Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk

Datum 10/09/2010

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Definities
  2. HOOFDSTUK 2. Bouwtechnische en bouwfysische normen
  3. HOOFDSTUK 3. Subsidiabele oppervlakte
  4. HOOFDSTUK 4. Investeringssubsidie
  5. HOOFDSTUK 5. Wijzigingsbepaling
  6. HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen

Inhoud

Aanhef. (... - ...)

De Vlaamse Regering,
Gelet op het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, artikel 6, § 1, en artikel 10, gewijzigd bij het decreet van 16 maart 1999;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor het algemeen welzijnswerk;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 17 juni 2010;

Gelet op advies nr. 48.489/3 van de Raad van State, gegeven op 12 juli 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Definities (... - ...)

Artikel 1. (29/10/2010- ...)

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° centrum voor algemeen welzijnswerk : een door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor algemeen welzijnswerk als vermeld in het decreet betreffende het algemeen welzijnswerk;
2° centrum voor teleonthaal : een door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor teleonthaal als vermeld in het decreet betreffende het algemeen welzijnswerk;
3° sector van het algemeen welzijnswerk : de centra voor algemeen welzijnswerk en de centra voor teleonthaal.

HOOFDSTUK 2. Bouwtechnische en bouwfysische normen (... - ...)

Artikel 2. (19/12/2011- ...)

De infrastructuur met een functionele bestemming in de sector van het algemeen welzijnswerk moet voldoen aan de volgende algemene bouwtechnische en bouwfysische normen om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen :
1° de regelgeving over de brandveiligheid;
2° de regelgeving over de toegang van gehandicapten tot gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek;
3° de regelgeving over de eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat voor gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat;
4° het algemeen reglement inzake elektrische installaties;
5° de typebestekken, opgesteld door het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
6° de regelgeving over de stedenbouw en de ruimtelijke ordening;
7° de regelgeving over de milieuvergunningen;
8° indien van toepassing, de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.

Artikel 3. (08/12/2022- ...)

De infrastructuur van een centrum voor algemeen welzijnswerk moet voldoen aan de volgende specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen :
1° de gebouwen waarover een centrum voor algemeen welzijnswerk beschikt, moeten gemakkelijk toegankelijk en bereikbaar zijn, onder meer met het openbaar vervoer;
2° ...;
3° de lokalen moeten aangepast zijn aan de hulp- en dienstverleningsdoeleinden en de lokalen waar de ontvangst en de hulp- en dienstverlening plaatsvinden of de opvang gebeurt, moeten voldoende geïsoleerd zijn tegen het geluid;
4° de basisinfrastructuur van een centrum voor algemeen welzijnswerk bestaat uit de volgende ruimtes, waarbij de opgegeven nettovloeroppervlakten minima zijn :
a) voor de secretariaatsfunctie :
1) een administratieve ruimte en ontvangstruimte van 20 m2;
2) een archief- en bergruimte van samen 10 m2;
b) voor de hulpverleningsfunctie :
1) een wachtruimte van 10 m2;
2) een multifunctionele ruimte van 25 m2 die opdeelbaar is in functie van de noden van de voorziening;
3) een sanitaire ruimte van 10 m2, met gescheiden toilet voor mannen en vrouwen en met minstens één rolstoeltoegankelijk toilet;
4) een bureauruimte van 12 m2, waar de hulpverlener taken uitvoert zonder dat de cliënt aanwezig is in de ruimte;
5) een gespreksruimte van 16 m2.
5° als een centrum voor algemeen welzijnswerk voorziet in groepsopvang, waarbij de gemeenschappelijke ruimten zich apart van de bewonerskamer bevinden, beschikt het gebouw van het centrum, naast de ruimtes, vermeld in punt 4°, minstens over de volgende ruimtes, die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) een verblijfsruimte. Die bevat de bewonerskamer, inclusief de individuele sanitaire cel met minstens een toilet en wastafel met warm en koud water, de gemeenschappelijke zit-, eet- en sanitaire ruimten voor bewoners en de keuken. De totale nettovloeroppervlakte van de verblijfsruimte bedraagt:
1) voor een eenpersoonskamer: minimaal 25 m2 per kamer, waarvan minimaal 16 m2 privéruimte, exclusief individuele sanitaire cel, en minimaal 4 m2 gemeenschappelijke zit- en eetruimte;
2) voor een tweepersoonskamer: minimaal 30 m2 per kamer, waarvan minimaal 8 m2 per persoon privéruimte, exclusief individuele sanitaire cel en minimaal 4 m2 per persoon gemeenschappelijke zit- en eetruimte;
3) voor een gezinskamer van minstens drie personen per kamer: de totale nettovloeroppervlakte van een tweepersoonskamer, verhoogd met minimaal 8 m2 privéruimte, exclusief individuele sanitaire cel, en minimaal 4 m2 gemeenschappelijke zit- en eetruimte per bijkomende persoon;
b) voldoende sanitair in de nabijheid van de bewonerskamers en van de gemeenschappelijke zit- en eetruimten. Dat sanitair bevat de volgende elementen:
1) één bad of douche per vijf bewoners als er geen individuele douches zijn;
2) ten minste één gemeenschappelijke badkamer met bad en toilet als er individuele douches zijn;
3) voldoende sanitaire ruimten voor bezoekers en personeel;
c) 25% integraal toegankelijke bewonerskamers;
d) 25% integraal toegankelijke gemeenschappelijke badkamers. Die beschikken over een bad of een douche en een rolstoeltoegankelijk toilet met wastafel met warm en koud water. Minstens één gemeenschappelijke integraal toegankelijke badkamer beschikt over een bad en een rolstoeltoegankelijk toilet met wastafel met warm en koud water;
e) voldoende buitenruimte voor gebruikers, bezoekers en personeel;
f) de ruimtes, vermeld in punt a) tot e), voldoen aan de toepasselijke normen inzake woonkwaliteit.
6° als een centrum voor algemeen welzijnswerk voorziet in studiowonen, waarbij alle ruimtes, vermeld in dit punt, zich in één ruimte bevinden, met uitzondering van punt 6°, b) en d), beschikt het gebouw van het centrum, naast de ruimtes, vermeld in punt 4°, minstens over de volgende ruimtes, die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) een verblijfsruimte. Die bevat de bewonerskamer, de sanitaire cel met minstens een toilet, een wastafel met warm en koud water en een bad of douche, de zit- en eetruimten voor bewoners en de keuken. De totale nettovloeroppervlakte van de verblijfsruimte bedraagt:
1) voor een eenpersoonsstudio: minimaal 25 m2;
2) voor een tweepersoonsstudio: minimaal 30 m2;
3) voor een gezinsstudio van minstens 3 personen per studio: de totale nettovloeroppervlakte van de tweepersoonsstudio, vermeerderd met 12 m2 per bijkomende persoon;
b) voldoende buitenruimte voor gebruikers, bezoekers en personeel;
c) 25% integraal toegankelijke studio's;
d) één gemeenschappelijke badkamer met een bad en een toilet met wastafel met warm en koud water;
e) de ruimtes, vermeld in punt a) tot d), voldoen aan de toepasselijke normen inzake woonkwaliteit";
"De Vlaamse minister, bevoegd voor de zorginfrastructuur, kan, op verzoek van de voorziening, een afwijking toestaan van de normen, vermeld in het eerste lid, 5°, a) 1), 2) en 3), en c) en d). Een afwijking kan alleen worden toegestaan als minimaal de volgende ruimten aanwezig zijn:
1° één integraal toegankelijke bewonerskamer;
2° één gemeenschappelijke badkamer die minstens beschikt over een bad en een toilet met wastafel met warm en koud water als er een integraal toegankelijke bewonerskamer met rolstoeltoegankelijke douche is. Als er geen integraal toegankelijke bewonerskamer met rolstoeltoegankelijke douche is, is er één integraal toegankelijke gemeenschappelijke badkamer, die minstens beschikt over een bad en een toilet met wastafel met warm en koud water.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de zorginfrastructuur, kan, op verzoek van de voorziening, een afwijking toestaan van de normen, vermeld in het eerste lid, 6°, a), 1), 2) en 3), en c). Een afwijking kan alleen worden toegestaan als er minimaal één integraal toegankelijke studio aanwezig is.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de zorginfrastructuur, kan de voorwaarden bepalen waaronder de afwijkingen, vermeld in het derde en het vierde lid, kunnen worden toegestaan.

Artikel 4. (20/07/2019- ...)

De infrastructuur van een centrum voor teleonthaal moet voldoen aan de volgende specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen :
1° ...;
2° de lokalen moeten aangepast zijn aan de hulpverleningsdoeleinden en ze moeten voldoende geïsoleerd zijn tegen het geluid;
3° de basisinfrastructuur van een centrum voor teleonthaal bestaat uit de volgende ruimtes, waarbij de opgegeven nettovloeroppervlakten minima zijn :
a) een administratieve ruimte en ontvangstruimte van 20 m2;
b) een multifunctionele ruimte van 25 m2 die opdeelbaar is in functie van de noden van de voorziening;
c) een archief- en bergruimte van samen 10 m2;
d) een sanitaire ruimte van minimum 10 m2, met gescheiden toilet voor mannen en vrouwen, en met minstens één rolstoeltoegankelijke toilet;
e) een werkruimte voor vrijwilligers van 20 m2;
f) per voltijds equivalent van de door de Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen, aanvaarde personeelsformatie voor de inhoudelijke medewerkers, 12 m2 bureauruimte.

Artikel 5. (29/10/2010- ...)

De bouwfysische normen, vermeld in artikel 2 tot en met 4, gelden met behoud van de toepassing van de wetgeving over veiligheid, hygiëne, comfort en bescherming van de arbeid.

HOOFDSTUK 3. Subsidiabele oppervlakte (... - ...)

Artikel 6. (08/12/2022- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder subsidiabele oppervlakte : de som van de per bouwlaag berekende nuttige vloeroppervlakte, buitenmuren inbegrepen, die in aanmerking wordt genomen voor subsidiëring.

De subsidiabele oppervlakte bedraagt maximaal :
1° voor een centrum voor algemeen welzijnswerk:
a) 50 m2 per tegelijk aanwezige fysieke persoon. Het aantal tegelijk aanwezige fysieke personen wordt berekend door het aantal voltijdsequivalenten, vermeld in het besluit waarmee de erkenning wordt toegekend, te vermenigvuldigen met 2,68;
b) als het centrum voorziet in residentiële opvang, wordt de subsidiabele oppervlakte verhoogd met:
1) 37 m2 voor een eenpersoonskamer of -studio;
2) 7,5 m2 bovenop de oppervlakte van een eenpersoonskamer of studio voor een tweepersoonskamer of -studio;
3) 18 m2 bovenop de oppervlakte van een tweepersoonskamer of studio per extra gebruiker vanaf de derde persoon in een gezinskamer of -studio;
2° voor een centrum voor teleonthaal : 50 m2 per voltijds equivalent van de door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, aanvaarde personeelsformatie.

Van de maximale subsidiabele oppervlakte, vermeld in het tweede lid, kan alleen op gemotiveerd verzoek afgeweken worden bij verbouwing of uitbreiding, voor zover de erkennings- en exploitatievoorwaarden dat vereisen.

HOOFDSTUK 4. Investeringssubsidie (... - ...)

Artikel 7. (11/10/2018- ...)

§ 1. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de nieuwbouw, uitrusting en meubilering inbegrepen, is voor de sector van het algemeen welzijnswerk vastgesteld op 550 euro per m2.

§ 2. Voor een nieuwbouw kan een subsidiebelofte worden toegekend voor de projectfasen technische uitrusting, afwerking, uitrusting en meubilering, ook al is de projectfase ruwbouw al aangevat of gerealiseerd voordat de subsidiebelofte voor nieuwbouw wordt aangevraagd. De projectfase ruwbouw wordt dan niet gesubsidieerd. Een subsidiebelofte voor de projectfase uitrusting en meubilering alleen is niet mogelijk. Bij de subsidiebelofte wordt de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in paragraaf 1, dan verdeeld op de volgende wijze:
1° technische uitrusting: 30%;
2° afwerking: 25%;
3° uitrusting en meubilering: 10%.

De projectfase ruwbouw, vermeld in het eerste lid, omvat de gevelsluiting, bovenbouw, onderbouw en dakwerken, en wordt gerealiseerd conform de bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in dit besluit.

Artikel 8. (11/10/2018- ...)

§ 1. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding is voor de sector van het algemeen welzijnswerk vastgesteld op 500 euro per m2.

§ 2. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de eerste uitrusting en meubilering bij uitbreiding is voor de sector van het algemeen welzijnswerk vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt, als dat nodig is, verminderd op basis van de eindafrekening.

De te veel ontvangen investeringssubsidie moet onmiddellijk worden terugbetaald.

§ 3. De totale som van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in paragraaf 1 en 2, kan niet hoger zijn dan het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in artikel 7.

§ 4. Voor een uitbreiding in de sector van het algemeen welzijnswerk kan een subsidiebelofte worden toegekend voor de projectfasen technische uitrusting, afwerking, uitrusting en meubilering, ook al is de projectfase ruwbouw al aangevat of gerealiseerd voordat de subsidiebelofte voor uitbreiding wordt aangevraagd. De projectfase ruwbouw wordt dan niet gesubsidieerd. Een subsidiebelofte voor de projectfase uitrusting en meubilering alleen is niet mogelijk. Bij de subsidiebelofte wordt de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in paragraaf 1, dan verdeeld op de volgende wijze:
1° technische uitrusting: 30%;
2° afwerking: 25%.

De projectfase ruwbouw, vermeld in het eerste lid, omvat de gevelsluiting, bovenbouw, onderbouw en dakwerken, en wordt gerealiseerd conform de bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in dit besluit.

Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de uitrusting en meubilering, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld op 60% van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt verminderd op basis van de eindafrekening als dat nodig is. De te veel ontvangen investeringssubsidie wordt onmiddellijk terugbetaald.

De totale som van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in deze paragraaf, kan niet hoger zijn dan het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in artikel 7, § 2.

Artikel 9. (19/09/2019- ...)

§ 1. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor verbouwingswerken is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt, als dat nodig is, verminderd op basis van de eindafrekening. De te veel ontvangen investeringssubsidie moet onmiddellijk worden terugbetaald.

§ 2. Het basisbedrag van de totale investeringssubsidie voor verbouwingswerken mag ten hoogste 75 % bedragen van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in artikel 8, § 1.

In afwijking van het eerste lid mag het basisbedrag van de totale investeringssubsidie voor verbouwingswerken ten hoogste 100% bedragen van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in artikel 8, § 1 en § 3, als het gaat om een ingrijpende duurzame verbouwing waardoor de realisatie gelijkwaardig wordt aan een nieuwbouw. Die verbouwing voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het betreft een renovatie waarbij de technische installaties om een specifiek binnenklimaat te realiseren, volledig worden vervangen en minstens 75% van de bestaande en nieuwe scheidingsconstructies die het beschermd volume omhullen en die grenzen aan de buitenomgeving, worden geïsoleerd, behalve bij die erfgoedgebouwen waar zulke renovatie niet haalbaar blijkt;
2° het project voldoet aan de minimumeisen en de voorwaarden voor comfort en gebruik van energie, water en materialen, zoals bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
3° het gebouw heeft een functionaliteit die gelijkwaardig is aan een nieuwbouw.

In het tweede lid, 1°, wordt verstaan onder erfgoedgebouw:
1° een beschermd monument als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap of van een beschermd stads- of dorpsgezicht als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
3° een gebouw dat vastgesteld is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
4° een gebouw dat ingeschreven is in de inventaris van het onroerend erfgoed van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overeenkomstig het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening.

§ 3. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de eerste uitrusting en meubilering bij verbouwing is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming, tot maximaal 50 euro per m2. Dat basisbedrag wordt, indien nodig, verminderd op basis van de eindafrekening.

De te veel ontvangen investeringssubsidie moet onmiddellijk worden terugbetaald.

Artikel 10. (19/09/2019- ...)

Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor aankoop met of zonder verbouwing, uitrusting en meubilering inbegrepen, bedraagt maximaal 75 % van het basisbedrag van de investeringssubsidie, vermeld in artikel 7. Als het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de aankoop, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ligt of in een van de centrumsteden, vermeld in artikel 19ter decies van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, bedraagt het basisbedrag van de investeringssubsidie voor aankoop en de noodzakelijk bijbehorende verbouwing, uitrusting en meubilering inbegrepen, maximaal 100 % van het basisbedrag van de investeringssubsidie, vermeld in artikel 7.

Voor de aankoop kan ten hoogste 60 % van de som van de door de Vlaamse Belastingdienst, vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst, geschatte venale waarde van het gebouw en de aan de aankoop verbonden en bewezen notariskosten en registratiebelasting of registratierechten of btw in aanmerking komen voor de investeringssubsidie.

Artikel 11. (19/09/2019- ...)

Tenzij het anders bepaald is, kan er in een periode van twintig jaar na de ingebruikname van een investering die gesubsidieerd is door het Fonds of door zijn rechtsvoorgangers, geen subsidiebelofte worden verkregen voor hetzelfde project of voor een deel van hetzelfde project, ongeacht de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden waarin de subsidie is verkregen.
In afwijking van het eerste lid kan er binnen de periode van twintig jaar, vermeld in het eerste lid, wel een subsidiebelofte worden verkregen als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verbouwing wordt noodzakelijk door gewijzigde regelgeving of gewijzigde veiligheidsvoorschriften;
2° de subsidies zijn uitsluitend verleend om brandveiligheidswerkzaamheden uit te voeren;
3° de subsidies zijn volledig teruggestort of hoeven niet te worden teruggestort, als daarvoor vooraf uitdrukkelijk toestemming is verleend conform artikel 41, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.

Artikel 12. (11/10/2018- ...)

...

Artikel 13. (01/01/2023- ...)

De bedragen, vermeld in artikelen 7, 8 en 9, worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de bouwindex. De basisindex is die van 1 januari 1994.

De aanpassing, vermeld in het eerste lid, wordt doorgevoerd aan de hand van de actualisatieformule 0,40 s/S + 0,40 i/I + 0,20, waarbij :
1° s : het officiële loon in de bouwnijverheid voor categorie 2A, dat van kracht is op 1 januari van het jaar in kwestie;
2° S : 19,885;
3° i : de index van de bouwmaterialen die van kracht is op 1 november voorafgaand aan het jaar in kwestie. Vanaf 1 januari 2023 stemt i overeen met de Index I 2021, zoals berekend door de Federale Overheidsdienst Economie op 1 december voorafgaand aan het jaar in kwestie, na vermenigvuldiging met de coëfficiënt 87,02;
4° I : 3627.

Artikel 14. (11/10/2018- ...)

Behalve voor de aankoop omvat de investeringssubsidie, naast het bedrag dat exclusief btw wordt vastgesteld met toepassing van artikelen 7, 8, 9 en 10, een subsidie voor de btw tegen het geldende tarief en voor de algemene onkosten tegen 10 % . De totale investeringssubsidie wordt als volgt berekend : basisbedrag + geldende btw op het basisbedrag + algemene onkosten à 10 % op het basisbedrag + geldende btw op de algemene onkosten.

HOOFDSTUK 5. Wijzigingsbepaling (... - ...)

Artikel 15. (29/10/2010- ...)

In artikel 15, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, 24 juli 2009, 18 juni 2010 en 16 juli 2010, wordt punt d) vervangen door wat volgt :

"d) artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk;".

HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 16. (29/10/2010- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor het algemeen welzijnswerk, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, 1 juni 2001 en 30 mei 2008, wordt opgeheven.

Artikel 17. (29/10/2010- ...)

Voor de dossiers waarvoor de subsidiebelofte werd gegeven voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, gelden de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 18. (29/10/2010- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 13/04/2024