaar, de bijbehorende plannen en bijlagen bij zich. Die documenten zijn ondertekend door de verslaggever en de aangifteplichtige. De verslaggever stelt op eenvoudig verzoek een exemplaar van de EPB-aangifte, de plannen en de bijlagen ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap.

De aangifteplichtige houdt gedurende tien jaar een exemplaar van de EPB-aangifte, de bijhorende plannen en de bijlagen bij zich. Die documenten zijn ondertekend door de verslaggever en de aangifteplichtige. De aangifteplichtige stelt op eenvoudig verzoek een exemplaar van de EPB-aangifte, de plannen en de bijlagen ter beschikking aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 3. De verslaggever stelt vanaf zijn aanstelling tot bij de indiening van de EPB-aangifte een technisch EPB-dossier samen. Het technisch EPB-dossier geeft een overzicht van de tijdens de werken genomen maatregelen met de bijhorende bewijsstukken. Op basis van het technisch EPB-dossier stelt de verslaggever de uiteindelijke EPB-aangifte op.

Het technisch EPB-dossier kan volledig in elektronisch formaat zijn. Het wordt vijf jaar bewaard door de verslaggever en kan opgevraagd worden door het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 11.1.9. (01/07/2017- ...)

§ 1. Als er voor een gebouw EPB-eisen gelden volgens artikel 11.1.1, § 1, is de houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de meldingsplichtige de aangifteplichtige.

Als een gebouw dat gebouwd moet worden of in aanbouw is, door de aangifteplichtige wordt vervreemd, of als de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen door de aangifteplichtige wordt overgedragen, dan wordt respectievelijk de nieuwe eigenaar of de nieuwe houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen de nieuwe aangifteplichtige. Als een gebouw dat al voorlopig opgeleverd is, wordt vervreemd voor een EPB-aangifte is ingediend, blijft de oorspronkelijke houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de meldingsplichtige de aangifteplichtige.

Als de aangifteplicht wordt overgedragen als vermeld in het tweede lid, wordt in het kader van de overdracht een tussentijds verslag opgesteld dat opgemaakt is door de verslaggever die door de oorspronkelijke aangifteplichtige is aangesteld, en dat is ondertekend door de verslaggever, de oorspronkelijke aangifteplichtige en de nieuwe aangifteplichtige, en waarin alle maatregelen die uitgevoerd zijn of die uitgevoerd moeten worden om aan de EPB-eisen te voldoen, worden opgesomd, en waarin wordt vermeld wie voor de uitvoering van de verschillende maatregelen zal instaan. De oorspronkelijke aangifteplichtige stelt na de beëindiging van de werken waarvoor hij instaat, de nodige gegevens van de door hem of in zijn opdracht uitgevoerde werken, ter beschikking van de aangifteplichtige met het oog op het opstellen van de definitieve EPB-aangifte.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vaststelling van de vorm en de inhoud van het tussentijdse verslag, vermeld in het derde lid.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is bij een overeenkomst tussen een promotor-bouwheer en een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, en die tot doel heeft een gebouw te verkopen, te bouwen of te verbouwen, de promotor-bouwheer altijd de aangifteplichtige, tenzij aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
1° in de authentieke akte wordt vermeld dat de aangifteplicht wordt overgedragen en aan wie;
2° bij de authentieke akte wordt een tussentijds verslag gevoegd dat opgemaakt is door de verslaggever die door de promotor-bouwheer is aangesteld, en dat is ondertekend door de verslaggever, de promotor-bouwheer en de nieuwe aangifteplichtige. In het tussentijdse verslag worden alle maatregelen die uitgevoerd zijn of die uitgevoerd moeten worden om aan de EPB-eisen te voldoen, opgesomd en wordt vermeld wie voor de uitvoering van de verschillende maatregelen zal instaan;
3° de promotor-bouwheer stelt na de beëindiging van de werken de nodige gegevens van de door hem of in zijn opdracht uitgevoerde werken, ter beschikking van de aangifteplichtige met het oog op het opstellen van de definitieve EPB-aangifte.

Het eerste lid is ook van toepassing op elke overeenkomst waarbij de Woningbouwwet van toepassing is of contractueel van toepassing is gemaakt.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vaststelling van de vorm en de inhoud van het tussentijdse verslag, vermeld in het eerste lid, 2°.

Artikel 11.1.10. (01/01/2011- ...)

Als er voor een gebouw volgens artikel 11.1.1, § 2, EPB-eisen gelden is de eigenaar van het gebouw de aangifteplichtige.

Artikel 11.1.11. (30/03/2017- ...)

De verslaggever stelt de EPB-aangifte op conform de uitgevoerde werken. Hij omschrijft op basis van de door de aangifteplichtige aangeleverde bewijsstukken en zijn vaststellingen opgemaakt na een controle ter plaatse de maatregelen die de energieprestaties en het binnenklimaat van het gebouw bepalen en berekent of het gebouw aan de EPB-eisen voldoet. Hij is verantwoordelijk voor de correcte rapportering van de feitelijke toestand van het gebouw in de EPB-aangifte.

De EPB-aangifte wordt door de verslaggever ingediend per deelproject als er geen EPB-eenheden zijn, of per EPB-eenheid. Als een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, waarop EPB-eisen van toepassing zijn, voor de ingebruikname of voor het beëindigen van de vergunnings- of meldingsplichtige werken door een nieuwe stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt gewijzigd, worden de werken die uitgevoerd zijn op basis van deze verschillende vergunningen door de verslaggever in een EPB-aangifte gerapporteerd. Als een wijziging van een bestaande stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt gevraagd en het voorwerp van de aanvraag een uitbreiding van het gebouw met EPB-eenheden betreft, wordt elk van deze uitbreidingen als een aparte EPB-eenheid met een EPB-aangifte gerapporteerd. De verslaggever meldt elektronisch aan het Vlaams Energieagentschap welke energieprestatiedossiers worden samengevoegd.

De aangifteplichtige is verantwoordelijk voor het bezorgen van de gegevens en de bewijsstukken die noodzakelijk zijn voor de opmaak van de EPB-aangifte aan de verslaggever. De aangifteplichtige bezorgt in dat kader op het eerste verzoek van de verslaggever de gegevens van de materialen en installaties die in het gebouw effectief gebruikt worden en die betrekking hebben op het behalen van de EPB-eisen, aan die verslaggever.

De aangifteplichtige kan de gegevens van de materialen en installaties die in het gebouw effectief gebruikt worden en die betrekking hebben op het behalen van de EPB-eisen, opvragen bij de architect of de aannemers. De architect of de aannemers stellen die gegevens op eerste verzoek ter beschikking van de aangifteplichtige.

Als de architect die met de controle op de uitvoering van de werken belast is tijdens de uitvoering vaststelt dat er een ernstig risico bestaat dat de EPB-eisen niet gerespecteerd zullen worden, brengt hij de aangifteplichtige en, als dat een andere persoon dan de architect is, de verslaggever hiervan per aangetekende brief zo snel mogelijk op de hoogte.

Artikel 11.1.12. (01/01/2011- ...)

De aangifteplichtige of zijn rechtsopvolgers mogen de in de EPB-aangifte vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens de prestaties leveren die in de EPB-aangifte vermeld werden.

Artikel 11.1.13. (30/03/2017- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels tot vaststelling van de vorm en de inhoud van het technisch EPB-dossier, de EPB-conceptnota, de voorafberekening, de startverklaring, de haalbaarheidsstudie de EPB-aangifte, de bijbehorende plannen en bijlagen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het indienen van het technisch EPB-dossier, de EPB-conceptnota, de voorafberekening, de startverklaring, de haalbaarheidsstudie en de EPB-aangifte.

Afdeling IV. Energieprestatiedatabank

Artikel 11.1.14. (23/02/2017- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap houdt een energieprestatiedatabank bij. Het Vlaams Energieagentschap ziet erop toe dat regelmatig bijgewerkte lijsten met geregistreerde verslaggevers ter beschikking worden gesteld.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens uit de melding, de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen door de overheid die de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, elektronisch worden bijgehouden. Iedere overheid die bevoegd is om omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen te verlenen of meldingen te registreren, bezorgt het Vlaams Energieagentschap maandelijks en elektronisch een lijst van de gemelde, vergunde, geschorste en vernietigde gestarte en voltooide werken, wijzigingen of handelingen waarvoor EPB-eisen gelden. Deze gegevens worden opgenomen in de energieprestatiedatabank. De Vlaamse Regering legt vast in welke vorm die gegevens uitgewisseld worden.

Wanneer de gemeente strengere eisen vastlegt, als bedoeld in artikel 11.1.1, § 1/1, dan vermeld zij op de lijst, vermeld in het eerste lid, tevens voor welke stedenbouwkundige vergunningen deze strengere eisen van toepassing zijn.

Elke aangifteplichtige of verslaggever, woonachtig of met zetel in België, wordt in de energieprestatiedatabank uniek geïdentificeerd aan de hand van het ondernemingnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer. De Vlaamse Regering kan voor aangifteplichtigen of verslaggevers die niet woonachtig zijn of een zetel hebben in België een alternatieve identificatiemethode vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop deze gegevens in de energieprestatiedatabank worden opgenomen.

De gegevens in de energieprestatiedatabank zijn alleen toegankelijk voor de diensten van de Vlaamse overheid en de betrokken vergunningverlenende overheid. De verslaggever en de aangifteplichtige hebben alleen toegang tot de gegevens van hun eigen dossiers. De netbeheerder of zijn werkmaatschappij heeft in het kader van de uitvoering van de hun door of krachtens dit decreet opgelegde openbaredienstverplichtingen toegang tot de energieprestatiedatabank. De Vlaamse Regering bepaalt nadere voorwaarden betreffende welke gegevens worden vrijgegeven en de wijze waarop deze worden vrijgegeven.

In afwijking van het vierde lid kan het Vlaams Energieagentschap in het kader van wetenschappelijk onderzoek geanonimiseerde gegevens uit de energieprestatiedatabank ter beschikking stellen van belanghebbende instanties. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt onder welke voorwaarden deze gegevens mogen worden gebruikt.

HOOFDSTUK II. Energieprestatiecertificaten

Artikel 11.2.1. (30/03/2017- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. De Vlaamse Regering kan de eigenaars, de houders van een zakelijk recht of gebruikers van een gebouw opleggen dat het gebouw over een energieprestatiecertificaat moet beschikken. De Vlaamse Regering kan een lijst van type gebouwen vaststellen die geacht worden steeds energie te verbruiken om een specifieke binnentemperatuur te bereiken.

Het energieprestatiecertificaat bevat referentiewaarden op basis waarvan de energieprestaties van het gebouw kunnen worden beoordeeld en vergeleken met die van andere gebouwen. In het energieprestatiecertificaat worden ook aanbevelingen opgenomen voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gebouw of tips voor goed gebruikersgedrag.

De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningsmethode, de verdere inhoud en de vorm van het energieprestatiecertificaat. De Vlaamse Regering kan ook nadere regels vastleggen voor de labeling van gebouwen.

De geldigheidsduur van een energieprestatiecertificaat kan niet langer zijn dan tien jaar. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin een energieprestatiecertificaat kan worden ingetrokken of aangepast.

§ 2. In gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte groter dan 1 000 m2 en waarin overheidsdiensten en instellingen gevestigd zijn die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken, en die derhalve vaak door het publiek bezocht worden, wordt een geldig energieprestatiecertificaat aangebracht op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

Vanaf 1 januari 2013 wordt de oppervlaktegrens, vermeld in het eerste lid, verlaagd tot 500 m2 en vanaf 1 januari 2015 tot 250 m2.

Met ingang van 1 januari 2013 wordt in niet-residentiële gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, die frequent door het publiek worden bezocht, een geldig energieprestatiecertificaat aangebracht op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels om de bruikbare vloeroppervlakte te bepalen.

§ 3. Elke verkoper of verhuurder, alsook zijn opdrachthouder, lasthebber of gevolmachtigde, vermeldt het op het energieprestatiecertificaat vermelde kengetal alsmede de unieke code van het energieprestatiecertificaat of het adres van het gebouw in alle commerciële advertenties die hij maakt voor de verkoop of verhuur van een gebouw, dat conform § 1 over een energieprestatiecertificaat dient te beschikken.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de vorm van deze publiciteit.

Artikel 11.2.2. (10/12/2015- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. De Vlaamse Regering kan de de personen, vermeld in artikel 11.2.1, § 1, eerste lid, verplichten om bij de verkoop van het gebouw een geldig energieprestatiecertificaat aan de koper over te dragen.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de de personen, vermeld in artikel 11.2.1, § 1, eerste lid, verplichten om bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst een geldig energieprestatiecertificaat aan de huurder ter beschikking te stellen.

§ 3. De Vlaamse Regering kan aan de instrumenterende ambtenaar en aan derden verplichtingen opleggen in het kader van de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in § 1 en § 2.

Artikel 11.2.3. (10/12/2015- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap houdt een energieprestatiecertificatendatabank bij. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens uit het energieprestatiecertificaat worden bijgehouden, doorgestuurd en opgenomen in deze databank.

§ 2. De personen die een energieprestatiecertificaat uitreiken, sturen de in § 1 vermelde gegevens elektronisch door naar de energieprestatiecertificatendatabank. Deze personen worden in deze databank uniek geïdentificeerd. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor het elektronisch indienen van die gegevens en kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de unieke identificatie.

§ 3. De gegevens in de energieprestatiecertificatendatabank zijn enkel toegankelijk voor de diensten van de Vlaamse overheid, de betrokken gemeente en de instrumenterende ambtenaar. De energiedeskundige en de eigenaar van een gebouw waarvoor een energieprestatiecertificaat is opgesteld hebben alleen toegang tot de gegevens van hun eigen dossiers. De netbeheerder of zijn werkmaatschappij heeft in het kader van de uitvoering van de hun door of krachtens dit decreet opgelegde openbaredienstverplichtingen toegang tot de energieprestatiecertificatendatabank. De Vlaamse Regering bepaalt nadere voorwaarden betreffende welke gegevens worden vrijgegeven en de wijze waarop deze worden vrijgegeven.

In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Energieagentschap in het kader van wetenschappelijk onderzoek geanonimiseerde gegevens uit de energieprestatiecertificatendatabank ter beschikking stellen van belanghebbende instanties. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt onder welke voorwaarden deze gegevens mogen worden gebruikt.

Het Vlaams Energieagentschap kan, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, een opgemaakt energieprestatiecertificaat aanpassen of wijzigen.

[HOOFDSTUK II/1. Renovatieadvies (ing. decr. 16 november 2018, art. 44, I: te bepalen door de Vlaamse Regering)]

Artikel 11.2/1.1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Het renovatieadvies is een document waarmee de eigenaar van het gebouw wordt geïnformeerd en gesensibiliseerd over de energetische toestand en de renovatiewaardigheid van het gebouw. Het renovatieadvies bevat een evaluatie van de energieprestatie van het gebouw in de huidige toestand en bevat adviezen om bij een renovatie de juiste toekomstgerichte keuzes te maken.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere inhoud, de berekeningsmethode, de wijze van opmaak, en de vorm van het renovatieadvies. De Vlaamse Regering kan daarbij een onderscheid maken naar type van gebouw. De Vlaamse Regering kan in het kader van de opmaak van het renovatieadvies aan de eigenaar en aan derden verplichtingen opleggen.

[HOOFDSTUK III. Retributie (ing. decr. 18 november 2011, art. 19, I: 15 december 2011)]

Artikel 11.3.1. (15/12/2011- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan de deelname aan examens of opleidingen afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

§ 2. Met inachtneming van de ter zake geldende grondwettelijke regelen bepaalt de Vlaamse Regering het tarief van de retributie alsook de wijze waarop en de instantie waardoor de retributie wordt geïnd.

§ 3. De retributie is hoofdelijk verschuldigd door de verslaggever of de energiedeskundige. De retributie moet binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn worden betaald aan de door de Vlaamse Regering aangewezen ontvangers.

TITEL XII. ENERGIEBELEIDSRAPPORTERING

HOOFDSTUK I. Energierapport

Artikel 12.1.1. (01/01/2011- ...)

De minister publiceert jaarlijks, op voorstel van het Vlaams Energieagentschap, een energierapport. Het energierapport omvat voor het Vlaamse Gewest minstens :
1° een energiebalans;
2° een beschrijving en analyse van de bestaande toestand inzake energieverbruik en energieproductie, per sector en per energiedrager;
3° energiekengetallen per sector.

Artikel 12.1.2. (01/01/2011- ...)

De energiebalans bevat de volgende gegevens :
1° globaal :
a) het primair energieverbruik per energiedrager;
b) de hoeveelheid energie die geleverd is aan de internationale lucht- en scheepvaartbunkers per energiedrager;
c) het bruto binnenlands energieverbruik per energiedrager;
d) de netto-geïmporteerde hoeveelheid energie per energiedrager;
2° met betrekking tot de transformatiesector :
a) de verwerkte hoeveelheid energie per subsector en per energiedrager;
b) de geproduceerde hoeveelheid energie per subsector en per energiedrager;
c) de productie van elektriciteit en warmte door warmtekracht- en hernieuwbare energie-installaties per subsector en per energiedrager;
d) het eigen verbruik en de leidingverliezen per subsector en per energiedrager;
3° met betrekking tot de eindverbruiksector :
a) het energieverbruik per subsector en per energiedrager;
b) de productie van elektriciteit en warmte door warmtekrachtinstallaties, hernieuwbare energieinstallaties en andere zelfopwekkingsinstallaties per subsector en per energiedrager.

HOOFDSTUK II. Verstrekking van gegevens aan het Vlaams Energieagentschap

Artikel 12.2.1. (26/08/2011- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

De Vlaamse Regering kan verplichtingen opleggen aan elke beheerder van een distributienet, transmissienet, aardgasdistributienet en vervoersnet, elke energieleverancier en elke exploitant van een energie-opwekkingsinstallatie, om het Vlaams Energieagentschap accurate, volledige en consistente mededeling te doen van noodzakelijke gegevens voor het opmaken van het energierapport en voor de onderbouwing van het Vlaamse beleid inzake rationeel energiegebruik, hernieuwbare energiebronnen en klimaatverandering en voor het sociale energiebeleid. De Vlaamse Regering legt de eisen vast inzake accuraatheid, volledigheid en consistentie. De te verstrekken gegevens hebben minstens betrekking op :
1° de afname en het verbruik van energie door objectief omschreven categorieën van afnemers en het verbruiksprofiel van die afnemers;
2° de kenmerken van energie-opwekkingsinstallaties en de hoeveelheid verwerkte en opgewekte energie in die installaties.

De Vlaamse Regering bepaalt de categorie-indeling, de rapporteringstermijn en -wijze van de gegevens.

Artikel 12.2.2. (01/04/2017- ...)

De diensten van de homogene beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid, de instellingen die onder het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ressorteren, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest staan en de publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake energie, stellen, op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap of uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor het opstellen van het energierapport en voor de onderbouwing van het Vlaams beleid inzake rationeel energiegebruik, hernieuwbare energiebronnen en klimaatverandering en voor het sociale energiebeleid, ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap.

De publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake energie, stellen, op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap of uit eigen beweging minstens de gegevens betreffende het energieverbruik, de energieproductie en de ligging van residentiële en niet-residentiële gebouwen in hun gebied ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap. Dit betreffen minstens die gebouwen die gebruikt worden door de diensten van de homogene beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid, de instellingen die onder het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ressorteren, de gezondheidsvoorzieningen, de onderwijsinstellingen, de welzijnsvoorzieningen en van de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest staan. Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de wijze, de inhoud, en de vorm van de te rapporteren gegevens. Artikel 4.1.10, eerste lid, is van toepassing op het Vlaams Energieagentschap en haar aangestelden.

Artikel 12.2.3. (10/12/2015- ...)

De Vlaamse Regering kan verplichtingen opleggen aan de overheidsdiensten en instellingen, die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken en die derhalve vaak door het grote publiek bezocht worden, om het Vlaams Energieagentschap accurate, volledige en consistente mededeling te doen betreffende de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in artikel 11.2.1, § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de rapporteringstermijn en -wijze van de te verstrekken gegevens.

[HOOFDSTUK III. Inventaris van het energiegebruik van overheidsgebouwen (ing. decr. 28 juni 2013, art. 15, I: 28 juni 2013)]

Artikel 12.3.1. (28/06/2013- ...)

De Vlaamse Regering zorgt er voor dat betreffende de gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de diensten van de homogene beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid en de instellingen die onder het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ressorteren een publiek beschikbare inventaris wordt opgesteld. Deze inventaris bevat minstens de volgende gegevens :
1° de vloeroppervlakte in m2;
2° de energieprestaties van elk gebouw;
3° andere nuttige energiegegevens.

De Vlaamse Regering kan beslissen om die verplichting uit te breiden tot de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest staan.

TITEL XIII. TOEZICHT EN SANCTIES

HOOFDSTUK I. Toezicht

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 13.1.1. (01/04/2017- ...)

§ 1. Tenzij dit decreet in een specifieke toezichthouder voorziet, worden de personeelsleden die bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en om de niet-naleving hiervan vast te stellen in een verslag van vaststelling, aangeduid door de Vlaamse Regering.

§ 2. De Vlaamse Regering wijst de bepalingen van dit decreet aan waarvoor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, bevoegd zijn.

§ 3. Bij het uitvoeren van hun toezichtstaak kunnen de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, ter plaatse inzage vorderen en een kosteloze kopie maken en meenemen van alle daarvoor noodzakelijke zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers. Zij kunnen zich daarbij laten bijstaan door personen die zij daartoe hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid. Om alle nodige vaststellingen te verrichten, hebben de genoemde personeelsleden toegang tot de terreinen en de gebouwen. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, kunnen bijstand vorderen van de politie bij de uitoefening van hun toezichtstaak. Ze kunnen eveneens monsters nemen en vaststellingen doen met audiovisuele middelen.

Tot de bewoonde gebouwen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner gekregen;
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de politierechter. In dat geval hebben de genoemde personeelsleden alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.

Artikel 13.1.1/1. (25/05/2018- ...)

Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de bevoegde toezichthouders, vermeld in dit hoofdstuk, beslissen de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het zesde lid.

De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de bevoegde toezichthouder, vermeld in dit hoofdstuk, en op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast.

De bevoegde toezichthouder, vermeld in dit hoofdstuk, moet de beslissing, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval rechtvaardigen op verzoek van de bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming.

Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.

Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat, is verzonden naar het Openbaar Ministerie en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde toezichthouder, vermeld in dit hoofdstuk, op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval de onderzoeksrechter aan de bevoegde toezichthouder, vermeld in dit hoofdstuk, heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.

Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, verwijst de bevoegde toezichthouder, vermeld in dit hoofdstuk, hem door naar de bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming. De bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming deelt uitsluitend aan de betrokkene mee dat de nodige verificaties zijn verricht.

Afdeling II. Toezicht door de VREG

Artikel 13.1.2. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. De VREG kan aan een marktpartij  of de ondernemingen waarin de netbeheerders of de werkmaatschappij rechtstreeks of onrechtstreeks participeren,of de aangestelden, bestuurders, managers en personeelsleden van die marktpartij de gegevens en inlichtingen vragen die nodig zijn voor de uitvoering van haar taken en bevoegdheden, vermeld in de artikelen 3.1.3 en 3.1.4.

§ 2. De personeelsleden van de VREG zijn bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van titels IV, VI en hoofdstuk II tot en met IV van titel VII van dit decreet en de uitvoeringsbepalingen ervan en de niet-naleving hiervan vast te stellen in een proces-verbaal.

Bij het uitvoeren van hun toezichttaak kunnen de genoemde personeelsleden van de VREG bij iedere marktpartij of de ondernemingen waarin de netbeheerders of rechtstreeks of onrechtstreeks participeren, de aangestelden, bestuurders, managers en personeelsleden van die marktpartij, ter plaatse inzage vorderen en een kosteloze kopie maken en meenemen van alle daarvoor noodzakelijke zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers. Zij kunnen zich daarbij laten bijstaan door personen die zij daartoe hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid. Om alle nodige vaststellingen te verrichten, hebben de genoemde personeelsleden toegang tot de terreinen en de gebouwen. Tot gebouwen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner of een daartoe gemachtigd persoon gekregen;
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de politierechter.

§ 3. De marktpartij of de ondernemingen waarin de netbeheerders of rechtstreeks of onrechtstreeks participeren, de aangestelden, bestuurders, managers en personeelsleden van die marktpartij, aan wie een vraag is gericht om gegevens en inlichtingen te verstrekken op grond van § 1, of toegang te verlenen aan de personeelsleden van de VREG op grond van § 2, is verplicht om binnen de door de VREG gestelde termijn alle medewerking te verlenen.

Gegevens of inlichtingen die in het kader van § 1 en § 2 worden verkregen, gebruikt de VREG alleen voor de uitoefening van haar taken en bevoegdheden, vermeld in de artikelen 3.1.3 en 3.1.4.

Afdeling III. Toezicht door het Vlaams Energieagentschap

Artikel 13.1.3. (01/04/2017- ...)

De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap aan die bevoegd zijn voor de controle op de naleving van de verplichtingen die opgelegd zijn op basis van artikelen 7.6.1, 7.6.2, 7.7.1 en 7.7.2, van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en voor het opleggen van de administratieve geldboetes.

De aangewezen personeelsleden kunnen daartoe aan de betrokkenen alle gegevens en inlichtingen vragen die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken. De betrokkene aan wie een vraag is gericht om gegevens en inlichtingen te verstrekken, moet binnen de door de bevoegde personeelsleden bepaalde redelijke termijn alle medewerking verlenen.

Artikel 13.1.4. (24/12/2018- ...)

§ 1. De personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap zijn bevoegd om de nodige controles met betrekking tot het naleven van de EPB-eisen uit te voeren en om overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk I van titel XI en de uitvoeringsbesluiten ervan op te sporen en vast te stellen door een verslag van vaststelling.

Om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten, hebben de vermelde personeelsleden toegang tot de bouwplaats en de gebouwen. Tot de bewoonde gebouwen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner of een daartoe gemachtigd persoon gekregen;
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de politierechter. In dat geval hebben de genoemde personeelsleden alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.

§ 2. Op eenvoudig verzoek krijgen de personeelsleden, vermeld in § 1, van de overheid die de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend of de melding heeft geregistreerd, kosteloos toegang tot of een kopie van al de documenten en de elektronische gegevens die worden bijgehouden van de vergunde, gemelde, geschorste en vernietigde gestarte en voltooide werken, handelingen en wijzigingen.

De documenten, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de documenten die betrekking hebben op de ingediende vergunningsaanvraag of melding, de verleende vergunningen, de vergunningsplannen, het statistische formulier, en de melding van de start van de werken.

Artikel 13.1.5. (24/12/2018- ...)

§1. De personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap zijn bevoegd om de nodige controles met betrekking tot het energieprestatiecertificaat uit te voeren en om overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk II van titel XI en de uitvoeringsbesluiten ervan op te sporen en vast te stellen door een verslag van vaststelling.

Om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten, hebben de vermelde personeelsleden toegang tot de bouwplaats en de gebouwen. Tot de bewoonde gebouwen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner of een daartoe gemachtigd persoon gekregen;
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de politierechter. In dat geval hebben de genoemde personeelsleden alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.

§ 2. Op eenvoudig verzoek krijgen de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, van de gemeente, het kadaster en de bewaarder der hypotheken, elk voor hun ambtsgebied, kosteloos toegang tot of een kopie van al de documenten betreffende de eigendom en het gebruik van gebouwen, die krachtens artikel 11.2.1, § 1, over een energieprestatiecertificaat dienen te beschikken.

Afdeling IV. Toezicht in het kader van de [heffingen vermeld in titel XIV (verv. decr. 19 december 2014, art. 99, I: 1 januari 2015)]

Artikel 13.1.6. (01/04/2017- ...)

De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden aan die belast zijn met de controle en het onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, bedoeld in titel XIV. Die personeelsleden zijn van rechtswege gemachtigd om bij de heffingsplichtigen en bij derden inlichtingen te nemen, gegevens op te zoeken en te verzamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige. De heffingsplichtige of elke derde die over de gevraagde gegevens beschikt, is verplicht die inlichtingen te verstrekken op eenvoudig verzoek van de personeelsleden.

De personeelsleden zijn van rechtswege gemachtigd om bij de heffingsplichtige en bij derden alle boeken, stukken of registers op te vragen en in te kijken die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige. De heffingsplichtige of elke derde die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt, is verplicht die voor te leggen op ieder verzoek van de personeelsleden. De personeelsleden kunnen de boeken, stukken of registers ter plaatse inkijken of meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

De personeelsleden hebben toegang, na voorlegging van hun legitimatiebewijs en met een voorafgaande rechterlijke machtiging van de politierechtbank, tot de bedrijfslokalen van de heffingsplichtige om vaststellingen te kunnen doen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige.

Alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal, of akten die de personeelsleden in de uitoefening van hun functie ontdekken of krijgen, rechtstreeks of door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en de rechtbanken, de administraties van de gemeenschappen en gewesten, de provincies en de gemeenten en de organen en de instellingen van openbaar nut, kunnen door het Vlaamse Gewest worden aangewend om de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige vast te stellen.

[Afdeling V. Vaststelling door personeelsleden van de netbeheerders en de (ing. decr. 24 februari 2017, art. 22, I: 1 april 2017)][werkmaatschappij (verv. decr. 16 november 2018, art. 49, I: 24 december 2018)]

Artikel 13.1.7. (24/12/2018- ...)

De Vlaamse Regering wijst binnen de grenzen en onder de voorwaarden die ze bepaalt, de personeelsleden van de netbeheerders of de werkmaatschappij aan om energiefraude te detecteren en vast te stellen door middel van zintuiglijke waarneming of door gebruik te maken van meetgegevens in een verslag van vaststelling.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de vorm en de inhoud van het verslag van vaststelling en de voorwaarden waaronder dit ter kennis wordt gebracht aan de betrokkene. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een betrokkene bezwaar kan maken tegen de in het verslag vermelde feiten.

Wanneer het verslag van vaststelling betrekking heeft op een van de feiten, vermeld in artikel 13.4.11, 1° tot en met 4°, dan maakt de netbeheerder dit definitieve verslag over aan het Vlaams Energieagentschap.

Om alle nodige vaststellingen te verrichten, hebben de genoemde personeelsleden toegang tot de terreinen en de gebouwen. Tot bewoonde gebouwen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner of een daartoe gemachtigd persoon gekregen;
2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de politierechter. In dat geval hebben de genoemde personeelsleden alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds.

Indien de bewoner niettegenstaande een verleende toestemming of machtiging als vermeld in het vierde lid, de toegang verhindert, dan wordt de toekenning van subsidie of andere steun in het kader van dit decreet stopgezet of teruggevorderd.

HOOFDSTUK II. Strafrechtelijke sancties

Artikel 13.2.1. (26/08/2011- ...)

Worden gestraft met een geldboete van een tot vijfhonderd euro en/of een gevangenisstraf van één maand tot één jaar :
1° zij die krachtens dit decreet verrichte verificaties of onderzoeken van de VREG of van de Vlaamse Regering hinderen, weigeren de informatie te verstrekken die zij gehouden zijn mede te delen krachtens dit decreet, of bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken;
2° zij die elektriciteit of aardgas leveren aan afnemers die aangesloten zijn op een distributienet of plaatselijk vervoernet van elektriciteit, zonder over een leveringsvergunning te beschikken;
3° ...

Artikel 13.2.2. (26/08/2011- ...)

Elke overtreding van het beroepsgeheim, zoals vermeld in de artikelen 3.1.12 , 4.1.11 en 4.6.7, wordt gestraft met de straffen die bepaald zijn in artikel 458 van het Strafwetboek.

HOOFDSTUK III. Administratieve sancties opgelegd door de VREG

Afdeling I. Algemene procedure

Artikel 13.3.1. (24/12/2018- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

§ 1. Tenzij dit decreet in een specifieke procedure voorziet, kan de VREG elke natuurlijke persoon of rechtspersoon schriftelijk in gebreke stellen bij niet-naleving van de bepalingen van titels IV, V, VI, hoofdstuk I tot en met IV van titel VII en artikel 13.1.2, van dit decreet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten, met inbegrip van de technische reglementen.

§ 2. De VREG kan de persoon die in gebreke werd gesteld overeenkomstig § 1 en werd gehoord of daartoe naar behoren werd opgeroepen, een van de administratieve geldboetes, vermeld in artikel 13.3.2. tot en met 13.3.4, opleggen. De VREG zorgt ervoor dat er in deze gevallen geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de administratieve boete ten grondslag ligt en de administratieve boete die op grond van die feiten wordt opgelegd.

De VREG legt de persoon die in gebreke werd gesteld wegens niet-naleving van de artikelen 7.1.10, 7.1.11 of 7.2.3, en werd gehoord of daartoe naar behoren werd opgeroepen, de administratieve boete op, voorzien in artikel 13.3.5.

§ 3. Het opleggen van de administratieve boete wordt aan de betrokkene meegedeeld in een met redenen omklede aangetekende brief, met verwijzing naar de bepalingen die van toepassing zijn, de hoogte van de administratieve boete en in voorkomend geval de berekening ervan, en de beroepsmogelijkheid.

§ 4. Binnen een vervaltermijn van zestig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan de beslissing van de VREG tot oplegging van een administratieve geldboete worden aangevochten bij de Raad van State.

§ 5. Na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in § 3, moet de administratieve geldboete binnen zestig kalenderdagen betaald worden.

De VREG kan uitstel van betaling verlenen voor een door haar bepaalde termijn.

§ 6. Als de betrokkene nalaat de administratieve geldboete binnen de in § 5 bepaalde termijn te betalen, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd.

Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling of bij aangetekende brief.

§ 7. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

§ 8. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden die bepaald is bij de artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Afdeling II. Algemene administratieve boete

Artikel 13.3.2. (24/12/2018- ...)

Tenzij dit decreet in een specifieke administratieve sanctie voorziet, kan de VREG een administratieve geldboete opleggen die per kalenderdag niet minder dan 250 euro mag bedragen, noch meer dan 250.000 euro mag bedragen, noch in totaal hoger zijn dan 5.000.000 euro of 3 % van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar, als dit laatste bedrag lager is.

Afdeling III. Administratieve geldboete bij niet-naleving van de sociale openbaredienstverplichtingen

Artikel 13.3.3. (26/08/2011- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

De VREG legt de netbeheerder voor een overtreding van de openbare dienstverplichtingen, opgelegd op basis van artikelen 4.1.22, 2° tot en met 4°, en 4.3.2, 4°, een administratieve geldboete op die niet minder dan 1.000 euro bedraagt en niet meer bedraagt dan 1 % van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het afgelopen jaar.

Artikel 13.3.4. (01/01/2011- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

De VREG legt de netbeheerder bij het niet-naleven van de termijnen voor het heraansluiten van de elektriciteits- of aardgastoevoer en het herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter een administratieve geldboete op van 1.000 euro per kalenderdag die de termijn, vermeld in artikel 6.1.2, § 3, overschrijdt, tenzij de netbeheerder kan aantonen dat de oorzaak van het overschrijden van de termijn niet aan hem te wijten is.

Artikel 13.3.4/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

De VREG legt de leverancier of de warmte- of koudeleverancier voor een overtreding van de openbaredienstverplichtingen, opgelegd op basis van artikel 4.3.2, 4°, of artikel 4/1.3.2, 4°, een administratieve geldboete op die niet minder bedraagt dan 1000 euro en niet meer dan 1% van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het afgelopen jaar.

Afdeling IV. Procedure en administratieve geldboete bij niet-naleving van de bepalingen inzake groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten en groenewarmtecertificaten

Artikel 13.3.5. (01/11/2012- ...)

§ 1. De VREG legt aan een certificaatplichtige de volgende administratieve boete op :
1° een boete van :
a) 125 euro per groenestroomcertificaat dat de certificaatplichtige tot en met 31 maart 2012 te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10;
b) 118 euro per groenestroomcertificaat dat de certificaatplichtige op 31 maart 2013 te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10;
c) 100 euro per groenestroomcertificaat dat de certificaatplichtige na 31 maart 2013 te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10;
2° een boete van :
a) 41 euro per warmtekrachtcertificaat dat de certificaatplichtige tot en met 31 maart 2015 te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11;
b) 38 euro per warmtekrachtcertificaat dat de certificaatplichtige na 31 maart 2015 te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11.
3° een boete van 125 euro per groenewarmtecertificaat dat de certificaatplichtige te weinig heeft ingediend bij de VREG in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.2.3.

§ 1/1. Wanneer de VREG vaststelt dat een leverancier de verplichting, vermeld in artikel 7.1.15, niet respecteert, dan meldt hij dit aan de CREG. Van haar beslissing over het al dan niet behandelen van de melding, bericht de CREG aan de VREG. Een beslissing van de CREG houdende behandeling van het dossier sluit het opleggen van een administratieve geldboete door de VREG uit.

Wanneer de CREG echter te kennen geeft geen stappen te willen ondernemen in reactie op de melding of wanneer de CREG binnen de twaalf maanden volgende op de melding niet reageert, dan start de VREG de procedure voor de eventuele oplegging van een administratieve geldboete, vermeld in het derde lid.

Bij niet-naleving van de verplichting, vermeld in artikel 7.1.15, legt de VREG de betrokken leverancier in dat geval een boete op die gelijk is aan de te veel doorgerekende of de te hoge, op de factuur vermelde kosten, vermenigvuldigd met twee.

§ 2. De betrokkene kan, indien hij het oneens is met de berekening van de administratieve boete, op straffe van verval binnen de dertig kalenderdagen na de kennisgeving, vermeld in artikel 13.3.1, § 3, de VREG per aangetekende brief op de hoogte brengen van de materiële vergissingen of rekenfouten die bij de berekening gemaakt zouden zijn. Dit bezwaar schorst de termijn bedoeld in artikel 13.3.1, § 4, tot de beslissing van de VREG over het bezwaar, bedoeld in het volgend lid.

De VREG kan haar beslissing herroepen of het bedrag van de administratieve geldboete aanpassen als blijkt dat er materiële vergissingen of rekenfouten gemaakt zouden zijn. Zoniet wijst zij het bezwaar van betrokkene af.

HOOFDSTUK IV. Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap

Afdeling I. Administratieve sancties wegens overtreding van de maatregelen en verplichtingen inzake de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, warmtekrachtkoppeling en het rationeel energiegebruik

Artikel 13.4.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap kan de netbeheerders verplichten tot naleving van artikel 7.5.1 van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten van dit decreet binnen de door het Vlaams Energieagentschap bepaalde termijn. Als een netbeheerder bij het verstrijken van die termijn in gebreke blijft, kan het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete opleggen.

Die administratieve geldboete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 1000 euro en niet hoger zijn dan 100.000 euro, en in totaal niet hoger zijn dan 2 miljoen euro of 1 % van de omzet die de betrokken netbeheerder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap kan de netbeheerder een administratieve geldboete opleggen van 10 cent per kilowattuur te weinig bespaarde primaire energie ten opzichte van de opgelegde hoeveelheid primaire energiebesparing per categorie van afnemers.

§ 3. Bij niet-naleving van het REG-actieplan kan het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 1.000 euro en niet hoger dan 100.000 euro per inbreuk.

§ 4. Bij niet-naleving van een actieverplichting kan het Vlaams Energieagentschap aan de netbeheerder een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 1.000 euro en niet hoger dan 1 % van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar.

§ 5. Bij niet-naleving van een middelenverplichting of financieringsverbintenis kan het Vlaams Energieagentschap aan de netbeheerder een administratieve geldboete opleggen die het drievoudige bedraagt van het deel van de middelenverplichting of financieringsverbintenis dat niet werd nageleefd.

§ 6. Als een ontwerp-REG-actieplan niet voldoet aan de voorwaarden voor vorm en inhoud die door de Vlaamse Regering werden vastgelegd, kan het Vlaams Energieagentschap de netbeheerder aanmanen om binnen een gestelde termijn de betreffende voorwaarden na te leven.

Als de netbeheerder bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete op van 1.000 euro per kalenderdag dat de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden.

§ 7. Als een ontwerp-REG-rapport niet de door de Vlaamse Regering vastgelegde gegevens bevat, kan het Vlaams Energieagentschap de netbeheerder aanmanen om binnen een gestelde termijn de betreffende gegevens aan te leveren.

Als de netbeheerder bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete op van 1.000 euro per kalenderdag dat de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden.

§ 8. Als een ontwerp-REG-actieplan, een definitieve lijst van acties, de reserveacties, de aanvraag-formulieren of het ontwerp-REG-rapport niet tijdig worden ingediend, kan het Vlaams Energieagentschap de netbeheerder een administratieve geldboete opleggen van 1.000 euro per kalenderdag dat de opgelegde termijnen worden overschreden.

Artikel 13.4.2. (10/12/2015- ...)

§ 1. Overtredingen van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 12.2.1 en artikel 12.2.3 opgelegde eisen inzake de consistentie, volledigheid en accuraatheid van de te rapporteren gegevens, worden door het Vlaams Energieagentschap bestraft met een administratieve geldboete die niet lager is dan 50 euro, en niet hoger dan 20.000 euro.

§ 2. Overtredingen van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 12.2.1 en artikel 12.2.3, opgelegde rapporteringstermijn worden door het Vlaams Energieagentschap bestraft met een administratieve geldboete van 250 euro per kalenderdag.

Artikel 13.4.2/1. (07/04/2014- ...)

§ 1. Wanneer het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen in toepassing van artikel 1.1.3, 113° /2 van dit decreet informatie heeft overgemaakt die door het Vlaams Energieagentschap werd opgevraagd en die volgens de op dat moment gekende feiten niet consistent of niet in overeenstemming is met de realiteit, en die een correcte bepaling van de startdatum in de weg staat, dan kan het Vlaams Energieagentschap die eigenaar, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, een administratieve geldboete opleggen die minimaal 100 % en maximaal 130 % bedraagt van de onterecht ontvangen steun. De onterecht ontvangen steun wordt berekend als het aantal onterecht toegekende certificaten vermenigvuldigd met de bandingdeler.

Indien voor de productie-installatie waarvoor de inconsistente of foutieve gegevens, vermeld in het eerste lid, aan het Vlaams Energieagentschap werden verstrekt door het Vlaams Energieagentschap reeds een bandingfactor werd berekend, dan komt deze bandingfactor te vervallen. In voorkomend geval wordt opnieuw een bandingfactor berekend.

§ 2. Wanneer het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen in toepassing van artikel 7.1.1., artikel 7.1.2, 7.1.3 en 7.1/1.1 informatie heeft overgemaakt die door het Vlaams Energieagentschap werd opgevraagd en die volgens de op dat moment gekende feiten niet consistent of niet in overeenstemming is met de realiteit, en die een correcte toepassing van deze bepalingen van dit decreet in de weg staat, dan kan het Vlaams Energieagentschap die eigenaar, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, een administratieve geldboete opleggen die minimaal 100 % en maximaal 130 % bedraagt van de onterecht ontvangen steun. De onterecht ontvangen steun wordt berekend als het aantal onterecht toegekende certificaten vermenigvuldigd met de bandingdeler.

Indien voor de procutie-installatie waarvoor de inconsistente of foutieve gegevens, vermeld in het eerste lid, aan het Vlaams Energieagentschap werden verstrekt door het Vlaams Energieagentschap reeds een bandingfactor werd berekend, dan komt deze bandingfactor te vervallen. In voorkomend geval wordt opnieuw een bandingfactor berekend.

§ 3. Wanneer het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen informatie heeft overgemaakt die door het Vlaams Energieagentschap werd opgevraagd en die volgens de op dat moment gekende feiten, niet consistent of niet in overeenstemming met de realiteit is, en die een correcte berekening van een projectspecifieke bandingfactor zoals bedoeld in artikel 7.1.4/1., § 1, tweede lid, in de weg staat, dan kan het Vlaams Energieagentschap die eigenaar, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, een administratieve geldboete opleggen die minimaal 100 % en maximaal 130 % bedraagt van de onterecht ontvangen steun. De onterecht ontvangen steun wordt berekend als het aantal onterecht toegekende certificaten vermenigvuldigd met de bandingdeler.

Indien voor de productie-installatie waarvoor de inconsistente of foutieve gegevens, vermeld in het eerste lid, aan het Vlaams Energieagentschap werden verstrekt door het Vlaams Energieagentschap reeds een bandingfactor werd berekend, dan komt deze bandingfactor te vervallen. In voorkomend geval wordt opnieuw een bandingfactor berekend.

Artikel 13.4.3. (01/01/2011- ...)

§ 1. Bij niet-naleving van een actieverplichting, vastgelegd in artikel 7.6.1, kan het Vlaams Energieagentschap aan de brandstofleverancier een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 1000 euro en niet hoger dan 1 % van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar.

§ 2. Bij niet-naleving van een middelenverplichting, vastgelegd ter uitvoering van artikel 7.6.1, legt het Vlaams Energieagentschap aan de brandstofleverancier een administratieve geldboete op die het drievoudige bedraagt van het deel van de middelenverplichting dat niet werd nageleefd.

§ 3. Bij niet-naleving van een informatie- en sensibiliseringsverplichting, vastgelegd ter uitvoering van artikel 7.6.2, kan het Vlaams Energieagentschap aan de brandstofleverancier een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 1000 euro en niet hoger dan 1 % van de omzet die de betrokken overtreder heeft gerealiseerd op de Vlaamse energiemarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar.

Artikel 13.4.4. (10/12/2015- ...)

§ 1. De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete in kennis gesteld met een aangetekende brief met bericht van ontvangst. De met redenen omklede kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete, de bepalingen die van belang zijn en de beroepsmogelijkheid.

§ 2. De ambtenaren, daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering, beslissen over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboeten, vermeld in artikel 13.4.1, § 1, §§ 3, 4, 5, 6, 7 en 8, artikel 13.4.2, § 1, artikel 13.4.2/1 en artikel 13.4.3, § 1, die de betrokkene met een aangetekende brief aan hen richt. Het verzoek schorst de bestreden beslissing.

De in het eerste lid vermelde verzoeken worden binnen vijftien kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van de afgifte op de post van de in § 1, vermelde aangetekende brief, gericht aan de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren.

De beslissing van de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren wordt binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van de afgifte op de post van het in het eerste lid vermelde verzoek, ter kennis gebracht van de indiener van het verzoekschrift. Met een met redenen omklede aangetekende brief, gericht aan de indiener van het verzoek, kan de bevoegde ambtenaar de voormelde termijn eenmalig verlengen met dertig kalenderdagen.

Als de beslissing niet binnen de gestelde termijn is verzonden, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.

§ 3.Als de betrokkene het oneens is met de berekening van de administratieve geldboete die opgelegd is volgens artikel 13.4.1, § 2, artikel 13.4.2, § 2, en artikel 13.4.3, § 2, kan hij binnen tien kalenderdagen na de kennisgeving, vermeld in § 1, de ambtenaren die daartoe aangewezen zijn door de Vlaamse Regering per aangetekende brief op de hoogte brengen van de materiële vergissingen en rekenfouten die bij de berekening gemaakt zouden zijn. Na het verstrijken van die termijn is de beslissing definitief.

§ 4. ...

§ 5. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de definitieve beslissing.

De ambtenaren, daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering, kunnen uitstel van betaling verlenen voor een door hen bepaalde termijn.

§ 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

§ 7. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangbevel uitgevaardigd door de ambtenaar die belast is met de invordering.

Dat dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe is aangewezen door de Vlaamse Regering.

§ 8. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een aangetekende brief.

§ 9. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging van toepassing.

Afdeling II. Administratieve sancties wegens overtreding of niet-naleving van de energieprestatieregelgeving

Artikel 13.4.5. (30/03/2017- ...)

§ 1. Als een startverklaring of een voorafberekening niet voldoet aan de voorwaarden inzake vorm en inhoud die door de Vlaamse Regering werden vastgelegd met toepassing van artikel 11.1.13, legt het Vlaams Energieagentschap de verslaggever een administratieve geldboete op. Die administratieve geldboete bedraagt 250 euro.

§ 2. Als een architect niet voldoet aan de ver-plichtingen van artikel 11.1.6/1, § 3, maant het Vlaams Energieagentschap de architect aan om binnen een gestelde termijn de betreffende verplichtingen na te leven.

Als de architect bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaamse Energieagentschap de architect een adminis-tratieve geldboete op. Die administratieve geldboete bedraagt 250 euro.

§ 3. Als een startverklaring of een voorafberekening laattijdig of helemaal niet wordt ingediend, maant het Vlaams Energieagentschap de aangifteplichtige aan om binnen een gestelde termijn de betreffende verplichtingen na te leven.

Als de aangifteplichtige bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de aangifteplichtige een administratieve geldboete op. Die administratieve geldboete bedraagt 250 euro.

§ 4. Als een EPB-aangifte niet voldoet aan de voorwaarden inzake vorm en inhoud die door de Vlaamse Regering werden vastgelegd met toepassing van artikel 11.1.13, maant het Vlaams Energieagentschap de verslaggever aan om binnen een gestelde termijn de betreffende verplichtingen na te leven.

Als de verslaggever bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de verslaggever een administratieve geldboete op. Die administratieve geldboete bedraagt 250 euro, vermeerderd met 1 euro per kubieke meter nieuw gecreëerd beschermd volume of bij renovatie of functiewijziging nieuw gecreëerd beschermd volume. Het Vlaams Energieagentschap legt ook een nieuwe termijn vast waarbinnen de betreffende verplichting moet worden nageleefd.

Als de verslaggever bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de verslaggever een administratieve geldboete op in de vorm van een dwangsom. Die bedraagt 25 euro per kalenderdag dat de in het tweede lid vermelde termijn wordt overschreven.

§ 5. Als een EPB-aangifte laattijdig of helemaal niet wordt ingediend, maant het Vlaams Ener-gieagentschap de aangifteplichtige aan om binnen een gestelde termijn de betreffende verplichtingen na te leven.

Als de aangifteplichtige bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de aangifteplichtige een administratieve geldboete op. Die administratieve geldboete bedraagt 1000 euro, vermeerderd met 1 euro per kubieke meter nieuw gecreëerd beschermd volume of bij renovatie of functiewijziging nieuw gecreëerd beschermd volume. Het Vlaams Energieagentschap legt ook een nieuwe termijn vast waarbinnen de betreffende verplichting moet worden nageleefd. De maximale boete bedraagt 10.000 euro.

Als de aangifteplichtige bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de aangifteplichtige een administratieve geldboete op in de vorm van een dwangsom. Die bedraagt 10 euro per kalenderdag dat de in het tweede lid vermelde termijn wordt overschreden.

Als de aangifteplichtige bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in gebreke blijft en uit een controle blijkt dat de EPB-eisen niet werden gerespecteerd, legt het Vlaams Energieagentschap, naast de administratieve geldboete, vermeld in het tweede lid, de aangifteplichtige een administratieve geldboete op die het dubbele bedraagt van de administratieve geldboete die berekend is volgens de bepalingen van artikel 13.4.6. Voor de bepaling van die administratieve geldboete worden daarbij de waarden die vastgesteld zijn in de EPB-aangifte, vervangen door de waarden vastgesteld bij controle.

§ 6. Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon in strijd met de voorwaarden, vermeld in artikel 1.1.3, 127°, toch optreedt als verslaggever, maant het Vlaams Energieagentschap die persoon aan om binnen een gestelde termijn die activiteiten te staken en om de dossiers waarin hij actief is over te dragen aan een verslaggever, als vermeld in artikel 1.1.3, 127°. Het Vlaams Energieagentschap ontzegt die persoon tevens alle toegang tot de energieprestatiedatabank.

Als deze persoon bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap hem een boete op van 500 euro per ingediende EPB-aangifte.

Artikel 13.4.6. (30/03/2017- ...)

Als uit de EPB-aangifte blijkt dat de EPB-eisen vermeld in artikel 11.1.1, § 1, niet werden gerespecteerd, legt het Vlaams Energieagentschap, tot vijf jaar na de indiening van de EPB-aangifte, de aangifteplichtige een administratieve geldboete op van :
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-elementen en het K-peil, zoals bepaald in 1.1.1 en 1.1.2 van de bijlage bij dit decreet;
2° 24 eurocent per afwijking van 1 MJ/jaar op het vlak van de globale energetische prestatie, zoals bepaald in 1.2 van de bijlage bij dit decreet;
3° 48 eurocent per 1000 Kh en per m3 afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, zoals bepaald in 1.3 van de bijlage bij dit decreet;
4° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen, zoals bepaald in 1.4 van de bijlage bij dit decreet;
5° 86 eurocent per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming, zoals bepaald in punt 1.5 van de bijlage, die bij dit decreet is gevoegd;
6° 1 euro per afwijking van 1%.m² op het installatierendement van ketels op gasvormige en vloeibare brandstof, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.1 van de bijlage bij dit decreet;
7° 22 euro per afwijking van 1 m² op de SPF van de elektrische warmtepomp, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.2 van de bijlage bij dit decreet;
8° 1,75 euro per afwijking van 1 W op het maximaal toegestaan vermogen voor directe elektrische verwarming, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.3 van de bijlage bij dit decreet;
9° 75 eurocent per afwijking van 1 W op het maximaal toegestaan vermogen voor elektrische warmwaterproductietoestellen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.4 van de bijlage bij dit decreet;
10° 30 euro per afwijking van 1 m².K/W op de isolatie van circulatieleidingen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.5 van de bijlage bij dit decreet;
11° 14 euro per afwijking van 1 m² op het systeemrendement van ijswatersystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.6 van de bijlage bij dit decreet;
12° 30 eurocent per afwijking van 1 %.m² op het warmteterugwinrendement van centrale ventilatiesystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.7 van de bijlage bij dit decreet;
13° 1,75 euro per afwijking van 1 W op het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen van verlichtingssystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.8 van de bijlage bij dit decreet;
14° 2,5 euro per afwijking van 1 m² op de eis betreffende de energieverbruiksmeters, bepaald op de wijze, vermeld in punt 1.7.9 van de bijlage bij dit decreet.
15° 1,5 euro per afwijking van 1 kWh op vlak van het S-peil, bepaald conform punt 1.8 van de bijlage bij dit decreet.

Het Vlaams Energieagentschap vestigt de administratieve geldboete pas als de totale administratieve geldboete die opgelegd wordt op basis van dit artikel, ten minste 250 euro bedraagt.

De maximale boete bedraagt 25 euro per m3 nieuw gecreëerd beschermd volume en 10 euro per m3 beschermd volume dat gerenoveerd wordt of een functiewijziging ondergaat.

§ 2. In afwijking van § 1 zal het Vlaams Energieagentschap indien uit de EPB-aangifte blijkt dat zowel aan de EPB-eisen, vermeld in artikel 11.1.1, § 1, als de EPB-eisen, vermeld in § 1/1, niet is voldaan, de sancties, vermeld in § 1, eerste lid, 1°, wat betreft het K-peil, en § 1, eerste lid, 2° en 15°, enkel opleggen wanneer de gemeente niet binnen één jaar na het indienen van de EPB-aangifte is overgegaan tot het sanctioneren van de aangifteplichtige op grond van artikel 13.6.1, § 1. Deze sanctie wordt door het Vlaams Energieagentschap vermeerderd met de sanctie, vermeld in artikel 13.6.1, § 1, eerste lid. De maximale boete bedraagt 25 euro per m3 nieuw gecreëerd beschermd volume.

Artikel 13.4.7. (24/12/2018- ...)

§ 1. Als bij controle blijkt dat de EPB-aangifte niet met de werkelijkheid overeenstemt, legt het Vlaams Energieagentschap tot vijf jaar na het indienen van de EPB-aangifte de verslaggever een administratieve geldboete op van :
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-elementen en het K-peil, zoals bepaald in punt 2.1.1 en 2.1.2 van de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;
2° 24 eurocent per afwijking van 1 MJ/jaar op het vlak van de globale energetische prestatie, zoals bepaald in punt 2.2 van de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;
3° 48 eurocent per 1000 Kh en per m3 afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, zoals bepaald in punt 2.3 van de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;
4° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen, zoals bepaald in 2.4 van de bijlage bij dit decreet;
5° 86 eurocent per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming, zoals bepaald in punt 2.6 van de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;
6° 10 euro per m2 niet-gerapporteerd schildeel, met een maximum van 500 euro per niet gerapporteerd schildeel;
7° 10 euro per m2 verschil tussen de in de EPB-aangifte opgegeven brutovloeroppervlakte en de bij de controle vastgestelde brutovloeroppervlakte, met een maximum van 500 euro, zoals bepaald in punt 2.5 van de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;
8° 1 euro per afwijking van 1%.m² op het installatierendement van ketels op gasvormige en vloeibare brandstof, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.1 van de bijlage bij dit decreet;
9° 22 euro per afwijking van 1 m² op de SPF van de elektrische warmtepomp, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.2 van de bijlage bij dit decreet;
10° 1,75 euro per afwijking van 1 W op het vermogen voor direct elektrische verwarming, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.3 van de bijlage bij dit decreet;
11° 75 eurocent per afwijking van 1 W op het vermogen voor elektrische warmwaterproductietoestellen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.4 van de bijlage bij dit decreet;
12° 30 euro per afwijking van 1 m².K/W op de isolatie van circulatieleidingen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.5 van de bijlage bij dit decreet;
13° 14 euro per afwijking van 1 m² op het systeemrendement van ijswatersystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.6 van de bijlage bij dit decreet;
14° 30 eurocent per afwijking van 1 %.m² op het warmteterugwinrendement van centrale ventilatiesystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.7 van de bijlage bij dit decreet;
15° 1,75 euro per afwijking van 1 W op het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen van verlichtingssystemen, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.8 van de bijlage bij dit decreet;
16° 2,5 euro per afwijking van 1 m² op de eis betreffende de energieverbruiksmeters, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.7.9 van de bijlage bij dit decreet;
17° 10 euro per m² verschil tussen de in de EPB-aangifte opgegeven oppervlakte van de ruimten waarin de systeemeisen gelden en de bij controle vastgestelde waarde van de oppervlakte, met een maximum van 500 euro per systeemeis waarvoor de oppervlakte niet waarheidsgetrouw gerapporteerd is, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.8 van de bijlage bij dit decreet;
18° 50 euro per afwijking van 1 m op de lengte van de circulatieleiding, met een maximum van 500 euro, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.9 van de bijlage bij dit decreet;
19° 10 euro per afwijking van 1 m² voor elke niet gerapporteerde systeemeis, met een maximum van 1.000 euro per systeemeis, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.10 van de bijlage bij dit decreet;
20° 50 euro per afwijking van 1 m voor het niet rapporteren van de circulatieleiding, met een maximum van 1.000 euro, bepaald op de wijze, vermeld in punt 2.11 van de bijlage bij dit decreet.
21° 1,5 euro per afwijking van 1 kWh op vlak van het S-peil, bepaald conform punt 2.12 van de bijlage bij dit decreet;
22° 150 euro per niet-gerapporteerde ruimte waarvoor ventilatie-eisen gelden.

Een in de EPB-aangifte vergeten schildeel kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 5° en 21°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot de thermische isolatie van de constructie-elementen kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 1°, op grond van afwijkingen op het vlak van het K-peil, of krachtens het eerste lid, 2°, 3°, 5° en 21°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot de ventilatievoorzieningen kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot het K-peil kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 2°, 3° en 5°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven brutovloeroppervlakte kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 5°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot de netto-energiebehoefte voor verwarming kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 2° en 3°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot het E-peil kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 3°.

Een in de EPB-aangifte foutief opgegeven waarde met betrekking tot het S-peil kan geen aanleiding geven tot verdere beboeting krachtens het eerste lid, 2° en 3°.

De maximale boete bedraagt 10 euro per m® beschermd volume dat nieuw gebouwd wordt, gerenoveerd wordt of een functiewijziging ondergaat en bedraagt niet meer dan 20.000 euro.

Het Vlaams Energieagentschap vestigt de administratieve geldboete pas als de totale administratieve geldboete die opgelegd wordt op basis van dit artikel, ten minste 250 euro bedraagt.

§ 2. Voor EPB-aangiften met betrekking tot gebouwen waarvan de startverklaring in 2006 werd ingediend, bedraagt de administratieve geldboete slechts de helft van het bedrag dat op basis van § 1, eerste lid, is verschuldigd, met een minimum van 250 euro.

§ 3. De verslaggever dient binnen zestig kalenderdagen na de vestiging van de administratieve geldboete bij het Vlaams Energieagentschap een EPB-aangifte in die in overeenstemming is met de controlevaststellingen.

De verslaggever brengt de aangifteplichtige daarvan onmiddellijk op de hoogte en bezorgt hem de nieuw ingediende EPB-aangifte. De kosten voor de herindiening van de EPB-aangifte vallen volledig ten laste van de verslaggever.

§ 4. Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de EPB-aangifte niet in overeenstemming is met de as-builtsituatie op de datum van de indiening van de EPB-aangifte of met de gemaakte controlevaststellingen, verplicht het Vlaams Energieagentschap de verslaggever om binnen de 60 kalenderdagen een nieuwe EPB-aangifte in te dienen die in overeenstemming is met zijn controlevaststellingen.

Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de indeling van het bouwproject in EPB-eenheden in de EPB-aangifte niet correct is gebeurd, verplicht het Vlaams Energieagentschap de verslaggever om binnen 60 kalenderdagen een nieuwe EPB-aangifte in te dienen volgens de correcte indeling in EPB-eenheden.

De verslaggever brengt de aangifteplichtige daarvan onmiddellijk op de hoogte en bezorgt hem de nieuw ingediende EPB-aangifte. De kosten voor het herindienen van de EPB-aangifte zijn volledig ten laste van de verslaggever.

 § 5. Als een overtreding van de verplichting, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, of in paragraaf 4, eerste en tweede lid, wordt vastgesteld, maant het Vlaams Energieagentschap de verslaggever aan om binnen een vastgestelde termijn de verplichting na te leven. Als de verslaggever bij het verstrijken van die termijn in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete van 500 euro op. Het Vlaams Energieagentschap legt ook een nieuwe termijn vast waarin de betreffende verplichting moet worden nageleefd.

Als de verslaggever bij het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, in fine, in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de verslaggever een administratieve geldboete op in de vorm van een dwangsom. Die bedraagt 10 euro per kalenderdag dat de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden.

Artikel 13.4.7/1. (30/03/2017- ...)

§ 1. Onverminderd artikel 13.4.7 kan het Vlaams Energieagentschap verslaggevers die herhaaldelijk fouten maken, verplichten om binnen een door het agentschap vastgestelde termijn te slagen voor een door of namens het agentschap georganiseerd examen. Verslaggevers die binnen deze termijn niet slagen voor dit examen, worden in hun activiteiten geschorst totdat zij alsnog slagen voor het examen.

Het Vlaams Energieagentschap kan tevens verslaggevers die blijk geven van kennelijke onbekwaamheid, die de erkenningsvoorwaarden niet naleven of die activiteiten uitvoeren die in strijd zijn met de bepalingen van artikel 11.1.6/1, § 1, tweede lid, schorsen in hun activiteiten, vermeld in dit decreet, voor een termijn die het Vlaams Energieagentschap zelf bepaalt, of de erkenning als verslaggever definitief intrekken. De Vlaamse Regering kan de gevallen bepalen waarbij vooraleer de schorsing van een verslaggever wordt opgeheven, hij dient te slagen voor een door of namens het Vlaams Energieagentschap georganiseerd examen.

Wanneer de verslaggever een rechtspersoon is, kan het Vlaams Energieagentschap de sanctie, vermeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan één of meer van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1.1.3, 127°.

De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden koppelen aan de opheffing van een schorsing.

§ 2. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de betekening van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan de betrokken verslaggever bij wege van aangetekend schrijven met ontvangstbewijs beroep aantekenen bij de minister. De verslaggever kan vragen om gehoord te worden.

De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag waarop het beroep is ontvangen.

Als de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing niet heeft betekend binnen de in het vorige lid bepaalde termijn, wordt ervan uitgegaan dat het beroep werd ingewilligd.

Artikel 13.4.8. (... - ...)

§ 1. Het bedrag van de verschuldigde administratieve geldboete wordt aan de betrokkene meegedeeld per aangetekende brief, met vermelding van de redenen waarom de boete wordt opgelegd en met verwijzing naar de artikelen die van toepassing zijn. In voorkomend geval wordt de berekening bijgevoegd.

Indien de betrokkene het oneens is met de sanctie kan hij, binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, het Vlaams Energieagentschap van zijn tegenargumenten op de hoogte brengen per aangetekende brief. Na het verstrijken van die termijn is de beslissing definitief.

Het Vlaams Energieagentschap kan zijn beslissing herroepen of het bedrag van de administratieve geldboete aanpassen als die tegenargumenten gegrond blijken te zijn. In dat geval vindt binnen de dertig kalenderdagen na het ontvangen van de tegenargumenten van de betrokkene een nieuwe kennisgeving plaats.

§ 2. Na de kennisgeving, vermeld in § 1, moet de administratieve geldboete binnen zestig kalenderdagen betaald worden.

Het Vlaams Energieagentschap kan uitstel van betaling verlenen voor een termijn die het zelf bepaalt.

§ 3. Indien de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd.

Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende brief. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

§ 4. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 13.4.8. (01/01/2011- ...)

§ 1. Het bedrag van de verschuldigde administratieve geldboete wordt aan de betrokkene meegedeeld per aangetekende brief, met vermelding van de redenen waarom de boete wordt opgelegd en met verwijzing naar de artikelen die van toepassing zijn. In voorkomend geval wordt de berekening bijgevoegd.

Indien de betrokkene het oneens is met de sanctie kan hij, binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, het Vlaams Energieagentschap van zijn tegenargumenten op de hoogte brengen per aangetekende brief. Na het verstrijken van die termijn is de beslissing definitief.

Het Vlaams Energieagentschap kan zijn beslissing herroepen of het bedrag van de administratieve geldboete aanpassen als die tegenargumenten gegrond blijken te zijn. In dat geval vindt binnen de dertig kalenderdagen na het ontvangen van de tegenargumenten van de betrokkene een nieuwe kennisgeving plaats.

§ 2. Na de kennisgeving, vermeld in § 1, moet de administratieve geldboete binnen zestig kalenderdagen betaald worden.

Het Vlaams Energieagentschap kan uitstel van betaling verlenen voor een termijn die het zelf bepaalt.

§ 3. Indien de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd.

Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende brief. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

§ 4. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Afdeling III. Administratieve sanctie wegens overtreding of niet-naleving van de energieprestatieregelgeving bij bestaande gebouwen

Artikel 13.4.9. (10/12/2015- ...)

§ 1. Als de aangifteplichtige bij de uitvoering van de werken, handelingen of wijzigingen de EPB-eisen, vermeld in artikel 11.1.1, § 2, niet naleeft, kan het Vlaams Energieagentschap een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 250 euro, noch hoger dan 5.000 euro, afhankelijk van het type gebouw, de bruikbare vloeroppervlakte of het beschermd volume.

§ 2. De procedure omschreven in artikel 13.4.8 is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling IV. Administratieve sancties wegens overtreding of niet-naleving van de verplichtingen betreffende energieprestatiecertificaten

Artikel 13.4.10. (10/12/2015- ...)

§ 1. Als bij de controle blijkt dat het energieprestatiecertificaat niet met de werkelijkheid overeenstemt en de betrokkene werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, kan het Vlaams Energieagentschap de energiedeskundige die het energieprestatiecertificaat heeft afgeleverd een administratieve geldboete opleggen, die niet lager mag zijn dan 250 euro, en niet hoger dan 5.000 euro.

Het Vlaams Energieagentschap verplicht de energiedeskundige om binnen de dertig kalenderdagen een nieuw energieprestatiecertificaat op te maken dat in overeenstemming is met de controlevaststellingen, en om dat nieuwe energieprestatiecertificaat te overhandigen aan de eigenaar of gebruiker van het gebouw. Indien het gebouw wordt verhuurd, dan bezorgt de eigenaar tevens een kopie van het nieuwe energieprestatiecertificaat aan de huurder. De kosten voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat vallen volledig ten laste van de energiedeskundige.

Als een overtreding van het tweede lid wordt vastgesteld, maant het Vlaams Energieagentschap de energiedeskundige aan om binnen een vastgestelde termijn de verplichtingen na te leven. Als de energiedeskundige bij het verstrijken van die termijn in gebreke blijft, legt het Vlaams Energieagentschap de energiedeskundige een administratieve geldboete op in de vorm van een dwangsom. Die bedraagt 10 euro per kalenderdag dat de vastgelegde termijn wordt overschreden.

§ 1/1. Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat een geschorste energiedeskundige in strijd met de schorsingsvoorwaarden toch actief optreedt als energiedeskundige, legt het Vlaams Energieagentschap hem een boete op van 500 euro per ingediend energieprestatiecertificaat.

§ 2. Als zou blijken dat de eigenaar of gebruiker van een gebouw die krachtens artikel 11.2.1, § 1, eerste lid, over een energieprestatiecertificaat moet beschikken, niet over een geldig energieprestatiecertificaat beschikt, legt het Vlaams Energieagentschap hem, op voorwaarde dat de eigenaar of gebruiker werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete op die niet lager is dan 500 euro, en niet hoger dan 5.000 euro.

§ 3. Als bij toepassing van artikel 11.2.2 blijkt dat de eigenaar geen geldig energieprestatiecertificaat aan de koper heeft overgedragen of aan de huurder ter beschikking gesteld heeft, en de betrokkene werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, legt het Vlaams Energieagentschap hem een administratieve geldboete op die niet lager is dan 500 euro, en niet hoger dan 5.000 euro.

Die administratieve geldboete kan niet worden gecumuleerd met de sanctie vermeld in § 2.

§ 3/1. Als bij de controle blijkt dat voor een te koop of te huur gesteld gebouw waarvoor een energieprestatiecertificaat beschikbaar dient te zijn, het kengetal, het adres van het gebouw of de unieke code van het energieprestatiecertificaat niet worden vermeld in de publiciteit die wordt gemaakt, of indien het vermelde kengetal, het vermelde adres van het gebouw of de vermelde unieke code van het energieprestatiecertificaat niet met de werkelijkheid overeenstemt, kan het Vlaams Energieagentschap de eigenaar of gebruiker een administratieve geldboete opleggen, die niet lager mag zijn dan 250 euro, noch hoger dan 5.000 euro.

In afwijking van het eerste lid legt het Vlaams Energieagentschap de sanctie, vermeld in het eerste lid, op aan de opdrachthouder, lasthebber of gevolmachtigde in het geval de eigenaar of gebruiker gebruikmaakte van deze opdrachthouder, lasthebber of gevolmachtigde in het kader van het te koop of te huur stellen van het gebouw.

Die administratieve geldboete kan voor de eigenaar of gebruiker niet worden gecumuleerd met de sanctie, vermeld in paragraaf 2 of 3.

§ 3/2. Indien blijkt dat de instrumenterende ambtenaar of een derde de hem op grond van artikel 11.2.2, § 3, opgelegde verplichtingen niet heeft nageleefd, en de betrokkene werd gehoord of naar behoren opgeroepen, dan kan het Vlaams Energieagentschap hem een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 250 euro en niet hoger dan 5000 euro.

§ 4. De procedure in artikel 13.4.8 is van overeenkomstige toepassing.

[Afdeling V. Procedure en administratieve geldboete bij niet-naleving van verplichtingen in het kader van het netbeheer (ing. decr. 24 februari 2017, art. 24, I: 1 juni 2017)]

Artikel 13.4.11. (01/06/2017- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap legt, na de betrokkenen te hebben gehoord of daartoe naar behoren te hebben opgeroepen, aan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in de volgende gevallen een administratieve geldboete op die niet lager is dan 150 euro, en niet hoger dan 20.000 euro:
1° bij het zonder machtiging van de betrokken netbeheerder handelingen uitvoeren op het distributienet of op het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit;
2° bij het zonder machtiging de aansluiting op het distributienet of op het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit manipuleren;
3° bij het niet uitvoeren van de meldingsverplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan, het aansluitingsreglement, het aansluitingscontract of het technisch reglement;
4° bij het bezorgen van informatie die niet consistent of in overeenstemming met de werkelijkheid is in het kader van meldingsverplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan, het aansluitingsreglement, het aansluitingscontract of het technisch reglement.

§ 2. Het opleggen van de administratieve boete wordt aan de betrokkene meegedeeld in een met redenen omklede aangetekende brief, met verwijzing naar de bepalingen die van toepassing zijn en de hoogte van de administratieve boete.

§ 3. Na de ontvangst van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 2, moet de administratieve geldboete binnen zestig kalenderdagen betaald worden. Het Vlaams Energieagentschap kan uitstel van betaling verlenen voor een door haar bepaalde termijn.

§ 4. Als de betrokkene nalaat de administratieve geldboete binnen de in paragraaf 3 bepaalde termijn te betalen, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd.

Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling of bij aangetekende brief.

§ 5. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

§ 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden die bepaald is bij artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

HOOFDSTUK V. [Administratieve sancties opgelegd door de Vlaamse Belastingdienst (verv. decr. 23 december 2016, art. 8, I: 8 januari 2017)]

Artikel 13.5.1. (08/01/2017- ...)

§ 1. Bij niet-naleving van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde eisen inzake de consistentie, volledigheid en accuraatheid van de te rapporteren gegevens, kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 150 euro, en niet hoger dan 20.000 euro.

§ 2. Bij niet-naleving van de in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde rapporterings- of betaaltermijn kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen van 250 euro per kalenderdag vertraging.

§ 3. De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1 en 2, in kennis gesteld met een aangetekende brief met bericht van ontvangst. De kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete.

§ 4. De betrokkene kan tegen het opleggen van de administratieve geldboete bezwaar indienen bij de Vlaamse Belastingdienst. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete.

§ 5. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving ervan, of indien bezwaar is ingediend, binnen zestig kalenderdagen na de beslissing omtrent het bezwaar.

§ 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

§ 7. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangschrift uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid van de Vlaamse Belastingdienst.

§ 8. Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden.

§ 9. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de administratieve geldboete moet innen, is gevestigd.

Artikel 13.5.2. (06/05/2014- ...)

...

Artikel 13.5.3. (06/05/2014- ...)

...

Artikel 13.5.4. (06/05/2014- ...)

...

HOOFDSTUK VI. [... (opgeh. Decr. 17 februari 2017, art. 26, I: 30 maart 2017)]

Artikel 13.6.1. (30/03/2017- ...)

...

[HOOFDSTUK VII. Inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de administratieve geldboetes (ing. decr. 18 november 2011, art. 27, I: 15 december 2011)]

Artikel 13.7.1. (30/03/2017- ...)

De inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet, worden rechtstreeks toegewezen aan het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1.

TITEL XIV. HEFFINGEN

HOOFDSTUK I.Heffing op de afnamepunten van elektriciteit

Artikel 14.1.1. (01/01/2018- ...)

§ 1. Vanaf heffingsjaar 2018 wordt een maandelijkse heffing vastgesteld per afnamepunt gelegen in het Vlaamse Gewest:
1° op het elektriciteitsdistributienet;
2° op het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit;
3° op een gesloten distributienet van elektriciteit;
4° op het transmissienet, met inbegrip van de netten vermeld in artikel 2, 41° en 42°, van de federale Elektriciteitswet.

§ 2. De heffing, vermeld in § 1, is verschuldigd door elke afnemer die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis was van een afnamepunt als vermeld in § 1.

Het geheel van afnamepunten van een gesloten distributienet als vermeld in paragraaf 1, 3°, dat voldoet aan artikel 1.1.3, 56° /2, en van een gesloten industrieel net als vermeld in artikel 2, 41°, van de federale Elektriciteitswet, wordt echter als één afnamepunt beschouwd. De heffing is in dat geval verschuldigd door de afnemer die volgens het toegangsregister titularis was van het afnamepunt op het transmissienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het elektriciteitsdistributienet.

Artikel 14.1.2. (01/01/2018- ...)

Het tarief van de heffing bedraagt per afnamepunt per maand dat de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op een van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1:
1° voor de volgende afnemers die aangesloten zijn op laagspanning:
a) voor residentiële afnemers: 42 eurocent per maand;
b) voor niet-residentiële afnemers: 7,87 euro per maand;
2° voor de afnemers die aangesloten zijn op middenspanning: 150,00 euro per maand;
3° voor afnemers die aangesloten zijn op hoogspanning: 875,00 euro per maand.

Indien in de loop van een maand een afnamepunt aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, wordt weggenomen, dan wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast pro rata temporis voor de periode dat het afnamepunt tot de categorieën, vermeld in het eerste lid, behoort.

Indien in de loop van een maand een nieuw afnamepunt wordt aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, dan is de heffing voor dat afnamepunt voor het eerst verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de aansluiting.

Indien in de loop van een maand een afnamepunt dat is aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, wordt aangepast waardoor het van spanningsniveau verandert, dan is het tarief van de spanningscategorie waartoe het na wijziging behoort, als vermeld in het eerste lid, voor het eerst verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de wijziging.

Wat het onderscheid betreft tussen residentiële en niet-residentiële afnemers als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt dit onderscheid met betrekking tot elk afnamepunt op laagspanning als vermeld in artikel 14.1.1, voor toepassing van elke heffingsmaand gemaakt aan de hand van de situatie zoals deze van toepassing was op de eerste dag van die maand. Het afnamepunt in kwestie behoudt deze status tot en met de laatste dag van diezelfde maand.

Artikel 14.1.3. (01/01/2018- ...)

De heffing, vermeld in dit hoofdstuk, wordt van rechtswege met ingang van heffingsjaar 2019 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd door het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, te vermenigvuldigen met het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand oktober van het vorige heffingsjaar, en te delen door het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand december van het jaar 2017.

Artikel 14.1.3/1. (01/01/2018- ...)

Het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, 1°, van dit decreet, wordt verminderd tot 0,00 euro als residentiële afnemer, vermeld in artikel 14.1.1, § 2, een beschermde afnemer is als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.

Deze vermindering wordt toegepast pro rata temporis voor de periode dat de afnemer of het afnamepunt tot de categorieën, vermeld in het eerste lid, behoort.
 

Artikel 14.1.4. (01/09/2016- ...)

Internationale organisaties en Europese instellingen die op basis van een zetelakkoord of een verdrag in België van belastingen op hun officieel gebruik zijn vrijgesteld, en die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis waren van een afnamepunt als vermeld in artikel 14.1.1, worden vrijgesteld van de heffing, vermeld in deze titel.

De organisaties en instellingen, vermeld in het eerste lid, kunnen bij de toegangshouder van het afnamepunt de terugbetaling vragen van de bij hen, conform artikel 14.2.2, § 1, door de toegangshouder van het afnamepunt geïnde bedragen. Indien die toegangshouder dat bedrag op basis van de procedure, vermeld in artikel 14.2.2, § 2, al ten gunste van het Energiefonds heeft doorgestort, dan wordt het verschil door hem in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure voor de teruggave of verrekening, vermeld in het tweede lid.

HOOFDSTUK II. Vestiging van de aanslag, controle, beroep ambtshalve uitvoering en verjaring [van de heffing op de afnamepunten op elektriciteit (ing. decr. 16 november 2018, art. 3, I: 1 januari 2019)]

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 14.2.1. (01/01/2019- ...)

...

Afdeling II. Inning van de heffing op de afnamepunten van elektriciteit door de toegangshouders

Artikel 14.2.2. (01/01/2018- ...)

 § 1. De heffing, vermeld in hoofdstuk I, wordt voor rekening van het Vlaamse Gewest geïnd door de toegangshouder van het afnamepunt via diens afrekeningsfacturen en slotfacturen.

Indien er gedurende een bepaalde kalendermaand voor een afnamepunt echter meerdere achtereenvolgende toegangshouders in het toegangsregister zijn opgenomen, dan wordt de heffing voor die maand pro rata temporis door elk van die toegangshouders aangerekend en geïnd.

De factuur die naar de afnemer wordt verstuurd, vermeldt de precieze vergoeding die de afnemer verschuldigd is en geldt als verzoek tot betaling van de verschuldigde heffing. De betalingstermijn bedraagt ten minste vijftien dagen en begint te lopen op de verzendingsdatum van het verzoek tot betaling.

 § 1/1. Voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder tegen uiterlijk de vijftiende dag van elke maand en dit voor het eerst uiterlijk op 15 april 2018 iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.

In afwijking van eerste lid brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2019 tegen uiterlijk de eerste dag van elke maand iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder doet voor de taak, vermeld in het eerste lid, een beroep op de gegevens uit een authentieke gegevensbron als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Hieronder wordt minstens verstaan de Kruispuntdatabank van de Sociale Zekerheid en het Rijksregister. De elektriciteitsdistributienetbeheerders bekomen van het Rijksregister voor die afnamepunten de NAW-gegevens, te weten naam, adres en woonplaats, en het rijksregisternummer en kunnen die gebruiken bij de volgende periodieke koppelingen met het Rijksregister. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de procedure van bovenvermelde kennisgevingen.

Als een residentiële afnemer op basis van de gegevens, vermeld in het eerste lid, onterecht het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, b, werd aangerekend, dan bezorgt de betrokken residentiële afnemer aan diens toegangshouder een bewijs waarin aangegeven is dat hij of een andere natuurlijke persoon op de eerste dag van de betrokken heffingsmaand op het adres van het afnamepunt gedomicilieerd was. De toegangshouder corrigeert de aanrekening van de heffing overeenkomstig en stuurt een correctie naar het toegangsregister.

§ 2. Elke toegangshouder bezorgt uiterlijk de twintigste dag van elke maand aan de Vlaamse Belastingdienst een overzicht van de ten laste van de afnemers aangerekende heffingen die hij in de loop van de vorige maand heeft geboekt.

Het model en de wijze van indienen van dit overzicht wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld maar bevat minstens:
1° de benaming van de toegangshouder;
2° zijn maatschappelijke zetel en exploitatiezetel;
3° de personalia van de persoon die instaat voor de inning en de storting van de heffing.

De toegangshouder stort uiterlijk de dertigste dag van elke maand de in de vorige maand geïnde heffingen ten gunste van het Energiefonds op de rekening van de Vlaamse Belastingdienst.

§ 3. Om rekening te houden met de heffingen die hem niet volledig gestort zouden worden door afnemers, mag elke toegangshouder een forfait van 0,5 procent afhouden van de heffingen die in rekening worden gebracht op de afrekeningsfacturen en slotfacturen.

Bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen, uiterlijk op 1 juli, deelt de toegangshouder aan de Vlaamse Belastingdienst het bedrag van de boekhoudkundig geregistreerde niet-invorderbare schuldvorderingen van de heffing mee dat betrekking heeft op de leveringen onderworpen aan deze heffing.

Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen hoger is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen lager is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder opgeteld bij het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.
 

Artikel 14.2.3. (01/01/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de procedure en de modaliteiten voor de vordering van de heffing door de toegangshouder, de betaling van de geïnde bedragen aan het Energiefonds en de invordering. Ze bepaalt welke informatie aan de Vlaamse Belastingdienst moet worden meegedeeld en de inlichtingen die nodig zijn voor de controle en de invordering van de heffing.

§ 2. In afwijking van artikel 14.2.2, dienen de eerste doorstortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2018 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2018 te geschieden.

[HOOFDSTUK III. Heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 5, I: 1 januari 2019)]

[Afdeling I. Belastbare materie en tarief van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 6, I: 1 januari 2019)]

Artikel 14.3.1. (01/01/2019- ...)

Er wordt een heffing ingesteld op de exploitatie van een toegelaten directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt, vermeld in artikel 4.5.1, § 2, en die gelegen is in het Vlaamse Gewest.

De heffing wordt berekend op een hoeveelheid elektrische stroom uitgedrukt in megawattuur, die gelijk is aan de hoeveelheid stroom die jaarlijks in de directe lijn wordt geïnjecteerd.

De beheerder van de directe lijn, vermeld in het eerste lid, die voor de toepassing van dit hoofdstuk de heffingsplichtige is, is de heffing verschuldigd.

Artikel 14.3.2. (01/01/2019- ...)

Het tarief van de heffing, vermeld in artikel 14.3.1, bedraagt:
1° voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op laagspanning: 53,83 euro per geïnjecteerd megawattuur;
2° voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op middenspanning: 5,95 euro per geïnjecteerd megawattuur;
3° voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op hoogspanning of in eilandwerking is: 0,36 euro per geïnjecteerd megawattuur.

Indien de afnemer, vermeld in het eerste lid, op diens eigen site echter aangesloten is op meerdere spanningsniveaus, dan wordt het tarief gehanteerd dat behoort tot het hoogste spanningsniveau waarop deze is aangesloten.

Artikel 14.3.3. (01/01/2019- ...)

§ 1. De heffing, vermeld in dit hoofdstuk, wordt van rechtswege met ingang van heffingsjaar 2020 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd door het tarief, vermeld in artikel 14.3.2, te vermenigvuldigen met het gewogen gemiddelde van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen, dat per 1 januari van toepassing is, en te delen door het gewogen gemiddelde van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen dat op 31 december 2018 van toepassing was. De VREG stelt daarvoor de nodige gegevens ter beschikking aan de Vlaamse Belastingdienst.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt het tarief voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op hoogspanning of in eilandwerking is als vermeld in artikel 14.3.2, 3°, geïndexeerd aan de hand van het gewogen gemiddelde van het gedeelte van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen dat van toepassing is op zij die rechtstreeks aangesloten zijn op de transformatoren tussen het hoogspanningsnet en het middenspanningsnet.

§ 3. Het gewogen gemiddelde, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt berekend door de optelsom van de getallen die bekomen worden door het van toepassing zijnde standaardtarief voor openbaredienstverplichtingen per netbeheerder te vermenigvuldigen met het aantal afnamepunten waarop dit tarief op de betreffende datum van toepassing is, te delen door het totale aantal afnamepunten in het Vlaamse Gewest die op de betreffende datum zijn aangesloten op het betrokken spanningsniveau.

[Afdeling II. Inning en invordering van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest (ing. decr. 16 november 2018, art. 10, I: 1 januari 2019)]

Artikel 14.3.4. (01/01/2019- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder in wiens geografisch gebied de directe lijn, vermeld in artikel 14.3.1, gelegen is, meet de elektriciteit die op jaarbasis in de directe lijn geïnjecteerd wordt. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande hoe die elektriciteit wordt gemeten.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder, vermeld in het eerste lid, zorgt ervoor dat voor een nieuwe toegelaten directe lijn als vermeld in artikel 4.5.1, § 2, in gebruik wordt genomen, ze wordt uitgerust met een meter die toelaat de elektriciteit die in de directe lijn geïnjecteerd wordt te meten als vermeld in dit hoofdstuk. De VREG bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerders de nodige informatie om die installatie mogelijk te maken. De kost van deze meter en de plaatsing ervan is ten laste van de beheerder van de directe lijn.

De elektriciteitsdistributienetbeheerders, vermeld in het eerste lid, melden voor 1 februari van het jaar dat volgt op het heffingsjaar aan de Vlaamse Belastingdienst voor elke directe lijn die in hun gebied ligt als vermeld in artikel 14.3.1, de hoeveelheid elektriciteit die gedurende het vorige kalenderjaar in die lijn werd geïnjecteerd.

Artikel 14.3.5. (01/01/2019- ...)

§ 1. Vóór 1 april van het jaar dat volgt op het heffingsjaar, wordt de heffing in het kohier ingeschreven en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.

De kohieren bevatten op straffe van nietigheid:
1° de naam van de heffingsplichtige;
2° de verwijzing naar dit decreet;
3° het heffingsjaar;
4° de berekening en het bedrag van de verschuldigde heffing;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring;
6° de handtekening van de ambtenaar die ermee belast is het kohier uitvoerbaar te verklaren.

Ter uitvoering van het kohier worden de aanslagbiljetten naar de heffingsplichtigen gestuurd. Deze aanslagbiljetten bevatten:
1° de verzendingsdatum;
2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
3° het kohierartikel;
4° het heffingsjaar;
5° de grondslag van de belasting;
6° het te betalen bedrag en de berekeningswijze ervan;
7° de uiterste betaaldatum;
8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.

De heffingsplichtige moet de heffing betalen binnen twee maanden nadat het aanslagbiljet is verzonden.

§ 2. Binnen een termijn van drie maanden nadat het aanslagbiljet is verzonden, kan de heffingsplichtige beroep aantekenen bij de Vlaamse Belastingdienst. Dat beroep vermeldt, op straffe van nietigheid, de naam van de heffingsplichtige, het kohiernummer, het heffingsjaar en de motieven van het beroep. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten van dat administratief beroep.

De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als er geen vordering bij de rechtbank van eerste aanleg is ingesteld binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 3. Als er door deze titel niet van wordt van afgeweken, zijn op deze heffing de bepalingen van titel III van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 van overeenkomstige toepassing.

[HOOFDSTUK IV. INKOMSTEN UIT DE ENERGIEHEFFINGEN (ing. decr. 16 november 2018, art. 13, I: 1 januari 2019)]

Artikel 14.4.1. (01/01/2019- ...)

De inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de heffingen, vermeld in deze titel, worden rechtstreeks toegewezen aan het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1.

[TITEL XIV/1. EXPERIMENTREGELGEVING EN REGELLUWE ZONES VOOR ENERGIE (ing. decr. 16 november 2018, art. 54, I: 24 december 2018)]

Artikel 14/1.1.1. (24/12/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan regelluwe zones vaststellen waarbinnen in afwijking van de door of krachtens titel IV, IV/1, VII, IX, XI, vastgestelde bepalingen binnen een bepaald kader en binnen een beperkt geografisch afgebakend gebied tijdelijk kan worden geëxperimenteerd met een andere toepassing dan de door of krachtens die bepalingen vastgelegde regels. Indien het een afwijking betreft van de door of krachtens titel IV vastgestelde bepalingen, dan wint de Vlaamse Regering hierbij het advies in van de VREG.

De Vlaamse Regering kan categorieën van regelluwe zones bepalen. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder dan binnen een dergelijke regelluwe zone voor een bepaald doel wordt opgetreden en bepaalt van welke bepalingen mag worden afgeweken. De Vlaamse Regering kan voor de toepassing in die zones echter geen bepalingen aannemen of afwijkingen toestaan die strijdig zijn met artikel 4.1.7 tot en met artikel 4.1.8/1, of met de verplichtingen van Europese richtlijnen, verordeningen en besluiten.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast waaraan een project moet voldoen om in aanmerking te komen voor de erkenning als regelluwe zone. De Vlaamse Regering legt de procedure en de voorwaarden voor de aanvraag en voor de erkenning als regelluwe zone vast.

De Vlaamse Regering legt de voorwaarden voor de schorsing of intrekking van de erkenning als regelluwe zone vast.

§ 3. Voor zover er door dit decreet niet van wordt afgeweken zijn de bepalingen van artikel III.119 tot en met III.122 van het Bestuursdecreet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14/1.1.2. (24/12/2018- ...)

De houder van de erkenning als regelluwe zone rapporteert op regelmatige basis aan de Vlaamse overheid over de voortgang en de resultaten van zijn project. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vorm, de inhoud en de regelmaat van die rapportering, en kan bepalen bij wie die rapportering wordt ingediend.

TITEL XV. SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I. Wijzigingsbepalingen

Artikel 15.1.1. (01/01/2011- ...)

In 33°, van artikel 569, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden « van de beroepen tegen de beslissingen tot het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 1, en § 2quater, eerste lid, van het elektriciteitsdecreet en van artikel 46, § 1, en § 2bis, eerste lid, van het aardgasdecreet » vervangen door de woorden « van de beroepen tegen de beslissingen van de VREG tot het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de artikelen 13.3.1 tot en met 13.3.5 van het Energiedecreet ».

Artikel 15.1.2. (01/01/2011- ...)

In artikel 2 van het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
« 4° netbeheerder : elke beheerder van een net als vermeld in artikel 1.1.3, 90°, van het Energiedecreet; »;

2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° huishoudelijke afnemer : afnemer als vermeld in artikel 1.1.3, 67°, van het Energiedecreet; »;

3° punten 5° en 7° worden geschrapt.

Artikel 15.1.3. (01/01/2011- ...)

In artikel 7 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° § 2 wordt vervangen door wat volgt :

« § 2. Voor wat de ononderbroken toevoer van elektriciteit en aardgas betreft, vermeld in artikel 6.1.1 van het Energiedecreet, geeft de lokale adviescommissie binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek en na een contradictoir onderzoek dat een antwoord geeft op de vraag of de huishoudelijke afnemer niet in een situatie verkeert waardoor afsluiting onverantwoord zou zijn, een advies over onderstaande gevallen :
a) het verzoek van de netbeheerder om de huishoudelijke afnemer af te sluiten, in de gevallen die vermeld zijn in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet;
b) het verzoek tot heraansluiting van de huishoudelijke afnemer, na beëindiging van de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, van het Energiedecreet.

Bij ontstentenis van een advies binnen de voormelde termijn wordt het advies over het verzoek van de netbeheerder, vermeld in het eerste lid, a), geacht negatief te zijn.

Bij ontstentenis van een advies binnen de voormelde termijn wordt het advies over het verzoek tot heraansluiting van de huishoudelijke afnemer, vermeld in het eerste lid, b ), geacht positief te zijn. »;

2° in § 4 worden de woorden « of een huishoudelijke aardgasafnemer » geschrapt.

HOOFDSTUK II. Opheffingsbepalingen

Artikel 15.2.1. (... - ...)

De volgende regelingen worden opgeheven :
1° de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening, voor wat de Vlaamse energiebevoegdheden betreft;
2° het decreet van 17 juli 2000 houdende organisatie van de elektriciteitsmarkt;
3° het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt;
4° het decreet van 2 april 2004 tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in het Vlaamse Gewest door het bevorderen van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van de flexibiliteitsmechanismen uit het Protocol van Kyoto;
5° het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;
6° het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat voor gebouwen en tot uitvoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet.

HOOFDSTUK III. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 15.3.1. (01/01/2011- ...)

Voor distributienetbeheerders die minder dan honderd huishoudelijke afnemers hebben, kan de Vlaamse Regering voorzien in uitzonderingen, voor zover daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat.

Artikel 15.3.2. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan voorzien in uitzonderingen op de bepalingen van dit decreet voor wat de levering van aardgas en het beheer van het aardgasdistributienet betreft in het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied, voor zover daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat.

Artikel 15.3.3. (01/01/2011- ...)

Voor wat betreft de productie-installaties waarvoor reeds groenestroomcertificaten werden toegekend vóór de inwerkingtreding van artikel 7.1.1, kent de VREG de groenestroomcertificaten toe aan de producent van de elektriciteit die in de productie-installaties wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.

Artikel 15.3.4. (28/06/2013- ...)

Behoudens andersluidende bepalingen worden de begroting en rekeningen van de VREG opgemaakt en goedgekeurd en wordt de controle uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof .

Artikel 15.3.5. (01/01/2011- ...)

Het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1 neemt de uitstaande rechten en plichten lastens het begrotingsfonds Energiefonds', vermeld in artikel 20 van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, over.

De middelen die voortvloeien uit de overgedragen rechten en plichten, worden gevoegd bij de financiële middelen van het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1, § 2.

Artikel 15.3.5/1. (26/08/2011- ...)

Het beheer van een op 1 juli 2011 bestaand net voor distributie van elektriciteit of aardgas dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, is toegestaan als gesloten distributienet mits melding aan de VREG, zelfs indien dit net de grenzen van de eigen site, als bedoeld in artikel 4.6.1, overschrijdt.

Artikel 15.3.5/2. (26/08/2011- ...)

Elke beheerder van een elektriciteitslijn, aardgasleiding of net voor distributie van elektriciteit of aardgas dat niet wordt uitgebaat door een door de VREG aangewezen distributienetbeheerder en dat geen op 1 juli 2011 bestaande directe lijn of directe leiding is, moet zich conformeren aan de bepalingen van dit decreet door, naargelang het geval :
1° het voldoen aan de bepalingen van artikelen 4.7.2 en 4.7.3, als het net een toegelaten privédistributienet betreft, als vermeld in artikel 4.7.1, § 2;
2° de overdracht van het beheer van het distributienet aan de distributienetbeheerder, als het net een niet-toegelaten privédistributienet betreft, binnen redelijke termijn zodra een achterliggende netgebruiker of een leverancier op vraag van en voor rekening van een achterliggende afnemer, zijn rechten wil uitoefenen;
3° het melden als gesloten distributienet overeenkomstig artikel 15.3.5/1 en het voldoen aan de bepalingen van artikelen 4.6.2 tot en met 4.6.9, waarbij de artikelen 4.6.3, 8° tot en met 12°, 4.6.8 en 4.6.9 slechts van toepassing zijn binnen redelijke termijn zodra een achterliggende netgebruiker of een leverancier op vraag van en voor rekening van een achterliggende afnemer zijn rechten wil uitoefenen.

Artikel 15.3.5/3. (01/07/2012- ...)

De vergunningen of toelatingen die verleend zijn voor de inwerkingtreding van artikel 4.1.27 van dit decreet op grond van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening of de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de vereenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen verleende wegenisvergunningen of toelatingen worden gelijkgesteld met een domeintoelating die op grond van artikel 4.1.27 van dit decreet wordt verleend.

Artikel 15.3.5/4 (... - ...)

Groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, afgeleverd voor 1 januari 2013, worden op 1 januari 2013 opgesplitst in de centrale databank in enerzijds respectievelijk een groenestroomcertificaat of warmte-krachtcertificaat en anderzijds een garantie van oorsprong. De vermeldingen die op deze certificaten vermeld staan op 1 januari 2013, blijven daarbij behouden.

Artikel 15.3.5/5. (28/06/2013- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd waarborgen te verlenen ten gunste van de elektriciteitsdistributienetbeheerders, de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, met het oog op de gedeeltelijke dekking van het verlies dat deze netbeheerders gebeurlijk dragen als gevolg van het banken van groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten waaronder deze waarborg kan worden toegekend en uitgekeerd. In afwijking van artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest kan de Vlaamse Regering bepalen om de toekenning van de waarborg niet afhankelijk te maken van de betaling van een bijdrage.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt voor ieder begrotingsjaar de maximale omloop van de uitstaande verbintenissen waarop de waarborg van het Vlaamse Gewest betrekking heeft.

Artikel 15.3.5/6. (30/03/2017- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 10.1.3, § 1, kan de Vlaamse Regering voor verslaggevers die zich voor 1 januari 2015 als zodanig al in de energieprestatiedatabank geregistreerd hebben en die minstens één startverklaring of één EPB-aangifte ingediend hebben, uitzonderingen toestaan op de erkenningsvoorwaarden.

§ 2. In afwijking van artikel 11.1.6/1, § 1, tweede lid, beschikken verslaggevers over een termijn tot en met 30 juni 2017 om de mandaten, functies of activiteiten die tot de onverenigbaarheid, vermeld in artikel 11.1.6/1, § 1, tweede lid, aanleiding geven neer te leggen, en om desgevallend hun statuten aan te passen. Als de verslaggever nalaat de onverenigbare mandaten of functies neer te leggen, dan kan het Vlaams Energieagentschap de erkenning intrekken.

Artikel 15.3.5/7. (04/12/2018- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerders in wiens geografisch gebied op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel al toegelaten directe lijnen als vermeld in artikel 4.5.1 liggen, zorgen ervoor dat die lijnen uiterlijk op 31 december 2018 uitgerust zijn met een meter die toelaat de hoeveelheid elektriciteit die in de directe lijn geïnjecteerd wordt, te meten voor de berekening van de heffing, vermeld in titel XIV, hoofdstuk III. De VREG bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerders de nodige informatie om die installatie mogelijk te maken. De kost van deze meter en de plaatsing ervan is ten laste van de beheerder van de directe lijn.

Artikel 15.3.5/8. (10/12/2015- ...)

Afnemers waarvan de gratis hoeveelheid elektriciteit nog niet werd toegekend voor het leveringsjaar 2015 en de afnemers waarvan de gratis hoeveelheid elektriciteit niet correct is toegekend op hun afrekeningsfactuur hebben nog steeds recht op de toekenning van de gratis hoeveelheid elektriciteit. Dit recht houdt op te bestaan indien de afnemer niet binnen een termijn van twee jaar na de afrekeningsfactuur waarop de gratis hoeveelheid elektriciteit normaal gezien moest toegekend worden, aan zijn leverancier kenbaar heeft gemaakt dat de toegekende gratis hoeveelheid elektriciteit op deze afrekeningsfactuur niet correct of niet toegekend is. In afwijking van artikel 6.1.1, tweede lid, zijn de kosten voor de levering van deze gratis elektriciteit ten laste van alle afnemers.

De VREG ziet toe op de correcte naleving van deze overgangsbepaling.

Artikel 15.3.5/9. (30/03/2017- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerders zorgen ervoor dat tegen uiterlijk 1 juli 2017 de autonome stroombegrenzers die geplaatst staan bij toegangspunten die door commerciële leveranciers worden beleverd, worden weggenomen.

Artikel 15.3.5/10. (22/03/2017- ...)

Tegen de beslissingen die de VREG met toepassing van titel IV, hoofdstuk I, afdeling XII, heeft genomen, en die op de dag van de inwerkingtreding van dit artikel niet definitief waren, loopt een nieuwe beroepstermijn van 30 dagen vanaf diezelfde dag.

Artikel 15.3.5/11. (01/01/2018- ...)

In afwijking van artikel 14.1.1 wordt het geheel van afnamepunten waarvoor bij de VREG op 1 januari 2018 al een aanvraag tot goedkeuring als een gesloten distributienet lopende is, behandeld conform artikel 14.1.1, § 2, tweede lid, op voorwaarde dat tegen uiterlijk 1 januari 2021 over deze aanvraag een gunstige beslissing valt.

In afwijking van artikel 14.1.1 wordt het geheel van afnamepunten waarvoor bij de daartoe bevoegde federale overheidsdienst op 1 januari 2018 al een aanvraag tot goedkeuring als een gesloten industrieel net, vermeld in artikel 2, 41°, van de federale Elektriciteitswet, lopende is, behandeld conform artikel 14.1.1, § 2, tweede lid, op voorwaarde dat tegen uiterlijk 1 januari 2021 over deze aanvraag een gunstige beslissing valt.

Indien de afnamepunten, vermeld in het eerste en tweede lid, op 1 januari 2021 echter geen deel uitmaken van een goedgekeurd gesloten distributienet of een goedgekeurd gesloten industrieel net, dan worden zij alsnog voor de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 belast conform artikel 14.1.1, § 2, eerste lid, en dit aan het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, die voor de desbetreffende maandelijkse periodes van toepassing was. In afwijking van artikel 14.2.2 zorgt de Vlaamse Belastingdienst in dat geval tegen uiterlijk 1 juli 2021 voor een bijkomende aanslag. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de gegevensoverdracht van de toegangshouders en de netbeheerders aan de Vlaamse Belastingdienst voor de correcte toepassing van dit artikel.

Artikel 15.3.5/17. (24/12/2018- ...)

De werkmaatschappij past tegen uiterlijk 1 april 2019 de statuten en de samenstelling van haar raad van bestuur aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.5/1, aan. Als de werkmaatschappij de statuten of de samenstelling van de raad van bestuur niet aanpast, dan kan de VREG de toestemming, vermeld in artikel 4.1.5, eerste lid, intrekken.

Artikel 15.3.5/18. (01/01/2019- ...)

De distributienetbeheerders hebben tot en met 1 januari 2021 de tijd om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.1, eerste lid, waarbij eventueel onderling gebieden kunnen worden uitgewisseld. De VREG doet, conform de door de Vlaamse Regering volgens artikel 4.1.4 vastgestelde procedure, waar nodig een nieuwe aanwijzing als distributienetbeheerder, of wijzigt de bestaande aanwijzing als distributienetbeheerder.

Artikel 15.3.5/19. (24/12/2018- ...)

Ten aanzien van de beperkingen, vermeld in artikel 4.1.5/2, genieten de gedelegeerd bestuurder, de CEO en de leden van het managementcomité van de werkmaatschappij, die in dienst of aangesteld zijn op 1 januari 2019, tot het einde van hun lopende functie of mandaat van de geldelijke arbeidsvoorwaarden die zij genoten op 1 januari 2019.

Artikel 15.3.5/20. (24/12/2018- ...)

In afwijking van artikel 3.1.3, eerste lid, 4°, g), publiceert de VREG de daarin vermelde studie voor het eerst tegen uiterlijk 1 september 2019.

Artikel 15.3.5/21. (24/12/2018- ...)

De VREG kan bepalen dat een elektriciteitsproductie-eenheid in gespecifieerde omstandigheden als een bestaande productie-eenheid, dan wel als een nieuwe productie-installatie wordt beschouwd in het kader van de Netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net, als bedoeld in verordening 2016/631/EU.

De VREG kan bepalen dat een distributiesysteem of een verbruikseenheid in gespecifieerde omstandigheden als bestaand, dan wel als nieuw wordt beschouwd in het kader van de Netcode voor aansluiting van verbruikers, als bedoeld in verordening 2016/1388/EU.

Artikel 15.3.6. (01/01/2011- ...)

Dit decreet wordt aangehaald als : het Energiedecreet.

Artikel 15.3.7. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan de bepalingen van het Energiedecreet coördineren, met inachtneming van de wijzigingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie.

Te dien einde kan de Vlaamse Regering :
1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen;
4° in de bepalingen die niet in de coördinatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecoördineerde bepalingen aanpassen.

De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : « Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid, gecoördineerd op [...] ».

Artikel 15.3.8. (01/01/2011- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de datum waarop de verschillende bepalingen van dit decreet in werking treden.

Bijlage

deel 1. (01/01/2019- ...)

Bepaling van de administratieve geldboeten

1. Administratieve geldboeten voor de aangifteplichtige
1.1. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de thermische isolatie
1.1.1. Afwijking op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-elementen

Als de in de EPB-aangifte opgegeven warmtedoorgangscoëfficiënt van een constructie-element de maximaal toegestane waarde overschrijdt, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat constructie-element, uitgedrukt in W/K:

(Uaangifte – Ueis)Aaangifte

Waarin:

Uaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende constructie-element, in W/m2K;

Ueis de maximaal toegestande waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende constructie-element, in W/m2K;

Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende constructie-element, uitgedrukt in m2

 

 

Als de in de EPB-aangifte opgegeven warmteweerstand van een constructie-element kleiner is dan de minimaal toegestane waarde, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat constructie-element, uitgedrukt in W/K:

(1/Raangifte – 1/Reis)Aaangifte

Waarin:

Raangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmteweerstand van het betreffende constructie-element, in m2K/W;

Reis de minimaal toegestane waarde van de warmteweerstand van het betreffende constructie-element, in m2K/W;

Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende constructie-element, uitgedrukt in m2.

 

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor een gebouw dat meerdere EPB-eenheden en gemeenschappelijke delen bevat, de boete van een constructie-element dat behoort tot een gemeenschappelijk deel gelijk verdeeld over de verschillende EPB-eenheden.

1.1.2 Afwijking op het vlak van de globale thermische isolatie (K-peil)
Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan een of meer eisen i.v.m het K-peil, wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald:

0.01(Kaangifte-Keis)AT,aangifte

Waarin:

Kaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil;

Keis de maximaal toegestane waarde van het K-peil voor de betreffende bestemming;

At, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde warmteverliesoppervlakte die hoort bij het betreffende K-peil, in m2

 

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor een gebouw dat meerdere EPB-eenheden bevat, (met uitzondering van « aangrenzende onverwarmde ruimten » en « gemeenschappelijke delen ») de boete verdeeld pro rata van het aandeel van de warmteverliesoppervlakte van elk EPB-eenheid in de warmteverliesoppervlakte van het totale K-peilvolume exclusief « gemeenschappelijke delen ». De som van alle effectieve individuele boeten is dan gelijk aan de totale boete berekend voor het geheel.
Voor elke overschrijding van het K-peil wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van thermische isolatie voor elk EPB-eenheid dat deel uitmaakt van hetzelfde K-peilvolume, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald :

0.01(Kaangifte - Keis)AT, aangifte*AT,EPB-eenheid / (AT,aangifte - AT,GD)
waarin :

Kaangifte

de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil;

Keis

de maximaal toegestane waarde van het K-peil voor het betreffende K-peilvolume;

AT, aangifte

de in de EPB-aangifte vermelde warmteverliesoppervlakte van het betreffende K-peilvolume, in m2;

AT,EPB-eenheid

de in de EPB-aangifte vermelde warmteverliesoppervlakte van het betreffende EPB-eenheid, in m2;

AT,GD

de in de EPB-aangifte vermelde warmteverliesoppervlakte van de « gemeenschappelijke delen » binnen het betreffende K-peilvolume, in m2;";

 

1.2. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de globale energetische prestatie

Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen i.v.m het E-peil, dan wordt voor elk de overeenkomstige afwijking op het vlak van de globale energetische prestatie, uitgedrukt in MJ/jaar, als volgt bepaald:

Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, aangifte – Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, eis

Waarin:

Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, in MJ/jaar;

Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, eis de maximaal toegestane waarde van het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik voor de betreffende bestemming, in MJ/jaar.

 

 

1.3. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het risico op oververhitting
Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan een of meer eisen i.v.m het risico op oververhitting, wordt voor elk de overeenkomstige afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, uitgedrukt in Khm3, als volgt bepaald:

(Ioververhitting,aangifte – Ioververhitting,eis) Vvaststelling

waarin:

Ioververhitting,aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;

Ioververhitting,eis de maximaal toegestane waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;

Vvaststelling het bij controle vastgestelde volume van het gebouwdeel waarvoor de evaluatie van het risico op oververhitting gebeurd is, in m3.

 

 

1.4. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van ventilatie
1.4.1. Toevoervoorzieningen
Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale toevoerdebiet in een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:

Vtoevoer, min, aangifte – Vtoevoer, aangifte

 

Waarin:

Vtoevoer, min, aangifte het opgelegde minimale toevoerdebiet voor die ruimte zoals dat op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h;

Vtoevoer, aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale toevoerdebiet in die ruimte, bepaald zoals hieronder nader vastgelegd, in m3/h;

 

 

Bij de bepaling van het totale toevoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels:
° Er wordt gesommeerd over alle luchttoevoervoorzieningen in die ruimte
°Als het toevoerdebiet met buitenlucht gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de toevoervoorzieningen die buitenlucht binnen brengen
° Als de regelkarakteristieken van een regelbare toevoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het toevoerdebiet gelijkgesteld aan nul voor die opening.
° Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
° Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt gegeven door:

3600 . Aspleet, aangifte voor een drukverschil van 2 Pa

8000 . Aspleet, aangifte voor een drukverschil van 10 Pa

Waarin:

Aspleet, aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2.

 

 

° Als in een ruimte met residentiële bestemming er verplichte afvoer rechtstreeks naar buiten is, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd. Als de verticale scheidingsconstructies van de ruimte echter alleen grenzen aan een garage, een gemeenschappelijke gang of trappenhuis, een huisvuilkoker of verzamelruimte voor huisvuil, een liftkoker, een stookplaats, een gasmeterruimte of een brandstofopslagplaats, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet ook andere toevoeropeningen beschouwd.

1.4.2. Afvoervoorzieningen

Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale afvoerdebiet in een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, wordt de overeenkomstige afwijking voor de afvoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:

Vafvoer, min, aangifte – Vafvoer, aangifte

Waarin:

Vafvoer, min, aangifte het opgelegde minimale afvoerdebiet voor die ruimte zoals dat op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h;

Vafvoer, aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale afvoerdebiet in die ruimte, bepaald zoals hieronder nader vastgelegd, in m3/h.

 

 

Bij de bepaling van het totale afvoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels:
° Er wordt gesommeerd over alle luchtafvoervoorzieningen in die ruimte;
° Als er afvoer rechtstreeks naar buiten gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de afvoervoorzieningen die de lucht rechtstreeks naar buiten lozen.
° Voor het debiet van een regelbare afvoeropening en bijbehorend afvoerkanaal geldt:
- Als de regelkarakteristieken van de regelbare afvoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het afvoerdebiet gelijk gesteld aan nul.
- Zoniet dient het minimum genomen te worden van volgende debieten:
° enerzijds het in de EPB-aangifte opgegeven nominale debiet van de regelbare afvoeropening
° anderzijds het debiet van het bijbehorende afvoerkanaal, berekend als

3600 . Aafvoerkanaal, aangifte

Met

Aafvoerkanaal, aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van het afvoerkanaal, in m2.

 

 

° Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
° Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt gegeven door:

3600 . Aspleet, aangifte voor een drukverschil van 2 Pa

8000 . Aspleet, aangifte voor een drukverschil van 10 Pa

Waarin

Aspleet, aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2.

 

 

° In een ruimte met residentiële bestemming waar verplichte toevoer van buitenlucht is en in een woonkamer of analoge ruimte, worden voor de bepaling van het afvoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd. Als de verticale scheidingsconstructies van de ruimte echter alleen grenzen aan een garage, een gemeenschappelijke gang of trappenhuis, een huisvuilkoker of verzamelruimte voor huisvuil, een liftkoker, een stookplaats, een gasmeterruimte of een brandstofopslagplaats, dan worden voor de bepaling van het afvoerdebiet ook andere afvoeropeningen beschouwd.

1.5. Afwijkingen bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende de netto-energiebehoefte voor verwarming, dan wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming, uitgedrukt in kWh/jaar, als volgt bepaald :
(Q heat net spec, aangifte- Q heat net spec, eis)Af,gross
waarin :

(Q heat net spec, aangifte- Q heat net spec, eis)Af,gross
waarin :

Q heat net spec, aangifte-

de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto-energiebehoefte voor verwarming per eenheid brutovloeroppervlakte, in kWh/m2.jaar;

Q heat net spec, eis

de maximaal toegestane waarde van de netto-energiebehoefte voor verwarming per eenheid brutovloeroppervlakte, in kWh/ m2.jaar;

Af,gross

de in de EPB-aangifte vermelde brutovloeroppervlakte in m2;";

 

1.6. ...


1.7. Afwijkingen bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de systeemeisen
1.7.1. Ketels op gasvormige en vloeibare brandstof
Als in de EPB-aangifte gerapporteerd is dat niet voldaan is aan de eis betreffende het minimale installatierendement, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het installatierendement, uitgedrukt in %.m², als volgt bepaald:

(?inst, eis – ?inst, aangifte) Ainst, heat, net, aangifte
waarin:

?inst, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het installatierendement;

?inst, eis de minimaal vereiste waarde van het installatierendement;
Ainst, heat, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes, uitgedrukt in m² van alle ruimtes waarin minstens één warmte afgifte-element of inblaasmond van warme lucht aangesloten is op de betreffende verwarmingsinstallatie.
1.7.2. Elektrische warmtepompen
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende de minimale SPF, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van SPF, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:
(SPFeis - SPFaangifte) Ainst, heat, net, aangifte
waarin:
SPFaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de SPF i;
SPFeis de minimaal vereiste waarde van de SPF;
Ainst, heat, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één warmte afgifte-element of inblaasmond van warme lucht aangesloten is op de betreffende verwarmingsinstallatie.
1.7.3. Directe verwarming
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende het maximaal toegestaan vermogen van directe verwarming, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het  vermogen, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:
(Wtot, aangifte/Af, gross, aangifte - 15 W/m²) Af, gross, aangifte
waarin:
Wtot, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het totale afgiftevermogen van de verwarmingstoestellen, uitgedrukt in W;
Af, gross, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde brutovloeroppervlakte in m².
1.7.4. Elektrische doorstroomtoestellen en boilers
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende het maximaal toegestaan elektrische vermogen van elektrische warmwaterproductietoestellen, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het elektrische vermogen, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:
Pel, aangifte - max [ 2500; 2500 + 50 * (Af, gross, aangifte - 150) ]
waarin:
Pel, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het elektrisch vermogen, uitgedrukt in W, bepaald door de som te nemen van de elektrische vermogens van alle elektrische warmwaterproductietoestellen;
Af, gross, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde brutovloeroppervlakte in m².
1.7.5. Circulatieleidingen
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende de isolatie van circulatieleidingen, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak isolatie, uitgedrukt in m².K/W, als volgt bepaald:
(R,l,min, eis - Rl, aangifte) lcirc, aangifte
waarin:
R,l, min, eis de minimaal vereiste waarde van de lineaire warmteweerstand van het betreffende leidingsegment, uitgedrukt in m.K/W;
R,l, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de lineaire warmteweerstand van het betreffende leidingsegment, uitgedrukt in m.K/W;
lcirc, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde lengte van het betreffende segment van de circulatieleiding in m.
1.7.6. IJswatersystemen
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende het minimale systeemrendement van ijswatersystemen, wordt de overeenkomstige afwijking van het systeemrendement, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:
(
?sys,cool,min, eis - ?sys,cool, aangifte) A inst, cool, net, aangifte
waarin:

?sys,cool,min, eis de minimaal vereiste waarde van het systeemrendement;

?sys,cool, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het systeemrendement;

A inst, cool, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de koelinstallatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één koude afgifte-element of inblaasmond van koude lucht aangesloten is op de betreffende koelinstallatie.
1.7.7. Energieprestatie van ventilatiesystemen
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende het minimale warmteterugwinrendement voor centrale ventilatiesystemen, wordt de overeenkomstige afwijking van het warmteterugwinrendement, uitgedrukt in %.m², als volgt bepaald:

(? hr, vent, eis – ? hr, vent, aangifte) A inst, vent, net, aangifte

waarin:

?hr, vent, eis de minimaal vereiste waarde van het warmteterugwinrendement;

?hr, vent, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het warmteterugwinrendement;

A inst, vent, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de ventilatie-installatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één mechanische toevoer- of afvoeropening aangesloten is op de betreffende ventilatie-installatie.
1.7.8. Verlichting
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat er in een ruimte niet voldaan is aan de eis betreffende het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen voor verlichting, wordt de overeenkomstige afwijking op het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen in die ruimte, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:

(w equiv, aangifte – w equiv, max, eis) A light, net, aangifte

waarin:
(wequiv, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen in de betreffende ruimte;
wequiv, max, eis het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen in de betreffende ruimte;
A light, net de in de EPB-aangifte vermelde netto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m², van de ruimte waarin het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen overschreden wordt.
1.7.9. Energieverbruiksmeters
Als in de EPB-aangifte opgegeven is dat niet voldaan is aan de eis betreffende de verplichte energieverbruiksmeters, is de overeenkomstige afwijking gelijk aan
A inst, heat, net, aangifte zoals bepaald in 1.7.1 in geval van warmteproductie en gelijk aan Ainst, cool, net, aangifte zoals bepaald in 1.7.6 in geval van koeling.

1.8. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het S-peil

Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan een of meer eisen met betrekking tot het S-peil, wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van het S-peil, uitgedrukt in kWh, als volgt bepaald:

(Saangifte-Seis)Abol,aangifte
waarin:
       
   Saangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het S-peil, in kWh/m²;  
   Seis de maximaal toegestane waarde van het S-peil voor de betreffende bestemming, in kWh/m²;  
   Abol,aangifte de in de EPB-aangifte vermelde equivalente boloppervlakte die hoort bij het betreffende S-peil, in m².  
       


1.9 Bepaling van het beschermd volume als de EPB-aangifte niet voldoet aan de voorwaarden voor de vorm en de inhoud of als de EPB-aangifte niet of laattijdig wordt ingediend.

Het beschermd volume wordt overgenomen uit de ingediende startverklaring met voorafberekening. Bij het ontbreken van de startverklaring wordt het beschermd volume berekend op basis van de vergunningsplannen of wordt het totaal volume van het gebouw overgenomen uit het statistisch formulier bij de stedenbouwkundige vergunning. Als het gebouw verschillende EPB-eenheden omvat waarvoor een EPB-aangifte moet worden ingediend, wordt het volume per EPB-eenheid bepaald door het totaal volume van het gebouw forfaitair te verminderen met 10 % (ingenomen volume gemeenschappelijke delen) en daarna te delen door het aantal EPB-eenheden.

deel 2 (01/01/2019- ...)

2 Administratieve geldboeten voor de verslaggever

2.1 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van thermische isolatie

2.1.1 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de thermische isolatie van constructie-elementen

Als bij controle de vastgestelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van een of meer constructie-elementen groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elke overschrijding de afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald:

(Uvaststelling - Uaangifte)Avaststelling
Waarin:
Uvaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt, in W/m2K;
Uaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende constructie-element, in W/m2K;
Avaststelling de bij controle vastgestelde oppervlakte van het betreffende constructie-element, in m2.
 
Als bij controle de vastgestelde waarde van de warmteweerstand van een of meer constructie-elementen kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elk dergelijk constructie-element de afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald:
(1/Rvaststelling - 1/Raangifte)Aaangifte
Waarin:
Rvaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de warmteweerstand van het betreffende constructie-element, in m2K/W;
Raangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmteweerstand van het betreffende constructie-element, in m2K/W;
Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende constructie-element, uitgedrukt in m2.
 
2.1.2 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de globale thermische isolatie (K-peil)

Als bij controle de vastgestelde waarde van het K-peil voor een of meer bestemmingen groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elke overschrijding de afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald:
0.01(Kvaststelling - Kaangifte)AT, vaststelling
Waarin:
Kvaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het K-peil;
Kaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil;
AT, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de warmteverliesoppervlakte van de betreffende bestemming, in m2.
 
In afwijking van het eerste lid wordt voor een gebouw dat meerdere EPB-eenheden bevat, (met uitzondering van « aangrenzende onverwarmde ruimten » en de « gemeenschappelijke delen ») de boete verdeeld pro rata van het aandeel van de warmteverliesoppervlakte elk EPB-eenheid in de warmteverliesoppervlakte van het totale K-peilvolume exclusief « gemeenschappelijke delen ». De som van alle effectieve individuele boeten is dan gelijk aan de totale boete berekend voor het geheel.
Voor elke overschrijding van het K-peil wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van thermische isolatie voor elk EPB-eenheid dat deel uitmaakt van hetzelfde K- peilvolume, uitgedrukt in W/K, als volgt bepaald :
0.01(Kvaststelling - Kaangifte)AT, vaststelling *AT,EPB-eenheid / (AT,vaststelling - AT,GD)
waarin :
Kvaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het K-peil;
Kaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil;
AT, vaststelling de bij de controle vastgestelde warmteverliesoppervlakte van het betreffende K-peilvolume, in m2;
AT,EPB-eenheid de warmteverliesoppervlakte van het betreffende EPB-eenheid, in m2;
AT,GD de warmteverliesoppervlakte van de « gemeenschappelijke delen » binnen het betreffende K-peilvolume, in m2.
In de EPB-aangifte gerapporteerde oppervlakten die meer dan 5 % afwijken van de oppervlakten bij vaststelling, worden gecorrigeerd bij de berekening van Kvaststelling.
Het verkeerd rapporteren van de grens van het beschermd volume wordt gecorrigeerd bij het berekenen van Kvaststelling.
In de EPB-aangifte gerapporteerde oppervlakten die meer dan 5 % afwijken van de oppervlakten bij vaststelling, worden gecorrigeerd bij de berekening van Kvaststelling.

Het verkeerd rapporteren van de grens van het beschermd volume wordt gecorrigeerd bij het berekenen van Kvaststelling.

2.1.3 Afwijkingen bij de berekening van koudebruggen

Als bij een controle van een EPB-aangifte waarin de invloed van de bouwknopen wordt bepaald aan de hand van een numerieke berekening of de methode van de EPB-aanvaarde bouwknopen, wordt vastgesteld dat de invloed van een of meer bouwknopen foutief werd bepaald of vergeten, dan wordt de invloed per foutieve of ontbrekende bouwknoop voor de berekening van Kvaststelling bepaald aan de hand van de waarden bij ontstentenis voor psie of X) zoals bepaald door de Vlaamse Regering
- HTjunctions,controle = HT junctions,aangifte - HT junctions,foutief + ?mk =  lkcontrole bk? e,kcontrole / nk ?rl = 1 bl ?e, lcontrole / nl [W/K]
met :
- HTjunctions,contrôle de warmteoverdrachtscoëfficiënt door transmissie via de bouwknopen bepaald bij een controle, in W/K;
- HTjunctions,aangifte de warmteoverdrachtscoëfficiënt door transmissie via de bouwknopen zoals bepaald in de EPB-aangifte, in W/K;
- HTunctions,foutief de warmteoverdrachtscoëfficiënt door transmissie via de bouwknopen die foutief werden bepaald in de EPB-aangifte, in W/K. De invloed van een bouwknoop is foutief bepaald in volgende gevallen :
- de bouwknoop is foutief gecatalogiseerd als een EPB-aanvaarde bouwknoop;
psiee of Xe is foutief berekend;
- lk,contrôle de totale lengte van de lineaire bouwknoop waarvan de invloed foutief bepaald of vergeten werd, bepaald met buitenafmetingen, in m;
- ?e,controle de waarde bij ontstentenis uit tabel 2 voor de lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt van de bouwknoop waarvan de invloed foutief bepaald of vergeten werd, in W/mK;
- Xe,controle de waarde bij ontstentenis uit tabel 3 voor de puntwarmtedoorgangscoëfficiënt van de bouwknoop waarvan de invloed foutief bepaald of vergeten werd, in W/K;
- bk temperatuurreductiefactoren bepaald volgens nadere specificaties vanwege de minister.
- nk en nl het aantal energiesectoren en delen van het gebouw met een andere bestemming waaraan de lineaire bouwknoop k of puntbouwknoop l grenst.

Als alleen de lengte van een lineaire bouwknoop of de reductiefactor b niet overeenstemt met de uitgevoerde situatie en de psie of Xe correct berekend zijn in de EPB-aangifte, zullen bij de berekening van Kvaststelling de foutieve lengtes waarmee HTjunctions,aangifte werd berekend, worden gecorrigeerd door de vastgestelde lengtes.
Als bij een controle van een EPB-aangifte wordt vastgesteld dat de invloed van bouwknopen niet in rekening is gebracht, of als de numerieke berekening niet voldoet aan de bepalingen zoals vastgelegd in het betreffende ministerieel besluit, wordt de invloed van de bouwknopen voor het berekenen van Kvaststelling bepaald aan de hand van de forfaitaire toeslag, vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De maximale afwijking ten gevolge van een verkeerde berekening van de invloed van bouwknopen kan nooit meer bedragen dan de invloed van de bouwknopen voor het project berekend aan de hand van optie C.
 2.2 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de globale energetische prestatie

Als bij controle de vastgestelde waarde van het E-peil voor één of meerdere bestemmingen groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elke overschrijding de afwijking op het vlak van de globale energetische prestatie, uitgedrukt in MJ/jaar, als volgt bepaald:
Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, vaststelling - Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, aangifte
Waarin:
Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, in MJ/jaar;
Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik, in MJ/jaar.
 
2.3 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het risico op oververhitting

Als bij controle de vastgestelde waarde voor het risico op oververhitting groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, uitgedrukt in Khm3, als volgt bepaald:
(Ioververhitting, vaststelling - Ioververhitting, aangifte)Vvaststelling
Waarin:
Ioververhitting, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;
Ioververhitting, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;
Vvaststelling het bij controle vastgestelde volume van het gebouwdeel waarvoor de evaluatie van het risico op oververhitting gebeurd is, in m3.
 
2.4 Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van ventilatie

2.4.1 Bepaling van de eisen

Als bij controle vastgesteld wordt dat voor een ruimte het geëiste minimale debiet in de EPB-aangifte te laag werd opgegeven, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:
Veis, min, vastgesteld - Veis, min, aangifte
Waarin:
Veis, min, vastgesteld het opgelegde minimale nominale debiet voor die ruimte, zoals die op basis van de EPB-eis is bepaald bij controle, in m3/h;
Veis, min, aangifte het opgelegde minimale nominale debiet voor die ruimte, zoals opgegeven in de EPB-aangifte, in m3/h.
 
Als bij controle vastgesteld wordt dat voor een afvoerkanaal de geëiste minimale sectie in de EPB-aangifte te laag werd opgegeven, dan wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:
3600 (Aeis, min, vastgesteld - Aeis, min, aangifte)
Waarin:
Aeis, min, vastgesteld de opgelegde minimale sectie van het afvoerkanaal, zoals die op basis van de EPB-eis is vastgesteld bij controle, in m3/h;
Aeis, min, aangifte de opgelegde minimale sectie van het afvoerkanaal, zoals opgegeven in de EPB-aangifte, in m3/h
 
2.4.2 Toevoervoorzieningen

Als bij controle vastgesteld wordt dat het totale toevoerdebiet in een ruimte in de EPB-aangifte groter is dan in werkelijkheid, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:
Vtoevoer, aangifte - Vtoevoer, vastgesteld
Waarin:
Vtoevoer, aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale toevoerdebiet voor die ruimte, in m3/h;
Vtoevoer, vastgesteld het bij controle vastgestelde totale toevoerdebiet voor die ruimte, bepaald zoals hieronder nader vastgesteld, in m3/h.
 
Bij de vaststelling bij controle van het totale toevoerdebiet voor een ruimte gelden de volgende regels:
° Er wordt gesommeerd over alle luchttoevoervoorzieningen in die ruimte.
° Als het toevoerdebiet met buitenlucht gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de toevoervoorzieningen die buitenlucht binnenbrengen.
° Als de regelkarakteristieken van een regelbare toevoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het toevoerdebiet gelijkgesteld aan nul voor de opening.
° Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
° Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt gegeven door:
3600 . Aspleet, vastgesteld voor een drukverschil van 2 Pa
8000 . Aspleet, vastgesteld voor een drukverschil van 10 Pa
Waarin
Aspleet, vastgesteld de bij controle vastgestelde sectie van de deurspleet, in m2.
 
 ° Indien in een ruimte met residentiële bestemming er verplichte afvoer rechtstreeks naar buiten is, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet enkel de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd. Als de verticale scheidingsconstructies van de ruimte echter alleen grenzen aan een garage, een gemeenschappelijke gang of trappenhuis, een huisvuilkoker of verzamelruimte voor huisvuil, een liftkoker, een stookplaats, een gasmeterruimte of een brandstofopslagplaats, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet ook andere toevoeropeningen beschouwd.

2.4.3 Afvoervoorzieningen

Als bij controle vastgesteld wordt dat het totale afvoerdebiet in een ruimte in de EPB-aangifte groter is dan in werkelijkheid, wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald:
Vafvoer, aangifte - Vafvoer, vastgesteld
 
Hierin zijn:
Vafvoer, aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale afvoerdebiet voor die ruimte, in m3/h;
Vafvoer, vastgesteld het bij controle vastgestelde totale  afvoerdebiet voor die ruimte, bepaald zoals hieronder nader vastgelegd, in m3/h.
 
Bij de vaststelling bij controle van het totale toevoerdebiet voor een ruimte gelden de volgende regels:
° Er wordt gesommeerd over alle luchtafvoervoorzieningen in die ruimte.
° Als er afvoer rechtstreeks naar buiten gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de afvoervoorzieningen die de lucht rechtstreeks naar buiten lozen.
° Voor het debiet van een regelbare afvoeropening en bijbehorende afvoerkanaal geldt:
• Als de regelkarakteristieken van de regelbare afvoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het afvoerdebiet gelijkgesteld aan nul.
• Zoniet dient het minimum genomen te worden van volgende debieten:
- enerzijds het vastgestelde nominale debiet van de regelbare afvoeropening
- anderzijds het vastgestelde debiet van het bijbehorende afvoerkanaal, berekend als
3600 . Aafvoerkanaal, vastgesteld
Met
Aafvoerkanaal, vastgesteld de bij controle vastgestelde sectie van het afvoerkanaal, in m2.
 
° Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
° Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt gegeven door:
3600 . Aspleet, vastgesteld voor een drukverschil van 2 Pa
8000 . Aspleet, vastgesteld voor een drukverschil van 10 Pa
Waarin:
Aspleet, vastgesteld de bij controle vastgestelde sectie van de deurspleet, in m2.
 
° In een ruimte met residentiële bestemming waar verplichte toevoer van buitenlucht is en in een woonkamer of analoge ruimte, worden voor de bepaling van het afvoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd. Als de verticale scheidingsconstructies van de ruimte alleen grenzen aan een garage, een gemeenschappelijke gang of trappenhuis, een huisvuilkoker of verzamelruimte voor huisvuil, een liftkoker, een stookplaats, een gasmeterruimte of een brandstofopslagplaats, dan worden voor de bepaling van het afvoerdebiet ook andere afvoeropeningen beschouwd.

2.5. Afwijkingen bij het bepalen van de brutovloeroppervlakte

Als bij controle de vastgestelde waarde van de brutovloeroppervlakte meer dan 5 procent kleiner blijkt te zijn dan in de EPB-aangifte vermeld is, dan wordt de afwijking, uitgedrukt in m2, als volgt bepaald :
Abruto aangifte - Abruto vaststelling
waarin :
Abruto aangifte - Abruto vaststelling
waarin :
Abruto aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de bruto-oppervlakte, in m2.
Abruto vastselling de bij controle vastgestelde bruto-oppervlakte, in m2. ».
 
 
 
2.6. Afwijkingen op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming
Als bij controle wordt vastgesteld dat de netto-energiebehoefte in de EPB-aangifte groter is dan in werkelijkheid, dan wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming, uitgedrukt in kWh/jaar, als volgt bepaald :
(Q heat net spec, vastgesteld - Qheat net spec, aangifte) Af,gross vastgesteld
waarin :
Qheat net spec, aangifte-de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto-energiebehoefte voor verwarming per eenheid brutovloeroppervlakte, in kWh/m2.jaar;
Q heat net spec, vastgesteld de bij controle vastgestelde netto-energiebehoefte voor verwarming per eenheid brutovloeroppervlakte, in kWh/ m2.jaar;
Af,gross vastgesteld de bij controle vastgestelde brutovloeroppervlakte in m2.

2.7. Afwijkingen van niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de systeemeisen
2.7.1. Ketels op gasvormige en vloeibare brandstof
Als bij controle de vastgestelde waarde van het installatierendement kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het installatierendement, uitgedrukt in %.m², als volgt bepaald:

(?inst, aangifte – ?inst, vaststelling)Ainst, heat, net, vaststelling
waarin:
?inst, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het installatierendement;
?inst, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het installatierendement;
Ainst, heat, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één warmte afgifte-element of inblaasmond van warme lucht aangesloten is op de betreffende verwarmingsinstallatie.
2.7.2. Elektrische warmtepompen
Als bij controle de vastgestelde waarde van de SPF kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, dan wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van SPF, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:

(SPFaangifte - SPFvaststelling) Ainst, heat, net, vaststelling
waarin:
SPFaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de SPF;
SPFvaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de SPF;
Ainst, heat, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één warmte afgifte-element of inblaasmond van warme lucht aangesloten is op de betreffende verwarmingsinstallatie.
2.7.3. Directe verwarming
Als bij controle de vastgestelde waarde van het vermogen van de directe verwarming groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het vermogen, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:

W tot, vaststelling – W tot, aangifte
waarin:
W tot, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het totale afgiftevermogen van de verwarmingstoestellen, uitgedrukt in W;
W tot, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het totale afgiftevermogen van de verwarmingstoestellen, uitgedrukt in W.
2.7.4. Elektrische doorstroomtoestellen en boilers
Als bij controle de vastgestelde waarde van het elektrische vermogen van de elektrische warmwaterproductietoestellen groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van het elektrische vermogen, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:

Pel, vaststelling – Pel, aangifte
waarin:
P el, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het elektrisch vermogen die bepaald is door de som te nemen van de elektrische vermogens van alle elektrische warmwaterproductietoestellen, uitgedrukt in W;
P el, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het elektrisch vermogen, die bepaald is door de som te nemen van de elektrische vermogens van alle elektrische warmwaterproductietoestellen, uitgedrukt in W.
2.7.5. Circulatieleidingen
Als bij controle de vastgestelde waarde van de isolatie van circulatieleidingen slechter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het vlak van de isolatie, uitgedrukt in m².K/W, als volgt bepaald:

(R, l, aangifte – R l, vaststelling) l circ, vaststelling
waarin:
R, l, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de lineaire warmteweerstand van het betreffende leidingsegment, uitgedrukt in m.K/W;
R l, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de lineaire warmteweerstand van het betreffende leidingsegment, uitgedrukt in m.K/W;
l circ, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de lengte van het betreffende segment van de circulatieleiding, uitgedrukt in m.
2.7.6. IJswatersystemen
Als bij controle de vastgestelde waarde van het systeemrendement van ijswatersystemen kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het systeemrendement, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:

(? sys,cool, aangifte - ? sys,cool, vaststelling) A inst, cool, net, vaststelling
waarin:
? sys,cool, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het systeemrendement;
? sys,cool, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het systeemrendement;
A inst, cool, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de koelinstallatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één koude afgifte-element of inblaasmond van koude lucht aangesloten is op de betreffende koelinstallatie.
2.7.7. Energieprestatie van ventilatiesystemen
Als bij controle de vastgestelde waarde van het warmteterugwinrendement voor centrale ventilatiesystemen kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het warmteterugwinrendement, uitgedrukt in %.m², als volgt bepaald:

(? hr, vent, aangifte - ? hr, vent, vaststelling) A inst, vent, net, vaststelling
waarin:
? hr, vent, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het warmteterugwinrendement;
? hr, vent, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het warmteterugwinrendement;
A inst, vent, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de ventilatie-installatie, uitgedrukt in m². Dit is de som van de vloeroppervlaktes in m² van alle ruimtes waarin minstens één mechanische toevoer- of afvoeropening aangesloten is op de betreffende ventilatie-installatie.
2.7.8. Verlichting
Als bij controle voor een ruimte de vastgestelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen voor verlichting groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking op het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen voor die ruimte, uitgedrukt in W, als volgt bepaald:

(w equiv, vaststelling – w equiv, aangifte) A light, net, vaststelling
waarin:
w equiv, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen in de ruimte;
w equiv, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen in de ruimte;
A light, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m², van de ruimte waarin de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen afwijkt ten opzichte van de bij controle vastgestelde waarde van het equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen.
2.7.9. Energieverbruiksmeters
Als bij controle blijkt dat niet voldaan is aan de eis betreffende de verplichte energieverbruiksmeters (er is geen meter geplaatst of de meter voldoet niet aan de minimaal vereiste karakteristieken) in tegenstelling tot wat in de EPB-aangifte is vermeld, is de overeenkomstige afwijking gelijk aan Ainst, heat, net, vaststelling, zoals bepaald in 2.6.1, in geval van warmteproductie en gelijk aan Ainst, cool, net, vaststelling, zoals bepaald in 2.6.6, in geval van koeling

2.8. Afwijkingen bij het bepalen van de oppervlakten van de ruimtes waarin de systeemeisen gelden
Als bij controle de vastgestelde waarde van de bruto vloeroppervlakten van de ruimten waarin de systeemeisen met betrekking tot direct elektrische verwarming en elektrische doorstroomtoestellen en boilers gelden, meer dan 5% kleiner blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:

A f, gross, aangifte – A f, gross, vaststelling
waarin:
A f, gross, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde bruto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m²;
A f, gross, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de bruto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m².
Als bij controle de vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte van de ruimten waarin een systeemeis geldt, meer dan 5% groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in m², als volgt bepaald:
- in geval van ketels op gasvormige en vloeibare brandstof, elektrische warmtepompen en energieverbruiksmeters van warmteproductie-installaties:

A inst, heat, net, vaststelling – A inst, heat, net, aangifte
waarin:
A inst, heat, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, zoals bepaald in 2.7.1. A inst, heat, net, aangiftede in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, zoals bepaald in 2.7.1.;
- in geval van ijswatersystemen en energieverbruiksmeters van koelinstallaties:

A inst, cool, net, vaststelling – A inst, cool, net, aangifte
waarin:
A inst, cool, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de koelinstallatie, zoals bepaald in 2.7.6.
A inst, cool, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de koelinstallatie, zoals bepaald in 2.7.6.;
- in geval van energieprestatie van ventilatiesystemen:

A inst, ven, net, vaststelling – A inst, vent, net, aangifte
waarin:
A inst, ven, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de ventilatie-installatie, zoals bepaald in 2.7.7.
A inst, vent, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de ventilatie-installatie, zoals bepaald in 2.7.7.;
- in geval van verlichting:

A light, net, vaststelling – A light, net, aangifte
waarin:
A light, net, vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m², van de ruimte waarin het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen overschreden wordt.
A light, net, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de netto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m², van de ruimte waarin het maximaal equivalente specifiek geïnstalleerd vermogen overschreden wordt.
2.9. Afwijkingen bij de bepaling van de lengte van circulatieleidingen
Als bij controle de vastgestelde waarde van de lengte van een circulatieleiding meer dan 5% groter blijkt in de EPB-aangifte is vermeld, dan wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in meter, als volgt bepaald:
(l circ, vaststelling – l circ, aangifte)
waarin:
l circ, vaststelling de bij controle vastgestelde lengte, uitgedrukt in meter van de circulatieleiding;
l circ, aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de lengte, uitgedrukt in meter van de circulatieleiding.
2.10. Afwijking bij de rapportering van de geldende systeemeisen
Als bij controle blijkt dat een systeemeis van toepassing is in tegenstelling tot wat in de EPB-aangifte is vermeld, dan is de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in m², per geldende eis die niet gerapporteerd is gelijk aan:
- in geval van ketels op gasvormige en vloeibare brandstof, elektrische warmtepompen en energieverbruiksmeters van warmteproductie-installaties:
A inst, heat, net, vaststelling , de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de verwarmingsinstallatie, zoals bepaald in 2.7.1;
- in geval van ijswatersystemen en energieverbruiksmeters van koelinstallaties:

A inst, cool, net, vaststelling, de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de koelinstallatie, zoals bepaald in 2.7.6;
- in geval van energieprestatie van ventilatiesystemen:

A inst, vent, net, vaststelling, de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte die bediend wordt door de ventilatie-installatie, zoals bepaald in 2.7.7;
- in geval van verlichting:

A light, net, vaststelling, de bij controle vastgestelde waarde van de netto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m², van de ruimtes waarvoor de systeemeis met betrekking tot verlichting van toepassing is;
- in geval van direct elektrische verwarming en elektrische doorstroomtoestellen en boilers:

A f, gross, vaststelling, de bij controle vastgestelde waarde van de bruto vloeroppervlakte, uitgedrukt in m².
2.11. Afwijking bij de rapportering van circulatieleidingen
Als bij controle blijkt dat een circulatieleiding geplaatst is in tegenstelling tot wat in de EPB-aangifte is vermeld, is de overeenkomstige afwijking gelijk aan de bij controle vastgestelde lengte in meter van de circulatieleiding.

2.12. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het S-peil
Als bij controle de vastgestelde waarde van het S-peil voor een of meer bestemmingen groter blijkt dan in de EPB-aangifte is vermeld, wordt voor elke overschrijding de afwijking op het vlak van het S-peil, uitgedrukt in kWh, als volgt bepaald:
(Svaststelling - Saangifte)Abol, vaststelling
waarin:
       
   Svaststelling de bij controle vastgestelde waarde van het S-peil, in kWh/m²;  
   Saangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het S-peil, in kWh/m²;  
   Abol,vaststelling de bij controle vastgestelde waarde van de equivalente boloppervlakte van de betreffende bestemming, in m².  
       

deel 3. (01/01/2019- ...)

3. Afrondingsregels bij het bepalen van de administratieve geldboete

Bij het berekenen van de afwijkingen worden volgende afrondingen toegepast:

- De oppervlakte A (m2) wordt afgerond tot op  twee cijfers na de komma;

- Het volume V (m3) wordt afgerond tot op drie cijfers na de komma;

- De warmtedoorgangscoëfficiënt U (W/m2.K) wordt afgerond tot op twee cijfers na de komma;

- De warmteweerstand R (m2.K/W) wordt afgerond tot op twee cijfers na de komma;

- Het K-peil (-) is een geheel getal;

- Het karakteristiek jaarlijks primair energieverbruik Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik (MJ) wordt afgerond tot een geheel getal;

- De indicator voor oververhitting I (Kh) wordt afgerond tot een natuurlijk getal;

- Het ventilatiedebiet V (m3/h), wordt afgerond op drie cijfers na de komma.
- De jaarlijkse netto-energiebehoefte voor verwarming Q (kWh/m².jaar) wordt afgerond tot op twee cijfers na de komma.
- Het S-peil (kWh/m²) is een geheel getal.