Besluit van de Vlaamse Regering [betreffende de armoedebestrijding]

Datum 15/05/2009

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I Algemene bepaling
  2. HOOFDSTUK II Coördinatie en organisatie
    1. Afdeling I Vlaams Actieplan Armoedebestrijding
    2. Afdeling II Het permanent armoedeoverleg
  3. HOOFDSTUK III Ondersteuning
    1. Afdeling I Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen
    2. Afdeling II Verenigingen waar armen het woord nemen
      1. Onderafdeling I Erkenning
      2. Onderafdeling II Subsidiëring
  4. HOOFDSTUK IV Opgeleide ervaringsdeskundigen in de armoede en de sociale uitsluiting
    1. Afdeling I Tewerkstelling van ervaringsdeskundigen
    2. Afdeling II Organisaties voor de coördinatie van of de toeleiding tot de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting
      1. Onderafdeling I Erkenning
      2. Onderafdeling II Subsidiëring
  5. HOOFDSTUK V Projecten
  6. [HOOFDSTUK V/1 Subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de bestrijding van kinderarmoede (verv. BVR 30 juni 2023, art. 26)]]
  7. [HOOFDSTUK V/2 Vormingsorganisaties over armoede (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)]
    1. [Afdeling 1 Erkenning (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)]
    2. [Afdeling 2 Subsidiëring (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)]
  8. HOOFDSTUK VI Toezicht
  9. HOOFDSTUK VII Slotbepalingen
  10. BIJLAGE

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, artikel 5 tot en met 8, 10, 13, 14, 16 tot en met 18;

Gelet op het decreet van 18 juli 2008 tot wijziging van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, artikel 21;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot uitvoering van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 april 2009;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 mei 2009;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid artikel 3, 61, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de procedure betreffende de erkenning- en subsidiëring van verenigingen waar armen het woord nemen, die zal worden uitgevoerd door het Agentschap Inspectie en de Afdeling Welzijn en Samenleving van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, zo snel mogelijk dient op te starten; dat die procedure grondig dient te gebeuren en dat redelijke termijnen betreffende indienen en behandelen van erkennings- en subsidieaanvragen dienen gewaarborgd; dat derhalve elk uitstel van dit besluit een negatief effect zal hebben op de continuïteit van de werking van verenigingen waar armen het woord nemen.

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I Algemene bepaling (... - ...)

Artikel 1. (12/10/2023- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° het decreet van 21 maart 2003 : het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding;
2° de coördinerende minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de coördinatie van het armoedebeleid;
2°/1 de Minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
3° administratie: de functioneel bevoegde afdeling van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg, of Zorginspectie als vermeld in artikel 4, §2, derde lid, van het voormelde besluit;
4° actieplan : het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding, vermeld in artikel 5 van het decreet van 21 maart 2003;
5° permanent armoedeoverleg : het instrument om in alle beleidsdomeinen het armoedebestrijdingsbeleid op elkaar af te stemmen, te bewaken en te evalueren;
6° Vlaams Netwerk : het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen;
7° vereniging : een vereniging waar armen het woord nemen;
8° meerjarenplan : het document waarin de organisatie beschrijft hoe het zijn opdrachten zal uitvoeren;
9° ervaringsdeskundige : een opgeleide ervaringsdeskundige in de armoede en de sociale uitsluiting;
10° project : een planmatig opgezet en samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het realiseren van nieuwe benaderingen en oplossingen in de bestrijding van armoede en bestaansonzekerheid, en in de bevordering van sociale inclusie. Een project heeft concrete doelstellingen, is afgebakend in de tijd en wordt uitgevoerd met betrokkenheid van de armen;
11° Algemeen Verslag over de Armoede : het verslag, opgesteld in 1994 in opdracht van de minister van Sociale Integratie en in samenwerking met de doelgroepen, dat de armoede in België beschrijft en dat aanbevelingen en voorstellen inzake armoedebestrijding formuleert;
12° opleidingsorganisatie : een organisatie voor de coördinatie van of de toeleiding tot de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting;
13° beleidsdomein : een homogeen beleidsdomein als vermeld in artikel III.1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018;
14° secretaris-generaal : het hoofd van de administratie;
15° besluit van 13 januari 2006 : het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
16° zorgregio : een geografisch omschreven gebied, op het niveau van de regionale stad, als bepaald in de bijlage bij het decreet van 28 november 2008 tot wijziging van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen;
17° werkingsgebied : een zorgregio op regionaalstedelijk niveau of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
18° programmatieregio : een samenvoeging van werkingsgebieden die als basis dient voor de programmatie van het aantal te erkennen verenigingen. Er worden zes programmatieregio's afgebakend :
a) programmatieregio West-Vlaanderen omvat de zorgregio's op regionaalstedelijk niveau Oostende, Brugge, Roeselare en Kortrijk;
b) programmatieregio Vlaams-Brabant omvat de zorgregio's op regionaalstedelijk niveau Brussel en Leuven;
c) programmatieregio Limburg omvat de zorgregio's op regionaalstedelijk niveau Hasselt en Genk;
d) programmatieregio Oost-Vlaanderen omvat de zorgregio's op regionaalstedelijk niveau Gent, Aalst en Sint-Niklaas;
e) programmatieregio Antwerpen omvat de zorgregio's op regionaalstedelijk niveau Antwerpen, Mechelen en Turnhout;
f) programmatieregio Brussel omvat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
19° actoren : alle bij de armoedebestrijding betrokken overheden, particuliere organisaties en armenverenigingen;
20° lokale besturen : de lokale besturen, vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 21 maart 2003;;
21° decreet van 15 juli 2011: het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen worden opgelegd;
22° Vlaamse beleidsprioriteit: een Vlaamse beleidsprioriteit als vermeld in artikel 2, 1° van het decreet van 15 juli 2011;
23° VGC: de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
24° VGC-beleidscyclus: een beleidscyclus van vijf jaar die gekoppeld is aan de VGC-bestuursperiode en die begint het tweede jaar na de verkiezingen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en eindigt op het einde van het jaar na de daaropvolgende verkiezingen;
25° gezin: de primaire leefvormen of samenlevingsvormen, waarin verschillende personen min of meer duurzame relaties onderhouden;
26° ervaringskennis: de kennis van mensen op het vlak van armoede en sociale uitsluiting die, gebaseerd op ervaring, op een procesmatige manier ondersteund, verruimd en gekaderd is; 
27° ervaringsdeskundigheid: de deskundigheid die iemand heeft als hij de vaardigheden heeft verworven om ervaringskennis professioneel in te zetten.

HOOFDSTUK II Coördinatie en organisatie (... - ...)

Afdeling I Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (... - ...)

Artikel 2. (16/07/2009- ...)

§ 1. Het actieplan is zo opgebouwd dat minstens de hieronder opgesomde basisrechten, vermeld in het Algemeen Verslag over de Armoede, worden gerespecteerd :
1° het recht op participatie;
2° het recht op maatschappelijke dienstverlening;
3° het recht op gezin;
4° het recht op rechtsbedeling;
5° het recht op cultuur;
6° het recht op inkomen;
7° het recht op onderwijs;
8° het recht op werkgelegenheid;
9° het recht op huisvesting;
10° het recht op gezondheidszorg.

§ 2. Het actieplan omvat minstens de volgende onderdelen :
1° de beschrijving van de algemene visie op het Vlaamse armoedebestrijdingsbeleid;
2° de situering van het Vlaamse armoedebestrijdingsbeleid binnen het nationale en het Europese armoedebestrijdingsbeleid;
3° de geformuleerde doelstellingen op lange en op korte termijn binnen elk beleidsdomein;
4° de concrete beleidsacties;
5° het tijdpad, opgesteld voor de uitvoering;
6° de opgave van de indicatoren om de voortgang te meten;
7° de ingezette instrumenten.

Artikel 3. (16/07/2009- ...)

Het actieplan komt tot stand met participatie van de doelgroepen, in partnerschap met het Vlaams Netwerk. Andere maatschappelijke actoren en adviesorganen kunnen eveneens bij de opmaak van het actieplan betrokken worden.

De coördinerende minister legt het actieplan binnen twaalf maanden na het aantreden van de Vlaamse Regering ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bezorgt het actieplan uiterlijk een maand later aan het Vlaams Parlement.

Artikel 4. (01/01/2016- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering deelt tweejaarlijks aan het Vlaams Parlement een rapport mee over de voortgang van de uitvoering van het actieplan. Dat voortgangsrapport bevat :
1° per beleidsdomein, de opgave van de voortgang van de beleidsacties;
2° het jaarverslag van de werking van het permanente armoedeoverleg.

De coördinerende minister legt het voortgangsrapport tweejaarlijks voor 1 april voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bezorgt het voortgangsrapport tweejaarlijks voor 1 mei aan het Vlaams Parlement.

§ 2. Twee jaar na de inwerkingtreding van het actieplan wordt het actieplan geëvalueerd en zo nodig bijgestuurd. Die bijsturing omvat :
1° het voortgangsrapport, vermeld in paragraaf 1;
2° een analyse van gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen die relevant zijn voor het armoedebestrijdingsbeleid;
3° de nieuwe initiatieven binnen elk beleidsdomein, met opgave van het tijdpad en de indicatoren om de voortgang te meten.

De coördinerende minister legt het bijgestuurde actieplan samen met het voortgangsrapport, vermeld in paragraaf 1, voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bezorgt het bijgestuurde actieplan samen met het voortgangsrapport aan het Vlaams Parlement.
 

Artikel 5. (16/07/2009- ...)

Iedere Vlaamse minister wijst binnen zijn beleidsdomein één of meer aandachtsambtenaren voor armoedebestrijding aan, die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding en de voortgangscontrole van het actieplan.

Afdeling II Het permanent armoedeoverleg (... - ...)

Artikel 6. (16/07/2009- ...)

Het permanent armoedeoverleg bestaat uit een horizontaal en een verticaal overleg.

Artikel 7. (16/07/2009- ...)

Het horizontale overleg is het overleg tussen de verschillende beleidsdomeinen. Daaraan nemen vertegenwoordigers deel van de verschillende Vlaamse ministeries en de verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, en van het Vlaams Netwerk.

Het horizontale overleg vindt minstens viermaal per jaar plaats. De coördinerende minister bepaalt de nadere regels voor de werking van het horizontale overleg.

De opdrachten van het horizontale overleg zijn :
1° acties voorbereiden in de verschillende beleidsdomeinen, die voortvloeien uit het actieplan;
2° de impact en de effecten van die acties analyseren;
3° de acties coördineren en de acties van de verschillende beleidsdomeinen op elkaar afstemmen;
4° de voorwaarden bepalen voor het organiseren van het overleg;
5° kennis nemen van de voorstellen van het verticale overleg in elk van de beleidsdomeinen;
6° rapporteren over de voortgang van de uitvoering van het actieplan en voorstellen tot bijsturing ervan formuleren.

Artikel 8. (16/07/2009- ...)

Binnen elk beleidsdomein wordt een verticaal overleg opgericht. Iedere Vlaamse minister bepaalt in overleg met het Vlaams Netwerk de nadere regels voor de werking van dat verticale overleg binnen zijn beleidsdomein.

Het verticale overleg vindt minstens tweemaal per jaar plaats.

Het verticale overleg heeft tot taak de specifieke beleidsinitiatieven te toetsen aan de visie en de ervaring van de doelgroep en voorstellen tot bijsturing te formuleren.

Artikel 9. (16/07/2009- ...)

Het permanent armoedeoverleg bezorgt voor de opmaak van het voortgangsrapport, vermeld in artikel 4, § 1, aan de coördinerende minister een jaarverslag van het voorafgaande jaar. Het jaarverslag geeft een overzicht van de werking en een beknopte samenvatting van de behandelde thema's en de behaalde resultaten.

HOOFDSTUK III Ondersteuning (... - ...)

Afdeling I Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen (... - ...)

Artikel 10. (12/10/2023- ...)

Het Vlaams Netwerk beantwoordt aan de volgende voorwaarden :
1° het netwerk is opgericht als een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
2° het netwerk staat open voor alle verenigingen en andere organisaties die de doelstellingen van het netwerk onderschrijven;
3° in de raad van bestuur van het netwerk zijn de erkende verenigingen voor minstens de helft en hoogstens drie vierde vertegenwoordigd;
4° in alle bestuursorganen en -structuren van het netwerk mag niet meer dan twee derde van de leden van hetzelfde geslacht zijn;
5° het netwerk zorgt voor de ondersteuning van verenigingen die lid zijn van het netwerk;
6° het netwerk bepaalt in zijn statuten :
a) hoe verenigingen en organisaties kunnen toetreden tot het netwerk;
b) hoe verenigingen en organisaties die tot het netwerk toegetreden zijn of die gevraagd hebben om toe te treden, ondersteuning kunnen krijgen;
7° het netwerk heeft minstens de helft van de erkende verenigingen als lid;
8° het netwerk erkent in zijn werking het belang van het gebruik van de Nederlandse taal. 
 

Artikel 11. (01/01/2010- ...)

§ 1. In het raam van zijn opdracht, vermeld in artikel 12, 1°, van het decreet, organiseert het Vlaams Netwerk de participatie van armen aan het beleid op de verschillende beleidsniveaus met het oog op de beleidsadvisering.

§ 2. Het Vlaams Netwerk vervult de opdrachten, vermeld in artikel 12 van het decreet van 21 maart 2003, in nauwe samenwerking met de organisaties voor maatschappelijk opbouwwerk, de centra voor algemeen welzijnswerk en andere maatschappelijke actoren.

Om die opdrachten te faciliteren, zorgt het Vlaams Netwerk voor :
1° het verzamelen en systematisch beschikbaar stellen van informatie;
2° de ontwikkeling van methodieken;
3° het organiseren van vorming;
4° het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling in verband met armoedebestrijding met betrokkenheid van armen.

Artikel 12. (12/10/2023- ...)

Het Vlaams Netwerk dient bij de administratie een meerjarenplan in voor 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarop dat plan slaat. Het meerjarenplan wordt minstens afgestemd op de meerjarenplannen van de organisaties voor samenlevingsopbouw en op de meerjarenplannen van de opleidingsorganisatie en van de vormingsorganisaties die in het kader van dit decreet zijn erkend.

De administratie beslist voor 1 oktober van hetzelfde jaar over de goedkeuring van het ingediende meerjarenplan.
 

Artikel 13. (12/10/2023- ...)

Het meerjarenplan bevat minstens :
1° een omgevingsanalyse;
2° de opgave van de partners in het participatieproces;
3° het ondersteuningsaanbod voor de verenigingen;
4° de beschrijving van de strategische doelstellingen in relatie tot de opdrachten van de verenigingen, vermeld in artikel 8, tweede lid, van het decreet, en de basisrechten, opgesomd in artikel 2, § 1, van dit besluit;
5° de beoogde resultaten;
5/1° de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen;
6° de ontwikkeling ten opzichte van het vorige meerjarenplan;
7° het tijdstip en de wijze waarop de resultaten geëvalueerd zullen worden;
8° de opgave van de interne organisatiestructuur;
9° de personeelsformatie en de toepasselijke salarisschalen;
10° een overzicht van de externe samenwerkingsverbanden;
11° de begroting voor de volledige periode van het meerjarenplan;
12° de ledenlijst;
13° voor het eerste werkjaar : een jaarplan waarvan de inhoud beantwoordt aan artikel 15, eerste lid van dit besluit.
 

Artikel 14. (12/10/2023- ...)

De secretaris-generaal sluit uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van het meerjarenplan een overeenkomst met het Vlaams Netwerk. Met behoud van de toepassing van artikel 11, tweede lid, van het decreet omvat die overeenkomst de volgende elementen :
1° het door de minister goedgekeurde meerjarenplan;
2° de wijze waarop het Vlaams Netwerk de middelen die de Vlaamse Regering ter beschikking stelt, zal inzetten om het meerjarenplan te realiseren;
3° de wijze waarop de voortgang van de realisatie van de strategische en operationele doelstellingen wordt gemeten;
4° het geraamde subsidiebedrag voor de volledige periode van het meerjarenplan, de subsidie-enveloppe voor het eerste werkjaar op basis van het jaarplan, vermeld in artikel 13, 13° van dit besluit, en de wijze waarop de subsidie-enveloppe voor de volgende werkjaren wordt toegekend met toepassing van artikelen 15 en 16 van dit besluit;
5° de wijze waarop het Vlaams Netwerk verantwoording aflegt over de uitvoering van de overeenkomst en de aanwending van de subsidie-enveloppe, alsook de wijze waarop toezicht op de realisatie van de overeenkomst uitgeoefend wordt, met behoud van de toepassing van artikelen 17 tot en met 19 van dit besluit;
6° de sancties bij niet-naleving van de overeenkomst.
 

Artikel 15. (12/10/2023- ...)

Op basis van het goedgekeurde meerjarenplan dient het Vlaams Netwerk bij de secretaris-generaal jaarlijks voor 1 november een jaarplan in voor het volgende werkjaar, het eerste werkjaar uitgezonderd. Dat jaarplan bevat de volgende elementen :
1° de operationele doelstellingen;
2° de concrete activiteiten voor de realisatie van de opdrachten van het Vlaams Netwerk;
2/1° de criteria die gehanteerd worden om de resultaten te beoordelen;
3° de concrete begroting voor de uitvoering van het jaarplan.

De secretaris-generaal beslist uiterlijk twee maanden na de indiening van het jaarplan over de goedkeuring van dat plan.
 

Artikel 16. (01/01/2024- ...)

Op basis van het goedgekeurde jaarplan kent de secretaris-generaal, binnen de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks aan het Vlaams Netwerk een subsidie-enveloppe toe voor het werkjaar waarop het plan betrekking heeft. De jaarlijkse subsidie-enveloppe bedraagt 953.892,74 euro op 1 januari 2024.
 

Artikel 17. (01/01/2010- ...)

Met behoud van de toepassing van artikelen 19 en 21 bepaalt de minister de voorwaarden voor de verantwoording van de aanwending van de subsidie-enveloppe, zowel inhoudelijk als financieel.

Artikel 18. (01/01/2010- ...)

Het Vlaams Netwerk stelt een lid van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren aan als commissaris. De commissaris is belast met de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen ten aanzien van de wet en de statuten.

Artikel 19. (12/10/2023- ...)

Het Vlaams Netwerk verantwoordt de aanwending van de subsidie-enveloppe tijdens een kalenderjaar in een inhoudelijk en een financieel verslag, dat het vóór 1 mei van het volgende kalenderjaar bij de administratie indient. 

Het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste lid, heeft de vorm van een opvolgingsrapport. In het voormelde opvolgingsrapport wordt onder meer aan de hand van de elementen, vermeld in het jaarplan, vermeld in artikel 15, beschreven op welke wijze de doelstellingen en activiteiten uit het voormelde jaarplan zijn gerealiseerd.

Het financiële verslag, vermeld in het eerste lid, bevat alle documenten, vermeld in artikel 13 van het besluit van 13 januari 2006. 

Als het financiële verslag of het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, niet op tijd is ingediend, kan 5% van de toegekende subsidie-enveloppe worden ingehouden.

Artikel 20. (12/10/2023- ...)

Het Vlaams Netwerk wendt de subsidie-enveloppe aan voor :
1° huisvestingskosten;
2° personeelskosten;
3° werkingskosten;
4° overeenkomsten met derden.

Ten minste 70 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe wordt aangewend voor personeelskosten. Als minder dan 70 % van de subsidie-enveloppe aan personeelskosten wordt besteed, wordt de enveloppe voor het jaar in kwestie verminderd in evenredigheid tot het deel dat niet aan personeelskosten werd besteed.

Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteit dubbel worden gesubsidieerd.
 

Artikel 20/1. (12/10/2023- ...)

De subsidie wordt uitbetaald in de volgende twee schijven van 50%:
1° een eerste schijf wordt uitbetaald in de loop van de maand februari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft;
2° een tweede schijf wordt uitbetaald in de loop van de maand juli van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. 

Artikel 20/2. (12/10/2023- ...)

Het Vlaams Netwerk kan de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten openbaar maken.

Artikel 21. (12/10/2023- ...)

Als het Vlaams Netwerk de subsidie-enveloppe in het jaar waarvoor die enveloppe wordt toegekend, niet volledig aanwendt om de kosten, vermeld in artikel 20, eerste lid, te dekken, legt het reserves aan met het niet aangewende gedeelte tot maximaal 20% van de subsidie-enveloppe, met uitzondering van het sociaal passief. Het Vlaams Netwerk wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van zijn taken.

Reserves die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar, met uitzondering van het sociaal passief, meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie-enveloppe, stort het Vlaams Netwerk ten belope van de som die de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid.

Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.
 

Artikel 22. (01/01/2014- ...)

De subsidie-enveloppe aan het Vlaams Netwerk wordt geïndexeerd op de wijze die bepaald is in de wet van 1 maart 1977 houdende de inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt de subsidie aangepast met toepassing van de Vlaamse Intersectorale Akkoorden voor de Socialprofitsector, ook voor de personeelsleden met een gesco- en sociale-maribelstatuut.

Afdeling II Verenigingen waar armen het woord nemen (... - ...)

Onderafdeling I Erkenning (... - ...)

Artikel 23. (12/10/2023- ...)

§ 1. Een vereniging kan worden erkend als :
1° ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van het decreet van 21 maart 2003;
1° /1 ze een ontvankelijke aanvraag tot erkenning heeft ingediend overeenkomstig artikel 24;
2° ze gedurende minstens twaalf maanden, voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot erkenning, een werking rond de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003, aantoont. Daartoe beschrijft de vereniging op welke wijze en in welke mate ze :
a) inspanningen doet om nieuwe armen te bereiken;
b) mensen in armoede verenigt;
c) ervaringskennis verzamelt;
d) werkt aan de maatschappelijke participatie van mensen in armoede;
e) werkt rond maatschappelijke thema's;
f) met andere maatschappelijke partners samenwerkt;
2° /1 ze voldoet aan de volgende werkingscriteria :
a) op jaarbasis minimaal vijftien armen in de werking betrekken die elk ofwel minimaal driemaal op jaarbasis deelnemen aan de werking van de vereniging die hoofdzakelijk betrekking heeft op de criteria, vermeld in artikel 8, tweede lid, 5° en 6°, van het decreet van 21 maart 2003, ofwel een structurele verantwoordelijkheid opnemen binnen de werking van de vereniging die hoofdzakelijk betrekking heeft op de criteria, vermeld in artikel 8, tweede lid, 1°, 2° en 4°, van het decreet van 21 maart 2003;
b) op jaarbasis minimaal drie informatie- of vormingsactiviteiten over maatschappelijke thema's organiseren, waarbij per activiteit minstens zes armen worden bereikt en waarbij het totale aantal deelnames van armen aan al die activiteiten samen minstens 24 bedraagt;
c) op jaarbasis minimaal drie informatie- of vormingsactiviteiten over armoede organiseren, waarbij per activiteit minstens zes niet-armen worden bereikt en waarbij het totale aantal deelnames van niet-armen aan al die activiteiten samen minstens 36 bedraagt;
d) op jaarbasis rond minimaal één beleidsthema werken met toepassing van de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003, en daarover in dialoog gaan met de samenleving door er minimaal twee actoren bij te betrekken, waarvan minstens één actor een bijdrage kan leveren aan een oplossing voor de ervaren problemen;
e) in de vereniging een kwaliteitsbeleid uitwerken rond het werken overeenkomstig de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003;
3° ze minstens bereid is om samen te werken met andere verenigingen, met de centra voor algemeen welzijnswerk en met de instituten voor maatschappelijk opbouwwerk;
4° er voldoende begrotingskredieten beschikbaar zijn;
5° ze in haar werking het belang van het gebruik van de Nederlandse taal erkent;
6° ze het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers toepast, behalve voor de medewerkers die aangesteld zijn conform de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers bij activiteiten voor of door de jeugd van drie tot en met dertig jaar, in de vrije tijd en om de algemene en integrale ontwikkeling te bevorderen van de jeugd die eraan deelneemt op vrijwillige basis.

De minister kan de wijze waarop en de mate waarin een vereniging haar werking aantoont conform het eerste lid, 2°, nader bepalen.

De minister bepaalt de wijze waarop de vereniging haar activiteiten en de bereikte doelgroep registreert, en de in te zetten methodieken voor de uitwerking van een kwaliteitsbeleid overeenkomstig het eerste lid, 2° /1, e).

§ 1/1. Er kunnen maximaal 58 verenigingen erkend worden, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende verdeling over de programmatieregio's :
1° in de programmatieregio's West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, Limburg en Brussel kunnen telkens maximaal negen verenigingen erkend worden;
2° in de programmatieregio's Antwerpen en Oost-Vlaanderen kunnen telkens maximaal veertien verenigingen erkend worden.

§ 2. Als meerdere verenigingen een erkenningsaanvraag indienen, wordt, met behoud van de toepassing van paragraaf 1/1, de erkenning bij voorrang verleend aan een vereniging die haar werking realiseert in een werkingsgebied waarin er nog geen, of een kleiner aantal erkende verenigingen zijn.
 

Artikel 24. (09/03/2012- ...)

Een aanvraag tot erkenning is ontvankelijk als :
1° de vereniging bij de indiening van de aanvraag opgericht is als een vereniging zonder winstoogmerk en deze rechtspersoonlijkheid bezit, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
2° de programmatie, vermeld in artikel 23, § 1/1, niet ingevuld is;
3° de aanvraag vóór 1 mei met een aangetekende brief bij de administratie wordt ingediend;
4° de aanvraag de volgende documenten bevat :
a) een formulier met de gegevens van de vereniging, inclusief het ondernemingsnummer en het werkingsgebied;
b) een verslag over de werking, al dan niet als vereniging zonder winstoogmerk, over de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag, dat zowel een inhoudelijk als een financieel deel bevat en dat is opgesteld overeenkomstig het model dat de minister bepaalt;
c) een exemplaar van de statuten van de vereniging, zoals neergelegd bij de griffie van de rechtbank van koophandel, en het bewijs van neerlegging van die statuten en van de andere akten, vermeld in artikel 3, § 1, van de voormelde wet van 27 juni 1921.

Artikel 25. (09/03/2012- ...)

Als de aanvraag niet ontvankelijk is, deelt de administratie dat voor 1 juni mee aan de vereniging, met vermelding van de reden.

Artikel 26. (16/07/2009- ...)

De administratie onderzoekt of de ontvankelijke aanvraag voldoet aan artikel 23, § 1, en kan een controle ter plaatse uitvoeren. De secretaris-generaal beslist voor 1 december over de erkenning van de vereniging.

De gemotiveerde beslissing van de secretaris-generaal tot erkenning of het gemotiveerde voornemen van de secretaris-generaal om de erkenning te weigeren wordt met een aangetekende brief aan de vereniging meegedeeld.

De brief waarin het voornemen aan de vereniging wordt meegedeeld, vermeldt ook de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen.

Artikel 27. (09/03/2012- ...)

Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de vereniging met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de derde werkdag na de verzending van het voornemen, vermeld in artikel 26, tweede lid, of, als de vereniging bewijst dat het voornemen haar pas later heeft bereikt, vanaf de dag dat ze het voornemen heeft ontvangen. Het bezwaarschrift wordt behandeld overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Als de vereniging geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de beslissing van de secretaris-generaal tot weigering van de erkenning aan de vereniging bezorgd.

Artikel 28. (09/03/2012- ...)

De erkenning gaat in op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de erkenning werd aangevraagd. De erkenning geldt voor onbepaalde duur.

Artikel 28/1. (09/03/2012- ...)

Een erkende vereniging ontwikkelt binnen twaalf maanden na de datum van haar erkenning een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van haar leden of de personen die een beroep doen op de vereniging.

De vereniging hanteert een procedure voor preventie en detectie van en gepaste reacties op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van haar leden of de personen die een beroep doen op de vereniging. In deze procedure is een registratiesysteem opgenomen dat geanonimiseerde gegevens bijhoudt met betrekking tot de gevallen van grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van voormelde leden of personen.

De vereniging meldt grensoverschrijdend gedrag aan de administratie.

Artikel 29. (01/01/2013- ...)

Als een vereniging niet meer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, en artikel 28/1, of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 58, kan de administratie die vereniging met een aangetekende brief aanmanen om zich binnen een termijn van maximaal drie maanden te conformeren aan die voorwaarden of aan de regels betreffende het toezicht.

Als een vereniging ondanks die aanmaning de erkenningsvoorwaarden niet naleeft of niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan het gemotiveerde voornemen van de secretaris-generaal om de erkenning in te trekken met een aangetekende brief aan die vereniging worden meegedeeld. Die brief vermeldt de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling II Subsidiëring (... - ...)

Artikel 30. (12/10/2023- ...)

Om de opdrachten vermeld in artikel 8, tweede lid, van het decreet van 21 maart 2003, te vervullen, ontvangen erkende verenigingen, binnen de beschikbare begrotingskredieten, een jaarlijkse subsidie voor hun personeels-, werkings- en huisvestingskosten.

Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteit dubbel worden gesubsidieerd.
 

Artikel 31. (01/01/2013- ...)

De erkende verenigingen worden ingedeeld in twee subsidiecategorieën :
1° subsidiecategorie lokale vereniging : subsidiëring op basis van erkenning met toepassing van artikel 23 tot en met 28/1;
2° subsidiecategorie bovenlokale vereniging : subsidiëring op basis van erkenning met toepassing van artikel 23 tot en met 28/1 en :
a) het ontplooien van eigen activiteiten in minstens vier programmatieregio's;
b) op jaarbasis minimaal twintig armen bereiken overeenkomstig artikel 23, § 1, eerste lid, 2° /1, a), en minstens vier armen in elk van die programmatieregio's;
c) op jaarbasis minimaal vijf informatie- of vormingsactiviteiten organiseren overeenkomstig artikel 23, § 1, eerste lid, 2° /1, b), en minstens één in elk van die programmatieregio's;
d) op jaarbasis minimaal vijf informatie- of vormingsactiviteiten organiseren overeenkomstig artikel 23, § 1, eerste lid, 2° /1, c), en minstens één in elk van die programmatieregio's.

Er kunnen maximaal twee verenigingen ingedeeld worden bij de subsidiecategorie bovenlokale vereniging.

Artikel 31/1. (01/01/2013- ...)

Een vereniging wordt ingedeeld bij de subsidiecategorie lokale vereniging, tenzij de vereniging met toepassing van artikel 32 bij de subsidiecategorie bovenlokale vereniging wordt ingedeeld.

Artikel 32. (09/03/2012- ...)

§ 1. Om een subsidiecategorie bovenlokale vereniging aan te vragen, dient de vereniging bij de administratie een beleidsplan in voor 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarop dat plan betrekking heeft.

Het beleidsplan wordt opgemaakt voor een periode van vijf jaar en bevat minstens :
1° een beschrijving van de totstandkoming van het beleidsplan, met bijzondere aandacht voor de betrokkenheid van de doelgroep en de afstemming met het Vlaams Netwerk en andere betrokkenen;
2° in voorkomend geval de ontwikkelingen ten opzichte van het vorige beleidsplan;
3° een opgave van de werkingsgebieden waar de vereniging eigen activiteiten ontplooit;
4° een omschrijving van de verschillende doelgroepen van de vereniging;
5° de strategische doelstellingen en ingezette methodieken binnen de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003;
6° de beoogde resultaten;
7° een overzicht van de externe samenwerkingsverbanden;
8° de interne organisatiestructuur;
9° een begroting voor de volledige periode van het beleidsplan;
10° de personeelsformatie en de toepasselijke salarisschalen;
11° voor het eerste werkjaar : een jaarplan met de operationele doelstellingen, de concrete activiteiten en de begroting.

§ 2. Als meer dan twee verenigingen een beleidsplan indienen, worden de twee verenigingen die de best uitgebouwde en meest kwalitatieve werking kunnen aantonen, geselecteerd. Ze worden geselecteerd op basis van de bereikte doelgroep, de werkingsgebieden waar de vereniging actief is, het aantal zelf ontplooide activiteiten en een algemene beoordeling van het beleidsplan.

De minister beslist voor 1 oktober van het jaar van de indiening over de goedkeuring van het ingediende beleidsplan. Bij goedkeuring van het beleidsplan wordt de vereniging voor de periode van het beleidsplan ingedeeld bij de subsidiecategorie bovenlokale vereniging.

Als twee verenigingen ingedeeld zijn bij de subsidiecategorie bovenlokale vereniging, is een beleidsplan dat door een andere vereniging wordt ingediend met toepassing van paragraaf 1 en dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de vijfjaarlijkse periode waarvoor die verenigingen bij die subsidiecategorie zijn ingedeeld, van rechtswege onontvankelijk.

Artikel 33. (16/07/2009- ...)

Voor de uitvoering van haar opdrachten kan de vereniging samenwerken met andere verenigingen of organisaties of een beroep doen op ondersteuning door andere verenigingen of organisaties.

Artikel 34. (01/01/2023- ...)

§ 1. De jaarlijkse subsidie bedraagt: 
1° 71.260 euro voor een lokale vereniging op 1 januari 2023; 
2° 100.433,60 euro voor een bovenlokale vereniging op 1 januari 2023.

De secretaris-generaal kent aan de erkende verenigingen de subsidie toe binnen de perken van de begrotingskredieten met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3 en artikel 35, 35/1 en 36.

§ 2. De subsidie wordt toegekend op voorwaarde dat aan de subsidiecriteria, vermeld in artikel 31, is voldaan.

§ 3. De subsidie wordt uitbetaald in twee schijven van 50 %. Een eerste schijf wordt uitbetaald in de loop van de maand februari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, de tweede schijf wordt uitbetaald in de loop van de maand juli van dat jaar.

Artikel 34/1. (12/10/2023- ...)

§1. Jaarlijks kent de secretaris-generaal, naast de subsidie bepaald in artikel 34 §1, binnen de beschikbare begrotingskredieten en na goedkeuring van een activiteitenplanning en jaarbegroting, aan vzw De Keeting, een extra bedrag van 96.128,61 euro op 1 januari 2023 toe voor werkings- en personeelskosten. Artikel 34 §3, artikel 35 en artikel 35/1 zijn van toepassing op deze subsidie.

§2. VZW De Keeting dient de stavingsstukken uiterlijk op 1 mei van het jaar dat volgt op het werkjaar waarvoor de subsidie werd verleend, bij de administratie in overeenkomstig het besluit van 13 januari 2006.

Bij laattijdige indiening van het financiële verslag of het inhoudelijke verslag wordt 5 % van de toegekende subsidie-enveloppe niet uitbetaald.

Artikel 35. (01/01/2014- ...)

De subsidie aan de verenigingen wordt geïndexeerd op de wijze, vermeld in artikel 22.

Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt de subsidie  aangepast met toepassing van de Vlaamse Intersectorale Akkoorden voor de Socialprofitsector, ook voor de personeelsleden met een gesco- en sociale-maribelstatuut.

Artikel 35/1. (12/10/2023- ...)

Als de vereniging de subsidie in het jaar waarvoor die wordt toegekend, niet volledig aanwendt om de kosten, vermeld in artikel 30, te dekken, legt ze reserves aan met het niet-aangewende gedeelte, met uitzondering van het sociaal passief. De vereniging wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van haar taken en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen.

Van reserves die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie, met uitzondering van het sociaal passief stort de vereniging de som die de jaarlijkse subsidie overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid.

Wanneer de activiteit waarvoor een reserve werd aangelegd niet verder gesubsidieerd wordt, dient het gecumuleerde bedrag aan reserves opgebouwd met middelen van de Vlaamse overheid, aan de Vlaamse overheid teruggestort te worden.

Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.

Artikel 36. (01/01/2013- ...)

Erkende verenigingen die ingedeeld zijn bij de subsidiecategorie lokale vereniging, bezorgen voor 1 mei een werkingsverslag over het afgelopen kalenderjaar aan de administratie. Dat werkingsverslag bevat zowel een inhoudelijk als een financieel deel. Het werkingsverslag wordt opgesteld overeenkomstig het model dat de minister bepaalt. Het financiële verslag wordt opgesteld overeenkomstig het besluit van 13 januari 2006.

Erkende verenigingen die ingedeeld zijn bij de subsidiecategorie bovenlokale vereniging, bezorgen voor 1 mei een voortgangsrapport en een financieel verslag van het voorbije kalenderjaar aan de administratie. Het financiële verslag wordt opgesteld overeenkomstig het besluit van 13 januari 2006. Het voortgangsrapport bevat :
1° het inhoudelijke werkingsverslag van het voorbije kalenderjaar;
2° een stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het beleidsplan;
3° het jaarplan met de operationele doelstellingen, de concrete activiteiten en een begroting voor het lopende kalenderjaar.

Artikel 37. (01/01/2013- ...)

§ 1. De secretaris-generaal kan de vereffening van de subsidies geheel of gedeeltelijk stopzetten en kan ook de al vereffende subsidies geheel of gedeeltelijk terugvorderen in de volgende gevallen :
1° als een vereniging niet langer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden;
2° als een vereniging de subsidie niet aanwendt overeenkomstig artikel 30;
3° als bij de vereniging subsidiefraude wordt vastgesteld;
4° als de vereniging niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 58.

De gemotiveerde beslissing van de secretaris-generaal tot stopzetting van de subsidiëring of tot terugvordering van de subsidies wordt aan de vereniging meegedeeld met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen worden vermeld.

§ 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de vereniging met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de derde werkdag na verzending van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, of, als de vereniging bewijst dat de beslissing haar pas later heeft bereikt, vanaf de dag dat ze de beslissing heeft ontvangen. Zij kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord. In voorkomend geval zal de minister binnen zestig dagen na ontvangst van dat bezwaarschrift de beslissing van de secretaris-generaal intrekken of bevestigen.

Als de vereniging geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de gestelde termijn of als de minister de beslissing van de secretaris-generaal binnen de gestelde termijn heeft bevestigd, wordt de subsidiëring volledig of gedeeltelijk stopgezet of wordt het volledige subsidiebedrag of een gedeelte ervan teruggevorderd.

Als de minister de beslissing van de secretaris-generaal intrekt of als hij diens beslissing binnen de gestelde termijn niet bevestigt, wordt de subsidiëring voortgezet of blijven de subsidies behouden.

§ 3. Een voornemen tot intrekking van erkenning heeft van rechtswege tot gevolg dat vanaf de verzending ervan aan de vereniging en tot aan de beslissing over de intrekking de vereffening van de subsidie opgeschort wordt. Als de erkenning wordt ingetrokken, heeft die intrekking van rechtswege tot gevolg dat vanaf de verzending van het voornemen geen subsidie meer wordt toegekend aan de vereniging. Als de erkenning niet wordt ingetrokken, kan de subsidie aan de vereniging worden vereffend met behoud van de toepassing van paragraaf 1.

HOOFDSTUK IV Opgeleide ervaringsdeskundigen in de armoede en de sociale uitsluiting (... - ...)

Afdeling I Tewerkstelling van ervaringsdeskundigen (... - ...)

Artikel 38. (16/07/2009- ...)

Elke Vlaamse minister neemt binnen zijn beleidsdomein initiatieven met betrekking tot de tewerkstelling van ervaringsdeskundigen.

Afdeling II Organisaties voor de coördinatie van of de toeleiding tot de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting (... - ...)

Onderafdeling I Erkenning (... - ...)

Artikel 39. (12/10/2023- ...)

Een organisatie kan erkend worden als opleidingsorganisatie als ze voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° ze is opgericht als een vereniging zonder winstoogmerk overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
2° in haar bestuursorganen en -structuren is een voldoende mix van deskundigheid en ervaring aanwezig;
3° ze is actief op het grondgebied van het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
4° ze voert de opdrachten uit als vermeld in artikel 40;
5° ze beschikt over een personeelsformatie als vermeld in artikel 41;
6° in de raad van bestuur van de organisatie is minstens één ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting vertegenwoordigd;
7° in alle bestuursorganen en -structuren van de organisatie is niet meer dan twee derde van de leden van hetzelfde geslacht;
8° ze in haar werking het belang van het gebruik van de Nederlandse taal erkent.


De minister kan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, nader regelen.
 

Artikel 40. (16/07/2009- ...)

Een opleidingsorganisatie heeft als opdracht :
1° kandidaat-ervaringsdeskundigen zoeken, rekruteren en selecteren;
2° de opleiding tot opgeleide ervaringsdeskundigen, beschreven in het beroepscompetentieprofiel van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, coördineren;
3° acties ontwikkelen rond de creatie van tewerkstellingsplaatsen voor de opgeleide ervaringsdeskundigen;
4° ondersteuning bieden rond de introductie van de methodiek van het werken met opgeleide ervaringsdeskundigen binnen organisaties;
5° ondersteunen van de tewerkgestelde ervaringsdeskundigen;
6° de methodiek en de visie op ervaringsdeskundigheid bekendmaken via informatie, vorming en training;
7° bijdragen tot de ontwikkeling van methodieken.

Artikel 41. (16/07/2009- ...)

Een opleidingsorganisatie beschikt minstens over :
1° een algemeen coördinator;
2° een opleiding- en een tewerkstellingscoördinator;
3° een administratieve medewerker;
4° een ervaringsdeskundige.

Artikel 42. (16/07/2009- ...)

Een aanvraag tot erkenning is ontvankelijk als de organisatie die aanvraag met een aangetekende brief bij de administratie indient en als ze voldoet aan de regels die de minister bepaalt.

Artikel 43. (16/07/2009- ...)

Als de aanvraag niet ontvankelijk is of niet kan worden behandeld omdat het maximumaantal te erkennen organisaties, vermeld in artikel 45, bereikt is, deelt de administratie dat binnen vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag mee aan de aanvragende organisatie. Ze vermeldt waarom de aanvraag niet ontvankelijk is. De organisatie kan, tot tien werkdagen na ontvangst van die mededeling, de aanvraag in overeenstemming brengen met de ontvankelijkheidsvereisten.

Artikel 44. (16/07/2009- ...)

De administratie onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en kan een controle ter plaatse uitvoeren. De secretaris-generaal beslist over de erkenning van de organisatie.

De gemotiveerde beslissing van de secretaris-generaal tot erkenning of het gemotiveerde voornemen van de secretaris-generaal om de erkenning te weigeren wordt uiterlijk vijfenveertig dagen na ontvangst van de aanvraag, met aangetekende brief aan de organisatie meegedeeld.

De brief waarin het voornemen aan de organisatie wordt meegedeeld, vermeldt ook de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 45. (12/10/2023- ...)

Er kan maximaal één opleidingsorganisatie erkend worden.

Artikel 46. (16/07/2009- ...)

Als een erkende opleidingsorganisatie niet meer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 58, is artikel 29 van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling II Subsidiëring (... - ...)

Artikel 47. (12/10/2023- ...)

De erkende opleidingsorganisatie ontvangt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, een jaarlijkse subsidie als ze voldoet aan de bepalingen van deze afdeling. De jaarlijkse subsidie bedraagt 477.137,30 euro op 1 januari 2023.

Artikel 48. (12/10/2023- ...)

De opleidingsorganisatie die bij de administratie een meerjarenplan indient voor 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarop dat plan betrekking heeft, komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 47. Het voormelde meerjarenplan wordt opgemaakt voor een periode van vijf jaar. Het voormelde meerjarenplan wordt minstens afgestemd op de meerjarenplannen van de organisaties voor samenlevingsopbouw, het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen en de vormingsorganisaties die in het kader van dit decreet zijn erkend. 

De secretaris-generaal beslist voor 1 oktober van hetzelfde jaar over de goedkeuring van het ingediende meerjarenplan, vermeld in het eerste lid.

Artikel 48/1. (12/10/2023- ...)

§1. Het meerjarenplan, vermeld in artikel 48, bevat al de volgende elementen: 
1°    een omgevingsanalyse; 
2°    de beschrijving van de strategische doelstellingen; 
3°    de beoogde resultaten; 
4°    de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen;
5°    de ontwikkeling ten opzichte van het vorige meerjarenplan; 
6°    het tijdstip en de wijze waarop de resultaten geëvalueerd worden;
7°    de opgave van de interne organisatiestructuur;
8°    de personeelsformatie en de toepasselijke salarisschalen;
9°    een overzicht van de externe samenwerkingsverbanden;
10°    de begroting voor de volledige periode van het meerjarenplan;
11°    voor het eerste werkjaar: een jaarplan waarvan de inhoud beantwoordt aan artikel 48/1, §2.

§2. Op basis van het meerjarenplan, vermeld in artikel 48, dat is goedgekeurd, dient de opleidingsorganisatie bij de secretaris-generaal jaarlijks voor 1 november een jaarplan in voor het volgende werkjaar, het eerste werkjaar uitgezonderd. Het voormelde jaarplan bevat al de volgende elementen:
1°    de operationele doelstellingen;
2°    de concrete activiteiten om de opdrachten van de erkende opleidingsorganisatie te realiseren;
3°    de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen;
4°    de concrete begroting voor de uitvoering van het jaarplan.

De secretaris-generaal beslist uiterlijk twee maanden na de indiening van het jaarplan, vermeld in het eerste lid, over de goedkeuring van dat jaarplan.
 

Artikel 49. (12/10/2023- ...)

De opleidingsorganisatie verantwoordt de aanwending van de subsidie-enveloppe tijdens een kalenderjaar in een inhoudelijk en een financieel verslag, dat ze vóór 1 mei van het volgende kalenderjaar bij de administratie indient. 

Het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste lid, heeft de vorm van een opvolgingsrapport. In het voormelde opvolgingsrapport wordt onder meer aan de hand van de elementen, vermeld in het jaarplan, vermeld in artikel 48/1, §2, op beschreven welke wijze de doelstellingen en activiteiten uit het voormelde jaarplan zijn gerealiseerd.

Het financiële verslag, vermeld in eerste lid, bevat alle documenten, vermeld in artikel 13 van het besluit van 13 januari 2006. 

Bij laattijdige indiening van het financiële verslag of het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, kan 5% van de toegekende subsidie-enveloppe worden ingehouden. 

De opleidingsorganisatie kan de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten openbaar maken.

Artikel 50. (12/10/2023- ...)

De opleidingsorganisatie wendt de subsidie-enveloppe aan voor al de volgende aspecten:
1°    huisvestingskosten;
2°    personeelskosten;
3°    werkingskosten;
4°    overeenkomsten met derden.

Ten minste 75 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe wordt aangewend voor personeelskosten. Als minder dan 75 % van de subsidie-enveloppe aan personeelskosten wordt besteed, wordt de enveloppe voor het jaar in kwestie verminderd in evenredigheid tot het deel dat niet aan personeelskosten werd besteed.

Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteit dubbel worden gesubsidieerd.
 

Artikel 51. (12/10/2023- ...)

Als de opleidingsorganisatie de subsidie-enveloppe in het jaar waarvoor die enveloppe wordt toegekend, niet volledig aanwendt om de kosten, vermeld in artikel 47, te dekken, legt het reserves aan met het niet aangewende gedeelte, met uitzondering van het sociaal passief. De opleidingsorganisatie wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van haar taken en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen.

Reserves die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie-enveloppe , met uitzondering van het sociaal passief, stort de opleidingsorganisatie ten belope van de som die de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid.

Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.
 

Artikel 52. (01/01/2014- ...)

De subsidie wordt geïndexeerd op de wijze vermeld in artikel 22.

Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt de subsidie aangepast met toepassing van de Vlaamse Intersectorale Akkoorden voor de Socialprofitsector, ook voor de personeelsleden met een gesco- en sociale-maribelstatuut.

Artikel 53. (16/07/2009- ...)

De opleidingsorganisatie stelt een lid van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren aan als commissaris. Die commissaris is belast met de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen ten aanzien van de wet en de statuten.

Artikel 54. (16/07/2009- ...)

Als een erkende opleidingsorganisatie niet langer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden, als ze de subsidie niet aanwendt overeenkomstig artikel 47, als bij die organisatie subsidiefraude wordt vastgesteld of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 58, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK V Projecten (... - ...)

Artikel 55. (16/07/2009- ...)

De minister legt jaarlijks de thema's vast van de projecten waarvoor een subsidie kan worden aangevraagd.

De subsidies zijn bedoeld om projecten met een experimenteel, aanvullend of vernieuwend karakter, die beantwoorden aan maatschappelijk relevante behoeften, tijdelijk te ondersteunen op het vlak van de personeels- en werkingskosten die inherent zijn aan de realisatie ervan.

Artikel 56. (16/07/2009- ...)

Een aanvraag voor een projectsubsidie kan uitsluitend ingediend worden door een voorziening die initiatieven in armoedebestrijding ontplooit, hetzij als overheidsinstelling, hetzij als vereniging zonder winstoogmerk overeenkomstig de wet van 27 juni 1921.

De aanvraag wordt opgesteld overeenkomstig de leidraad die de administratie ter beschikking stelt.

Artikel 57. (16/07/2009- ...)

De minister regelt de procedure van aanvraag en beoordeling. Hij bepaalt de regels voor de inhoudelijke en financiële verantwoording over de aanwending van de projectsubsidie.

[HOOFDSTUK V/1 Subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de bestrijding van kinderarmoede (verv. BVR 30 juni 2023, art. 26)]] (... - ...)

Artikel 57/1. (12/10/2023- ...)

De Vlaamse Gemeenschapscommissie komt in aanmerking voor een subsidie als vermeld in artikel 57/3, als ze als onderdeel van haar lokaal sociaal beleid een integraal lokaal kinderarmoedebestrijdingsbeleid ontwikkelt en implementeert met de volgende doelstellingen:
1°    de kinderarmoede in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad structureel terugdringen; 
2°    de volledige ontplooiing van elk kind.

Het integraal lokaal kinderarmoedebestrijdingsbeleid, vermeld in het eerste lid, omvat de ontwikkeling en implementatie van geïntegreerde, duurzame en proactieve strategieën en acties om kinderarmoede te bestrijden, met een focus op kinderen tot en met drie jaar en hun gezin, op basis van de volgende drie beleidsprioriteiten:
1°    toegang tot adequate middelen;
2°    toegang tot betaalbare hoogwaardige diensten;
3°    het recht van kinderen en gezinnen om te participeren.

De coördinerende minister kan uiterlijk op 15 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de Nederlandse taalgroep van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, vermeld in artikel 60, tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, voor het eerst in zijn nieuwe samenstelling bijeenkomt, naast de beleidsprioriteiten, vermeld in het tweede lid, bijkomende beleidsprioriteiten bepalen.

De Vlaamse Gemeenschapscommissie neemt een regierol voor de lokale kinderarmoedebestrijding vanuit een lokaal netwerk. Ze wijst daarvoor een lokaal aanspreekpunt aan. De acties worden ontwikkeld, geïmplementeerd en geëvalueerd in coproductie met de relevante lokale actoren, in het bijzonder met volwaardige participatie van de kinderen en de gezinnen en de actoren die op basis van het decreet van 21 maart 2003 erkend en ondersteund worden. 

Artikel 57/2. (12/10/2023- ...)

De Vlaamse Gemeenschapscommissie geeft uitwerking aan de beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 57/1, tweede en derde lid, van dit besluit, in haar meerjarenplan, vermeld in artikel 7 tot en met 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2020 over de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De Vlaamse Gemeenschapscommissie licht de voormelde uitwerking vooraf toe in een overleg met de administratie.

Artikel 57/3. (12/10/2023- ...)

De Vlaamse Gemeenschapscommissie ontvangt, binnen de grenzen van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden ingeschreven, jaarlijks 220.500 euro als ze de beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 57/1, tweede en derde lid, opneemt in haar meerjarenplan.

De Vlaamse Gemeenschapscommissie kan de subsidie-enveloppe aanwenden voor al de volgende aspecten:
1°    personeelskosten;
2°    werkingskosten;
3°    overeenkomsten met derden.

De subsidie wordt niet aangewend voor investeringen.

Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteit dubbel worden gesubsidieerd.

Artikel 57/4. (12/10/2023- ...)

Het subsidiebedrag dat toegekend is voor een bepaald jaar, wordt uitgekeerd in twee gelijke delen, uiterlijk op 30 juni en 30 november van elk jaar.

Artikel 57/5. (12/10/2023- ...)

In al de volgende gevallen dient de secretaris-generaal uiterlijk drie maanden nadat hij de rapportering, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2020 over de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, heeft ontvangen, met een aangetekende brief bezwaar in bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie:
1°    als de Vlaamse Gemeenschapscommissie niet voldoet aan de rapporteringsverplichtingen, vermeld in het voormelde besluit;
2°    als de rapportering, vermeld in het voormelde besluit, onduidelijk is;
3°    als de Vlaamse Gemeenschapscommissie onvoldoende aantoont dat ze de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd. 

De Vlaamse Gemeenschapscommissie bezorgt, binnen twee maanden nadat ze het bezwaar, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, aan de secretaris-generaal een aangepaste rapportering of een motiverende nota waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen. De secretaris-generaal bezorgt daaropvolgend zijn beslissing aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie binnen twee maanden nadat hij de aangepaste rapportering of de motiverende nota heeft ontvangen.

Als uit de aangepaste rapportering of uit de motiverende nota blijkt dat de subsidie niet aangewend is voor het doel waarvoor ze is verleend, keert de administratie verdere toegezegde subsidies niet uit.

Artikel 57/6 (12/10/2023- ...)

Als de Vlaamse Gemeenschapscommissie de subsidie, vermeld in artikel 57/3, eerste lid, in het jaar waarvoor de subsidie wordt toegekend, niet volledig aanwendt voor de kosten, vermeld in artikel 57/3, tweede lid, legt ze reserves aan met het niet-aangewende gedeelte, tot maximaal 20% van de voormelde subsidie-enveloppe, met uitzondering van het sociaal passief. De Vlaamse Gemeenschapscommissie wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van haar taken en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen. 

Van reserves die op het ogenblik dat het boekjaar wordt afgesloten meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie, met uitzondering van het sociaal passief, stort de Vlaamse Gemeenschapscommissie het bedrag dat de jaarlijkse subsidie overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid. 

Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.

[HOOFDSTUK V/2 Vormingsorganisaties over armoede (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)] (... - ...)

[Afdeling 1 Erkenning (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)] (... - ...)

Artikel 57/7. (12/10/2023- ...)

Een organisatie kan als vormingsorganisatie over armoede worden erkend als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1°    ze is opgericht als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen en het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;
2°    in de bestuursstructuren van haar vormingswerking zoals bedoeld in dit besluit is een voldoende mix van ervaringsdeskundigheid en ervaringskennis aanwezig;
3°    in de bestuursstructuren van haar vormingswerking zoals bedoeld in dit besluit is niet meer dan twee derde van de leden van hetzelfde geslacht;
4°    ze is actief op het grondgebied van het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
5°    ze voert de opdrachten uit, vermeld in artikel 57/8 van dit besluit;
6°    ze erkent in haar werking het belang van het gebruik van de Nederlandse taal.

Artikel 57/8. (12/10/2023- ...)

De vormingsorganisatie over armoede voert al de volgende opdrachten uit:
1°    vormings-, coachings-, advies- en ondersteuningsactiviteiten opzetten in een proces op maat en in dialoog met de aanvrager. De vorming maakt deel uit van een ruimer traject;
2°    haar aanbod in een participatief proces met mensen in armoede ontwikkelen vanuit hun ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid, en in de nodige omkadering en ondersteuning voorzien voor de betrokken mensen in armoede;
3°    inbrengers van ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid een passende vergoeding geven;
4°    de ingebrachte ervaringskennis met wetenschappelijke en praktijkkennis kruisen;
5°    een krachtgerichte kijk hanteren en krachtgerichte interventies opzetten;
6°    procesmatig en duurzame verbindingen leggen in de vormingsactiviteiten;
7°    het effect van haar activiteiten in kaart brengen;
8°    een proces doorlopen met eventuele andere erkende vormingsorganisaties, de erkende opleidingsorganisatie en het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen, minstens op het vlak van:
a)    verduidelijking en afstemming van het aanbod;
b)    bekendmaking van het aanbod;
c)    gezamenlijke visie op en beleid rond inschakelen van ervaringskennis en -deskundigheid.
9°    een duidelijk en transparant prijsbeleid voeren.

Artikel 57/9. (12/10/2023- ...)

Een aanvraag tot erkenning als vormingsorganisatie over armoede is ontvankelijk als de organisatie die aanvraag met een aangetekende brief bij de administratie indient tussen 1 januari en 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan de erkenning, en als de aanvraag een dossier bevat dat is samengesteld uit de organisatiegebonden gegevens, vermeld in artikel 57/7, en een meerjarenplan als vermeld in artikel 57/15.

Artikel 57/10. (12/10/2023- ...)

Als de aanvraag niet ontvankelijk is conform artikel 57/9, deelt de administratie dat uiterlijk op 15 juni mee aan de aanvragende organisatie. Ze vermeldt waarom de aanvraag niet ontvankelijk is.

Artikel 57/11. (12/10/2023- ...)

De administratie onderzoekt de aanvraag die conform artikel 57/9 ontvankelijk is en kan een controle ter plaatse uitvoeren. De secretaris-generaal beslist over de erkenning van de organisatie.

De beslissing van de secretaris-generaal tot erkenning of het voornemen van de secretaris-generaal om de erkenning te weigeren, wordt uiterlijk op 1 oktober met aangetekende brief aan de organisatie meegedeeld.

De brief waarin het voornemen, vermeld in het tweede lid, aan de organisatie wordt meegedeeld vermeldt ook de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 57/12. (12/10/2023- ...)

Er kunnen maximaal vier vormingsorganisaties over armoede erkend worden.

Artikel 57/13. (12/10/2023- ...)

Als een erkende vormingsorganisatie niet meer voldoet aan een of meer van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 57/7, of als ze niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 58, is artikel 29 van overeenkomstige toepassing.

[Afdeling 2 Subsidiëring (ing. BVR 30 juni 2023, art. 27)] (... - ...)

Artikel 57/14. (12/10/2023- ...)

De secretaris-generaal kent aan de erkende vormingsorganisaties over armoede, binnen de beschikbare begrotingskredieten, een jaarlijkse subsidie toe conform artikel 18/2 van het decreet van 21 maart 2003 en dit besluit.

Artikel 57/15. (12/10/2023- ...)

De vormingsorganisatie over armoede dient bij de administratie een meerjarenplan in voor 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarop het voormelde meerjarenplan betrekking heeft. Het voormelde meerjarenplan wordt opgemaakt voor een periode van vijf jaar.

Het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid, wordt minstens afgestemd op de meerjarenplannen van het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen en van de opleidingsorganisatie en andere vormingsorganisaties die in het kader van dit decreet erkend zijn.

De secretaris-generaal beslist voor 1 oktober van hetzelfde jaar over de goedkeuring van het meerjarenplan, vermeld in het eerste lid.

Artikel 57/16. (12/10/2023- ...)

Het meerjarenplan, vermeld in artikel 57/15, vertrekt van de wijze waarop ervaringskennis ingezet wordt bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 57/8. Het bevat al de volgende elementen:
1°    een beknopte, toegespitste omgevingsanalyse;
2°    een overzicht en omschrijving van de partners waarmee wordt samengewerkt;
3°    het vormingsaanbod;
4°    de beschrijving van de doelstellingen;
5°    de beoogde resultaten;
6°    de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen;
7°    de ontwikkelingen ten opzichte van het vorige meerjarenplan;
8°    het tijdstip en de wijze waarop de resultaten geëvalueerd worden;
9°    de opgave van de interne organisatiestructuur;
10°    de begroting voor de volledige periode van het meerjarenplan;
11°    voor het eerste werkjaar: een jaarplan waarvan de inhoud beantwoordt aan artikel 57/17, eerste lid.

Artikel 57/17. (12/10/2023- ...)

Op basis van het meerjarenplan, vermeld in artikel 57/15, dat is goedgekeurd, dient de vormingsorganisatie over armoede bij de secretaris-generaal jaarlijks voor 1 november een jaarplan in voor het volgende werkjaar, het eerste werkjaar uitgezonderd. Het voormelde jaarplan bevat al de volgende elementen:
1°    de concrete activiteiten om de opdrachten van de vormingsorganisatie te realiseren;
2°    de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen;
3°    de concrete begroting voor de uitvoering van het jaarplan.

De secretaris-generaal beslist uiterlijk twee maanden na de indiening van het jaarplan, vermeld in het eerste lid, over de goedkeuring van dat jaarplan.

Artikel 57/18. (12/10/2023- ...)

Op basis van het jaarplan, dat conform artikel 57/17 is goedgekeurd, kent de secretaris-generaal, binnen de beschikbare begrotingskredieten, aan de vormingsorganisatie over armoede een subsidie-enveloppe toe voor het werkjaar waarop het plan betrekking heeft. 

Artikel 57/19. (12/10/2023- ...)

De vormingsorganisatie over armoede verantwoordt de aanwending van de subsidie-enveloppe tijdens een kalenderjaar in een inhoudelijk en een financieel verslag, dat ze vóór 1 mei van het volgende kalenderjaar bij de administratie indient. 

Het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste lid, heeft de vorm van een opvolgingsrapport. In het voormelde opvolgingsrapport wordt onder meer aan de hand van de elementen, vermeld in het jaarplan, vermeld in artikel 57/17, beschreven op welke wijze de doelstellingen en activiteiten uit het voormelde jaarplan zijn gerealiseerd.

Het financiële verslag, vermeld in het eerste lid, bevat alle documenten, vermeld in artikel 13 van het besluit van 13 januari 2006. 

Bij laattijdige indiening van het financiële verslag of het inhoudelijke verslag, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, kan 5% van de toegekende subsidie-enveloppe worden ingehouden.

De vormingsorganisatie kan de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten openbaar maken.

Artikel 57/20. (12/10/2023- ...)

De organisatie wendt de subsidie-enveloppe aan voor al de volgende kosten: 
1°    huisvestings-, personeels- en werkingskosten voor de inzet van ervaringskennis in de opdrachten, vermeld in artikel 57/8; 
2°    huisvestings-, personeels- en werkingskosten voor de participatieve ontwikkeling van nieuwe methodieken. 

Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteiten dubbel worden gesubsidieerd.

Artikel 57/21. (12/10/2023- ...)

Als de organisatie de subsidie-enveloppe, vermeld in artikel 57/18, in het jaar waarvoor de voormelde subsidie-enveloppe wordt toegekend, niet volledig aanwendt om de kosten, vermeld in artikel 57/20, eerste lid, te dekken, legt ze reserves aan met het niet-aangewende gedeelte tot maximaal 20% van de voormelde subsidie-enveloppe, met uitzondering van het sociaal passief. De organisatie wendt de voormelde reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van haar taken en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen.

Van reserves die op het ogenblik dat het boekjaar wordt afgesloten, met uitzondering van het sociaal passief, meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie-enveloppe, stort de organisatie het bedrag dat de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid.

Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.

Artikel 57/22. (12/10/2023- ...)

De subsidie-enveloppe aan de vormingsorganisatie wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. 

De koppeling aan het indexcijfer, vermeld in het eerste lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen.

HOOFDSTUK VI Toezicht (... - ...)

Artikel 58. (16/07/2009- ...)

Personeelsleden van de administratie oefenen ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de regels, bepaald bij of ter uitvoering van het decreet van 21 maart 2003, door het Vlaams Netwerk, door de verenigingen en opleidingsorganisaties die erkend zijn of een erkenning hebben aangevraagd en door de voorzieningen die een projectsubsidie hebben verkregen of aangevraagd. Het Vlaams Netwerk en die verenigingen, opleidingsorganisaties en voorzieningen stellen aan de personeelsleden die de controle uitoefenen, alle stukken ter beschikking die voor het toezicht noodzakelijk zijn. Ze staan die personeelsleden toe om ter plaatse de naleving van de voorwaarden te verifiëren en alle stappen te ondernemen die daarvoor nodig zijn.

HOOFDSTUK VII Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 59. (16/07/2009- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot uitvoering van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 februari 2005, 31 maart 2006 en 24 november 2006, wordt opgeheven.

Artikel 60. (16/07/2009- ...)

Zolang hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin niet in werking is getreden, worden de bezwaarschriften, vermeld in artikelen 27, 29, 44 en 46, behandeld overeenkomstig hoofdstuk II, afdeling 3, en hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 1998 betreffende de Adviserende Beroepscommissie inzake Gezins- en Welzijnaangelegenheden.

Artikel 61. (16/07/2009- ...)

Alleen de verenigingen die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gesubsidieerd zijn met toepassing van het decreet van 21 maart 2003 en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van het decreet, kunnen in 2009 een aanvraag indienen voor een erkenning die ingaat vanaf 1 januari 2010. In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan die erkenningsaanvraag ingediend worden tot 15 juni 2009. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, deelt de administratie dat, in afwijking van artikel 25, voor 15 juli 2009 mee. In afwijking van artikel 26 beslist de secretaris-generaal voor 15 december 2009 over de erkenning van een vereniging.

In afwijking van artikel 34 kunnen de verenigingen, vermeld in het eerste lid, de aanvraag voor een subsidie voor 2010 indienen tot en met 15 oktober 2009.

Artikel 61/1. (09/03/2012- ...)

In afwijking van artikel 32, § 1, tweede lid, wordt het eerste beleidsplan van een bovenlokale vereniging opgemaakt voor een periode van drie jaar die begint op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2015.

Artikel 61/2. (09/03/2012- ...)

Voor de verenigingen die op de datum van de inwerkingtreding van artikel 28/1 al erkend zijn, gaat de termijn van twaalf maanden, vermeld in artikel 28/1, in na die datum.

Artikel 61/3. (12/10/2023- ...)

Voor de subsidiëring van de VGC voor de Vlaamse beleidsprioriteit lokale kinderarmoedebestrijding gelden tijdens de overgangsjaren 2014 en 2015 de volgende afwijkende bepalingen:
1° in afwijking van artikel 57/14, eerste lid, dient de VGC, uiterlijk op 31 mei 2014 een subsidieaanvraag in bij de administratie om tijdens 2014 en 2015 gesubsidieerd te worden voor de uitvoering van de Vlaamse beleidsprioriteit kinderarmoedebestrijding;
2° in afwijking van artikel 57/14, eerste lid, omvat deze aanvraag de resterende jaren van de lopende VGC-beleidscyclus;
3° in afwijking van artikel 57/14, tweede lid, wordt het kinderarmoedebestrijdingsplan goedgekeurd door het college van de VGC;
4° in afwijking van artikel 57/15 deelt de administratie uiterlijk op 31 augustus 2014 de beslissing van de minister mee aan de VGC om de subsidieaanvraag al dan niet te aanvaarden, en de hoogte van het principieel toe te kennen jaarlijkse subsidiebedrag voor 2014 en 2015;
5° in 2014 keert, in afwijking van de datum, vermeld in artikel 57/16, de administratie uiterlijk op 30 september 2014 aan de VGC het eerste deel uit van het subsidiebedrag dat toegekend is voor de uitvoering van de Vlaamse beleidsprioriteit kinderarmoedebestrijding voor 2014.

Artikel 61/4. (12/10/2023- ...)

§1. In afwijking van artikel 48 dient de erkende opleidingsorganisatie voor 1 juli 2023 het eerste meerjarenplan in, met uitzondering van het jaarplan voor het eerste werkjaar, dat ingediend wordt op uiterlijk 15 september 2023.

In afwijking van artikel 48 start de uitvoering van het eerste meerjarenplan op 1 januari 2024 en loopt af op 31 december 2025.

§2. Alleen de organisaties die op 1 januari 2023 gesubsidieerd zijn voor hun vormingsactiviteiten over armoede en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18/2 van het decreet van 21 maart 2003, en artikel 57/9 en 57/10 van dit besluit, kunnen in 2023 een aanvraag indienen voor een erkenning als vormingsorganisatie over armoede, die ingaat vanaf 1 januari 2024.

In afwijking van artikel 57/9 kan de erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, ingediend worden tot en met 1 juli 2023. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, deelt de administratie dat, in afwijking van artikel 57/12, voor 1 augustus 2023 mee.

In afwijking van artikel 57/15 dient de vormingsorganisatie voor 1 juli 2023 het eerste meerjarenplan in, met uitzondering van het jaarplan voor het eerste werkjaar, dat ingediend wordt op uiterlijk 15 september 2023.

In afwijking van artikel 57/15 start de uitvoering van het eerste meerjarenplan op 1 januari 2024 en loopt af op 31 december 2025.

Artikels 57/21 tot en met 57/24 zijn van toepassing.

Artikel 62. (16/07/2009- ...)

Het decreet van 18 juli 2008 tot wijziging van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding treedt in werking op de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikelen 11 tot en met 14, en artikel 19, die in werking treden op 1 januari 2010.

Artikel 63. (16/07/2009- ...)

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikelen 10 tot en met 22, die in werking treden op 1 januari 2010.

Artikel 64. (16/07/2009- ...)

De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (... - ...)

BIJLAGE (12/10/2023- ...)

...


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 17/07/2024