Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid [citeeropschrift "het Energiebesluit van 19 november 2010"]

Datum 19/11/2010

Inhoudstafel

  1. TITEL I. Algemene bepalingen
  2. TITEL II. Het Vlaams Energieagentschap
    1. HOOFDSTUK I. Benaming, doel en taakstelling van het Vlaams Energieagentschap
    2. HOOFDSTUK II. Aansturing en leiding van het Vlaams Energieagentschap
    3. HOOFDSTUK III. Delegatie van beslissingsbevoegdheden
    4. HOOFDSTUK IV. Controle, opvolging en toezicht
  3. TITEL III. Organisatie van de elektriciteits- en gasmarkt
    1. HOOFDSTUK I. Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest
      1. Afdeling I. De voorwaarden waaraan de netbeheerder moet voldoen
        1. [Onderafdeling I. De voorwaarden betreffende financiële, technische en organisatorische capaciteit (verv. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 17 mei 2019)]
        2. Onderafdeling II. De voorwaarden betreffende de professionele betrouwbaarheid
        3. Onderafdeling III. De voorwaarden betreffende het eigendoms- of exploitatierecht op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit
        4. [Onderafdeling IV. De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van producenten, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen, aanbieders van energiediensten, ESCO's, aggregatoren en aardgasinvoerders (verv. BVR 17 mei 2019, art. 6, I: 21 juni 2019)]
        5. [Onderafdeling V. De voorwaarden betreffende capaciteit om bij de uitoefening van activiteiten inzake databeheer te voldoen aan de vereisten van de algemene verordening gegevensbescherming (ing. BVR 17 mei 2019, art. 17, I: 21 juni 2019)]
        6. [Onderafdeling VI. De voorwaarden betreffende de capaciteit om de uniforme voorwaarden voor een continu risicobeheersingssysteem na te leven (ing. BVR 17 mei 2019, art. 17, I: 21 juni 2019)]
      2. Afdeling II. De procedure tot aanwijzing van een netbeheerder
        1. Onderafdeling I. Algemene bepalingen
        2. Onderafdeling II. De voorwaardelijke aanwijzing als netbeheerder
        3. Onderafdeling III. Beëindiging van de aanwijzing als netbeheerder
      3. Afdeling III. De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij
      4. Afdeling IV. Informatieverstrekking door de netbeheerder
      5. Afdeling V. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder
        1. [Onderafdeling I. Tijdsafhankelijke tarieven (verv. BVR 17 mei 2019, art. 21, I: 21 juni 2019)]
        2. Onderafdeling II. Openbare verlichting
      6. [Afdeling VI. Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder (ing. BVR 12 oktober 2012, art. 1, I: 1 december 2012)]
      7. [Afdeling VII. Voorwaarden en procedures voor de forfaitaire vergoedingsplichten van de netbeheerder (ing. BVR 10 juli 2015, art. 3, I: 20 augustus 2015)]
      8. [Afdeling VIII. Uitzonderingen op de tenlasteneming van een rendabel deel van de kosten door de distributienetbeheerder (ing. BVR 28 april 2017, art. 1, I: 5 juni 2017)]
      9. [Afdeling IX. Digitale meters (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]
        1. [Onderafdeling I. Digitale meter voor elektriciteit (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]
        2. [Onderafdeling II. Digitale meter voor aardgas (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]
        3. [Onderafdeling III. Plaatsing (ing. BVR 21 juni 2019, art. 28, I: 21 juni 2019)]
        4. [Onderafdeling IV. Uitlezen van de digitale meter (ing. BVR 21 juni 2019, art. 29, I: 21 juni 2019)]
      10. [Afdeling X. Verwerking van gegevens (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]
        1. [Onderafdeling I. Recht op informatie van de netgebruiker (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]
        2. [Onderafdeling II. Voorwaarden waaronder de netbeheerder een beroep kan doen op derden om persoonsgegevens te verwerken (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]
        3. [Onderafdeling III. Risicobeheersingssysteem (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]
    2. HOOFDSTUK II. Levering
      1. Afdeling I. De voorwaarden waaraan de houder van een leveringsvergunning moet voldoen
        1. Onderafdeling I. De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit
        2. Onderafdeling II. De voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid
        3. Onderafdeling III. De voorwaarden betreffende capaciteit om aan de behoeften van de klant te voldoen
        4. Onderafdeling IV. De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de houder van een leveringsvergunning ten opzichte van de netbeheerders
      2. Afdeling II. De procedure tot toekenning van een leveringsvergunning
      3. Afdeling III. Opheffing van de leveringsvergunning
      4. Afdeling IV. Controlewijziging, fusie of splitsing
      5. Afdeling V. Informatieverstrekking door de houder van een leveringsvergunning
  4. [TITEL III/1. De organisatie van de werking van warmte- en koudenetten en warmtemetingen in het Vlaamse Gewest (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]
    1. [HOOFDSTUK I. Uitzonderingen op de plaatsing van individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]
    2. [HOOFDSTUK II. Voorwaarden waaraan verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik moeten voldoen (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]
      1. [Afdeling I. Voorwaarden voor individuele en centrale verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]
      2. [Afdeling II. Specifieke voorwaarden voor individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]
    3. [HOOFDSTUK III. Meldingsplicht aan de VREG (ing. BVR 1 februari 2019, art. 15, I: 1 april 2019)]
    4. [HOOFDSTUK IV. Informatieverstrekking door de warmte- of koudeleverancier (ing. BVR 1 februari 2019, art. 16, I: 1 april 2019)]
  5. TITEL IV. [Energiefraude (verv. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]
    1. [Afdeling I. Procedure voor het afsluiten van de toevoer van elektriciteit of aardgas voor regularisatie (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]
    2. [Afdeling I/1. Procedure voor de afsluiting van de toevoer van thermische energie voor regularisatie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 17, I: 1 april 2019)]
    3. [Afdeling II. Berekening van het onrechtmatig verkregen voordeel (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]
    4. [Afdeling III. Verwerking van persoonsgegevens (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]
  6. TITEL V. Sociale energiemaatregelen
    1. HOOFDSTUK I. Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een leverancier
    2. HOOFDSTUK II. Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de leverancier
    3. HOOFDSTUK III. Budgetmeter voor elektriciteit
      1. Afdeling I. Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor elektriciteit bij wanbetaling ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder
      2. Afdeling II. Minimale levering van elektriciteit
      3. Afdeling III. Het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit
      4. Afdeling IV. Uitschakelen en herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit
      5. Afdeling V. Schuldafbouw via de budgetmeter voor elektriciteit
      6. Afdeling VI. Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij wanbetaling
    4. HOOFDSTUK IV. Budgetmeter voor aardgas
      1. Afdeling I. Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor aardgas bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder
      2. Afdeling II. Minimale levering van aardgas
      3. Afdeling III. Het opladen van de budgetmeter voor aardgas
      4. Afdeling IV. Schuldafbouw via de budgetmeter voor aardgas
      5. Afdeling V. Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder als er geen budgetmeter voor aardgas is geplaatst
    5. HOOFDSTUK V. Afsluiten en heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer
      1. Afdeling I. Afname van elektriciteit of aardgas zonder leveringscontract na een verhuizing
      2. Afdeling II. Fraude
      3. Afdeling III. Leegstaande woning
      4. Afdeling IV. Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling
      5. Afdeling V. Afsluiten in de winterperiode
      6. Afdeling VI. Heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer
      7. Afdeling VII. Uitwisseling van gegevens
      8. [Afdeling VIII. Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer via een oplaadblokkade (ing. BVR 7 september 2012, art. 8, I: 26 oktober 2012)]
    6. HOOFDSTUK VI. Overige sociale openbaredienstverplichtingen
    7. HOOFDSTUK VII. Sociale statistieken
  7. [TITEL V/1. Sociale energiemaatregelen voor warmte- of koudenetten (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    1. [HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    2. [HOOFDSTUK II. Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een warmte- of koudeleverancier (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    3. [HOOFDSTUK III. Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de warmte- of koudeleverancier(ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    4. [HOOFDSTUK IV. Afsluiten en heraansluiten van de toevoer van thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      1. [Afdeling I. Afname van thermische energie zonder leveringscontract na een verhuizing (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      2. [Afdeling II. Gezamenlijke afsluiting (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      3. [Afdeling III. Leegstaande woning (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      4. [Afdeling IV. Afsluiten in de winterperiode (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      5. [Afdeling V. Heraansluiten van de toevoer van thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
      6. [Afdeling VI. Uitwisseling van gegevens (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    5. [HOOFDSTUK V. Overige sociale openbaredienstverplichtingen (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    6. [HOOFDSTUK VI. Sociale statistieken (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
    7. [HOOFDSTUK VII. Financiering van de openbaredienstverplichtingen voor thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]
  8. TITEL VI. Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik
    1. HOOFDSTUK I. Groenestroomcertificaten
      1. Afdeling I. Definities
      2. Afdeling II. [De behandeling van standaard- en expertisedossiers inzake groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 5, I: 1 april 2014)]
        1. Onderafdeling I. [Het aanvragen van groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 6, I: 1 april 2014)]
        2. Onderafdeling II. De voorwaarden voor toekenning van groenestroomcertificaten
        3. Onderafdeling III. [De berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 11, I: 1 april 2014)]
      3. Afdeling III. [De toekenning en registratie van groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 20, I: 1 april 2014)]
      4. Afdeling IV. Het gebruik van de groenestroomcertificaten
        1. Onderafdeling I. Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting
        2. Onderafdeling II. Het gebruik van groenestroomcertificaten als garanties van oorsprong
        3. Onderafdeling III. De handel in groenestroomcertificaten
    2. HOOFDSTUK II. Warmtekrachtcertificaten
      1. Afdeling I. Definities
      2. Afdeling II. [De behandeling van expertisedossiers met betrekking tot warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 23, I: 1 april 2014)]
        1. Onderafdeling I. [Het aanvragen van warmte-krachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 24, I: 1 april 2014)]
        2. Onderafdeling II. De voorwaarden voor toekenning van warmtekrachtcertificaten
        3. Onderafdeling III. [De berekening van het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]
      3. Afdeling III. [De toekenning en registratie van warmte-krachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 34, I: 1 april 2014)]
      4. Afdeling IV. Het gebruik van warmtekrachtcertificaten
        1. Onderafdeling I. Het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting
        2. Onderafdeling II. Het gebruik van warmtekrachtcertificaten als garantie van oorsprong
        3. Onderafdeling III. Handel in warmtekrachtcertificaten
    3. [HOOFDSTUK II/1. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren door het Vlaams Energieagentschap (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
      1. [Afdeling I. Gemeenschappelijke bepalingen (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
      2. [Afdeling II. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren voor groenestroom- en warmtekrachtkoppeling voor projecten uit representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
        1. [Onderafdeling I. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor nieuwe groenestroomprojecten (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
        2. [Onderafdeling II. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor lopende groenestroomprojecten (ing. BVR 12 december 2012, art. 21)]
        3. [Onderafdeling III. Berekening van de bandingfactoren voor kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
        4. [Onderafdeling IV. Rapport van het Vlaams Energieagentschap (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
        5. [Onderafdeling V. Vastlegging van de bandingfactoren (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
      3. [Afdeling II. Berekening van projectspecifieke onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
      4. [Afdeling III. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor groenestroomprojecten met startdatum voor 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]
    4. [HOOFDSTUK II/2. Rapport van de VREG betreffende de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten (ing. BVR 21 december 2012, art. 22)]
    5. [HOOFDSTUK II/3. Garanties van oorsprong (verv. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
      1. [Afdeling 1. Algemene bepalingen over de aanvraag en de berekening van de energieproductie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        1. [Onderafdeling 1. Behandeling van de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        2. [Onderafdeling 2. Maandelijkse berekening van de productie die recht geeft op garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        3. [Onderafdeling 3. Voorwaarden tot toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        4. [Onderafdeling 4. Vereiste berekeningen bij de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        5. [Onderafdeling 5. Melding van wijzigingen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        6. [Onderafdeling 6. Controle door de productieregistrator (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        7. [Onderafdeling 7. Rol van de productiecoördinator (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
      2. [Afdeling 2. Specifieke bepalingen over de aanvraag en berekening van de energieproductie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        1. [Onderafdeling 1. Productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en warmte-krachtkoppeling (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        2. [Onderafdeling 2. Productie van gas uit hernieuwbare energiebronnen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
        3. [Onderafdeling 3. Productie van warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
      3. [Afdeling 3. Beheer, toekenning, handel, gebruik, verval en vernietiging van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]
    6. [HOOFDSTUK III. Informatieverlening over oorsprong en milieugevolgen van geleverde energie (verv. BVR 17 mei 2019, art. 4, I: 17 augustus 2019)]
    7. HOOFDSTUK IV. Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers, distributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
      1. Afdeling I. [Openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik (verv. BVR 23 september 2011, art. 7)]
        1. [Onderafdeling 1 Actieverplichtingen (ing. BVR 23 september 2011, art. 7)]
        2. [Onderafdeling 2 Financiering (ing. BVR 23 september 2011, art. 7)]
      2. Afdeling II. [Openbaredienstverplichtingen voor de uitbouw van de infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen (verv. BVR 25 maart 2016, art. 3, I: 23 april 2016)]
      3. Afdeling III.[Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 10 januari 2014, art. 3, I: 24 februari 2014)]
        1. Onderafdeling I. Beperking van aansluitingskosten
        2. Onderafdeling II. Voorrang
        3. [Onderafdeling III. Banking van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit (ing. BVR 10 januari 2014, art. 4, I: 24 februari 2014)]
        4. [Onderafdeling IV. Vergoeding voor de opkoop van groenestroomcertificaten door de netbeheerders (verv. BVR 21 oktober 2016, art. 3, I: 25 december 2016)]
        5. [Onderafdeling V. Vergoeding voor de opkoop van warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders (ing. BVR 20 december 2017, art. 2, I: 28 december 2017)]
      4. Afdeling IV. [Rapportering van de elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit (verv. BVR 23 september 2011, art. 9)]
        1. Onderafdeling I. REG-actieplan
        2. Onderafdeling II. [... (opgeh. BVR 23 september 2011, art. 12)]
        3. Onderafdeling III. [... (opgeh. BVR 23 september 2011, art. 12)]
      5. Afdeling V. Actieverplichtingen voor de aardgasdistributienetbeheerders
      6. Afdeling VI. Actieverplichtingen voor de leveranciers van elektriciteit
      7. Afdeling VII. Actieverplichtingen voor de leveranciers van aardgas
      8. Afdeling VIII. [Toegang van de netbeheerders tot de energieprestatiedatabank en de energieprestatiecertificatendatabank (ing. BVR 15 juli 2016, art. 24, I: 25 september 2016)]
    8. [HOOFDSTUK IV/1. Openbaredienstverplichtingen voor de installateurs van hernieuwbare energiesystemen (ing. BVR 26 januari 2018, art. 4, I: 1 mei 2018)]
    9. HOOFDSTUK V. Energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen
      1. Afdeling I. Opmaak en inhoud van de energieplannen en energiestudies
      2. Afdeling II. Conformverklaring van energieplannen
      3. Afdeling III. Aanvaarding van energiedeskundigen
      4. Afdeling IV. Actualisering van het energieplan
      5. Afdeling V. Overzichtrapport van de overheid
    10. [HOOFDSTUK VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten voor elektro-intensieve ondernemingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]
      2. [Afdeling II. De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de beperking van het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten voor elektro-intensieve ondernemingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]
      3. [Afdeling III. Uitsluitingsgevallen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]
  9. TITEL VII. Tegemoetkomingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen [... (geschr. BVR 10 juli 2015, art. 15, I: 30 augustus 2015)]
    1. HOOFSTUK I. [Gemeenschappelijke bepalingen (verv. BVR 13 september 2013, art. 4, I: 30 november 2013)]
    2. HOOFSTUK II. Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen
      1. Afdeling I. Toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK's en warmtepompen
      2. Afdeling II. Toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in residentiële gebouwen
      3. Afdeling III. Toekenning van subsidies aan energieconsulentenprojecten
        1. Onderafdeling I. Toepassingsgebied
        2. Onderafdeling II. Algemene voorwaarden
        3. Onderafdeling III. Procedure
        4. Onderafdeling IV. Beoordelingscriteria
        5. Onderafdeling V. Uitbetaling van de subsidie
      4. [Afdeling IV. Toekenning van steun voor energetische renovatieprojecten van noodkoopwoningen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        1. [Onderafdeling I. Algemene voorwaarden (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        2. [Onderafdeling II. Procedure (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        3. [Onderafdeling III. Beoordelingscriteria (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        4. [Onderafdeling IV. Uitbetaling van de subsidie (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        5. [Onderafdeling V. Opvolging en begeleiding (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
        6. [Onderafdeling VI. Controle en sanctie (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]
    3. HOOFSTUK III. Marktintroductieprogramma
    4. [HOOFDSTUK IV. (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)] [Ondersteuning van nuttige groene warmte (verv. BVR 17 juli 2015, art. 2, I: 5 september 2015)][... (opgeh. BVR 30 november 2018, art. 2, I: 3 maart 2019)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
      2. [Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
      3. [Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 13 september 2013, art. 3)]
      4. [Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
    5. [HOOFDSTUK V. Ondersteuning van restwarmte (ing. BVR 13 september 2013, art. 1, I: 30 november 2013)][en energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling (ing. BVR 30 november 2018, art. 7, I: 3 maart 2019)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]
      2. [Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]
      3. [Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]
      4. [Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]
    6. [HOOFDSTUK VI. Ondersteuning van de (ing. BVR 13 september 2013, art. 2)][productie en injectie (verv. BVR 30 november 2018, art. 12, I: 3 maart 2019)][van biomethaan (ing. BVR 13 september 2013, art. 2)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
      2. [Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
      3. [Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
      4. [Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]
    7. [HOOFDSTUK VII. Instrumenten ter ondersteuning van nuttige-groenewarmte-installaties, installaties voor de benutting van restwarmte en stadsverwarming en -koeling (verv. BVR 30 november 2018, art. 17, I: 3 maart 2019)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (verv. BVR 30 november 2018, art. 17, I: 3 maart 2019]
      2. [Afdeling II. Steun voor studies (verv. BVR 30 november 2018, art. 17, I: 3 maart 2019)]
    8. [HOOFDSTUK VIII. Premie voor zero-emissievoertuigen (ing. BVR 8 januari 2016, art. 2, I: 14 januari 2016)]
    9. [HOOFDSTUK IX. Energiehuizen (verv. BVR 14 december 2018, art. 4, I: 21 januari 2019)]
      1. [Afdeling I. Voorwaarden voor de energiehuizen (verv. BVR 14 december 2018, art. 5, I: 21 januari 2019)]
      2. [Afdeling II. Taken van de energiehuizen (verv. BVR 14 december 2018, art. 7, I: 21 januari 2019)]
        1. [Onderafdeling I. Energieleningen (ing. BVR 14 december 2018, art. 8, I: 21 januari 2019)]
        2. [Onderafdeling II. - Andere basistaken van de energiehuizen (ing. BVR 14 december 2018, art. 10, I: 21 januari 2019)]
      3. [Afdeling III. Vergoedingen (ing. BVR 19 mei 2017, art. 5, I: 16 juni 2017)]
        1. [Onderafdeling I. - Vergoedingen voor het verstrekken en beheren van energieleningen (ing. BVR 14 december 2018, art. 11, I: 21 januari 2019)]
        2. [Onderafdeling II. - Vergoedingen voor de basistaken (ing. BVR 14 december 2018, art. 13, I: 21 januari 2019)]
        3. [Onderafdeling III. - Vernieuwende en experimentele activiteiten (ing. BVR 14 december 2018, art. 14, I: 21 januari 2019)]
      4. [Afdeling IV. Kwijtschelding (ing. BVR 19 mei 2017, art. 5, I: 16 juni 2017)]
    10. [HOOFDSTUK X. Premies voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties tot en met 10 kWe (ing. BVR 15 december 2017, art. 15, I: 5 februari 2018)]
    11. [ HOOFDSTUK XI. Ondersteuning van kleine en middelgrote windturbines (ing. BVR 7 september 2018, art. 3, I: 28 november 2018)]
      1. [Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 7 september 2018, art. 3, I: 28 november 2018)]
      2. [ Afdeling II. Voorwaarden voor de toekenning van de ondersteuning(ing. BVR 7 september 2018, art. 3, I: 28 november 2018)]
      3. [Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 7 september 2018, art. 3, I: 28 november 2018)]
      4. [Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 7 september 2018, art. 3, I: 28 november 2018)]
    12. [HOOFDSTUK XII. Sloop- en heropbouwpremie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 1, I: 1 maart 2019)]
    13. [HOOFDSTUK XIII. Het in mindering brengen van de elektrische productie van de afname en de minimale terugleververgoeding voor elektriciteit die opgewekt is uit hernieuwbare energiebronnen en WKK door decentrale productie-installaties met een nominaal vermogen van maximaal 10 kVA (ing. BVR 17 mei 2019, art. 34, I: 21 juni 2019)]
    14. [HOOFDSTUK XIV. Premie voor stationaire installatie voor elektrochemische opslag van elektriciteit (ing. BVR 28 juni 2019, art. 1, I: 1 augustus 2019)]
  10. TITEL VIII. [Erkenning van energiedeskundigen, verslaggevers, opleidings- en exameninstellingen en de certificering van aannemers en installateurs (verv. BVR 4 april 2014, art. 1, I: 18 mei 2014)]
    1. HOOFDSTUK I. Erkenning als energiedeskundige type A, type B, type C en type D
    2. HOOFDSTUK II. Interne energiedeskundige voor publieke gebouwen
    3. HOOFDSTUK III. [... (opgeh. BVR 8 september 2017, art. 3, I: 1 januari 2018)]
      1. Afdeling I. [... (opgeh. BVR 8 september 2017, art. 3, I: 1 januari 2018)]
      2. Afdeling II. [... (opgeh. BVR 8 september 2017, art. 3, I: 1 januari 2018)]
    4. [HOOFDSTUK IV. Opleidings- en exameninstellingen voor de certificering van aannemers en installateurs (ing. BVR 19 juli 2013, art. 5, I:15 februari 2014 wat betreft de certificering van aannemers en installateurs, de berekening voor de onrendabele toppen, gebouwgebonden fotovoltaïsche installaties en de implementatie van de Epicoolstudie )]
    5. [HOOFDSTUK V. Certificering van aannemers en installateurs (ing. BVR 19 juli 2013, art. 5, I:15 februari 2014 wat betreft de certificering van aannemers en installateurs, de berekening voor de onrendabele toppen, gebouwgebonden fotovoltaïsche installaties en de implementatie van de Epicoolstudie )]
    6. [HOOFDSTUK VI. Erkenning als verslaggever (ing. BVR 4 april 2014, art. 2, I: 18 mei 2014)]
    7. [HOOFDSTUK VII. Erkenning als exameninstelling voor energiedeskundigen en verslaggevers (verv. BVR 8 september 2017, art. 6, I: 1 januari 2018)]
      1. Afdeling I [... (opgeh. BVR 8 september 2017, art. 6, I: 1 januari 2018)]
      2. Afdeling II [... (opgeh. BVR 8 september 2017, art. 6, I: 1 januari 2018)]
  11. TITEL IX. Energieprestatie van gebouwen
    1. HOOFDSTUK I. Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen
      1. Afdeling I. Algemene bepalingen
      2. Afdeling II. EPB-eisen bij nieuwbouw
        1. Onderafdeling I. Thermische isolatie
        2. Onderafdeling II. Ventilatie
        3. Onderafdeling III. E-peil en oververhitting
        4. [Onderafdeling III/1. Netto-energiebehoefte voor verwarming (ing. BVR 20 mei 2011, art. 7, I: 8 september 2011)]
        5. [Onderafdeling III/2. Aandeel hernieuwbare energie (ing. BVR 28 september 2012, art. 2)]
        6. [Onderafdeling III/3. Eisen aan technische installaties (ing. BVR 13 januari 2017, art. 13, I: 1 maart 2017)]
        7. [Onderafdeling III/4. S-peil (ing. BVR 27 oktober 2017, art. 1, I: 9 december 2017)]
        8. Onderafdeling IV. EPB-haalbaarheidsstudies voor alternatieve energiesystemen
      3. [Afdeling III. EPB-eisen bij renovatie en functiewijziging (verv. BVR 20 mei 2011, art. 20)]
        1. [Onderafdeling I. Renovatie (ing. BVR 20 mei 2011, art. 20)]
        2. [Onderafdeling II - ... (opgeh. BVR 13 januari 2017, art. 14, I: 1 maart 2017)]
        3. [Onderafdeling III. Ingrijpende energetische renovatie (ing. BVR 29 november 2013, art. 15, I: 1 januari 2014)]
      4. Afdeling IV. Vrijstellingen en afwijkingen
      5. Afdeling V. Uitvoeringsmaatregelen
      6. Afdeling VI. Overgangs- en slotbepalingen
    2. HOOFDSTUK II. Energieprestatiecertificaten
      1. Afdeling I. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen
        1. Onderafdeling I. Opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen
        2. Onderafdeling II. Overdracht van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur
      2. [Afdeling I/1. Het energieprestatiecertificaat gemeenschappelijke delen (ing. BVR 30 november 2018, art. 46, I: 6 januari 2019)]
      3. Afdeling II. Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen
        1. Onderafdeling I. Opmaak van het energieprestatiecertificaat [grote (ing. BVR 30 november 2018, art. 47, I: 6 januari 2019)] niet-residentiële gebouwen
        2. [Onderafdeling I/1. Het energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen (ing. BVR 30 november 2018, art. 50, I: 6 januari 2019)]
        3. Onderafdeling II. Overdracht van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur
      4. Afdeling III. Het energieprestatiecertificaat bouw
      5. Afdeling IV. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen
        1. Onderafdeling I. Opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen
        2. Onderafdeling II. Berekening van het kengetal publiek
    3. HOOFDSTUK III. De energieaudit residentieel
  12. TITEL X. Energiebeleidsrapportering
  13. [TITEL X/1. Regelluwe zones voor energie (ing. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 29 april 2019)]
    1. [HOOFDSTUK I Procedure en voorwaarden voor de erkenning als regelluwe zone voor energie (ing. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 29 april 2019)]
    2. [HOOFDSTUK II Verlenging van de erkenning als regelluwe zone voor energie (ing. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 29 april 2019)]
    3. [HOOFDSTUK III Schorsing, intrekking en stopzetting van de erkenning als regelluwe zone voor energie (ing. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 29 april 2019)]
    4. [HOOFDSTUK IV Rapporteringsverplichtingen (ing. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 29 april 2019)]
  14. TITEL XI. Toezicht en sancties
    1. HOOFDSTUK I. Toezicht door het Vlaams Energieagentschap
      1. Afdeling I. [Controle op de gevolgde opleidingen van][de verslaggevers, (ing. BVR 8 september 2017, art. 8, I: 1 januari 2018)] [de energiedeskundigen type A, type B, type C, type D en de interne energiedeskundigen, op de erkende opleidings- en exameninstellingen en op de certificaten van bekwaamheid (verv. BVR 19 juli 2013, art. 6, I: 15 februari 2015 wat betreft de certificering van aannemers en installateurs, de berekening voor de onrendabele toppen, gebouwgebonden fotovoltaïsche installaties en de implementatie van de Epicoolstudie)]
      2. Afdeling II. Controle op de energiebeleidsrapportering
      3. [Afdeling III. Controle op de naleving van de banking van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit (ing. BVR 10 januari 2014, art. 6, I: 24 februari 2014)][en op de vergoeding voor de opkoop van groenestroomcertificaten [en warmtekrachtcertificaten (ing. BVR 20 december 2017, art. 3, I: 28 december 2017)] door de netbeheerders (ing. BVR 21 oktober 2016, art. 4, I: 25 december 2016)]
      4. [Afdeling IV. Controle op de openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik (ing. BVR 29 november 2013, art. 31, I: 1 januari 2014)]
      5. [Afdeling V. Controle betreffende de berekening van groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten, onrendabele toppen en bandingfactoren (ing. BVR 9 mei 2014, art. 46, I: 1 april 2014)]
      6. [Afdeling VI. Controle op de naleving van de vergoedingen aan de energiehuizen (ing. BVR 19 mei 2017, art. 6, I: 16 juni 2017)]
      7. [Afdeling VII. Controle voor de sloop- en heropbouwpremie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 2, I: 1 maart 2019)]
    2. [HOOFDSTUK I/1. Toezicht door de VREG (ing. BVR 9 mei 2014, art. 47, I: 1 april 2014)]
    3. [HOOFDSTUK I/2. Toezicht door de afdeling, bevoegd voor milieu-inspectie (ing. BVR 9 mei 2014, art. 48, I: 3 juni 2014)]
    4. [HOOFDSTUK I/3. Toezicht door de netbeheerders (ing. BVR26 januari 2018, art. 8, I: 1 mei 2018)]
    5. HOOFDSTUK II. Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap
      1. Afdeling I. Schorsing of intrekking van de erkenning van energiedeskundigen
      2. Afdeling II. Sanctieprocedure bij niet - naleving van beleidsrapportering
      3. Afdeling III. Dwangbevel
      4. [Afdeling IV. Intrekking van de erkenning van een opleidings- en exameninstelling (ing. BVR 19 juli 2013, art. 7, I: 15 februari 2014 wat betreft de certificering van aannemers en installateurs, de berekening voor de onrendabele toppen, gebouwgebonden fotovoltaïsche installaties en de implementatie van de Epicoolstudie)]
      5. [Afdeling V. Intrekking van het certificaat van bekwaamheid en certificaat van bekwaamheid aspirant (ing. BVR 19 juli 2013, art. 19, I: 15 februari 2014 wat betreft de certificering van aannemers en installateurs, de berekening voor de onrendabele toppen, gebouwgebonden fotovoltaïsche installaties en de implementatie van de Epicoolstudie)]
      6. [Afdeling VI. - Schorsing en intrekking van de erkenning van de verslaggever (ing. BVR 4 april 2014, art. 7, I: 18 mei 2014)]
  15. TITEL XII. Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
    1. HOOFDSTUK I. Wijzigingsbepalingen
      1. Afdeling I. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning
      2. Afdeling II. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen
      3. Afdeling III. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
      4. Afdeling IV. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas
      5. Afdeling V. Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie
      6. Afdeling VI. Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen
      7. Afdeling VII. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding
      8. Afdeling VIII. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten
      9. Afdeling IX. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen
      10. Afdeling X. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen
      11. Afdeling XI. Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering
    2. HOOFDSTUK II. Opheffingsbepalingen
    3. HOOFDSTUK III. Overgangsbepalingen
    4. HOOFDSTUK IV. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, artikel 6, § 1, VII, h), artikel 20 en artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 57, § 4, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008;

Gelet op het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, artikel 6, § 2 en artikel 7, derde lid;

Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - Verklaring van openbaar nut;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 december 1933 tot regeling van het innen der rechten wegens gebruik van het openbaar domein voor elektrische leidingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 oktober 1967 betreffende de inrichting en de werking van het Vast-Electrotechnisch Comité en van de vaste afdelingen van dit comité;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen bedoeld bij de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van een concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen voor het benutten van een weg die geen deel uitmaakt, naar gelang het geval, van hun eigen openbaar domein, van dat van de gemeenten aangesloten bij de vereniging van gemeenten, of dat van de concessieverlenende gemeente of van de gemeenten aangesloten bij de concessieverlenende vereniging van gemeenten;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 februari 1983 houdende aanmoedigingsmaatregelen voor het rationeel energieverbruik;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de leveringsvergunningen voor elektriciteit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de elektriciteitsvoorziening aan bepaalde afnemers;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van artikel 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001 houdende het gratis vervoer en de gratis levering van een hoeveelheid elektriciteit als sociale openbaredienstverplichting;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning en de verrekening van gratis elektriciteit voor huishoudelijke afnemers;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot de openbare verlichting;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap het Vlaams Energieagentschap;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de beheerders van de aardgas- en elektriciteitsnetten, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie en zelfopwekkingsinstallaties;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2005 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot het ter beschikking stellen van de mogelijkheid voor afnemers op laagspanning om te kunnen genieten van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007 betreffende de invoering van het energieprestatiecertificaat voor publieke gebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot toekenning van premies voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van microwarmtekrachtinstallaties en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 tot toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009 betreffende de sociale openbaredienstverplichtingen in de vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010 tot toekenning van steun aan energieconsulentenprojecten;

Overwegende dat Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen de lidstaten oplegt een verbeterde energieprestatie van gebouwen te stimuleren via het vaststellen van een berekeningsmethodiek, het vaststellen van eisen met betrekking tot de energieprestaties voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen en het invoeren van energieprestatiecertificatensystemen voor gebouwen die worden verkocht of verhuurd;

Overwegende dat Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG een definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling invoert, bepaalt dat alle lidstaten een systeem van garanties van oorsprong moeten invoeren, de lidstaten tevens oplegt regelmatig te rapporteren over het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, en de ontwikkeling van het aandeel warmtekrachtkoppeling in de elektriciteitsproductie oplegt;

Overwegende dat Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad de lidstaten de algemene doelstelling oplegt om de energie-efficiëntie bij de eindgebruikers te bevorderen door voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling en bevordering van een markt voor energiediensten en door de verplichting op te leggen om via actieplannen daarover regelmatig en uitgebreid aan de Europese Commissie te rapporteren;

Overwegende dat Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG de lidstaten oplegt een nationaal actieplan hernieuwbare energie uit te werken en uit te voeren dat de realisatie van de bindende hernieuwbare energiedoelstelling voor 2020 mogelijk moet maken;

Overwegende dat Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de elektriciteitsmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;

Overwegende dat Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de aardgasmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 6 juli 2010;

Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 23 september 2010;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 15 september 2010;

Gelet op het advies van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt, gegeven op 1 september 2010;

Gelet op het advies nr. 48.811/3 van de Raad van State, gegeven op 26 oktober 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. (28/04/2020- ...)

§ 1. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid, zijn van toepassing op dit besluit.

§ 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw : wooneenheid of residentieel gebouw, aangesloten op het distributienet;
2° aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning : de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° /1 aardwarmte uit de diepe ondergrond: aardwarmte vanaf een diepte van ten minste 500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt (Tweede Algemene Waterpassing);
3° afrekeningsfactuur : de factuur voor de afrekening van een gemeten, geschatte of conventioneel overeengekomen verbruik over een bepaalde periode, met uitzondering van de facturen voor de betaling van voorschotten;
3° /0 afvalwarmte en -koude: de warmte of koude die onvermijdelijk als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties of in de tertiaire sector wordt opgewekt, die ongebruikt zou terechtkomen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of -koelingssysteem, als een warmte-krachtkoppelingsproces is gebruikt of zal worden gebruikt of als warmtekrachtkoppeling niet haalbaar is;
3° /1 Algemene Groepsvrijstellingsverordening: verordening EG nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en alle latere wijzigingen;
3/2° appartementengebouw of multifunctioneel gebouw: een gebouw met minstens twee wooneenheden, een wooneenheid en minstens een andere eenheid, of minstens twee andere eenheden waarover de energiefactuur voor verwarming, koeling of warmwatervoorziening verdeeld moet worden;
4° auditsoftware : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type B om een energieaudit residentieel uit te voeren, waarmee een fiscaal attest kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van de energieaudit residentieel, kunnen worden doorgestuurd naar een databank die het Vlaams Energieagentschap heeft aangewezen;
4° /1 ...;
5° batterij elektrisch voertuig : een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit uitsluitend een niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen;
6° ...
7° beschermde afnemer : huishoudelijke eindafnemer of huishoudelijke eindafnemer van thermische energie waarbij op het adres van de aansluiting minstens één persoon gedomicilieerd is die behoort tot de lijst van residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie, vermeld in artikel 4 van de Programmawet van 27 april 2007, in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007 tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie en artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007 tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie.;
8° besluit 2012/21/EU: het besluit 2012/21/EU van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
8° /1 beveiligde zending: een van de hierna volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) een andere door de Vlaamse Regering of de minister toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
9° biomassa : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsook de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
9° /1 biomethaan : een gas uit organisch-biologische stof dat geproduceerd is met hernieuwbare energiebronnen waarvan de eigenschappen werden gewijzigd als gevolg van een fysische en/of chemische behandeling om het uitwisselbaar te maken met aardgas van het net of het aardgas gebruikt voor voertuigen;
10° biotransportbrandstof : biomassa die wordt aangewend om een voertuig aan te drijven;
10° /1 brandstofcelwagen: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit uitsluitend een niet-perifere elektromotor als energieomzetter, gevoed door een brandstofcel;
11° bruikbare vloeroppervlakte : de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het gebouw, berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
11° /1 bruto thermisch vermogen : het door de constructeur in de technische specificaties van de installatie vermelde maximaal thermisch vermogen, met uitsluiting van het ingaand thermisch vermogen;
11/1/1° burgerparticipatie: het betrekken van minstens 200 burgers door hen financieel te laten participeren, bijvoorbeeld door het aanbieden van aandelen via een coöperatieve vennootschap, of door het aanbieden van een obligatielening;".
11/2° cataloguswaarde : de aanbevolen catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, exclusief opties en inclusief werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. Indien het voertuig zonder batterij wordt verkocht, maar deze batterij wordt gehuurd of geleased, dan wordt bij de cataloguswaarde standaard de huurprijs van de batterij, inclusief BTW, voor een periode van 36 maanden gerekend;
11/3° centrale verbruiksmeter voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik: een warmtemeter of een warmwatermeter om het verbruik van verwarming, koeling en warm water te meten, op te slaan en weer te geven, geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt als de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient;
12° certificaatgerechtigde : natuurlijke persoon of rechtspersoon die recht heeft op groenestroomcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, of op warmtekrachtcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
13° certificatenverplichting : verplichting tot het inleveren van een aantal groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten, als vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
14° certificatiesoftware niet-residentieel: de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type D voor de certificering van een of meer types van bestaande grote niet-residentiële gebouwen, waarmee het energieprestatiecertificaat grote niet-residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat grote niet-residentiële gebouwen, kunnen worden doorgestuurd naar de energieprestatiecertificatendatabank;
15° certificatiesoftware residentieel: de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type A voor de certificering van bestaande residentiële gebouwen en bestaande kleine niet-residentiële gebouwen, en waarmee het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, het energieprestatiecertificaat gemeenschappelijke delen en het energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, het energieprestatiecertificaat gemeenschappelijke delen en het energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen kunnen worden doorgestuurd naar de energieprestatiecertificatendatabank;
16° collectieve huisvesting : huisvesting waarbij verschillende personen buiten gezinsverband in hetzelfde residentiële gebouw zijn gedomicilieerd;
16° /1 DABM : het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
17° dagmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de normale uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;
18° ...
18/1° de afdeling, bevoegd voor milieu-inspectie: de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor de uitvoering van de milieuhandhaving;
18° /2 de afdeling, bevoegd voor energie: de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor energie;
19° ...
20° ...
21° dominerende aandeelhouder : elke natuurlijke of rechtspersoon die geen gemeente of provincie is en elke groep van personen die in onderling overleg optreden, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten minste 10 procent bezitten van het kapitaal van de netbeheerder of van de stemrechten, verbonden aan de effecten die door hem zijn uitgegeven;
21/1° dunningen: het selectief of systematisch verwijderen van bomen uit een min of meer gelijkjarig bos met het doel de (dikte)groei en gezondheid van de resterende bomen te bevorderen;
21/2° dunningshout: hout dat afkomstig is van de bomen die bij de uitvoering van een dunning zijn geveld;
21/3° duurzaam bosbeheer: het beheer en gebruik van bossen en beboste gebieden op een manier (en met een intensiteit) die hun productiviteit, biologische diversiteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, evenals het vermogen om nu en in de toekomst de relevante economische, ecologische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, waarbij koolstofvoorraden op lange termijn behouden of vergroot worden en geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht;
22° EAN-code : code die bestaat uit 18 cijfers voor de unieke identificatie van een toegangspunt op het elektriciteits- of aardgasnet (European Article Numbering);
23° economisch aantoonbare vraag : de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overstijgt en waaraan anders onder marktvoorwaarden zou worden voldaan door andere processen van energieopwekking;
24° ...;
25° elektrisch rendement : netto-elektriciteitsproductie, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;
25/1° Elektrisch voertuig: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen;
26° energieaudit : doorlichting van een gebouw, domein of infrastructuur, waarbij het besparingspotentieel wordt onderzocht. Een energieaudit gaat gepaard met een uitgebreid rapport met gedetailleerde gegevens over economisch verantwoorde maatregelen om geld en energie te besparen door efficiënter met energie om te gaan, zonder het comfortniveau te verlagen. Het rapport omvat :
a) de huidige toestand van het gebouw en de installaties;
b) het energieverbruik (elektriciteit en brandstof), uitgezet tegen algemene referentiewaarden;
c) het huidige comfort van de gebruikers, uitgezet tegen het gewenste comfortniveau;
d) concrete energiebesparende maatregelen;
27° energieaudit residentieel : een met behulp van de auditsoftware uitgevoerde analyse van de energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, waarbij in een gedetailleerd auditrapport energiebesparingsmaatregelen worden geïdentificeerd, gekwantificeerd en geprioriteerd in overleg met de aanvrager;
28° energieconsulentenproject : een samenhangend geheel van activiteiten voor een specifieke doelgroep die gericht zijn op de bevordering van rationeel energiegebruik en -beheer via het voeren van campagnes en acties of informatieverzameling en -verstrekking inzake rationeel energiegebruik of de organisatie van vorming over rationeel energiegebruik;
29° energiedeskundige type A : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen, het energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen, en het energieprestatiecertificaat gemeenschappelijke delen opmaakt;
30° energiedeskundige type B : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die de energieaudit voor residentiële gebouwen opmaakt;
31° energiedeskundige type C : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die energieadvies over publieke gebouwen verstrekt;
32° energiedeskundige type D : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor grote niet-residentiële gebouwen opmaakt;
32° /1 energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling: een netwerk voor stadsverwarming of -koeling dat gebruik maakt van een van de volgende energiebronnen of technologieën:
a) ten minste 50% warmte uit hernieuwbare energiebronnen;
b) ten minste 50% restwarmte, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.1, § 6, tweede lid, 1°, a), 2°, a) en 3° ;
c) ten minste 50% uit een combinatie van de energiebronnen of technologieën, vermeld in punt a) of b);
33° energiegebruik : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers;
33/1 energiehuis: lokale entiteit, zoals vermeld in titel VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en instantie die op het niveau van één of meerdere gemeenten hetzij als kredietbemiddelaar, hetzij als kredietgever energiediensten gericht op energiebesparende investeringen aanbiedt aan de klant, en die in hoedanigheid van kredietgever en kredietbemiddelaar aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) over rechtspersoonlijkheid beschikken;
b) over de nodige expertise en kritische capaciteit beschikken op technisch, juridisch, financieel en boekhoudkundig vlak;
c) kunnen werken volgens het derde investeerderprincipe en fungeren als lokale ESCO in het kader van de financiering van tussenkomsten voor de doelgroep;
d) de sociale begeleiding van de doelgroep kunnen garanderen;
34° energie-intensieve inrichting : inrichting met een jaarlijks energiegebruik van ten minste 0,1 PJ;
35° energieprestatiecertificaat bij de bouw : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een nieuw gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
35° /1 energieprestatiecertificaat grote niet-residentiële gebouwen: het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening of meting van de totale energie-efficiëntie van een bestaand grote niet-residentiële eenheid, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
35° /2 energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen: het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand kleine niet-residentiële eenheid, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
35° /3 energieprestatiecertificaat gemeenschappelijke delen: het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de energie-efficiëntie van de gemeenschappelijke delen van een bestaand appartementsgebouw, uitgedrukt in één of meer numerieke indicatoren;
36° energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen: het energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen of het energieprestatiecertificaat grote niet-residentiële gebouwen;
37° energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, uitgedrukt in één of meer numerieke indicatoren
38° energiescan: een doorlichting die, op basis van een bezoek ter plaatse, een eerste beeld geeft van de energiesituatie en het energiebesparingspotentieel op het vlak van gebouwschil, verwarming, sanitair warm water, verlichting, elektrische apparaten en gedrag, en waarbij tijdens het eerste bezoek de energiefactuur kan worden gescreend met het oog op optimalisatie op basis van onder meer een leveranciersvergelijking, premies voor energiebesparende investeringen kunnen worden toegelicht en op de plaatsen waar dat zinvol wordt geacht, spaarlampen, een spaardouchekop, radiatorfolie, buisisolatie, tochtstrips, een timer voor een waterboiler, een stroomverdeeldoos met schakelaar kunnen worden geplaatst en radiatoren kunnen worden ontlucht, of een daaropvolgende dienstverlening ofwel eenmalig een dienstverlening gericht op begeleiding op maat voor kwetsbare groepen ofwel dienstverlening gericht op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen. In tegenstelling tot het eerste type dienstverlening kan het tweede type dienstverlening wel meerdere malen uitgevoerd worden op voorwaarde dat hierbij telkens andere soorten investeringen beoogd worden;
39° energiezorgsysteem : een systeem dat systematisch het energieverbruik in eigen beheer controleert en dat tot eenvoudige ingrepen leidt om onnodig energieverbruik te vermijden en het duurzame energiebeleid te versterken. De energieboekhouding vormt het geraamte van energiezorg. Een energieaudit van een of meer entiteiten kan ook een onderdeel zijn van een energiezorgsysteem voor zover de resultaten ervan leiden tot concrete besparingsmaatregelen met controleerbare effecten. Ook de effectieve besparingsmaatregelen vormen een onderdeel van een energiezorgsysteem;
40° EPB-haalbaarheidsstudie : studie waaruit blijkt dat de technische, milieukundige en economische haalbaarheid van alternatieve energiesystemen voor de start van de bouw in aanmerking werd genomen;
40/1° EPN-eenheid : elke eenheid van aangrenzende lokalen die in hetzelfde gebouw liggen, die het voorwerp zijn van werken van dezelfde aard, die ontworpen of aangepast zijn om afzonderlijk te worden gebruikt en die een niet-residentiële bestemming hebben met uitzondering van industriële gebouwen;
40/2° EPW-eenheid : elke eenheid van aangrenzende lokalen die in hetzelfde gebouw liggen, die het voorwerp zijn van werken van dezelfde aard, die ontworpen of aangepast zijn om afzonderlijk te worden gebruikt, die een residentiële bestemming hebben en slechts één wooneenheid bevatten;
40° /3 ESCO : voor de toepassing van titel VII, hoofdstuk IX van dit besluit is het energiehuis de ESCO, en werkt volgens het derde-investeerdersprincipe voor de prioritaire doelgroep en waarbij de terugbetaling van de energielening gebeurt op basis van de terugverdientijd van de investering;
40° /3/1° expertisedossier: een dossier over de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten, warmte-krachtcertificaten en garanties van oorsprong aan een warmte-krachtinstallatie of installatie die elektriciteit produceert uit hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van zonne-energie, met inbegrip van de wijzigingen, rapporteringen en controles in dit dossier na de goedkeuring ervan;
40/4° externe warmtelevering : voor de toepassing van titel IX worden volgende gevallen als externe warmtelevering beschouwd : de stadsverwarming of -koeling die minstens twee gebouwen bedient waarvan minstens één zich niet op de eigen site bevindt;
41° feitelijke waarde : de broeikasgasemissiereductie die bereikt wordt met bepaalde of met alle stappen van een specifiek productieproces voor biobrandstof of vloeibare biomassa als berekend volgens de werkwijze in deel C van bijlage XI;
42° gasvormige biomassa: een gasvormige brandstof voor andere energiedoeleinden dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;
43° ...;
44° gebouw : voor de toepassing van titel VIII en IX, elk gebouw in zijn geheel of delen ervan die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt en waarvoor energie verbruikt wordt om een specifieke binnentemperatuur te bereiken;
44° /1 gebouweenheid: de kleinste eenheid binnen een gebouw die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) geschikt zijn voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden of een gemeenschappelijk deel zijn;
b) ontsloten worden via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde circulatieruimte;
c) in functioneel opzicht zelfstandig zijn;
45° gebouwsite : een of meer gebouwen op dezelfde locatie die geheel of gedeeltelijk door een publieke organisatie worden gebruikt, en die minstens één gemeenschappelijke teller gebruiken;
46° ...
46/2° gedeeltelijke herbouw: het bouwen van een nieuw gebouw na voorafgaande sloopwerken van een deel van een bestaand gebouw, al dan niet gecombineerd met de renovatie van overblijvende delen van het bestaande gebouw, waarbij het nieuwe deel een beschermd volume heeft dat groter is dan 800m3 of minstens een wooneenheid bevat of een renovatie van een bestaand gebouw, waarbij minstens 75% van de scheidingsconstructies die het totale beschermd volume van het gebouw na de werken omhullen en die grenzen aan de buitenomgeving, nieuw zijn;
47° gezondheidsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van de zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding en de preventieve gezondheidszorg, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van de voorzieningen werkzaam op het vlak van de medisch verantwoorde sportbeoefening;
47/1° grote niet-residentiële eenheid is "een gebouweenheid met niet-residentiële en niet-industriële bestemming die geen kleine niet-residentiële eenheid is;
47/2° herbouw: het bouwen van een nieuw gebouw na de voorafgaande volledige sloop van een bestaand gebouw;
47/2° houtplantage: bos bestaande uit gelijkjarige bomen van één of enkele soorten, meestal exoten, aangelegd in een gelijkmatig verband door planten of zaaien met houtproductie als doel;
48° huishoudelijke eindafnemer : ofwel elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie verblijven, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon, ofwel de eigenaar van de woning in kwestie, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon;
48/1° individuele verbruiksmeter voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik: een instrument dat ontworpen is om het verbruik van verwarming, koeling en warm water in een eenheid te meten, op te slaan en weer te geven;
49° industrieel gebouw : gebouw dat bestemd is voor de productie, de bewerking, de opslag of manipulatie van goederen;
50° ingrijpende energetische renovatie : een functiewijziging met een beschermd volume groter dan 800 m3 of een renovatie waarbij minstens de opwekkers om een specifiek binnenklimaat te realiseren volledig worden vervangen en minstens 75% van de bestaande en nieuwe scheidingsconstructies die het beschermd volume omhullen en die grenzen aan de buitenomgeving worden geïsoleerd, voor zover het geen ontmanteling, gedeeltelijke herbouw of herbouw betreft;
51° inspectieprotocol niet-residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type D en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type D de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware niet-residentieel;
52° inspectieprotocol residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type A en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type A de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware residentieel;
53° Inspectieprotocol : inspectieprotocol residentieel of inspectieprotocol niet-residentieel;
54° intern verzelfstandigd agentschap: een agentschap als vermeld in artikel III.1, tweede lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018;
55° inventaris van het bouwkundig erfgoed : de inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
56° kantoorgebouw : gebouw dat bestemd is voor een dienstverleningsfunctie, waarin voornamelijk administratief werk wordt verricht, en waaronder ook de gebouwen vallen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep als vermeld in artikel I.8, 35° van het Wetboek van economisch recht (tweede vermelding);
56/2° gesloten industrieel net: gesloten industrieel net, vermeld in artikel 2, 41° van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;";
57° kengetal niet-residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primaire energieverbruik dat nodig is voor onder meer de verwarming, de sanitaire warmwatervoorziening, de koeling, de ventilatie en de ingebouwde lichtinstallatie van een niet-residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het niet-residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het niet-residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
58° kengetal publiek : de verhouding tussen enerzijds het bijgehouden gemeten globaal energieverbruik voor de verwarming, de warmtapwatervoorziening, de koeling, de ventilatie, de verlichting van een publiek gebouw en andere energieverbruik, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het publieke gebouw;
59° kengetal residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primair energieverbruik dat nodig is voor de verwarming, de sanitairwarmwatervoorziening, de koeling en de ventilatie van een residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
60° klantenkantoor : elk permanent kantoor dat toegankelijk is voor de eindafnemers die bij een elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn aangesloten, waar onder andere informatie verstrekt wordt over aansluitingsmogelijkheden, elektriciteitstarieven of tarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet;
60° /1 kleine niet-residentiële eenheid: een gebouweenheid met niet-residentiële en niet-industriële bestemming met een bruikbare vloeroppervlakte die niet groter is dan 500 m2 en waarbij het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden binnen een zelfde gebouw waarvan de gebouweenheid deel uitmaakt een bruikbare vloeroppervlakte heeft die niet groter is dan 1000 m2;
61° kleinschalige warmtekrachtkoppeling : productie, afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 1 MWe;
61° /1 kleinverbruiksmeetinrichting: de meetinrichting waarmee een kleinverbruiksmeting elektriciteit wordt uitgevoerd;
61° /2 kleinverbruiksmeting elektriciteit: meting bij een elektriciteitsdistributienetgebruiker met een aansluitingsvermogen onder de 56 kVA;
62° korteomloophout : hout van snelgroeiende houtachtige gewassen, waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal acht jaar na de aanplanting of na de vorige oogst in haar totaliteit wordt geoogst;
62/1° Oplaadpunt voor een elektrisch voertuig: een aansluiting, waarmee telkens één elektrisch voertuig kan worden opgeladen of waarmee de batterij van telkens één elektrisch voertuig kan worden vervangen;
63° laagspanning : spanningsniveau van 1 000 V of lager;
64° leesrecht : recht op toegang tot de centrale databank als vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren;
64/1° levering: een hoeveelheid biomassa die wordt ingezet voor energieproductie en waarvoor de fysieke en duurzaamheidseigenschappen voor de gehele levering gelijk zijn. (Een levering is hiermee niet hetzelfde als een fysieke levering. Het is mogelijk dat een levering uit meerdere ladingen van vrachtwagens of schepen bestaat als de genoemde eigenschappen maar gelijk zijn. Ook kan één fysieke lading uit meerdere leveringen bestaan, aangezien de massabalanseisen mengen van gelijke materialen niet verbiedt.);
65° leveringsvergunning : vergunning voor de levering van elektriciteit of aardgas, als vermeld in artikel 4.3.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
65/1° ...
65/2° mest en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen : 1) dierlijke mest, 2) land- en tuinbouwproducten van plantaardige of dierlijke oorsprong, met name gewassen of delen van gewassen geteeld op een land- en tuinbouwbedrijf die niet als afval beschouwd worden en dierlijke producten afkomstig van veeteelt die niet als afval beschouwd worden en 3) land- en tuinbouwafval van plantaardige of dierlijke oorsprong, inclusief natuur- en bermmaaisel, waarbij dit land- en tuinbouwafval enkel een bewerking mag ondergaan hebben met als doel het te scheiden van land- en tuinbouwproducten die bestemd zijn voor rechtstreekse consumptie of voor verdere verwerking of met als doel het te kunnen transporteren;
66° micro-WKK : warmtekrachtkoppelingseenheid met een maximumcapaciteit van minder dan 50 kWe
67° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid;
68° nachtmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de stille uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;
68/1° Na-isoleren : het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de buitenzijde van, de binnenzijde van of tussen de bestaande scheidingsconstructie die het beschermd volume omhult;
68/2° natuurlijk bos: bos dat van nature is ontstaan en zich langs natuurlijke weg heeft ontwikkeld;
69° nettoafname : de afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit, verminderd met de geïnjecteerde hoeveelheid elektriciteit op hetzelfde aansluitingspunt;
70° netto-elektriciteitsproductie :
a) voor de toepassing van titel VI, de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie. Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit, mechanische energie of thermische energie gebruiken, wordt de equivalente elektriciteitsafname berekend als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie kan worden opgewekt. Voorzieningen die nodig zijn om de brandstof voor de productie-installatie te produceren, uitgaande van dierlijke mest, afvalwater of organisch-biologische afvalstoffen, worden niet als utiliteitsvoorzieningen beschouwd op voorwaarde dat wordt aangetoond dat het energieverbruik van die voorzieningen ook noodzakelijk is als ze niet zouden worden aangewend voor energierecuperatie;
b) voor de toepassing van titel X, de brutogeproduceerde elektriciteit, verminderd met de elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die bij de productie-installatie horen;
71° niet-huishoudelijke eindafnemer : elke eindafnemer die niet voldoet aan de definitie van huishoudelijke eindafnemer;
72° niet-residentieel gebouw : alle gebouwen met uitzondering van residentiële gebouwen, alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2, tijdelijke gebouwen die in principe niet langer dan twee jaar worden gebruikt, gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten, industriële gebouwen, werkplaatsen of niet voor bewoning bestemde gebouwen van een landbouwbedrijf;
72° /1 noodkoopwoning: een woning die uitsluitend door één of meer noodkopers en hun inwonende gezinsleden, die met de noodkopers een gemeenschappelijke huishouding voeren, als hoofdverblijfplaats gebruikt wordt zoals blijkt uit de inschrijvingen in het bevolkingsregister en die gekenmerkt wordt door structurele problemen op het vlak van veiligheid, gezondheid en/of kwaliteit en waaraan belangrijke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd:
a) die gericht zijn op een verbetering van de energieprestaties, gecombineerd met structurele en bouwfysische ingrepen en die tot doel hebben om het goed te laten beantwoorden aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit, vermeld in artikel 5 van de Vlaamse Wooncode van 15 juli 1997 en;
b) waarvan de financiering middels een marktconforme lening aanleiding zou geven tot afbetalingsproblemen voor de eigenaar-bewoner(s), zoals blijkt uit een solvabiliteitsonderzoek door het OCMW;
72° /1/1 noodkoper: de natuurlijke persoon die alleen of samen met andere noodkopers voor de geheelheid volle eigenaar is van een noodkoopwoning en die deze woning als hoofdverblijfplaats gebruikt zoals blijkt uit de inschrijvingen in het bevolkingsregister;
72°/1/2 nuttige groene warmte : groene warmte die voor ruimteverwarming of -koeling of als proceswarmte wordt aangewend, en die wordt geproduceerd om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen;
72°/2 nuttige-groenewarmte-installatie : een installatie, gelegen in het Vlaamse Gewest die nuttige groene warmte opwekt en waarbij het geheel of een gedeelte van de in de installatie opgewekte warmte niet wordt gebruikt in een kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallatie of waarbij het geheel of een gedeelte van de in de installatie gebruikte warmte niet afkomstig is van een kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallatie;
73° nuttige warmte : warmte die in een warmtekrachtinstallatie wordt geproduceerd om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen;
73/1° omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen : de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
73° /2 Omgevingsvergunningenbesluit: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
74° onafhankelijke bestuurder : elke bestuurder die een natuurlijke persoon of een eenpersoonsvennootschap met een natuurlijke persoon als aandeelhouder is en die :
a) geen goederen of diensten levert aan en geen significant vermogensbelang heeft in een vennootschap of vereniging die goederen of diensten levert aan de netbeheerder, zijn werkmaatschappij of aan met de netbeheerder verbonden of geassocieerde ondernemingen;
b) geen lid is van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en die geen familiebanden tot en met de derde graad heeft met een lid van dat orgaan;
c) geen enkele functie of activiteit uitoefent, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning, een tussenpersoon, een aanbieder van energiediensten, een ESCO, een aggregator of een dominerende aandeelhouder, en die zo'n functie of activiteit niet heeft uitgeoefend tijdens de twaalf maanden voor zijn benoeming als bestuurder van de netbeheerder;
d) geen enkele andere, directe of indirecte, relatie onderhoudt met een van de personen, vermeld in punt c), of met daarmee verbonden of geassocieerde ondernemingen die, volgens de VREG, zijn oordeel kunnen beïnvloeden;
75° onderste verbrandingswaarde : de hoeveelheid warmte die vrijkomt bij de volledige verbranding van een brandstof, zonder condensatie van de waterdamp in de verbrandingsgassen;
76° onderwijsinstelling : alle scholen, internaten, centra voor volwassenenonderwijs en voor basiseducatie, centra voor leerlingenbegeleiding, hogescholen en universiteiten, die gefinancierd, gesubsidieerd of erkend zijn door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
77° openbare verlichting : de verlichting die gelegen is boven, onder, op of langs wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels en waterlopen, waarbij die wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels of waterlopen onder het beheer van een gemeente of een autonoom gemeentebedrijf vallen;
77/1° Oplaadpunt voor hoog vermogen: een oplaadpunt met een vermogen boven 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig; oplaadpunten voor hoog vermogen met wisselstroom (AC) voor elektrische voertuigen dienen vanwege de interoperabiliteit ten minste te zijn uitgerust met connectoren van het type 2, zoals nader omschreven in norm EN62196-2; oplaadpunten voor hoog vermogen met gelijkstroom (DC) voor elektrische voertuigen dienen vanwege de interoperabiliteit ten minste te zijn uitgerust met connectoren van het gecombineerde AC/DC laadsysteem van het type "Combo 2", zoals nader omschreven in norm EN62196-3;
77/2° oplaadpunt voor normaal vermogen: een oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW, waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW, die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden, die niet publiek toegankelijk zijn en die uitgerust zijn met contactdozen of voertuigconnectoren van het type 2, zoals nader omschreven in norm EN62196-2;
78° organisch-biologische stoffen of afvalstoffen : organische stoffen van biologische oorsprong of afvalstoffen van biologische oorsprong, meer bepaald stoffen die via natuurlijke biologische processen in een korte tijdspanne kunnen worden omgezet in elementaire chemische bouwstenen;
79° personen die in onderling overleg optreden : alle natuurlijke of rechtspersonen waartussen een akkoord bestaat met als doel of gevolg dat ze een parallelle gedragslijn volgen voor de uitoefening van hun stemrechten binnen de netbeheerder;
80° petroleumproducten : lpg, benzine, kerosine, lamppetroleum, gas- en dieselolie, zware stookolie, propaan en butaan;
81° primaire energiebesparing : relatieve besparing ten opzichte van het normale verloop van het primaire energieverbruik als geen REG-actieplan wordt uitgevoerd;
81° /1° prioritaire doelgroep van de energieleningen : de groep van :
a) beschermde afnemers;
b) de natuurlijke personen die aan de voorwaarden voldoen om een verwarmingstoelage te ontvangen, die wordt toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vermeld in titel 10, hoofdstuk 3 van de programmawet van 22 december 2008;
c) personen waarvan het aan de personenbelasting onderworpen inkomen van het derde jaar dat aan de aanvraagdatum voorafgaat, in voorkomend geval verhoogd met het inkomen van de persoon met wie hij wettelijk of feitelijk samenwoont, en verminderd met 1.300 euro per persoon ten laste, niet meer bedraagt dan 25.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks met ingang van 1 januari 2018 aangepast aan de ontwikkeling van de gezondheidsindex. De basisindex is die van de maand oktober 2006. De nieuwe index is die van de maand oktober van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de index aangepast wordt. Alle bedragen worden afgerond naar het hogere tiental;
81° /1/1 privaat huishouden: een persoon die gewoonlijk alleen leeft, of twee of meer personen die, al dan niet door familiebanden verbonden, gewoonlijk dezelfde woning betrekken en er samen leven, uitgezonderd de personen die in een collectief huishouden verblijven zoals kloostergemeenschappen, rusthuizen, weeshuizen, studenten- of arbeidershuizen;
81° /2° proceswarmte: de warmte of de koude die voor een bepaald proces wordt opgewekt, behalve voor de opwekking van elektriciteit;
81/2° productiebos: bosgebied dat primair bestemd is voor de productie van hout, vezels, bio-energie of andere bosproducten dan hout;
81° /3 productiecoördinator: de instantie die het overzicht bewaart op de hoeveelheid energie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong en die de consistentie en kwaliteit bewaakt van de activiteiten van de productieregistratoren;
81° /4 productieregistrator: de instantie die de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong behandelt en de hoeveelheid elektriciteit, gas, warmte of koude die in de installatie wordt geproduceerd, registreert en controleert;
82° promotor : een niet-commerciële instelling die een projectvoorstel indient, die het project coördineert en die de eindverantwoordelijkheid draagt van het project;
83° publiek gebouw : gebouw dat vaak door het publiek wordt bezocht omdat er een publieke organisatie in is gevestigd;
84° publieke organisatie : de federale overheid, inclusief de parastatalen, de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen, de provinciale overheden, de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, overheidsbedrijven en onderwijsinstellingen, welzijns- of gezondheidsvoorzieningen;
84/1° Publiek toegankelijk oplaadpunt voor een elektrisch voertuig: een oplaadpunt voor een elektrisch voertuig dat op niet-discriminerende basis gedurende elke dag van de week en vierentwintig uur per dag toegang verleent aan gebruikers in de hele Europese Unie. Publiek toegankelijke oplaadpunten kunnen oplaadpunten zijn in particulier bezit; of voorzieningen die voor het publiek toegankelijk zijn via registratiekaarten of tegen betaling; of oplaadpunten van autodeelconcepten, waartoe derden toegang krijgen via een abonnement; of oplaadpunten op openbare parkeerterreinen. De toegang op niet-discriminerende basis kan verschillende vormen van authenticatie, gebruik en betaling inhouden. Alle publiek toegankelijke oplaadpunten moeten gebruikers van elektrische voertuigen ook een ad-hoc oplaadmogelijkheid bieden zonder dat een contract moet worden gesloten met de betrokken elektriciteitsleverancier of exploitant;
85° referentie-installatie : installatie voor elektriciteitsproductie of voor warmteproductie, die gebruikmaakt van de best beschikbare technologie die algemeen toepasbaar is;
86° relatieve primaire energiebesparing : verhouding tussen enerzijds de warmtekrachtbesparing, en anderzijds het energieverbruik van de referentie-installatie of de best beschikbare aandrijftechnologie om dezelfde hoeveelheid elektriciteit, mechanische energie of nuttige warmte op te wekken;
87° residentieel gebouw : elk gebouw dat bestemd is voor individuele of collectieve bewoning;
87° /1 residu: een stof die niet het rechtstreekse doel van een productieproces zijnde eindproduct is en geen hoofddoel van het productieproces vormt en het proces is niet opzettelijk gewijzigd voor het produceren ervan;
87° /2 residuele mix: de totale jaarlijkse energiemix van de elektriciteitsleveringen in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van het aandeel dat gestaafd is met de inlevering van garanties van oorsprong;
88° restafval : de fractie van huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen die bij de producent niet-selectief is ingezameld en waarop, met uitzondering van het vervoeren, de opslag en/of de overslag, geen enkele be- of verwerking is uitgevoerd;
88/1° rondhout: onbewerkt hout van de stam van een boom; niet van de takken, stronk of wortel;
88/2° rotatieperiode: in geval van vlaktegewijze kap, de periode tussen aanleg en eindkap. In geval van een uitkapbos, de periode tussen twee oogsten. Deze laatste wordt ook kapcyclus genoemd;
89° R-waarde : warmteweerstand van een constructieonderdeel;
90° ...
91° schoolgebouw : gebouw dat bestemd is voor een onderwijsfunctie;
92° schrijfrecht : recht op toegang tot de centrale databank, vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren en die gegevens aan te passen;
92/1° semi natuurlijk bos: bos waarbij de natuurlijke processen een belangrijke invloed hebben op de ontwikkeling;
93° sensibilisering en algemene informatieverspreiding : actie die gericht is op de verspreiding van informatie over rationeel energiegebruik en de promotie ervan, door middel van onder meer brochures, publicaties en uitzendingen in de geschreven en audiovisuele pers, deelname aan beurzen en andere evenementen;
94° site : de locatie van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie of een verzameling kwalitatieve warmtekrachtinstallaties voor de productie van mechanische energie of elektriciteit, dan wel een installatie of verzameling installaties voor de productie van elektriciteit op basis van dezelfde hernieuwbare energiebron en dezelfde productiemethode, waarbij de geproduceerde elektriciteit ter plaatse verbruikt of geleverd wordt aan het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet of aan directe lijnen via één aansluitingspunt en waarvoor de overeenstemmende warmtekrachtcertificaten of groenestroomcertificaten toekomen aan één certificaatgerechtigde;
95° sociale maximumprijs voor aardgas : de aardgasprijs, vermeld in artikel 15/10, § 2 en § 3, 4° en 5°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
96° sociale maximumprijs voor elektriciteit : de elektriciteitsprijs, vermeld in artikel 20, § 2 en § 3, 4°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
97° specifiek energiegebruik : het energiegebruik per eenheid van product van een bepaalde kwaliteit;
97/1° status van de garantie van oorsprong : de status, vermeld in artikel 6.2/2.5., § 1, 12°;
97/1° standaarddossier: dossier inzake de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten en garanties van oorsprong aan een installatie die elektriciteit produceert uit zonne-energie, met inbegrip van de wijzigingen, rapporteringen en controles in dit dossier na de goedkeuring ervan;
97/3° standaardwaarde : een waarde die is afgeleid van een typische waarde middels toepassing van tevoren vastgestelde factoren en die, onder welomschreven voorwaarden, gebruikt mag worden in plaats van een feitelijke waarde;
98° stedenbouwkundige vergunning : de stedenbouwkundige vergunning, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
98/1° stronk: het gedeelte van een boom dat aan de wortel blijft vastzitten nadat de stam is geveld;
99° SVK : sociaal verhuurkantoor, erkend door de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
99° /1 taxidiensten: de taxidiensten vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg;
99/1° tak: een uitspruitsel uit een stam of stengel of een secundaire stam of stengel die uit de hoofdstam of -stengel van een plant voortkomt;
99° /2 tariefperiode: een weerkerende periode in de tijd waarover meetgegevens gecumuleerd worden en waarop een overeenkomstig nettarief toegepast kan worden;
100° thermisch rendement : nuttige warmte, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;
100/1° typische waarde : een raming van de representatieve broeikasgasemissiereductie die kenmerkend is voor een bepaalde productieroute van biobrandstoffen of vloeibare biomassa;
100/2° uitkapbos: ongelijkjarig en meestal meersoortig bos waaruit periodiek bomen worden geoogst terwijl het bos tot in lengte van jaren in stand blijft. Hier vindt dus geen vlaktegewijze eindkap plaats;
101° unieke code : een code die op een unieke wijze het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen of niet-residentiële gebouwen identificeert en onder andere een unieke identificatie van de ligging van het gebouw en van de energiedeskundige respectievelijk type A of type D bevat;
102° utiliteitsvoorzieningen : voorzieningen die nodig zijn voor de goede werking van de warmtekrachtinstallatie of de installatie voor productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen, of die nodig zijn om de gebruikte energiebron voor de opwekking van elektriciteit of mechanische energie geschikt te maken;
102/1° van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen: de residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij of de bosbouw, met uitsluiting van residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking;
102/2° vaste biomassa: vaste brandstof voor andere energiedoeleinden dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;
103° verhuur :
a) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de onroerende leasing en de woninghuur van residentiële gebouwen;
b) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de handelshuur, de onroerende leasing en de concessies van niet-residentiële gebouwen;
103° /1 verificatiebureau: de onafhankelijke en neutrale organisatie opgericht bij artikel 4 van de Energiebeleidsovereenkomst voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie;
104° verkoop : de zuivere verkoop van het geheel in volle eigendom van een residentieel gebouw dat niet door de burgemeester ongeschikt of onbewoonbaar is verklaard of van een niet-residentieel gebouw;
104/1° vernieuwd constructieonderdeel : het constructieonderdeel waarvan de bestaande dragende structuur geheel of gedeeltelijk wordt vervangen;
104° /2 Verordening 1407/2013/EU: Verordening 1407/2013/EU van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
105° vestigingseenheid : een plaats die geografisch gezien geïdentificeerd kan worden door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of vanwaaruit de activiteit wordt uitgeoefend, als vermeld in artikel I.2, 16° van het Wetboek van economisch recht;
105/1° VLAREL : het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
105° /1/1. Voertuigdelen: het systematisch en beurtelings door vooraf bepaalde personen gebruiken van één of meerdere voertuigen tegen betaling via een vereniging voor voertuigdelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
105/2° warmtekostenverdeler: een instrument om het energieverbruik van verwarmingsradiatoren onderling te verdelen;
105/3° waterrijke gebieden: de gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer dan zes meter bedraagt;
106° welzijnsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van inwijkelingen, de mindervaliden, de bejaarden, de jeugdbescherming en de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale re-integratie, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
107° werkdag : elke dag van de week, met uitzondering van zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen;
108° Wonen-Vlaanderen : het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen;
108° /1° woning: wat hoofdstuk IX van titel VII betreft: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting, dat dient als hoofdverblijfplaats van een gezin of alleenstaande en waarvan één of meer uitsluitend natuurlijke personen eigenaar zijn;
108° /2° woongebouw: wat hoofdstuk IV van titel VI betreft: elk residentieel gebouw dat bestemd is voor collectieve huisvesting;
109° zelfopwekkingsinstallatie : een elektriciteitsopwekkingsinstallatie, zonder warmtebenuttiging, waarmee een natuurlijke of rechtspersoon elektriciteit produceert die hoofdzakelijk bestemd is voor eigen gebruik;
109/1° zero-emissie voertuig : een batterij elektrisch voertuig of een voertuig uitsluitend aangedreven door een elektrische motor gevoed door een brandstofcel;
110° nieuwbouw : het optrekken van een nieuw gebouw of het optrekken van een groot nieuw deel aan een bestaand gebouw met een beschermd volume dat groter is dan 800 m3, of met minstens een wooneenheid, al dan niet voorafgegaan door sloopwerken, gedeeltelijke herbouw, herbouw, of het ontmantelen van een gebouw;
111° ontmantelen : het verbouwen van een gebouw met een beschermd volume dat, voorafgaand aan de werken, groter is dan 3 000 m3, waarbij de dragende structuur van het gebouw behouden blijft, maar waarbij de installaties om een specifiek binnenklimaat te realiseren en minstens 75% van de scheidingsconstructies die grenzen aan de buitenomgeving worden vervangen;
112° renovatie: voor zover het geen ontmanteling, gedeeltelijke herbouw, herbouw of ingrijpende energetisch renovatie betreft:
a) het uitvoeren van aanpassingswerkzaamheden aan een bestaand gebouw, met inbegrip van het bouwen van een klein nieuw deel aan een bestaand gebouw, waarbij het nieuwe deel een beschermd volume heeft dat kleiner is dan of gelijk is aan 800 m® en geen extra wooneenheden bevat, al dan niet voorafgegaan door sloopwerken;
b) een functiewijziging met een beschermd volume kleiner dan of gelijk aan 800m3;
113° functiewijziging: de wijziging van de functie van een bestaand gebouw of een deel ervan, waarbij na de functiewijziging, in tegenstelling tot voordien energie verbruikt wordt om een specifieke binnentemperatuur te verkrijgen of de wijziging van industrie naar residentieel of niet-residentieel gebouw, als het geen ontmanteling betreft.

Artikel 1.1.2. (01/07/2017- ...)

Dit besluit voorziet, voor wat de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest betreft, in de gehele of gedeeltelijke omzetting van:
1° de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG;
2° de Richtlijn 2009/72/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG;
3° de Richtlijn 2009/73/EG van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG;
4° de Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
5° de Richtlijn 2012/27/EU van de Europese Unie van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
6° de Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;
7° de Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

TITEL II. Het Vlaams Energieagentschap

HOOFDSTUK I. Benaming, doel en taakstelling van het Vlaams Energieagentschap

Artikel 2.1.1. (01/04/2017- ...)

§ 1. Binnen het Vlaams ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht, onder de benaming Vlaams Energieagentschap.

Alle officiële akten, officiële aankondigingen of andere officiële stukken, uitgaande van het Vlaams Energieagentschap, moeten de benaming van het agentschap vermelden, met onmiddellijk daarvoor of daarna, de volgende leesbaar en voluit geschreven woorden : "intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid". Die verplichting geldt niet voor informatieverstrekking om promotionele of voorlichtingsredenen.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap wordt opgericht voor de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap behoort tot het beleidsdomein Omgeving.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap heeft een centrale zetel waarvan de vestigingsplaats wordt bepaald door de minister. Het hoofd van het agentschap kan beslissen om een of meerdere vestigingen buiten de centrale zetel op te richten.

Artikel 2.1.2. (01/01/2011- ...)

Het Vlaams Energieagentschap heeft als missie de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid door de beleidsinstrumenten op een kostenefficiënte en kwaliteitsvolle manier in te zetten.

Artikel 2.1.3. (01/04/2014- ...)

Het Vlaams Energieagentschap vervult de volgende taken :
1° het bevorderen van de milieuvriendelijke energieproductie en het beheer van de daarvoor bestemde middelen en fondsen, inbegrepen de voorbereiding, uitvoering, monitoring en controle van de steunverlening aan groenestroom-, warmte-kracht- en groenewarmte-installaties.;
2° het bevorderen van het rationeel energiegebruik en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen;
3° de toepassing van de regelgeving in verband met het beheer en de uitbouw van de distributienetten van elektriciteit, gas en warmte, en van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;
4° het voeren van eigen sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik en het coördineren van sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie die aan derden worden uitbesteed;
5° het uitvoeren, of laten uitvoeren, van analyses ter ondersteuning van de beleidsuitvoering inzake het duurzame energiebeleid;
6° het verwerken van de uit de beleidsuitvoering verworven informatie om beleidsgerichte input aan het departement te leveren;
7° het bijdragen tot de uitvoering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;
8° alle andere beleidsuitvoerende taken betreffende het energiebeleid die bij decreet of door de Vlaamse Regering aan het agentschap worden toevertrouwd.

Artikel 2.1.4. (06/01/2019- ...)

De concretisering van de kwalitatieve en kwantitatieve wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen, met strategische en operationele doelstellingen, beschreven aan de hand van meetbare criteria, wordt geregeld in het ondernemingsplan, vermeld in artikel 2.2.2.

Artikel 2.1.5. (01/01/2011- ...)

Bij de uitoefening van zijn missie en taken treedt het agentschap op namens de rechtspersoon Vlaamse Gewest.

HOOFDSTUK II. Aansturing en leiding van het Vlaams Energieagentschap

Artikel 2.2.1. (01/01/2011- ...)

Het Vlaams Energieagentschap ressorteert onder het hiërarchische gezag van de minister.

Artikel 2.2.2. (06/01/2019- ...)

De minister stuurt het Vlaams Energieagentschap aan, inzonderheid door het ondernemingsplan.

Artikel 2.2.3. (01/01/2011- ...)

Het hoofd van het agentschap is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het Vlaams Energieagentschap.

HOOFDSTUK III. Delegatie van beslissingsbevoegdheden

Artikel 2.3.1. (06/01/2019- ...)

Naast de delegatie van beslissingsbevoegdheden voor de aangelegenheden die zijn vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen, worden aan het hoofd van het agentschap de volgende specifieke delegaties verleend :
1° de delegatie tot de toekenning van attesten, vermeld in artikel 49 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid met betrekking tot de investeringsaftrek voor activa, zoals bedoeld in artikel 69, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
2° ...

HOOFDSTUK IV. Controle, opvolging en toezicht

Artikel 2.4.1. (01/01/2011- ...)

De minister is verantwoordelijk voor de opvolging van en het toezicht op het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 2.4.2. (01/01/2011- ...)

Het Vlaams Energieagentschap is belast met de interne controle van zijn bedrijfsprocessen en activiteiten.

Artikel 2.4.3. (01/01/2014- ...)

Audit Vlaanderen evalueert de interne controlesystemen van het Vlaams Energieagentschap en kan in voorkomend geval forensische audits instellen.

Artikel 2.4.4. (01/01/2011- ...)

De daartoe aangewezen diensten van het beleidsdomein Financiën en Begroting, zijn bevoegd voor de financiële controle en de certificering van de rekeningen.

Artikel 2.4.5. (06/01/2019- ...)

De informatieverstrekking en de rapportering door het Vlaams Energieagentschap omvatten ten minste :
1° een jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan;
2° een periodiek rapport over het gebruik van de verleende delegaties;
3° ....

Artikel 2.4.6. (01/01/2011- ...)

De minister kan, in het kader van de opvolging en de uitoefening van het toezicht, op ieder ogenblik aan het hoofd van het agentschap informatie, rapportering en verantwoording vragen over bepaalde aangelegenheden, zowel op geaggregeerd niveau als op niveau van individuele onderwerpen en dossiers.

TITEL III. Organisatie van de elektriciteits- en gasmarkt

HOOFDSTUK I. Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest

Afdeling I. De voorwaarden waaraan de netbeheerder moet voldoen

[Onderafdeling I. De voorwaarden betreffende financiële, technische en organisatorische capaciteit (verv. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 17 mei 2019)]

Artikel 3.1.1. (21/06/2019- ...)

De netbeheerder beschikt over voldoende financiële , technische en organisatorische capaciteit om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

Artikel 3.1.2. (01/01/2011- ...)

De financiële capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
1° passende bankverklaringen;
2° balansen, uittreksels uit de balansen of jaarrekeningen, als de wetgeving van het land waar de netbeheerder gevestigd is de bekendmaking van de balansen voorschrijft;
3° een verklaring over de omzet van de laatste drie boekjaren.

Artikel 3.1.3. (21/06/2019- ...)

De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden door de volgende documenten :
1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;
2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;
3° een verklaring die de vermelding bevat van de werktuigen, het materiaal en de technische uitrusting waarover de netbeheerder beschikt voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en voor de activiteiten inzake databeheer;
4° een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaar;
5° een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de netbeheerder, ter beschikking staan van de netbeheerder voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en voor de activiteiten inzake databeheer;
6° een lijst van de gebruikte software en een beschrijving van de manier waarop die software voldoet aan de vereisten voor informatieveiligheid.

Artikel 3.1.3/1. (21/06/2019- ...)

De organisatorische capaciteit kan onder meer aangetoond worden door de volgende documenten:
1° de statuten;
2° een organogram van de organisatie;
3° een goedgekeurd personeelsplan waarin de personeelsbehoefte wordt weergegeven en waaruit blijkt dat een optimale personeelsbezetting en -inzet worden gegarandeerd;
4° een ondernemingsplan dat de VREG gecontroleerd heeft.

Onderafdeling II. De voorwaarden betreffende de professionele betrouwbaarheid

Artikel 3.1.4. (01/01/2011- ...)

De netbeheerder geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

Artikel 3.1.5. (01/01/2011- ...)

Er wordt geen blijk gegeven van professionele betrouwbaarheid door degene :
1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie;
2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie.

Artikel 3.1.6. (03/06/2014- ...)

De VREG kan beslissen dat er geen blijk van professionele betrouwbaarheid wordt gegeven door degene :
1° die zelf, of waarvan een bestuurs- of directielid, bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
2° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de VREG aannemelijk kan maken;
3° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;
4° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van belastingen die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;
5° die zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die op grond van titels IV, V, VI en hoofdstuk I tot en met IV van titel VII van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en de uitvoeringsbesluiten
ervan verstrekt moeten worden;
6° die een gerechtelijk akkoord heeft verkregen, voor wie een procedure van gerechtelijk akkoord aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie.

Artikel 3.1.7. (01/01/2011- ...)

Het bewijs dat iemand zich niet bevindt in een van de gevallen, vermeld in artikel 3.1.5 of 3.1.6, kan, onder meer, geleverd worden door de volgende stukken :
1° voor artikel 3.1.5,1° : een bewijs van niet-faillissement en een bewijs van inschrijving, of evenwaardige documenten, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
2° voor artikel 3.1.5, 2°, en artikel 3.1.6, 1° en 6° : een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
3° voor artikel 3.1.6, 3° en 4° : een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde overheidsinstantie van het land in kwestie.

Als een van de documenten of getuigschriften, vermeld in het eerste lid, niet uitgereikt wordt in het land in kwestie, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, voor een notaris of voor een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.

Onderafdeling III. De voorwaarden betreffende het eigendoms- of exploitatierecht op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

Artikel 3.1.8. (01/01/2011- ...)

De netbeheerder beschikt over de volle eigendom op, of het exploitatierecht van, het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit waarvoor hij de aanvraag ingediend heeft.

[Onderafdeling IV. De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van producenten, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen, aanbieders van energiediensten, ESCO's, aggregatoren en aardgasinvoerders (verv. BVR 17 mei 2019, art. 6, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.9. (21/06/2019- ...)

De voorwaarden die in deze onderafdeling worden opgelegd betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van invoerders van buitenlands aardgas, producenten, houders van een leveringsvergunning , tussenpersonen, aanbieders van energiediensten, ESCO's en aggregatoren, gelden niet voor netbeheerders voor de productie en leveringsactiviteiten die zij uitoefenen op grond van artikel 4.1.7 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, op grond van het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en op grond van de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

Artikel 3.1.10. (21/06/2019- ...)

De netbeheerder en de werkmaatschappijen mogen geen andere activiteiten ondernemen inzake de productie van energie en de levering van aardgas of elektriciteit dan de activiteiten, vermeld in artikel 4.1.8, 4.1.20 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

Artikel 3.1.11. (21/06/2019- ...)

Voor de uitoefening van zijn taken vermeld in artikel 4.1.6/1, eerste lid, en artikel 4.1.8/3, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 kan de netbeheerder of zijn werkmaatschappij een beroep doen op de statutairen die op 1 april 2019 personeelslid zijn van een opdrachthoudende vereniging met eenzelfde maatschappelijk doel als de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij of met een maatschappelijk doel dat de ondersteuning van de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij omvat.

Artikel 3.1.12. (21/06/2019- ...)

Producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen,aanbieder van energiediensten, ESCO's, aggregatoren of de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen bezitten alleen of gezamenlijk ten hoogste 30 % van het kapitaal van de netbeheerder en de werkmaatschappij.

Artikel 3.1.13. (01/01/2011- ...)

De netbeheerder en de werkmaatschappijen houden geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan, in welke vorm ook, in producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen,aanbieder van energiediensten, ESCO's, aggregatoren of in de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen.

Artikel 3.1.14. (21/06/2019- ...)

De netbeheerder en de werkmaatschappijen bevoordelen geen enkele producent, invoerder van buitenlands aardgas, houder van een leveringsvergunning, tussenpersoon,aanbieder van energiediensten, ESCO's, aggregatoren of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen boven andere ondernemingen en kennen geen voordelen toe die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.

Het is de netbeheerder en de werkmaatschappijen in ieder geval verboden :
1° een onderneming goederen of diensten te verstrekken tegen een vergoeding die lager is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge;
2° van een onderneming goederen of diensten aan te kopen tegen een vergoeding die hoger is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge;
3° rechtstreeks of onrechtstreeks een onderneming inzicht te verstrekken in de informatie, vermeld in artikel 3.1.19;
4° een onderneming toe te staan de naam en het beeldmerk van de netbeheerder te gebruiken.

Artikel 3.1.15. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als de gemeenten rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 25 % van het kapitaal bezitten van een distributienetbeheerder die een distributienet beheert op een spanningsniveau, lager dan 20 kV, bepalen de statuten van die distributienetbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor 70 % samengesteld is uit bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders. Het bestuursorgaan is minstens voor de helft samengesteld uit onafhankelijke bestuurders.

In alle andere gevallen bepalen de statuten van de netbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor de helft samengesteld is uit onafhankelijke bestuurders.

§ 2. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het bestuursorgaan van de werkmaatschappij minstens voor 70 % samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders.

§ 3. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het orgaan, vermeld in artikel 3.1.28, tweede lid, volledig samengesteld zijn uit bestuurders die voorgedragen zijn door de gemeenten-aandeelhouders van de distributienetbeheerder. In alle andere gevallen moet het dat orgaan volledig samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders.

Artikel 3.1.16. (21/06/2019- ...)

De bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders, mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning een tussenpersoon, een aanbieder van energiediensten, een ESCO of een aggregator.

Artikel 3.1.17. (04/05/2012- ...)

Met betrekking tot de werking van het bestuursorgaan van een netbeheerder bepalen de statuten ervan minstens dat :
1° bij het bestuursorgaan een corporategovernancecomité wordt opgericht dat uitsluitend is samengesteld uit onafhankelijke bestuurders en dat onder meer belast is met de volgende taken :
a) op verzoek van elke onafhankelijke bestuurder of van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, elk belangenconflict onderzoeken tussen de netbeheerder enerzijds, en een gemeente-aandeelhouder, een dominerende aandeelhouder, met een dominerende aandeelhouder verbonden of geassocieerde ondernemingen, of de werkmaatschappijen anderzijds, en daarover jaarlijks verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;
b) zich uitspreken over de gevallen van onverenigbaarheid wat betreft de personeelsleden van de netbeheerder of van de werkmaatschappijen;
c) binnen de netbeheerder en binnen de werkmaatschappijen toezien op de naleving van de bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan, de doeltreffendheid ervan evalueren ten aanzien van de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het beheer van het distributienet en de activiteiten inzake databeheer en elk jaar daarover verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;
d) de rekeningen onderzoeken en de controle van het budget waarnemen;
e) de auditwerkzaamheden controleren;
f) de betrouwbaarheid van de financiële informatie evalueren;
g) de interne controle organiseren en daarop toezicht uitoefenen;
2° het bestuursorgaan verplicht is het advies van het corporategovernancecomité te vragen voor het een beslissing neemt over de aanstelling, het ontslag en de bezoldiging van de leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en van de werkmaatschappijen;
3° het comité de bevoegdheid heeft een onderzoek in te stellen in elke aangelegenheid die onder zijn bevoegdheid valt en daarom toegang heeft tot alle informatie, met uitzondering van de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers, ook als die zich bevindt bij de werkmaatschappijen;
4° het comité over de mogelijkheid beschikt om, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het advies van externe en onafhankelijke deskundigen in te winnen op kosten van de netbeheerder;
5° het comité, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het recht heeft een vergadering van de raad van bestuur samen te roepen, overeenkomstig de oproepingsformaliteiten, bepaald in de statuten;
6° de functionaris voor gegevensbescherming door het bestuursorgaan van de netbeheerder tijdig wordt betrokken bij alle aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.

In afwijking van het eerste lid hoeft er door de netbeheerder geen corporategovernancecomité te worden opgericht wanneer zijn bestuursorgaan louter bestaat uit onafhankelijke bestuurders. De statuten van de netbeheerder bepalen evenwel dat van zodra niet-onafhankelijke bestuurders toetreden tot het bestuursorgaan onmiddellijk moet worden overgegaan tot de oprichting van een corporategovernancecomité, als vermeld in het eerste lid.

Artikel 3.1.18. (21/06/2019- ...)

Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de netbeheerder bepalen de statuten minstens dat :
1° met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de netbeheerder een meerderheid bestaat;
2° met behoud van de toepassing van de bepalingen van punt 1°, de beslissingen van het bestuursorgaan die betrekking hebben op de aangelegenheden, vermeld in artikel 4.1.6/1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de instemming van een meerderheid van de onafhankelijke bestuurders vereisen en de beslissingen van het bestuursorgaan die betrekking hebben op de aangelegenheden, vermeld in 4.1.8/3, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de instemming van een twee derde-meerderheid.

Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen bepalen de statuten van die werkmaatschappijen minstens dat, met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen een meerderheid bestaat.

Artikel 3.1.19. (01/01/2011- ...)

Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden van het bestuursorgaan van de netbeheerder nemen de netbeheerder en de werkmaatschappijen de maatregelen die nodig zijn om de toegang tot de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers en tot de verwerking van die gegevens te beperken tot de leden van het orgaan, belast met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, en tot de personeelsleden die die informatie nodig hebben om hun taken uit te oefenen.

Artikel 3.1.20. (21/06/2019- ...)

De leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder of van een werkmaatschappij, en de personeelsleden van de netbeheerder of van een werkmaatschappij mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning, een tussenpersoon, aanbieders van energiediensten, ESCO's, aggregatoren of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen uitoefenen als die functie of activiteit niet voor een netbeheerder is.

[Onderafdeling V. De voorwaarden betreffende capaciteit om bij de uitoefening van activiteiten inzake databeheer te voldoen aan de vereisten van de algemene verordening gegevensbescherming (ing. BVR 17 mei 2019, art. 17, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.20/1. (21/06/2019- ...)

De functionaris voor gegevensbescherming die wordt aangesteld door de netbeheerder brengt over zijn activiteiten rechtstreeks verslag uit aan de leden van het bestuursorgaan van de netbeheerder en bezorgt hen tevens alle verslagen die hij opstelt in het kader van zijn activiteiten en alle aanbevelingen die hij doet inzake de aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens. De verslagen worden bewaard zolang dit nodig is voor het uitvoeren van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling of voor het uitoefenen van de taken van de functionaris van gegevensbescherming die hem worden opgelegd in artikel 39.1 van de algemene verordening gegevensbescherming.

[Onderafdeling VI. De voorwaarden betreffende de capaciteit om de uniforme voorwaarden voor een continu risicobeheersingssysteem na te leven (ing. BVR 17 mei 2019, art. 17, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.20/2. (... - ...)

De netbeheerder is in staat om de uniforme voorwaarden voor een continu risicobeheersingssysteem na te leven, vermeld in artikel 3.1.61.

Afdeling II. De procedure tot aanwijzing van een netbeheerder

Onderafdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.21. (21/06/2019- ...)

Het opstarten van de procedure tot aanwijzing van een of meer netbeheerders wordt door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad met een aankondiging.

De aankondiging vermeldt onder meer :
1° de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer van de VREG;
2° de termijn waarin de aanvragen tot aanwijzing als netbeheerder ingediend moeten worden;
3° de stukken die nodig zijn om na te gaan of de kandidaat-netbeheerder :
a) over een voldoende technische, financiële en organisatorische capaciteit beschikt;
b) voldoet aan de voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid;
c) over de volle eigendom of een exploitatierecht over het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikt of zal beschikken op het ogenblik van zijn aanwijzing;
d) voldoet aan de voorwaarden betreffende beheersmatige en juridische onafhankelijkheid ten aanzien van producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, aanbieders van energiediensten, ESCO's en aggregatoren;
e) beschikt over een voldoende capaciteit om bij de uitoefening van zijn activiteiten inzake databeheer te voldoen aan de vereisten van de algemene verordening gegevensbescherming;
f) beschikt over een voldoende capaciteit om de uniforme voorwaarden na te leven voor een continu risicobeheersingssysteem met betrekking tot de waarschijnlijkheid en ernst van de uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
4° de wijze waarop het dossier van de kandidaat-netbeheerders samengesteld moet zijn.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen in lid 2, 3°, bevat het dossier minstens :
1° een schriftelijk en door de gemeente of groep van gemeenten ondertekend voorstel tot aanwijzing, als de kandidaat-netbeheerder, overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voorgesteld wordt door een gemeente of een groep van gemeenten;
2° een gedetailleerde omschrijving van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.1.22. (01/01/2011- ...)

De aanvraag tot aanwijzing als netbeheerder wordt gericht aan de VREG, en wordt ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

Artikel 3.1.23. (01/01/2011- ...)

De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.

Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG binnen een maand na de ontvangst van de aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Artikel 3.1.24. (21/06/2019- ...)

De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere kandidaat-netbeheerder en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt na of de kandidaat-netbeheerder voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 3.1.1 tot en met 3.1.20/2 en aan de openbaredienstverplichtingen, opgelegd op grond van artikel 4.1.8/2, 4.1.20, 4.1.21 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Als de kandidaat-netbeheerder niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan, en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden kan voldoen.

In afwijking van het tweede lid kan de VREG de kandidaat-aardgasdistributienetbeheerder in het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied, aanwijzen als netbeheerder, zelfs als niet voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, als daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat. De aanwijzingsbeslissing bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid waaraan voldaan moet worden.

Artikel 3.1.25. (01/01/2011- ...)

De naam en het adres van de netbeheerder, de gebiedsomschrijving, alsook de datum van de aanvang van de periode waarvoor de netbeheerder aangewezen is, worden door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Onderafdeling II. De voorwaardelijke aanwijzing als netbeheerder

Artikel 3.1.26. (01/01/2011- ...)

De VREG kan in een gemotiveerde beslissing overgaan tot aanwijzing van een kandidaat als netbeheerder hoewel die niet voldoet aan alle voorwaarden van dit besluit.

Van die mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan alleen gebruikgemaakt worden als voor het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in kwestie geen enkele kandidaat voldoet aan alle voorwaarden, in dit besluit vermeld, en als de kandidaat, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in titel III, hoofdstuk I, afdeling I, onderafdelingen I, II en III.

Als de met toepassing van dit artikel aangestelde netbeheerder niet binnen een jaar na zijn aanwijzing aan alle voorwaarden van dit besluit voldoet, beslist de VREG tot beëindiging van zijn aanwijzing.

Onderafdeling III. Beëindiging van de aanwijzing als netbeheerder

Artikel 3.1.27. (01/01/2011- ...)

Als de aanwijzing van een netbeheerder wordt beëindigd met toepassing van artikel 4.1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wijst de VREG een nieuwe netbeheerder aan overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.21 tot en met 3.1.25 of, in voorkomend geval, overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.26. De aanwijzing heeft betrekking op de resterende duurtijd van de aanwijzing die beëindigd werd.

Afdeling III. De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij

Artikel 3.1.28. (01/01/2013- ...)

Als de netbeheerder een beroep doet op een werkmaatschappij, mag geen afbreuk worden gedaan aan de onafhankelijkheid van de netbeheerder en moet de netbeheerder daarvan de garanties geven als vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.15 en artikel 3.1.17 tot en met 3.1.20.

De werkmaatschappij van de netbeheerder voorziet in alle gevallen minstens in de oprichting van een orgaan dat bevoegd is voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden, vermeld in 3.1.11.

In afwijking van het tweede lid hoeft er door de werkmaatschappij van de netbeheerder geen orgaan bevoegd voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, te worden opgericht wanneer zijn bestuursorgaan louter bestaat uit onafhankelijke bestuurders. De statuten van de werkmaatschappij bepalen evenwel dat van zodra niet-onafhankelijke bestuurders toetreden tot het bestuursorgaan, onmiddellijk moet worden overgegaan tot oprichting van een orgaan, als vermeld in het tweede lid.

Artikel 3.1.29. (01/01/2011- ...)

Binnen een maand nadat in het ter zake bevoegde bestuursorgaan van de netbeheerder beslist wordt om een beroep te doen op een werkmaatschappij, vraagt de netbeheerder de toestemming van de VREG daarvoor aan per aangetekende brief. In deze brief geeft de netbeheerder aan hoelang hij een beroep wil doen op deze werkmaatschappij.

Artikel 3.1.30. (01/01/2011- ...)

Nadat de VREG de aanvraag, vermeld in 3.1.29, ontvangen heeft, meldt ze aan de netbeheerder welke stukken bezorgd moeten worden om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20, en binnen welke termijn die stukken bezorgd moeten worden.

De netbeheerder dient het aanvraagdossier per aangetekende brief in of geeft het tegen ontvangstbewijs af bij de VREG.

De VREG gaat na of het aanvraagdossier volledig is. Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG de netbeheerder per aangetekende brief op de hoogte binnen een maand na ontvangst van het aanvraagdossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom het aanvraagdossier niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Artikel 3.1.31. (01/01/2011- ...)

Na de ontvangst van een volledig aanvraagdossier gaat de VREG op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van de werkmaatschappij in kwestie of op grond van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20. In voorkomend geval geeft ze de netbeheerder de toestemming om een beroep te doen op de werkmaatschappij binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier.

Als de werkmaatschappij niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG de netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan alsook de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden moet voldoen.

Als de werkmaatschappij in kwestie nog niet opgericht is op het ogenblik van de kennisgeving, vermeld in artikel 3.1.29, vangt de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, pas aan op het ogenblik waarop de VREG in kennis gesteld werd van de datum van de oprichting van de werkmaatschappij en hiervan de nodige bewijsstukken ontvangen heeft. In dat geval moet de netbeheerder de VREG ter gelegenheid van de kennisgeving van de oprichting ook in het bezit stellen van alle stukken die ze nodig heeft om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de gestelde eisen. De VREG bepaalt welke stukken ze daarvoor nodig heeft.

De VREG maakt haar beslissing waarmee de toestemming verleend wordt aan de netbeheerder om een beroep te doen op de werkmaatschappij, alsook de naam en het adres van de netbeheerder en de werkmaatschappij in kwestie bekend in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling IV. Informatieverstrekking door de netbeheerder

Artikel 3.1.32. (21/06/2019- ...)

Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, aan de VREG een verslag over de wijze waarop voldaan is aan de voorwaarden van afdeling I, of, voor de netbeheerders die aangewezen zijn conform artikel 3.1.24, derde lid, aan de voorwaarden van de aanwijzingsbeslissing.

Met betrekking tot de vertrouwelijke en strategische aangelegenheden, vermeld in artikel 4.1.6/1 en artikel 4.1.8/3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden in het verslag gegevens aangereikt over de wijze waarop derden bij de besluitvorming en de uitvoering van de beslissingen van de netbeheerder betrokken werden, wie die derden zijn, welke de aard en de omvang was van de aan hen toevertrouwde opdrachten en welke vergoedingen daarvoor werden betaald.

Met betrekking tot de persoonlijke en commerciële gegevens, vermeld in artikel 3.1.19, bevat het verslag minstens :
1° een gedetailleerde classificatie van de informatie die als vertrouwelijk wordt behandeld;
2° een opsomming van de categorieën van personeelsleden die tot die vertrouwelijke informatie toegang hebben, alsook de aspecten van die informatie waartoe ze toegang hebben;
3° een overzicht van de procedures en voorzorgsmaatregelen die de vertrouwelijkheid van die informatie waarborgen.

Artikel 3.1.33. (01/01/2011- ...)

Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks aan de VREG de goedgekeurde jaarrekening van de netbeheerder, met een bijgevoegde toelichting waaruit onder meer blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12 en 3.1.13.

Artikel 3.1.34. (01/01/2011- ...)

Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, bezorgt het bestuursorgaan van de netbeheerder aan de VREG de volgende informatie :
1° elke wijziging van de statuten van de netbeheerder zoals ze bij de aanvraag tot aanwijzing zijn gevoegd, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;
2° elke wijziging van het aandeelhouderschap van de netbeheerder;
3° elke wijziging in de samenstelling van het bestuursorgaan van de netbeheerder;
4° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de netbeheerder voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, kan de VREG voor de informatie die de netbeheerders moeten verstrekken, vermeld in het eerste lid en in artikel 3.1.32 en 3.1.33, zich ook wenden tot de werkmaatschappijen, zonder dat het informatieverstrekkingsrecht en de informatieverstrekkingsplicht van de netbeheerder zelf daardoor kunnen worden aangetast.

Afdeling V. Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder

[Onderafdeling I. Tijdsafhankelijke tarieven (verv. BVR 17 mei 2019, art. 21, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.35. (21/06/2019- ...)

Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat elke afnemer op laagspanning de mogelijkheid heeft om een meetinrichting te krijgen die het bepalen van minstens twee verschillende tariefperiodes ondersteunt en voorziet hiertoe de nodige systemen om verbruiken over de desbetreffende periodes te bepalen.

De onderhoudskosten van de meetinrichting, vermeld in het eerste lid, bij de afnemer worden gedragen door de afnemer.

Artikel 3.1.36. (21/06/2019- ...)

In overeenstemming met het technisch reglement distributie elektriciteit bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de tijdstippen waarop de tariefperiodes ter ondersteuning van het tijdsafhankelijk tarief aanvangen en stoppen.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat het elektriciteitsverbruik van elke afnemer op laagspanning die kiest voor de toepassing van minstens twee verschillende tariefperiodes, gedurende het hele weekend, van zaterdagmorgen tot zondagavond, geregistreerd wordt op deze tariefperiode van de verschillende van toepassing zijnde tariefperiodes die is verbonden aan het laagste tarief.

Artikel 3.1.37. (21/06/2019- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit informeert de afnemers op laagspanning over de eventuele kosten en baten die gepaard gaan met de keuze voor verschillende tariefperiodes dan wel een uniforme tariefperiode voor de aanrekening van het tijdsafhankelijke tarief.

Artikel 3.1.38. (01/01/2011- ...)

De kosten voor de investeringen, vermeld in artikel 3.1.35, eerste lid, en 3.1.36, en de kosten voor de informatievoorziening, vermeld in 3.1.37, worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Artikel 3.1.38/1. (21/06/2019- ...)

Als de elektriciteitsleverancier op het toegangspunt dynamische prijzen aanbiedt, informeert hij de netgebruiker op laagspanning over de al dan niet dynamische tariefperiodes en de dynamische energieprijzen die daarop van toepassing zijn, inclusief de mogelijke prijsschommelingen en de implicaties ervan.

Op voorwaarde dat de netgebruiker een overeenkomst sluit met de leverancier voor de aanrekening van dynamische energieprijzen en op voorwaarde dat de meetinrichting het mogelijk maakt voor de netgebruiker om te kiezen voor een meetregime waarbij verbruiksgegevens per elementaire periode beschikbaar worden gesteld, stelt de distributienetbeheerder vanaf 1 januari 2021 gevalideerde verbruiksgegevens per kwartier, die de basis vormen voor de aanrekening van de dynamische energieprijzen door de leverancier, ter beschikking aan de toegangshouder voor het desbetreffende toegangspunt.

Onderafdeling II. Openbare verlichting

Artikel 3.1.39. (01/01/2011- ...)

Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder die de netten tot 15.000 volt beheert, draagt zorg voor de exploitatie van de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder, vermeld in artikel 1.1.3, 32° van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Artikel 3.1.40. (01/01/2012- ...)

De werkzaamheden die worden verstaan onder exploitatie, vermeld in artikel 3.1.39, zijn :
1° de werkzaamheden voor het onderhoud van de elektriciteitskabels, de verlichtingspalen, de palen, ankers, buizen, steunen, moffen, kasten en andere benodigdheden ter ondersteuning of ter bescherming van de verlichtingsinfrastructuur, de verlichtingsarmaturen en de lampen, de schakelaars, de meet-, regel- en communicatieapparatuur en de eventuele transformatoren;
2° de organisatie en de bemanning van een meldpunt voor defecte, gestoorde of storende openbare verlichting;
3° het opstellen van de aanbestedingsdossiers voor de aankoop van de openbareverlichtingsinfrastructuur en van de vervangstukken;
4° het verlenen van bijstand aan de betreffende gemeenten bij het opstellen van hun aanbestedingsdossier voor de energieaankoop voor de openbare verlichting;
5° het vijfjaarlijks uitvoeren of laten uitvoeren van een energieaudit met betrekking tot de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder;
6° ...
7° het sensibiliseren van de gemeenten die gelegen zijn in het geografische gebied van de netbeheerder, op het vlak van de lichthinder van openbare verlichting.

De vijfjaarlijkse audit, vermeld in het eerste lid, 5°, werd voor de eerste maal uitgevoerd in 2005. Het rapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een energieaudit, wordt telkens vóór 1 juni bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid. De minister legt vast welke gegevens in het rapport moeten worden opgenomen.

Artikel 3.1.41. (01/01/2011- ...)

De kosten voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 3.1.40, eerste lid, 1° tot en met 7°, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder.

Alle andere kosten en in het bijzonder de kosten voor de plaatsing of de uitbreiding van de openbare verlichting, de kosten van de vervangstukken inclusief lampen, de kosten voor de energielevering, de aansluitkosten van het verlichtingsnet op het distributienet en de transport- en distributiekosten van de benodigde elektrische energie vallen niet onder de kosten, vermeld in het eerste lid.

[Afdeling VI. Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder (ing. BVR 12 oktober 2012, art. 1, I: 1 december 2012)]

Artikel 3.1.42. (01/12/2012- ...)

Voor de netbeheerder een aanvraag tot het verkrijgen van een domeintoelating, vermeld in artikel 4.1.27 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, indient, pleegt hij voor complexe dossiers vooraf overleg met de betrokken domeinbeheerders.

De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de vorm en inhoud van het overleg, vermeld in het eerste lid.

Als complexe dossiers, vermeld in het eerste lid, worden minstens de volgende types van werkzaamheden beschouwd :
1° het kruisen van bevaarbare waterlopen en kanalen door middel van ondergrondse lijnen of leidingen;
2° het aanleggen van langsleidingen langs de oevers van bevaarbare waterlopen en kanalen;
3° het dwarsen van gewestwegen en autosnelwegen door middel van ondergrondse lijnen of leidingen;
4° het aanleggen van ondergrondse leidingen of lijnen binnen de strook van dertig meter naast autosnelwegen.

[Afdeling VII. Voorwaarden en procedures voor de forfaitaire vergoedingsplichten van de netbeheerder (ing. BVR 10 juli 2015, art. 3, I: 20 augustus 2015)]

Artikel 3.1.43. (20/08/2015- ...)

§ 1. De netgebruiker dient de aanvraag voor de vergoeding, vermeld in artikel 4.1.11/3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in bij de distributienetbeheerder, op straffe van onontvankelijkheid, binnen dertig kalenderdagen die volgen op de realisatie van de aansluiting.

De aanvraag moet melding maken van het nummer van de aanvaarde offerte of de factuur voor de bestelde aansluiting.

§ 2. De netgebruiker dient de aanvraag voor de vergoeding, vermeld in artikel 4.1.11/4. van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in bij de distributienetbeheerder, op straffe van onontvankelijkheid, binnen dertig kalenderdagen die volgen op de realisatie van de heraansluiting.

De aanvraag moet melding maken van de datum van afsluiting.

§ 3. De netgebruiker dient de aanvraag voor de vergoeding, vermeld in artikel 4.1.11/5. van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in bij de distributienetbeheerder, op straffe van onontvankelijkheid, binnen dertig kalenderdagen die volgen op de langdurige onderbreking.

De aanvraag moet melding maken van de datum van de stroomonderbreking, alsook van het startuur en het einduur ervan.

§ 4. De netbeheerder bevestigt de ontvangst van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, binnen de tien werkdagen.

Als de aanvraag onontvankelijk of onvolledig is, brengt de distributienetbeheerder de aanvrager daarvan binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag schriftelijk op de hoogte. Bij die kennisgeving worden de redenen vermeld waarom de aanvraag onontvankelijk of onvolledig is bevonden en in geval van onvolledigheid de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn moet ten minste dertig kalenderdagen omvatten.

De vergoeding wordt door de distributienetbeheerder aan de aanvrager betaald binnen zestig kalenderdagen die volgen op de indiening van een volledige aanvraag, als de aanvraag ontvankelijk en gegrond is. De distributienetbeheerder brengt de aanvrager daarvan ook schriftelijk op de hoogte, waarbij de berekeningswijze van het uitbetaalde bedrag wordt weergegeven.

[Afdeling VIII. Uitzonderingen op de tenlasteneming van een rendabel deel van de kosten door de distributienetbeheerder (ing. BVR 28 april 2017, art. 1, I: 5 juni 2017)]

Artikel 3.1.44. (05/06/2017- ...)

Er is geen tenlasteneming van een rendabel deel van de kosten door de aardgasdistributienetbeheerder als vermeld in artikel 4.1.16, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in de volgende gevallen:
1° langs de openbare weg is een biogasnet aanwezig;
2° langs de openbare weg is een warmtenet aanwezig dat gevoed wordt op basis van restwarmte, hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
3° de wooneenheid of het gebouw ligt in een verkaveling als vermeld in het tweede lid, 3°.

Er is geen tenlasteneming van een rendabel deel van de kosten door de aardgasdistributienetbeheerder als vermeld in artikel 4.1.16, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in de volgende gevallen:
1° in de verkaveling is een biogasnet aanwezig of gepland;
2° in de verkaveling is een warmtenet aanwezig of gepland dat gevoed wordt op basis van restwarmte, hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
3° de verkaveling bestaat volledig uit wooneenheden of gebouwen die ofwel een energieprestatiepeil lager dan E20 hebben, ofwel in hun volledige verwarmingsbehoefte voorzien met hernieuwbare energiebronnen of met een elektrische warmtepomp.

[Afdeling IX. Digitale meters (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]

[Onderafdeling I. Digitale meter voor elektriciteit (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]

Artikel 3.1.45. (21/06/2019- ...)

§ 1. De digitale meter voor elektriciteit die de distributienetbeheerder plaatst, is geschikt om:
1° het actuele actieve vermogen in watt en het actuele reactieve vermogen in VAr zowel bij afname als bij injectie te registreren en het actuele actieve vermogen in watt weer te geven op de display van de meter;
2° de actuele meterstand in kWh en kVArh voor de afgenomen elektriciteit en voor de geïnjecteerde elektriciteit voor de verschillende gebruiksperioden te registreren en de actuele meterstand in kWh weer te geven op de display van de meter;
3° als fijnste granulariteit elk kwartier de gegevens, vermeld in punt 2°, te registreren;
4° de geldende gebruiksperiode weer te geven op de display van de meter;
5° de kwaliteit van de elektriciteitslevering te registreren en minstens de geleverde spanning in volt weer te geven op de display van de meter;
6° de status van de meetinrichting te registreren en weer te geven op de display van de meter;
7° misbruik van of inbreuk op de meetinrichting of pogingen daartoe te registreren;
8° voor wat betreft afnamepunten in voorafbetalingsmodus te werken.

§ 2. De digitale meter voor elektriciteit is voorzien van een gebruikerspoort waardoor deze meter enerzijds geschikt is om applicaties op aan te sluiten bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker en aan die applicaties informatie door te sturen, zodat die informatie leesbaar en bruikbaar is voor degene die bevoegd is om die informatie te verwerken en anderzijds geschikt is om de niet geïnterpreteerde meetwaarden spanning en stroom met een frequentie van ten minste 2 kHz beschikbaar te stellen.

De volgende meetgegevens worden per seconde en per geldende tariefperiode doorgestuurd naar de gebruikerspoort:
1° het actuele actieve vermogen, vermeld in paragraaf 1, 1° ;
2° de actuele meterstanden in kWh, vermeld in paragraaf 1, 2° ;
3° de geldende gebruiksperiode, vermeld in paragraaf 1, 4° ;
4° de kwaliteit van de elektriciteitslevering, vermeld in paragraaf 1, 5° ;
5° de status van de meetinrichting, vermeld in paragraaf 1, 6°.

Daarnaast worden de niet geïnterpreteerde meetwaarden spanning en stroom ook met een hogere frequentie dan secondewaarden doorgestuurd. Deze frequentie bedraagt ten minste 2 kHz.

Bij de standaardinstelling van elke gebruikerspoort waarover de digitale meter beschikt, zijn de meetgegevens niet lokaal uitleesbaar.

Bij de plaatsing van de digitale meter wordt aan de betrokkene duidelijk gemeld dat de gebruikerspoort niet lokaal uitleesbaar is bij plaatsing. De betrokkene kan evenwel steeds vragen dat de distributienetbeheerder gegevens kosteloos lokaal uitleesbaar instelt. Dit gebeurt bij voorkeur via het webportaal, vermeld in artikel 3.1.58. De distributienetbeheerder vermeldt evenwel steeds de verschillende mogelijke communicatiemiddelen.

§ 3. De communicatie met de meetinrichting is geschikt om:
1° het actuele actieve vermogen in watt en het actuele reactieve vermogen in VAr door te sturen naar de databeheersystemen die worden beheerd door de distributienetbeheerder;
2° de actuele meterstand in kWh en kVArh voor de afgenomen elektriciteit en voor de geïnjecteerde elektriciteit voor de verschillende gebruiksperioden door te sturen naar de databeheersystemen die worden beheerd door de distributienetbeheerder;
3° ten minste dagelijks de geregistreerde kwartiergegevens, vermeld in punt 2°, op afstand met de distributienetbeheerder uit te wisselen, zodat de distributienetbeheerder de uitgewisselde gegevens kan lezen en gebruiken;
4° de geldende gebruiksperioden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder door te sturen naar de meetinrichting;
5° op afstand besturings- en toepassingsprogrammatuur van de meetinrichting te laten aanpassen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
6° op afstand de toegang tot het elektriciteitsdistributienet te laten verlenen en onderbreken door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
7° op afstand het vermogen of de daarmee overeenkomstige maximale stroom, uitgedrukt in ampère, te laten instellen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
8° de kwaliteit van de elektriciteitslevering beschikbaar te stellen;
9° informatie over misbruik van of inbreuk op de meetinrichting of pogingen daartoe op afstand uit te wisselen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
10° informatie van een andere meetinrichting als separate gegevensstroom te ontvangen, te registreren en door te sturen, zodat die informatie leesbaar en bruikbaar is voor degene die bevoegd is om die informatie te verwerken.

Voor het toepassen van de functionaliteit, bedoeld in het eerste lid, 6°, en voor zover de veilige en betrouwbare werking van zijn net in het gedrang komt, bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in welke gevallen een manuele bevestiging door de elektriciteitsdistributienetgebruiker noodzakelijk is alvorens de levering of injectie kan worden hervat.

Artikel 3.1.46. (06/04/2018- ...)

De digitale meter voor elektriciteit in voorafbetalingsmodus ondersteunt samen met een centraal beheersysteem, de verrekening van geregistreerde verbruiken en maakt die op een gebruiksvriendelijke manier inzichtelijk voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Artikel 3.1.47. (06/04/2018- ...)

De registratie van de informatie, de uitwisseling van gegevens en de fysieke aansluitingen gebeuren conform internationale open standaarden en via een veilige gegevenscommunicatie. De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen samen de standaard vast voor de communicatie met de gebruikerspoort.

De inhoud van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de wijze van uitvoeren van elke andere verplichting die de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het meetsysteem wordt opgelegd ingevolge de algemene verordening gegevensbescherming is afhankelijk van de specifieke risicograad voor de rechten en vrijheden van de betrokkene van elke functionaliteit van de digitale meter voor elektriciteit.

[Onderafdeling II. Digitale meter voor aardgas (ing. BVR 23 februari 2018, art. 1, I: 6 april 2018)]

Artikel 3.1.48. (21/06/2019- ...)

§ 1. De digitale meter voor aardgas die de elektriciteitsdistributienetbeheerder plaatst, is geschikt om:
1° de actuele meterstand in m® per telwerk te registreren en weer te geven op de display van de meter;
2° ten minste elk uur de gegevens, vermeld in punt 1°, te registreren;
3° de status van de meetinrichting te registreren en weer te geven;
4° misbruik van of inbreuk op de meetinrichting of pogingen daartoe te registreren;
5° in voorafbetalingsmodus te werken.

§ 2. De communicatie met de meetinrichting is geschikt om:
1° de actuele meterstand in m® per telwerk door te sturen naar de databeheersystemen dat beheerd wordt door de distributienetbeheerder;
2° ten minste elk uur de gegevens, vermeld in punt 1°, te registreren en die gegevens ten minste dagelijks op afstand met de distributienetbeheerder uit te wisselen, zodat de distributienetbeheerder de uitgewisselde gegevens kan lezen en gebruiken;
3° op afstand besturings- en toepassingsprogrammatuur van de meetinrichting te laten aanpassen door de aardgasdistributienetbeheerder;
4° op afstand de toegang tot het aardgasdistributienet te laten onderbreken en te laten verlenen door de aardgasdistributienetbeheerder. Dat geldt niet voor een meetinrichting voor aardgas die wordt gebruikt bij een aansluiting met aansluitingscapaciteit van meer dan 10 m³(n) per uur.;
5° informatie over misbruik van of inbreuk op de meetinrichting of pogingen daartoe op afstand uit te wisselen met de aardgasdistributienetbeheerder;
6° de gegevens, vermeld in paragraaf 1, 1° en 3°, door te sturen naar de gebruikerspoort van de digitale meter voor elektriciteit die geschikt is om daarop applicaties aan te sluiten, en aan die applicaties informatie op zodanige wijze door te sturen dat die informatie leesbaar en bruikbaar is voor degene die bevoegd is om die informatie te verwerken.

Voor het toepassen van de functionaliteit, bedoeld in het eerste lid, 4°, en voor zover de veilige en betrouwbare werking van zijn net in het gedrang komt, bepaalt de aardgasdistributienetbeheerder in welke gevallen een manuele bevestiging door de aardgasdistributienetgebruiker noodzakelijk is alvorens de levering of injectie kan worden hervat.

Artikel 3.1.49. (06/04/2018- ...)

De digitale meter voor aardgas in voorafbetalingsmodus ondersteunt de verrekening van de geregistreerde verbruiken en maakt die op een gebruiksvriendelijke manier inzichtelijk voor de aardgasdistributienetgebruiker.

Artikel 3.1.50. (06/04/2018- ...)

De meetinrichting voor aardgas die is aangesloten op een meetinrichting voor elektriciteit, kan voor de informatieverplichtingen, vermeld in artikel 3.1.48, § 2, eerste lid, 1° tot en met 6°, gebruikmaken van de meetinrichting voor elektriciteit.

Artikel 3.1.51. (06/04/2018- ...)

De registratie van de informatie, de uitwisseling van gegevens en de fysieke aansluitingen gebeuren conform internationale open standaarden en via een veilige gegevenscommunicatie.

De inhoud van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de wijze van uitvoeren van elke andere verplichting die de aardgasdistributienetbeheerder of de beheerder van het meetsysteem wordt opgelegd ingevolge de algemene verordening gegevensbescherming is afhankelijk van de specifieke risicograad voor de rechten en vrijheden van de betrokkene van elke functionaliteit van de digitale meter voor aardgas.

[Onderafdeling III. Plaatsing (ing. BVR 21 juni 2019, art. 28, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.52. (21/06/2019- ...)

§ 1. De distributienetbeheerder plaatst vanaf 1 juli 2019 een digitale meter in geval van een kleinverbruiksmeting voor elektriciteit, zodat uiterlijk op 1 januari 2034 alle kleinverbruiksmeetinrichtingen over een digitale meter beschikken.

In geval van nieuwe budgetmeters worden de meters vervangen zoals wordt bepaald in artikel 5.3.1 of artikel 5.4.1 van dit besluit. De oude budgetmeter wordt verwijderd.

Bestaande actieve budgetmeters en de meters die geplaatst of geactiveerd werden in het proefproject slimme meters en in het proefproject digitale budgetmeter van de distributienetbeheerders worden uiterlijk tegen 31 december 2021 vervangen door een digitale meter. De oude budgetmeter wordt verwijderd. Bij de plaatsing moet worden voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 5.3.1, § 7 of artikel 5.4.1, § 7 van dit besluit.

Bij bestaande prosumenten worden de meters uiterlijk tegen 31 december 2022 vervangen door een digitale meter. Bij de plaatsing bij bestaande prosumenten wordt het verschil in meterstand ten opzichte van de laatste afrekeningsfactuur ten gevolge van de compensatie verbonden aan de terugdraaiende teller meegenomen naar de eerstvolgende afrekeningsfactuur. De distributienetbeheerder zorgt ervoor dat bij elke prosument een digitale meter geplaatst is op het moment dat het recht op het jaarlijks in mindering brengen van de geproduceerde elektriciteit die geïnjecteerd wordt op het distributienet van de afname, zoals vermeld in artikel 15.3.5/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, verstrijkt.

Bij aanmelding van nieuwe decentrale productie-installaties met een maximaal AC-vermogen van 10 kVA, bijkomende installaties of een uitbreiding van bestaande installaties worden de digitale meters geplaatst binnen de negentig dagen na de aanmelding van de nieuwe installatie, bijkomende installatie of uitbreiding van de bestaande installatie. Onverminderd hetgeen bepaald is in het vierde lid, in fine, zal indien het een nieuwe aanmelding betreft bij bestaande prosumenten, ook hier bij de plaatsing het verschil in meterstand ten opzichte van de laatste afrekeningsfactuur ten gevolge van de compensatie verbonden aan de terugdraaiende teller meegenomen worden naar de eerstvolgende afrekeningsfactuur.

In geval van nieuwe decentrale productie-installaties met een AC-vermogen van meer dan 10 kVA, wordt tot 1 januari 2021 bij een verplichte metervervanging tijdelijk een AMR-meter geplaatst.

Als er een meetinrichting in gebruik is voor registratie van het verbruik aan uitsluitend nachttarief, wordt deze ook vervangen.

De meetinrichting voor registratie van het verbruik aan uitsluitend nachttarief die niet meer in gebruik is, wordt verwijderd.

Als de plaatsing van een digitale meter technisch onmogelijk of economisch onhaalbaar blijkt omwille van slechte of geen draadloze communicatiemogelijkheid met de meter, kan de distributienetbeheerder de plaatsing uitstellen tot wanneer aan de technische onmogelijkheid of economische onhaalbaarheid verholpen is, hetzij door een nieuwe aanbesteding van de digitale meter waarin de distributienetbeheerder deze situaties zal meenemen, hetzij door fysische ingrepen van de netgebruiker wanneer dit eerder is. In geen geval kan deze termijn langer zijn dan 1 januari 2024.

Als de plaatsing van een digitale meter voor elektriciteit technisch onmogelijk of economisch onhaalbaar blijkt omwille van het feit dat de elektriciteitsdistributienetgebruiker over een elektriciteitsaansluiting beschikt met een nominale stroom meer dan 80 A, kan de distributienetbeheerder de plaatsing uitstellen en een AMR-meter plaatsen tot wanneer aan de technische onmogelijkheid of economische onhaalbaarheid verholpen is door een nieuwe aanbesteding van de digitale meter waarin de distributienetbeheerder deze situaties zal meenemen of door fysische ingrepen van de netgebruiker wanneer dit eerder is. In geen geval kan deze termijn langer zijn dan 1 januari 2024.

Elke netgebruiker heeft uiterlijk op 1 januari 2023 het recht te kiezen voor de plaatsing van een digitale meter die communiceert met de distributienetbeheerder via bekabeling.

§ 2. Als er een aardgasaansluiting is, plaatst de distributienetbeheerder op het ogenblik dat hij een digitale meter bij een kleinverbruiksmeting elektriciteit plaatst, ook een digitale meter voor aardgas. Als de aardgasaansluiting aan de oorsprong ligt van het plaatsen van een digitale meter voor aardgas, vervangt hij ook de meetinrichting voor elektriciteit en plaatst daar dus een digitale meter voor elektriciteit.

Als de plaatsing van een digitale meter voor aardgas technisch onmogelijk of economisch onhaalbaar blijkt omwille van het feit dat de distributienetgebruiker beschikt over een aardgasaansluiting van meer dan 10 m3 (n) per uur kan de distributienetbeheerder de plaatsing van de digitale meter voor aardgas uitstellen tot wanneer aan de technische onmogelijkheid of economische onhaalbaarheid verholpen is door een nieuwe aanbesteding van de digitale meter waarin de distributienetbeheerder deze situaties zal meenemen of door fysische ingrepen van de netgebruiker wanneer dit eerder is. In geen geval kan deze termijn langer zijn dan 1 januari 2024.

§ 3. Onverminderd de artikelen 5.3.4 en 5.4.5 van dit besluit, staat de distributienetbeheerder in voor de kosten van de plaatsing en indienststelling, inclusief de meterkast indien nodig, en inclusief de kosten voor de beperkte demonteringswerken en/of aanpassingswerken aan de meterlocaties indien deze noodzakelijk blijken voor de plaatsing en indienststelling, alsook voor de kosten voor de heropstart of het opnieuw afstellen van de centrale verwarmingsinstallatie als gevolg van de plaatsing van een digitale meter voor aardgas indien de ketel gekeurd is in overeenstemming met artikel 8 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.

In afwijking van het eerste lid, staat de netgebruiker in voor de meerkost van de meter ten opzichte van de standaard digitale meter, alsook voor de kosten voor de plaatsing en indienststelling die worden gegenereerd in het geval hij gebruik maakt van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1, laatste lid.

Artikel 3.1.53. (21/06/2019- ...)

Niettegenstaande de mogelijkheid tot aanpassing na een evaluatie, vermeld in artikel 3.1.56 van dit besluit, zorgt de distributienetbeheerder ervoor dat de digitale meters evenwichtig en gespreid uitgerold worden over zijn volledige grondgebied en in de tijd. Minstens een derde van het totale aantal te plaatsen digitale meters wordt geplaatst tegen 1 januari 2024 en twee derde van het totale aantal te plaatsen digitale meters tegen 1 januari 2029. De distributienetbeheerder stelt een algemene uitrolplanning voor de komende vijf jaar en een gedetailleerde projectplanning voor het komende jaar ter beschikking op zijn website.

De minister kan bijkomende voorwaarden bepalen om de spreiding in tijd en ruimte van de plaatsing van de digitale meter verder te detailleren.

Op de website, vermeld in het eerste lid, wordt ook ten minste vermeld dat bij de plaatsing:
1° de meterlocatie moet worden vrijgemaakt in overeenstemming met de technische voorschriften, inclusief de beschrijving van de wijze waarop de meterlocatie moet worden vrijgemaakt, en de vermelding dat, indien dit niet het geval is, deze door de distributienetbeheerder zal worden vrijgemaakt, en dat in dat geval de distributienetbeheerder instaat voor de kost hiervoor, zoals bepaald in het artikel 3.1.52, § 3 van dit besluit;
2° de centrale verwarmingsketel gekeurd moet zijn in overeenstemming met artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater en enkel indien dit het geval is de distributienetbeheerder instaat voor de eventuele kost voor heropstart of het opnieuw afstellen van de ketel, zoals bepaald in artikel 3.1.52, § 3 van dit besluit.

Artikel 3.1.54. (21/06/2019- ...)

In geval van een nieuwe budgetmeter verloopt de plaatsing van de digitale meter zoals bepaald in artikel 3.1.52, § 1, tweede lid van dit besluit.

Met uitzondering van de gevallen vermeld in het eerste lid en artikel 3.1.55 van dit besluit, brengt de distributienetbeheerder de individuele netgebruiker minstens twee maanden op voorhand schriftelijk op de hoogte van het specifieke moment dat deze zal langskomen voor het plaatsen van de digitale meter, desgevallend meters.

De schriftelijke communicatie, vermeld in het tweedelid, vermeldt ten minste dat:
1° de meterlocatie moet worden vrijgemaakt in overeenstemming met de technische voorschriften, inclusief de beschrijving van de wijze waarop de meterlocatie moet worden vrijgemaakt, en de vermelding dat, indien dit niet het geval is, deze door de distributienetbeheerder zal worden vrijgemaakt, en dat in dat geval de distributienetbeheerder instaat voor de kost hiervoor, zoals bepaald in artikel 3.1.52, § 3 van dit besluit;
2° de centrale verwarmingsketel gekeurd moet zijn in overeenstemming met artikel 8 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater en enkel indien dit het geval is de distributienetbeheerder instaat voor de eventuele kost voor heropstart of het opnieuw afstellen van de ketel, zoals bepaald in artikel 3.1.52, § 3 van dit besluit.

Artikel 3.1.55. (21/06/2019- ...)

Als een netgebruiker verzoekt om een digitale meter te plaatsen, zoals vermeld in artikel 4.1.22/2, 1° en 7° van het Energiedecreet van 8 mei 2009, bezorgt de distributienetbeheerder een offerte binnen tien werkdagen nadat hij de aanvraag van de netgebruiker heeft ontvangen.

De offerte, vermeld in het eerste lid, vermeldt ten minste dat de centrale verwarmingsketel gekeurd moet zijn in overeenstemming met artikel 8 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater en dat enkel indien dit het geval is, de distributienetbeheerder instaat voor de eventuele kost voor heropstart of het opnieuw afstellen van de ketel, zoals bepaald in het vijfde lid.

In geval van nieuwe decentrale productie-installaties met een AC-vermogen van meer dan 10 kVA, wordt tot 1 januari 2021 bij een metervervanging op verzoek van de netgebruiker een AMR-meter geplaatst.

In geval de plaatsing een expliciete vraag tot vervroegde plaatsing van een digitale meter voor elektriciteit of aardgas betreft, zoals vermeld in artikel 4.1.22/2, eerste lid, 7° van het Energiedecreet, wordt de digitale meter voor aardgas respectievelijk elektriciteit op hetzelfde moment geplaatst en staat de distributienetbeheerder in voor de kosten van de plaatsing en indienststelling van de meter die niet expliciet werd aangevraagd door de netgebruiker.

Binnen dertig werkdagen na ontvangst van de goedgekeurde offerte, neemt de distributienetbeheerder de oude meetinrichting weg en plaatst hij een digitale meter.

Indien er kosten ontstaan voor de heropstart of het opnieuw afstellen van de centrale verwarmingsinstallatie als gevolg van de plaatsing van een digitale meter voor aardgas staat de distributienetbeheerder hiervoor in, indien de ketel gekeurd is in overeenstemming met artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.

Artikel 3.1.56. (21/06/2019- ...)

§ 1.De distributienetbeheerders rapporteren jaarlijks uiterlijk op 1 februari aan de minister en de VREG over de uitrol van de digitale meters.

De rapportering omvat minstens:
1° een overzicht van het aantal geplaatste digitale meters per distributienetbeheerder, per jaar en per doelgroep als bepaald door of krachtens artikel 4.1.22/2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
2° een overzicht van het aantal digitale meters waarvan de plaatsing werd uitgesteld overeenkomstig paragraaf 1, achtste lid alsook de reden waarom;
3° een stand van zaken over het doelbereik, de hinderpalen, de kwaliteit van de communicatie over de digitale meter met de distributienetbeheerder en de gevoerde communicatiecampagnes;
4° suggesties voor bijkomende doelgroepen;
5° een algemene projectplanning voor de komende vijf jaar en een gedetailleerde projectplanning voor het komende jaar;
6° een toelichting en motivatie van de wijzigingen in de aanpak ten aanzien van de originele projectplanning.

Bijkomend wordt het overzicht, vermeld in het tweede lid, 2°, maandelijks gerapporteerd aan de minister.

§ 2. Op basis van de jaarlijkse rapporteringen evalueert het departement Omgeving minstens tweejaarlijks de uitrol van de digitale meters. De resultaten van die evaluatie worden dat jaar voor 15 mei voorgelegd aan de minister. De minister kan op basis hiervan aan de Vlaamse Regering een voorstel tot aanpassing van de snelheid van de uitrol voorleggen of nieuwe prioritaire doelgroepen definiëren conform artikel 4.1.22/2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de kosten-batenanalyse laten actualiseren.

§ 3. De minister kan nadere regels vastleggen voor de praktische uitvoering van de rapportering en evaluatie, vermeld in paragraaf 1 en 2.

[Onderafdeling IV. Uitlezen van de digitale meter (ing. BVR 21 juni 2019, art. 29, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.57. (... - ...)

De distributienetbeheerder leest ten minste één keer per dag de actuele meterstand uit voor de afname of injectie voor de verschillende tariefperiodes op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.

Op verzoek van de netgebruiker leest de distributienetbeheerder vanaf 1 januari 2021 ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit en de geregistreerde uurgegevens voor gas uit voor de verschillende tariefperiodes van de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter. Vanaf 1 januari 2021 kan de netgebruiker zijn geïnjecteerde elektriciteit vermarkten indien deze een meetinrichting heeft die in staat is de geïnjecteerde elektriciteit apart te meten en op voorwaarde dat de afnemer geen gebruik maakt van de regeling vermeld in artikel 15.3.5/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De distributienetbeheerder kan, indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van zijn taken met betrekking tot het netbeheer, vermeld in artikel 4.1.6, § 1, 1°, 2°, 5°, 8° en 11°, § 2, § 3, 2°, 3° en 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de operationele veiligheid van het net, en met toepassing van artikel 4.1.4, § 2, 6° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 juncto artikel 3.1.61 van dit besluit over de gevallen waarin en de wijze waarop een gegevensbeschermingseffectbeoordeling dient te worden uitgevoerd, de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit en de geregistreerde uurgegevens voor gas uitlezen voor de verschillende tariefperiodes van de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.

In het kader van het verstrekken van de nodige gegevens aan andere netbeheerders, de beheerder van het transmissienet, de vervoeronderneming en de beheerder van het plaatselijk vervoernet en indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van hun taken met betrekking tot het netbeheer, vermeld in artikel 4.1.6, § 1, 1°, 2°, 5°, 8° en 11°, § 2, § 3, 2°, 3° en 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de operationele veiligheid van het net, en met toepassing van artikel 4.1.4, § 2, 6° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 juncto artikel 3.1.61 van dit besluit over de gevallen waarin en de wijze waarop een gegevensbeschermingseffectbeoordeling dient te worden uitgevoerd, kan de distributienetbeheerder de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit en de geregistreerde uurgegevens voor gas uitlezen voor de verschillende tariefperiodes van de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.

De minister kan nadere voorwaarden bepalen met betrekking tot de uitlezing en de vermarkting.

Op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter waarvan de budgetmeterfunctionaliteit actief is zal na uitlezing minstens eenmaal per dag via het door de budgetmeterklant gekozen communicatiemiddel worden gecommuniceerd naar de budgetmeterklant wat het resterende krediet bedraagt en indien het resterende krediet voor een gemiddelde klant nog maximaal één dag zou meegaan wordt er meteen uitdrukkelijk gemeld dat het aangewezen is om extra krediet op te laden. Indien het een digitale budgetmeter voor elektriciteit betreft, wordt ook steeds gecommuniceerd of het noodkrediet is geactiveerd en desgevallend wat het restbedrag van het noodkrediet bedraagt, en desgevallend of de digitale budgetmeter voor elektriciteit in 10 ampèrefunctie werkt.

[Afdeling X. Verwerking van gegevens (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]

[Onderafdeling I. Recht op informatie van de netgebruiker (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.58. (21/06/2019- ...)

De netgebruiker en elke andere natuurlijke persoon van wie persoonsgegevens worden verwerkt, heeft het recht om van de netbeheerder inzage te krijgen in aanvullende informatie, vermeld in het tweede lid, over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Deze informatie wordt kosteloos ter beschikking gesteld via een persoonlijk webportaal.

Het webportaal, vermeld in het eerste lid, geeft toegang tot:
1° informatie over mogelijkheden en status van de gebruikerspoorten van de netgebruiker, vermeld in artikel 3.1.45, § 2;
2° de mogelijkheid om de gebruikerspoorten kosteloos open te zetten of te sluiten;
3° informatie over de status van het meetregime van de digitale meter;
4° een overzicht van de partijen die toegang hebben gekregen tot de gegevens van de netgebruiker en de natuurlijke personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt, alsook tot welke gegevens, de doeleinden van de verwerkingen en de betrokken gegevenscategorieën;
5° de verwijzing en hyperlink naar het overzicht van gemandateerde partijen dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de VREG, zoals vermeld in artikel 3.1.59, derde lid van dit besluit;
6° aanvullende informatie over zijn verbruiksverleden. Dat omvat de cumulatieve gegevens over de periode van ten minste drie voorafgaande jaren of over de periode sinds het tijdstip dat de netgebruiker in het toegangsregister geregistreerd staat op het toegangspunt indien deze korter is. De gegevens hebben betrekking op de termijnen waarvoor frequente factureringsinformatie is verstrekt. In geval de afnemer over een digitale meter beschikt, omvat vanaf 1 april 2020 de aanvullende informatie over zijn verbruiksverleden ook gedetailleerde gegevens over het verbruik per tariefperiode voor elke dag, week, maand en elk jaar. Die gegevens worden onverwijld ter beschikking gesteld, voor ten minste de voorgaande vierentwintig maanden of voor de periode sinds de afnemer over een digitale meter beschikt, als die korter is.

Indien de netgebruiker zijn gebruikerspoorten wenst te openen of te sluiten, voert de distributienetbeheerder binnen 24u na ontvangst van het verzoek van de netgebruiker de nodige handelingen uit om tegemoet te komen aan het verzoek van de netgebruiker.

Artikel 3.1.59. (21/06/2019- ...)

De netgebruiker wordt voorafgaand aan de verwerkingsactiviteiten van de partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, geïnformeerd over die verwerkingsactiviteiten.

De partijen, vermeld in het eerste lid, bieden op hun website een overzicht aan van de verwerkingsactiviteiten die ze uitvoeren met betrekking tot de technische gegevens, relationele gegevens en meetgegevens die worden verkregen door of krachtens het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De VREG stelt op zijn website een overzicht ter beschikking van de partijen aan wie de netbeheerder toegang verleent tot de gegevens van de digitale, elektronische of analoge meter, de relevante wettelijke basis, de toegangsprocedures en de toegangsvoorwaarden, de doeleinden van de verwerkingen en de betrokken gegevenscategorieën en houdt dat overzicht up-to-date.

[Onderafdeling II. Voorwaarden waaronder de netbeheerder een beroep kan doen op derden om persoonsgegevens te verwerken (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.60. (21/06/2019- ...)

Als de netbeheerder voor de verwerking van relationele gegevens, technische gegevens en meetgegevens die ook persoonsgegevens zijn, die deel uitmaakt van de uitoefening van zijn taken, vermeld in artikel 4.1.8/2, eerste lid, 1° en 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2006, een beroep doet op een verwerker, sluit de netbeheerder, hierin bijgestaan door de functionaris voor gegevensbescherming, een schriftelijke overeenkomst met die verwerker conform artikel 28 van de algemene verordening gegevensbescherming. Die overeenkomst bepaalt:
1° het onderwerp en de duur van de verwerking;
2° de aard en het doel van de verwerking;
3° de soort persoonsgegevens die worden verwerkt;
4° de categorieën van betrokkenen;
5° dat de verwerker garandeert om passende technische en organisatorische maatregelen te nemen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming ter bescherming van de persoonsgegevens in kwestie;
6° dat de verwerker alleen handelt op basis van schriftelijke instructies van de netbeheerder;
7° dat de verwerker de persoonsgegevens vertrouwelijk behandelt en de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat zijn personeel gebonden is door dezelfde vertrouwelijkheidsverbintenis;
8° dat de verwerker geen andere verwerker in dienst neemt zonder voorafgaande algemene of specifieke schriftelijke toestemming van de verwerkingsverantwoordelijke;
9° dat de verwerker in voorkomend geval bijstand en hulp verleent aan de netbeheerder;
10° dat de verwerker na afloop van de verwerkingsactiviteit, naargelang de keuze van de netbeheerder, alle persoonsgegevens wist of aan de netbeheerder terugbezorgt en bestaande kopieën verwijdert, tenzij verdere opslag door de verwerker wettelijk verplicht is.

Onder de voorwaarde van het verkrijgen van de algemene toestemming van de netbeheerder, vermeld in het eerste lid, 8°, kan de verwerker op wie de netbeheerder een beroep doet, zelf een beroep doen op een verwerker. In dat geval wordt dat opgenomen in de overeenkomst tussen de netbeheerder en de verwerker op wie hij een beroep doet. De verwerker informeert de netbeheerder over de beoogde toevoegingen of wijzigingen van andere verwerkers, waarbij de netbeheerder de mogelijkheid krijgt tegen die veranderingen bezwaar te maken. In voorkomend geval sluit de verwerker ook met zijn verwerkers een schriftelijke overeenkomst conform artikel 28 van de algemene verordening gegevensbescherming.

Telkens als de verwerker op wie de netbeheerder een beroep doet, zelf een beroep doet op een verwerker, is de specifieke toestemming van de netbeheerder vereist, vermeld in het eerste lid, 8°.

De verwerker op wie de netbeheerder een beroep doet, verleent bijstand en hulp aan de netbeheerder als vermeld in het eerste lid, 9°, in de volgende gevallen:
1° bij het beantwoorden van een verzoek van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen op grond van de algemene verordening gegevensbescherming;
2° bij het melden van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokken toezichthoudende autoriteit of de betrokkene;
3° bij het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de eventuele voorafgaande raadpleging van de gegevensbeschermingsautoriteit;
4° bij het uitvoeren van een audit of een inspectie door de netbeheerder of door een persoon die daarvoor gemachtigd is door de netbeheerder.

[Onderafdeling III. Risicobeheersingssysteem (ing. BVR 17 mei 2019, art. 30, I: 21 juni 2019)]

Artikel 3.1.61. (21/06/2019- ...)

§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder pseudonimiseren: het toepassen van pseudonimisering als vermeld in artikel 4, 5), van de algemene verordening gegevensbescherming.

De partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voeren voorafgaand aan de toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in artikel 4.1.22/5 van het voormelde decreet, een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit om het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van de persoonsgegevens en het vaststellen van de beveiligingseisen te beoordelen.

Na het uitvoeren van de voorafgaande gegevensbeschermingseffectbeoordeling, vermeld in het eerste lid, voeren de partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het voormelde decreet, een continue risico-opvolging uit, waarbij enerzijds de risico's die tijdens de voorafgaande gegevensbeschermingseffectbeoordeling geïdentificeerd zijn, opnieuw worden geanalyseerd, en anderzijds de nieuwe risico's worden geanalyseerd.

Minstens om de twee jaar en met behoud van de toepassing van artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming wordt een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd. Daarnaast wordt een bijkomende gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd in de volgende gevallen:
1° bij beduidende veranderingen in de toepassing van de digitale meters, zoals veranderingen in gebruik van de persoonsgegevens die verder gaan dan de initieel vooropgestelde doeleinden;
2° bij de verwerking van nieuwe categorieën van persoonsgegevens;
3° na een onverwachte inbreuk op persoonsgegevens met verregaande gevolgen, waarbij het risico op de inbreuk niet voorzien was in de gegevensbeschermingseffectbeoordeling die eraan voorafgegaan is;
4° bij beduidende veranderingen in de technische organisatie van de digitale meters en de verwerkingsactiviteit;
5° bij beduidende veranderingen in het meetregime van de digitale meters.

§ 2. De gegevensbeschermingseffectbeoordeling, vermeld in paragraaf 1, wordt uitgevoerd door een multidisciplinair team met kennis en ervaring in:
1° IT-architectuur en systeemkunde;
2° informatieveiligheid;
3° regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens;
4° recht;
5° projectmanagement.

Het multidisciplinair team wordt voorafgaandelijk en tijdens het uitvoeren van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling geadviseerd door de functionaris voor gegevensbescherming.

De functionaris voor gegevensbescherming die is aangesteld door de netbeheerder maakt van zijn advies, vermeld in het tweede lid, een schriftelijk verslag op. Na het uitvoeren van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling kijkt de functionaris voor gegevensbescherming die is aangesteld door de netbeheerder toe op de uitvoering ervan. Hij neemt zijn bevindingen op in een schriftelijk verslag.

§ 3. De netbeheerder zorgt ervoor dat de gegevens verzameld uit de digitale, elektronische of analoge meters overeenkomstig artikel 4.1.8/2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden bewaard in een afzonderlijke databank, in de zin van artikel I.13, 6° Wetboek Economisch Recht, die op geen enkele wijze gelinkt wordt met andere databanken, bestanden en/of gegevens van de netbeheerder, tenzij dit noodzakelijk zou zijn ingevolge de uitvoering van zijn taken voortvloeiend uit het Energiedecreet van 8 mei 2009, dit besluit of ter nakoming van enige andere wettelijke verplichting.

De gegevens in de databank, vermeld in het eerste lid, zijn alleen toegankelijk voor de partijen opgesomd in artikel 4.1.22/5 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De partijen die overeenkomstig artikel 4.1.22/5 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 toegang hebben tot de gegevens die door de netbeheerder overeenkomstig artikel 4.1.8/2 van hetzelfde decreet worden af- en uitgelezen, zorgen ervoor dat deze gegevens enkel verwerkt worden om de taken vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met 4.1.22/12 van het voormelde decreet uit te voeren of om te voldoen aan enige andere wettelijke verplichting. Deze gegevens worden niet gecombineerd met andere gegevens die de partij reeds verwerkt, tenzij dit vereist is om voormelde taken uit te voeren of te voldoen aan enige andere wettelijke verplichting.

De netbeheerder stelt op zijn website een lijst ter beschikking van de situaties waarin wettelijk bepaald is dat databanken mogen worden gecombineerd.

De gegevens worden beveiligd met passende technische en organisatorische maatregelen om de informatieveiligheid te garanderen. De persoonsgegevens die de partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, verwerken, worden zo veel mogelijk gepseudonimiseerd en versleuteld.

§ 4. De aanwerving van een functionaris voor gegevensbescherming, als dat vereist is conform artikel 37 algemene verordening gegevensbescherming, verloopt transparant. De aanwervings- en selectieprocedure wordt op voorhand bekendgemaakt door degene die een functionaris voor gegevensbescherming aanwerft.

§ 5. De partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, werken een interne procedure uit om een inbreuk op persoonsgegevens te identificeren, te evalueren en te melden aan de gegevensbeschermingsautoriteit en, in voorkomend geval, de betrokkenen.

De partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12, wijzen een contactpersoon aan, maken via hun website bekend aan de betrokkenen wie die contactpersoon is, en installeren een procedure waardoor de betrokkenen de rechten die hun op grond van de algemene verordening gegevensbescherming worden toegekend, op eenvoudige wijze kunnen uitoefenen. Deze contactpersoon kan de functionaris voor gegevensbescherming zijn.

De partijen, vermeld in het tweede lid, wijzen ook een contactpersoon aan die functioneert als aanspreekpunt voor de gegevensbeschermingsautoriteit.

De functionaris voor gegevensbescherming die is aangesteld door de netbeheerder fungeert voor de netbeheerder als contactpersoon ten aanzien van de betrokkenen aangaande vragen en klachten van de betrokkenen in verband met de bescherming van persoonsgegevens. De netbeheerder maakt via zijn website de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming bekend.

De functionaris voor gegevensbescherming is tevens het aanspreekpunt voor de gegevensbeschermingsautoriteit binnen de netbeheerder.

§ 6. De partijen, vermeld in artikel 4.1.22/6 tot en met artikel 4.1.22/12 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, nemen de nodige organisatorische maatregelen om op continue basis de vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid en veerkracht van de verwerkingssystemen en -diensten te garanderen en om bij een fysiek of technisch incident de beschikbaarheid en toegang tot de databank te herstellen.

Op gepaste tijdstippen voeren de partijen, vermeld in het eerste lid, testen, beoordelingen en evaluaties uit van de doeltreffendheid en gepastheid van de technische en organisatorische maatregelen die ze hebben genomen. Het personeelsplan wordt geëvalueerd om te kunnen beoordelen of de personeelsbezetting op het vlak van IT optimaal is.

De netbeheerder voert deze testen, beoordelingen en evaluaties vermeld in het tweede lid in ieder geval minstens twee keer per jaar uit.

De partijen, vermeld in het eerste lid, documenteren jaarlijks uitvoerig en gedetailleerd in een centraal bestand de technische en organisatorische maatregelen die ze nemen.

Op basis van de uitgevoerde beoordelingen en evaluaties, vermeld in het tweede lid, worden de bestaande IT-infrastructuur en het organisatorische beleid voor de verwerkingsactiviteiten aangepast.

HOOFDSTUK II. Levering

Afdeling I. De voorwaarden waaraan de houder van een leveringsvergunning moet voldoen

Onderafdeling I. De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit

Artikel 3.2.1. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende financiële en technische capaciteit om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren.

Artikel 3.2.2. (01/01/2011- ...)

De financiële capaciteit kan, onder meer, aangetoond worden door de documenten, vermeld in artikel 3.1.2.

Artikel 3.2.3. (01/01/2011- ...)

De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;
2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;
3° een verklaring over de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en over de omvang van het personeelskader weergeeft tijdens de laatste drie jaar.

Onderafdeling II. De voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid

Artikel 3.2.4. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren als vermeld in artikel 3.1.5 tot en met 3.1.7.

Onderafdeling III. De voorwaarden betreffende capaciteit om aan de behoeften van de klant te voldoen

Artikel 3.2.5. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen bij de levering van elektriciteit of aardgas.

Artikel 3.2.6. (01/01/2011- ...)

De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van elektriciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
1° een beschrijving van de hoeveelheid elektriciteit die zelf opgewekt wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de productiewijze en de productieplaats;
2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van de geleverde elektriciteit;
3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen geproduceerde en geleverde elektriciteit gerealiseerd wordt.

De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van aardgas kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
1° een beschrijving van de hoeveelheid aardgas die zelf ingevoerd wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de oorsprong van het aardgas;
2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van het geleverde aardgas;
3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen het ingevoerde of gekochte aardgas en het geleverde aardgas gerealiseerd wordt.

Onderafdeling IV. De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de houder van een leveringsvergunning ten opzichte van de netbeheerders

Artikel 3.2.7. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12, 3.1.13, 3.1.14 en 3.1.20.

Afdeling II. De procedure tot toekenning van een leveringsvergunning

Artikel 3.2.8. (01/01/2011- ...)

De aanvraag tot toekenning van een leveringsvergunning wordt gericht aan de VREG. De aanvraag wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

De aanvrager bezorgt daarbij een dossier waarin hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

Artikel 3.2.9. (01/01/2011- ...)

De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.

Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, de aanvrager daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Artikel 3.2.10. (01/01/2011- ...)

De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere aanvrager en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I, en aan de openbaredienstverplichtingen opgelegd op grond van artikel 4.3.2. van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Artikel 3.2.11. (01/01/2011- ...)

Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG, binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier, de aanvrager per aangetekende brief op de hoogte van haar beslissing tot toekenning van de leveringsvergunning.

Als de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier de aanvrager op de hoogte van de beslissing om geen leveringsvergunning toe te kennen. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, alsnog aan die voorwaarden kan voldoen.

Artikel 3.2.12. (01/01/2011- ...)

Een leveringsvergunning wordt toegekend voor onbepaalde termijn.

Artikel 3.2.13. (01/01/2011- ...)

De beslissing tot toekenning van een leveringsvergunning wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met vermelding van de naam en het adres van de houder van een leveringsvergunning.

Afdeling III. Opheffing van de leveringsvergunning

Artikel 3.2.14. (06/01/2019- ...)

Als de VREG van oordeel is dat een houder van een leveringsvergunning niet meer aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet, brengt ze de houder van de leveringsvergunning daarvan per aangetekende brief op de hoogte. daarbij worden de redenen vermeld waarom niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.

Als de houder van een leveringsvergunning niet de nodige handelingen stelt in door de VREG te bepalen termijn, om aan de voorwaarden van dit hoofdstuk te voldoen, zal de VREG, op voorwaarde dat de houder van de leveringsvergunning werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, de leveringsvergunning opheffen.

De VREG kan een leveringsvergunning enkel op vraag van de houder ervan opheffen nadat deze aan de VREG het bewijs heeft voorgelegd dat hij al zijn klanten heeft overgedragen aan een of meerdere andere leveranciers.

De gemotiveerde beslissing van de VREG om de leveringsvergunning op te heffen, wordt per aangetekende brief bekendgemaakt aan de aanvrager. Die beslissing en de datum waarop de opheffing ingaat, worden door de VREG ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling IV. Controlewijziging, fusie of splitsing

Artikel 3.2.15. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning meldt iedere controlewijziging, fusie of splitsing waarbij hij betrokken is, onmiddellijk aan de VREG. Hij kan daarbij een aanvraag indienen tot behoud van de leveringsvergunning.

De leveringsvergunning kan behouden blijven, als de houder van een leveringsvergunning aan de voorwaarden van afdeling I blijft voldoen.

Als de houder van een leveringvergunning niet meer aan de voorwaarden van Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I voldoet, zal de VREG de procedure instellen, vermeld in artikel 3.2.14.

De VREG brengt de houder van een leveringsvergunning, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag tot behoud, op de hoogte van haar beslissing tot behoud van de leveringsvergunning of het instellen van de procedure, vermeld in artikel 3.2.14.

Afdeling V. Informatieverstrekking door de houder van een leveringsvergunning

Artikel 3.2.16. (01/01/2011- ...)

De houder van een leveringsvergunning bezorgt de VREG jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, een verslag over de wijze waarop aan de voorwaarden van dit besluit is voldaan.

Artikel 3.2.17. (01/01/2011- ...)

Met behoud van de toepassing van de verplichting, vermeld in artikel 3.2.16, bezorgt de houder van een leveringsvergunning de volgende informatie onmiddellijk aan de VREG :
1° elke wijziging van de statuten van de houder van een leveringsvergunning, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;
2° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden van dit besluit.

Artikel 3.2.18. (21/06/2019- ...)

Elke leverancier:
1° bezorgt aan alle niet-huishoudelijke afnemers van elektriciteit, aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, op basis van het werkelijke verbruik minstens jaarlijks een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van elektriciteit, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;
1/1° bezorgt aan alle huishoudelijke afnemers van elektriciteit, aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, op basis van het werkelijke verbruik jaarlijks, of op uitdrukkelijk verzoek van de afnemer meer dan eens per jaar, een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van elektriciteit, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt. Indien de afnemer het contract opzegt, wordt op het einde van het contract en na ontvangst van de nodige meetgegevens van de netbeheerder een slotfactuur opgemaakt;
2° bezorgt aan alle niet-huishoudelijke afnemers van aardgas, aangesloten op het aardgasdistributienet, op basis van het werkelijke verbruik minstens jaarlijks een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van aardgas, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;
2/1° bezorgt aan alle huishoudelijke afnemers van aardgas, aangesloten op het aardgasdistributienet, op basis van het werkelijke verbruik jaarlijks, of op uitdrukkelijk verzoek van de afnemer meer dan eens per jaar, een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van aardgas, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt. Indien de afnemer het contract opzegt, wordt op het einde van het contract en na ontvangst van de nodige meetgegevens van de distributienetbeheerder een slotfactuur opgemaakt;
3° stuurt begrijpbare facturen, en herinneringsbrieven en ingebrekestellingen, als vermeld in titel V;
4° biedt de afnemer flexibele betalingsmogelijkheden, waaronder wat huishoudelijke afnemers betreffen in ieder geval
a) betalingen per maand of per kwartaal, en
b) betalingen via overschrijving en domiciliëring;
5° stuurt de factuur op de door de afnemer gevraagde wijze, hetzij schriftelijk, hetzij elektronisch kosteloos zowel naar de afnemer zelf als, wat betreft huishoudelijke afnemers, naar een derde partij, aangewezen door die huishoudelijke afnemer;
6° biedt alle afnemers de mogelijkheid om telefonisch of via een ander communicatiemiddel uitleg te vragen over de factuur;
7° geeft alle afnemers de mogelijkheid om inlichtingen te vragen en klachten in te dienen over de levering en facturatie van elektriciteit of aardgas en die te registreren en daarover te rapporteren aan de VREG conform de methode, bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 1°, d), van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
8° bezorgt een leveringscontract, behalve als het leveringen van de standaardleverancier betreft, waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen:
a) de identiteit en het adres van de leverancier en de distributienetbeheerder;
b) de geleverde diensten en de bijbehorende prijs;
c) de duur van het contract;
d) wat huishoudelijke afnemers betreffen, de voorwaarden voor de verlenging en de beëindiging van het contract;
e) wat huishoudelijke afnemers betreffen, het bestaan van het recht op opzegging;
f) de methode om een klacht in te dienen bij de leverancier;
g) de methode om procedures voor de beslechting van geschillen met de leverancier in te leiden;
h) alle vergoedingen en terugbetalingsregelingen die gelden indien de contractuele kwaliteitsniveaus van de diensten niet worden gehaald, met inbegrip van onnauwkeurige en te late facturering;
9° voorziet in een telefoonnummer dat tijdens de kantooruren bereikbaar is voor afnemers, en in een e-mailadres;
10° zorgt ervoor dat hetzij minstens tweemaal per jaar, hetzij wanneer de afnemer gekozen heeft voor elektronische facturering of op zijn vraag minstens vier keer per jaar, nauwkeurige verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld. De leverancier mag geen extra kosten aanrekenen om die informatie te verstrekken. De informatie wordt bij voorkeur elektronisch op een overzichtelijke en gemakkelijk begrijpbare manier beschikbaar gesteld via een voor de afnemer gepast communicatiekanaal. De leverancier vermeldt de mogelijkheid op zijn website;
10° /1 zorgt ervoor dat aan afnemers met digitale meters maandelijks nauwkeurige verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld. De leverancier mag geen extra kosten aanrekenen om die informatie te verstrekken. De informatie wordt bij voorkeur elektronisch op een overzichtelijke en gemakkelijk begrijpbare manier beschikbaar gesteld via een door de afnemer gekozen communicatiekanaal. De leverancier vermeldt de mogelijkheid op zijn website;
11° brengt bij het versturen en wijzigen van overeenkomsten, en in de facturen die klanten ontvangen, of op websites voor individuele klanten zijn klanten op een duidelijke en begrijpelijke manier op de hoogte van de contactinformatie van onafhankelijke consumentenadviescentra, de VREG en het Vlaams Energieagentschap, met inbegrip van hun internetadressen, waar de klanten advies over de beschikbare energie-efficiëntiemaatregelen, benchmarkprofielen van hun energieverbruik en technische details van energieverbruikende apparaten kunnen krijgen om het verbruik van die apparaten te helpen verminderen;
12° vermeldt op de afrekenings- en slotfactuur duidelijk de precieze vergoeding die de afnemer van elektriciteit verschuldigd is, de heffingsgrondslag en de berekeningswijze van de heffing, vermeld in titel XIV van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 10°, kan worden voldaan met een systeem van zelf uitlezen door de afnemer, die de uitgelezen metergegevens meedeelt aan de leverancier. Afnemers van gesloten distributienetten kunnen beschikken over de verbruiksinformatie op de wijze zoals vermeld in het eerste lid, 10° wanneer zij aan hun leverancier de uitgelezen meetgegevens meedelen.

De minister kan nadere regels vastleggen aangaande de vermelding van de berekeningswijze, vermeld in het eerste lid, 12°, op de afrekenings- en slotfactuur.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de levering van elektriciteit en aardgas door:
1° de distributienetbeheerder in het kader van de uitvoering van hun taken, als vermeld in titel V met uitzondering van de situatie, vermeld in artikel 5.5.2, tweede lid;
2° leveranciers die voldoen aan de eisen die gesteld worden door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of de Waalse of Brusselse bevoegde overheid in verband met de levering van elektriciteit of aardgas, als vermeld in artikel 4.3.1, § 1, eerste lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009.".

[TITEL III/1. De organisatie van de werking van warmte- en koudenetten en warmtemetingen in het Vlaamse Gewest (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]

[HOOFDSTUK I. Uitzonderingen op de plaatsing van individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]

Artikel 3/1.1.1. (01/04/2019- ...)

§ 1. Met behoud van de vervangingsplicht bedoeld in de artikelen 3/1.2.1, § 2, en 3/1.2.2 is het plaatsen van individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik vermeld in artikel 4/1.2.2, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 niet verplicht voor bestaande appartementengebouwen en bestaande multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet waar, uiterlijk op 31 december 2016, al individuele meters geplaatst zijn die, bij de plaatsing, voldeden aan de op dat moment geldende vereisten van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten of het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.

§ 2. In bestaande appartementengebouwen en bestaande multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet kan de plaatsing van een individuele verbruiksmeter voor het verwarmingsverbruik vervangen worden door de plaatsing van warmtekostenverdelers op de radiatoren in de volgende gevallen:
1° het warme water voor verwarming wordt aangevoerd op verschillende punten in het appartement of wordt afgevoerd op verschillende punten in het appartement;
2° door plaatsgebrek zijn aanpassingen van de verwarmingsleidingen noodzakelijk om de individuele verbruiksmeter te plaatsen;
3° de eenheden beschikken op 31 december 2016 reeds over individuele warmtekostenverdelers.

§ 3. In bestaande appartementengebouwen en bestaande multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet hoeft geen individuele verbruiksmeter voor het koelingsverbruik te worden geplaatst in de volgende gevallen:
1° het koude water voor koeling wordt aangevoerd op verschillende punten in het appartement of wordt afgevoerd op verschillende punten in het appartement;
2° door plaatsgebrek zijn aanpassingen van de koelleidingen noodzakelijk om de individuele verbruiksmeter te plaatsen.

§ 4. In bestaande appartementengebouwen en bestaande multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet hoeft geen individuele verbruiksmeter voor het warmwaterverbruik te worden geplaatst in de volgende gevallen:
1° het warme tapwater wordt aangevoerd op verschillende punten in het appartement;
2° door plaatsgebrek zijn aanpassingen van de warmwaterleidingen noodzakelijk om de individuele verbruiksmeter te plaatsen;
3° de eenheden beschikken op 31 december 2016 reeds over individuele warmtekostenverdelers.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 4 is de plaatsing van individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik verplicht als een bestaand appartementengebouw of een multifunctioneel gebouw met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet een ingrijpende energetische renovatie ondergaat, of als de bestaande warmtekostenverdelers of centrale of individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik in de voormelde gebouwen worden vervangen.

§ 6. De minister kan nadere regels vastleggen om het plaatsgebrek, vermeld in paragrafen 2, 3 en 4 van dit artikel, vast te stellen.

[HOOFDSTUK II. Voorwaarden waaraan verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik moeten voldoen (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]

[Afdeling I. Voorwaarden voor individuele en centrale verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]

Artikel 3/1.2.1. (01/04/2019- ...)

§ 1. De verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik die geplaatst worden ter uitvoering van artikel 4/1.2.2, §1 en § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, moeten voldoen aan de eisen, vermeld in het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.

De verbruiksmeters zijn meters van het integrale type: ze zijn uitgerust met een elektronische rekeneenheid die de numerieke integratie uitvoert van het gemeten waterdebiet en het verschil in watertemperatuur tussen de vertrek- en retourleiding.

De maximaal toelaatbare fout van de verbruiksmeter moet voldoen aan nauwkeurigheidsklasse 2 voor thermische energiemeters, bepaald conform de regels, vermeld in het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.

De verbruiksmeters zijn uitgerust met een voorziening waarmee de gemeten hoeveelheden zowel ter plaatse als op afstand afgelezen kunnen worden.

§ 2. Waar verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik of warmtekostenverdelers worden geïnstalleerd, moeten ze continu werken en correct worden onderhouden en wordt minstens elke tien jaar geverifieerd of voldaan is aan de technische specificaties van het product wat betreft de nauwkeurigheid van de meting. Deze verificatie kan gebeuren met steekproeven. Als vastgesteld wordt dat een verbruiksmeter of warmtekostenverdeler niet meer voldoet aan de technische specificaties, wordt die vervangen.

§ 3. De minister kan nadere regels voor de verificatie van de nauwkeurigheid van verbruiksmeters en warmtekostenverdelers vastleggen.

[Afdeling II. Specifieke voorwaarden voor individuele verbruiksmeters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik (ing. BVR 16 december 2016, art. 2, I: 2 februari 2017)]

Artikel 3/1.2.2. (02/02/2017- ...)

In afwijking van artikel 3/1.2.1, § 1, van dit besluit wordt in bestaande gebouwen waar uiterlijk op 31 december 2016 al individuele meters voor het warmte-, koelings- of warmwaterverbruik zijn geplaatst die, bij de plaatsing, voldeden aan de op dat moment geldende vereisten van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten of het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten, alleen overgegaan tot vervanging als de verbruiksmeters niet meer voldoen aan de vereiste nauwkeurigheidsklasse, vermeld in respectievelijk het koninklijk besluit van 13 juni 2006 betreffende meetinstrumenten of het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten. In dat geval is artikel 3/1.2.1, § 1, van overeenkomstige toepassing op de vervanging van de verbruiksmeters.

[HOOFDSTUK III. Meldingsplicht aan de VREG (ing. BVR 1 februari 2019, art. 15, I: 1 april 2019)]

Artikel 3/1.3.1. (01/04/2019- ...)

De warmte- of koudenetbeheerder meldt binnen dertig dagen na de indienstneming of uitbreiding van een warmte- of koudenet, de volgende gegevens aan de VREG:
1° de identiteit en het adres van de warmte- of koudenetbeheerder;
2° de locatie of ligging van het warmte- of koudenet dat de warmte- of koudenetbeheerder beheert;
3° wijzigingen van of uitbreidingen aan het warmte- of koudenet dat de warmte- of koudenetbeheerder beheert;
4° de identiteit en het adres van de warmte- of koudeleveranciers die thermische energie leveren vanuit het warmte- of koudenet dat de warmte- of koudenetbeheerder beheert.

De minister kan de lijst van te melden gegevens, vermeld in het eerste lid, verder specificeren en aanvullen.

[HOOFDSTUK IV. Informatieverstrekking door de warmte- of koudeleverancier (ing. BVR 1 februari 2019, art. 16, I: 1 april 2019)]

Artikel 3/1.4.1. (01/04/2019- ...)

 Elke warmte- of koudeleverancier:
1° bezorgt aan alle afnemers van thermische energie, op basis van het verbruik minstens jaarlijks een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van thermische energie, op voorwaarde dat de warmte- of koudeleverancier over de nodige meetgegevens beschikt;
2° stuurt begrijpbare facturen, en herinneringsbrieven en ingebrekestellingen, als vermeld in artikel 5/1.2.3 en artikel 5/1.2.4;
3° biedt de afnemer van thermische energie flexibele betalingsmogelijkheden, waaronder voor huishoudelijke afnemers van thermische energie in ieder geval:
a) betalingen per maand of per kwartaal;
b) betalingen via overschrijving en domiciliëring;
4° stuurt de factuur op de door de afnemer van thermische energie gevraagde wijze, hetzij schriftelijk, hetzij elektronisch kosteloos zowel naar de afnemer zelf als, voor huishoudelijke afnemers van thermische energie, naar een derde partij, aangewezen door die huishoudelijke afnemer van thermische energie;
5° biedt alle afnemers van thermische energie de mogelijkheid om telefonisch of via een ander communicatiemiddel uitleg te vragen over de factuur;
6° geeft alle afnemers van thermische energie de mogelijkheid om inlichtingen te vragen en klachten in te dienen over de levering en facturatie van thermische energie en die te registreren en daarover te rapporteren aan de VREG conform de methode, bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 1°, j), van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
7° bezorgt een leveringscontract waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen:
a) de identiteit en het adres van de warmte- of koudeleverancier en de warmte- of koudenetbeheerder;
b) de geleverde diensten en de bijbehorende prijs;
c) de duur van het contract;
d) voor huishoudelijke afnemers van thermische energie, de voorwaarden voor de verlenging en de beëindiging van het contract;
e) voor huishoudelijke afnemers van thermische energie, het bestaan van het recht op opzegging;
f) de methode om een klacht in te dienen bij de warmte- of koudeleverancier;
g) de methode om procedures voor de beslechting van geschillen met de warmte- of koudeleverancier in te leiden;
h) alle vergoedingen en terugbetalingsregelingen die gelden als de contractuele kwaliteitsniveaus van de diensten niet worden gehaald, met inbegrip van onnauwkeurige en te late facturering;
8° voorziet in een telefoonnummer dat tijdens de kantooruren bereikbaar is voor afnemers van thermische energie, en in een e-mailadres;
9° zorgt ervoor dat hetzij minstens tweemaal per jaar, hetzij wanneer de afnemer van thermische energie gekozen heeft voor elektronische facturering of op zijn vraag minstens vier keer per jaar, nauwkeurige verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld. De warmte- of koudeleverancier mag geen extra kosten aanrekenen om die informatie te verstrekken. De informatie wordt op een overzichtelijke en gemakkelijk begrijpbare manier beschikbaar gesteld via een voor de afnemer van thermische energie gepast communicatiekanaal. De warmte- of koudeleverancier vermeldt de mogelijkheid op zijn website;
10° brengt bij het versturen en wijzigen van overeenkomsten, en in de facturen die klanten ontvangen, of op websites voor individuele klanten zijn klanten op een duidelijke en begrijpelijke manier op de hoogte van de contactinformatie van onafhankelijke consumentenadviescentra, de VREG en het Vlaams Energieagentschap, met inbegrip van hun internetadressen, waar de klanten advies over de beschikbare energie-efficiëntiemaatregelen, benchmarkprofielen van hun energieverbruik en technische details van energieverbruikende apparaten kunnen krijgen om het verbruik van die apparaten te helpen verminderen.

Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 9°, kan worden voldaan met een systeem van zelf uitlezen door de afnemer van thermische energie, die de uitgelezen metergegevens meedeelt aan de warmte- of koudeleverancier.

TITEL IV. [Energiefraude (verv. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]

[Afdeling I. Procedure voor het afsluiten van de toevoer van elektriciteit of aardgas voor regularisatie (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]

Artikel 4.1.1. (01/05/2018- ...)

§ 1. Als, nadat technieken als datamining of profilering toegepast zijn, blijkt dat er een reeks van aanwijzingen bestaan die doen vermoeden dat er sprake is van energiefraude door een netgebruiker, gaat de netbeheerder ter plaatse om de nodige vaststellingen te doen. De netbeheerder geeft aan de netgebruiker toelichting over de reden van het bezoek en vermeldt dat er is gebruikgemaakt van technieken als datamining of profilering.

Als de netgebruiker niet aanwezig is of zich verzet tegen de poging van de netbeheerder om de nodige vaststellingen ter plaatse te doen nadat technieken als datamining of profilering zijn toegepast, laat de netbeheerder een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen zeven kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de objectieve vaststellingen te kunnen doen.

Als de netgebruiker niet ingaat op het verzoek, vermeld in het tweede lid, stuurt de netbeheerder een herinneringsbrief, acht kalenderdagen na het eerste bezoek. De herinneringsbrief vermeldt het verdere verloop van de procedure.

Als de netgebruiker zeven kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief nog niet is ingegaan op het verzoek van de netbeheerder of zich blijft verzetten tegen de poging van de netbeheerder om de nodige vaststellingen te doen, stelt de netbeheerder de netgebruiker met een aangetekende zending in gebreke. Indien de netgebruiker binnen de 7 kalenderdagen na het versturen van de ingebrekestelling geen nieuwe afspraak maakt voor een nieuw bezoek om de objectieve vaststellingen te kunnen doen, wordt de energiefraude door de netgebruiker als objectief vastgesteld geacht en dit tot tegenbewijs geleverd wordt.

De netbeheerders nemen het resultaat van datamininganalyses of profilering op in een verslag van vaststelling. In het geval de netbeheerder ter plaatse is gegaan om de nodige vaststellingen te doen neemt de netbeheerder bovendien de interpretatie van deze resultaten op in het verslag van vaststelling gecombineerd met de vaststellingen die werden gedaan. Het verslag van vaststelling bevat altijd de volgende informatie over het voorspellende model dat werd gehanteerd :
1° de graad van performantie;
2° de foutenmarge.

De netbeheerder bezorgt een kopie van dit verslag van vaststelling aan de betrokken netgebruiker.

§ 2. Als de netbeheerder objectief vaststelt, in een verslag van vaststelling, dat de netgebruiker energiefraude pleegt, neemt hij de nodige maatregelen om een einde te stellen aan die energiefraude, door de installatie te laten aanpassen conform het aansluitingsreglement van de netbeheerder en de gegevensbestanden in overeenstemming te brengen met de wettelijke situatie.

§ 3. Als de netgebruiker zich verzet tegen de poging van de netbeheerder om een einde te stellen aan de energiefraude, laat de netbeheerder een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen veertien kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de situatie te regulariseren.

Als de netgebruiker niet ingaat op het verzoek, vermeld in het eerste lid, stuurt de netbeheerder een ingebrekestelling met een aangetekende zending, vijftien kalenderdagen na het eerste bezoek. De netgebruiker wordt geacht te reageren binnen de 7 kalenderdagen na het versturen van de ingebrekestelling.

§ 4. Het model en de inhoud van het document, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, de herinneringsbrief, vermeld in paragraaf 1, derde lid, de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, het document, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, worden vastgelegd door de minister.

Het document, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bevat de reden van het bezoek van de netbeheerder en de vermelding dat er is gebruikgemaakt van technieken als datamining of profilering.

§ 5. Als de netgebruiker binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, niet reageert op de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, is de netbeheerder gemachtigd om onmiddellijk over te gaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 5.1.2 of 6.1.2, § 1, eerste lid, 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Als de situatie geregulariseerd is, wordt de toevoer van elektriciteit of aardgas hersteld. De termijnen, vermeld in artikel 5.5.7, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

[Afdeling I/1. Procedure voor de afsluiting van de toevoer van thermische energie voor regularisatie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 17, I: 1 april 2019)]

Artikel 4.1.1/1. (01/04/2019- ...)

§ 1. Als, nadat technieken als datamining of profilering toegepast zijn, blijkt dat er een reeks van aanwijzingen bestaan die doen vermoeden dat er sprake is van energiefraude door een warmte- of koudenetgebruiker, gaat de warmte- of koudenetbeheerder ter plaatse om de nodige vaststellingen te doen. De warmte- of koudenetbeheerder geeft aan de warmte- of koudenetgebruiker toelichting over de reden van het bezoek en vermeldt dat er is gebruikgemaakt van technieken als datamining of profilering.

Als de warmte- of koudenetgebruiker niet aanwezig is of zich verzet tegen de poging van de warmte- of koudenetbeheerder om de nodige vaststellingen ter plaatse te doen nadat technieken als datamining of profilering zijn toegepast, laat de warmte- of koudenetbeheerder een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen zeven kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de objectieve vaststellingen te kunnen doen.

Als de warmte- of koudenetgebruiker niet ingaat op het verzoek, vermeld in het tweede lid, stuurt de warmte- of koudenetbeheerder een herinneringsbrief, acht kalenderdagen na het eerste bezoek. De herinneringsbrief vermeldt het verdere verloop van de procedure.

Als de warmte- of koudenetgebruiker zeven kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief nog niet is ingegaan op het verzoek van de warmte- of koudenetbeheerder of zich blijft verzetten tegen de poging van de warmte- of koudenetbeheerder om de nodige vaststellingen te doen, stelt de warmte- of koudenetbeheerder de warmte- of koudenetgebruiker met een aangetekende zending in gebreke. Als de warmte- of koudenetgebruiker binnen de zeven kalenderdagen nadat de ingebrekestelling is verstuurd geen nieuwe afspraak maakt voor een nieuw bezoek om de objectieve vaststellingen te kunnen doen, wordt de energiefraude door de warmte- of koudenetgebruiker als objectief vastgesteld geacht tot tegenbewijs geleverd wordt.

De warmte- of koudenetbeheerders nemen het resultaat van datamininganalyses of profilering op in een verslag van vaststelling. In het geval de warmte- of koudenetbeheerder ter plaatse is gegaan om de nodige vaststellingen te doen neemt de warmte- of koudenetbeheerder bovendien de interpretatie van deze resultaten op in het verslag van vaststelling gecombineerd met de vaststellingen die werden gedaan. Het verslag van vaststelling bevat altijd de volgende informatie over het voorspellende model dat werd gehanteerd:
1° de graad van performantie;
2° de foutenmarge.

De warmte- of koudenetbeheerder bezorgt een kopie van dit verslag van vaststelling aan de betrokken netgebruiker.

§ 2. Als de warmte- of koudenetbeheerder objectief vaststelt dat de warmte- of koudenetgebruiker energiefraude pleegt, neemt hij de nodige maatregelen om een einde te stellen aan die energiefraude, door de installatie te laten aanpassen conform het aansluitingsreglement van de warmte- of koudenetbeheerder en de gegevensbestanden in overeenstemming te brengen met de wettelijke situatie.

§ 3. Als de warmte- of koudenetgebruiker zich verzet tegen de poging van de warmte- of koudenetbeheerder om een einde te stellen aan de energiefraude, laat de warmte- of koudenetbeheerder een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen veertien kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de situatie te regulariseren.

Als de warmte- of koudenetgebruiker niet ingaat op het verzoek, vermeld in het eerste lid, stuurt de warmte- of koudenetbeheerder een ingebrekestelling met een aangetekende zending, vijftien kalenderdagen na het eerste bezoek. De warmte- of koudenetgebruiker wordt geacht te reageren binnen de zeven kalenderdagen nadat de ingebrekestelling is verstuurd.

§ 4. Het model en de inhoud van het document, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, de herinneringsbrief, vermeld in paragraaf 1, derde lid, de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, het document, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, worden vastgelegd door de minister.

Het document, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bevat de reden van het bezoek van de warmte- of koudenetbeheerder en de vermelding dat er is gebruikgemaakt van technieken als datamining of profilering.

§ 5. Als de warmte- of koudenetgebruiker binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, niet reageert op de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, is de warmte- of koudenetbeheerder gemachtigd om onmiddellijk over te gaan tot de afsluiting van de toevoer van thermische energie, vermeld in artikel 5.1.2 of 6.2.2, § 1, eerste lid, 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Als de situatie geregulariseerd is, wordt de toevoer van thermische energie hersteld. De termijnen, vermeld in artikel 5/1.3.4, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

[Afdeling II. Berekening van het onrechtmatig verkregen voordeel (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]

Artikel 4.1.2. (01/04/2019- ...)

§ 1. Het onrechtmatige voordeel, vermeld in artikel 5.1.2 en 5.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt, naargelang het geval, berekend door het product te nemen van een of meer van de volgende factoren :
1° een vastgelegde prijs;
2° een ingeschat afname-, injectie-, of productievolume;
3° de duur van de energiefraude.

De berekening, vermeld in het eerste lid, wordt altijd geïndexeerd op basis van de consumptieprijsindex. Dat gebeurt door het berekende onrechtmatige voordeel te vermenigvuldigen met de verhouding van de index van de consumptieprijzen op 1 januari van het jaar waarin de energiefraude is vastgesteld en de index van de consumptieprijzen op 1 januari van het jaar waarin de energiefraude heeft plaatsgevonden.

Het onrechtmatig verkregen voordeel kan betrekking hebben op een of meer van de volgende aangelegenheden :
1° de ontdoken kosten bij oneigenlijk gebruik van het distributienet of het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of het warmte- of koudenet;
2° de ontdoken kosten voor het gebruik van het distributienet of het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of het warmte- of koudenet;
3° de ontdoken kosten voor een aansluiting op het distributienet of het warmte- of koudenet of een wijziging daarvan;
4° de ontdoken kosten voor de geleverde energie;
5° de onterecht toegekende groenestroomcertificaten of de geldelijke tegenwaarde van de onterecht toegekende certificaten;
6° de onterecht toegekende warmte-krachtcertificaten of de geldelijke tegenwaarde van de onterecht toegekende certificaten;
7° de onterecht uitbetaalde energiepremies.

§ 2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, 2° en 3°, is de berekening gebaseerd op de tarieven voor de aansluiting op of het gebruik van het warmte- of koudenet, het distributienet of het plaatselijke vervoernet van elektriciteit, zoals vastgesteld volgens de betrokken tariefmethodologie, inclusief belastingen, heffingen en btw.

De berekening, vermeld in het eerste lid, is gebaseerd op de volledige duur van de energiefraude waarbij het moment van aanvang wordt bepaald door objectieve elementen, vastgesteld door de netbeheerder of de warmte- of koudenetbeheerder.

§ 3. In het geval, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 4°, wordt de hoeveelheid geleverde energie geschat volgens de schattingsmethode, zoals vastgesteld in de technische reglementen.

In geval van een hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht wordt het verbruik geschat op basis van de methode, vastgesteld in bijlage I/1, die bij dit besluit is gevoegd.

De prijs die bij de berekening wordt gehanteerd voor onrechtmatig afgenomen elektriciteit of aardgas, is de elektriciteitsprijs of gasprijs van fraude, goedgekeurd door de bevoegde regulator, die wordt vastgesteld conform artikel 20, § 1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of conform artikel 15/10, § 1, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, inclusief belastingen, heffingen en btw.

De berekening van het onrechtmatig verkregen voordeel is voor de gevallen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op de volledige duur van de energiefraude, waarbij het moment van aanvang wordt bepaald door objectieve elementen die de netbeheerder of de warmte- of koudenetbeheerder heeft vastgesteld.

§ 4. In het geval, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 5° en 6°, wordt de omvang van de onterecht uitbetaalde minimumsteun voor groenestroomcertificaten berekend conform artikel 6.1.7 tot en met 6.1.13 of artikel 6.2.7 tot en met 6.2.10 voor warmte-krachtcertificaten en op basis van de individuele verkoopprijs ervan.

§ 5. In het geval, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 7°, wordt de omvang van onterecht uitbetaalde energiepremies berekend conform artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5.

§ 6. De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders nemen de berekening van het onrechtmatig verkregen voordeel en het resultaat van de berekening op in een verslag van vaststelling waarvan ze een kopie bezorgen aan de betrokkene en waarvan ze in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 5° en 6°, een kopie aan de VREG bezorgen.

[Afdeling III. Verwerking van persoonsgegevens (ing. BVR 26 januari 2018, art. 1, I: 1 mei 2018)]

Artikel 4.1.3. (01/04/2019- ...)

Met het oog op de bestrijding van energiefraude vergelijken en kruisen de netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders gegevens uit verschillende bronnen.

Voor de bestrijding van energiefraude verwerken de netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders de gegevens waarover ze voor de uitoefening van hun taken beschikken, alsook de volgende gegevens die voor hen, in het kader van een specifieke vergelijking of kruising, voor zover dat technisch mogelijk is, toegankelijk zijn of worden gemaakt door de volgende personen en diensten :
1° het Vlaams Energieagentschap : de persoonsgegevens van de personen die er ingevolge de geldende energieprestatieregelgeving toe gehouden zijn om bepaalde formaliteiten te respecteren en van de personen die eigenaar zijn van een productie-installatie en ingevolge de geldende groenestroom- en warmte-krachtcertificatenregeling recht hebben op de bijbehorende certificaten;
2° de toegangshouders : de gegevens over de identificatie van netgebruikers;
3° het Rijksregister van de natuurlijke personen : het rijksregisternummer en, als dat noodzakelijk is, de identificatiegegevens van natuurlijke personen;
4° de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid : de identificatiegegevens van natuurlijke personen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister;
5° de Kruispuntbank van Ondernemingen : de identificatiegegevens van ondernemingen.

Elke partij die persoonsgegevens aanlevert, is en blijft verantwoordelijk voor de waarachtigheid en nauwkeurigheid van die gegevens.

De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders nemen het resultaat van de bestandskruising op in een verslag van vaststelling waarvan ze een kopie aan de betrokkene bezorgen.

De netbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders bewaren het resultaat van de bestandkruising totdat het dossier is afgerond. Dat is na verloop van een termijn van tien jaar die volgt op de recuperatie van de onrechtmatig verkregen voordelen.

Artikel 4.1.4. (01/04/2019- ...)

De distributienetbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders kunnen bij de bestrijding van energiefraude ook gebruikmaken van technieken als datamining en profilering, op voorwaarde dat ze zich daarbij houden aan de eisen, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid.

Als de distributienetbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders bij de verwerking van persoonsgegevens om energiefraude te detecteren en vast te stellen, gebruikmaken van voorspellende modellen, werken ze in twee fases, namelijk een voorafgaande fase waarin een model wordt opgesteld en getraind aan de hand van zo anoniem mogelijke gegevens, en een fase van operationele toepassing van het model waarin alleen de gegevens worden verwerkt waarvan in de eerste fase is gebleken dat ze significant bijdragen aan de voorspellingen van het model. Het model en de fases worden ter beschikking gehouden van de toezichthouders, zowel inzake energie als op het vlak van gegevensbescherming.

Om de efficiëntie van fraudeonderzoeken te waarborgen in het algemeen belang, wordt de informatie over de algoritmes die de distributienetbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders in voorkomend geval gebruiken met het oog op datamining of profilering, ter beschikking gehouden van de toezichthouders, zowel inzake energie als op het vlak van gegevensbescherming.

Voor de verwerkingen in het kader van de strijd tegen energiefraude zijn de distributienetbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders binnen hun eigen werkgebied verwerkingsverantwoordelijken in de zin van de regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens.

Als bij fraudeonderzoeken de analyses op het vlak van datamining of profilering leiden tot resultaten die vals positief blijken te zijn, worden de resultaten van de analyses onmiddellijk verwijderd. De andere resultaten worden bewaard totdat het dossier is afgerond. Dat is na verloop van een termijn van tien jaar die volgt op de recuperatie van de onrechtmatig verkregen voordelen. Daarbij dragen de distributienetbeheerders en de warmte- of koudenetbeheerders er zorg voor dat ze de verkregen resultaten zo snel mogelijk bevestigen of verwijderen..

TITEL V. Sociale energiemaatregelen

HOOFDSTUK I. Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een leverancier

Artikel 5.1.1. (01/01/2011- ...)

Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur of het betalingsverzoek, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van de factuur of het betalingsverzoek, niet heeft betaald, stuurt de leverancier een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de leverancier de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.1.2.

Artikel 5.1.2. (01/01/2011- ...)

Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor het treffen van een regeling voor de betaling van de openstaande rekeningen, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, stelt de leverancier met een aangetekende brief de huishoudelijke afnemer in gebreke.

Artikel 5.1.3. (01/01/2011- ...)

§ 1. De leverancier vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen. Die mogelijkheden zijn :
a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de leverancier;
b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
3° de mogelijkheid die hij heeft om het leveringscontract voor elektriciteit of aardgas op te zeggen en de gevolgen daarvan;
4° de procedure voor de levering van elektriciteit en aardgas door de distributienetbeheerder, de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit en voor aardgas en de procedure voor minimale levering van elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17;
5° de procedure voor de afsluiting van de toevoer van elektriciteit of aardgas en de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17;
6° de voordelen voor beschermde afnemers, vermeld in artikel 5.1.4.

§ 2. Als de huishoudelijke afnemer ervoor kiest om een afbetalingsplan uit te werken via het OCMW of via een erkende instelling voor schuldbemiddeling, stuurt de leverancier het dossier onmiddellijk voor verder onderzoek door naar het OCMW van de woonplaats van de huishoudelijke afnemer of naar de door de huishoudelijke afnemer aangewezen erkende instelling voor schuldbemiddeling.

De huishoudelijke afnemer deelt uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn keuze schriftelijk mee aan de leverancier.

§ 3. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

Artikel 5.1.4. (01/01/2011- ...)

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, vallen ten laste van de leverancier.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de indieningsprocedure en de vorm en inhoud van de bewijsstukken, waaruit blijkt dat de huishoudelijke afnemer een beschermde afnemer is.

Artikel 5.1.5. (01/01/2011- ...)

De eventuele nalatigheidsinterest die door de leverancier wordt aangerekend, mag niet meer bedragen dan de wettelijke interest.

HOOFDSTUK II. Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de leverancier

Artikel 5.2.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. Een leverancier kan een contract voor de levering van elektriciteit of aardgas alleen opzeggen als hij een opzeggingstermijn van ten minste zestig kalenderdagen in acht neemt.

§ 2. In geval van wanbetaling kan een leverancier pas overgaan tot opzegging van het leveringscontract met een huishoudelijke afnemer in de volgende gevallen :
1° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;
2° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, geen van de volgende acties ondernomen :
a) zijn vervallen factuur betaald;
b) een afbetalingsplan aanvaard;
3° de huishoudelijke afnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

Artikel 5.2.2. (01/02/2013- ...)

§ 1. Als de leverancier een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer opzegt, brengt de leverancier via een opzeggingsbrief de huishoudelijke afnemer op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuw leveringscontract moet sluiten dat ingaat op het einde van de opzeggingstermijn, uiterlijk binnen acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In de opzeggingsbrief vermeldt de leverancier ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn.

§ 2. De leverancier brengt de distributienetbeheerder minstens zestig kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn op de hoogte van de opzegging van het leveringscontract.

§ 3. Uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het bericht, vermeld in paragraaf 2, brengt de distributienetbeheerder op zijn beurt de huishoudelijke afnemer schriftelijk op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuwe leverancier moet zoeken uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In die brief vermeldt de distributienetbeheerder ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn. De distributienetbeheerder vermeldt in die brief, voor zover deze gericht is aan niet-beschermde afnemers, ook de indicatieve totale kosten op jaarbasis voor elektriciteit en/of gas van een gezin met een gemiddeld verbruik aangerekend tegen zowel het tarief van de distributienetbeheerder als tegen het laagste tarief van de commerciële leveranciers.

§ 4. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de informatie uitgewisseld wordt tussen de leverancier en de huishoudelijke afnemer, tussen de leverancier en de distributienetbeheerder, en tussen de distributienetbeheerder en de huishoudelijke afnemer.

§ 5. De minister kan nadere regels vastleggen voor de vorm en de inhoud van respectievelijk de opzeggingsbrief, vermeld in paragraaf 1, en de brief, vermeld in paragraaf 3.

Artikel 5.2.3. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer werd opgezegd en die afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn geen leveringscontract met een nieuwe leverancier heeft gesloten, dat ingaat vanaf het einde van de opzeggingstermijn, wordt de huishoudelijke afnemer vanaf de afloop van de opzeggingstermijn verder van elektriciteit of van aardgas beleverd door zijn distributienetbeheerder.

§ 2. De meteropname vindt plaats uiterlijk dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract. Op basis van die meteropname maakt de distributienetbeheerder afhankelijk van het profiel van de betreffende afnemer een schatting van de meterstand op het einde van de opzeggingstermijn. De geschatte meterstand wordt onmiddellijk doorgegeven aan de betrokken leverancier voor de opmaak van een eindafrekening. De leverancier bezorgt de huishoudelijke afnemer uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de metergegevens een eindafrekening.

HOOFDSTUK III. Budgetmeter voor elektriciteit

Afdeling I. Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor elektriciteit bij wanbetaling ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder

Artikel 5.3.1. (21/06/2019- ...)

§ 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit bezorgt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer maandelijks voor de levering van elektriciteit een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de elektriciteitsnetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur voor elektriciteit een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

§ 2. De betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt ook dat als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen een termijn van eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit binnen 60 kalenderdagen na het verstrijken van die termijn van eenentwintig dagen een budgetmeter voor elektriciteit zal plaatsen of inschakelen.

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering, een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de betalingsherinnering en de ingebrekestelling.

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de betalingsherinnering en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

§ 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit plaatst of schakelt de budgetmeter voor elektriciteit in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen eenentwintig kalenderdagen na de verzending van de betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit zal worden opgesteld of staat opgesteld.

Bij het activeren van de budgetmetermodus op de digitale meter voor elektriciteit voorziet de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet in een in-homedisplay als dat noodzakelijk blijkt om de netgebruiker op een gebruiksvriendelijke manier inzicht te geven in zijn saldo van het opgeladen bedrag. De minister kan nadere voorwaarden bepalen met betrekking tot de noodzaak van het in-homedisplay en de gebruiksvriendelijkheid van de budgetmeter.

De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit vastleggen.

De elektriciteitsafnemer wordt zonder enige beperking beleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16.

§ 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit bij de betreffende huishoudelijke elektriciteitsafnemer te plaatsen, wordt een autonome stroombegrenzer geplaatst in plaats van een budgetmeter voor elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16.

§ 5. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de elektriciteitsmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor elektriciteit en de autonome stroombegrenzer, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer indienen bij de lokale adviescommissie.

§ 6. De budgetmeter voor elektriciteit wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 200 kWh tegen de sociale maximumprijs voor elektriciteit, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

§ 7. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke elektriciteitsafnemer :
1° een gebruikshandleiding, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de oplaadmogelijkheden;
2° een telefoonnummer en website voor het melden van problemen en voor noodgevallen;
3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;
4° gedetailleerde informatie en instructies over de toegang tot de gegevens met betrekking tot zijn verbruik, het noodkrediet en de inschakeling van de 10 ampèrefunctie;
5° het toegepaste elektriciteitstarief;
6° de minimale levering van elektriciteit die ter beschikking wordt gesteld, en de manier waarop het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering, wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;
7° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;
8° de beoordeling van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om vast te stellen dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer al dan niet op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld als hij gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, en de mogelijke gevolgen daarvan;
9° in geval van een budgetmeter in de vorm van een digitale meter in budgetmetermodus, de aanmeldingsgegevens voor het online webportaal.

Bij de plaatsing van een budgetmeter in de vorm van een digitale meter in budgetmetermodus of de inschakeling van deze modus wordt de budgetmeterklant geïnformeerd over de concrete werking van de budgetmeter en de keuze tussen de verschillende communicatiemogelijkheden, zoals vermeld in paragraaf 3, tweede lid.

§ 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor elektriciteit uit de gemeente waarin het OCMW actief is.

Artikel 5.3.2. (01/01/2011- ...)

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit heeft betaald en een contract voor de levering van elektriciteit heeft geloten met een leverancier, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer verder van elektriciteit beleverd door zijn leverancier.

In dat geval gaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit over tot uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit of wegneming van de autonome stroombegrenzer, daar waar een ingeschakelde budgetmeter of een autonome begrenzer aanwezig is.

Artikel 5.3.3. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een budgetmeter voor elektriciteit werd geplaatst, verhuist, wordt van de budgetmeter voor elektriciteit op het oude adres als volgt uitgeschakeld :
1° door de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide. Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum;
2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een autonome stroombegrenzer werd geplaatst, verhuist, wordt de autonome stroombegrenzer weggenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.

§ 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het nieuwe adres kent van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt op zijn oude adres, of op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt, plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een budgetmeter voor elektriciteit, schakelt hij een budgetmeter voor elektriciteit in of plaatst hij een autonome stroombegrenzer op het nieuwe adres, naargelang van het geval.

Artikel 5.3.4. (01/01/2011- ...)

De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor elektriciteit, met inbegrip van de plaatsing, de inschakeling en de uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit, en de kosten die verbonden zijn aan de autonome stroombegrenzer, met inbegrip van de plaatsing en het wegnemen van de autonome stroombegrenzer, vallen altijd ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor elektriciteit, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van een budgetmeter.

Afdeling II. Minimale levering van elektriciteit

Artikel 5.3.5. (01/01/2011- ...)

De huishoudelijke elektriciteitsafnemer kan overschakelen op de minimale levering van elektriciteit zodra het bedrag waarmee de budgetmeter voor elektriciteit werd opgeladen, alsook het hulpkrediet waarmee die uitgerust is, opgebruikt zijn.

Artikel 5.3.6. (01/01/2011- ...)

De minimale levering van elektriciteit wordt vastgesteld op een vermogen dat overeenstemt met tien ampère onder eenmaal 230 volt.

Het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering van elektriciteit, valt ten laste van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

Afdeling III. Het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit

Artikel 5.3.7. (01/01/2011- ...)

Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor elektriciteit.

Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke elektriciteitsafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.

De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor elektriciteit moet voldoen.

Artikel 5.3.8. (01/01/2011- ...)

In iedere gemeente waar een budgetmeter voor elektriciteit in gebruik is, is minstens één oplaadmogelijkheid aanwezig. Afhankelijk van de behoeften, kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

Afdeling IV. Uitschakelen en herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit

Artikel 5.3.9. (30/08/2015- ...)

§ 1. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vaststelt dat een huishoudelijke elektriciteitsafnemer gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, maakt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een inschatting van het verbruik na de laatste oplading en beoordeelt hij of de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld.

§ 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermoedt dat de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit op basis van de beoordeling, vermeld in paragraaf 1, een brief naar de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.

§ 3. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet reageert op die brief, vermeld in paragraaf 2, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer opnieuw een brief met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen.

§ 4. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de brieven, vermeld in paragrafen 2 en 3, zijn ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

§ 5. Als na het contact tussen de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit blijkt dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer overgeschakeld is op de minimale levering van elektriciteit, dient de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een regeling te treffen voor de betaling van het elektriciteitsverbruik uit het verleden voor zover de elektriciteit werd verbruikt vanaf 1 juli 2003 en geleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Artikel 5.3.10. (01/07/2014- ...)

§ 1. Als geen regeling getroffen wordt binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de brief, zoals vermeld in artikel 5.3.9, § 3, en op voorwaarde dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een normale toegang heeft tot de budgetmeter voor elektriciteit, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet afgesloten. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan een verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit indienen bij de lokale adviescommissie. Daarbij zal de huishoudelijke elektriciteitsafnemer alleen elektriciteit kunnen verbruiken als de budgetmeter voor elektriciteit opgeladen is.

De minister kan de verdere werkwijze, onder meer de manier waarop contact opgenomen wordt met de huishoudelijke elektriciteitsafnemer, vastleggen voor de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit.

§ 2. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit is opgesteld, om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit uit te schakelen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.

§ 3. Als de huishoudelijke afnemer met een budgetmeter voor elektriciteit met uitgeschakelde stroombegrenzer in de periode van november tot en met maart gedurende een periode van dertig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van het bekende oplaadgedrag en verbruikspatroon uit het verleden het risico dat de huishoudelijke afnemer in kwestie loopt op onderbreking van de elektriciteitslevering, nadat het hulpkrediet voor elektriciteit is verbruikt.

Ingeval de elektriciteitsdistributienetbeheerder de kans reëel acht dat de huishoudelijke afnemer binnen een termijn van tien dagen zonder elektriciteitslevering valt, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van de beoordeling, vermeld in het eerste lid, een brief naar de huishoudelijke afnemer met de vraag om de budgetmeter binnen tien kalenderdagen op te laden of, als dat niet lukt of er volgens de huishoudelijke afnemer geen noodzaak toe is, binnen de tien kalenderdagen contact op te nemen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgt het OCMW wekelijks een lijst van huishoudelijke afnemers die op basis van deze beoordeling een risico lopen op onderbreking van de elektriciteitslevering, met uitzondering van diegenen die gemeld hebben dat daar geen noodzaak toe is, en van de huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen contact hebben opgenomen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Artikel 5.3.11. (01/01/2011- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit schakelt de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer opnieuw in als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer 50 % van de openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit betaald heeft. Op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer of zijn aangestelde en na overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan vroeger overgegaan worden tot de herinschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit als daarvoor specifieke redenen zijn.

De stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit wordt opnieuw ingeschakeld vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

De minister kan nadere regels vastleggen om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit vroeger in te schakelen.

Afdeling V. Schuldafbouw via de budgetmeter voor elektriciteit

Artikel 5.3.12. (29/12/2013- ...)

§ 1. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

Ingeval er voor dezelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas bestaan en voor zover dat aardgas wordt geleverd door dezelfde netbeheerder of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als aardgasdistributienetbeheerder, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst werd, zal deze voor een bedrag van de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

§ 2. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in de budgetmeter voor elektriciteit een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken.

§ 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor elektriciteit niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor elektriciteit negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.

Bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald elektriciteitsverbruik en van de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2 en voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in artikel 5.3.1, § 6, en voor het verbruik van de minimale levering, vermeld in artikel 5.3.5 en 5.3.6.

Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro. Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.

§ 4. De distributienetbeheerders bezorgen de huishoudelijke afnemers die ze beleveren minstens jaarlijks een transparant overzicht van de totale schulden voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit die ze bij de distributienetbeheerder hebben.

Afdeling VI. Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij wanbetaling

Artikel 5.3.13. (01/07/2014- ...)

 Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verder blijft leveren via de gewone elektriciteitsmeter of als bij de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een autonome stroombegrenzer werd geplaatst omdat het technisch niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen als vermeld in artikel 5.3.1, § 4, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer maandelijks voor de levering van elektriciteit een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

Artikel 5.3.14. (01/07/2014- ...)

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

Artikel 5.3.15. (01/01/2011- ...)

§ 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermelden zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande facturen.

Die mogelijkheden zijn :
a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie.

§ 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

§ 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Artikel 5.3.16. (01/01/2011- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen :
1° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande facturen;
2° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen :
a) zijn vervallen factuur betaald;
b) een afbetalingsplan aanvaard;
3° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

HOOFDSTUK IV. Budgetmeter voor aardgas

Afdeling I. Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor aardgas bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder

Artikel 5.4.1. (21/06/2019- ...)

§ 1. De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt de huishoudelijke aardgasafnemer maandelijks voor de levering van aardgas een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur voor aardgas een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

§ 2. De betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt ook dat als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen een termijn van eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, de aardgasdistributienetbeheerder binnen 60 kalenderdagen na het verstrijken van die termijn van eenentwintig dagen een budgetmeter voor aardgas zal plaatsen of inschakelen.

Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering, een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

§ 3. De aardgasdistributienetbeheerder plaatst de budgetmeter voor aardgas of schakelt de budgetmeter voor aardgas in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen eenentwintig kalenderdagen na de verzending van de betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor aardgas zal worden opgesteld of staat opgesteld.

In afwijking van het eerste lid, is de aardgasdistributienetbeheerder voor het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig is omgeven door Nederlands grondgebied, ertoe gehouden om, als de leverancier het contract voor de levering van aardgas aan de huishoudelijke afnemer heeft opgezegd en als de huishoudelijke afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzegtermijn, overeenkomstig artikel 5.2.1, geen nieuwe leverancier heeft gevonden, een budgetmeter te plaatsen bij de huishoudelijke afnemer, op voorwaarde dat de aardgasdistributienetbeheerder normale toegang heeft tot de woning.

Bij het activeren van de budgetmetermodus op de digitale meter voor aardgas voorziet de aardgasdistributienetbeheerder in een in-homedisplay als dat noodzakelijk blijkt om de netgebruiker op een gebruiksvriendelijke manier inzicht te geven in zijn saldo van het opgeladen bedrag. De minister kan nadere voorwaarden bepalen met betrekking tot de noodzaak van het in-homedisplay en de gebruiksvriendelijkheid van de budgetmeter.

De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor aardgas vastleggen.

De aardgasafnemer wordt zonder enige beperking beleverd door de aardgasdistributienetbeheerder. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17.

§ 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor aardgas bij de betreffende huishoudelijke aardgasafnemer te plaatsen, levert de aardgasdistributienetbeheerder verder via de gewone aardgasmeter. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17.

§ 5. Als de huishoudelijke aardgasafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de aardgasmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor aardgas, kan de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer indienen bij de lokale adviescommissie.

§ 6. De budgetmeter voor aardgas wordt door de aardgasdistributienetbeheerder zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 1 000 kWh tegen de sociale maximumprijs voor aardgas, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.

§ 7. De aardgasdistributienetbeheerder stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor aardgas minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke aardgasafnemer :
1° een gebruikshandleiding, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de oplaadmogelijkheden;
2° een telefoonnummer en website voor het melden van problemen en voor noodgevallen;
3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;
4° gedetailleerde informatie en instructies over de toegang tot de gegevens met betrekking tot zijn verbruik en het noodkrediet;
5° het toegepaste aardgastarief;
6° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas;
7° in geval van een budgetmeter in de vorm van een digitale meter in budgetmetermodus, de aanmeldingsgegevens voor het online webportaal.

Bij de plaatsing van een budgetmeter in de vorm van een digitale meter in budgetmetermodus of inschakeling van deze modus wordt de budgetmeterklant geïnformeerd over de concrete werking van de budgetmeter en de keuze tussen de verschillende communicatiemogelijkheden, zoals vermeld in paragraaf 3, tweede lid.

§ 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor aardgas uit de gemeente waarin het OCMW actief is.

Artikel 5.4.2. (01/01/2011- ...)

Als de huishoudelijke afnemer in de periode van november tot en met maart gedurende een periode van dertig kalenderdagen zijn budgetmeter voor aardgas niet oplaadt, beoordeelt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van het bekende oplaadgedrag en verbruikspatroon uit het verleden het risico dat de huishoudelijke afnemer in kwestie loopt op onderbreking van de aardgaslevering, nadat het hulpkrediet voor aardgas is verbruikt.

Ingeval de aardgasdistributienetbeheerder de kans reëel acht dat de huishoudelijke afnemer binnen een termijn van tien dagen zonder aardgaslevering valt, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van de beoordeling, vermeld in het eerste lid, een brief naar de huishoudelijke afnemer met de vraag om de budgetmeter binnen tien kalenderdagen op te laden of, als dat niet lukt of er volgens de huishoudelijke afnemer geen noodzaak toe is, binnen de tien kalenderdagen contact op te nemen. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.

De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt het OCMW wekelijks een lijst van huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, niet opladen, met uitzondering van diegenen die gemeld hebben dat daar geen noodzaak toe is, en van de huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen contact hebben opgenomen met de aardgasdistributienetbeheerder.

Artikel 5.4.3. (01/01/2011- ...)

De aardgasdistributienetbeheerder schakelt de budgetmeter voor aardgas uit als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn aardgasdistributienetbeheerder heeft betaald en een contract voor de levering van aardgas heeft gesloten met een leverancier. Vanaf dat moment wordt de huishoudelijke aardgasafnemer verder van aardgas beleverd door zijn leverancier.

Artikel 5.4.4. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als de huishoudelijke aardgasafnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geplaatst, verhuist, wordt de budgetmeter voor aardgas op het oude adres als volgt uitgeschakeld :
1° door de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide. Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum;
2° door de aardgasdistributienetbeheerder na afspraak met de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.

§ 2. Als de aardgasdistributienetbeheerder het nieuwe adres van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, kent, of op verzoek van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, plaatst de aardgasdistributienetbeheerder een budgetmeter voor aardgas of schakelt hij er een in op het nieuwe adres.

Artikel 5.4.5. (01/01/2011- ...)

De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor aardgas, met inbegrip van de plaatsing en de inschakeling en uitschakeling van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van de budgetmeter.

Afdeling II. Minimale levering van aardgas

Artikel 5.4.6. (25/09/2016- ...)

De huishoudelijke afnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geïnstalleerd, kan het OCMW ervan op de hoogte brengen dat hij niet beschikt over voldoende middelen om de budgetmeter voor aardgas op te laden waardoor de aardgaslevering tijdens de periode van 1 november tot en met 31 maart onderbroken dreigt te worden.

Artikel 5.4.7. (25/09/2016- ...)

Het OCMW kan er voor opteren gebruik te maken van een systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter.

Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, stelt voor de huishoudelijke afnemer, vermeld in artikel 5.4.2 en 5.4.6, op basis van een sociaal vooronderzoek binnen de termijn bepaald in de OCMW-wet vast of er een reëel probleem van energiearmoede bestaat waardoor de huishoudelijke afnemer niet over voldoende middelen beschikt om zijn budgetmeter voor aardgas tijdens de periode van 1 november tot en met 31 maart voldoende op te laden.

Als er een reëel probleem van energiearmoede, zoals vermeld in het tweede lid, bestaat, kan het OCMW op basis van een tabel, vastgesteld door de minister, de kost bepalen van de hoeveelheid aardgas, die de huishoudelijke afnemer per veertien kalenderdagen nodig heeft om tot het einde van de periode van 1 november tot en met 31 maart te beschikken over een minimale verwarming van de woning.

Artikel 5.4.8. (25/09/2016- ...)

Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, kan het bedrag dat overeenkomt met de kost, bedoeld in artikel 5.4.7, derde lid, per periode van veertien kalenderdagen ter beschikking stellen van de huishoudelijke afnemer tot maximaal het einde van de periode van 1 november tot en met 31 maart.

Het OCMW kan aan het ter beschikking stellen van het bedrag, vermeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden op het vlak van :
1° schuldbegeleiding en schuldafbouw;
2° het nemen van maatregelen om het verbruik van energie door de huishoudelijke afnemer te verminderen;
3° het verplicht opladen van de budgetmeter buiten de winterperiode.

Artikel 5.4.9. (01/01/2011- ...)

Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 en 5.4.8, kan het bedrag, vermeld in artikel 5.4.8, eerste lid, dat via de oplading van de budgetmeterkaart door het OCMW ter beschikking wordt gesteld voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder. Het resterende percentage kan het OCMW ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke afnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.

De recuperatie door het OCMW bij de aardgasdistributienetbeheerder van maximaal 70 % van de gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, is een openbaredienstverplichting van de aardgasdistributienetbeheerder zoals bedoeld in artikel 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Artikel 5.4.10. (25/09/2016- ...)

Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 tot 5.4.9, kan de gemaakte kosten die overeenstemmen met de hoeveelheid aardgas die het toekent via de oplading van de budgetmeterkaart, vermeld in artikel 5.4.8, voor voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder tot uiterlijk drie maanden na het einde van de periode van 1 november tot en met 31 maart.

Het resterende percentage kan het OCMW na de periode van 1 november tot en met 31 maart ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke aardgasafnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.

Afdeling III. Het opladen van de budgetmeter voor aardgas

Artikel 5.4.11. (01/01/2011- ...)

Iedere aardgasdistributienetbeheerder zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor aardgas.

Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke aardgasafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.

De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor aardgas moet voldoen.

Artikel 5.4.12. (01/01/2011- ...)

In iedere gemeente waar een budgetmeter voor aardgas in gebruik is, is minstens een oplaadmogelijkheid aanwezig. Afhankelijk van de behoeften kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

Afdeling IV. Schuldafbouw via de budgetmeter voor aardgas

Artikel 5.4.13. (29/12/2013- ...)

§ 1. Voor niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of door een andere aardgasdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, zal de aardgasdistributienetbeheerder een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

Ingeval er voor eenzelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit bestaan, voor zover geleverd door dezelfde aardgasdistributienetbeheerder, of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als netbeheerder, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst werd, zal deze voor een bedrag voor de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

§ 2. Voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of een andere netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, kan de aardgasdistributienetbeheerder in de budgetmeter voor aardgas een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.

De aardgasdistributienetbeheerder brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief, gestandaardiseerd voor het hele Vlaamse Gewest, vermeldt de aardgasdistributienetbeheerder dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de aardgasdistributienetbeheerder om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken.

§ 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor aardgas niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor aardgas negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.

Bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2, en, voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in artikel 5.4.1, § 6.

Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro. Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.

§ 4. De distributienetbeheerders bezorgen de huishoudelijke afnemers die ze beleveren minstens jaarlijks een transparant overzicht van de totale schulden voor niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas die ze bij de distributienetbeheerder hebben.

Afdeling V. Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder als er geen budgetmeter voor aardgas is geplaatst

Artikel 5.4.14. (01/07/2014- ...)

Als de aardgasdistributienetbeheerder verder blijft leveren via de gewone aardgasmeter bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder de huishoudelijke aardgasafnemer maandelijks voor de levering van aardgas een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

Artikel 5.4.15. (01/07/2014- ...)

Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.

Artikel 5.4.16. (01/01/2011- ...)

§ 1. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen.

Die mogelijkheden zijn :
a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de aardgasdistributienetbeheerder;
b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie.

§ 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

§ 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

Artikel 5.4.17. (01/01/2011- ...)

De aardgasdistributienetbeheerder kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen :
1° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;
2° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen :
a) zijn vervallen factuur betaald;
b) een afbetalingsplan aanvaard;
3° de huishoudelijke aardgasafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

HOOFDSTUK V. Afsluiten en heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer

Afdeling I. Afname van elektriciteit of aardgas zonder leveringscontract na een verhuizing

Artikel 5.5.1. (01/01/2011- ...)

§ 1. Nadat een huishoudelijke afnemer zijn leverancier heeft ingelicht over zijn verhuizing en als die leverancier geen bericht van klant- en leverancierswissel heeft ontvangen van de leverancier van de nieuwe bewoner, meldt de leverancier uiterlijk binnen dertig kalenderdagen aan de distributienetbeheerder dat hij zijn levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten uiterlijk binnen dertig kalenderdagen.

Vanaf de verhuisdatum van de oude bewoner vallen alle kosten die vanaf die datum veroorzaakt worden door de levering van elektriciteit of aardgas, ten laste van de nieuwe bewoner of van de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner.

§ 2. De netbeheerder brengt op zijn beurt de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, schriftelijk op de hoogte van zijn plicht om zo snel mogelijk en uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van de brief een van de volgende acties te ondernemen :
1° zijn huidige leverancier te verwittigen van zijn verhuizing;
2° een leveringscontract te sluiten met een nieuwe leverancier;
3° de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling.

De netbeheerder meldt ook de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet reageert op de brief. De brief wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

§ 3. Als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brief, vermeld in paragraaf 2, gaat de netbeheerder binnen vijftien kalenderdagen ter plaatse om een regularisatiedocument te laten ondertekenen. De netbeheerder brengt in dat geval de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, op de hoogte van de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als hij het document niet ondertekent.

Het regularisatiedocument biedt aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, drie mogelijkheden :
1° als de nieuwe bewoner over een geldig leveringscontract beschikt op zijn oude adres, maar zijn leverancier nog niet verwittigd heeft van zijn verhuizing, dan geeft hij de naam van zijn huidige leverancier door;
2° als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, nog niet over een geldig leveringscontract beschikt, wijst hij de laatst bekende leverancier van de vorige bewoner aan als zijn leverancier vanaf de verhuisdatum. Die leverancier belevert dan de betreffende huishoudelijke afnemer. Als hij een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen in acht neemt, kan de huishoudelijke afnemer overstappen naar een andere leverancier zonder dat hem een verbrekingsvergoeding wordt aangerekend;
3° de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, laat de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten door middel van verzegeling.

De netbeheerder stuurt, indien nodig, het ingevulde en ondertekende regularisatiedocument binnen vijf werkdagen door naar de betreffende leverancier, die binnen vijf werkdagen de toestand van de betreffende huishoudelijke afnemer regulariseert.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van het verhuisformulier en het regularisatiedocument.

§ 4. Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet thuis is op het ogenblik van het bezoek van de netbeheerder, laat die een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen vijftien kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de situatie te regelen.

Artikel 5.5.2. (01/01/2011- ...)

Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, weigert om het regularisatiedocument in te vullen en te ondertekenen, of als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brieven of de documenten, vermeld in artikel 5.5.1, mag de netbeheerder de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De leverancier levert gedurende maximaal dertig kalenderdagen na de melding dat hij de levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten, verder aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner. Na die termijn levert de netbeheerder verder in afwachting van een regularisatie van de situatie of een afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer.

Afdeling II. Fraude

Artikel 5.5.3. (01/05/2018- ...)

...

Afdeling III. Leegstaande woning

Artikel 5.5.4. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als de netbeheerder na een bezoek van een personeelslid of een aangestelde een vermoeden heeft van leegstand van een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw, zoekt de distributienetbeheerder de identiteit van de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw op via het kadaster.

De netbeheerder verstuurt een brief naar de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw met het verzoek om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen met de netbeheerder om kenbaar te maken of de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw al dan niet bewoond is.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw reageert en bevestigt dat de wooneenheid of het residentiële gebouw leegstaat, wordt de eigenaar verzocht om binnen dertig kalenderdagen een leveringscontract te sluiten, dat met onmiddellijke ingang start, of de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw niet reageert, stuurt de distributienetbeheerder opnieuw een personeelslid of een aangestelde ter plaatste om nogmaals te verifiëren of er al dan niet een vermoeden is van bewoning.

De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of er al dan niet een vermoeden van bewoning is en voor de vorm en de inhoud van de brief, vermeld in het tweede lid.

§ 2. Tenzij de eigenaar de elektriciteits- of aardgastoevoer heeft laten afsluiten door middel van verzegeling, mag de netbeheerder in de volgende gevallen overgaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 :
1° als de eigenaar bevestigt dat een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw leegstaat, en als hij binnen dertig kalenderdagen geen leveringscontract heeft gesloten dat met onmiddellijke ingang start;
2° als de eigenaar niet gereageerd heeft op de brief, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en als de controle, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, heeft plaatsgevonden en het vermoeden van leegstand heeft bevestigd.

Afdeling IV. Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling

Artikel 5.5.5. (01/01/2011- ...)

§ 1. Als het leveringscontract van een huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling, dient de betreffende huishoudelijke afnemer een contract met een leverancier te sluiten binnen een periode van negentig kalenderdagen, te rekenen vanaf het moment dat de betreffende afnemer door de netbeheerder wordt beleverd. De netbeheerder brengt de betreffende huishoudelijke afnemer daarvan schriftelijk op de hoogte binnen dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het vorige leveringscontract.

§ 2. Als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat uiterlijk ingaat op het einde van de periode, vermeld in paragraaf 1, mag de netbeheerder een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.

Afdeling V. Afsluiten in de winterperiode

Artikel 5.5.6. (01/01/2011- ...)

Bij de huishoudelijke afnemer kan in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7°en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de toevoer van elektriciteit of aardgas niet worden afgesloten tijdens de periode van 1 december tot 1 maart. De minister kan die periode afhankelijk van de weersomstandigheden verlengen.

Afdeling VI. Heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer

Artikel 5.5.7. (26/10/2012- ...)

§ 1. De netbeheerder sluit de toevoer van elektriciteit of aardgas van een huishoudelijke afnemer opnieuw aan als aan minstens een van de volgende voorwaarden voldaan is :
1° na het beëindigen van een situatie, als vermeld in 6.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
2° na een beslissing tot heraansluiting van de lokale adviescommissie, overeenkomstig de procedure, vermeld in hoofdstuk III, afdeling III, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water;
3° op verzoek van de huishoudelijke afnemer op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer over een geldig leveringscontract beschikt voor de levering van elektriciteit en gas, met uitzondering van de afsluitingen om de redenen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1° en 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer geen schulden meer heeft bij de netbeheerder.
4° nadat de distributienetbeheerder of de VREG vaststelt dat de toevoer van elektriciteit of aardgas onterecht is afgesloten.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, levert de netbeheerder elektriciteit of aardgas als de betreffende huishoudelijke afnemer niet over een geldig leveringscontract voor elektriciteit of aardgas beschikt.

§ 2. De heraansluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer vindt plaats binnen :
1° vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke afnemer in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 3°;
2° vijf werkdagen na de beslissing van de lokale adviescommissie in het geval, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°;
3° 24 uur in het geval, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.

§ 3. De kosten van de heraansluiting vallen altijd ten laste van de huishoudelijke afnemer die aan de oorzaak ligt van de afsluiting.

§ 4. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, 4° en paragraaf 2, 3°, zijn van overeenkomstige toepassing op niet-huishoudelijke afnemers.

Afdeling VII. Uitwisseling van gegevens

Artikel 5.5.8. (26/10/2012- ...)

De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks de gegevens van de huishoudelijke afnemers die recent zijn afgesloten of heraangesloten, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.

De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW jaarlijks tegen 1 oktober een lijst van alle huishoudelijke toegangspunten die afgesloten zijn, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.

De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks een lijst van geplande afsluitingen van huishoudelijke afnemers waarvoor ze vaststelden dat ze een voorwaardelijke beslissing van de lokale adviescommissie tot afsluiting niet respecteren, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.

[Afdeling VIII. Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer via een oplaadblokkade (ing. BVR 7 september 2012, art. 8, I: 26 oktober 2012)]

Artikel 5.5.9. (26/10/2012- ...)

De distributienetbeheerder kan, als alternatief voor een fysieke afsluiting ter plaatse, de toevoer van elektriciteit of aardgas voor toegangspunten met een budgetmeter, alleen vanop afstand afsluiten via een oplaadblokkade in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 2° tot en met 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

HOOFDSTUK VI. Overige sociale openbaredienstverplichtingen

Artikel 5.6.1. (15/09/2016- ...)

Elke leverancier is ertoe gehouden :
1° ...
2° ...
3° ...
4° ...
5° ...
6° ...
7° ...
8° ...
9° te voorzien in een tijdens de kantooruren bereikbaar rechtstreeks telefoonnummer en e-mailadres dat voorbehouden is voor OCMW-medewerkers, sociale huisvestingsmaatschappijen en Centra voor Algemeen Welzijnswerk voor informatievragen in het kader van de begeleiding van klanten van de leverancier;
10° geen enkele huishoudelijke afnemer te weigeren als klant, tenzij op basis van de volgende weigeringsgronden :
a) de leverancier beperkt zich tot een geografisch omlijnde afzetmarkt;
b) de afnemer is aangesloten op een distributienetgebied waar de leverancier nog niet levert;
c) de leverancier levert alleen aan bepaalde segmenten van afnemers;
d) de leverancier is actief als coöperatieve vennootschap en levert alleen aan vennoten;
e) de huishoudelijke afnemer, of één van diens op hetzelfde adres gedomicilieerde gezinsleden, heeft nog openstaande schulden bij de leverancier.

Onverminderd het eerste lid, 10°, kan de minister bijkomende weigeringsgronden bepalen.

Artikel 5.6.2. (26/10/2012- ...)

Elke distributienetbeheerder is ertoe gehouden :
1° speciale voorzieningen te treffen voor de ondubbelzinnige identificatie van personen die handelen in naam van de distributienetbeheerder en die zich bij de huishoudelijke afnemer aanbieden;
2° de meteropname minstens tweejaarlijks ter plaatse te laten uitvoeren door een personeelslid of aangestelde van de distributienetbeheerder, of via afstandsmeting;
3° op verzoek de meter zonder meerkosten te plaatsen op of te verplaatsen naar een goed toegankelijke, veilige en technisch en economisch verantwoorde plaats.
4° te voorzien in een procedure van klachtenbehandeling waarover gerapporteerd wordt aan de VREG conform de methode bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht zoals bepaald in artikel 3.1.3., 1°, e), van het Energiedecreet.

De huishoudelijke afnemer of de eigenaar is verplicht om het personeelslid van de distributienetbeheerder of zijn aangestelde voor de meteropname, vermeld in het eerste lid, toegang te geven tot de ruimte waarin de meter, waarover de distributienetbeheerder het gebruiks- of eigendomsrecht heeft, is opgesteld, op voorwaarde dat het personeelslid of zijn aangestelde zich voldoende kan legitimeren.

Artikel 5.6.3. (01/07/2013- ...)

De distributienetbeheerder bezorgt jaarlijks aan de niet-beschermde klanten die hij belevert en die schuldenvrij zijn, een overzicht van de indicatieve kostprijs op jaarbasis die leveranciers aanrekenen met inbegrip van de kostprijs die de distributienetbeheerder aanrekent.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van dat indicatieve overzicht.

Artikel 5.6.4. (26/10/2012- ...)

...

HOOFDSTUK VII. Sociale statistieken

Artikel 5.7.1. (29/12/2013- ...)

Jaarlijks worden voor 31 maart minstens de volgende gegevens over het vorige kalenderjaar ter beschikking gesteld aan de VREG :
1° door de leverancier, indien van toepassing opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers :
    a) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat de sociale maximumprijs voor elektriciteit geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    b) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat de sociale maximumprijs voor aardgas geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    c) het aantal huishoudelijke afnemers naar wie minstens één ingebrekestelling werd gestuurd;
    d) het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar :
        1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien;
        2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart;
    e) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd;
    f) de gemiddelde uitstaande schuld bij het afsluiten van de betalingsplannen, van de betalingsplannen die in het betreffende kalenderjaar zijn opgestart;
    g) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een OCMW;
    h) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
    i) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd, opgesplitst naar elektriciteit en gas;
    j) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd in het kader van wanbetaling, opgesplitst naar elektriciteit en gas;
    k) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan de opzegging van het leveringscontract werd geannuleerd, opgesplitst naar elektriciteit en gas;
    l) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan de opzeg van het leveringscontract in het kader van wanbetaling werd geannuleerd, opgesplitst naar elektriciteit en gas;
2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, telkens opgesplitst per gemeente en in beschermde en niet-beschermde afnemers :
    a) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    b) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    c) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd :
        1) in minder dan zeven kalenderdagen;
        2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
        3) in meer dan dertig kalenderdagen;
    d) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd :
        1) in minder dan zeven kalenderdagen;
        2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
        3) in meer dan dertig kalenderdagen;
    e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    f) het aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit tijdens het voorbije kalenderjaar;
    g) het aantal budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling :
        1) verhuizing;
        2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;
    h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;
    i) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie werd uitgeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een beslissing van de lokale adviescommissie;
    j) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie opnieuw werd ingeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een beslissing van de lokale adviescommissie;
    k) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was ingeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    l) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was uitgeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    m) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer na de verhuizing van een afgesloten afnemer;
     n) het aantal in het kader van artikel 5.3.10, § 3 aan het OCMW gerapporteerde gezinnen die in de periode november tot en met maart minstens 1 keer gedurende een periode van dertig kalenderdagen hun budgetmeter voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzer werd uitgeschakeld niet oplaadden en die het risico lopen op onderbreking van de elektriciteitslevering;
3° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder :
    a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;
    aa) het aantal lopende afbetalingsplannen waarvoor minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht het kalenderjaar waarin ze werden opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor elektriciteit per gemeente;
    c) het aantal geplaatste autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    d) het aantal uitgeschakelde autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    e) het totale aantal autonome stroombegrenzers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    f) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    g) het totale aantal huishoudelijke afnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    h) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst op basis van de termijn waarin ze door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werden beleverd :
        1) minder dan twee maanden;
        2) van twee tot en met zes maanden;
        3) langer dan zes maanden;
        4) na verhuis van de vorige afnemer;
    i) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor elektriciteit;
    j) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    k) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    l) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    m) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
   n) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling in het kader van wanbetaling werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
   o) het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar :
        1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
        2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    p) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    q) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    r) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    s) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst naar de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    t) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
    u) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
        1) positief advies;
        2) negatief advies;
        3) voorwaardelijk advies;
    v) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente;
    w) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie met het verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzerfunctie (10 ampère) in de budgetmeter;
    x) het aantal dossiers dat werd behandeld op de lokale adviescommissie met het verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzerfunctie (10 ampère) in de budgetmeter;
    y) het aantal huishoudelijke afnemers waarvoor een dossier tot uitschakeling van de stroombegrenzer werd behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
    z) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie over het verzoek om uitschakeling van de stroombegrenzer, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
        1) advies in het nadeel van de klant;
        2) advies in het voordeel van de klant;
        3) voorwaardelijk advies;
4° door de aardgasdistributienetbeheerder, opgesplitst per gemeente en telkens in beschermde en niet-beschermde afnemers :
    a) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 5°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    b) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    c) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd :
        1) in minder dan zeven kalenderdagen;
        2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
        3) in meer dan dertig kalenderdagen;
    d) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd :
        1) in minder dan zeven kalenderdagen;
        2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
        3) in meer dan dertig kalenderdagen;
    e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    f) het aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas tijdens het voorbije kalenderjaar;
    g) het aantal budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling :
        1) verhuis;
        2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;
    h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;
    i) het totale aantal actieve budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
    j) het aantal huishoudelijke afnemers waarvoor het OCMW een aanvraag tot recuperatie in het kader van artikel 5.4.9 van dit besluit heeft ingediend bij de netbeheerder, opgesplitst naar de categorieën zoals bepaald in de indicatieve tabel op basis van de parameters;
    k) het gemiddelde bedrag dat aan deze klanten toegekend werd in het kader van artikel 5.4.8 van dit besluit;
    l) het gemiddelde bedrag dat door de netbeheerders werd terugbetaald in het kader van artikel 5.4.9 van dit besluit;
    m) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer na de verhuizing van een afgesloten afnemer;
    n) het aantal in het kader van artikel 5.4.2 aan het OCMW gerapporteerde gezinnen die in de periode november tot en met maart minstens 1 keer gedurende een periode van dertig kalenderdagen hun budgetmeter voor aardgas niet oplaadden en die het risico lopen op onderbreking van de aardgaslevering;
5° door de aardgasdistributienetbeheerder :
    a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;
    b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor aardgas per gemeente;
    c) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    d) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    e) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de termijn waarin ze door de aardgasdistributienetbeheerder werden beleverd :
        1) minder dan twee maanden;
        2) van twee tot en met zes maanden;
        3) langer dan zes maanden;
        4) na verhuis van de vorige afnemer;
    f) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor aardgas;
    g) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    h) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    i) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    j) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    k) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling in het kader van wanbetaling werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    l) het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar;
        1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
        2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    m) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat werd betaald;
    n) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
    o) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 5°, 7° en 8,° van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    p) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8° van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
    q) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie, en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
    r) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
        1) positief advies;
        2) negatief advies;
        3) voorwaardelijk advies;
    s) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente.
    t) het aantal lopende afbetalingsplannen waarvoor minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht het kalenderjaar waarin ze werden opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;

De VREG stelt die gegevens jaarlijks voor 31 mei ter beschikking van de minister.

De minister kan de lijst met opgevraagde gegevens verder aanvullen en uitbreiden.

[TITEL V/1. Sociale energiemaatregelen voor warmte- of koudenetten (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

[HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.1.1. (01/04/2019- ...)

Voor de toepassing van titel V/1 wordt een tussenpersoon, die een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan zijn, die thermische energie afneemt van een warmte- of koudeleverancier en die binnen een appartementengebouw verder verdeelt bij verschillende huishoudelijke afnemers van thermische energie, beschouwd als een warmte- of koudeleverancier, vermeld in artikel 1.1.3, 133° /1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

[HOOFDSTUK II. Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een warmte- of koudeleverancier (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.2.1. (01/04/2019- ...)

Als de huishoudelijke afnemer van thermische energie na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur of het betalingsverzoek, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur of het betalingsverzoek, niet heeft betaald, stuurt de warmte- of koudeleverancier een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de warmte- of koudeleverancier de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5/1.2.2.

Artikel 5/1.2.2. (01/04/2019- ...)

Als de huishoudelijke afnemer van thermische energie na het verstrijken van de uiterste datum voor het treffen van een regeling voor de betaling van de openstaande rekeningen, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, stelt de warmte- of koudeleverancier de huishoudelijke afnemer van thermische energie met een aangetekende brief in gebreke.

Artikel 5/1.2.3. (01/04/2019- ...)

§ 1. De warmte- of koudeleverancier vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen. Die mogelijkheden zijn :
a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de warmte- of koudeleverancier;
b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
3° de mogelijkheid die hij heeft om het leveringscontract voor thermische energie op te zeggen en de gevolgen daarvan;
4° de voordelen voor beschermde afnemers, vermeld in artikel 5/1.2.5.

§ 2. Als de huishoudelijke afnemer van thermische energie ervoor kiest om een afbetalingsplan uit te werken via het OCMW of via een erkende instelling voor schuldbemiddeling, stuurt de warmte- of koudeleverancier het dossier onmiddellijk voor verder onderzoek door naar het OCMW van de woonplaats van de huishoudelijke afnemer van thermische energie of naar de erkende instelling voor schuldbemiddeling die de huishoudelijke afnemer van thermische energie aangewezen heeft.

De huishoudelijke afnemer van thermische energie deelt uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn keuze schriftelijk mee aan de warmte- of koudeleverancier.

§ 3. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

Artikel 5/1.2.4. (01/04/2019- ...)

Als de huishoudelijke afnemer van thermische energie na het verstrijken van de uiterste datum voor een betaling die is overeengekomen in het kader van een afbetalingsplan bij wanbetaling, vermeld op de factuur of het betalingsverzoek, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur of het betalingsverzoek, niet heeft betaald, stuurt de warmte- of koudeleverancier een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de warmte- of koudeleverancier:
1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
2° de termijn, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, waarin de huishoudelijke afnemer van thermische energie de niet-gerespecteerde schijven van het afbetalingsplan alsnog moet betalen;
3° de mogelijkheid die hij heeft om het leveringscontract voor thermische energie op te zeggen en de gevolgen daarvan;
4° de voordelen voor beschermde afnemers, vermeld in artikel 5/1.2.5.

Artikel 5/1.2.5. (01/04/2019- ...)

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, zijn ten laste van de warmte- of koudeleverancier.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de indieningsprocedure en de vorm en inhoud van de bewijsstukken, waaruit blijkt dat de huishoudelijke afnemer van thermische energie een beschermde afnemer is.

Artikel 5/1.2.6. (01/04/2019- ...)

De eventuele nalatigheidsinterest die de warmte- of koudeleverancier aanrekent, mag niet meer bedragen dan de wettelijke interest.

[HOOFDSTUK III. Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de warmte- of koudeleverancier(ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.3.1. (01/04/2019- ...)

§ 1. Een warmte- of koudeleverancier kan een contract voor de levering van thermische energie alleen, na de indiening van een verzoek tot afsluiting van de toevoer van thermische energie bij de lokale adviescommissie, om een andere reden dan wanbetaling opzeggen, als:
1° bij een nieuw aangesloten wooneenheid de huishoudelijke afnemer van thermische energie binnen een termijn van dertig kalenderdagen volgende op het advies, vermeld in artikel 5/1.3.3, geen leveringscontract heeft gesloten met een warmte- of koudeleverancier;
2° de warmte- of koudeleverancier zijn activiteiten wil stopzetten en de huishoudelijke afnemer van thermische energie binnen een termijn van dertig kalenderdagen volgende op het advies, vermeld in artikel 5/1.3.3, geen leveringscontract heeft gesloten met een andere warmte- of koudeleverancier.

In afwijking van het eerste lid kan een warmte- of koudeleverancier een contract voor de levering van thermische energie niet opzeggen als maar één warmte- of koudeleverancier actief is op het warmte- of koudenet waardoor er de facto geen ander leveringscontract kan worden gesloten.

De termijn van de opzegging, vermeld in het eerste lid, bedraagt minstens zestig kalenderdagen.

De opzeg, vermeld in het eerste lid, 2°, kan enkel gebeuren voor alle huishoudelijke afnemers van thermische energie in een gebouw gezamenlijk.

§ 2. In geval van wanbetaling kan een warmte- of koudeleverancier pas overgaan tot opzegging van het leveringscontract met een huishoudelijke afnemer van thermische energie, na de indiening van een verzoek tot afsluiting van de toevoer van thermische energie bij de lokale adviescommissie, in de volgende gevallen :
1° de huishoudelijke afnemer van thermische energie heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;
2° de huishoudelijke afnemer van thermische energie heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, geen van de volgende acties ondernomen :
a) zijn vervallen factuur betaald;
b) een afbetalingsplan aanvaard;
3° de huishoudelijke afnemer van thermische energie komt, nadat hij een afbetalingsplan aanvaard heeft, zijn afbetalingsverplichtingen niet na en gaat na de herinnering, vermeld in artikel 5/1.2.4, niet in op de betaling van de niet-gerespecteerde schijven van het afbetalingsplan.

De termijn van de opzegging, vermeld in het eerste lid, bedraagt minstens zestig kalenderdagen.

Artikel 5/1.3.2. (01/04/2019- ...)

De warmte- of koudeleverancier brengt de huishoudelijke afnemer van thermische energie met een kennisgevingsbrief op de hoogte van de indiening van het verzoek tot afsluiting van de toevoer van thermische energie bij de lokale adviescommissie, uiterlijk op de dag waarop hij het verzoek naar de lokale adviescommissie verzendt, en van zijn intentie om het leveringscontract van thermische energie op te zeggen na positief advies over het verzoek tot afsluiting bij de lokale adviescommissie. In de kennisgevingsbrief vermeldt de warmte- en koudeleverancier de procedure voor de afsluiting van de toevoer van thermische energie, waaronder de opzeggingsprocedure.

Artikel 5/1.3.3. (01/04/2019- ...)

§ 1. Als de lokale adviescommissie positief advies geeft over de afsluiting van de huishoudelijke afnemer van thermische energie, kan de warmte- of koudeleverancier het leveringscontract opzeggen. Als de warmte- of koudeleverancier een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer opzegt, brengt de warmte- of koudeleverancier de huishoudelijke afnemer met een opzeggingsbrief op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn, vermeld in artikel 5/1.3.1.

§ 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de informatie uitgewisseld wordt tussen de warmte- of koudeleverancier en de huishoudelijke afnemer van thermische energie.

§ 3. De minister kan nadere regels vastleggen voor de vorm en de inhoud van de opzeggingsbrief, vermeld in paragraaf 1.

Artikel 5/1.3.4. (01/04/2019- ...)

§ 1. De toevoer van thermische energie wordt afgesloten door middel van verzegeling door de warmte- of koudenetbeheerder en vindt, op verzoek van de warmte- of koudeleverancier, plaats na het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract.

§ 2. Bij de afsluiting door middel van verzegeling van de toevoer van thermische energie voert de warmte- of koudenetbeheerder een meteropname uit. Als de warmte- of koudenetbeheerder niet optreedt als warmte- of koudeleverancier, bezorgt de warmte- of koudenetbeheerder onmiddellijk de meterstand aan de warmte- of koudeleverancier. De warmte- of koudeleverancier bezorgt de huishoudelijke afnemer van thermische energie uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de meteropname een eindafrekening.

[HOOFDSTUK IV. Afsluiten en heraansluiten van de toevoer van thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

[Afdeling I. Afname van thermische energie zonder leveringscontract na een verhuizing (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.1. (01/04/2019- ...)

§ 1. De huishoudelijke afnemer van thermische energie en de nieuwe bewoner lichten de warmte- of koudeleverancier in over hun verhuizing.

Vanaf de verhuisdatum van de oude bewoner zijn alle kosten die vanaf die datum veroorzaakt worden door de levering van thermische energie, ten laste van de nieuwe bewoner of van de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner.

§ 2. Als de huishoudelijke afnemer van thermische energie de warmte- of koudeleverancier heeft ingelicht over zijn verhuizing, en als die leverancier geen bericht van klantwissel heeft ontvangen van de nieuwe bewoner, brengt de warmte- of koudeleverancier de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, uiterlijk binnen dertig kalenderdagen schriftelijk op de hoogte van zijn plicht om zo snel mogelijk en uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de brief een van de volgende acties te ondernemen :
1° een leveringscontract sluiten;
2° de toevoer van thermische energie laten afsluiten door middel van verzegeling.

De warmte- of koudeleverancier meldt ook de gevolgen, vermeld in artikel 5/1.4.1., § 3, als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet reageert op de brief. De brief wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

§ 3. Tenzij de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, de toevoer van thermische energie heeft laten afsluiten door middel van verzegeling, mag de warmte- of koudenetbeheerder, op verzoek van de warmte- of koudeleverancier, in de volgende gevallen overgaan tot de afsluiting door middel van verzegeling van de toevoer van thermische energie, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009:
1° als de eigenaar binnen dertig kalenderdagen geen leveringscontract voor de levering van thermische energie heeft gesloten dat met onmiddellijke ingang start;
2° als de eigenaar niet gereageerd heeft op de brief, vermeld in paragraaf 2.

[Afdeling II. Gezamenlijke afsluiting (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.2. (01/04/2019- ...)

In afwijking van artikel 5/1.3.4, artikel 5/1.4.1 en artikel 5/1.4.3 wordt een huishoudelijke afnemer van thermische energie niet afgesloten als dat ook de afsluiting van andere huishoudelijke afnemers zou betekenen, tenzij in geval van artikel 5/1.3.1, § 1 de leveringscontracten voor alle huishoudelijke afnemers van thermische energie in een gebouw samen worden opgezegd en de toevoer van thermische energie voor alle huishoudelijke afnemers van een gebouw samen wordt afgesloten.

[Afdeling III. Leegstaande woning (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.3. (01/04/2019- ...)

§ 1. Als de warmte- of koudenetbeheerder na een bezoek van een personeelslid of een aangestelde een vermoeden heeft van leegstand van een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw, zoekt de warmte- of koudenetbeheerder de identiteit van de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw op via het kadaster.

De warmte- of koudenetbeheerder verstuurt een brief naar de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw met het verzoek om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen met de warmte- of koudenetbeheerder om kenbaar te maken of de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw al dan niet bewoond is.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw reageert en bevestigt dat de wooneenheid of het residentiële gebouw leegstaat, wordt de eigenaar verzocht om binnen dertig kalenderdagen een leveringscontract voor de levering van thermische energie te sluiten, dat met onmiddellijke ingang start, of de toevoer van thermische energie te laten afsluiten door middel van verzegeling.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw niet reageert, stuurt de warmte- of koudenetbeheerder opnieuw een personeelslid of een aangestelde ter plaatste om nogmaals te verifiëren of er al dan niet een vermoeden van bewoning is.

De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of er al dan niet een vermoeden van bewoning is en voor de vorm en de inhoud van de brief, vermeld in het tweede lid.

§ 2. Tenzij de eigenaar de toevoer van thermische energie heeft laten afsluiten door middel van verzegeling, mag de warmte- of koudenetbeheerder alleen overgaan tot de afsluiting door middel van verzegeling van de toevoer van thermische energie, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 als:
1° de eigenaar bevestigt dat een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw leegstaat, en als hij binnen dertig kalenderdagen geen leveringscontract voor de levering van thermische energie heeft gesloten dat met onmiddellijke ingang start;
2° de eigenaar niet gereageerd heeft op de brief, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en als de controle, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, heeft plaatsgevonden en het vermoeden van leegstand heeft bevestigd.

[Afdeling IV. Afsluiten in de winterperiode (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.4. (01/04/2019- ...)

Bij de huishoudelijke afnemer van thermische energie kan in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 5°, 6°, en 7°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de toevoer van thermische energie niet worden afgesloten tijdens de periode van 1 december tot 1 maart. De minister kan die periode afhankelijk van de weersomstandigheden verlengen.

[Afdeling V. Heraansluiten van de toevoer van thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.5. (01/04/2019- ...)

§ 1. De warmte- of koudenetbeheerder sluit de toevoer van thermische energie van een huishoudelijke afnemer van thermische energie opnieuw aan als aan minstens een van de volgende voorwaarden voldaan is :
1° na de beëindiging van een situatie, als vermeld in 6.2.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
2° na een beslissing tot heraansluiting van de lokale adviescommissie, overeenkomstig de procedure, vermeld in hoofdstuk III, afdeling III, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water en de levering van thermische energie;
3° op verzoek van de huishoudelijke afnemer van thermische energie op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer van thermische energie over een geldig leveringscontract beschikt voor de levering van thermische energie, met uitzondering van de afsluitingen om de redenen, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 1° en 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer geen schulden meer heeft bij de warmte- of koudeleverancier;
4° nadat de warmte- of koudenetbeheerder of de VREG vaststelt dat de toevoer van thermische energie onterecht is afgesloten.

§ 2. De heraansluiting van de toevoer van thermische energie vindt plaats binnen :
1° vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke afnemer van thermische energie in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, 1° en 3° ;
2° vijf werkdagen na de beslissing van de lokale adviescommissie in het geval, vermeld in paragraaf 1, 2° ;
3° 24 uur in het geval, vermeld in paragraaf 1, 4°.

§ 3. De kosten van de heraansluiting zijn altijd ten laste van de huishoudelijke afnemer van thermische energie die aan de oorzaak ligt van de afsluiting.

§ 4. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, 4° en paragraaf 2, 3°, zijn van overeenkomstige toepassing op niet-huishoudelijke afnemers van thermische energie.

[Afdeling VI. Uitwisseling van gegevens (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.4.6. (01/04/2019- ...)

De warmte- of koudenetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks de gegevens van de huishoudelijke afnemers van thermische energie die recent zijn afgesloten of heraangesloten.

De warmte- of koudenetbeheerders bezorgen aan het OCMW jaarlijks tegen 1 oktober een lijst van alle huishoudelijke toegangspunten van thermische energie die afgesloten zijn.

De warmte- of koudenetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks een lijst van geplande afsluitingen van huishoudelijke afnemers van thermische energie bij wie ze hebben vastgesteld dat ze een voorwaardelijke beslissing van de lokale adviescommissie tot afsluiting niet respecteren.

[HOOFDSTUK V. Overige sociale openbaredienstverplichtingen (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.5.1. (01/04/2019- ...)

Elke warmte- of koudeleverancier voorziet in een tijdens de kantooruren bereikbaar rechtstreeks telefoonnummer en e-mailadres dat voorbehouden is voor OCMW-medewerkers, sociale huisvestingsmaatschappijen en Centra voor Algemeen Welzijnswerk voor informatievragen in het kader van de begeleiding van klanten van de warmte- of koudeleverancier.

Artikel 5/1.5.2. (01/04/2019- ...)

Elke warmte- of koudenetbeheerder is ertoe gehouden :
1° speciale voorzieningen te treffen voor de ondubbelzinnige identificatie van personen die handelen in naam van de warmte- of koudenetbeheerder en die zich bij de huishoudelijke afnemer van thermische energie aanbieden;
2° de meteropname minstens tweejaarlijks ter plaatse te laten uitvoeren door een personeelslid of aangestelde van de warmte- of koudenetbeheerder, of via afstandsmeting;
3° te voorzien in een procedure van klachtenbehandeling waarover gerapporteerd wordt aan de VREG conform de methode bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht zoals bepaald in artikel 3.1.3., 1°, k), van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De huishoudelijke afnemer van thermische energie of de eigenaar is verplicht om het personeelslid van de warmte- of koudenetbeheerder of zijn aangestelde voor de meteropname, vermeld in het eerste lid, toegang te geven tot de ruimte waarin de meter, waarover de warmte- of koudenetbeheerder het gebruiks- of eigendomsrecht heeft, is opgesteld, op voorwaarde dat het personeelslid of zijn aangestelde zich voldoende kan legitimeren.

De huishoudelijke afnemer van thermische energie of de eigenaar is verplicht om het personeelslid van de warmte- of koudenetbeheerder of zijn aangestelde voor het afsluiten door middel van verzegeling en het heraansluiten van de toevoer van thermische energie toegang te verlenen tot de ruimte waarin de warmtewisselaar of satellietboiler is opgesteld, op voorwaarde dat het personeelslid of zijn aangestelde zich voldoende kan legitimeren.

[HOOFDSTUK VI. Sociale statistieken (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.6.1. (01/04/2019- ...)

Jaarlijks worden voor 31 maart minstens de volgende gegevens over het vorige kalenderjaar ter beschikking gesteld aan de VREG :
1° door de warmte- of koudeleverancier, als dat van toepassing is opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers van thermische energie:
a) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie naar wie minstens één ingebrekestelling is gestuurd;
b) het aantal afbetalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar :
1) afbetalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing is voorzien;
2) afbetalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing gedaan moest worden, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart;
c) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd;
d) de gemiddelde uitstaande schuld bij het afsluiten van de afbetalingsplannen, van de afbetalingsplannen die in het betreffende kalenderjaar zijn opgestart;
e) het aantal dossiers dat is doorgestuurd naar een OCMW;
f) het aantal dossiers dat is doorgestuurd naar een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
g) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie van wie het leveringscontract is opgezegd;
h) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie van wie het leveringscontract is opgezegd in het kader van wanbetaling;
i) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie van wie de opzegging van het leveringscontract is geannuleerd;
j) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie van wie de opzeg van het leveringscontract in het kader van wanbetaling is geannuleerd;
k) het aantal dossiers dat is doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier is doorgestuurd, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 5°, 6° en 7°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
l) het aantal dossiers dat behandeld is op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 5°, 6° en 7°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
m) het aantal huishoudelijke afnemers van thermische energie waarvoor een dossier tot afsluiting is behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
n) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
1) positief advies;
2) negatief advies;
3) voorwaardelijk advies;
o) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente;
2° door de warmte- of koudenetbeheerder, telkens opgesplitst per gemeente en in beschermde en niet-beschermde afnemers van thermische energie:
a) het aantal afsluitingen van de toevoer van thermische energie tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.2.2, § 1, 5°, 6° en 7°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
b) het aantal appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen waarin de toevoer van thermische energie voor alle huishoudelijke afnemers van thermische energie is afgesloten, vermeld in artikel 5/1.4.2;
c) het aantal heraansluitingen van de toevoer van thermische energie van afgesloten huishoudelijke afnemers van thermische energie op hetzelfde toegangspunt van thermische energietijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting is uitgevoerd:
1) in minder dan zeven kalenderdagen;
2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
3) in meer dan dertig kalenderdagen;
d) het aantal heraansluitingen van de toevoer van thermische energie van afgesloten huishoudelijke afnemers van thermische energie op hetzelfde toegangspunt van thermische energie tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting is uitgevoerd :
1) in minder dan zeven kalenderdagen;
2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
3) in meer dan dertig kalenderdagen;
e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke afnemers van thermische energie op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
f) het aantal heraansluitingen van de toevoer van thermische energie na de verhuizing van een afgesloten afnemer van thermische energie.

[HOOFDSTUK VII. Financiering van de openbaredienstverplichtingen voor thermische energie (ing. BVR 1 februari 2019, art. 21, I: 1 april 2019)]

Artikel 5/1.7.1. (01/04/2019- ...)

§ 1. De kosten voor de openbaredienstverplichtingen, opgelegd door of krachtens de artikelen 4/1.1.4, 4/1.1.5, 4/1.1.6, en 6.2.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, waaronder de kosten van de verplichtingen die de vergoedingen overschrijden, zijn een financiële openbaredienstverplichting voor de warmte- of koudeleveranciers en de warmte- of koudenetbeheerders.

§ 2. Voor de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, ingesteld door of krachtens de artikelen 4/1.1.4, 4/1.1.5, 4/1.1.6, eerste lid, 2° en 3°, en 6.2.2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt vanaf kalenderjaar 2019 een vergoeding toegekend aan de warmte- of koudeleveranciers en voor warmte- of koudenetbeheerders.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle warmte- of koudeleveranciers en voor alle warmte- of koudenetbeheerders, vermeld in het eerste lid, op basis van de middelen uit het Energiefonds die daarvoor beschikbaar gesteld zijn.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de vergoeding per warmte- of koudeleverancier en per warmte- of koudenetbeheerder, vermeld in het eerste lid, door de daarvoor op het Energiefonds beschikbare middelen, te vermenigvuldigen met het aandeel van respectievelijk de betrokken warmte- of koudeleverancier of warmte- of koudenetbeheerder in het geheel van huishoudelijke afnemers en van huishoudelijke afnamepunten van thermische energie die op 31 december van het voorgaande jaar aangesloten zijn op de warmte- en koudennetten. De vergoeding wordt afgetopt op 10 euro per respectievelijk huishoudelijke afnemer van thermische energie of huishoudelijke afnamepunt voor thermische energie.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2. De minister kan nadere regels vastleggen voor de aanvraag- en uitbetalingsprocedure.

§ 4. Elke warmte- of koudeleverancier en elke warmte- of koudenetbeheerder bezorgt tegen uiterlijk 1 maart van het daaropvolgende jaar aan het Vlaams Energieagentschap een overzicht van de in het voorgaande jaar daadwerkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, ingesteld door of krachtens de artikelen 4/1.1.4, 4/1.1.5, 4/1.1.6, eerste lid, 2° en 3°, en 6.2.2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Indien dat bedrag lager is dan het bedrag dat zij overeenkomstig paragraaf 2, derde lid ontving, dan wordt het verschil door die betrokken warmte- of koudeleverancier of warmte- of koudenetbeheerder tegen uiterlijk 1 mei aan het Energiefonds teruggestort.

§ 5. De financiering van de openbare dienstverplichtingen, ingesteld door of krachtens de artikelen 4/1.1.4, 4/1.1.5, 4/1.1.6, eerste lid, 2° en 3°, en 6.2.2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 wordt op 1 januari 2021 via het energiefonds stopgezet. Voorafgaand aan de stopzetting evalueert de minister de financiering van de openbaredienstverplichting. De resultaten van die evaluatie worden meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

TITEL VI. Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik

HOOFDSTUK I. Groenestroomcertificaten

Afdeling I. Definities

Artikel 6.1.1. (01/07/2017- ...)

De begrippen en definities, vermeld in de onderstaande decreten, besluiten en reglementen, zijn van toepassing voor dit hoofdstuk :
1° het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
2° het Mestdecreet van 22 december 2006;
3° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
4° het Bosdecreet van 13 juni 1990;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen;
7° de technische reglementen.

Afdeling II. [De behandeling van standaard- en expertisedossiers inzake groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 5, I: 1 april 2014)]

Onderafdeling I. [Het aanvragen van groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 6, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.1.2. (07/09/2019- ...)

§ 1. Een expertisedossier met betrekking tot groenestroomcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar het Vlaams Energieagentschap. Het aanvraagdossier bestaat uit een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door het Vlaams Energieagentschap, en de in het aanvraagformulier aangeduide documenten ter staving van de aanvraag. Als de elektriciteit wordt opgewekt uit afvalstoffen, wordt in het aanvraagdossier ook een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier, waarvan het model wordt bepaald door de OVAM, betreffende de verwerking van de afvalstoffen opgenomen. Het Vlaams Energieagentschap kan verschillende modellen van aanvraagformulieren bepalen naargelang de energiebron.

Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt het Vlaams Energieagentschap binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar.

Voor een productie-installatie die nog niet in werking is, kan de aanvrager een principe-aanvraag indienen bij het Vlaams Energieagentschap aan de hand van een ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door het Vlaams Energieagentschap. Als er minstens duidelijkheid bestaat over de gebruikte hernieuwbare energiebron en de productie van elektriciteit, neemt het Vlaams Energieagentschap een principebeslissing over het expertisedossier van de productie-installatie in kwestie. In de principebeslissing geeft het Vlaams Energieagentschap op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen, en over de bepaling van de maandelijks opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, zoals bedoeld in artikel 6.1.7, tweede lid en in artikel 12.3.2, § 1, eerste lid. De aanvrager kan zich beroepen op een principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap gedurende de periode waarin de startdatum gerelateerd aan de principe-aanvraag van toepassing is, voor zover hiermee niet wordt ingegaan tegen de van toepassing zijnde wetgeving. Evenwel zal het aantal certificaten slechts bepaald worden bij definitieve goedkeuring op basis van de meest recente gegevens van de installatie.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap beslist binnen twee maand na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier of de elektriciteit, opgewekt door de betrokken productie-installatie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 6.1.3 en 6.1.4 van dit besluit, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen groenestroomcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13 van dit besluit, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn. Hierbij wordt verwezen naar de projectcategorie die van toepassing is en waarvoor de bandingfactor door het Vlaams Energieagentschap wordt bepaald.

§ 3. Binnen vijf werkdagen nadat het Vlaams Energieagentschap de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de elektriciteit opgewekt wordt uit afvalstoffen, wordt de beslissing ook overgemaakt aan de OVAM.

§ 4. Een standaarddossier wordt ingediend bij en behandeld door de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten of de beheerder van het net dat gekoppeld is aan het gesloten distributienet of gesloten industrieel net waarop de installatie is aangesloten.

Standaarddossiers van installaties in eilandwerking worden ingediend bij en behandeld door de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen.

De paragrafen 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van deze standaarddossiers door de beheerder van het net in kwestie.

§ 5. Voor projecten met een startdatum vanaf 1 januari 2020 kunnen geen expertise- of standaarddossiers worden ingediend als de certificaatgerechtigde een onderneming in moeilijkheden is.

Onderafdeling II. De voorwaarden voor toekenning van groenestroomcertificaten

Artikel 6.1.3. (01/01/2011- ...)

Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen,
alsook voor de elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van dergelijke systemen.

Productie-installaties voor zonne-energie die na 1 januari 2010 in dienst worden genomen en die geïnstalleerd worden op residentiële gebouwen waarvan het dak of de zoldervloer binnen het beschermd volume van het gebouw volledig geïsoleerd is, komen in aanmerking voor de toekenning van groenestroomcertificaten die kunnen worden gebruikt voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voor zover de totale isolatie van het dak en de zoldervloer een warmteweerstand Rd heeft van ten minste 3 m2K/W. De minister kan nadere regels bepalen voor de toepassing van deze verplichting en voor de bepaling van het beschermde volume dat betrekking heeft op de residentiële gebouwen om toch in aanmerking te komen.

Artikel 6.1.3/1. (07/09/2019- ...)

Voor projecten die gebruikmaken van biogas of biomassa met een startdatum vanaf 1 januari 2020, wordt een maximaal aantal toe te kennen groenestroomcertificaten opgenomen in de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, vermeld in artikel 6.1.2, § 2, van dit besluit. Dit maximaal aantal wordt berekend door de volgende factoren te vermenigvuldigen met elkaar:
1° de bandingfactor die van toepassing is;
2° het bruto nominaal elektrisch vermogen van de installatie in MWe * G * (1-EVGSC). De parameters G (groenfactor) en EVGSC worden daarbij overgenomen voor de representatieve projectcategorie en de startdatum in kwestie, vermeld in het definitieve rapport van het Vlaams Energieagentschap voor de berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren, vermeld in artikel 6.2/1.5, § 2, van dit besluit, of uit de definitieve berekening van de betreffende onrendabele top, vermeld in artikel 6.2/1.7 van dit besluit;
3° een van de volgende vollasturen:
a) het aantal vollasturen voor de representatieve projectcategorie en de startdatum in kwestie, vermeld in het definitieve rapport van het Vlaams Energieagentschap voor de berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren, vermeld in artikel 6.2/1.5, § 2, van dit besluit;
b) het aantal vollasturen dat toegepast wordt voor de berekening van de betreffende onrendabele top, vermeld in artikel 6.2/1.7 van dit besluit;
4° het aantal jaren, gelijkgesteld aan vijftien jaar voor de projecten in de representatieve projectcategorie in kwestie, vermeld in artikel 6.2/1.2 of in de betreffende projectcategorie met specifieke onrendabele top vermeld in artikel 6.2/1.7 van dit besluit.

Het Vlaams Energieagentschap controleert bij de maandelijkse berekening van het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend, dat het maximaal aantal groenestroomcertificaten niet overschreden wordt.

Artikel 6.1.4. (06/01/2019- ...)

§ 1. Voor installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 200 kW, kunnen alleen groenestroomcertificaten toegekend worden als bij de indiening van het expertisedossier een keuringsverslag van de productie-installatie aan het Vlaams Energieagentschap wordt voorgelegd. Dat keuringsverslag dient opgesteld te zijn door een keuringsinstantie met een accreditatie volgens NBN EN ISO/IEC 17020.

Het keuringsverslag bevestigt dat de elektriciteit, geproduceerd door de productie-installatie in kwestie, opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron. Het bevestigt ook dat de meting van de geproduceerde elektriciteit voldoet aan de nationale en internationale normen en voorschriften, en dat voor alle andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, een ijkcertificaat kan worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.

Installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 1 MW, kunnen alleen groenestroomcertificaten blijven krijgen na de voorlegging van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar. In afwijking daarvan is het voorleggen van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar niet vereist voor installaties waar alle metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, uitgevoerd worden door de netbeheerder of de transmissienetbeheerder.

Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment controleren of de vaststellingen, die opgenomen zijn in een keuringsverslag, overeenkomen met de werkelijkheid.

Het Vlaams Energieagentschap kan een model voor dit keuringsverslag vastleggen waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang de gebruikte energiebron en technologie.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap kan een productie-installatie die elektriciteit opwekt uit een hernieuwbare energiebron, op elk moment controleren om na te gaan of de elektriciteit wel opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron en of de meting van de geproduceerde elektriciteit en andere metingen die noodzakelijk zijn om de productie uit hernieuwbare energiebronnen te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

De minister kan nadere regels en de verdere werkwijze bepalen met het oog op het op onafhankelijke wijze aantonen van de informatie, vermeld in § 2.

§ 3. De verplichting, vermeld in § 1, is niet van toepassing voor installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie.

Artikel 6.1.5. (07/09/2019- ...)

De certificaatgerechtigde van een expertisedossier meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in de artikelen 6.1.3 en 6.1.4;
2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13, of die een invloed kunnen hebben op de bepaling van de minimumsteun voor de toe te kennen certificaten, vermeld in artikel 7.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke of rechtspersoon waaraan de groenestroomcertificaten toegekend moeten worden, zoals vermeld in artikel 7.1.1.van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan het Vlaams Energieagentschap haar beslissing als vermeld in artikel 6.1.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen groenestroomcertificaten meer toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in de productie-installatie in kwestie.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan het Vlaams Energieagentschap haar beslissing, vermeld in artikel 6.1.2, § 2, wijzigen.

Als het Vlaams Energieagentschap gegronde argumenten heeft om te oordelen dat geen groenestroomcertificaten meer mogen worden toegekend aan de certificaatgerechtigde, kan het Vlaams Energieagentschap haar oorspronkelijke beslissing wijzigen of herroepen, al dan niet met terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop het recht op de toekenning van groenestroomcertificaten moet ophouden.

Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat er meer of minder groenestroomcertificaten zijn toegekend dan waar de certificaatgerechtigde recht op had, dan kan het Vlaams Energieagentschap, na de certificaatgerechtigde gehoord te hebben, haar oorspronkelijke beslissing met terugwerkende kracht wijzigen, inclusief een rechtzetting van de toegekende groenestroomcertificaten doorvoeren.

De certificaatgerechtigde kan binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, met een aangetekende brief bij de minister een gemotiveerd beroep indienen tegen de beslissing van het Vlaams Energieagentschap.

De certificaatgerechtigde voor een productie-installatie met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 1 MW, legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.1.4, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2°.

Wijzigingen in standaarddossiers, zoals vermeld in het eerste lid, worden door de certificaatgerechtigde gemeld aan de beheerder van het net, bedoeld in artikel 6.1.2., § 4. Het tweede, derde en vierde lid zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.1.6. (05/02/2018- ...)

§ 1. De netbeheerder wordt gemachtigd om in een standaarddossier via een controle, al of niet ter plaatse, van de productie-installatie en de meterstanden na te gaan of aan de voorwaarden tot toekenning van groenestroomcertificaten vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, is voldaan.

Als de netbeheerder de toegang tot de installatie wordt geweigerd of als de netbeheerder vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, meldt hij dat onmiddellijk aan het Vlaams Energieagentschap. De netbeheerder schorst vervolgens de uitbetaling van de minimumsteun voor de groenestroomcertificaten die uitgegeven zijn voor elektriciteit, opgewekt in de installatie in kwestie, totdat alsnog toegang wordt gegeven en wordt vastgesteld dat toch voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5.

§ 2. De VREG kan, op verzoek van het Vlaams Energieagentschap, de toekenning van certificaten schorsen totdat de certificaatgerechtigde aantoont dat is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5.

De eigenaar of uitbater van de installatie bezorgt die gegevens binnen een door het Vlaams Energieagentschap vooropgestelde termijn. Als binnen de voormelde termijn de gevraagde gegevens niet aan het Vlaams Energieagentschap worden bezorgd, of als de gegevens onvolledig of onduidelijk zijn, blijft de toekenning van certificaten geschorst. Het Vlaams Energieagentschap brengt de VREG daarvan onmiddellijk op de hoogte.

Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, trekt de VREG, op verzoek van het Vlaams Energieagentschap voor de expertisedossiers en op verzoek van de netbeheerder voor de standaarddossiers, de groenestroomcertificaten in kwestie in die nog niet verhandeld zijn en die nog niet gebruikt zijn in het kader van de certificatenverplichting of de minimumsteun. Als wordt vastgesteld dat een aantal van de onterecht toegekende groenestroomcertificaten toch al is verhandeld of is gebruikt voor de minimumsteun of de certificatenverplichting, wordt voor de productie-installatie in kwestie het aantal groenestroomcertificaten dat toegekend zal worden conform artikel 6.1.3, gecompenseerd met het aantal groenestroomcertificaten dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5.

Onderafdeling III. [De berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 11, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.1.7. (01/04/2014- ...)

De groenestroomcertificaten worden maandelijks toegekend voor de elektriciteit, geproduceerd in een productie-installatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten werd goedgekeurd. 

Het aantal groenestroomcertificaten dat maandelijks wordt toegekend aan een installatie, wordt berekend door het Vlaams Energieagentschap door de opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, uitgedrukt in MWh, te vermenigvuldigen met de voor die installatie vastgestelde bandingfactoren dit vervolgens op te tellen bij het eventuele overschot van de voorgaande maand. Het resultaat wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. Dit geheel getal is het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend. Het overschot, in MWh, bekomen door de afronding naar beneden van het resultaat van deze berekening tot een geheel aantal MWh, wordt overgedragen naar de volgende maand.

De eerste groenestroomcertificaten worden toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 6.1.4. Aan installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen dat kleiner is of gelijk aan 200 kW, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de aanvraag, vermeld in artikel 6.1.2, wordt ontvangen binnen een jaar na de datum van het verslag. Als de aanvraag, vermeld in artikel 6.1.2., niet binnen die termijn wordt ontvangen, worden de groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten.

In afwijking van het vorige lid, worden, voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, de eerste groenestroomcertificaten toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de meterstand vermeld in het volledige verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, behoudens voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, met een maximaal vermogen van de omvormer groter dan 10 kW, die hun eerste groenestroomcertificaten toegekend krijgen op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de plaatsing van de productiemeter door de netbeheerder.

Artikel 6.1.8. (01/04/2014- ...)

Het aantal toe te kennen certificaten wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in artikel 6.1.9 tot en met 6.1.13.

Artikel 6.1.9. (30/08/2015- ...)

§ 1. Voor installaties die per jaar meer dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de netbeheerder of transmissienetbeheerder van het net waarop de productie-installatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit.

De netbeheerder of transmissienetbeheerder brengt het Vlaams Energieagentschap maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

Het Vlaams Energieagentschap kan in expertisedossiers, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde het Vlaams Energieagentschap  maandelijks op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit.

Het Vlaams Energieagentschap kan beslissen om de meting van de opgewekte elektriciteit aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de nettohoeveelheid geproduceerde elektriciteit te bepalen.

§ 2. Voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de certificaatgerechtigde de in de productie-installatie opgewekte elektriciteit.

In standaarddossiers brengt de certificaatgerechtigde de beheerder van het net, vermeld in artikel 6.1.2, § 4 op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron. In standaarddossiers brengt de beheerder van het net het Vlaams Energieagentschap minstens maandelijks op de hoogte van die door hem gevalideerde meterstanden.

In expertisedossiers brengt de certificaatgerechtigde het Vlaams Energieagentschap maandelijks op de hoogte van de meetgegevens, vermeld in het eerste lid.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan het Vlaams Energieagentschap, voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, beslissen dat de geproduceerde elektriciteit niet hoeft te worden gemeten. In die gevallen wordt de opgewekte hoeveelheid elektriciteit geschat door het Vlaams Energieagentschap.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden uitgevoerd en meegedeeld worden aan het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 6.1.10. (01/04/2014- ...)

Voor productie-installaties die elektriciteit opwekken uit afvalstoffen, die al dan niet samen met andere energiebronnen worden verwerkt, bepaalt de OVAM de hoeveelheid energie die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten. Daarbij wordt de elektriciteitsproductie uit het organisch-biologische deel van restafval met ingang van 1 juli 2009 gelijkgesteld met 47,78 % van de totale elektriciteitsproductie uit restafval. Om de drie jaar en met ingang van 2012 evalueert de Vlaamse Regering het betreffende aandeel.

Het Vlaams Energieagentschap stuurt voor die productie-installaties een kopie van het aanvraagdossier, vermeld in artikel 6.1.2, of een kopie van de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.5, naar de OVAM. De OVAM deelt haar beslissing mee aan het Vlaams Energieagentschap binnen een maand na de ontvangst van een kopie van het aanvraagdossier of de wijzigingen. Het Vlaams Energieagentschap kan alleen na akkoord van de OVAM afwijken van de beslissing.

Artikel 6.1.11. (01/04/2014- ...)

Voor hybride productie-installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en conventionele energiebronnen, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de opgewekte elektriciteit, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die opgewekt wordt uit conventionele energiebronnen.

Artikel 6.1.12. (01/04/2014- ...)

Voor productie-installaties die in het Vlaamse Gewest elektriciteit opwekken uit biomassa die ingevoerd wordt in België, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de opgewekte hoeveelheid elektriciteit, verminderd met het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van de ingevoerde biomassa tot aan de grens van het Vlaamse Gewest.

Het Vlaams Energieagentschap brengt de elektriciteitsafname of het equivalente elektriciteitsverbruik van het transport niet in mindering van de elektriciteit geproduceerd uit dierlijk afval, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat het transport betreft dat voortvloeit uit een wettelijke verplichting voor het transport van dierlijk afval.

Als voor het transport, vermeld in het eerste lid, andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden, wordt het equivalente elektriciteitsverbruik berekend door het Vlaams Energieagentschap als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.

Het Vlaams Energieagentschap brengt de equivalente elektriciteitsafname voor niet-elektrisch transport niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat voor het transport brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt.

Voor productie-installaties als vermeld in het eerste lid, waarvan bij het transport van de biomassa andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden en waarvan de aanvraag, vermeld in 6.1.2, goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, zal het Vlaams Energieagentschap de beslissing in het expertisedossier van de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijks aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.

Artikel 6.1.12/1. (06/01/2019- ...)

§ 1. Voor productie-installaties die energie opwekken uit biomassa, wordt een massabalanssysteem gehanteerd dat aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het laat toe leveringen van grondstoffen of biomassastromen met verschillende kenmerken te mengen;
2° het vereist dat informatie over de kenmerken en de omvang van de leveringen, vermeld in punt 1°, aan het mengsel toegewezen blijft;
3° het zorgt ervoor dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald, dezelfde kenmerken heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel zijn toegevoegd.

Aan de hand van het massabalanssysteem, vermeld in het eerste lid, worden aan het Vlaams Energieagentschap de volgende elementen aangetoond:
1° dat de in de installatie gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria die van toepassing zijn op die biomassa, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1, en artikel 7.4.2, § 1;
2° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik van de utiliteitsvoorzieningen die nodig zijn om de in de installatie gebruikte biomassa geschikt te maken voor elektriciteitsopwekking, vermeld in artikel 6.1.13, § 2;
3° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van de in de installatie gebruikte biomassa, vermeld in artikel 6.1.12.

§ 2. De minister kan nadere regels uitwerken voor de manier waarop bij gebruik van biomassa op onafhankelijke wijze minstens moet worden aangetoond en met een audit moet worden onderzocht:
1° dat de in de installatie gebruikte biomassa aanleiding geeft tot aanvaardbare groenestroomcertificaten als vermeld in artikel 6.1.16, § 1;
2° dat de in de installatie gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria die van toepassing zijn op die biomassa, vermeld in artikel 6.1.16, § 1 /1, en artikel 7.4.2, § 1;
3° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik van de utiliteitsvoorzieningen die nodig zijn om de in de installatie gebruikte biomassa geschikt te maken voor elektriciteitsopwekking, vermeld in artikel 6.1.13, § 2;
4° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van de in de installatie gebruikte biomassa, vermeld in artikel 6.1.12;
5° de hoeveelheid energie die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten, bepaald door OVAM, vermeld in artikel 6.1.10.

Tijdens die audits wordt minstens controle uitgevoerd op de volgende aspecten:
1° de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en energiefraudebestendigheid van de door de marktpartijen gebruikte systemen;
2° de frequentie en de methode van de monsterneming;
3° de accuraatheid van de gegevens.

Het auditverslag rapporteert over de mate waarin is voldaan aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1, en artikel 7.4.2, § 1. Het auditverslag bevat daarnaast passende en relevante informatie over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, voor herstel van aangetast land, en ter voorkoming van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is.

§ 2/1. De minister kan, met het oog op het op onafhankelijke wijze aantonen van de informatie, vermeld in § 2, nadere regels uitwerken wat betreft de erkenning van de certificatie-instanties, de erkenning en de periodieke beoordeling van de certificatieschema's, en het invoeren van certificatieschema's door het Vlaams Energieagentschap.

§ 3. Volgende categorieën van installaties kunnen aanspraak maken op een door de minister bepaald vereenvoudigd certificatiesysteem:
1° een biogasinstallatie in zoverre de installatie biogas verbrandt afkomstig van een vergistingsinstallatie die zich bevindt in het Vlaamse Gewest;
2° groenestroomproductie-installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 1 MW;
3° productie-installaties van groene warmte met een geïnstalleerd thermisch vermogen van minder dan 10 MW;
4° groenestroomproductie-installaties die uitsluitend vaste of gasvormige biomassastromen gebruiken die vervaardigd zijn uit afvalstoffen of residuen die niet afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurgebieden.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2, is automatisch voldaan aan de informatie over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, vermeld in § 2, derde lid, en aan die duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1, waarvoor bewijsmiddelen of gegevens worden ingediend die zijn verkregen overeenkomstig een overeenkomst of systeem waarvoor door de Europese Commissie conform artikel 18, lid 4 van de richtlijn 2009/28/EG een besluit is genomen.

Artikel 6.1.13. (01/04/2014- ...)

§ 1. Groenestroomcertificaten worden toegekend zowel voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die op de site wordt verbruikt, als voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die aan het transmissienet, het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of aan directe lijnen geleverd wordt.

§ 2. Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie, gemeten vóór de eventuele transformatie naar netspanning.

De hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie is de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie of die nodig zijn om de gebruikte hernieuwbare energiebron voor elektriciteitsopwekking geschikt te maken.

Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit gebruiken, wordt hun equivalente elektriciteitsafname berekend door het Vlaams Energieagentschap als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.

Als uit de aanvraag, vermeld in artikel 6.1.2 blijkt dat die elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname klein is in verhouding tot de geproduceerde elektriciteit, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.

Het Vlaams Energieagentschap brengt de elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de elektriciteit, geproduceerd uit mest, afval of afvalwater, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat een overeenkomstig energieverbruik ook vereist is bij de toepassing van de best beschikbare techniek voor de verwerking of noodzakelijke behandeling van mest, afval of afvalwater.

Het Vlaams Energieagentschap brengt de equivalente elektriciteitsafname van de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat de utiliteitsvoorzieningen met brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gevoed.

Voor productie-installaties waarvan de aanvraag, vermeld in artikel 6.1.2 goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, moet de certificaatgerechtigde voor 1 december 2007 aan het Vlaams Energieagentschap in voorkomend geval schriftelijk het bewijs voorleggen dat voor de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aangewend worden. Het Vlaams Energieagentschap zal op basis daarvan de beslissing in het expertisedossier van de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijkse aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.

Het Vlaams Energieagentschap kan een uniforme aanpak voorstellen per hernieuwbare energiebron om de netto-elektriciteitsproductie te berekenen en om het gebruik van brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aan te tonen.

Afdeling III. [De toekenning en registratie van groenestroomcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 20, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.1.14. (25/12/2016- ...)

§ 1. De VREG kent groenestroomcertificaten toe op basis van de berekening, gemaakt door het Vlaams Energieagentschap, overeenkomstig de artikelen 6.1.7 tot en met 6.1.13. De toegekende groenestroomcertificaten worden geregistreerd in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de groenestroomcertificaten.

§ 2. Voor elk groenestroomcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd :
1° de gegevens van de eigenaar van het groenestroomcertificaat;
2° het registratienummer van het groenestroomcertificaat;
3° de gegevens van de productie-installatie, waaronder de identiteit, de locatie, het type productie-installatie, het nominaal vermogen, de datum van indienstname, of en in welke mate de productie-installatie investeringssteun heeft gekregen, of en in welke mate de energiehoeveelheid op enige andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling;
4° het productiejaar en de maand van productie;
5° de gebruikte hernieuwbare energiebron, waarbij voor biomassa de aard van de biologisch afbreekbare fractie wordt omschreven;
6° de vermelding of het groenestroomcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is voor het voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.1.16;
7° als het groenestroomcertificaat aanvaardbaar is, de vermelding of het groenestroomcertificaat al of niet nog kan worden ingeleverd in het kader van de certificatenverplichting;
8° ...;
9° de datum en het land van aanmaak van het groenestroomcertificaat.

De registratie van de gegevens, bedoeld in 1°, 3°, 4°, 5° en 6° van het vorig lid, bij de creatie van het groenestroomcertificaat gebeurt op basis van de beoordeling en rapportering aan de VREG van deze gegevens door het Vlaams Energieagentschap en de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten.

§ 3. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 6°, is :
1° "aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat aanvaardbaar is voor de certificatenverplichting, overeenkomstig artikel 7.1.5, § 4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16;
2° "niet aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat niet aanvaardbaar is voor de certificatenverplichting, overeenkomstig artikel 7.1.5, § 4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 of niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16.

§ 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 7°, is :
1° "ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15;
2° "nog niet ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat nog niet voorgelegd werd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15;
3° "niet van toepassing » : als de vermelding « niet aanvaardbaar » is, als vermeld in paragraaf 2, 6°,

§ 5. In afwijking van paragraaf 3 en 4 krijgen de groenestroomcertificaten die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform artikel 6.4.14/2, § 2, vijfde lid, worden ingediend bij de VREG, of groenestroomcertificaten die door het Vlaamse Gewest ter uitvoering van een overheidsopdracht zijn gefinancieerd en ingediend bij de VREG, de vermelding "niet aanvaardbaar" en "niet van toepassing".

§ 6. ...

§ 7. ...

§ 8. De eigenaar van een groenestroomcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank voor de gegevens van de groenestroomcertificaten waarvan hij eigenaar is.

De eigenaar van een groenestroomcertificaat kan een groenestroomcertificaat met de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 7° "nog niet ingeleverd", in de centrale databank overdragen aan een andere eigenaar of inleveren om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15. De VREG kan nadere regels bepalen op welke manier een overdracht of inlevering van een groenestroomcertificaat verloopt.

Een groenestroomcertificaat kan niet aangewend worden als garantie van oorsprong.

§ 9. Als een groenestroomcertificaat bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5., § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 7° "nog niet ingeleverd" heeft, wordt deze vermelding gewijzigd in "vervallen".

§ 10. In de centrale databank wordt per installatie de van toepassing zijnde minimumsteun en de looptijd van het recht op minimumsteun, evenals het beginpunt van deze looptijd, vermeld.

Voor wat betreft de installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie, wordt de hoogte en de looptijd van het recht op minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6., § 1, vierde tot en met achtste lid, van het Energiedecreet, bepaald op basis van de datum van het volledige AREI-keuringsverslag, behoudens in de gevallen waarin een andersluidende regeling geldt.

Voor wat betreft installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie start de looptijd van het recht op minimumsteun, zoals vermeld in artikel 7.1.6., § 1, achtste lid, van het Energiedecreet, op de datum van het volledige verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, behoudens voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, met een maximaal vermogen van de omvormers groter dan 10 kW, waarbij de looptijd start op de datum van de plaatsing van de productiemeter door de netbeheerder.

Afdeling IV. Het gebruik van de groenestroomcertificaten

Onderafdeling I. Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting

Artikel 6.1.15. (01/01/2013- ...)

De VREG bepaalt de procedure voor de inlevering van groenestroomcertificaten om te voldoen aan de certificatenverplichting.

Indien de inlevering van groenestroomcertificaten gebeurt door grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers zoals bepaald in artikel 7.1.10, § 3, 5° van het Energiedecreet van 8 mei 2009, melden zij dat ze zelf wensen in te leveren voor de inleveringsronde eindigend op 31 maart van jaar n, ofwel vóór 1 oktober van jaar n-2 aan de betrokken leverancier ofwel bij het afsluiten van een nieuw leveringscontract. Indien de groenestroomcertificaten voor de inleveringsronde eindigend op 31 maart van jaar n echter niet ingeleverd worden zoals gemeld voor 1 oktober van jaar n-2, kan de leverancier de boete voor te weinig ingeleverde groenestroomcertificaten zoals bepaald in artikel 13.3.5, § 1, 1°, verhalen op de verbruiker. De leverancier kan aan het zelf inleveren van groenestroomcertificaten geen bijkomende voorwaarden koppelen. Tevens melden deze grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers aan de VREG voor welke afnamepunten zij als netgebruiker geregistreerd stonden, voor welke periode zij als netgebruiker geregistreerd stonden op deze afnamepunten en wat de afnames zijn op deze afnamepunten voor de periode waarin de betrokken verbruiker geregistreerd stond als netgebruiker op het afnamepunt, evenals het aantal groenestroomcertificaten dat ze zelf wensen in te leveren.

Artikel 6.1.16. (22/07/2019- ...)

§ 1. Alleen groenestroomcertificaten die toegekend zijn voor elektriciteit, opgewekt uit de volgende energiebronnen, waarbij voldaan wordt aan de volgende criteria en aan de criteria, vermeld in artikel 7.1.5, § 4, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, zijn aanvaardbaar in het kader van de indiening voor de certificatenverplichting:
1° zonne-energie;
2° windenergie;
3° waterkracht kleiner dan 10 MW;
4° getijdenenergie en golfslagenergie;
5° aardwarmte;
6° biogas dat voortkomt uit de vergisting van organisch-biologische stoffen of afvalstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/1:
  a) in vergistingsinstallaties;
  b) in stortplaatsen;
7° energie opgewekt uit volgende organisch-biologische stoffen of afvalstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/1:
a) producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, met uitzondering van de houtstromen die niet behoren tot b), c), e) of f) en die gebruikt worden in een installatie waarvoor de stedenbouwkundige aanvraag, de milieuvergunningsaanvraag of de omgevingsvergunningsaanvraag werden ingediend na 1 juni 2007;
b) korteomloophout;
c) de houtstromen die niet gebruikt worden als industriële grondstof, in elk geval de volgende houtstromen:
  1) schors;
  2) stof (schuurstof, filterstof, zeefstof, freesstof) met een deeltjesgrootte kleiner dan 0,2 mm;
  3) fijn snoeihout met een diameter kleiner dan 4 cm;
  4) twijgen van boomkruinen met een diameter kleiner dan 4 cm;
  5) stronken tot maximaal 30 cm boven het maaiveld;
d) dierlijke mest;
e) organisch-biologische afvalstoffen die selectief ingezameld werden en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het van toepassing zijnde sectorale uitvoeringsplan;
f) organisch-biologische afvalstoffen die gesorteerd worden uit restafval en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het sectorale uitvoeringsplan dat van toepassing is;
g) het organisch-biologische deel van restafval, op voorwaarde dat de verwerkingsinstallatie in kwestie door energierecuperatie een primaire energiebesparing realiseert ten opzichte van een verwerkingsinstallatie zonder energierecuperatie, en deze primaire energiebesparing minstens 35% van de energie-inhoud van de afvalstoffen verwerkt in de installatie bedraagt.

Om te bepalen of specifieke houtstromen, andere dan vermeld in het eerste lid, 7°, c), 1) tot 5), al dan niet gebruikt worden als industriële grondstof, vraagt het Vlaams Energieagentschap een advies op 30 dagen aan de OVAM en de sectorfederaties van de hout- en papierindustrie.

Wanneer de adviezen eensluidend zijn, dan zijn deze bindend voor zover de ministers bevoegd voor energie en leefmilieu gezamenlijk, uiterlijk binnen een periode van 10 dagen vanaf de formele kennisgeving van de beide adviezen (de datum van het laatste advies doet de termijn starten), de zaak niet hebben geëvoceerd. In dat specifieke geval kan de regering anders beslissen, mits grondige motivering.

Wanneer over een specifieke houtstroom geen eensluidende adviezen worden gegeven, beslist de Vlaamse Regering op voorstel van het Vlaams Energieagentschap.

Voor de bijstook tot 60 % van biomassa in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, is slechts een op de twee groenestroomcertificaten die uitgereikt zijn voor de productie vanaf 1 januari 2010, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting. Het respectieve percentage wordt berekend op de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden waar producten met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, vermeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, als brandstof worden en werden gebruikt. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt de berekening van het percentage bijstook, rekening houdend met het feit dat de hoeveelheid van de bijstook van biomassa voor een productie-eenheid om bedrijfstechnische redenen kan schommelen.

§ 1/1. Groenestroomcertificaten, toegekend voor elektriciteit die is opgewekt uit vloeibare biomassa, worden alleen aanvaard voor de certificatenverplichting als de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/2 tot en met 1/6.

Vloeibare biomassa die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen die niet afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw, hoeft alleen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/2, te voldoen.

Groenestroomcertificaten, toegekend voor elektriciteit die is opgewekt uit vaste of gasvormige biomassa die afkomstig is van landbouw, aquacultuur of visserij, worden alleen aanvaard voor de certificatenverplichting als de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/3 tot en met paragraaf 1/6 en paragraaf 1/8.

Groenestroomcertificaten, toegekend voor elektriciteit die is opgewekt uit vaste of gasvormige biomassa die niet afkomstig is van landbouw, aquacultuur of visserij, worden alleen aanvaard voor de certificatenverplichting als de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/7 tot en met 1/10.

Vaste of gasvormige biomassa die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen die afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurgebieden, hoeft alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/8 en paragraaf 1/10.

Vaste of gasvormige biomassa die vervaardigd is uit afvalstoffen en residuen die niet afkomstig zijn van landbouw, aquacultuur, visserij, bosbouw of natuurgebieden, hoeft niet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in dit besluit, te voldoen.

Om aan te tonen dat aan de voorwaarden uit deze paragraaf voldaan wordt, kan een door de minister bepaalde risicogebaseerde methodologie toegepast worden.

§ 1/2. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa bedraagt minstens 60% voor vloeibare biomassa die wordt geproduceerd in installaties die operationeel geworden zijn na 5 oktober 2015. Een installatie wordt geacht operationeel te zijn als de fysieke productie van vloeibare biomassa plaatsvindt.

In geval van installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015, bedraagt de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa minstens 35% tot en met 31 december 2017 en minstens 50% vanaf 1 januari 2018.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt op een van de onderstaande manieren berekend :
1° als een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage XI en indien de el-waarde voor die biobrandstoffen of vloeibare biomassa, berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van de bijlage XI gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;
2° de feitelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage XI, deel C, vastgestelde methode, wordt gebruikt;
3° er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage XI, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage XI, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage XI, deel C, voor alle andere factoren.

De standaardwaarden voor biobrandstoffen, vermeld in bijlage XI, deel A, en de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa, vermeld in bijlage XI, deel D, mogen alleen worden gebruikt als de grondstoffen aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
1° ze worden geteeld buiten de Gemeenschap; of
2° ze worden geteeld in de Gemeenschap in gebieden die voorkomen op de lijsten vermeld in artikel 19, tweede lid, van de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG;
3° het gaat om afval of residuen, die geen landbouw-, aquacultuur- of visserijresiduen, zijn.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, kan de methode daarvoor verder uitwerken.

§ 1/3. De biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen,
verkregen van land met een grote biodiversiteit, dat is land dat in of na januari 2008 een van de hieronder vermelde statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft :
1° oerbos en andere beboste gronden, meer bepaald bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar geen duidelijk zichtbare tekenen van menselijke activiteiten zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn verstoord;
2° gebieden die aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
a) ze zijn bij wet of door de relevante bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden aangewezen;
b) ze zijn aangewezen voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten die bij internationale overeenkomst zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of van de International Union for the Conservation of Nature. Daarbij geldt als voorwaarde dat die gebieden erkend zijn door de Europese Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 18, vierde lid, tweede alinea van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;
3° graslanden met grote biodiversiteit die aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
a) het gaat om grasland dat natuurlijk is, dat is grasland dat zonder menselijk ingrijpen grasland zou blijven en dat zijn natuurlijke soortensamenstelling en ecologische kenmerken en processen behoudt;
b) het gaat om grasland dat niet-natuurlijk is, dat is grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden graslanden te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland.

De graslanden met grote biodiversiteit moeten ook aan de criteria en de geografische grenzen voldoen, vermeld in verordening (EU) nr. 1307/2014 van de Commissie van 8 december 2014 houdende vaststelling van de criteria en geografische grenzen van graslanden met grote biodiversiteit voor de doeleinden van artikel 7 ter, lid 3, onder c), van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en artikel 17, lid 3, onder c), van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

§ 1/4. De biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land met hoge koolstofvoorraden, dat is land dat in januari 2008 een van de hieronder vermelde statussen had, maar dat die status niet langer heeft :
1° waterrijke gebieden, dat is land dat permanent of tijdens een groot gedeelte van het jaar onder water staat of verzadigd is met water;
2° permanent beboste gebieden, dat zijn gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken;
3° gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken, tenzij aangetoond wordt dat de koolstofvoorraden die voor en na omschakeling aanwezig waren, van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing van de methode, vastgesteld in bijlage XI, deel C, aan de voorwaarden van paragraaf 1/2 van dit artikel zou zijn voldaan.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op land dat, op het tijdstip dat de grondstof werd verkregen, dezelfde status had als in januari 2008.

§ 1/5. De biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen, verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij aangetoond wordt dat de teelt en het oogsten van die grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich brengt.

§ 1/6. Landbouwgrondstoffen die in de Gemeenschap worden geteeld en gebruikt voor de productie van biomassa, worden verkregen overeenkomstig de eisen en normen, vermeld onder het opschrift "Milieu" in deel A en in punt 9 van bijlage II bij verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, alsmede overeenkomstig de minimumeisen voor goede landbouw- en milieuconditie, vastgesteld in artikel 6, eerste lid, van die verordening.

§ 1/7. De vaste of gasvormige biomassa mag niet afkomstig zijn uit de volgende gebieden of bronnen:
1° waterrijke gebieden, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud of beheer van het waterrijke gebied;
2° land dat na 1 januari 2008 is geconverteerd van waterrijk gebied naar andere (drogere) ecosystemen;
3° hout uit productiebossen (inclusief houtplantages) die vanaf 1 januari 2008 zijn aangelegd door middel van conversie van (semi) natuurlijke bossen;
4° rondhout uit een bos met een rotatieperiode van meer dan veertig jaar, tenzij er gedocumenteerd bewijs is dat alleen een beperkt deel van de waarde van het gekapte hout (i.e. op volumebasis minder dan de helft van het gekapte rondhout op jaarbasis) gebruikt wordt voor de productie van bio-energie (exclusief dunningshout);
5° stronken, met uitzondering van de stronken die om een andere reden dan de hout- of biomassaproductie moeten worden verwijderd, zoals bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen;
6° houtblokken die geschikt zijn voor verzaging conform de lokale gangbare standaard.

De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop aangetoond kan worden dat aan de voorwaarden 1° tot en met 6°, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

§ 1/8. De gemiddelde broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van vaste of gasvormige biomassa bedraagt minstens 70%.

Voor elke levering van biomassa afzonderlijk bedraagt de broeikasgasemissiereductie minstens 60%.

De minister bepaalt de manier waarop de broeikasgasemissiereductie berekend wordt, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

§ 1/9. De vaste of gasvormige biomassa uit bosbouw is afkomstig van duurzaam beheerde bossen waarbij voldaan is aan de volgende principes:
1° behoud en gepaste verbetering van de bosbestanden en hun bijdrage tot de mondiale koolstofcyclus;
2° behoud van de gezondheid en vitaliteit van het ecosysteem van het bos;
3° behoud, bescherming en geschikte verbetering van de biologische diversiteit in bosecosystemen;
4° behoud en geschikte verbetering van beschermingsfuncties in bosbeheer (in het bijzonder voor bodem en water);
5° behoud en geschikte verbetering van de productiefuncties van het bos (hout en niet-hout);
6° respect voor traditionele dienstverbanden en eigendomsrechten gerelateerd aan het bos.

De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop aangetoond kan worden dat aan de voorwaarden 1° tot en met 6°, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

§ 1/10. Bij het gebruik van vaste en gasvormige biomassa afkomstig van agrarische afvalstoffen en residuen als ook van afvalstoffen en residuen uit natuurgebieden wordt uitgegaan van beste praktijken voor de instandhouding of verbetering van de bodem en de bodemkwaliteit met het oog op de productie of de beheerdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in een beheersplan.

De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de afbakening van beste praktijken zoals vermeld in het eerste lid, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

Onderafdeling II. Het gebruik van groenestroomcertificaten als garanties van oorsprong

Artikel 6.1.17. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.1.18. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.1.19. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.1.20. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.1.21. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.1.22. (01/01/2013- ...)

...

Onderafdeling III. De handel in groenestroomcertificaten

Artikel 6.1.23. (01/01/2011- ...)

§ 1. Groenestroomcertificaten zijn vrij verhandelbaar.

§ 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van een groenestroomcertificaat bezorgt de verkoper de VREG de gegevens over de verhandelde groenestroomcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van de verkoop.

De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

Artikel 6.1.24. (01/01/2013- ...)

De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de verhandelde groenestroomcertificaten

De VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende groenestroomcertificaten, opgesplitst per hernieuwbare energiebron.

De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar groenestroomcertificaten bekend te maken.

HOOFDSTUK II. Warmtekrachtcertificaten

Afdeling I. Definities

Artikel 6.2.1. (01/01/2011- ...)

De begrippen en definities, vermeld in de technische reglementen, zijn ook van toepassing op dit hoofdstuk.

Afdeling II. [De behandeling van expertisedossiers met betrekking tot warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 23, I: 1 april 2014)]

Onderafdeling I. [Het aanvragen van warmte-krachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 24, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.2.2. (07/09/2019- ...)

§ 1. Een expertisedossier met betrekking tot warmtekrachtcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar het Vlaams Energieagentschap.

Een aanvraagdossier bestaat uit :
1° een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door het Vlaams Energieagentschap en waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang van de gebruikte energiebron;
2° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW : technische bewijsstukken ter staving van de berekening van de warmtekrachtbesparing;
3° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen, groter dan 200 kW : de meetresultaten van de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, met een bijgevoegde berekeningsnota van de warmtekrachtbesparing;
4° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen van meer dan 200 kW : een keuringsverslag van een volgens NBN EN ISO/IEC 17020 geaccrediteerde keuringsinstantie, waarin de geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. Het keuringsverslag vermeldt ook de meterstand, de datum van indienstname en de gebruikte energiebron. Het Vlaams Energieagentschap kan een model voor dit keuringsverslag vastleggen waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang onder meer de gebruikte energiebron en technologie;
5° voor een warmtekrachtinstallatie waarin afvalstoffen worden aangewend : een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier, waarvan het model wordt bepaald door de OVAM, met betrekking tot de verwerking van de afvalstoffen.

Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt het Vlaams Energieagentschap binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar.

Voor een warmtekrachtinstallatie die nog niet in werking is of ingrijpend wordt gewijzigd, kan de aanvrager een principe-aanvraag indienen bij het Vlaams Energieagentschap aan de hand van een ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door het Vlaams Energieagentschap. Als er minstens duidelijkheid bestaat over het brandstofverbruik, de warmteproductie en -benutting en de productie van elektriciteit of mechanische energie, neemt het Vlaams Energieagentschap een principebeslissing over het expertisedossier van de warmtekrachtinstallatie in kwestie. In de principebeslissing geeft het Vlaams Energieagentschap op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen, en over de bepaling van de maandelijks gerealiseerde primaire energiebesparing, zoals bedoeld in artikel 6.2.7, tweede lid en in artikel 12.3.3, eerste lid. De aanvrager kan zich beroepen op een principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap gedurende de periode waarin de startdatum gerelateerd aan de principe-aanvraag van toepassing is, voor zover hiermee niet wordt ingegaan tegen de van toepassing zijnde wetgeving. Evenwel zal het aantal certificaten slechts bepaald worden bij definitieve goedkeuring op basis van de meest recente gegevens van de installatie.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap beslist binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier of de warmtekrachtbesparing, gerealiseerd door de warmtekrachtinstallatie in kwestie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen warmtekrachtcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn.

§ 3. Binnen vijf werkdagen nadat het Vlaams Energieagentschap de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de warmtekrachtinstallatie gebruikmaakt van afvalstoffen, wordt de beslissing ook bezorgd aan de OVAM.

§ 4. Voor projecten met een startdatum vanaf 1 januari 2020 kunnen geen expertisedossiers worden ingediend als de certificaatgerechtigde een onderneming in moeilijkheden is.

Onderafdeling II. De voorwaarden voor toekenning van warmtekrachtcertificaten

Artikel 6.2.3. (06/01/2019- ...)

Warmtekrachtcertificaten worden enkel toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie die gelegen is in het Vlaamse Gewest, die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. De minister legt de referentierendementen vast die nodig zijn voor de toepassing van bijlage I.

Warmte-krachtinstallaties met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW kunnen alleen warmte-krachtcertificaten blijven krijgen na de voorlegging van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar.

Het Vlaams Energieagentschap kan een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie op ieder moment controleren om na te gaan of de meting van het energieverbruik en van de geproduceerde elektriciteit, warmte en mechanische energie en andere metingen die noodzakelijk zijn om het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten en de productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

Artikel 6.2.4. (01/04/2014- ...)

§ 1. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, worden berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken, die bij de aanvraag gevoegd zijn.

§ 2. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, wordt gemeten met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 6.2.5, § 1.

Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik berekend op basis van het gemiddelde van de metingen tijdens een periode van 365 opeenvolgende dagen die eindigt tijdens de maand, voor de maand waarin het aanvraagdossier bij het Vlaams Energieagentschap wordt ingediend, of voor de maand waarin een controle wordt uitgevoerd.

Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, die minder dan 365 dagen in dienst is, berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken die bij de aanvraag gevoegd zijn.

§ 3. Als blijkt dat de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde elektriciteit, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om voor de bepaling van het elektrisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.

Als blijkt dat de gemeten warmteafname of de equivalente warmteafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde warmte, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om voor de bepaling van het thermisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettowarmteproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale warmteproductie.

Als blijkt dat de gemeten afname van mechanische energie of de equivalente afname van mechanische energie van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde mechanische energie, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om voor de bepaling van het mechanisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettoproductie van mechanische energie op basis van een raming te berekenen uit de totale productie van mechanische energie.

Artikel 6.2.5. (01/01/2013- ...)

§ 1. Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik te meten.

Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de netto-elektriciteitsproductie te meten.

De nuttige warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van de nuttige aanwending ervan gemeten. Als er een noodkoeler in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler. Als er bij warmtekrachtinstallaties met een startdatum vanaf 1 januari 2013 een buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij het buffervat.

§ 2. De meetapparatuur, vermeld in paragraaf 1, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de ter zake geldende internationale en nationale normen.

Artikel 6.2.6. (07/09/2019- ...)

De certificaatgerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3;
2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10, of die een invloed kunnen hebben op de bepaling van de minimumsteun voor de toe te kennen certificaten, vermeld in artikel 7.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
3° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op de wijze waarop een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden om erkend te worden als kwalitatieve warmtekrachtinstallatie;
4° alle wijzigingen met betrekking tot de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de warmtekrachtcertificaten moeten worden toegekend, als vermeld in artikel 6.2.7, § 2.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan het Vlaams Energieagentschap haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen warmtekrachtcertificaten meer toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in de warmtekrachtinstallatie in kwestie.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan het Vlaams Energieagentschap haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, wijzigen. De certificaatgerechtigde voor een warmtekrachtinstallatie met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.2.2, § 1, tweede lid, 4°, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2°.

Als het Vlaams Energieagentschap gegronde argumenten heeft om te oordelen dat geen warmte-krachtcertificaten meer mogen worden toegekend aan de certificaatgerechtigde, kan het Vlaams Energieagentschap haar oorspronkelijke beslissing wijzigen of herroepen, al dan niet met terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop het recht op de toekenning van warmtekrachtcertificaten moet ophouden.

Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat er meer of minder warmte-krachtcertificaten zijn toegekend dan waar de certificaatgerechtigde recht op had, dan kan het Vlaams Energieagentschap, na de certificaatgerechtigde gehoord te hebben, haar oorspronkelijke beslissing met terugwerkende kracht wijzigen, inclusief een rechtzetting van de toegekende warmte-krachtcertificaten doorvoeren.

De certificaatgerechtigde kan binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, met een aangetekende brief bij de minister een gemotiveerd beroep indienen tegen de beslissing van het Vlaams Energieagentschap.

De VREG kan, op verzoek van het Vlaams Energieagentschap, de toekenning van certificaten schorsen totdat de certificaatgerechtigde aantoont dat is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.3 tot en met 6.2.5.

De eigenaar of uitbater van de installatie bezorgt die gegevens binnen een door het Vlaams Energieagentschap vooropgestelde termijn. Als binnen de voormelde termijn de gevraagde gegevens niet aan het Vlaams Energieagentschap worden bezorgd, of als de gegevens onvolledig of onduidelijk zijn, blijft de toekenning van certificaten geschorst. Het Vlaams Energieagentschap brengt de VREG daarvan onmiddellijk op de hoogte.

Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.3 tot en met 6.2.6, eerste lid, trekt de VREG, op verzoek van het Vlaams Energieagentschap, de nog niet verhandelde en de in het kader van de certificatenverplichting of minimumsteun nog niet gebruikte warmte-krachtcertificaten in kwestie in. Als wordt vastgesteld dat een aantal van de onterecht toegekende warmte-krachtcertificaten toch al werd verhandeld of werden gebruikt voor de minimumsteun of de certificatenverplichting, wordt voor de warmtekrachtinstallatie in kwestie het aantal warmte-krachtcertificaten dat toegekend zal worden gecompenseerd met het aantal warmte-krachtcertificaten dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.3 tot en met 6.2.6, eerste lid.

Onderafdeling III. [De berekening van het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.2.7. (01/04/2014- ...)

De warmtekrachtcertificaten worden maandelijks toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in een warmtekrachtinstallatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten werd goedgekeurd.

Het aantal warmte-krachtcertificaten dat maandelijks wordt toegekend aan een installatie, wordt berekend door het Vlaams Energieagentschap doorde primaire energiebesparing, uitgedrukt in MWh en gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, te vermenigvuldigen met de voor die installatie vastgestelde bandingfactor en dit vervolgens op te tellen bij het eventuele overschot van de voorgaande maand. Het resultaat wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. Dit geheel getal is het aantal warmtekrachtcertificaten dat wordt toegekend. Het overschot, in MWh, bekomen door de afronding naar beneden van het resultaat van deze berekening tot een geheel aantal MWh, wordt overgedragen naar de volgende maand.

De eerste warmtekrachtcertificaten worden toegekend op basis van de warmtekrachtbesparing die is gerealiseerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag. Aan warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is of gelijk aan 200 kW, worden warmtekrachtcertificaten toegekend voor de warmtekrachtbesparing die werd gerealiseerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat  het Vlaams Energieagentschap de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten aan deze installaties ontvangt binnen een jaar na de datum van het verslag. Als  het Vlaams Energieagentschap de aanvraag niet binnen die termijn ontvangt, worden de warmtekrachtcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten.

Artikel 6.2.8. (01/04/2014- ...)

Het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in artikel 6.2.9 en 6.2.10.

Artikel 6.2.9. (01/04/2014- ...)

§ 1. Voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties meten de netbeheerders, de beheerder van het transmissienet en de beheerder van het vervoernet waarop de warmtekrachtinstallatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit en de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.

De beheerders van het betreffende net brengen  het Vlaams Energieagentschap maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

Het Vlaams Energieagentschap kan, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde  het Vlaams Energieagentschap maandelijks op de hoogte van de meetgegevens over de opgewekte elektriciteit of de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.

De certificaatgerechtigde voert per site de metingen uit, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. De certificaatgerechtigde brengt  het Vlaams Energieagentschap maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

Het Vlaams Energieagentschap kan beslissen om die metingen aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de warmtekrachtbesparing te bepalen.

§ 2.  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vaststellen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragraaf 1, uitgevoerd moeten worden, en voor de manier waarop de meetgegevens bezorgd moeten worden aan het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 6.2.10. (06/01/2019- ...)

§ 1. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor elektriciteitsproductie, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van een referentie-installatie die dezelfde nettohoeveelheid elektriciteit en nuttige warmte zou opwekken als die warmtekrachtinstallatie.

Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing door een warmtekrachtinstallatie met elektriciteitsproductie, wordt uitgegaan van de netto-elektriciteitsproductie die op de locatie zelf verbruikt wordt of die geleverd wordt aan het distributienet, aan het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, aan het transmissienet of aan directe lijnen. Die netto-elektriciteitsproductie wordt gemeten voor de eventuele transformatie naar netspanning.

§ 2. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor de rechtstreekse mechanische aandrijving van machines, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van de best beschikbare aandrijftechnologie en referentie-installatie die dezelfde aandrijving en dezelfde hoeveelheid nuttige warmte zouden leveren
als die warmtekrachtinstallatie.

De aanvrager toont aan  het Vlaams Energieagentschap de correctheid van de berekening van die primaire energiebesparing aan.

§ 3. Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing wordt uitgegaan van de nuttige warmte die gebruikt wordt als warmtebron en die niet voor de verdere productie van elektriciteit wordt aangewend. Als blijkt dat de nuttige warmte slechts voor een klein deel gebruikt wordt voor de verdere productie van elektriciteit, kan  het Vlaams Energieagentschap beslissen om voor de bepaling van de nuttige warmte, en voor de bepaling van de productie van elektriciteit een vereenvoudigde berekeningsmethode toe te laten.

In afwijking van het eerste lid wordt de warmte, aangewend door een installatie die op zichzelf een relatieve primaire energiebesparing zoals bepaald in bijlage I levert, wel als nuttige warmte beschouwd.

§ 4. Als een warmtekrachtinstallatie wordt gebruikt voor de productie van CO2, wordt de gemeten hoeveelheid geproduceerde benutte warmte met 10 % verhoogd voor de berekening van de warmtekrachtbesparing.

§ 5. Voor de sites waar al beschikbare warmte wordt gebruikt en zolang de theoretische technische levensduur van de oorspronkelijke warmteproducent niet is bereikt, berekent het Vlaams Energieagentschap de warmte-krachtbesparing niet op basis van het vermeden primaire energieverbruik ten opzichte van een referentie-installatie, maar op basis van het vermeden primaire energieverbruik ten opzichte van de oorspronkelijke warmteproducent die dezelfde hoeveelheid nuttige warmte produceert, op voorwaarde dat de primaire energiebesparing van de nieuwe warmte-krachtinstallatie of de ingrijpende wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke warmteproducent kleiner is dan de primaire energiebesparing ten opzichte van een referentie-installatie.
:
De theoretische technische levensduur, vermeld in het eerste lid, is tien jaar voor warmte-krachtinstallaties met motoren en vijftien jaar voor warmte-krachtinstallaties met turbines. Het Vlaams Energieagentschap kan de theoretische technische levensduur vastleggen voor andere installaties die beschikbare warmte produceren.

Om de hoeveelheid al beschikbare warmte te bepalen, wordt uitgegaan van het verbruik van beschikbare warmte tijdens de referentieperiode die voorafgaat aan de eerste dag van de maand waarin de nieuwe warmte-krachtinstallatie of de ingrijpende wijziging in dienst wordt genomen. De referentieperiode is twee jaar voor warmte-krachtinstallaties met motoren en drie jaar voor warmte-krachtinstallaties met turbines. Het Vlaams Energieagentschap kan de lengte van de referentieperiode vastleggen voor andere warmteproducenten of als niet alle vereiste meetgegevens beschikbaar zijn.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen voor de berekening van het vermeden primaire energieverbruik bij het gebruik van beschikbare warmte.

In afwijking van het eerste lid beschouwt  het Vlaams Energieagentschap voor sites waar al beschikbare warmte gebruikt wordt, het gedeelte van deze beschikbare warmte dat volgens metingen na de indienstneming van de nieuwe kwalitatieve warmtekrachtinstallatie verder voor de invulling van een economisch aantoonbare vraag wordt aangewend, niet als beschikbare warmte.

§ 6. Voor nieuwe warmtekrachtinstallaties worden de warmtekrachtbesparing en het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten vanaf de ingebruikname gedurende tien jaar berekend op basis van de voorwaarden tot toekenning en aanvaarding van warmtekrachtcertificaten, de berekeningsmethode, het thermisch of elektrisch rendement van een referentie-installatie en het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie, die werden vastgelegd bij de aanvraag van warmtekrachtcertificaten.

§ 7. Het thermisch rendement van de referentie-installatie wordt gelijkgesteld aan 90 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van heet water, 93 % in het geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van hete lucht voor droogtoepassingen, 85 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van stoom of in de vorm van nog niet vermelde media, en 500 % als referentieperformantiecoëfficiënt in het geval van een warmtekrachtinstallatie die koude produceert. Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van biogas dat geen biomethaan betreft, wordt het thermisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 70 %.

§ 8. Het elektrisch rendement van de referentie-installatie wordt voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van fossiele energiebronnen of biomethaan gelijkgesteld aan 55 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die hoger is dan 15 kV, en 50 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die lager is dan of gelijk is aan 15 kV.

Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 42 % bij de toepassing van biogas dat geen biomethaan betreft, 42,7 % bij de toepassing van vloeibare biobrandstoffen, 34 % bij de toepassing van hout of houtafval, en 25 % bij de toepassing van andere vaste biomassastromen.

Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van verschillende fossiele of hernieuwbare energiebronnen wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan het op basis van de energie-input gewogen gemiddelde van de elektrische rendementen van de referentie-installatie dat bepaald is overeenkomstig het eerste en het tweede lid.

Het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie wordt gelijkgesteld aan 52 %.

§ 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, past na advies van  het Vlaams Energieagentschap de referentierendementen, vermeld in paragraaf 7 en 8, aan de stand van de techniek aan en legt extra referentierendementen vast als dat nodig is voor de berekening van de warmtekrachtbesparing. Hij houdt daarbij rekening met de werkelijk gemeten rendementen van de referentie-installaties, de best beschikbare aandrijftechnologie en andere referentietechnologieën, enerzijds onafhankelijk van de gebruikte energiebron voor fossiele energiebronnen, en anderzijds voor hernieuwbare energiebronnen.

§ 10.  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels opleggen betreffende de beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, en betreffende de bepaling van de warmtekrachtbesparing voor types van complexe warmtekrachtinstallaties.  Het Vlaams Energieagentschap publiceert die nadere regels op haar website.

Afdeling III. [De toekenning en registratie van warmte-krachtcertificaten (verv. BVR 9 mei 2014, art. 34, I: 1 april 2014)]

Artikel 6.2.11. (25/12/2016- ...)

§ 1. De VREG kent warmte-krachtcertificaten toe op basis van de berekening, gemaakt door het Vlaams Energieagentschap, overeenkomstig de artikelen 6.2.7 tot en met 6.2.10. De toegekende warmte-krachtcertificaten worden geregistreerd in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de warmte-krachtcertificaten.

§ 2. Voor elk warmtekrachtcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd :
1° de gegevens van de eigenaar van het warmtekrachtcertificaat;
2° het productiejaar en de productiemaand;
3° de productieplaats;
4° de technologie, vermeld in bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd;
5° nominaal vermogen;
6° datum van indienstneming van de warmtekrachtinstallatie;
7° het registratienummer;
8° de steun, ontvangen voor de warmtekrachtinstallatie;
9° de brandstof- of energiebron, en de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;
10° ...;
11° de referentierendementen die van toepassing zijn voor de berekening van de warmtekrachtbesparing, vastgelegd met toepassing van artikel 6.2.10;
12° de besparing op primaire energie, berekend overeenkomstig bijlage I en op basis van de rendementsreferentiewaarden die worden vastgelegd door de minister met toepassing van artikel 6.2.3;
13° de vermelding of het warmtekrachtcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
14° als het warmtekrachtcertificaat aanvaardbaar is, de vermelding of het warmtekrachtcertificaat al of niet nog kan worden ingeleverd in het kader van de certificatenverplichting ;
15° ...;
16° de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd.

De registratie van de gegevens, vermeld in het vorig lid, uitgezonderd punten 7° en 14°, bij de creatie van het warmte-krachtcertificaat gebeurt op basis van de beoordeling en rapportering aan de VREG van deze gegevens door het Vlaams Energieagentschap en de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten.

§ 3. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 13°, is :
1° « aanvaardbaar » : als het warmtekrachtcertificaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.2.12;
2° « niet aanvaardbaar » : als het warmtekrachtcertificaat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.2.12;

§ 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2,14°, is :
1° « ingeleverd » : als het warmtekrachtcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, volgens de procedure, vermeld in artikel 6.2.12;
2° « nog niet ingeleverd » : als het warmtekrachtcertificaat nog niet werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.2.12, § 1;
3° « niet van toepassing » : als de vermelding, vermeld in paragraaf 2, 13°, « niet aanvaardbaar » is.

§ 5. In afwijking van paragraaf 3 en 4 krijgen de warmte-krachtcertificaten die door het Vlaamse Gewest ter uitvoering van een overheidsopdracht zijn aangekocht en ingediend bij de VREG, de vermelding "niet aanvaardbaar" en "niet van toepassing"

§ 6. ...

§ 7. ...

§ 8. De eigenaar van een warmtekrachtcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank wat betreft de gegevens van de warmtekrachtcertificaten waarvan hij eigenaar is.

De eigenaar van een warmtekrachtcertificaat kan het warmtekrachtcertificaat met de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 14° "nog niet ingeleverd", in de centrale databank overdragen aan een andere eigenaar of inleveren om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.2.12. De VREG kan nadere regels bepalen op welke manier een overdracht of inlevering van een warmtekrachtcertificaat verloopt.

Een warmtekrachtcertificaat kan niet aangewend worden als garantie van oorsprong.

 § 9. Als een warmtekrachtcertificaat bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5, § 3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 14° "nog niet ingeleverd" heeft, wordt deze vermelding gewijzigd in "vervallen".

Afdeling IV. Het gebruik van warmtekrachtcertificaten

Onderafdeling I. Het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting

Artikel 6.2.12. (01/07/2017- ...)

Alleen de warmtekrachtcertificaten die toegekend werden voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in het Vlaamse Gewest die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vastgelegd ter uitvoering van artikel 7.1.2, § 4, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en die voor het eerst in dienst werd genomen of ingrijpend gewijzigd werd na 1 januari 2002, zijn aanvaardbaar in het kader van de indiening voor de certificatenverplichting.

Warmte-krachtcertificaten worden alleen aanvaard in het kader van de indiening voor de certificatenverplichting als de warmte, geproduceerd door de warmte-krachtinstallatie, benut wordt voor een economisch aantoonbare vraag. Indien de warmte-krachtinstallatie een elektrisch vermogen hoger dan 25 MW heeft, worden de warmte-krachtcertificaten alleen aanvaard als de warmte-krachtinstallatie bovendien een totaal rendement hoger dan 70% behaalt. Het totale rendement wordt daarbij berekend als de som op jaarbasis van de productie van elektriciteit en van mechanische energie en de opbrengst van nuttige warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van warmte in een warmte-krachtkoppelingsproces en voor de brutoproductie van elektriciteit en van mechanische energie.

De VREG bepaalt de procedure voor de inlevering van warmtekrachtcertificaten om te voldoen aan de certificatenverplichting.

Zodra een warmtekrachtcertificaat wordt ingeleverd om te voldoen aan de certificatenverplichting, is het niet meer verhandelbaar.

Onderafdeling II. Het gebruik van warmtekrachtcertificaten als garantie van oorsprong

Artikel 6.2.13. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.2.14. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.2.15. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.2.16. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.2.17. (01/01/2013- ...)

...

Onderafdeling III. Handel in warmtekrachtcertificaten

Artikel 6.2.18. (01/01/2011- ...)

§ 1. Warmtekrachtcertificaten zijn vrij verhandelbaar.

§ 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van warmtekrachtcertificaten deelt de verkoper aan de VREG de gegevens mee over de verhandelde warmtekrachtcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van verkoop.

De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

Artikel 6.2.19. (01/01/2013- ...)

De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de verhandelde warmtekrachtcertificaten.

De VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende warmtekrachtcertificaten.

De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar warmtekrachtcertificaten bekend te maken.

[HOOFDSTUK II/1. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren door het Vlaams Energieagentschap (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

[Afdeling I. Gemeenschappelijke bepalingen (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.1. (07/09/2019- ...)

Een bandingfactor kan nooit meer bedragen dan de maximaal toegelaten bandingfactor die voor die startdatum van toepassing was voor de betreffende installatie. De maximaal toegelaten bandingfactoren worden voor nieuwe projecten door de minister minstens één maal per jaar vastgelegd. Een aldus bepaalde maximaal toegelaten bandingfactor blijft voor installaties met startdatum tijdens de door de minister vastgelegde periode geldig gedurende de volledige periode waarbinnen de installatie certificaten ontvangt. Voor nieuwe projecten worden aparte maximaal toegelaten bandingfactoren vastgelegd, voor volgende categorieën van projecten:
a) representatieve projectcategorieën op basis van zonne-energie met een afschrijvingstermijn van tien jaar;
b) andere representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van tien jaar;
c) representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van vijftien of zeventien jaar;
d) representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van twintig jaar;
e) niet-representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van tien jaar;
f) niet-representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van vijftien of zeventien jaar;
g) niet-representatieve projectcategorieën met een afschrijvingstermijn van twintig jaar.

Voor installaties die niet behoren tot de representatieve projectcategorieën vermeld in artikel 6.2/1.2, eerste lid, of in artikel 6.2/1.4, eerste lid, of tot de niet-representatieve projectcategorieën vermeld in artikel 6.2/1.7, § 1, eerste lid, is de maximale bandingfactor gelijk aan 0.

Voor installaties met datum van indienstneming na 25 december 2021 of met een startdatum vanaf 1 juli 2019, die elektriciteit produceren uit biomassa of biogas, en waarbij de elektriciteit niet geproduceerd wordt door een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie, is de maximale bandingfactor gelijk aan nul.

De minister kan per hernieuwbare energiebron ook een maximale bandingfactor vastleggen voor projecten die een bandingfactor aanvragen voor de periodes vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Voor de toepassing van dit artikel worden enerzijds projecten waarvoor de afschrijvingstermijn in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top minder dan tien jaar bedraagt, gelijkgesteld met projecten waarvoor de afschrijvingstermijn in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top tien jaar bedraagt, en worden anderzijds projecten waarvoor de afschrijvingstermijn in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top meer dan tien jaar bedraagt, gelijkgesteld met projecten waarvoor de afschrijvingstermijn in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top vijftien jaar bedraagt.

Het Vlaams Energieagentschap kan voor de berekening van een projectspecifieke onrendabele top vereisen dat de marktconformiteit van de gehanteerde parameters door de aanvrager wordt aangetoond. De aanvrager bezorgt deze gegevens binnen een door het Vlaams Energieagentschap vooropgestelde termijn en op de door haar gevraagde wijze. Indien de aangeleverde informatie onvolledig blijkt, of niet tijdig wordt bezorgd, beginnen de termijnen, vermeld in artikel 6.2/1.7 § 1, vijfde lid en artikel 6.2/1.7 § 2, derde lid niet te lopen tot na ontvangst van de gevraagde informatie.

Het Vlaams Energieagentschap kan ook de gegevens die gebruikt worden voor de berekening van de onrendabele top, opvragen bij projecten die al een startdatum ontvingen uit de betreffende representatieve of niet-representatieve projectcategorie, of bij groenestroom- of WKK-projecten met een startdatum voor 1 januari 2013 die nog aanspraak kunnen maken op certificaten met toepassing van artikel 7.1.1, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 of artikel 7.1.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De eigenaar of uitbater van de installatie bezorgt die gegevens binnen een door het Vlaams Energieagentschap vooropgestelde termijn, op straffe van schorsing van het recht op de berekening en uitkering van certificaten tot ontvangst van de bedoelde informatie. Als binnen voormelde termijn de gevraagde gegevens niet aan het Vlaams Energieagentschap worden bezorgd, kan het Vlaams Energieagentschap voor het geviseerde project de berekening van de certificaten, vermeld in artikel 6.1.7, tweede lid, en artikel 6.2.7, tweede lid, van dit besluit, schorsen tot de datum van ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van de voormelde gegevens. Het Vlaams Energieagentschap brengt de VREG hiervan onverwijld op de hoogte.

Onder de gegevens, vermeldt in het derde en vierde lid, worden minstens verstaan:
1° contracten, afgesloten ten behoeve van de bouw of uitbating van het betrokken project;
2° facturen, opgesteld of ontvangen in het kader van de bouw of uitbating van het betrokken project;
3° betalingsbewijzen voor onkosten, gemaakt bij de bouw of uitbating van het betrokken project;
4° technische gegevens van de installatie of het project;
5° productiegegevens van de installatie of het project;
6° interne en externe studies en analyses betreffende de bouw of uitbating van het betrokken project.

[Afdeling II. Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren voor groenestroom- en warmtekrachtkoppeling voor projecten uit representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

[Onderafdeling I. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor nieuwe groenestroomprojecten (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.2. (01/01/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën :
1° zonne-energie :
a) /
b) nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 10 kW tot en met 40 kW:
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
c) nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 40 kW tot en met 250 kW:
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
d) nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 250 kW tot en met 750 kW:
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
2° a) nieuwe installaties met betrekking tot windenergie op land, met een bruto nominaal vermogen per turbine groter dan 300 kWe tot 3 MWe :
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
b) nieuwe installaties met betrekking tot windenergie op land, met een bruto nominaal vermogen per turbine vanaf 3 MWe tot en met 4,5 MWe:
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
3° nieuwe biogasinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 5 MWe:
a) voor de vergisting van mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen of van andere organisch-biologische stoffen of afvalstoffen, met uitsluiting van:
1) biogasinstallaties op stortgas,
2) biogasinstallaties met vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib;
3) biogasinstallaties voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
verder opgesplitst in een subcategorie
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie:
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
4° nieuwe biogasinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe voor de vergisting van mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen of van andere organisch-biologische stoffen of afvalstoffen, met uitsluiting van:
a) biogasinstallaties op stortgas;
b) biogasinstallaties met vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib;
c) biogasinstallaties voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
verder opgesplitst in een subcategorie
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
5° nieuwe installaties voor de verbranding van vaste biomassa met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe;
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
6° nieuwe installaties voor de verbranding van vloeibare biomassa met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe;
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten;
7° nieuwe installaties voor de verbranding van biomassa-afval met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe.
1) waarbij het project voorziet in burgerparticipatie;
2) andere projecten.

In afwijking van het eerste lid worden de productie-installaties, vermeld in het eerste lid, die aangesloten zijn op een directe lijn en daarin injecteren, ingedeeld in een niet-representatieve projectcategorie, vermeld in artikel 6.2/1.7, indien ze voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Voor de indeling in de representatieve projectcategorieën vermeld in het eerste lid, worden projecten op verschillende sites beschouwd als verschillende projecten. Daarbij kunnen in het bijzonder twee of meerdere installaties met betrekking tot zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) kleiner of gelijk aan 10 kW niet als één project worden beschouwd.

De minister kan nadere regels vaststellen betreffende de indeling van biogasinstallaties en verbrandingsinstallaties die gebruik maken van gemengde inputstromen, en legt het betreffende ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/1. Het Vlaams Energieagentschap kan de gegevens die gebruikt worden voor de berekening van de onrendabele top opvragen bij projecten die reeds een startdatum ontvingen uit de betreffende representatieve projectcategorie.".

Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking.

[Onderafdeling II. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor lopende groenestroomprojecten (ing. BVR 12 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.3. (01/01/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap herberekent voor lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en de bandingfactoren. Ook voor projecten waarvan de overeenstemmende projectcategorie is gewijzigd of geschrapt, worden de onrendabele toppen en bandingfactoren herberekend.

Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/1. Daarbij wordt enkel geactualiseerd in functie van de opbrengst elektriciteit voor projecten zonder brandstofkosten.

In afwijking van het eerste en tweede lid herberekent het Vlaams Energieagentschap voor alle lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom de onrendabele toppen en bandingfactoren en actualiseert deze op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting.

[Onderafdeling III. Berekening van de bandingfactoren voor kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.4. (01/01/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën :
1° ...;
2° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5° en met uitsluiting van warmte-krachtinstallaties op biogas afkomstig van vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib, met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 200 kWe:
a. nieuwe installaties;
b. ingrijpende wijzigingen;
3° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5° en met uitsluiting van warmte-krachtinstallaties op biogas afkomstig van vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib, met een bruto nominaal vermogen groter dan 200 kWe tot en met 1 MWe :
a. Nieuwe installaties;
b. Ingrijpende wijzigingen;
4° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5° en met uitsluiting van warmte-krachtinstallaties op biogas afkomstig van vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib, met minimaal een motor en met een bruto nominaal vermogen groter dan 1 MWe tot en met 5 MWe :
a. Nieuwe installaties;
b. Ingrijpende wijzigingen;
4° /1 kwalitatieve warmte-krachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 6° en met uitsluiting van kwalitatieve warmte-krachtinstallaties op stortgas of op biogas, afkomstig van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater, rioolwaterzuiveringsslib of GFT-afval, met minimaal een motor en met een bruto nominaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 10 MWe :
a. nieuwe installaties;
b. ingrijpende wijzigingen;
5° kwalitatieve warmte-krachtinstallaties op biogas met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 5 MWe:
a. nieuwe installaties;
b. ingrijpende wijzigingen;
Telkens bijkomend opgesplitst in subcategorieën voor:
1) de vergisting van mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen of van andere organisch-biologische stoffen of afvalstoffen, met uitsluiting van punt 2) en 3), en met uitsluiting van kwalitatieve warmte-krachtinstallaties op biogas, afkomstig van vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib;
2) de GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
3) de recuperatie van stortgas.
6° kwalitatieve warmte-krachtinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe op biogas, afkomstig van de vergisting van mest- of land- en tuinbouwgerelateerde stromen of van andere organisch-biologische stoffen of afvalstoffen, met uitsluiting van kwalitatieve warmte-krachtinstallaties op stortgas of op biogas, afkomstig van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater, rioolwaterzuiveringsslib of GFT-afval:
a. nieuwe installaties;
b. ingrijpende wijzigingen.
7° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 1 tot en met 20 MWe met turbines op
a) gas :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen
b) stoom :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen
c) beide :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen
8° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties met eenbruto nominaal vermogen groter dan 20 tot en met 50 MWe met turbines op
a) gas :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen
b) stoom :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen
c) beide :
1) Nieuwe installaties;
2) Ingrijpende wijzigingen.

In afwijking van het eerste lid worden de productie-installaties, vermeld in het eerste lid, die aangesloten zijn op een directe lijn en daarin injecteren, ingedeeld in een niet-representatieve projectcategorie, vermeld in artikel 6.2/1.7, indien ze voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Voor de indeling in de representatieve projectcategorieën vermeld in het eerste lid, worden projecten op verschillende sites beschouwd als verschillende projecten.

De minister kan nadere regels vaststellen betreffende de indeling van biogasinstallaties en verbrandingsinstallaties die gebruik maken van gemengde inputstromen, en legt het betreffende ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering.

Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/2.

Voor projecten die ook groenestroomcertificaten ontvangen, wordt eerst de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten berekend zonder steun via de groenestroomcertificaten. Indien de onrendabele top niet volledig gedekt wordt door de toekenning van warmtekrachtcertificaten, wordt vervolgens de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van groenestroomcertificaten berekend.

Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking.

Artikel 6.2/1.4/1. (01/01/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap herberekent voor alle lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor warmte-krachtkoppeling de onrendabele toppen en bandingfactoren en actualiseert deze op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting.

[Onderafdeling IV. Rapport van het Vlaams Energieagentschap (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.5. (31/12/2012- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap maakt op basis van de berekeningen, vermeld in artikel 6.2/1.2, 6.2/1.3 en 6.2/1.4, een ontwerprapport op voor de vastlegging van de onrendabele toppen en de bandingfactor voor nieuwe en lopende projecten.

Onder de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.10, § 4 en artikel 7.1.11, § 3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bevat het ontwerprapport, vermeld in het eerste lid, tevens een evaluatie van het quotumpad en de productiedoelstellingen.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap zorgt er voor dat alvorens zij haar definitief rapport, aan de minister en de Vlaamse Regering mededeelt, zij hierover een stakeholdersoverleg organiseert. Het Vlaams Energieagentschap kan iedere instantie of organisatie raadplegen, waarvan zij het advies nuttig acht en zal in elk geval een brede consultatie organiseren van de betrokken sectoren. Zij zorgt er tevens voor dat het ontwerp via de website van het Vlaams Energieagentschap kan worden geconsulteerd en geeft een gemotiveerd en objectief onderbouwd antwoord op de ontvangen opmerkingen.

Bij de bekendmaking wordt duidelijk aangegeven dat de door het Vlaams Energieagentschap in het kader van het eerste lid aangeschreven instanties of organisaties binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn eventuele opmerkingen kunnen bezorgen aan het Vlaams Energieagentschap op de wijze, vermeld bij de bekendmaking.

Na beëindiging van de termijn, vermeld in het tweede lid, beschikt het Vlaams Energieagentschap over een termijn van een maand om haar definitief rapport mede te delen aan de Vlaamse Regering en de minister. Het Vlaams Energieagentschap maakt haar definitief rapport bekend via haar website.

[Onderafdeling V. Vastlegging van de bandingfactoren (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.6. (01/07/2017- ...)

De minister valideert bij ministerieel besluit de in het rapport van het Vlaams Energieagentschap, vermeld in artikel 6.2/1.5, § 2, derde lid, vervatte bandingfactoren. Als de minister wenst af te wijken van de in het rapport opgenomen bandingfactoren, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor.

De aangepaste bandingfactoren voor nieuwe projecten worden van toepassing vanaf 1 januari volgende op de bekendmaking van de beslissing van de minister of de Vlaamse Regering in het Belgisch Staatsblad. De geactualiseerde bandingfactoren voor lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 zijn van toepassing één maand na de publicatie van het definitief rapport van het Vlaams Energieagentschap.

[Afdeling II. Berekening van projectspecifieke onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.7. (07/09/2019- ...)

§ 1. Voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt voor de volgende categorieën door het Vlaams Energieagentschap een projectspecifieke onrendabele top en een projectspecifieke bandingfactor berekend voor groenestroomcertificaten en/of warmtekrachtcertificaten op basis van de meest kostenefficiënte en performante installaties :
0/1° installaties voor zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 750 kW tot en met 2 MW, voor zover ze niet behoren tot 6° ;
1° installaties voor zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 2 MW, voor zover ze niet behoren tot 6°;
2° windenergie op land, met een bruto nominaal vermogen per turbine groter dan 4,5 MWe;
3° ...
4° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties voor zover ze een minimaal vermogen hebben van meer dan 50 MWe;
5° een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 die reeds groenestroomcertificaten ontvangt en die wordt omgebouwd tot een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie met startdatum vanaf 1 januari 2013;
6° nieuwe installaties op zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 10 kW, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt;
7° nieuwe installaties met betrekking tot windenergie op land, met een bruto nominaal vermogen per turbine groter dan 300 kWe tot en met 4,5 MWe, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt;
8° nieuwe biogasinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt:
a) voor de vergisting van mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen of van andere organisch-biologische stoffen of afvalstoffen, met uitsluiting van:
1) biogasinstallaties op stortgas,
2) biogasinstallaties met vergisting van afvalwater, afvalwaterzuiveringsslib, rioolwater of rioolwaterzuiveringsslib;
3) biogasinstallaties voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie:
9° nieuwe installaties voor de verbranding van vaste biomassa met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt;
10° nieuwe installaties voor de verbranding van vloeibare biomassa met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt;
11° nieuwe installaties voor de verbranding van biomassa-afval met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 20 MWe, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt;
12° kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt, en met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 50 MWe.

Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/3.

De eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen dient hiertoe bij het Vlaams Energieagentschap een principe-aanvraag in.

Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.

Het Vlaams Energieagentschap neemt binnen de 6 weken na ontvangst van de informatie bedoeld in het vorige lid een principebeslissing over een voorlopige bandingfactor en legt de berekening van de voorlopige bandingfactor alsook de berekeningsmethodiek van de definitieve bandingfactor ter goedkeuring voor aan de minister. De minister valideert bij ministerieel besluit de in het voorstel van het Vlaams Energieagentschap vervatte berekening en voorlopige bandingfactor binnen de 30 dagen, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering. Als de minister wenst af te wijken van dit voorstel, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor. De beslissing van de minister of van de Vlaamse Regering wordt vervolgens betekend aan de aanvrager wat expertisedossiers betreft aan de VREG, en wat standaarddossiers betreft aan de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten of aan de beheerder van het net dat gekoppeld is aan het gesloten distributienet of gesloten industrieel net waarop de installatie is aangesloten of als het installaties in eilandwerking betreft aan de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen.

§ 2. Projecten die na het toekennen van de voorlopige bandingfactor, vermeld in § 1, vijfde lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun volgens deze voorlopige bandingfactor :
1° indien nodig, uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voorleggen;
2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissing voor de verdere duur van de periode van steuntoekenning beschikken over de vereiste milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen in eerste aanleg of in beroep.

De steunaanvrager dient binnen een maand na het verkrijgen van de laatste vergunning een definitieve aanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen hiervoor binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.

Als de definitieve gegevens van de installatie door de steunaanvrager niet binnen een termijn van uiterlijk zes maanden na de aanvraag van de definitieve bandingfactor zijn aangeleverd, of als de steunaanvrager geen aanvraag heeft ingediend binnen een maand na het verkrijgen van de laatste vergunning, vervalt de voorlopige bandingfactor, vermeld in paragraaf 1, vijfde lid.

Het Vlaams Energieagentschap actualiseert vervolgens op basis van de actuele energie- en brandstofprijzen en definitieve gegevens van de installatie binnen de 30 dagen haar berekeningen volgens de gevalideerde berekeningsmethode en legt de berekende definitieve bandingfactor ter goedkeuring voor aan de minister. De minister valideert bij ministerieel besluit de in het voorstel van het Vlaams Energieagentschap vervatte berekening en definitieve bandingfactor binnen de 30 dagen, en legt dit ministerieel besluit als mededeling voor aan de Vlaamse Regering. Als de minister wenst af te wijken van dit voorstel, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor. De beslissing van de minister of van de Vlaamse Regering wordt vervolgens betekend aan de aanvrager wat expertisedossiers betreft aan de VREG, en wat standaarddossiers betreft aan de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten of aan de beheerder van het net dat gekoppeld is aan het gesloten distributienet of gesloten industrieel net waarop de installatie is aangesloten of als het installaties in eilandwerking betreft aan de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen.

Als het project echter geen milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen nodig heeft kan de aanvrager onmiddellijk een definitieve aanvraag indienen om een definitieve bandingfactor te verkrijgen volgens de procedure vermeld in § 1. In dat geval blijft de definitieve bandingfactor voor een nieuw project geldig voor zover de startdatum niet later is dan twaalf maanden na de betekening van de beslissing. Wanneer de bandingfactor voor het project niet langer geldig is, dient een nieuwe aanvraag te worden ingediend volgens de procedure vermeld in § 1.

De definitieve bandingfactor blijft voor een nieuw project dat wel over een omgevingsvergunning dient te beschikken geldig voor zover de startdatum niet later is dan één maand na de betekening van de beslissing. Wanneer de bandingfactor voor het project niet langer geldig is, dient een nieuwe principe-aanvraag, vermeld, in § 1, te worden ingediend.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap maakt jaarlijks een marktanalyserapport op dat voor 30 juni aan de minister en de Vlaamse Regering wordt bezorgd en dat minstens de volgende informatie bevat :
1° de geraamde specifieke onrendabele toppen voor de projectspecifieke installaties waarvoor sinds het vorige rapport een principebeslissing, vermeld in § 1, vierde lid, werd genomen;
2° de impact van het toekennen van certificaten aan de projectspecifieke installaties, waarvoor sinds het vorige rapport een principebeslissing, vermeld in § 1, vierde lid, werd genomen, op de certificatenmarkt en op de verwachte marktprijs voor een groenestroomcertificaat of warmtekrachtcertificaat;
3° de impact op de meest recente prognose voor de groenestroomproductie, de primaire energiebesparing en de quotadoelstellingen die hierop zijn gebaseerd.

Het marktanalyserapport, vermeld in het eerste lid, wordt door het Vlaams Energieagentschap tevens geactualiseerd naar aanleiding van de definitieve bandingfactoren, vermeld in § 2, derde lid, die sinds het vorige rapport werden vastgesteld.

§ 4. De minister kan nadere regels vaststellen betreffende de vorm en inhoud van de principe-aanvraag en de definitieve aanvraag.

§ 5. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap de categorieën, vermeld in § 1, eerste lid, aanvullen.

§ 6. Voor lopende groenestroomprojecten wordt de bandingfactor, vermeld in § 2, derde lid, geactualiseerd conform de berekeningsmethodiek en parameters, vermeld in artikel 6.2/1.3, tweede lid.

In afwijking van het eerste lid herberekent het Vlaams Energieagentschap voor alle lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom en voor warmte-krachtkoppeling de onrendabele toppen en bandingfactoren en actualiseert deze op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting.

[Afdeling III. Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor groenestroomprojecten met startdatum voor 1 januari 2013 (ing. BVR 21 december 2012, art. 21)]

Artikel 6.2/1.8. (01/04/2014- ...)

Het Vlaams Energieagentschap berekent de onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten met startdatum voor 1 januari 2013 waarvoor bijkomende groenestroomcertificaten worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7.1.1 § 1, vierde of vijfde lid van het Energiedecreet.

Het Vlaams Energieagentschap gebruikt in het kader van haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/4.

Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.

Het Vlaams Energieagentschap stelt binnen de maand nadat het dossier volledig is voor deze installatie een bandingfactor vast.

Artikel 6.2/1.8/1. (01/01/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap actualiseert de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting voor alle lopende projecten met startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 6.2/1.8, voor de productie van groene stroom.

[HOOFDSTUK II/2. Rapport van de VREG betreffende de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten (ing. BVR 21 december 2012, art. 22)]

Artikel 6.2/2.1. (01/01/2013- ...)

De VREG zorgt er voor dat alvorens zij haar rapport, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 4°, d) en f) van het Energiedecreet van 8 mei 2009 mededeelt, zij hierover een overleg met de betrokken leveranciers organiseert. Zij geeft een gemotiveerd en objectief onderbouwd antwoord op de ontvangen opmerkingen.

Bij de bekendmaking wordt duidelijk aangegeven dat de door de VREG in het kader van het eerste lid aangeschreven leveranciers binnen een door de VREG gestelde termijn eventuele opmerkingen kunnen bezorgen aan de VREG op de wijze, vermeld bij de bekendmaking.

Na beëindiging van de termijn, vermeld in het tweede lid, beschikt de VREG over een termijn van een maand om haar definitief rapport openbaar te maken. De VREG maakt haar definitief rapport bekend via haar website.

[HOOFDSTUK II/3. Garanties van oorsprong (verv. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

[Afdeling 1. Algemene bepalingen over de aanvraag en de berekening van de energieproductie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

[Onderafdeling 1. Behandeling van de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.1. (17/08/2019- ...)

§ 1. Een aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong wordt ingediend door de eigenaar van de productie-installatie of door een partij die hij daarvoor heeft aangesteld, hierna de aanvrager genoemd, bij de productieregistrator.

§ 2. De productieregistrator is, afhankelijk van de productie, een van de volgende partijen:
1° het Vlaams Energieagentschap voor:
a) de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en warmte-krachtkoppeling, met uitzondering van de productie van elektriciteit uit zonne-energie;
b) de productie van warmte en koude uit hernieuwbare energiebronnen;
2° de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor de productie van elektriciteit uit zonne-energie;
3° de aardgasvervoerder, vermeld in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, voor de productie van gas uit hernieuwbare energiebronnen.

§ 3. Het aanvraagdossier bestaat uit de volgende documenten:
1° een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan de productieregistrator het model bepaalt na overleg met de productiecoördinator;
2° de documenten die de aanvraag staven en die in het aanvraagformulier worden vermeld.

Volgende stukken maken deel uit van het aanvraagdossier:
1° een meetschema met aanduiding van de relevante energiestromen en de locatie van de meetinrichtingen;
2° een keuringsverslag dat voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 6.2/3.3;
3° een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier over de verwerking van de afvalstoffen, waarvan de OVAM het model bepaalt, in geval van een aanvraag voor een productie-installatie waarin afvalstoffen worden aangewend;
4° de gegevens van de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de garanties van oorsprong voor de installatie moeten worden toegekend.

§ 4. Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de productieregistrator binnen twee maanden na de dag waarop hij de aanvraag heeft ontvangen, of na de dag waarop hij de bijkomende informatie heeft ontvangen, de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In dat bericht worden de redenen vermeld waarom geoordeeld is dat de aanvraag niet volledig is en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen.

§ 5. De productieregistrator beslist binnen twee maanden na de dag waarop hij het aanvraagdossier heeft ontvangen, of na de dag waarop hij de bijkomende informatie ter vervollediging van het aanvraagdossier heeft ontvangen, of de energie die opgewekt is door de productie-installatie in kwestie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van garanties van oorsprong, vermeld in artikel 6.2/3.3, en op welke wijze de geproduceerde hoeveelheid energie die recht geeft op garanties van oorsprong, wordt berekend, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn conform artikel 6.2./3.4. De aanvrager wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen tien werkdagen na de dag waarop de productieregistrator de beslissing heeft genomen.

[Onderafdeling 2. Maandelijkse berekening van de productie die recht geeft op garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.2. (28/04/2020- ...)

De productieregistrator berekent voor elke installatie waarvan de aanvraag is goedgekeurd, de maandelijkse energieproductie door hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling op basis van de berekeningswijze en de rapporteringen en metingen die hem daarvoor voor de productie in de maand in kwestie worden bezorgd en die zijn vastgesteld conform artikel 6.2/3.1, § 5.

De productieregistrator brengt de aanvrager en de VREG op de hoogte van het resultaat van de berekeningen en van alle elementen van de maandelijkse berekeningen, vermeld in het eerste lid.

De productieregistrator brengt de VREG op de hoogte van het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, waarbij het resultaat van die berekening naar beneden wordt afgerond tot 1 MWh. De productieregistrator houdt de restwaarde bij en neemt het mee bij de berekeningen van de daaropvolgende maand.

De productieregistrator biedt op zijn website duidelijke informatie over de procedure voor de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong en over de berekeningsprincipes op basis waarvan het aantal toe te kennen garanties van oorsprong wordt berekend.

[Onderafdeling 3. Voorwaarden tot toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.3. (17/08/2019- ...)

§ 1. Garanties van oorsprong kunnen alleen toegekend worden zolang een geldig keuringsverslag van de productie-installatie aan de productieregistrator kan worden voorgelegd, dat voldoet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 2.

§ 2. Het keuringsverslag wordt opgesteld door een onafhankelijke keuringsinstantie met erkenning in het werkdomein in kwestie. Het keuringsverslag bevestigt de volgende elementen:
1° de energie die de productie-installatie in kwestie geproduceerd heeft, wordt opgewekt uit een hernieuwbare energiebron. De energiebron in kwestie wordt gespecificeerd;
2° de meting van de geproduceerde energie voldoet aan de nationale en internationale normen en voorschriften, en de meetconfiguratie laat toe om de nettohoeveelheid energie uit hernieuwbare energiebronnen te bepalen;
3° voor alle andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen garanties van oorsprong, kan een ijkcertificaat worden voorgelegd, dat een bevoegde instantie heeft uitgereikt;
4° alle documenten die bij de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong horen, komen overeen met de werkelijkheid.

§ 3. Voor installaties met een nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 1 MW worden geen garanties van oorsprong toegekend, tenzij na de voorlegging om de twee jaar van een nieuw keuringsverslag dat voldoet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 2.

In afwijking van het eerste lid is een nieuw keuringsverslag om de twee jaar niet vereist voor installaties waar alle metingen die noodzakelijk zijn om het aantal toe te kennen garanties van oorsprong te berekenen, uitgevoerd worden door de netbeheerder of de transmissienetbeheerder die onafhankelijk is van de eigenaar van de productie-installatie en van de geproduceerde energie.

§ 4. Bij energieproductie uit organisch-biologische stof geeft de keuringsinstantie in het keuringsverslag ook toelichting over haar controle van de toelevering en het verbruik van die energiebronnen, en wordt de verhouding vermeld van de toegeleverde en gebruikte energiebronnen tot de hoeveelheid geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen waarvoor de afgelopen twee jaar garanties van oorsprong zijn toegekend.

§ 5. De productieregistrator kan, na overleg met de productiecoördinator, een model voor het keuringsverslag vastleggen, waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang de gebruikte energiebron en technologie. De productieregistrator kan, na overleg met de productiecoördinator, nadere regels vastleggen waaraan het keuringsverslag moet voldoen, en de voorwaarden om in aanmerking te komen als onafhankelijke keuringsinstantie met erkenning in het werkdomein in kwestie, vermeld in paragraaf 2.

§ 6. Vijf jaar na de start van de toekenning worden er geen garanties van oorsprong meer toegekend aan productie-installaties waarvoor geen periodiek herkeuringsverslag moet worden voorgelegd conform paragraaf 3, artikel 6.2/3.14 of 6.2/3.16, tenzij de aanvrager heeft bevestigd dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan de productie-installatie.

§ 7. De productieregistrator kan altijd toegang krijgen tot de site van de productie-installatie en tot de gegevens om het aantal toe te kennen en toegekende garanties van oorsprong te berekenen om te controleren of de gegevens in het aanvraagdossier overeenkomen met de werkelijkheid.

[Onderafdeling 4. Vereiste berekeningen bij de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.4. (17/08/2019- ...)

§ 1. Om de energieproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling te bepalen van de installatie van een welbepaalde energiedrager, die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong, wordt voor de energiedrager in kwestie de hoeveelheid netto-energieproductie berekend die voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° ze wordt in een net of in een geheel van onderling verbonden leidingen geïnjecteerd waarop verschillende gebruikers zijn aangesloten;
2° ze wordt fysiek overgedragen aan een derde partij via een distributiesysteem dat verschillende partijen belevert in geval van gas dat niet in een net of in een geheel van onderling verbonden leidingen wordt geïnjecteerd.

§ 2. Om de netto-energieproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling te bepalen van de installatie van een welbepaalde energiedrager, wordt voor de energiedrager in kwestie de maandelijkse hoeveelheid netto-energieproductie berekend.

De hoeveelheid netto-energieproductie is de geproduceerde energie, verminderd met de gemeten energieafname of de equivalente energieafname van de utiliteitsvoorzieningen die bij de productie-installatie horen.

Als die utiliteitsvoorzieningen andere energievormen dan de energiedrager in kwestie gebruiken, wordt hun equivalente afname in de beoogde energiedrager berekend als de energie in de beoogde energiedrager die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.

Als uit de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong blijkt dat de hulpenergie, vermeld in het tweede en derde lid, klein is in verhouding tot de geproduceerde energie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong, kan beslist worden om de netto-energieproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale energieproductie van de energiedrager in kwestie.

§ 3. Conform artikel 6.1.10, eerste lid, wordt de energieproductie uit het organisch-biologische deel van restafval gelijkgesteld met 47,78% van de totale energieproductie uit restafval. Als de energie wordt opgewekt uit andere afvalstoffen, bepaalt OVAM het percentage organisch-biologische stof dat bepaalt welk aandeel van de geproduceerde energie in aanmerking komt om te worden beschouwd als energie die uit hernieuwbare energiebronnen afkomstig is.

§ 4. Voor de productie van elektriciteit of gas uit hernieuwbare energiebronnen registreert de productieregistrator op verzoek van de aanvrager ook de hoeveelheid netto-energieproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling die op de site van de productie-installatie wordt verbruikt, of door de eigenaar van de productie-installatie aan een welbepaalde afnemer wordt toegewezen, afzonderlijk van de hoeveelheid geproduceerde energie, vermeld in paragraaf 1, zodat daarvoor garanties van oorsprong kunnen worden toegekend die niet verhandelbaar noch inleverbaar zijn.

§ 5. De eigenaar van de productie-installatie informeert de productieregistrator over de identificatie van de gebruiker als de geproduceerde energie direct aan een specifieke gebruiker wordt toegewezen, conform artikel 6.2/3.20 § 4. De productieregistrator rapporteert die gegevens vervolgens aan de VREG.

§ 6. De productieregistrator kan beslissen om de meting van de opgewekte energie aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de nettohoeveelheid geproduceerde energie te bepalen.

§ 7. De productieregistrator kan, na goedkeuring door de productiecoördinator, nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd en meegedeeld.

Artikel 6.2/3.5. (17/08/2019- ...)

De eerste maandelijkse berekeningen, vermeld in artikel 6.2/3.4, worden uitgevoerd op basis van de energie die is geproduceerd vanaf de laatste van de volgende data:
1° de datum van het keuringsverslag, vermeld in artikel 6.2/3.3;
2° de datum van de indienstneming van de productie-installatie.

[Onderafdeling 5. Melding van wijzigingen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.6. (17/08/2019- ...)

De aanvrager meldt de volgende elementen aan de productieregistrator:
1° iedere wijziging in de installatie, de meetinrichtingen, de energiebron of ieder ander element dat een impact heeft op de berekening van de hoeveelheid energie die in de installatie wordt geproduceerd door een hernieuwbare energiebron of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
2° iedere wijziging in de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de garanties van oorsprong worden toegekend.

De productieregistrator kan zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2./3.1, § 5 aanpassen als gevolg van de wijzigingen, vermeld in het eerste lid.

[Onderafdeling 6. Controle door de productieregistrator (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.7. (17/08/2019- ...)

§ 1. De productieregistrator kan een productie-installatie, waarvan de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong is ontvangen of goedgekeurd, op elk moment controleren om na te gaan of de energie wel opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en of de meting van de geproduceerde energie en andere metingen die noodzakelijk zijn om de productie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

§ 2. De productieregistrator kan op elk moment controleren of de vaststellingen, die opgenomen zijn in een keuringsverslag als vermeld in artikel 6.2./3.3, overeenkomen met de werkelijkheid.

§ 3. Als de productieregistrator gegronde argumenten heeft om te oordelen dat de energie die de productie-installatie opgewekt heeft, niet of niet meer opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, kan de productieregistrator de beslissing, vermeld in artikel 6.2/3.1, § 5, wijzigen of herroepen, al dan niet met terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop het recht op de toekenning van garanties van oorsprong moest ophouden.

§ 4. Als de productieregistrator vaststelt dat er meer of minder garanties van oorsprong zijn toegekend dan het aantal waarop de eigenaar van de productie-installatie recht had, kan hij, nadat hij de eigenaar van de productie-installatie gehoord heeft, zijn oorspronkelijke beslissing met terugwerkende kracht wijzigen en een rechtzetting van de toegekende garanties van oorsprong doorvoeren.

[Onderafdeling 7. Rol van de productiecoördinator (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.8. (17/08/2019- ...)

De VREG is de productiecoördinator.

De productiecoördinator ziet toe op de correctheid van de berekeningsprincipes van het aantal toe te kennen garanties van oorsprong en de manier waarop de productieregistratoren productiegegevens doorgeven, zodat de VREG daarvoor garanties van oorsprong kan toekennen.

De aanvrager kan binnen twintig dagen na de dag waarop hij de beslissing van de productieregistrator heeft ontvangen, met een aangetekende brief een gemotiveerd beroep indienen bij de productiecoördinator tegen een beslissing van de productieregistrator die betrekking heeft op de toekenning van garanties van oorsprong voor zijn productie-installatie. Tegen een beslissing van de productiecoördinator kan de aanvrager binnen twintig dagen na de dag waarop hij de beslissing van de productiecoördinator heeft ontvangen, met een aangetekende brief een gemotiveerd beroep indienen bij de minister.

Als de productieregistrator de toegang tot de installatie wordt geweigerd of als hij vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, meldt hij dat onmiddellijk aan de productiecoördinator.

De VREG kan, op eigen initiatief of op verzoek van de productieregistrator, de toekenning van garanties van oorsprong schorsen totdat wordt vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2/3.1, § 3, of artikel 6.2/3.3, of intrekken, als die garanties van oorsprong nog niet verhandeld of ingeleverd zijn.

Als wordt vastgesteld dat een aantal van de onterecht toegekende garanties van oorsprong toch al is verhandeld of is ingeleverd, wordt voor de productie-installatie in kwestie het aantal garanties van oorsprong dat toegekend wordt conform artikel 6.1.3, gecompenseerd met het aantal garanties van oorsprong dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5.

[Afdeling 2. Specifieke bepalingen over de aanvraag en berekening van de energieproductie die recht geeft op de toekenning van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

[Onderafdeling 1. Productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en warmte-krachtkoppeling (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.9. (17/08/2019- ...)

In afwijking van artikel 6.2/3.1, § 1, hoeft er geen aparte aanvraag te worden ingediend als al een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten als vermeld in artikel 6.1.2, of een aanvraag tot toekenning van warmte-krachtcertificaten als vermeld in artikel 6.2.2, is ingediend. Die aanvraag wordt dan geacht deel uit te maken van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.2, of de aanvraag tot toekenning van warmte-krachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.2.

In het geval, vermeld in het eerste lid, start de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit die opgewekt is uit hernieuwbare energiebronnen, op hetzelfde moment als de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.7, derde lid, en start de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit die opgewekt is uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling op hetzelfde moment als de toekenning van warmte-krachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.7, derde lid.

Artikel 6.2/3.10 (17/08/2019- ...)

Installaties die elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron komen alleen in aanmerking voor toekenning van garanties van oorsprong als ze een nominaal elektrisch vermogen van 10 kW of meer hebben.

Alleen elektriciteit die wordt geïnjecteerd in een distributienet, een plaatselijk vervoernet, een transmissienet of een gesloten distributienet met vrije leverancierskeuze, kan in aanmerking genomen worden voor de toekenning van verhandelbare garanties van oorsprong.

Artikel 6.2/3.11. (17/08/2019- ...)

De rapportering van de gegevens, vermeld in artikel 6.2/3.2, verloopt:
1° conform artikel 6.1.9 voor de installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen;
2° conform artikel 6.2.9 voor de installaties die elektriciteit opwekken uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling.

De rapportering, vermeld in het eerste lid, wordt aangevuld met de rapportering van de hoeveelheid elektriciteit die de productie-installatie in kwestie opwekt uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, en die in het distributienet, het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of het transmissienet wordt geïnjecteerd. De distributienetbeheerder of de transmissienetbeheerder van het net waarop de installatie is aangesloten, meet die gegevens en bezorgt ze aan het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 6.2/3.12. (17/08/2019- ...)

In afwijking van artikel 6.2/3.5 wordt de eerste maandelijkse berekening, vermeld in artikel 6.2./3.4, op de volgende wijze uitgevoerd:
1° voor installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie: op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de plaatsing van de productiemeter door de netbeheerder;
2° voor installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit andere hernieuwbare energiebronnen dan zonne-energie of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling dat kleiner is dan of gelijk aan 200 kW: op basis van de energie die is geproduceerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de aanvraag wordt ontvangen binnen een jaar na de datum van dat verslag.

Artikel 6.2/3.13. (17/08/2019- ...)

§ 1. Bij de productie van elektriciteit in een productie-installatie die wordt gevoed met gas dat afkomstig is van een gasnet of een ander gasdistributiesysteem dat verschillende gebruikers belevert, kan de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator voor elektriciteit een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, voor dezelfde chemische samenstelling van het gas en overeenkomstig de hoeveelheid gas die aan de productie-installatie in de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de chemische samenstelling en de energie-inhoud van de hoeveelheid gas die in de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 2. Bij de productie van elektriciteit in een productie-installatie die wordt gevoed met warmte of koude, afkomstig van een net dat verschillende gebruikers met warmte of koude belevert, kan de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator voor elektriciteit een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, overeenkomstig de hoeveelheid warmte of koude die aan de productie-installatie in de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de energie-inhoud van de hoeveelheid warmte of koude die in de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 3. In afwijking van de vereiste om meetgegevens over de gas-, warmte- of koudevoeding aan de productie-installatie te bezorgen conform paragraaf 1 en 2, kan de productieregistrator, na goedkeuring of in opdracht van de productiecoördinator, vereenvoudigde waarden vastleggen voor de hoeveelheid elektriciteit die per eenheid gas of per eenheid warmte of koude in de productie-installatie wordt gegenereerd.

§ 4. De productieregistrator kan, na goedkeuring van de productiecoördinator, nadere voorwaarden vastleggen over de vereisten van de garanties van oorsprong die kunnen worden ingediend om op basis van de voeding aan de productie-installatie elektriciteit te produceren waarvoor garanties van oorsprong worden toegekend.

§ 5. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, registreert de productieregistrator de productieperiode, vermeld op de ingediende garanties van oorsprong, als productieperiode voor de nieuw aan te maken garanties van oorsprong.

De productieregistrator brengt de aanvrager en de productiecoördinator op de hoogte van het resultaat van de berekening. Het resultaat van de berekening wordt ook aan de VREG bezorgd.

[Onderafdeling 2. Productie van gas uit hernieuwbare energiebronnen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.14. (17/08/2019- ...)

§ 1. Voor installaties die gas opwekken uit een hernieuwbare energiebron, dat in een net wordt geïnjecteerd, meet de netbeheerder maandelijks per site de volgende gegevens:
1° de netto-energie-inhoud van de hoeveelheid gas uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt;
2° de netto-energie-inhoud van de hoeveelheid die in het net wordt geïnjecteerd.

De netbeheerder rapporteert de gegevens, vermeld in het eerste lid, aan de productieregistrator.

Voor installaties die gas opwekken uit een hernieuwbare energiebron, dat niet in een net wordt geïnjecteerd, maar dat wordt verhandeld via een ander distributiesysteem dat verschillende gebruikers op afstand belevert, meet de producent maandelijks per site de volgende gegevens:
1° de netto-energie-inhoud van de hoeveelheid gas uit hernieuwbare energiebronnen die opgewekt is;
2° de netto-energie-inhoud van de hoeveelheid die via het distributiesysteem wordt verdeeld.

De producent rapporteert de gegevens, vermeld in het derde lid, aan de productieregistrator.

§ 2. Als de productieregistrator niet dezelfde partij is als de netbeheerder of als de producent de maandelijkse meetgegevens uitleest en rapporteert, bezorgt de producent in afwijking van artikel 6.2/3.3, § 3, jaarlijks aan de productieregistrator een keuringsverslag dat voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 6.2/3.3.

Artikel 6.2/3.15. (17/08/2019- ...)

§ 1. Bij de productie van gas in een productie-installatie die wordt gevoed met elektriciteit, kan de hoeveelheid geproduceerd gas in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, overeenkomstig de hoeveelheid elektriciteit die aan de productie-installatie gedurende de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de hoeveelheid elektriciteit die gedurende de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 2. Bij de productie van gas in een productie-installatie die wordt gevoed met een ander gas, afkomstig van een gasnet of een ander gasdistributiesysteem dat verschillende gebruikers belevert, kan de hoeveelheid geproduceerd gas in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, voor dezelfde chemische samenstelling van het gas en overeenkomstig de hoeveelheid gas die aan de productie-installatie in de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de chemische samenstelling en de energie-inhoud van de hoeveelheid gas die gedurende de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 3. Bij de productie van gas in een productie-installatie die met warmte of koude, afkomstig van een net dat verschillende gebruikers met warmte of koude belevert, is gevoegd, kan de hoeveelheid geproduceerd gas in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, overeenkomstig de hoeveelheid warmte of koude die aan de productie-installatie gedurende de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de energie-inhoud van de hoeveelheid warmte of koude die gedurende de periode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 4. In afwijking van de vereiste om meetgegevens over de elektriciteit, gas-, warmte- of koudevoeding aan de productie-installatie te bezorgen conform paragraaf 1 tot en met 3, kan de productieregistrator, na goedkeuring of in opdracht van de productiecoördinator, vereenvoudigde waarden vastleggen voor de hoeveelheid elektriciteit die per eenheid elektriciteit, gas, warmte of koude in de productie-installatie wordt opgewekt.

§ 5. De productieregistrator kan, na goedkeuring van de productiecoördinator, nadere voorwaarden vastleggen over de vereisten van de garanties van oorsprong die kunnen worden ingediend om op basis van de voeding aan de productie-installatie gas te produceren waarvoor garanties van oorsprong worden toegekend.

§ 6. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, registreert de productieregistrator de productieperiode, vermeld op de ingediende garanties van oorsprong, als productieperiode voor de nieuw aan te maken garanties van oorsprong.

De productieregistrator brengt de aanvrager en de productiecoördinator op de hoogte van het resultaat van de berekening. Het resultaat van de berekening wordt ook aan de VREG bezorgd.

[Onderafdeling 3. Productie van warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.16. (17/08/2019- ...)

§ 1. Installaties die warmte opwekken uit een hernieuwbare energiebron komen alleen in aanmerking voor de toekenning van garanties van oorsprong als ze een nominaal thermisch vermogen van 300 kW of meer hebben.

§ 2. Voor installaties met een thermisch vermogen van 300 kW of meer die warmte of koude opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de warmte- of koudenetbeheerder maandelijks per site de netto-energie-inhoud van de hoeveelheid warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen die in zijn net wordt geïnjecteerd. Hij rapporteert die gegevens aan de productieregistrator.

§ 3. Als de warmte- of koudenetbeheerder niet onafhankelijk is van de producent, bezorgt de producent in afwijking van artikel 6.2./3.3, § 3, tweejaarlijks aan de productieregistrator een keuringsverslag dat voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 6.2/3.3.

Artikel 6.2/3.17. (17/08/2019- ...)

§ 1. Bij de productie van warmte of koude in een productie-installatie die wordt gevoed met elektriciteit, kan de hoeveelheid geproduceerde warmte of koude in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, overeenkomstig de hoeveelheid elektriciteit die aan de productie-installatie in de periode in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de hoeveelheid elektriciteit die gedurende de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 2. Bij de productie van warmte of koude in een productie-installatie die wordt gevoed met gas, afkomstig van een gasnet of een ander gasdistributiesysteem dat verschillende gebruikers belevert, kan de hoeveelheid geproduceerde warmte of koude in aanmerking komen voor de toekenning van garanties van oorsprong voor warmte of koude uit hernieuwbare energiebronnen, op voorwaarde dat aan de productieregistrator voor warmte of koude een bewijs wordt voorgelegd dat daarvoor een hoeveelheid garanties van oorsprong voor gas uit hernieuwbare energiebronnen is ingediend, voor dezelfde chemische samenstelling van het gas en overeenkomstig de hoeveelheid gas die aan de productie-installatie in de periode van warmte- of koudeproductie in kwestie is gevoed.

Om te bepalen hoeveel garanties van oorsprong hiertoe moeten worden ingediend, worden aan de productieregistrator de meetgegevens bezorgd over de chemische samenstelling en de energie-inhoud van de hoeveelheid gas die gedurende de productieperiode in kwestie aan de productie-installatie is gevoed.

§ 3. In afwijking van de vereiste om meetgegevens te bezorgen over de elektriciteits- of gasvoeding aan de productie-installatie, vermeld in paragraaf 1 en 2, kan de productieregistrator, na goedkeuring of in opdracht van de productiecoördinator, vereenvoudigde waarden vastleggen voor de hoeveelheid warmte of koude die per eenheid elektriciteit, gas, warmte of koude in de productie-installatie wordt opgewekt.

§ 4. De productieregistrator kan, na goedkeuring van de productiecoördinator, nadere voorwaarden vastleggen over de vereisten van de garanties van oorsprong die kunnen worden ingediend om op basis van de voeding aan de productie-installatie warmte te produceren waarvoor garanties van oorsprong worden toegekend.

§ 5. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, registreert de productieregistrator als productieperiode voor de nieuw aan te maken garanties van oorsprong de productieperiode, vermeld op de ingediende garanties van oorsprong.

De productieregistrator brengt de aanvrager en de productiecoördinator op de hoogte van het resultaat van de berekening. Het resultaat van de berekening wordt ook aan de VREG bezorgd.

[Afdeling 3. Beheer, toekenning, handel, gebruik, verval en vernietiging van garanties van oorsprong (ing. BVR 17 mei 2019, art. 3, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.2/3.18. (17/08/2019- ...)

§ 1. De VREG stelt passende mechanismen in die garanderen dat de garanties van oorsprong in de centrale databank, vermeld in artikel 7.1/1.1, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, elektronisch kunnen worden verhandeld, uitgevoerd en ingeleverd en dat de garanties van oorsprong die daarin geregistreerd zijn, nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn.

Vanaf 30 juni 2021 zorgt de VREG ervoor dat de vereisten die hij daarbij oplegt in overeenstemming zijn met norm CEN-EN 16325.

§ 2. De VREG ziet toe op de toekenning, de handel, de in- en uitvoer, de inlevering, het verval en de vernietiging van garanties van oorsprong in het Vlaamse Gewest.

De VREG publiceert maandelijks:
1° het aantal toegekende garanties van oorsprong, per energiebron en technologie;
2° het aantal verhandelde garanties van oorsprong en de gemiddelde prijs van de verkopen die geregistreerd zijn in de centrale databank;
3° het aantal in- en uitgevoerde garanties van oorsprong, ingedeeld in landen van bestemming of oorsprong en technologie;
4° het aantal ingeleverde en vervallen garanties van oorsprong.

Artikel 6.2/3.19. (17/08/2019- ...)

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon kan na identificatie en authenticatie een portefeuille openen in de centrale databank. Die portefeuille bevat de garanties van oorsprong waarvan de natuurlijke persoon of rechtspersoon de eigenaar is.

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft na identificatie en authenticatie toegang tot zijn portefeuille in de centrale databank en tot iedere andere portefeuille waarvoor hij een mandaat heeft gekregen van de eigenaar van die portefeuille.

De toegang tot een portefeuille is alleen mogelijk na instemming met de voorwaarden voor het gebruik van de centrale databank, met inbegrip van de authenticatie, het rollenbeheer, de wijze waarop een overdracht, verkoop, inlevering, in- of uitvoer en verval van een garantie van oorsprong verloopt, en de hoogte en de wijze van betaling van de retributie, vermeld in artikel 7.1/1.5 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De VREG maakt de voorwaarden, vermeld in het derde lid, bekend op zijn website.

De identificatie en de authenticatie, vermeld in het eerste en tweede lid, gebeuren met de authenticatiemodule van de elektronische identiteitskaart of een authenticatieprocedure met minstens een gelijkwaardig identificatieniveau, met inbegrip van rollenbeheer.

Artikel 6.2/3.20. (17/08/2019- ...)

§ 1. De VREG kent, op basis van de gegevens die hij van de productieregistrator ontvangt, garanties van oorsprong toe voor de netto-energie die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen of voor elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze wordt in een net geïnjecteerd waarop verschillende gebruikers zijn aangesloten;
2° ze wordt fysiek overgedragen aan een derde partij via een distributiesysteem dat verschillende partijen belevert in geval van gas dat niet in een net wordt geïnjecteerd.

De VREG zorgt ervoor dat voor elke geproduceerde MWh energie niet meer dan één garantie van oorsprong wordt toegekend.

§ 2. Met uitzondering van de garanties van oorsprong, vermeld in paragraaf 3, kunnen de garanties van oorsprong die de VREG toekent, verhandeld en ingeleverd worden.

§ 3. Op verzoek van de aanvrager, kunnen voor de elektriciteit of het gas, vermeld in artikel 6.2/3.4, § 4, garanties van oorsprong voor de elektriciteit respectievelijk het gas uit hernieuwbare energiebronnen worden toegekend voor het gedeelte dat ter plaatse verbruikt wordt. Die garanties van oorsprong kunnen niet verhandeld, uitgevoerd of ingeleverd worden.

§ 4. Op verzoek van de aanvrager, kunnen voor de elektriciteit die door de eigenaar van de productie-installatie meteen bij productie aan een welbepaalde gebruiker is toegewezen, vermeld in artikel 6.2/3.4, § 4 en § 5, garanties van oorsprong voor de elektriciteit respectievelijk het gas uit hernieuwbare energiebronnen worden toegekend voor het gedeelte dat meteen bij productie aan een welbepaalde gebruiker is toegewezen. Die garanties van oorsprong kunnen niet verhandeld, uitgevoerd of ingeleverd worden.

Artikel 6.2/3.21. (17/08/2019- ...)

§ 1. De garanties van oorsprong die de VREG toekent, worden geplaatst in de elektronische portefeuille van de eigenaar van de productie-installatie of de portefeuille van de persoon die hij aanwijst. De productiecoördinator heeft toegang tot die databank.

§ 2. De toegekende garanties van oorsprong bevatten minstens de volgende gegevens:
1° de energiebron waarmee de energie is geproduceerd;
2° de begin- en einddatum van de productie;
3° de energiedrager waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, namelijk:
a) elektriciteit,
b) gas en de vermelding van de chemische samenstelling ervan,
c) warmte of koude en de chemische samenstelling en de aggregatietoestand van de energiedrager;
4° de identiteit, de locatie, het type en de capaciteit van de installatie waar de energie is geproduceerd;
5° of de installatie investeringssteun heeft gekregen en of de energie-eenheid op een andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling;
6° de datum waarop de installatie in dienst is genomen;
7° de datum en het land van afgifte en, als dat van toepassing is, de regio of het gewest van afgifte;
8° een uniek identificatienummer;
9° de vermelding dat de garantie van oorsprong nog kan worden ingeleverd, niet kan worden ingeleverd, al ingeleverd is of al vervallen is.

§ 3. Als de garantie van oorsprong toegekend is voor elektriciteit die is geproduceerd uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, vermeldt de garantie van oorsprong minstens de volgende gegevens naast de gegevens, vermeld in paragraaf 2:
1° de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;
2° het thermische vermogen van de installatie waar de energie is geproduceerd;
3° het nominale thermische en elektrische rendement van de productie-installatie;
4° de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft en die berekend wordt conform bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd;
5° de besparing op primaire energie die berekend wordt conform bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd;
6° de hoeveelheid en de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd.

§ 4. De VREG kan beslissen om bijkomende vermeldingen toe te voegen op de garantie van oorsprong en om nadere regels voor de vermeldingen vast te leggen. De productieregistratoren zorgen ervoor dat de benodigde gegevens daarvoor per installatie worden geregistreerd en doorgegeven aan de VREG.

Voor garanties van oorsprong voor installaties van minder dan 50 kW kan de VREG beslissen om vereenvoudigde informatie te vermelden.

§ 5. Op de toegekende garantie van oorsprong worden vermeldingen aangebracht op basis van de gegevens die de productieregistrator daarvoor aan de VREG bezorgt.

Artikel 6.2/3.22. (17/08/2019- ...)

Een garantie van oorsprong die afkomstig is uit een ander gewest of een ander land uit de Europese Economische Ruimte, of uit een land waarmee de Europese Unie een overeenkomst heeft gesloten over de wederzijdse erkenning van garanties van oorsprong die in de Europese Unie zijn uitgereikt en over verenigbare systemen voor garanties van oorsprong die zijn vastgesteld in dat derde land, kan in het Vlaamse Gewest worden ingevoerd en gebruikt om de herkomst van geleverde energie te staven, als de eigenaar ervan aan de VREG aantoont dat voldaan wordt aan al de volgende voorwaarden:
1° de garantie van oorsprong voor energie vermeldt minstens de gegevens, vermeld in artikel 6.2/3.21, § 2 en § 3, van dit besluit;
2° de garantie van oorsprong is het enige bewijs dat voor de hoeveelheid energie in kwestie uitgereikt is en toont aan dat een producent in een daarin aangegeven jaar een daarin aangegeven hoeveelheid energie, uitgedrukt in MWh, heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en geleverd heeft als energie uit hernieuwbare energiebronnen of een daarin aangegeven hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, heeft opgewekt in een kwalitatieve warmte-krachtcentrale en geleverd heeft als elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling als vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
3° de hoeveelheid energie waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, is nog niet verkocht of gebruikt onder de benaming energie uit hernieuwbare energiebronnen, elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling of een gelijkwaardige benaming;
4° de garantie van oorsprong wordt elektronisch overgedragen vanuit het andere gewest of land naar de portefeuille van de eigenaar van de ingevoerde garantie van oorsprong in de centrale databank van de VREG, via een systeem dat de betrouwbaarheid en de uniciteit van de garantie van oorsprong garandeert;
5° de garantie van oorsprong is niet vervallen, is nog niet eerder ingeleverd en is niet toegekend voor energie die op de plaats van productie gebruikt is.

Ingevoerde garanties van oorsprong kunnen verhandeld, uitgevoerd of ingeleverd worden in de centrale databank.

De VREG bepaalt via welk formaat, welke procedure en welk medium garanties van oorsprong kunnen worden ingevoerd uit een ander gewest of een ander land.

Artikel 6.2/3.23. (17/08/2019- ...)

Garanties van oorsprong die niet meer ingeleverd kunnen worden wegens verloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1./1.4, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden vervallen verklaard in de databank.

Vervallen garanties van oorsprong kunnen niet meer verhandeld, uitgevoerd of ingeleverd worden.

Artikel 6.2/3.24. (17/08/2019- ...)

§ 1. Garanties van oorsprong zijn vrij verhandelbaar, met uitzondering van de garanties van oorsprong die ingeleverd zijn, vervallen zijn of toegekend zijn voor ter plaatse verbruikte energie.

§ 2. De verkoper registreert de verkoop van een garantie van oorsprong in de centrale databank. Hij wijst daarbij de verhandelde garanties van oorsprong, de koper en de verkoopprijs aan.

§ 3. Na de registratie van de verkoop worden de garanties van oorsprong in kwestie overgedragen van de portefeuille van de verkoper aan de portefeuille van de koper.

Als de portefeuille van de koper zich bevindt in de databank van een instantie die de garanties van oorsprong beheert in een ander gewest of land, draagt de VREG de nodige gegevens over aan de bevoegde instantie in het gewest of het land waarnaar de garantie van oorsprong is uitgevoerd.

§ 4. De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar garanties van oorsprong bekend te maken.

Artikel 6.2/3.25. (17/08/2019- ...)

De eigenaar kan garanties van oorsprong die nog niet ingeleverd zijn en die nog niet vervallen zijn, in de centrale databank inleveren ter staving van de oorsprong van een overeenkomstige hoeveelheid energie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmte-krachtkoppeling.

Artikel 6.2/3.26. (17/08/2019- ...)

§ 1. Een elektriciteitsleverancier levert maandelijks per product een aantal garanties van oorsprong in voor elektriciteit die opgewekt is uit hernieuwbare energiebronnen en een aantal garanties van oorsprong voor elektriciteit die opgewekt is uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling. Dat aantal komt overeen met respectievelijk de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest en de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, en de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest en de elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling.

§ 2. De elektriciteitsleverancier bezorgt de VREG maandelijks een lijst van de afnemers die op het net van een netbeheerder of transmissienetbeheerder aangesloten zijn en die de leverancier voorziet van elektriciteit die opgewekt is uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmte-krachtkoppeling. Per afnemer vermeldt hij het aangeboden product, en per product geeft hij het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmte-krachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan die afnemer.

De VREG bepaalt het model waarop en de termijn waarbinnen de leverancier hem de gegevens, vermeld in het eerste lid, moet bezorgen.

§ 3. De netbeheerders en de transmissienetbeheerder melden maandelijks aan de VREG en aan de betrokken elektriciteitsleverancier de afnamegegevens van de afnemers, vermeld in paragraaf 2, opgesplitst naargelang het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmte-krachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan die afnemers.

De VREG kan nadere regels vastleggen over de manier waarop de metingen, vermeld in het eerste lid, uitgevoerd worden en de manier waarop de meetgegevens ervan bezorgd worden aan de VREG.

§ 4. De VREG controleert maandelijks op basis van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, of de elektriciteitsleverancier het correcte aantal garanties van oorsprong heeft ingeleverd conform paragraaf 1.

Als de leverancier te veel garanties van oorsprong heeft ingeleverd, wordt het overschot overgedragen naar de volgende maand als de garanties van oorsprong in die maand nog niet vervallen.

Als de leverancier onvoldoende garanties van oorsprong heeft ingeleverd, brengt de VREG de betrokken leverancier daarvan op de hoogte. De leverancier kan dan alsnog binnen tien werkdagen extra garanties van oorsprong inleveren.

§ 5. De VREG biedt op zijn website afnemers van elektriciteit de mogelijkheid om te controleren of, en in welke mate, hun leverancier hun elektriciteit heeft geleverd die is opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmte-krachtkoppeling. Daarbij worden ook de techniek en het land van oorsprong van de ingeleverde garanties van oorsprong vermeld en wordt uitgegaan van de gegevens van de controle, vermeld in artikel 6.2/3.14.

Artikel 6.2/3.27. (17/08/2019- ...)

Tegen uiterlijk 1 januari 2022 wordt, na advies van de productiecoördinator, de in dit hoofdstuk vervatte regeling geëvalueerd, in het bijzonder van de bepalingen vastgesteld in het artikel 6.2/3.1, § 2, en het artikel 6.2/3.8. De Vlaamse Regering beoordeelt in die evaluatie ook of de markt rijp is om de artikelen 7.4.2 en 7.4.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in werking te laten treden.

[HOOFDSTUK III. Informatieverlening over oorsprong en milieugevolgen van geleverde energie (verv. BVR 17 mei 2019, art. 4, I: 17 augustus 2019)]

Artikel 6.3.1. (17/08/2019- ...)

§ 1. Bij de melding, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt de oorsprong van de geleverde elektriciteit opgegeven onder de volgende categorieën:
1° elektriciteit, geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen;
2° elektriciteit, geproduceerd met fossiele brandstoffen;
3° elektriciteit, geproduceerd in nucleaire centrales;
4° elektriciteit, geproduceerd met afvalwarmte en -koude;
5° elektriciteit, geproduceerd met andere energiebronnen dan de energiebronnen, vermeld in punt 1° tot en met 4°.

De VREG kan nadere regels vastleggen over de vorm van de vermelding, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Het aandeel elektriciteit per energiebron, vermeld in paragraaf 1, wordt vanaf 1 juli van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van het aantal garanties van oorsprong, uitgedrukt in MWh, dat de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar ingeleverd heeft als vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, ten opzichte van de hoeveelheid elektriciteit die de betrokken leverancier via het distributienet, het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of het transmissienet geleverd heeft aan afnemers in het Vlaamse Gewest. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken afnemers. Die garanties van oorsprong om de energiebronnen van de leveringen in het vorige kalenderjaar te staven, worden uiterlijk op 31 maart van het lopende jaar ingeleverd.

De herkomst van elektriciteitsleveringen in het vorige kalenderjaar die op 31 maart niet is gestaafd met de indiening van garanties van oorsprong, wordt bepaald door de residuele mix die de VREG bepaalt.

De VREG brengt de leveranciers op de hoogte van de waarde van de residuele mix.

Artikel 6.3.2. (17/08/2019- ...)

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de bepaling van de brandstofmix van het geheel van de leveringen van een elektriciteitsleverancier.

Artikel 6.3.3. (17/08/2019- ...)

De VREG gaat na of de informatie die de leverancier tijdens het voorgaande kalenderjaar, correct is en in overeenstemming is met de bepalingen van dit hoofdstuk. De leverancier dient voor de controle, vermeld in het eerste lid, jaarlijks voor 31 maart de nodige verantwoordingsstukken in bij de VREG. De VREG beoordeelt die en maakt het resultaat van zijn controle bekend in de vorm van een rapport op de website van de VREG, samen met de percentages voor de oorsprong van de elektriciteit die de leveranciers aanleveren en hanteren.

Artikel 6.3.4. (17/08/2019- ...)

De VREG bepaalt de referentiebronnen waarnaar moet worden verwezen conform artikel 7.4.1, eerste lid, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Artikel 6.3.5. (17/08/2019- ...)

...

HOOFDSTUK IV. Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers, distributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen

Afdeling I. [Openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik (verv. BVR 23 september 2011, art. 7)]

[Onderafdeling 1 Actieverplichtingen (ing. BVR 23 september 2011, art. 7)]

Artikel 6.4.1. (01/01/2014- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5. De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verleent investeringssteun zoals vermeld in artikel 6.4.1/5. § 3.

Artikel 6.4.1/1. (01/01/2019- ...)

Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die voor 1 januari 2006 zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dateert van vóór 1 januari 2006, worden de volgende premies verleend voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende woningen of gebouwen:

1° een premie voor nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, volgens de volgende criteria:

datum van de eindfactuur premie in geval van uitvoering door aannemer premie in geval van uitvoering door doe-het-zelver
1/1/2016 -31/12/2016 8 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 4 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt
   7 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4 m2K/W en minder dan 4,5 m2K/W bedraagt 3,5 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4 m2K/W en minder dan 4,5 m2K/W bedraagt
   6 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W en minder dan 4 m2K/W bedraagt 3 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W en minder dan 4 m2K/W bedraagt
1/1/2017-31/12/2018 6 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 3 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt
Vanaf 1/1/2019 4 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 2 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt

2° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een buitenmuur, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2017 De gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers moeten volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie in spouwmuren. 6 euro per m2
Vanaf 1/1/2018  5 euro per m2

3° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste isolatie aan de buitenkant van een buitenmuur, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2016 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 2 m2K/W. 15 euro per m2
1/1/2017-31/12/2020 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 3 m2K/W. 15 euro per m2
Vanaf 1/1/2021 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 3 m2K/W.
Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2021, moeten de gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie aan de buitenkant van buitenmuren.
15 euro per m2

4° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste isolatie aan de binnenkant van buitenmuren, op voorwaarde dat de warmteweerstand van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 2 m2K/W bedraagt, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2016 / Geen premie
1/1/2017-31/12/2018 De uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of de isolatiematerialen wordt geplaatst door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid of een certificaat van bekwaamheid als aspirant als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. 15 euro per m2
1/1/2019 - 31/12/2020 De uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of de isolatiematerialen wordt geplaatst door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. Indien de voormelde aannemer niet beschikt over voormeld certificaat van bekwaamheid, dan wordt de kwaliteitsvolle uitvoering gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°. 15 euro per m2
Vanaf 1/1/2021 Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vóór 1 januari 2021: de uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of het plaatsen van de isolatiematerialen wordt uitgevoerd door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. Indien de voormelde aannemer niet beschikt over voormeld certificaat van bekwaamheid, dan wordt de kwaliteitsvolle uitvoering gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°.
Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2021, moeten de gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie aan de binnenkant van buitenmuren.
15 euro per m2

5° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste vloerisolatie op volle grond of nieuw geplaatste isolatie op het plafond van een kelder of verluchte ruimte onder een verwarmde ruimte, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur voorwaarde premie
1/1/2016-31/12/2016 de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 1,2 m2K/W. 6 euro per m2
vanaf 1/1/2017 de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 2 m2K/W 6 euro per m2

6° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste glasoppervlakte, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur voorwaarden premie
1/1/2016 - 31/12/2016 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,1 W/m2K maar meer dan 0,8 W/m2K en is geplaatst ter vervanging van enkele beglazing 12 euro per m2
1/1/2016 - 31/12/2016 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 0,8 W/m2K en werd geplaatst ter vervanging van enkele beglazing of dubbele beglazing 15 euro per m2
1/1/2017 - 31/12/2018 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,1 W/m2K 10 euro per m2
1/1/2019 - 31/12/2019 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,0 W/m2K 10 euro per m2
vanaf 1/1/2020 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,0 W/m2K 8 euro per m2

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, de producten en de gebouwschildelen, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de plaatsers van deze producten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies.

Artikel 6.4.1/1/1. (01/01/2019- ...)

Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die vóór 1 januari 2014 zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dateert van vóór 1 januari 2014, worden de volgende premies verleend voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende woningen, wooneenheden of woongebouwen:
1° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatste thermisch zonnecollectorsysteem, volgens de volgende criteria:

datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2016 / 550 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 2750 euro per woning of wooneenheid en begrensd tot 50 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/1/2017 - 30/6/2017 / 550 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 2750 euro per woning of wooneenheid en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/7/2017-31/12/2018 De kwaliteitsvolle uitvoering van de installaties wordt gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 2° of 3°. 550 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 2750 euro per woning of wooneenheid en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
vanaf 1/1/2019 / 550 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 2750 euro per woning of wooneenheid en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen

2° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatste warmtepomp, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem type warmtepomp premie
1/1/2016-31/12/2016 / elektrische warmtepomp 270 euro x ((0,87 x COP) - 2,5) x het elektrisch compressorvermogen uitgedrukt in kWatt en vervolgens beperkt tot 1700 euro per woning of wooneenheid
    gaswarmtepomp 270 euro x ((0,87 x COP) - 1) x het geïnstalleerd gasvermogen uitgedrukt in kWatt en vervolgens beperkt tot 1700 euro per woning of wooneenheid
1/1/2017-30/06/2017 / geothermische warmtepomp 4000 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp 1500 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmtepomp 800 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp 300 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/7/2017-31/12/2018 De kwaliteitsvolle uitvoering van de installaties wordt gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 6° of 7°. geothermische warmtepomp 4000 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp 1500 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmtepomp 800 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp 300 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
vanaf 1/1/2019 / geothermische warmtepomp 4000 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp 1500 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmtepomp 800 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp 300 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen

3° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatste warmtepompboiler, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur voorwaarde premie
Vanaf 1/1/2019 tot en met 31/12/2019 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water 400 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
Vanaf 1/1/2020 tot en met 31/12/2020 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water 300 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
Vanaf 1/1/2021 tot en met 31/12/2023 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water 200 euro per woning of wooneenheid, begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen

Als de plaatsing van de warmtepomp, vermeld in het eerste lid, het gevolg is van de vervanging van de bestaande elektrische weerstandsverwarming in de volledige woning of wooneenheid door de betreffende warmtepomp, wordt de premie evenals desgevallend het maximum, vermeld in het eerste lid, verdubbeld als het betreffende gebouw al sinds 1 januari 2006 op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten met toepassing van uitsluitend nachttarief. De verdubbeling wordt desgevallend beperkt tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten.

Voor warmtepompen geplaatst vanaf 2017 en met eindfacturen vanaf 2017, wordt de premie, vermeld in het eerste lid, 2°, verdubbeld als de warmtepomp wordt geplaatst in een woning, wooneenheid of woongebouw, gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is. De verdubbeling wordt desgevallend beperkt tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten.

De verhogingen vermeld in het tweede en derde lid zijn niet cumuleerbaar met elkaar.

De premies voor een thermisch zonnecollectorsysteem en een warmtepompboiler zijn niet cumuleerbaar met elkaar. De premies voor een warmtepomp en een warmtepompboiler zijn enkel cumuleerbaar met elkaar in zoverre de plaatsing van de warmtepompboiler die van de warmtepomp vooraf gaat.

Per woning of per wooneenheid kan slechts één keer per tien jaar een premie voor een warmtepomp worden toegekend. Per woning of per wooneenheid kan slechts één keer per vijftien jaar een premie voor een thermisch zonnecollectorsysteem worden toegekend. Per woning of per wooneenheid kan slechts één keer per tien jaar een premie voor een warmtepompboiler worden toegekend.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden en de installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de plaatsers van deze installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies. De minister zal in het kader van de toepassing van de premies, vermeld in het eerste lid, kwaliteitseisen en kwaliteitscontroles opleggen aan installateurs van warmtepompen, thermische zonnecollectorsystemen en warmtepompboilers. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop die eisen en controles worden uitgevoerd. De minister kan eisen bepalen waaraan de personen of organisaties die de controles uitvoeren, moeten voldoen.

Artikel 6.4.1/1/2. (25/09/2016- ...)

Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die voor 1 januari 2006 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, wordt een gecombineerde premie verleend voor de gelijktijdig uitgevoerde investeringen in muurisolatie van bestaande buitenmuren en de vervanging van bestaande beglazing inclusief raamwerk in de betreffende woningen, wooneenheden of woongebouwen.

De premie bedraagt, voor wat de investering in muurisolatie van bestaande buitenmuren betreft, 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een bestaande buitenmuur of 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste isolatie aan de buitenzijde van een bestaande buitenmuur met een Rd-waarde van minimum 2 m2K/W.

De premie bedraagt, voor wat de investering in de vervanging van bestaande beglazing inclusief raamwerk betreft, 48 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele beglazing met een maximum van 1680 euro op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 1,1 W/m2K of 60 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele of dubbele beglazing met een maximum van 2100 euro op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 0,8 W/m2K. De warmtedoorgangscoëfficiënt van het geheel van beglazing en raamprofiel mag in beide gevallen maximaal 1,7 W/m2K bedragen.

Om als gelijktijdig uitgevoerd te worden beschouwd en aldus in aanmerking te komen voor de gecombineerde premie vermeld in dit artikel, mogen de eindfacturen van de investeringen in enerzijds muurisolatie en anderzijds beglazing niet meer dan 12 maanden uit elkaar liggen en moet de eindfactuur van de eerste investering niet later gedateerd zijn dan 31/12/2016 en de eindfactuur van de tweede investering niet later gedateerd zijn dan 31/12/2017. Bovendien geldt de gecombineerde premie enkel indien alle enkele of gewoon dubbele beglazing met een U-waarde van 2,9 W/m2K of slechter in de van muurisolatie voorziene gevels of geveldelen wordt vervangen.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in dit artikel, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de gecombineerde premie.

De gecombineerde premie vermeld in dit artikel wordt enkel toegekend indien de plaatsing van de muurisolatie en de vervanging van de beglazing inclusief raamwerk pas worden aangevat vanaf 1 januari 2014.

De gecombineerde premie, vermeld in dit artikel, kan voor dezelfde investeringen niet worden gecumuleerd met de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, die voor hetzelfde type investering worden gegeven.

Artikel 6.4.1/1/3. (25/09/2016- ...)

Investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die vóór 1 januari 2006 zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dateert van vóór 1 januari 2006, kunnen vanaf 1 januari 2017 een voucher totaalrenovatie activeren als ze in hun woning, wooneenheid of woongebouw binnen een periode van vijf jaar minstens drie van de volgende zeven energiebesparende investeringen plannen uit te voeren:
1° dak- of zoldervloerisolatie, met een nieuw te isoleren oppervlakte van minimaal 30 m2;
2° isolatie van buitenmuren, bestaande uit isolatie aan de buitenzijde, aan de binnenzijde of in de spouw, met een nieuw te isoleren oppervlakte van minimaal 30 m2;
3° isolatie van vloeren op volle grond of van plafonds van kelders of verluchte ruimtes onder een verwarmde ruimte, met een nieuw te isoleren minimaal oppervlakte van 30 m2;
4° plaatsing van beglazing, met nieuw te plaatsen beglazing van minimaal 5 m2;
5° plaatsing van een thermisch zonnecollectorsysteem;
6° plaatsing van een warmtepomp;
7° plaatsing van een ventilatiesysteem.

De voucher kan worden geactiveerd zodra de premie-aanvraag voor de eerste investering met eindfactuur vanaf 1 januari 2017 wordt ingediend of in elke daarna volgende premie-aanvraag. Bij de activatie van de voucher moet de investeerder aangeven welke investeringen hij onder de voucher wil laten vallen, met aanduiding van de oppervlaktes in kwestie bij isolatie- en beglazingsinvesteringen. De in de voucher aangegeven investeringen kunnen evenwel doorheen de tijd aangepast worden. Voor de isolatie- en beglazingsinvesteringen moet de woning, de wooneenheid of het woongebouw na uitvoering van de aangegeven investeringen binnen het beschermd volume volledig zijn geïsoleerd tot op de niveaus, vermeld in artikel 6.4.1/1 voor eindfacturen vanaf 2017.

De voucher totaalrenovatie geeft recht op een forfaitair premiesupplement boven op de premies die voor de individuele investeringen worden toegekend, waarvan de hoogte volgens de volgende criteria wordt berekend:

na tijdige uitvoering van forfaitair supplement per woning forfaitair supplement per wooneenheid
de derde investering 1250 euro 625 euro
de vierde investering bijkomend 500 euro bijkomend 250 euro
de vijfde investering bijkomend 1000 euro bijkomend 500 euro
de zesde investering bijkomend 1000 euro Bijkomend 500 euro
de zevende investering bijkomend 1000 euro bijkomend 500 euro

Om als een tijdige uitvoering te worden beschouwd als vermeld in het derde lid, moeten de eindfacturen van de investeringen binnen een periode van vijf jaar vallen vanaf de datum van de eindfactuur van de investering waarmee de voucher is geactiveerd.

Investeringen in gemeenschappelijke delen van een woongebouw of collectief geplaatste thermische zonnecollectorsystemen, warmtepompsystemen of ventilatiesystemen, tellen mee voor de voucher totaalrenovatie van elk van de betrokken wooneenheden.

Om in aanmerking te komen voor de forfaitaire supplementen vanaf de vijfde investering, moet de investeerder een energieprestatiecertificaat voorleggen waaruit blijkt wat de huidige energieprestatie is van de betreffende woning of wooneenheid.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan het ventilatiesysteem, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de plaatsers van deze installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen als een van de zeven investeringen.

Per woning en wooneenheid kan maar één voucher totaalrenovatie worden geactiveerd. De voucher blijft verbonden aan de woning of wooneenheid.

Indien als gevolg van een uit 2017 daterende eindfactuur voor beglazing dan wel spouwmuurisolatie of isolatie langs de buitenzijde van een buitenmuur een gecombineerde premie, zoals vermeld in artikel 6.4.1/1/2, werd toegekend, dan telt elke investering in beglazing, spouwmuurisolatie of isolatie langs de buitenzijde van een buitenmuur, in afwijking van het eerste lid, niet mee als een van de zeven investeringen.

Artikel 6.4.1/2. (01/01/2014- ...)

Bij woongebouwen in gedwongen mede-eigendom komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1 en 6.4.1/1/2, toe aan :
1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan de gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/1 en artikel 6.4.1/1/2 vermelde maximumpremies per wooneenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden;
2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan de private delen.

In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de vereniging van mede-eigenaars in geval van een gezamenlijke investering en een gezamenlijke factuur en het schriftelijke akkoord van alle individuele investeerders, in hun naam en voor hun rekening, de premie-aanvraag indienen.

Artikel 6.4.1/3. (23/02/2017- ...)

Aan de aangifteplichtige van een nieuwe woning of wooneenheid met E-peileis wordt een premie verleend op basis van het E-peil en de datum van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning of van de omgevingsvergunning volgens de volgende criteria :
1° voor woningen :

datum van de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen E-peil Premie
voor 1 januari 2010 meer dan 60 tot en met 80 400 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 80
meer dan 40 tot en met 60 1000 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 60
40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 meer dan 40 tot en met 60 1000 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 60
40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 meer dan 40 tot en met 50 1400 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 50
40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 30 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 30
vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 20 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 20

2° voor wooneenheden :
datum van de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen E-peil Premie
voor 1 januari 2010 meer dan 60 tot en met 80 200 euro, verhoogd met 10 euro per E-peilpunt beter dan 80
meer dan 40 tot en met 60 400 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 60
40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 meer dan 40 tot en met 60 400 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 60
40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 meer dan 40 tot en met 50 600 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 50
40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 30 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 30
vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 20 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 20

 
Als de nieuwe woning of wooneenheid het gevolg is van een volledige afbraak en heropbouw van één of meerdere bestaande woningen of wooneenheden, worden de premies vermeld in het eerste lid verdubbeld.

Voor woningen en wooneenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd voor 1 januari 2012, wordt de premie, vermeld in het eerste lid, verhoogd met 300 euro als er ook een nieuwe zonneboiler met eindfactuurdatum voor 1 januari 2014 is geplaatst. De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de zonneboiler of de aannemer die de zonneboiler plaatst moet voldoen om in aanmerking te komen voor de verhoging.

De premies zijn niet cumuleerbaar met de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1.

Artikel 6.4.1/4. (25/09/2016- ...)

§ 1. Voor beschermde afnemers wordt de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1, 1° voor eindfacturen tot en met 31 december 2016 met 50% verhoogd en voor eindfacturen vanaf 1 januari 2017 vastgelegd op 10,5 euro per m2 ingeval van uitvoering door een aannemer en 5,25 euro per m2 in geval van uitvoering door een doe-het-zelver. Voor beschermde afnemers wordt de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1, 2° voor eindfacturen tot en met 31 december 2016 met 50% verhoogd en voor eindfacturen vanaf 1 januari 2017 vastgelegd op 9 euro per m2. Voor beschermde afnemers worden de premies vermeld in artikel 6.4.1/1, 3°, 4° en 5°, evenals in artikel 6.4.1/1/3 met 50% verhoogd. Voor beschermde afnemers wordt de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6° voor eindfacturen tot en met 31 december 2016 met 50% verhoogd en voor eindfacturen vanaf 1 januari 2017 vastgelegd op 56 euro per m2, begrensd tot 40% van de investeringskosten. Voor beschermde afnemers worden de premies, evenals de maxima, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 met 20% verhoogd. Voor beschermde afnemers worden de premies, evenals de maxima, vermeld in artikel 6.4.1/1/2 met 50% verhoogd. Voor beschermde afnemers worden de premies, vermeld in artikel 6.4.1/3, met 20% verhoogd.

In afwijking van het eerste lid, worden deze verhogingen niet toegepast voor de gevallen vermeld in artikel 6.4.1/2, eerste lid, 1° en tweede lid.

§ 2. Aan elke beschermde afnemer die erom verzoekt, biedt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een kortingsbon aan ter waarde van 150 euro voor de aankoop van een nieuwe energiezuinige koelkast of een nieuwe energiezuinige wasmachine.

Het Vlaams Energieagentschap bepaalt, rekening houdend met de Europese energielabels die aan koelkasten en wasmachines worden toegekend, het minimale kwaliteitslabel waaraan de betreffende toestellen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de kortingsbon.

 § 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan elke beschermde afnemer een premie voor de plaatsing van een nieuwe individuele condenserende gasgestookte of oliegestookte centraleverwarmingsketel ter vervanging van een oudere verwarmingsinstallatie in een bestaande woning, wooneenheid of woongebouw die voor 1 januari 2006 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning dateert van voor 1 januari 2006.

De premie vermeld in het eerste lid bedraagt 800 euro voor eindfacturen tot en met 31 december 2016 en 1800 euro, begrensd tot 40% van de investeringskosten, voor eindfacturen vanaf 1 januari 2017.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de nieuwe individuele centraleverwarmingsketels of de plaatsers van deze ketels moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premie.

Artikel 6.4.1/5. (01/01/2019- ...)

§ 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen die zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, de volgende premies voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende gebouwen:
1° een premie voor nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, volgens de volgende criteria:

datum van de eindfactuur premie in geval van uitvoering door aannemer premie in geval van uitvoering door doe-het-zelver
1/1/2016 -31/12/2016 8 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 4 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt
   7 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4 m2K/W en minder dan 4,5 m2K/W bedraagt 3,5 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4 m2K/W en minder dan 4,5 m2K/W bedraagt
   6 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W en minder dan 4 m2K/W bedraagt 3 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W en minder dan 4 m2K/W bedraagt
1/1/2017-31/12/2018 6 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 3 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt
Vanaf 1/1/2019 4 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt 2 euro per m2 op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 4,5 m2K/W bedraagt

2° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een buitenmuur, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2017 De gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers moeten volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie in spouwmuren. 6 euro per m2
vanaf 1/1/2018    5 euro per m2

3° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste isolatie aan de buitenkant van een buitenmuur, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016 - 31/12/2016 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 2 m2K/W. 15 euro per m2
1/1/2017-31/12/2020 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 3 m2K/W. 15 euro per m2
Vanaf 1/1/2021 De warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 3 m2K/W.
Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2021, moeten de gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie aan de buitenkant van buitenmuren.
15 euro per m2

4° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste isolatie aan de binnenkant van buitenmuren, op voorwaarde dat de warmteweerstand van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 2 m2K/W bedraagt, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016 -31/12/2016 / Geen premie
1/1/2017-31/12/2018 De uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of de isolatiematerialen wordt geplaatst door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid of een certificaat van bekwaamheid als aspirant als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. 15 euro per m2
1/1/2019 - 31/12/2020 De uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of de isolatiematerialen wordt geplaatst door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. Indien de voormelde aannemer niet beschikt over voormeld certificaat van bekwaamheid, dan wordt de kwaliteitsvolle uitvoering gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°. 15 euro per m2
Vanaf 1/1/2021 Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vóór 1 januari 2021: de uitgevoerde werkzaamheden worden begeleid door een architect die ingeschreven is in de tabel van de Orde van Architecten en die een controletaak uitoefent op de werkzaamheden, of het plaatsen van de isolatiematerialen wordt uitgevoerd door een aannemer waarvan op het ogenblik van de uitvoering minstens de zaakvoerder of een werknemer beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°, van dit besluit. Indien de voormelde aannemer niet beschikt over voormeld certificaat van bekwaamheid, dan wordt de kwaliteitsvolle uitvoering gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 8°.
Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2021, moeten de gebruikte materialen, de plaatsingstechnieken en de plaatsers volledig voldoen aan de STS, vermeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 6 september 1991 tot opstelling van typevoorschriften in de bouwsector, voor de plaatsing van isolatie aan de binnenkant van buitenmuren.
15 euro per m2

5° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste vloerisolatie op volle grond of nieuw geplaatste isolatie op het plafond van een kelder of verluchte ruimte onder een verwarmde ruimte, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur voorwaarde premie
1/1/2016-31/12/2016 de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 1,2 m2K/W. 6 euro per m2
vanaf 1/1/2017 de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag bedraagt minimaal 2 m2K/W 6 euro per m2


6° een premie voor door een aannemer nieuw geplaatste glasoppervlakte, volgens de volgende criteria:

datum van de eindfactuur voorwaarden premie
1/1/2016 - 31/12/2016 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,1 W/m2K maar meer dan 0,8 W/m2K en werd geplaatst ter vervanging van enkele beglazing 12 euro per m2
1/1/2016 - 31/12/2016 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 0,8 W/m2K en werd geplaatst ter vervanging van enkele beglazing of dubbele beglazing 15 euro per m2
1/1/2017 - 31/12/2018 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,1 W/m2K 10 euro per m2
1/1/2019 - 31/12/2019 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,0 W/m2K 10 euro per m2
Vanaf 1/1/2020 De nieuw geplaatste beglazing heeft een warmtedoorgangscoëfficiënt U van maximaal 1,0 W/m2K 8 euro per m2

7° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatst thermisch zonnecollectorsysteem, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem premie
1/1/2016-31/12/2016 / 200 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 10.000 euro per geplaatste installatie en begrensd tot 50 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/1/2017-30/6/2017 / 200 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 10.000 euro per geplaatste installatie en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/7/2017-31/12/2018 De kwaliteitsvolle uitvoering van de installaties wordt gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 2° of 3° van dit besluit. 200 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 10.000 euro per geplaatste installatie en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
Vanaf 1/1/2019 / 200 euro per m2 apertuuroppervlakte van door een aannemer nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 10.000 euro per geplaatste installatie en begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen

8° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatste warmtepomp, volgens de volgende criteria:
datum van de eindfactuur koppeling aan kwaliteitssysteem type warmtepomp premie naargelang het elektrische compressorvermogen dan wel het geïnstalleerde gasvermogen uitgedrukt in kW
1/1/2016-31/12/2016 / elektrische warmtepomp 1) 1 tot 10 kW: 270 euro x P x ((0,87 x COP) - 2,5);
2) 11 tot 25 kW: (2700+(P-10)*135)*((0,87*COP) -2,5) euro;
3) 26 tot 45 kW: (4725+(P-25)*95)*((0,87*COP) -2,5) euro;
4) 46 tot 60 kW: (6625+(P-45)*90)*((0,87*COP) -2,5) euro;
5) 61 tot 100 kW: (7975+(P-60)*65)*((0,87*COP)-2,5) euro;
6) Vanaf 101 kW: (10.575+(P-100)*25)*((0,87*COP) -2,5) euro en vervolgens beperkt tot 60.000 euro.
    gaswarmtepomp 1) 1 tot 10 kW: 270 euro x P x ((0,87 x COP) - 1);
2) 11 tot 25 kW: (2700+(P-10)*135)*((0,87*COP) - 1) euro;
3) 26 tot 45 kW: (4725+(P-25)*95)*((0,87*COP) - 1) euro;
4) 46 tot 60 kW: (6625+(P-45)*90)*((0,87*COP) - 1) euro;
5) 61 tot 100 kW: (7975+(P-60)*65)*((0,87*COP) - 1) euro;
6) Vanaf 101 kW: (10.575+(P-100)*25)*((0,87*COP) - 1) euro en vervolgens beperkt tot 60.000 euro.
1/1/2017-30/06/2017 / geothermische warmtepomp o tot 10 kW: 4000 euro
o van 11 tot 25 kW: 4000 euro + 800 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 16.000 euro + 600 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 28.000 euro + 400 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 34.000 euro + 200 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 42.000 euro + 150 euro * (vermogen-100) met een maximum van 57.000 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp o tot 10 kW: 1500 euro
o van 11 tot 25 kW: 1500 euro + 300 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 6000 euro + 230 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 10.600 euro + 160 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 13.000 euro + 110 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 17.400 euro + 60 euro * (vermogen-100) met een maximum van 23.500 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmte-pomp o tot 10 kW: 800 euro
o van 11 tot 25 kW: 800 euro + 160 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 3200 euro + 123 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 5660 euro + 85 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 6935 euro + 58 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 9255 euro + 32 euro * (vermogen-100) met een maximum van 12.500 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp o tot 10 kW: 300 euro
o van 11 tot 25 kW: 300 euro + 60 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 1200 euro + 46 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 2120 euro + 32 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 2600 euro + 18 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 3320 euro + 14 euro * (vermogen-100) met een maximum van 4800 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
1/7/2017-31/12/2018 De kwaliteitsvolle uitvoering van de installaties wordt gevalideerd door een persoon die beschikt over een certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 8.5.1, § 1, 6° of 7° van dit besluit. geothermische warmtepomp o tot 10 kW: 4000 euro
o van 11 tot 25 kW: 4000 euro + 800 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 16.000 euro + 600 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 28.000 euro + 400 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 34.000 euro + 200 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 42.000 euro + 150 euro * (vermogen-100) met een maximum van 57.000 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp o tot 10 kW: 1500 euro
o van 11 tot 25 kW: 1500 euro + 300 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 6000 euro + 230 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 10.600 euro + 160 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 13.000 euro + 110 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 17.400 euro + 60 euro * (vermogen-100) met een maximum van 23.500 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmte-pomp o tot 10 kW: 800 euro
o van 11 tot 25 kW: 800 euro + 160 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 3200 euro + 123 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 5660 euro + 85 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 6935 euro + 58 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 9255 euro + 32 euro * (vermogen-100) met een maximum van 12.500 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp o tot 10 kW: 300 euro
o van 11 tot 25 kW: 300 euro + 60 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 1200 euro + 46 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 2120 euro + 32 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 2600 euro + 18 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 3320 euro + 14 euro * (vermogen-100) met een maximum van 4800 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
Vanaf 1/1/2019 / geothermische warmtepomp o tot 10 kW: 4000 euro
o van 11 tot 25 kW: 4000 euro + 800 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 16.000 euro + 600 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 28.000 euro + 400 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 34.000 euro + 200 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 42.000 euro + 150 euro * (vermogen-100) met een maximum van 57.000 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-waterwarmtepomp o tot 10 kW: 1500 euro
o van 11 tot 25 kW: 1500 euro + 300 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 6000 euro + 230 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 10.600 euro + 160 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 13.000 euro + 110 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 17.400 euro + 60 euro * (vermogen-100) met een maximum van 23.500 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    hybride lucht-waterwarmte-pomp o tot 10 kW: 800 euro
o van 11 tot 25 kW: 800 euro + 160 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 3200 euro + 123 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 5660 euro + 85 euro * (vermogen-45) o van 61 tot 100 kW: 6935 euro + 58 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 9255 euro + 32 euro * (vermogen-100) met een maximum van 12.500 euro en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
    lucht-luchtwarmtepomp o tot 10 kW: 300 euro
o van 11 tot 25 kW: 300 euro + 60 euro * (vermogen-10)
o van 26 tot 45 kW: 1200 euro + 46 euro (vermogen-25)
o van 46 tot 60 kW: 2120 euro + 32 euro * (vermogen-45)
o van 61 tot 100 kW: 2600 euro + 18 euro * (vermogen-60)
o vanaf 100 kW: 3320 euro + 14 euro * (vermogen-100) met een maximum van 4800 euro
en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen


8/1° een premie voor een door een aannemer nieuw geplaatste warmtepompboiler, volgens de volgende criteria:

datum van de eindfactuur voorwaarde premie
vanaf 1/1/2019 tot en met 31/12/2019 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water • tot 2 kW: 400 euro per geplaatste warmtepompboiler • vanaf 2 kW: 400 euro + 80 euro * (vermogen - 2) met een maximum van 5.040 euro en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
vanaf 1/1/2020 tot en met 31/12/2020 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water • tot 2 kW: 300 euro per geplaatste warmtepompboiler • vanaf 2 kW: 300 euro + 60 euro * (vermogen - 2) met een maximum van 3.780 euro en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen
vanaf 1/1/2021 tot en met 31/12/2023 De warmtepompboiler wordt uitsluitend gebruikt voor de productie van sanitair warm water • tot 2 kW: 200 euro per geplaatste warmtepompboiler • vanaf 2 kW: 200 euro + 40 euro * (vermogen - 2) met een maximum van 2.520 euro en altijd begrensd tot 40 % van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen


9° een premie van maximaal 20.000 euro voor de energiezuinige aanpassing van de binnenverlichting, uitgevoerd door een aannemer. De minister stelt de hoogte van de premie vast aan de hand van de technische prestaties en het geïnstalleerde vermogen van de installatie.

Voor warmtepompen geplaatst vanaf 2017 en met eindfacturen vanaf 2017, wordt de premie evenals het maximum, vermeld in het eerste lid, 8°, verdubbeld als de warmtepomp wordt geplaatst in een ander gebouw dan een woning, wooneenheid of woongebouw, gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is. De verdubbeling wordt desgevallend beperkt tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten.

De premies voor een thermisch zonnecollectorsysteem en een warmtepompboiler zijn niet cumuleerbaar met elkaar.

De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, en 9°, kunnen alleen worden toegekend als het gebouw aangesloten is op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2006 of als de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor het gebouw dateert van vóór 1 januari 2006. De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 7°, 8° en 8° /1, kunnen alleen worden toegekend als het gebouw aangesloten is op het elektriciteitsdistributienet vóór 1 januari 2014 of als de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor het gebouw dateert van vóór 1 januari 2014. De premies, vermeld in het eerste lid, 7°, 8° en 8° /1, kunnen maar één keer per tien jaar per gebouw worden toegekend.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, de producten, de gebouwschildelen en de installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de plaatsers van deze producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies. De minister zal in het kader van de toepassing van de premies, vermeld in het eerste lid, kwaliteitseisen en kwaliteitscontroles opleggen aan installateurs van warmtepompen, thermische zonnecollectorsystemen en warmtepompboilers. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop die eisen en controles worden uitgevoerd. De minister kan eisen bepalen waaraan de personen of organisaties die de controles uitvoeren moeten voldoen.

§ 2. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen die op datum van de premie-aanvraag minstens 5 jaar oud zijn, een premie als een uitgevoerde energiestudie of energieaudit aantoont dat een investering in het gebouw een belangrijke energiebesparing oplevert in vergelijking met de bestaande situatie en als die investering ook daadwerkelijk is uitgevoerd.

De premie bedraagt 0,035 euro per bespaarde kWh primaire energie, zoals berekend in de energiestudie of energieaudit, tot maximaal 25.000 euro per project en per jaar, als de terugverdientermijn van de investering langer is dan twee jaar. In geval van nieuwe installaties of uitbreidingen worden alleen de meerkosten en de meerbesparing ten opzichte van de standaardinvestering in rekening gebracht. De elektriciteitsdistributienetbeheerder voert een administratieve controle uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. Het Vlaams Energieagentschap voert steekproefsgewijs inhoudelijke en technische controles uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. De elektriciteitsdistributienetbeheerder houdt bij het verdere beheer van de premieaanvraag, tot zes maanden na de indiening ervan, rekening met de opmerkingen die het Vlaams Energieagentschap gemaakt heeft naar aanleiding van een controle. Als na controle blijkt dat de bespaarde hoeveelheid primaire energie verkeerd is berekend in de energiestudie of in de energieaudit, wordt de steun berekend op basis van de gecorrigeerde hoeveelheid primaire energiebesparing. Als na controle blijkt dat de terugverdientermijn kleiner is dan of gelijk is aan twee jaar, wordt de premie tot 0 euro teruggebracht.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen over de manier waarop de terugverdientermijn en de primaire energiebesparing in de energiestudie of energieaudit moeten worden berekend.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de investeringssteun.

De premie kan niet worden toegekend voor de maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en kan niet worden gecumuleerd met andere premies of groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten of groenewarmtecertificaten van de Vlaamse overheid voor dezelfde investering. Cumulatie met waarborgen verleend door de Vlaamse overheid of ecologiesteun voor dezelfde investering is wel toegelaten.

§ 3. De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die zijn aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, investeringssteun voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende gebouwen.

De investeringssteun kan alleen worden toegekend als een uitgevoerde energiestudie of energieaudit aantoont dat een investering in het gebouw een belangrijke energiebesparing oplevert in vergelijking met de bestaande situatie, een terugverdientermijn heeft die langer is dan twee jaar en de investering ook daadwerkelijk werd uitgevoerd.

De investeringssteun is afhankelijk van de berekende terugverdientermijn in de door de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit goedgekeurde energiestudie of energieaudit, waarbij ingeval van nieuwe installaties of uitbreidingen enkel de meerkost en de meerbesparing ten opzichte van de standaardinvestering wordt in rekening gebracht, met een totaal jaarlijks maximum van 200.000 euro per eindafnemer en per site. De afnemer die eigenaar, vruchtgebruiker, huurder of verhuurder is van andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die zijn aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit moet de energiestudie of energieaudit, alvorens de investering uit te voeren, ter goedkeuring voorleggen aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Indien na controle blijkt dat de bespaarde hoeveelheid primaire energie of de terugverdientermijn verkeerd werd berekend in de energiestudie of energieaudit, wordt de steun toegekend op basis van de gecorrigeerde hoeveelheid primaire energiebesparing en de gecorrigeerde terugverdientermijn. Indien na controle blijkt dat de terugverdientermijn kleiner is dan of gelijk aan twee jaar, wordt de premie niet toegekend. De minister kan de hoogte van de investeringssteun nader bepalen in functie van de goedgekeurde terugverdientermijn.

De investeringssteun kan niet worden gecumuleerd met andere premies of groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten of groenewarmtecertificaten van de Vlaamse overheid voor dezelfde investering. Cumulatie met waarborgen verleend door de Vlaamse overheid of ecologiesteun voor dezelfde investering is wel toegelaten.

De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de investeringssteun.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3 wordt de premie niet verleend aan een afnemer die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, die de afnemer niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.

Artikel 6.4.1/6. (25/09/2016- ...)

Elke individuele premie, alsmede de som van de uitbetaalde premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2, 6.4.1/1/3, 6.4.1/4,6.4.1/5 en 6.4.1/9 kan nooit hoger zijn dan het factuurbedrag. De datum van de laatste factuur bepaalt de premiebedragen en premievoorwaarden die van toepassing zijn. De premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/4 en 6.4.1/5, § 1, kunnen alleen worden uitbetaald voor facturen die zijn gedateerd in de periode van één jaar die voorafgaat aan de datum van de indiening van de aanvraag, waarvan de eindfactuurdatum niet voor 1 januari 2012 ligt of in geval van artikel 6.4.1/1/1 niet voor 1 januari 2014 ligt. De gecombineerde premie vermeld in artikel 6.4.1/1/2 kan alleen worden uitbetaald voor dossiers waarvan de eindfactuur van de laatst uitgevoerde investering gedateerd is in de periode van één jaar die voorafgaat aan de datum van de indiening van de aanvraag. Bovendien moeten, voor de gecombineerde premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/2, alle ingediende eindfacturen een factuurdatum hebben die niet vóór 1 januari 2014 en niet na 31 december 2017 ligt. In geval van een premie als vermeld in artikel 6.4.1/5, § 2, en artikel 6.4.1/5, § 3, wordt de premie pas uitbetaald als de facturen voor de uitgevoerde investeringen die zijn aangegeven in de energiestudie of energieaudit, worden voorgelegd. Deze facturen moeten gedateerd zijn na de datum van uitvoering van de energieaudit of energiestudie en mogen daarenboven maximaal één jaar oud zijn op de datum van de indiening van de factuur, waarbij de factuurdatum evenmin voor 1 januari 2012 ligt.

De aanvraag van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/3, wordt ingediend binnen twaalf maanden na de datum van het energieprestatiecertificaat bij de bouw. De premie kan per woning of wooneenheid slechts één keer worden aangevraagd.

De kortingsbonnen vermeld in artikel 6.4.1/4, § 2, kunnen per uitvoeringsadres maar een keer gedurende een periode van 12 maanden worden aangevraagd per type investering. Bijkomende aanvragen binnen diezelfde periode komen in geen geval in aanmerking voor de kortingsbonnen vermeld in artikel 6.4.1/4, § 2.

Artikel 6.4.1/7. (01/01/2012- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt op verzoek van een lokaal bestuur ondersteuning bij de planning en implementatie van het beleid op vlak van rationeel energiegebruik van deze lokale besturen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder werkt daarvoor zelfstandig een aanbod uit voor de lokale besturen. Die openbaredienstverplichting bestaat uit :
1° de voortgangscontrole van de energieboekhouding die het lokale bestuur bijhoudt, waaronder wordt verstaan :
a) de maandelijkse terugkoppeling van abnormaal verbruik;
b) de jaarlijkse uitreiking van een rapport met aanbevelingen en vergelijkingen met vergelijkbare gebouwen;
c) het voorzien in de nodige opleiding voor de gebruikers;
d) het voorzien in het jaarlijkse onderhoud van de energieboekhoudingssoftware;
e) de ondersteuning van de gebruikers via een hulplijn;
2° de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, waaronder wordt verstaan :
a) een financiële ondersteuning;
b) een ondersteuning bij het opstellen van lastenboeken;
c) een ondersteuning bij de interpretatie van auditresultaten;
3° de begeleiding van de energiezorgsystemen van het lokale bestuur, waaronder wordt verstaan;
a) de voortgangscontrole van de energieboekhouding, vermeld in 1°;
b) de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, vermeld in 2°;
c) organisatorische ondersteuning bij de uitvoering van de energiebesparende investeringen die uit het energiezorgsysteem voortkomen;
4° het aanbieden van formules van derdepartijfinanciering of andere financieringsmechanismen voor de uitvoering van energiebesparende investeringen.

Artikel 6.4.1/8. (21/01/2019- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder laat een energiescan uitvoeren in de woning van een van onderstaande afnemers die hierom verzoekt :
1° een beschermde afnemer;
2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder dan wel de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie indiende met toepassing van artikel 5.3.16 dan wel 5.4.17;
3° een afnemer met een actieve budgetmeter voor elektriciteit of aardgas;
4° een afnemer die tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen behoort;
5° een afnemer die een woning, of woongebouw van een sociale huisvestingsmaatschappij of sociaal verhuurkantoor bewoont.
6° natuurlijke personen die op basis van hun geregistreerde huurovereenkomst met een looptijd van minstens één jaar een huurprijs van maximaal 500 euro per maand betalen voor de betreffende woning of wooneenheid. Dit bedrag wordt vanaf kalenderjaar 2018 jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex. Dit geïndexeerde bedrag wordt vermeerderd met 50 euro per maand indien het een woning of wooneenheid betreft die gelegen is in een grootstad of een centrumstad, zoals vastgelegd in artikel 4 van het decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds van 13 december 2002 of die gelegen is in een gemeente die behoort tot het werkgebied van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid in Vlaams-Brabant, conform art. 1,
16°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere bepalingen vastleggen inzake de te ondernemen initiatieven die moeten worden genomen teneinde de prioritaire doelgroep vermeld in het vorige lid te bereiken.

Elke gemeente bepaalt door wie de energiescans worden uitgevoerd. De energiescans kunnen worden uitgevoerd door gemeentepersoneel, door personeel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, door het energiehuis dat werkzaam is in dat gebied of door derden. De dienstverlening gericht op de begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende werken wordt vanaf 1 januari 2019 opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt onder meer voor de aankoop van het materiaal voor de uitvoering van de maatregelen van de energiescan, voor de opleiding van de personen die de energiescans uitvoeren, voor de verdere ondersteuning van die personen en voor de terbeschikkingstelling van de software die gebruikt moet worden bij de uitvoering van de energiescans. 

De energiescan bevat een basisscan en/of een of meer begeleidingstrajecten. Het Vlaams Energieagentschap legt de minimumvereisten vast waaraan een energiescan moet voldoen. Enkel indien de voorwaarden vervuld zijn en er voldoende redenen voor bestaan, kan er na een eerste energiescan nog een tweede energiescan volgen gericht op begeleiding op maat van kwetsbare groepen. Het Vlaams Energieagentschap kan in dit kader tevens eisen opleggen met betrekking tot de inhoud van de begeleidingstrajecten. Sociale huisvestigingsmaatschappijen komen echter niet in aanmerking voor begeleiding voor de uitvoering van energiebesparende investeringen. 

In afwijking van het derde lid worden de energiescans gericht op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen vanaf 1 januari 2019, voor zover er een energiehuis in die gemeente actief is, uitgevoerd door de energiehuizen of door hen aangestelden.

Dit artikel is niet van toepassing op elektriciteitsdistributienetbeheerders die minder dan 2500 eindafnemers hebben.

Teneinde een goede praktische uitvoering van de aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders in dit artikel opgelegde openbaredienstverplichtingen te garanderen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij gegevens over de in aanmerking komende afnemers, zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid, verstrekken aan een uitvoerder van energiescans.

Onverminderd de toepassing van de de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, sluit de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij voorafgaandelijk aan de verstrekking van deze gegevens met de uitvoerder van de energiescans een schriftelijke overeenkomst waarmee deze laatste zich ertoe verbindt de verstrekte gegevens enkel te gebruiken met als doel het aanbieden van een energiescan en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9.

De gegevensverstrekking gebeurt bij middel van een minstens elke maand te actualiseren lijst die maximaal volgende gegevens bevat over de afnemers, vermeld in het zevende lid, uit het werkingsgebied van de uitvoerder van energiescans : naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, datum en type van eventueel eerder uitgevoerde energiescans, categorie afnemer, huurder of eigenaar.

Artikel 6.4.1/9. (01/01/2019- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder ondersteunt, rekening houdend met de middelen ingeschreven op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de met toepassing van het tweede lid door de minister vastgelegde gefaseerde aanpak, de planning en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, de plaatsing van hoogrendementsglas en spouwmuurisolatie in woningen, wooneenheden of woongebouwen die door volgende categorieën van afnemers worden gehuurd :
1° een beschermde afnemer;
2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder dan wel de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie indiende met toepassing van artikel 5.3.16 dan wel 5.4.17;
3° een afnemer met een actieve budgetmeter voor elektriciteit of aardgas;
4° een afnemer die tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen behoort;
5° een afnemer die een woning, wooneenheid of woongebouw verhuurd door een sociaal verhuurkantoor bewoont.
6° natuurlijke personen die op basis van hun geregistreerde huurovereenkomst met een looptijd van minstens één jaar een huurprijs van maximaal 500 euro per maand betalen voor betreffende woning of wooneenheid. Dit bedrag wordt vanaf kalenderjaar 2018 jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex. Dit geïndexeerde bedrag wordt vermeerderd met 50 euro per maand indien het een woning of wooneenheid betreft die gelegen is in een grootstad of een centrumstad, zoals vastgelegd in artikel 4 van het decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds van 13 december 2002 of die gelegen is in een gemeente die behoort tot het werkgebied van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid conform art. 1, 16°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode.

De openbaredienstverplichting bestaat uit een volledige trajectbegeleiding inclusief financiële ondersteuning voor de realisatie van dak- of zoldervloerisolatie, de plaatsing van hoogrendementsglas of spouwmuurisolatie. De woning, wooneenheid of het woongebouw moet voor 1 januari 2006 zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet of een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning hebben die dateert van vóór 1 januari 2006. De minister kan nadere regels bepalen inzake de gefaseerde aanpak van de doelgroep, de te zetten stappen in de trajectbegeleiding evenals inzake de financiële ondersteuning.

In afwijking van het eerste lid komen sociale huisvestingsmaatschappijen niet in aanmerking.

In afwijking van het eerste lid komen voor de plaatsing van dakisolatie wooneenheden die niet op de hoogste verdieping onder het dak of onder een onbewoonde zolder van een woongebouw gelegen zijn niet in aanmerking voor de ondersteuning.

In afwijking van het eerste lid, 6°, komen huurders die direct of indirect eigenaar of mede-eigenaar zijn van de woning, de wooneenheid of het woongebouw en huurders die de woning of wooneenheid huren van een bloed- of aanverwant tot in de tweede graad niet in aanmerking voor de ondersteuning. 

Dit artikel is niet van toepassing op elektriciteitsdistributienetbeheerders die minder dan 2500 eindafnemers hebben. 

Teneinde een goede praktische uitvoering van de aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders in dit artikel opgelegde openbaredienstverplichtingen te garanderen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij gegevens over de in aanmerking komende afnemers, zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid, verstrekken aan een projectpromotor waarmee hij voor de planning en uitvoering van de dak- of zoldervloerisolatie, de plaatsing van hoogrendementsglas of spouwmuurisolatie en de begeleiding van de huurder en de verhuurder voor een bepaald werkingsgebied een samenwerkingsovereenkomst sloot.

Onverminderd de toepassing van de de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, sluit de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij voorafgaandelijk aan de verstrekking van deze gegevens met de projectpromotor, vermeld in het vorige lid, een schriftelijke overeenkomst waarmee deze laatste zich ertoe verbindt de verstrekte gegevens enkel te gebruiken met als doel het aanbieden van trajectbegeleiding inclusief financiële ondersteuning voor de realisatie van dak- of zoldervloerisolatie, de plaatsing van hoogrendementsglas of spouwmuurisolatie.

De gegevensverstrekking gebeurt bij middel van een minstens elke maand te actualiseren lijst die maximaal volgende gegevens bevat over de afnemers, vermeld in het zevende lid, die in het werkingsgebied van de projectpromotor een woning huren zonder dak- of zoldervloerisolatie, hoogrendementsglas of spouwmuurisolatie : naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, datum en type van eventueel eerder uitgevoerde energiescans, categorie afnemer. In het geval er in een bepaald werkingsgebied meerdere projectpromotoren actief zijn, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij beslissen om het aantal in aanmerking komende afnemers uit de lijst over het aantal projectpromotoren te spreiden.

Artikel 6.4.1/9/1. (25/09/2016- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder ondersteunt de collectieve aanpak van renovatiewerken van woningen, wooneenheden of woongebouwen door samen te werken met projectbegeleiders collectieve renovatie en vanaf 1 januari 2017 een aanbod inzake collectieve renovatieprojecten te lanceren en daarbij minstens per kwartaal de inschrijvingen op dit aanbod te bundelen in concrete renovatieprojecten, waarbij elk project minstens tien woningen of wooneenheden uit dezelfde buurt bevat die intekenen op hetzelfde thematische collectieve projectaanbod.

In afwijking van het eerste lid komen sociale huisvestingsmaatschappijen niet in aanmerking voor ondersteuning van collectieve renovatiewerken.

De minister kan nadere regels bepalen voor het profiel waaraan de projectbegeleiders collectieve renovatie, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen, alsook voor de taken die in een collectief renovatieproject moeten worden uitgevoerd en voor de financiële ondersteuning. De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van het aanbod collectieve renovatie, vermeld in het eerste lid.

Artikel 6.4.1/9/2. (01/01/2019- ...)

§ 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kennen aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die aangesloten zijn op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net, de premies, vermeld in artikel 6.4.1/5, § 1 en § 2, toe. De inhoudelijke premievoorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 1/1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kennen aan investeerders in gebouwen aangesloten op privédistributienetten, vermeld in artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° van het Energiedecreet van 8 mei 2009, of aan investeerders in gebouwen in eilandwerking, de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, toe. De inhoudelijke premievoorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2. De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die aangesloten zijn op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, de premies, vermeld in artikel 6.4.1/5, § 3, toe. De inhoudelijke premievoorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.4.1/10. (01/01/2012- ...)

§ 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder is verplicht om via sensibilisering en algemene informatieverspreiding de aandacht te vestigen op rationeel energiegebruik. Die sensibilisering verschaft de nodige informatie, zo veel mogelijk afgestemd op de doelgroep, over de energiebesparingsmogelijkheden en de eventuele financiële ondersteuning door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

In elk geval organiseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor de doelgroep beschermde afnemers afgestemde informatiesessies over rationeel energiegebruik.

§ 2. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt op verzoek de volgende REG-activiteiten aan :
1° de verspreiding van informatiebrochures die de Vlaamse overheid aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter beschikking stelt;
2° een individueel REG-advies voor huishoudelijke eindafnemers.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt daarvoor per klantenkantoor tijdens de kantooruren een REG-adviseur ter beschikking. De elektriciteitsdistributienetbeheerder wijst ook een REG-adviseur aan die als centraal aanspreekpunt voor de overheid fungeert.

§ 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen voor de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, samenwerken met een of meer externe organisaties.

§ 4. De elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stellen een keer per jaar, op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer, alle beschikbare afnamegegevens van de laatste drie jaar binnen twintig werkdagen gratis ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.

Artikel 6.4.1/11. (01/01/2012- ...)

Voor elk van de acties, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, stelt het Vlaams Energieagentschap aan de netbeheerders een sjabloon ter beschikking van de aanvraagformulieren die moeten worden gebruikt om de financiële tegemoetkomingen te verkrijgen.

[Onderafdeling 2 Financiering (ing. BVR 23 september 2011, art. 7)]

Artikel 6.4.1/12. (12/12/2019- ...)

§ 1. De kosten voor de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, artikel 6.4.1/7 tot en met artikel 6.4.1/10, waaronder de kosten van de actieverplichtingen die de vergoedingen vermeld in paragraaf 2, 3 en 4 overschrijden, met uitzondering van de kosten waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen zijn een financiële openbaredienstverplichting voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt voor de uitvoering van de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4 en artikel 6.4.1/9/1 met uitzondering van de kosten waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een vergoeding toegekend.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder, vermeld in het eerste lid, door de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Energiefonds voor dat jaar beschikbare middelen, te vermenigvuldigen met het aandeel van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder in het geheel van huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 31 december van het voorgaande jaar, als vastgesteld door de minister.

Indien de reële premie-uitgaven voor de actieverplichtingen vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4 en artikel 6.4.1/9/1, uitbetaald in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het kalenderjaar, verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen, van een bepaalde elektriciteitsdistributienetbeheerder lager zijn dan de vergoeding berekend met toepassing van het tweede lid, wordt de vergoeding beperkt tot de reële premie-uitgaven uitbetaald in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het kalenderjaar, verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen. Het bekomen saldo op het door de minister bepaalde totale bedrag aan vergoedingen, wordt als vergoeding herverdeeld naar de elektriciteitsdistributienetbeheerders waarvoor de reële premie-uitgaven voor de actieverplichtingen vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4 en artikel 6.4.1/9/1, uitbetaald in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het kalenderjaar, verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen, de vergoeding berekend met toepassing van het tweede lid overschrijden. De minister bepaalt de manier waarop deze herverdeling gebeurt.

§ 3. Er wordt voor de uitvoering van de actieverplichting, vermeld in artikel 6.4.1/8, binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Energiefonds beschikbare middelen, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vergoeding toegekend van maximaal 240 euro per uitgevoerd eerste bezoek of voor een daaropvolgende begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen, of een forfaitaire vergoeding van maximaal 200 euro voor een op het eerste bezoek volgende begeleiding op maat van kwetsbare doelgroepen. Als het eerste bezoek of de daaropvolgende begeleiding op maat van kwetsbare doelgroepen wordt uitgevoerd bij een afnemer vermeld in artikel 6.4.8/1, tweede lid, 5°, wordt een forfaitaire vergoeding toegekend van maximaal 180 euro. Als de begeleiding op maat van kwetsbare doelgroepen zich beperkt tot het begeleiden van een leveranciers- of contractwissel wordt de vergoeding beperkt tot maximaal 60 euro. Die bedragen worden vanaf kalenderjaar 2019 jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex. De effectieve vergoeding wordt per kalenderjaar berekend door de op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Energiefonds beschikbare middelen te verdelen over de elektriciteitsdistributienetbeheerders pro rata het aantal scans dat is uitgevoerd in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het kalenderjaar.

In afwijking van het eerste lid kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen vergoeding ontvangen voor de energiescans die conform artikel 6.4.1/8, zesde lid door of namens een energiehuis werden uitgevoerd.

§ 4. Er wordt voor de uitvoering van de actieverplichting, vermeld in artikel 6.4.1/9, binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Energiefonds beschikbare middelen, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een vergoeding toegekend. Het Vlaams Energieagentschap keert aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder per woning waarvan het dak of de zoldervloer, respectievelijk de spouwmuur geïsoleerd is dan wel waarin hoogrendementsglas geplaatst werd ter uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst een vergoeding uit voor de planning en de uitvoering van de werken en de trajectbegeleiding van de huurder en de verhuurder, die maximaal gelijk is aan het totale bedrag dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft uitbetaald aan de projectpromotor. De effectieve vergoeding wordt per kalenderjaar berekend door de op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Energiefonds beschikbare middelen te verdelen over de elektriciteitsdistributienetbeheerders pro rata het bedrag dat is uitbetaald in het kader van die actieverplichting in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het kalenderjaar.

§ 4/1. In afwijking van paragraaf 2 wordt er voor de uitvoering van de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, eerste lid, 3° en artikel 6.4.1/5, § 1, eerste lid, 8° /1 op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, of op de in het Energiefonds of Klimaatfonds beschikbare middelen, per kalenderjaar aan elke elektriciteitsdistributienetbeheerder een vergoeding toegekend. Deze vergoeding is per elektriciteitsdistributienetbeheerder gelijk aan het totaal van de in de periode die loopt van het vierde kwartaal van het voorgaande kalenderjaar tot en met het derde kwartaal van het lopende kalenderjaar op grond van artikel 6.4.1/1/1, eerste lid, 3° of artikel 6.4.1/5, § 1, eerste lid, 8° /1 door die elektriciteitsdistributienetbeheerder uitbetaalde premiebedragen.

§ 5. De vergoedingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4/1, worden vanaf kalenderjaar 2018 en maximaal tot in het kalenderjaar 2028 toegekend. De totaliteit van de gecumuleerde vergoedingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4/1, kunnen voor iedere individuele elektriciteitsdistributienetbeheerder met toepassing van besluit 2012/21/EU echter nooit meer bedragen dan 15 miljoen euro per jaar. Voor de bepaling van dit plafond is de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, ondergeschikt aan de vergoedingen, vermeld in paragrafen 3, 4 en 4/1.

Het Vlaams Energieagentschap is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragrafen 2 tot en met 4/1. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure..

Afdeling II. [Openbaredienstverplichtingen voor de uitbouw van de infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen (verv. BVR 25 maart 2016, art. 3, I: 23 april 2016)]

Artikel 6.4.2. (23/04/2016- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder organiseert jaarlijks in het geografisch gebied waarvoor hij aangewezen is een aanbesteding voor de installatie, het onderhoud en de commerciële exploitatie van publiek toegankelijke oplaadpunten voor elektrische voertuigen voor normaal of hoog vermogen. Het aantal te installeren oplaadpunten wordt bekomen door aan het aantal toegangspunten elektriciteit in dat netgebied op 31 december 2015, te vermenigvuldigen met een factor en te delen door het totale aantal aangesloten toegangspunten elektriciteit in het Vlaamse Gewest in 2015. Die factor bedraagt 500 in 2016, 1000 in 2017, 1000 in 2018, 1000 in 2019 en 1500 in 2020.

Voorafgaand aan de aanbesteding voor de installatie van de oplaadpunten, vermeld in het eerste lid, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in overleg met de gemeente waar het oplaadpunt zal worden geïnstalleerd, een lokaal situeringsplan voor oplaadpunten van elektrische voertuigen op. Dat situeringsplan houdt rekening met het lokale parkeerbeleid, de aanwezigheid van sites die veel bezoekers aantrekken, knooppunten van openbaar vervoer en de beschikbaarheid en onthaalcapaciteit van het elektriciteitsnetwerk.

Een gemeente kan ervoor kiezen om zelf een aanbesteding uit te schrijven en laat dit in voorkomend geval weten aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder in wiens netgebied de oplaadpunten zullen worden geïnstalleerd, voorafgaand aan de gunning. De gemeenten geven hiermee tijdig invulling aan het lokaal situeringsplan. Het aantal oplaadpunten dat hiermee geïnstalleerd wordt, wordt in mindering gebracht van de hoger genoemde doelstellingen in het desbetreffende netgebied.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de gemeenten doen hierbij een beroep op een opdrachtnemer. Bij het gunnen van de opdracht zorgen zij ervoor dat het principe van interoperabiliteit inzake uitbating en marktconforme prijzen wordt gerespecteerd.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vereiste interoperabiliteit, de vereiste technische specificiteiten van de oplaadpunten, de wijze waarop ze toegankelijk moeten zijn en de minimale betalingsmogelijkheden. Bij de aanbesteding wordt een maximale exploitatietermijn van tien jaar gehanteerd. De minister kan, op basis van de resultaten van een markbevraging, besluiten deze termijn te wijzigen.

Artikel 6.4.3. (23/04/2016- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder organiseert in het netgebied dat hij beheert een aanbesteding zodat tot en met 31 december 2020 in de installatie, het onderhoud en de commerciële exploitatie wordt voorzien van publiek toegankelijke oplaadpunten voor een elektrisch voertuig voor normaal vermogen telkens als daarvoor een aanvraag bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt ingediend door een particulier, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden samen vervuld zijn:
1° de particulier in kwestie kan aantonen dat hij in het bezit is of zal zijn of gebruikmaakt van een batterij elektrisch voertuig;
2° de particulier kan aantonen dat hij dit voertuig niet kan opladen aan een oplaadpunt voor elektrische voertuigen dat bevestigd is in of aan zijn eigen woning;
3° Er is geen oplaadpunt voor een elektrisch voertuig op publiek of privaat domein beschikbaar of gepland op een afstand van 500 meter van zijn eigen woning.

Het oplaadpunt wordt binnen een redelijke termijn geïnstalleerd en daarbij overlegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorafgaandelijk met de gemeente en, in voorkomend geval, met de beheerder van het openbaar domein waarop het oplaadpunt zal worden geïnstalleerd. In onderling overleg tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de gemeente kan de afstand bedoeld in het eerste lid 3° worden verminderd tot 250 meter.

Een gemeente kan ervoor kiezen om zelf een aanbesteding uit te schrijven en laat dit in voorkomend geval weten aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder in wiens netgebied de oplaadpunten zullen worden geïnstalleerd, voorafgaand aan de gunning.

Bij het gunnen van de opdracht zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de gemeente ervoor dat het principe van interoperabiliteit inzake uitbating en marktconforme prijzen wordt gerespecteerd.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vereiste interoperabiliteit, de vereiste technische specificiteiten van de oplaadpunten, de wijze waarop ze toegankelijk moeten zijn en de minimale betalingsmogelijkheden. Bij de aanbesteding wordt een maximale exploitatietermijn van tien jaar gehanteerd. De minister kan, op basis van de resultaten van een marktbevraging, besluiten deze termijn te wijzigen.

Artikel 6.4.4. (23/04/2016- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gezamenlijk een databank aan van de gegevens die exploitanten van oplaadpunten voor elektrische voertuigen krachtens het aansluitingsreglement, het aansluitingscontract of het technisch reglement voor de distributie van elektriciteit aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgen. Ze stellen die gegevens kosteloos en in een bestandsformaat dat platformonafhankelijk is en voor het publiek beschikbaar is, zonder enige beperking voor het hergebruik van informatie ter beschikking van marktpartijen die daarom verzoeken.

Artikel 6.4.5. (23/04/2016- ...)

Indien de aanbesteding, zoals bedoeld in artikel 6.4.2 of artikel 6.4.3, niet kan worden gegund, organiseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanbesteding voor de installatie en het onderhoud van de oplaadpunten en een aanbesteding voor de commerciële exploitatie van de oplaadpunten. De aanbesteding voor de plaatsing en het onderhoud zal pas worden gegund indien de kosten de opbrengsten voor de distributienetbeheerder niet overtreffen.

Artikel 6.4.6. (23/04/2016- ...)

De elektriciteitsdistributienetbeheerder organiseert de aanbesteding van de oplaadpunten voor elektrische voertuigen zodanig dat de kosten de opbrengsten voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet overtreffen. In het geval er bij de aanbesteding van een perceel geen regelmatige kandidaten kunnen worden aangeduid die hieraan voldoen, vervallen de verplichtingen uit artikel 6.4.2 tot en met 6.4.3. waaraan dit perceel invulling gaf voor het betreffende jaar.

Artikel 6.4.7. (23/04/2016- ...)

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op kwartaalbasis verslag uit aan de minister over het aantal geplaatste oplaadpunten voor elektrische voertuigen, dat voortvloeit uit de openbaredienstverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.2 en 6.4.3.

De minister evalueert jaarlijks de openbare dienstverplichting en het aantal geplaatste oplaadpunten voor elektrische voertuigen, vermeld in artikel 6.4.2, 6.4.3 en 6.4.5, in verhouding tot het totaal aantal publiek toegankelijke oplaadpunten voor een elektrisch voertuig in het Vlaamse Gewest, het aantal ingeschreven elektrische voertuigen in het Vlaamse Gewest en de doelstellingen die door het Vlaamse Gewest naar voren geschoven zijn in het kader van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. De resultaten van die evaluatie worden jaarlijks voor 1 mei meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

Artikel 6.4.8. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.9. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.10. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.11. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.12. (01/01/2012- ...)

...

Afdeling III.[Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten (verv. BVR 10 januari 2014, art. 3, I: 24 februari 2014)]

Onderafdeling I. Beperking van aansluitingskosten

Artikel 6.4.13. (01/01/2013- ...)

§ 1. De aanvrager van de aansluiting draagt de noodzakelijke kosten voor de aansluiting op het elektriciteitsdistributienet of op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie op het meest aangewezen aansluitingspunt.

Onafhankelijk van het uiteindelijk bepaalde aansluitingspunt blijven de kosten voor de aanvrager in elk geval beperkt tot de aansluitingskosten, berekend voor het geval dat de aansluiting gemaakt zou worden op het dichtstbijzijnde punt van het bestaande net op een spanning van minder dan 1 kV als het aansluitingsvermogen kleiner is dan 250 kVA, op een spanning groter dan of gelijk aan 1 kV en kleiner dan 30 kV als het aansluitingsvermogen groter is dan of gelijk is aan 250 kVA en kleiner is dan 25 MVA, op een spanningsniveau van 30 kV of meer als het aansluitingsvermogen 25 MVA of meer bedraagt. Het verschil tussen de te betalen aansluitingskosten en de werkelijke aansluitingskosten, wordt gedragen door de netbeheerder op wiens net de aansluiting gerealiseerd wordt. De kosten die hierdoor ten laste gelegd worden van de netbeheerder, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder.

Voor windenergieprojecten die een nieuwe offerte voor netaansluiting aanvragen na 19 oktober 2012 worden de kosten die ten laste gelegd worden van de netbeheerder, beperkt tot een maximum van 56.000 € /MW. Eventuele kosten boven dit plafond zijn in afwijking van het vorige lid, eveneens ten laste van de aanvrager. Het plafond wordt voor het eerst in 2014 en vervolgens om de twee jaar geëvalueerd rekening houdend met de indicatieve subdoelstellingen voor windenergie, zoals bepaald in uitvoering van het Energiedecreet, artikel 7.1.10, § 2, laatste lid.

De netbeheerder geeft de aanvrager volledig inzicht in de ligging van het meest aangewezen aansluitingspunt, de berekening van de vermelde kosten en de uitvoeringstermijn van de aansluiting.

§ 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dragen alle overige kosten voor de uitbouw van respectievelijk het distributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor de opname en het transport van de teruggeleverde energie bij een nieuwe aansluiting van een productie-installatie van elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron.

Onderafdeling II. Voorrang

Artikel 6.4.14. (01/01/2011- ...)

De netbeheerders en de transmissienetbeheerder verlenen voorrang aan de installatie van de meetapparatuur voor de metingen, vermeld in artikel 6.1.9, § 1, en aan de realisatie van meetapparatuur en aansluitingen van productie-installaties die hernieuwbare energiebronnnen en/of het principe van warmtekrachtkoppeling gebruiken, boven de realisatie van alle andere meetapparatuur en aansluitingen.

[Onderafdeling III. Banking van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit (ing. BVR 10 januari 2014, art. 4, I: 24 februari 2014)]

Artikel 6.4.14/1. (30/12/2014- ...)

§ 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit immobiliseren van het gemiddeld aantal certificaten die ze in de periode 1 november 2011 tot 1 november 2012 in hun bezit hadden :
1° een totaal van 1 500 000 groenestroomcertificaten, te weten :
a) een totaal van 650 000 groenestroomcertificaten tot 1 juli 2016;
b) een totaal van 850 000 groenestroomcertificaten tot 1 juli 2016;
2° een totaal van 1 000 000 warmtekrachtcertificaten, te weten :
a) een totaal van 450 000 warmtekrachtcertificaten tot 1 juli 2016;
b) een totaal van 550 000 warmtekrachtcertificaten tot 1 juli 2016.

§ 2. Voor elk van de gezamenlijke verplichtingen, vermeld in § 1, is de individuele verplichting van elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, uit te drukken als de verhouding "certificaten die de netbeheerder individueel dient te immobiliseren" ten opzichte van "het gemiddeld aantal certificaten die in zijn bezit waren gedurende de periode 1 november 2011 tot 1 november 2012", gelijk aan de verhouding "totale aantal te immobiliseren certificaten door alle elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit" ten opzichte van "gemiddeld aantal certificaten in bezit van alle elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit gedurende de periode 1 november 2011 tot 1 november 2012".

§ 3. Wat het aantal certificaten, vermeld in § 1, 1°, b) en 2°, b) betreft, zal de Vlaamse Regering in geval van een drastische wijziging van de marktsituatie, en in elk geval voor 1 januari 2015, na advies van de VREG, beslissen over :
1° een al dan niet verlenging van de respectievelijke verplichting, vermeld in § 1, voor zover de totale duur van de bankingperiode de tien jaar niet overschrijdt;
2° een al dan niet neerwaartse herziening van het aantal te immobiliseren certificaten voor het volgende jaar.

De VREG zal in zijn advies rekening houden met het feit dat het aantal op de markt beschikbare certificaten steeds hoger dient te liggen dan het aantal voor de quotumverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in te leveren certificaten om voldoende liquiditeit op de certificatenmarkten te garanderen.

Als er tekorten ontstaan, zal een deel van de certificaten op de markt worden gebracht. In dat geval kunnen de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een aantal certificaten op de markt brengen gelijk aan het totaal aantal opnieuw op de markt te brengen certificaten, vermenigvuldigd met het aandeel van het aantal te immobiliseren certificaten van die netbeheerder in het totaal aantal te immobiliseren certificaten. Deze certificaten die in het betreffende jaar terug op de markt kunnen gebracht worden, zullen door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit met regelmatige tussenperiodes en minstens in vier schijven op de markt gebracht worden.

[Onderafdeling IV. Vergoeding voor de opkoop van groenestroomcertificaten door de netbeheerders (verv. BVR 21 oktober 2016, art. 3, I: 25 december 2016)]

Artikel 6.4.14/2. (28/12/2017- ...)

§ 1. De kosten voor de openbaredienstverplichtingen, vermeld in artikel 7.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, waaronder de kosten van de verplichtingen die de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2, overschrijden, zijn een financiële openbaredienstverplichting voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

§ 2. Voor de uitvoering van de openbaredienstverplichting, vermeld in artikel 7.1.6, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt vanaf kalenderjaar 2016 en maximaal tot in het kalenderjaar 2026, na aanvraag bij het Vlaams Energieagentschap, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders een vergoeding toegekend.

De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt voor de groenestroomcertificaten, vermeld in het eerste lid, die de elektriciteitsdistributienetbeheerders in portefeuille hebben, berekend op basis van de boekhoudkundige waarde van de groenestroomcertificaten in kwestie, met een maximale waarde die niet hoger is dan de waarde die de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform artikel 7.1.6 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 voor dat groenestroomcertificaat heeft betaald, met een plafond van 93 euro per groenestroomcertificaat.

Vóór elektriciteitsdistributienetbeheerders voor de groenestroomcertificaten, vermeld in het tweede lid, een vergoeding kunnen aanvragen, zijn ze verplicht om eerst en tot uitputting van dat aantal groenestroomcertificaten, vermeld in het eerste lid, die eerder conform artikel 6.4.14/1, § 1, 1° door hen zijn gebankt en nog niet zijn verkocht, een vergoeding aan te vragen. In afwijking van het tweede lid worden die groenestroomcertificaten vergoed tegen een vaste waarde van 93 euro per groenestroomcertificaat.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle elektriciteitsdistributienetbeheerders op basis van de middelen die daarvoor ingeschreven zijn op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar en de middelen uit het Energiefonds die daarvoor beschikbaar gesteld zijn.

Het Vlaamse Gewest is er alleen toe gehouden de vergoeding te betalen via het Vlaams Energieagentschap als de elektriciteitsdistributienetbeheerders de vergoeding jaarlijks aanvragen, als ze bewijsstukken voorleggen over de herkomst, de technologie en de vastgestelde boekhoudkundige waarde van de groenestroomcertificaten, en als ze het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten hebben ingediend bij de VREG.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure.

[Onderafdeling V. Vergoeding voor de opkoop van warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders (ing. BVR 20 december 2017, art. 2, I: 28 december 2017)]

Artikel 6.4.14/3. (28/12/2017- ...)

§ 1. De kosten voor de openbaredienstverplichtingen, vermeld in artikel 7.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, waaronder de kosten van de verplichtingen die de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2, overschrijden, zijn een financiële openbaredienstverplichting voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

§ 2. Voor de uitvoering van de openbaredienstverplichting, vermeld in artikel 7.1.7, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt vanaf kalenderjaar 2017 en maximaal tot in het kalenderjaar 2027, na aanvraag bij het Vlaams Energieagentschap, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders een vergoeding toegekend.

De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt voor de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 7.1.7, § 1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, die de elektriciteitsdistributienetbeheerders in portefeuille hebben, berekend op basis van de boekhoudkundige waarde van de warmtekrachtcertificaten in kwestie, met een maximale waarde die niet hoger is dan de waarde die de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform artikel 7.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 voor dat warmtekrachtcertificaat heeft betaald met een plafond van 31 euro per warmtekrachtcertificaat.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle elektriciteitsdistributienetbeheerders op basis van de middelen die daarvoor ingeschreven zijn op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar en de middelen uit het Energiefonds die daarvoor beschikbaar gesteld zijn.

Het Vlaamse Gewest is er alleen toe gehouden de vergoeding te betalen via het Vlaams Energieagentschap als de elektriciteitsdistributienetbeheerders de vergoeding jaarlijks aanvragen, als ze bewijsstukken voorleggen over de herkomst, de technologie en de vastgestelde boekhoudkundige waarde van de warmtekrachtcertificaten, en als ze het overeenstemmende aantal warmtekrachtcertificaten hebben ingediend bij de VREG.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragraaf 2. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure.

Afdeling IV. [Rapportering van de elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit (verv. BVR 23 september 2011, art. 9)]

Onderafdeling I. REG-actieplan

Artikel 6.4.15. (06/01/2019- ...)

§ 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit legt jaarlijks voor 1 februari aan het Vlaams Energieagentschap een ontwerp-REG-rapport voor over de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5 en artikel 6.4.1/7 tot en met 6.4.1/10, van het voorgaande kalenderjaar. De minister legt vast welke gegevens in dat ontwerp-REG-rapport opgenomen worden.

Het Vlaams Energieagentschap kan alle inlichtingen en gegevens opvragen die nodig zijn voor de uitvoering van de controle.

De minister kan bijkomende rapporteringsverplichtingen opleggen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet naast het samenvattende rapport over de uitvoering van de actieverplichtingen door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar, vermeld in paragraaf 1 en 2. De minister legt vast op welke manier aan die rapporteringsverplichtingen moet worden voldaan.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt voor 1 april het ingediende ontwerp-REG-rapport, vermeld in paragraaf 1, en stelt vast of de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5 en artikel 6.4.1/7 tot en met 6.4.1/10, al dan niet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zijn nageleefd.

Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, wordt het ontwerp-REG-rapport goedgekeurd.

Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.

De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissingen worden toegepast. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit goedgekeurd.

De minister legt jaarlijks per mededeling aan de Vlaamse Regering een samenvattend rapport voor aangaande de uitvoering van de actieverplichtingen door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar.

§ 3. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit legt maandelijks aan het Vlaams Energieagentschap een rapport voor over de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, artikel 6.4.1/8 tot en met 6.4.1/9/2, van de voorgaande maand. De minister legt vast welke gegevens in dat rapport opgenomen worden.

Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder of elke beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit legt per premiecategorie, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5 evenals artikel 6.4.1/9, een overzicht voor van het in de vorige maand ingediende aantal aanvragen, alsook van het in diezelfde periode aantal geweigerde premiedossiers en het aantal klachten dat werd ingediend tegen beslissingen omtrent premiedossiers.

De minister kan bijkomende rapporteringsverplichtingen opleggen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet naast het samenvattende rapport over de uitvoering van de actieverplichtingen door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar, vermeld in paragraaf 1 en 2. De minister legt vast op welke manier aan die rapporteringsverplichtingen moet worden voldaan.

§ 4. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit stelt per premiecategorie, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling I, op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap of uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken over de interpretatie- en beslissingsregels voor het verstrekken van die premies, alsook wijzigingen ervan, ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 6.4.16. (01/01/2012- ...)

...

Onderafdeling II. [... (opgeh. BVR 23 september 2011, art. 12)]

Artikel 6.4.17. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.18. (01/01/2012- ...)

...

Onderafdeling III. [... (opgeh. BVR 23 september 2011, art. 12)]

Artikel 6.4.19. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 6.4.20. (01/01/2012- ...)

...

Afdeling V. Actieverplichtingen voor de aardgasdistributienetbeheerders

Artikel 6.4.21. (01/01/2011- ...)

De aardgasdistributienetbeheerder stelt een keer per jaar op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer van aardgas alle beschikbare afnamegegevens voor de laatste drie jaar gratis binnen twintig werkdagen ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.

Artikel 6.4.22. (01/01/2011- ...)

De aardgasdistributienetbeheerder brengt de op het aardgasdistributienet aansluitbaar geworden eindafnemers op de hoogte van de mogelijkheid en de voorwaarden tot aansluiting op het aardgasdistributienet.

Afdeling VI. Actieverplichtingen voor de leveranciers van elektriciteit

Artikel 6.4.23. (15/09/2016- ...)

§ 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van elektriciteit, op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse elektriciteitsverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier en bij voorkeur in grafische vorm weergegeven.

Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van de laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven. De vermelde gegevens per afrekeningsperiode worden zodanig genormaliseerd dat ze altijd onderling vergelijkbaar zijn en betrekking hebben op hetzelfde aantal verbruiksdagen.

Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, voor de afnemer op laagspanning genormaliseerd naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd. Voor meetinstallaties die een onderscheid maken in gebruiksperiode, namelijk daggebruik, nachtgebruik of exclusief nachtgebruik, wordt elke teller als een meetpunt beschouwd.

§ 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaffen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikken over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen.

§ 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

Artikel 6.4.24. (01/01/2013- ...)

...

Artikel 6.4.24/1. (01/01/2012- ...)

De leverancier van elektriciteit bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder informatie aangaande de beschermde afnemers binnen zijn werkingsgebied.

Afdeling VII. Actieverplichtingen voor de leveranciers van aardgas

Artikel 6.4.25. (15/09/2016- ...)

§ 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van aardgas op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse aardgasverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier en bij voorkeur in grafische vorm weergegeven.

Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van die laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven.

Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, omgerekend naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd.

§ 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de aardgasdistributienetbeheerder. Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaft de aardgasdistributienetbeheerder, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De aardgasdistributienetbeheerder beschikt over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen.

§ 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

Artikel 6.4.25/1. (01/01/2012- ...)

De leverancier van aardgas bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder informatie aangaande de beschermde afnemers binnen zijn werkingsgebied.

Afdeling VIII. [Toegang van de netbeheerders tot de energieprestatiedatabank en de energieprestatiecertificatendatabank (ing. BVR 15 juli 2016, art. 24, I: 25 september 2016)]

Artikel 6.4.26. (25/09/2016- ...)

De netbeheerder, of zijn werkmaatschappij, heeft in het kader van de uitvoering van zijn hem door of krachtens het Energiedecreet van 8 mei 2009 opgelegde taken leesrecht met betrekking tot al de gegevens van de energieprestatiedatabank en de energieprestatiecertificatendatabank die betrekking hebben op de gebouwen gelegen in het geografisch afgebakend gebied waarvoor hij door de VREG werd aangewezen voor het beheer van het elektriciteitsdistributienet, het aardgasdistributienet of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit.

[HOOFDSTUK IV/1. Openbaredienstverplichtingen voor de installateurs van hernieuwbare energiesystemen (ing. BVR 26 januari 2018, art. 4, I: 1 mei 2018)]

Artikel 6.4/1.1. (01/05/2018- ...)

Elke installateur van hernieuwbare energiesystemen bezorgt na de installatie de volgende gegevens aan de netbeheerder, in de vorm die de netbeheerder heeft bepaald :
1° de EAN-code van de elektriciteitsaansluiting;
2° de naam, het adres en het ondernemingsnummer van de installateur;
3° de voor- en achternaam en het adres van de klant;
4° het type productie;
5° dat datum waarop het hernieuwbare-energiesysteem is geplaatst;
6° het maximale AC-vermogen van de omvormers bij plaatsing in geval van een PV-installatie;
7° het installatieadres;
8° de vermelding of het gaat om een nieuwe installatie of een uitbreiding van een bestaande installatie.

De melding door de installateur van de gegevens, vermeld in het eerste lid, ontslaat de netgebruiker niet van andere meldingsplichten.

HOOFDSTUK V. Energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen

Afdeling I. Opmaak en inhoud van de energieplannen en energiestudies

Artikel 6.5.1. (01/01/2011- ...)

Het energieplan en de energiestudie worden opgesteld door aanvaarde energiedeskundige(n), op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van de exploitant. De exploitant stelt de energiedeskundige(n) alle nodige informatie ter beschikking en verleent de nodige medewerking.

Artikel 6.5.2. (01/01/2011- ...)

Een energieplan dat goedgekeurd is in het kader van een energiebeleidsovereenkomst, geldt als conform verklaard energieplan voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Artikel 6.5.3. (06/01/2019- ...)

Een energieplan, goedgekeurd in het kader van een energiebeleidsovereenkomst waarin de nieuwe inrichting of de belangrijke wijzigingen aan een inrichting, waarop dit hoofdstuk van toepassing is, zijn opgenomen, geldt als energiestudie voor de toepassing van dit hoofdstuk. De exploitant voegt een kopie van het energieplan bij de vergunningsaanvraag overeenkomstig artikel 15 van het Omgevingsvergunningenbesluit.

Artikel 6.5.4. (01/01/2011- ...)

§ 1. Het energieplan bevat tenminste de volgende elementen :
1° een technische beschrijving van de inrichting;
2° het gemeten jaarlijkse energiegebruik;
3° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van het energieplan;
4° de resultaten van een analyse van het specifieke energiegebruik van de inrichting en de identificatie van mogelijke maatregelen om dat specifieke energiegebruik te verminderen;
5° een oplijsting van de maatregelen, vermeld in 4°;
6° de volgende elementen voor elk van de bedoelde maatregelen, vermeld in 4°en 5° ;
a) een technische beschrijving;
b) de investeringskost;
c) de jaarlijkse exploitatiekost;
d) de verwachte energiebesparing;
e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;
f) de terugverdientijd;
g) de interne rentevoet na belastingen;
7° een lijst van alle maatregelen die overeenkomstig de gegevens vermeld in 6°, een interne rentevoet van minstens 15 % na belastingen hebben;
8° een chronologisch stappenplan met timing tot implementatie van alle maatregelen, vermeld in 7°, volgens de tijdslimieten, vermeld in titel II, hoofdstuk 4.9, artikel 4.9.2, van het VLAREM;
9° als het een energieplan betreft dat in het kader van een aanvraag tot hervergunning wordt opgesteld, zal het chronologische stappenplan zodanig worden opgesteld dat alle maatregelen, vermeld in 7°, uitgevoerd worden binnen een termijn van drie jaar.

§ 2. De energiestudie bevat minstens de volgende elementen :
1° het verwachte jaarlijkse energiegebruik;
2° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van de energiestudie;
3° een situering van de energie-efficiëntie van de inrichting of onderdeel ervan op basis van een vergelijking met gelijkaardige inrichtingen of onderdelen van inrichtingen die op de markt beschikbaar zijn;
4° op basis van de situering, vermeld in 3°, een motivering dat de in bedrijf te stellen inrichting de meest energie-efficiënte inrichting is die economisch haalbaar is. De exploitant moet aantonen dat energie-efficiëntereinstallaties die beschikbaar zijn op de markt of dat maatregelen die extra genomen kunnen worden om de energie-efficiëntie van de inrichting te verhogen, een interne rentevoet hebben van minder dan 15 % na belastingen. De exploitant neemt daarvoor in de energiestudie een vergelijkende tabel op waarin voor al de beschikbare energie-efficiëntere installaties en voor de mogelijke extra investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie de volgende gegevens zijn opgenomen :
a) een beknopte technische beschrijving;
b) de investeringskost;
c) de voorziene jaarlijkse exploitatiekosten;
d) de verwachte energiebesparing ten opzichte van de vooropgestelde installatie;
e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;
f) de terugverdientijd;
g) de interne rentevoet na belastingen.

Afdeling II. Conformverklaring van energieplannen

Artikel 6.5.5. (06/01/2019- ...)

§ 1. Een energieplan wordt per aangetekende brief voor conformverklaring ingediend bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan. Het kan zich bij die taak laten bijstaan door externe experten.

§ 2. Een energieplan is conform als het aan de volgende vereisten voldoet :
1° het energieplan is ondertekend en gedateerd door de exploitant en een of meer door het Vlaams Energieagentschap aanvaarde energiedeskundigen;
2° het energieplan is opgesteld volgens de structuur vermeld in artikel 6.5.4;
3° het energieplan voldoet inhoudelijk aan de bepalingen, vermeld in artikel 6.5.4.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap kan bij onvolledigheid van het dossier en binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van het dossier de exploitant per aangetekende brief vragen om het aan te vullen. De exploitant is verplicht om de informatie zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig dagen na de ontvangst van de aangetekende brief aan het Vlaams Energieagentschap te bezorgen.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap bezorgt, per aangetekende brief, zijn gemotiveerde beslissing over de conformiteit van het volledige energieplan aan de exploitant binnen veertig dagen na de dag van de ontvangst van het volledige energieplan. Het Vlaams Energieagentschap kan de termijn voor de beslissing over de conformiteit, bij wijze van een gemotiveerde beslissing, eenmaal verlengen met maximaal dertig dagen. Het brengt de exploitant, per aangetekende brief, op de hoogte van de verlenging van de behandelingstermijn.

§ 5. Als het Vlaams Energieagentschap binnen de termijn, vermeld in paragraaf 4, geen beslissing heeft genomen, wordt het ingediende energieplan als conform beschouwd.

§ 6. De exploitant kan binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, met een aangetekende brief, bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, een gemotiveerd beroep indienen tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 4.

§ 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu vraagt over het beroep advies aan de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 40 van het Omgevingsvergunningenbesluit. Het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie volgt de procedure, vermeld in titel III, hoofdstuk 7, afdeling 2 van het Omgevingsvergunningenbesluit.

Bij de beoordeling van het beroep binnen de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie hebben de volgende organen en deskundigen stemrecht :
1° het Departement omgeving;
2° het Vlaams Energieagentschap;
3° de Vlaamse Milieumaatschappij;
4° twee externe deskundigen die op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid zijn aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu.

§ 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu doet binnen drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep een uitspraak, bezorgt die aan het Vlaams Energieagentschap, en per aangetekende brief aan de exploitant.

§ 9. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu binnen een termijn van drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep geen uitspraak heeft gedaan, wordt het betreffende energieplan als conform beschouwd.

Afdeling III. Aanvaarding van energiedeskundigen

Artikel 6.5.6. (30/08/2015- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap is bevoegd voor het aanvaarden van energiedeskundigen.

§ 2. De energiedeskundigen voldoen minstens aan de volgende vereisten :
1° ze mogen geen deel uitmaken van het bedrijfspersoneel van de inrichting waarvoor ze een energieplan of een energiestudie opstellen;
2° ze bezitten een grondige technische en bedrijfseconomische kennis van de te onderzoeken inrichting.

In afwijking van het eerste lid, 1° kan een personeelslid van een energie-intensieve inrichting van een onderneming die is toegetreden tot één van de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (niet VER-bedrijven en VER-bedrijven), die voor deze energie-intensieve inrichting aanvaard werd als interne energiedeskundige voor het opstellen van het energieplan voor één van deze energiebeleidsovereenkomsten, voor die inrichting eveneens worden aanvaard voor het opstellen van een energiestudie, als vermeld in dit hoofdstuk.

§ 3. De minister kan de verdere procedure voor de aanvaarding van de energiedeskundigen vastleggen.

Afdeling IV. Actualisering van het energieplan

Artikel 6.5.7. (01/01/2011- ...)

§ 1. De conformiteit van het energieplan geldt voor een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het Vlaams Energieagentschap het conform heeft verklaard.

§ 2. De exploitant bezorgt minstens drie maanden voor de conformiteit van het lopende energieplan vervalt, aan het Vlaams Energieagentschap een aanvraag tot conformverklaring van een geactualiseerd energieplan.

§ 3. Het geactualiseerde energieplan voldoet aan de vereisten van artikel 6.5.4, § 1, en wordt aangevuld met de volgende onderdelen :
1° een overzicht van de uitvoering van de maatregelen uit het vorige energieplan met de vermelding van hun effecten op het vlak van energiegebruik en CO2-emissies;
2° een lijst met eventuele wijzigingen aan het vorige energieplan.

Gegevens die al werden opgenomen in het vorige conform verklaarde energieplan en in de tussentijd niet gewijzigd zijn, hoeven niet herhaald te worden in het geactualiseerde energieplan. Een verwijzing naar die gegevens in het geactualiseerd energieplan volstaat.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan volgens de bepalingen in artikel 6.5.1, 6.5.4 en 6.5.5. Vanaf de datum van de conformverklaring vervangt het geactualiseerde energieplan het vorige energieplan.

Afdeling V. Overzichtrapport van de overheid

Artikel 6.5.8. (01/01/2011- ...)

§ 1. Het Vlaams Energieagentschap maakt jaarlijks een overzichtsrapport over de uitvoering van dit hoofdstuk.

§ 2. Het overzichtsrapport bevat volgende elementen :
1° het totale aantal beoordeelde energieplannen en energiestudies tijdens het vorige kalenderjaar;
2° een overzicht van het aantal conform verklaarde energieplannen en energiestudies;
3° de verwachte totale energiebesparing als gevolg van de energiestudies;
4° op basis van de geactualiseerde energieplannen een overzicht van de al uitgevoerde maatregelen uit de vorige energieplannen met de vermelding van hun effecten op vlak van energiegebruik en CO2-emissies;
5° een algemene evaluatie van de uitvoering van dit hoofdstuk.

[HOOFDSTUK VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten voor elektro-intensieve ondernemingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]

[Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]

Artikel 6.6.1. (07/09/2019- ...)

§ 1. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten dat door een elektro-intensieve onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 4 % van de bruto toegevoegde waarde van de elektro-intensieve onderneming.

Een onderneming komt hiervoor in aanmerking indien ze behoort tot een van de in deel 1 van bijlage IV/1 vermelde sectoren.

§ 2. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten dat door een elektro-intensieve onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van een elektro-intensieve onderneming die behoort tot een van de in bijlage IV/1 vermelde sectoren en bijkomend zij een elektriciteitsintensiteit heeft van ten minste 20 %.

§ 3. De beperkingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, gelden zonder onderscheid voor alle ondernemingen en vestigingseenheden die in aanmerking komen, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden en de procedures, vermeld in artikel 6.6.2, en voor zover er aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de onderneming of vestigingseenheid is toegetreden tot de Energiebeleidsovereenkomst voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie;
2° de onderneming of de vestigingseenheid beschikt over een energieplan, als vermeld in titel VI, hoofdstuk V;
3° de onderneming heeft ten op zicht van de situatie in het jaar voorafgaand aan de aanvraag geen afbreuk gedaan aan de in de onderneming of vestiging van toepassing zijnde maatregelen inzake energie-efficiëntie.

In afwijking van het eerste lid wordt de beperking niet toegekend aan een onderneming in moeilijkheden, een onderneming die op de indieningsdatum van de steunaanvraag achterstallige schulden heeft bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of die een procedure op basis van Europees of nationaal recht heeft lopen waarbij toegekende steun onrechtmatig werd verklaard door een beslissing van de Europese Commissie en via de rechtbank wordt teruggevorderd.

§ 4. Voor de berekening van de elektriciteitsintensiteit van de onderneming of vestigingseenheid wordt gebruikgemaakt van efficiëntiebenchmarks voor standaard elektriciteitsverbruik voor de industrie, als die beschikbaar zijn.

De elektriciteitsintensiteit van een onderneming of vestigingseenheid wordt bepaald door de elektriciteitskosten van de onderneming of vestigingseenheid te delen door het rekenkundige gemiddelde over de drie meest recente jaren waarvoor gegevens van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming of vestigingseenheid beschikbaar zijn.

De elektriciteitskosten van een onderneming of vestigingseenheid worden bepaald door het elektriciteitsverbruik van de onderneming of vestigingseenheid te vermenigvuldigen met de aangenomen elektriciteitsprijs.

Voor de berekening van het elektriciteitsverbruik van de onderneming of vestigingseenheid wordt gebruikgemaakt van efficiëntiebenchmarks inzake elektriciteitsverbruik voor de industrie, voor zover beschikbaar. Zijn deze niet beschikbaar, dan wordt gebruikgemaakt van het rekenkundige gemiddelde over de drie meest recente jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

Onder de "aangenomen elektriciteitsprijs" wordt de gemiddelde detailhandelsprijs voor elektriciteit verstaan die in het Vlaamse Gewest wordt gehanteerd voor ondernemingen of vestigingseenheden met een vergelijkbaar niveau van elektriciteitsverbruik in het recentste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De aangenomen elektriciteitsprijs omvat de volledige kosten van financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die, zonder de kortingen, aan de onderneming of vestigingseenheid zouden zijn doorberekend. Het Vlaams Energieagentschap maakt de officieel te hanteren "aangenomen elektriciteitsprijs" bekend op zijn website.

§ 5. Onder "bruto toegevoegde waarde voor de onderneming" wordt de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten verstaan. Dit is de bruto toegevoegde waarde tegen marktprijzen, minus indirecte belastingen plus subsidies.

De toegevoegde waarde tegen factorkosten kan als volgt worden berekend: omzet plus geactiveerde productie, plus andere bedrijfsinkomsten, plus of minus veranderingen in voorraden, minus aankopen van goederen en diensten, die geen personeelskosten omvatten, minus andere heffingen op producten die aan de omzet zijn gekoppeld maar niet aftrekbaar zijn, minus productiegebonden rechten en heffingen. Als alternatief kan zij worden berekend als de som van het bruto exploitatieoverschot en de personeelskosten. Inkomsten en uitgaven die in de boekhouding van de onderneming als financieel of buitengewoon zijn ingedeeld, blijven voor de toegevoegde waarde buiten beschouwing. Het resultaat van de berekening van de toegevoegde waarde tegen factorkosten is een bruto-cijfer, aangezien met waarde-aanpassingen geen rekening wordt gehouden.

§ 6. Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage, vermeld in paragraaf 1 en 2, moet worden gebruikgemaakt van het rekenkundige gemiddelde over de drie meest recente jaren waarvoor gegevens over de bruto toegevoegde waarde beschikbaar zijn.

In het geval van ondernemingen of vestigingseenheden die minder dan drie jaar bestaan gelden de volgende regels voor de berekening van de elektriciteitsverbruik, vermeld in paragraaf 4, en de bruto toegevoegde waarde, vermeld in paragraaf 1, 2, 4 en 5:
1° gedurende de loop van het eerste exploitatiejaar van een nieuw opgerichte inrichting kan geen aanvraag, als vermeld in artikel 6.6.2, § 1, worden ingediend;
2° voor het tweede exploitatiejaar dienen de gegevens van het eerste jaar worden gebruikt;
3° voor het derde exploitatiejaar dient het rekenkundig gemiddelde van de gegevens voor het eerste jaar en het tweede jaar te worden gebruikt;
4° vanaf het vierde exploitatiejaar dient het rekenkundig gemiddelde van gegevens voor de drie voorgaande jaren te worden gebruikt.

[Afdeling II. De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de beperking van het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten voor elektro-intensieve ondernemingen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]

Artikel 6.6.2. (29/03/2018- ...)

§ 1. Elektro-intensieve ondernemingen die voor de inleveringsronde die eindigt op 31 maart van het jaar N een beperking van het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten, als vermeld in artikel 7.1.10, § 3/1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, willen verkrijgen, dienen daarvoor met een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier een aanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap uiterlijk op 15 juli van het jaar N-1. Het Vlaams Energieagentschap bezorgt een elektronische ontvangstmelding.

De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
1° de naam en de grootte van de onderneming en de vestigingseenheden in kwestie;
2° de elektriciteitsintensiteit van de onderneming of vestigingseenheid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop die berekend werd conform artikel 6.6.1, § 4 en § 6;
3° de bruto toegevoegde waarde van de onderneming of vestigingseenheid van de laatste drie kalenderjaren of in het geval van ondernemingen of vestigingseenheden die minder dan drie jaar bestaan de bruto toegevoegde waarde van de onderneming of vestigingseenheid zoals vermeld in artikel 6.6.1, § 6, tweede lid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop die berekend werd conform artikel 6.6.1, § 5 en die werd geattesteerd door de bedrijfsrevisor;
4° de afnamepunten waarvoor de onderneming of vestigingseenheid als netgebruiker geregistreerd stond, de periode waarin zij als netgebruiker geregistreerd stond op die afnamepunten en de afnames op die afnamepunten tijdens de periode waarin de betrokken onderneming of vestigingseenheid geregistreerd stond als netgebruiker op het afnamepunt;
5° een ondertekende verklaring op erewoord waarbij wordt verklaard dat de ingevulde gegevens worden geacht overeen te stemmen met de waarheid en met de voorwaarden van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid, en van deze afdeling, alsook van de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de gedetailleerde gegevens over het door de federale overheid op ondernemingsniveau of vestigingsniveau vastgestelde en in het jaar N-2 verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten.
7° wanneer de onderneming of de vestigingseenheid geen lid is van de energiebeleidsovereenkomst, vermeld in artikel 6.6.1, § 3, 1° of niet beschikt over een energieplan: de maatregelen inzake energie-efficiëntie in N-2 genomen door de onderneming of vestiging.

Het Vlaams Energieagentschap gaat na of het aanvraagdossier volledig is. Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt het Vlaams Energieagentschap de onderneming in kwestie daarvan met een aangetekende brief op de hoogte binnen een maand na ontvangst van het aanvraagdossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom het aanvraagdossier niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de onderneming, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen. Deze termijn bedraagt minimum vijftien kalenderdagen.

Als in afwijking van het tweede lid, 6° de onderneming of vestigingseenheid geen gegevens over het door de federale overheid op ondernemingsniveau of vestigingsniveau vastgestelde en in het jaar N-2 verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten in haar aanvraag opneemt, dan doet zij onherroepelijk afstand van het recht op de verrekening ervan, vermeld in paragraaf 3, derde lid.

De minister kan nadere regels bepalen betreffende de aanvraagprocedure voor het verkrijgen van een beperking van het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap verifieert de gegevens die in de aanvraag staan en doet daarvoor een beroep op het verificatiebureau, wat betreft de gegevens vermeld in § 1, tweede lid, 2° en de VREG, wat betreft de gegevens vermeld in § 1, tweede lid, 4°. De verificatie heeft betrekking op de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en nauwkeurigheid van de gegevens die zijn verstrekt over de onderneming of vestigingseenheid en resulteert in een verificatieadvies aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 3. Als de aanvraag volledig is en het Vlaams Energieagentschap in voorkomend geval een positief advies heeft ontvangen van het verificatiebureau en/of de VREG, dan beoordeelt het Vlaams Energieagentschap of de onderneming of vestigingseenheid voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, en stelt ze uiterlijk op 15 oktober van het jaar N-1 in euro de hoogte vast van de beperking van het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten, vermeld in artikel 6.6.1.

Op basis van de vaststelling van het Vlaams Energieagentschap, wordt het op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten vervolgens beperkt, conform artikel 7.1.10, § 3/1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Van het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt voor aanvragen ingediend vanaf 2019 en voor zover de onderneming het vorige jaar een aanvraag, vermeld in paragraaf 1 indiende, en er op het federale niveau een gelijkaardige regeling bestaat, het door de federale overheid vastgestelde op ondernemingsniveau of vestigingsniveau in het vorige jaar door die onderneming of vestiging verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten, met een plafond van een bepaald percentage van het in het vorige jaar in totaal verschuldigde bedrag, vermeld in het eerste lid, afgetrokken. Het verschil wordt door het Vlaams Energieagentschap in mindering gebracht van het bedrag dat de onderneming of vestigingseenheid conform paragraaf 4 dat jaar in het Energiefonds moet storten.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de procedure voor de verrekening, vermeld in het derde lid, en legt het percentage van het plafond, vermeld in het derde lid, vast. Dit percentage ligt tussen 25% en 50%.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap brengt de onderneming in kwestie op de hoogte van de hoogte van de te storten bijdragen en de betalingsmodaliteiten. De beperking wordt voor jaar N pas geldig nadat de onderneming uiterlijk op 15 november van jaar N-1 de bijdrage, vermeld in paragraaf 3, in het Energiefonds heeft gestort. Na ontvangst van die bijdrage in het Energiefonds wordt de definitieve beslissing vervolgens betekend aan de aanvrager en aan de VREG.

De VREG zorgt voor de correcte toepassing van deze beslissingen bij het bepalen van de hoogte van de quotumverplichtingen van de betrokken toegangshouders, vermeld in artikel 7.1.10 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

§ 5. Het Vlaams Energieagentschap evalueert jaarlijks het geaggregeerde netto-effect, zijnde de aangroei van de groenstroomcertificaten, ten gevolge van de in dit hoofdstuk vervatte regeling op de groenestroomcertificatenmarkt en legt deze evaluatie jaarlijks uiterlijk tegen 15 juli voor aan de minister. De minister kan indien nodig aan de Vlaamse Regering een voorstel tot inperking van de aangroei voorleggen.

Artikel 6.6.3. (29/03/2018- ...)

 Als een onderneming of vestigingseenheid aangaande de inleveringsronde die eindigt op 31 maart van jaar N-1 gebruik maakte van de mogelijkheid om conform dit hoofdstuk het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten te beperken, en zij dient daarvoor in het jaar N geen aanvraag in, en voor zover er op het federale niveau een gelijkaardige regeling bestaat, dan kan ze aan het Vlaamse Gewest een bedrag terugvragen ter grootte van het door de federale overheid vastgestelde op ondernemingsniveau of vestigingsniveau in het jaar N-1 door die onderneming of vestiging verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten, met een plafond van een percentage van het in het jaar N-1 in totaal verschuldigde bedrag, vermeld in artikel 6.6.2, § 3, eerste lid. Dit is het percentage dat conform artikel 6.6.2, § 3, vierde lid door de minister voor het jaar N-1 werd vastgelegd.

De onderneming of vestigingseenheid, vermeld in het eerste lid, dient daarvoor met een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier een aanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap uiterlijk op 15 juli van het jaar N. De aanvraag bevat ten minste de gedetailleerde gegevens over het door de federale overheid op ondernemingsniveau of vestigingsniveau vastgestelde en in het jaar N-1 verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten.

Als in afwijking van het tweede lid de onderneming of vestigingseenheid de gegevens over het door de federale overheid op ondernemingsniveau of vestigingsniveau vastgestelde en in het jaar N-1 verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten niet tijdig aanlevert, dan doet ze onherroepelijk afstand van het recht op teruggave.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de procedure voor de teruggave.

[Afdeling III. Uitsluitingsgevallen (ing. BVR 23 februari 2018, art. 2, I: 29 maart 2018)]

Artikel 6.6.4. (29/03/2018- ...)

Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat met betrekking tot de gegevens, vermeld in artikel 6.6.2, § 1, tweede lid een onderneming in strijd met de ondertekende verklaring op erewoord, vermeld in artikel 6.6.2, § 1, tweede lid, 5°, wetens en willens onjuiste of onvolledige informatie heeft bezorgd, en die een correcte berekening van de elektriciteitsintensiteit van de onderneming in de weg staat, dan wordt de onderneming in de toekomst uitgesloten van verdere toepassing van dit hoofdstuk.

TITEL VII. Tegemoetkomingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen [... (geschr. BVR 10 juli 2015, art. 15, I: 30 augustus 2015)]

HOOFSTUK I. [Gemeenschappelijke bepalingen (verv. BVR 13 september 2013, art. 4, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.1.1. (30/08/2015- ...)

Conform artikel 8.7.2. § 2, derde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden de maximumpercentages voor tegemoetkomingen aan ondernemingen, vermeld in artikel 8.7.2, § 2 van het voormelde decreet aangepast aan de Europese kaderregeling voor staatssteun ten behoeve van het milieu, die op haar beurt inmiddels werd vervangen door de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (Publicatieblad van 28 juni 2014, C200/1).

In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kunnen de tegemoetkomingen voor energiebesparing die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend aan kleine ondernemingen maximaal 50 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een middelgrote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 40 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een grote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 30 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. In geval van een inschrijvingsprocedure kunnen de tegemoetkomingen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kunnen de tegemoetkomingen voor hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling-installaties die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend aan kleine ondernemingen maximaal 65 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een middelgrote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 55 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een grote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 45 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. In geval van een inschrijvingsprocedure kunnen de tegemoetkomingen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kunnen de tegemoetkomingen voor stadsverwarming met conventionele energiebronnen die ter uitvoering van titel VIII van het voormelde decreet worden toegekend aan kleine ondernemingen maximaal 65 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een middelgrote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 55 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een grote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 45 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. In geval van een inschrijvingsprocedure kunnen de tegemoetkomingen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

Artikel 7.1.2. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.3. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.4. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.5. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.6. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.7. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.8. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.9. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.10. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.11. (01/01/2012- ...)

...

Artikel 7.1.12. (01/01/2012- ...)

...

HOOFSTUK II. Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen

Afdeling I. Toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK's en warmtepompen

Artikel 7.2.1. (01/01/2011- ...)

Een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen wordt toegekend aan niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen.

Tot een maximumsteunbedrag van 200.000 euro per kalenderjaar voor alle aanvragers samen en als de kredieten van het Energiefonds zover strekken, wordt een subsidie toegekend van 20 % van de kosten van de projecten voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen.

Het Vlaams Energieagentschap maakt bekend binnen welke periode de aanvragen ingediend kunnen worden.

Artikel 7.2.2. (01/01/2011- ...)

Als micro-WKK worden de warmtekrachtinstallaties beschouwd met een maximumcapaciteit van 50 kilowatt nominaal elektrisch vermogen.

Bij micro-WKK wordt de subsidie alleen toegekend voor warmtekrachtinstallaties die voldoen aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in artikel 6.2.1.tot en met 6.2.19.

De plaatsing van warmtepompen komt alleen in aanmerking voor subsidiëring als de warmtepomp niet gebruikt kan worden voor koeling en indien voor de vermelde categorieën de coëfficiënt of performance (COP), gemeten volgens EN14511, EN255 of CETIAT, onder de vermelde condities hoger is dan of gelijk is aan :
1° 4,0 voor bodem/water warmtepompen (brontemperatuur 0, afgiftetemperatuur 35);
2° 4,5 voor water/water warmtepompen (brontemperatuur 10, afgiftetemperatuur 35);
3° 3,6 voor lucht/water warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 35);
4° 3,4 voor lucht/lucht warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 20);
5° 3 voor directverdamping/water warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35);
6° 4 voor directverdamping/directcondensatie warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35).

Ook warmtepompen die warmte onttrekken aan ventilatielucht, of warmtepompen voor de productie van sanitair warm water komen in aanmerking voor subsidiëring.

Alleen installaties die geplaatst worden in wettelijk vergunde gebouwen die volledig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest liggen, komen in aanmerking voor subsidiëring.

Artikel 7.2.3. (01/01/2011- ...)

De begunstigden van de subsidie moeten beschikken over een eigendomstitel, een geregistreerd huurcontract, erfpacht, recht van opstal of een gelijkwaardig document met betrekking tot het betreffende gebouw.

Artikel 7.2.4. (01/01/2011- ...)

De subsidieaanvraag wordt ingediend bij het Vlaams Energieagentschap door middel van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld aanvraagformulier. De projectkosten worden aangetoond door middel van facturen. Alleen facturen die dateren van na de subsidieaanvraag komen in aanmerking.

Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de aanvragen in volgorde van indienen.

De projecten die het eerst gerangschikt staan, worden gesubsidieerd tot het maximumsteunbedrag van 200.000 euro voor het betreffende kalenderjaar bereikt is. De resterende aanvragen worden doorgeschoven naar de volgende indieningsronde en daar opnieuw gerangschikt, samen met de nieuwe aanvragen.

Artikel 7.2.5. (01/01/2011- ...)

De subsidie kan tot maximaal 100 % van de kosten van het project worden gecumuleerd met andere steun.

Artikel 7.2.6. (01/01/2011- ...)

De begunstigde van de subsidie vermeldt in de mondelinge en schriftelijke communicatie over het project altijd dat het is opgezet met de steun van de Vlaamse overheid.

Afdeling II. Toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in residentiële gebouwen

Artikel 7.2.7. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.8. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.9. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.10. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.11. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.12. (01/10/2012- ...)

...

Artikel 7.2.13. (01/10/2012- ...)

...

Afdeling III. Toekenning van subsidies aan energieconsulentenprojecten

Onderafdeling I. Toepassingsgebied

Artikel 7.2.14. (01/01/2011- ...)

Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die door de minister daartoe, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds worden gereserveerd, kan overeenkomstig deze afdeling aan niet-commerciële instellingen steun worden verleend voor energieconsulentenprojecten in het Vlaamse Gewest.

Ook samenwerkingsverbanden van verschillende niet-commerciële instellingen komen in aanmerking voor steun.

Onderafdeling II. Algemene voorwaarden

Artikel 7.2.15. (01/01/2011- ...)

De steun voor een energieconsulentenproject wordt toegekend in de vorm van een subsidie. De subsidie bedraagt per project maximaal 175.000 euro op jaarbasis.

§ 2. Alleen personeels-, werkings- en investeringskosten die direct en uitsluitend verbonden zijn aan het project, komen in aanmerking voor subsidiëring.

Personeelskosten kunnen aanvaard worden voor maximaal 2 VTE op jaarbasis. De aanvaarde personeelskosten worden gesubsidieerd voor 100 %. De subsidie voor de werkings- en investeringskosten bedraagt forfaitair 15 % van de subsidie voor de aanvaarde personeelskosten.

§ 3. Een energieconsulentenproject heeft een duur van maximaal drie jaar.

Onderafdeling III. Procedure

Artikel 7.2.16. (01/01/2011- ...)

De subsidieaanvraag wordt ingediend na een oproep die bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De oproep bevat minstens de volgende elementen :
1° de te bereiken doelgroepen;
2° de budgettaire enveloppe;
3° de activiteiten waarvoor minimaal resultaatsverbintenissen moeten worden behaald;
4° de minimale rapporteringsvereisten;
5° de uiterste indieningsdatum;
6° de beoordelingscriteria en de weging ervan;
7° de beoordelingsprocedure en de wijze van jurering;
8° de minimumscore die behaald moet worden.

De promotoren dienen de aanvraag tot het verkrijgen van de subsidie in met de documenten die daarvoor ter beschikking worden gesteld op de website van het Vlaams Energieagentschap.

Artikel 7.2.17. (01/01/2011- ...)

Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvragen aan de hand van volgende criteria :
1° de promotor is een niet-commerciële instelling;
2° de aanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
3° de aanvraag is volledig en correct ingevuld;
4° de aanvraag werd tijdig ingediend.

De promotor van wie het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.

De promotor van wie het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om alsnog binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van de kennisgeving de aanvraag te vervolledigen.

Onderafdeling IV. Beoordelingscriteria

Artikel 7.2.18. (01/01/2011- ...)

De ontvankelijke subsidieaanvragen worden door het Vlaams Energieagentschap individueel getoetst aan de criteria, vermeld in artikel 7.2.19.

Artikel 7.2.19. (01/01/2011- ...)

§ 1. De volgende criteria worden bij de beoordeling van de subsidieaanvraag gehanteerd :
1° de mate waarin het project inspeelt op de beleidsaccenten in de oproep;
2° de deskundigheid en opgedane kennis van de promotor met betrekking tot het thema van de oproep;
3° de mate waarin de promotor via zijn huidige werking één of meer van de doelgroepen, vermeld in de oproep, bereikt en activeert;
4° de gevraagde subsidie voor het energieconsulentenproject.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap maakt een rangschikking op van alle aanvragen met per aanvraag een gemotiveerd advies.

§ 3. Tot de budgettaire enveloppe voor de oproep opgebruikt is, sluit de minister met de best gerangschikte promotoren van wie de subsidieaanvraag minstens de minimumscore behaalde een subsidieovereenkomst. Vooraleer de subsidieovereenkomsten worden ondertekend, worden ze per mededeling voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

De subsidieovereenkomst bevat minstens de volgende elementen :
1° begunstigde;
2° toegekend steunbedrag;
3° resultaatsverbintenis;
4° looptijd;
5° uitbetalingsvoorwaarden;
6° toezicht en controle;
7° rapporteringsvoorwaarden;
8° mogelijkheid tot het vervroegd stopzetten van het project indien uit de opvolging zou blijken dat de uitvoering ervan niet voldoet aan de bepalingen van de subsidieovereenkomst.

De minister bezorgt een gemotiveerde beslissing aan de promotoren die vanwege de rangschikking van hun aanvraag niet in aanmerking komen voor een subsidie.

Onderafdeling V. Uitbetaling van de subsidie

Artikel 7.2.20. (01/01/2011- ...)

De subsidie wordt als volgt uitbetaald :
1° een eerste schijf van 40 % van de subsidie wordt uitbetaald na ondertekening van de subsidieovereenkomst en na indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;
2° een tweede schijf van 25 % wordt uitbetaald na :
a) indiening van een schuldvordering;
b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat een derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis;
3° een derde schijf van 25 % wordt uitbetaald na :
a) indiening van een schuldvordering;
b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat twee derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis;
4° het saldo wordt uitbetaald nadat de looptijd, vermeld in artikel 7.2.19, § 3, 4° is verstreken en na :
a) indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;
b) indiening van een verklaring op erewoord van eer van de promotor dat de ingediende kosten niet gesubsidieerd werden of zullen worden door andere subsidieverstrekkers;
c) goedkeuring door het Vlaams Energieagentschap van het eindverslag, met inbegrip van het financiële verslag.

[Afdeling IV. Toekenning van steun voor energetische renovatieprojecten van noodkoopwoningen (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

[Onderafdeling I. Algemene voorwaarden (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.21. (22/09/2019- ...)

Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die door de minister daartoe, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds worden gereserveerd, kan overeenkomstig deze afdeling steun worden verleend aan projecten uitgevoerd in het kader van hun maatschappelijke dienstverlening door partnerschappen gecoördineerd door een of meerdere OCMW's, voor energetische renovatie van noodkoopwoningen in het Vlaamse Gewest. De beoogde woningen van een project bevinden zich alle op het grondgebied van de gemeenten waarvoor het OCMW of de samenwerkende OCMW's bevoegd zijn.

In geval twee of meer OCMW's samenwerken, duiden zij een OCMW-lastnemer aan die het project coördineert en de eindverantwoordelijk draagt van het project.

Artikel 7.2.22. (22/09/2019- ...)

§ 1. De steun voor een project wordt verleend onder de vorm van een renteloze kredietlijn die aan het OCMW of de OCMW-lastnemer, hierna in deze afdeling gemeenzaam OCMW genoemd, wordt toegekend, met het oog op het verstrekken van renteloze leningen door het OCMW in het kader van hun maatschappelijke dienstverlening voor de energetische renovatie van noodkoopwoningen, aan de noodkopers. Het OCMW doet voor het beheer van de leningen een beroep op het voor de gemeente waar de noodkoopwoning zich bevindt aangestelde energiehuis. De lening wordt niet aan de noodkopers uitbetaald, doch in functie van de uitgevoerde werken rechtstreeks aan de betrokken aannemers.

De minister bepaalt nadere regels met betrekking tot de aard van de investeringen die in aanmerking komen voor de renteloze lening.

De kredietlijn bedraagt maximaal 900.000 euro per project waarbij de renteloze lening per noodkoopwoning in het project beperkt is tot 25.000 euro. De opnames op de kredietlijn kunnen gebeuren tot uiterlijk 4 jaar na goedkeuring van het project.

§ 2. De noodkopers beschikken op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst houdende het toekennen van de lening vermeld in § 1 noch voor de geheelheid, noch in onverdeeldheid, over een zakelijk recht op onroerende goederen, andere dan de noodkoopwoning.

§ 3. Het OCMW eist de renteloze lening ten aanzien van de noodkoper op in de volgende gevallen:
1° wanneer de noodkoper niet meer op het adres van de noodkoopwoning is ingeschreven in het bevolkingsregister;
2° wanneer de noodkoper alleen of gezamenlijk met de andere noodkopers van dezelfde noodkoopwoning voor de geheelheid of in onverdeeldheid zakelijke rechten verwerft op onroerende goederen, andere dan de noodkoopwoning, ingevolge een overdracht onder de levenden;
3° bij een overdracht onder de levenden van zakelijke rechten op de noodkoopwoning door de noodkoper in het voordeel van derde personen;
4° bij de vestiging onder de levenden door de noodkoper of de noodkopers van zakelijke rechten op de noodkoopwoning in het voordeel van derde personen;
5° na het verstrijken van een termijn van 20 jaar vanaf de datum van de ondertekening van de leningsovereenkomst tussen het OCMW en de noodkoper.

De bepalingen vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, en 4° gelden als voorwaarden waaraan de noodkoper moet blijven voldoen gedurende de volledige duurtijd van de lening. Bij niet-naleven hiervan wordt de lening opeisbaar. De noodkoper brengt het OCMW onverwijld op de hoogte, wanneer een van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, en 4°, plaatsvindt.

Bij de overdracht of vestiging, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, tijdens de duurtijd van de lening, vordert het OCMW tevens een deel op van de door de noodkoper of door de noodkopers gerealiseerde meerwaarde.

De in het derde lid bedoelde meerwaarde is gelijk aan het verschil tussen:
1° hetzij de in de akte van vervreemding van de noodkoopwoning vermelde prijs in geld verhoogd met de lasten die de koper worden opgelegd zoals deze in geld werden geraamd voor de berekening van het verkooprecht en hetzij, bij gebreke aan een prijs in geld, de verkoopwaarde van de woning bij de overdracht of bij de vestiging van het zakelijk recht zoals deze wordt geraamd door een expert aangesteld door en op kosten van het OCMW;
2° de waarde van de woning, zoals deze wordt geraamd door een expert aangesteld door en op kosten van het OCMW, vóór de uitvoering van de renovatiewerken. Deze renovatiewaarde wordt gekoppeld aan de evolutie van de index der consumptieprijzen tot op het ogenblik van de overdracht of vestiging van het zakelijk recht.

Het gedeelte van de meerwaarde dat wordt opgeëist, is gelijk aan het resultaat van de volgende formule: (A-B) x (B/C) en waarbij
A = het bedrag van de meerwaarde vermeld in het vierde lid
B = het bedrag van de renteloze lening
C = B + het bedrag vermeld in het vierde lid, 2°

De minister kan de nadere modaliteiten voor de berekening van het opeisbaar gedeelte van de meerwaarde vermeld in het derde lid, alsook de modaliteiten van de procedure tot aanwijzing van de experten vermeld in hetzelfde lid, bepalen.

§ 4. De noodkoper of noodkopers kunnen tijdens de looptijd van de lening een vervroegde gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de lening voorstellen aan het OCMW. De procedure en de modaliteiten voor deze terugbetalingsregeling worden bepaald bij een ministerieel besluit. De minister kan bij ministerieel besluit tevens voorzien dat bij een gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de lening een vergoeding door de noodkoper verschuldigd is. Het bedrag of de berekeningswijze van deze vergoeding worden eveneens bij ministerieel besluit bepaald.

Deze vergoeding kan gekoppeld worden aan het gedeelte van de meerwaarde, vermeld in paragraaf 3, derde lid, indien deze binnen een termijn van vier jaar na het opeisbaar worden van de renteloze lening wordt gerealiseerd.

§ 5. Onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die de minister bepaalt, kan het OCMW met de noodkoper of de erfgenamen een overeenkomst sluiten waarin voorzien wordt in een afbetalingsplan met vaste maandelijkse schijven waarvan de duur, behoudens in uitzonderlijke gevallen en op gemotiveerd verzoek aan het OCMW, 15 jaar niet mag overschrijden.

Het OCMW bedingt altijd het voorrecht tot de terugvordering van het bedrag van de renteloze lening, ongeacht of er een meerwaarde is en hoe groot die is, alsmede een conventioneel voorkooprecht, toepasbaar in geval een overdracht of vestiging, onder de levenden en ten bezwarende titel, van zakelijke rechten op de noodkoopwoning plaatsvindt. Als zekerheid past het OCMW per woning zijn recht tot het nemen van een wettelijke hypotheek toe.

Een project is beëindigd op het moment dat voor elke woning binnen het project het bedrag van de renteloze lening en het eventuele meerwaardevoordeel is terugbetaald.

§ 6. Personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het project, komen niet in aanmerking voor subsidiëring.

[Onderafdeling II. Procedure (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.23. (22/09/2019- ...)

De steunaanvraag wordt ingediend na een oproep die bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De oproep bevat minstens de volgende elementen :
1° de te bereiken doelgroepen;
2° de minimaal vereiste partners voor de uitvoering van het project;
3° de budgettaire gesloten enveloppe;
4° de activiteiten waarvoor minimaal resultaatsverbintenissen moeten worden vastgelegd en die minstens betrekking hebben op het ervoor zorgen dat het goed beantwoord aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit, vermeld in artikel 5 van de Vlaamse Wooncode van 15 juli 1997;
5° de minimale rapporteringsvereisten;
6° de uiterste indieningsdatum;
7° de beoordelingscriteria en de weging ervan;
8° de beoordelingsprocedure en de wijze van jurering;
9° de minimumscore die behaald moet worden.

De OCMW's dienen de aanvraag tot het verkrijgen van de steun in aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.

Artikel 7.2.24. (22/09/2019- ...)

Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvragen aan de hand van volgende criteria:
1° de aanvrager is een OCMW;
2° het OCMW werkt samen met het lokale energiehuis, dat instaat voor het beheer van de leningen;
3° de aanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
4° de aanvraag is volledig en correct ingevuld;
5° de aanvraag werd tijdig ingediend;
6° de steun wordt enkel aangewend onder de vorm van renteloze leningen voor de renovatie van de noodkoopwoningen en niet voor andere kosten verbonden aan het project.

De aanvrager van wie het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een maand na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.

De aanvrager van wie het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een maand na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering.

[Onderafdeling III. Beoordelingscriteria (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.25. (22/09/2019- ...)

§ 1 De ontvankelijke steunaanvragen worden door het Vlaams Energieagentschap individueel getoetst aan de hierna volgende criteria :
1° de mate waarin het project inspeelt op de behoeften inzake energetische renovatie van noodkoopwoningen en een hefboom kan zijn voor de herwaardering van de wijk of de gemeente;
2° de kwaliteit van het plan van aanpak en de projectplanning;
3° de deskundigheid en opgedane kennis van de promotor en de betrokken partners met betrekking tot energetische renovatie van noodkoopwoningen, evenals de manier waarop de samenwerking tussen de partners wordt georganiseerd;
4° de beschikbare cofinanciering in relatie met de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het project;
5° de beschikbare cofinanciering in termen van bijkomend kapitaal om extra woningen in het project te betrekken;
6° de kwaliteitsborging van het bouwproces;
7° de doelmatigheid van de selectie en de begeleiding van de eigenaars;

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap maakt een rangschikking op van alle aanvragen met per aanvraag een gemotiveerd advies.

§ 3. De steun wordt door de minister toegekend aan de best gerangschikte projecten die minstens de minimumscore behaalden, tot de budgettaire enveloppe voor de oproep is opgebruikt.

De besluiten bevatten minstens de volgende elementen :
1° de begunstigde;
2° het toegekend steunbedrag;
3° de resultaatsverbintenissen, vermeld in artikel 7.2.23, tweede lid, 4° ;
4° de looptijd;
5° de uitbetalingsvoorwaarden;
6° de toezicht en controle;
7° de rapporteringsvoorwaarden;
8° de mogelijkheid tot vervroegd stopzetten.

De minister bezorgt een gemotiveerde beslissing aan de aanvragers die vanwege de rangschikking van hun aanvraag niet in aanmerking komen voor een subsidie.

[Onderafdeling IV. Uitbetaling van de subsidie (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.26. (22/09/2019- ...)

De subsidie wordt verleend onder de vorm van een renteloze kredietlijn die aan het project wordt toegekend, met het oog op het verstrekken van renteloze leningen voor de renovatie van noodkoopwoningen aan de eigenaars van deze noodkoopwoningen.

De leningsbedragen worden niet aan de eigenaars van de noodkoopwoningen overgemaakt. In functie van de opgeleverde renovatiewerken in de respectievelijke woningen worden, na controle van de facturen, de verschuldigde bedragen op de rekening van de aannemers gestort. Tegelijkertijd wordt de renteloze kredietlijn voor die bedragen gedebiteerd.

[Onderafdeling V. Opvolging en begeleiding (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.27. (22/09/2019- ...)

De projecten worden opgevolgd door een stuurgroep die door het Vlaams Energieagentschap wordt samengeroepen en geleid voor opvolging van de projecten, met het oog op opvolging van de goede verwerking van gegevens, de impactevaluatie van de call en inzake kennisuitwisseling tussen de partnerschappen.

[Onderafdeling VI. Controle en sanctie (ing. BVR 17 mei 2019, art. 2, I: 22 september 2019)]

Artikel 7.2.28. (22/09/2019- ...)

Onverminderd de toepassing van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, kan de minister het project vervroegd stopzetten en/of één of meer OCMW's uitsluiten van volgende calls.

HOOFSTUK III. Marktintroductieprogramma

Artikel 7.3.1. (31/10/2011- ...)

§ 1. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen die tot 50 % van de kosten ervan kunnen dekken toegekend voor demonstratieprojecten inzake rationeel energieverbruik die een nieuwe verwezenlijking in Vlaanderen betekenen en commercialisering- en rendabiliteitsvooruitzichten bieden.

§ 2. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen toegekend voor de ontwikkeling van nieuwe procedés of producten die bijzonder belangrijk zijn voor de sectoren die veel energie verbruiken.

§ 3. De natuurlijke personen of rechtspersonen die van een in paragraaf 1 en 2 vermelde aanmoedigingsmaatregel hebben genoten, mogen in geen geval een nieuwe tegemoetkoming voor hetzelfde type van investering aanvragen.

§ 4. De minister kan de hoogte van de steunintensiteit, vermeld in § 1 en 2, bepalen. De minister bepaalt de nadere regels betreffende het indienen en het onderzoek van de aanvragen tot het verkrijgen van een subsidie en de nadere regels betreffende de uitvoering, de uitbetaling, de opvolging en de controle van de toegekende subsidies.

[HOOFDSTUK IV. (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)] [Ondersteuning van nuttige groene warmte (verv. BVR 17 juli 2015, art. 2, I: 5 september 2015)][... (opgeh. BVR 30 november 2018, art. 2, I: 3 maart 2019)]

[Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.4.1. (28/04/2020- ...)

§ 1. Onder de voorwaarden, vermeld in artikelen 1 tot en met 12 en artikel 41 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit wordt steun toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties en, als dat van toepassing is, aangesloten energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling.

Alleen investeringen in installaties die in het Vlaamse Gewest liggen, die aan een economische vraag voldoen en waarvoor geen groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten zijn toegekend of kunnen worden toegekend, komen in aanmerking voor steun.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen onder andere als nuttige-groenewarmte-installaties in aanmerking komen:
1° installaties die nuttige groene warmte produceren uit een organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6°, of een van de organisch-biologische stoffen, vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°, met een bruto thermisch vermogen van meer dan 300 kWth;
2° installaties die nuttige groene warmte winnen uit aardwarmte uit de diepe ondergrond met een bruto thermisch vermogen van meer dan 1 MWth en, als dat van toepassing is, een aangesloten Organische Rankinecyclus voor elektriciteitsproductie. De aangesloten Organische Rankinecyclus komt alleen in aanmerking als het bruto elektrisch vermogen minstens 300 kWe is, geen warmteafnamepotentieel aanwezig is en aanvullend is op de productie van nuttige groene warmte voor een economisch aantoonbare warmtevraag.

De calls bevatten steeds minstens een oproep met betrekking tot de technologie vermeld in het derde lid, 1°. De minister bepaalt op voorstel van het Vlaams Energieagentschap per call welke andere technologieën voor een nuttige-groene-warmteinstallatie in aanmerking komen voor steun. Indien de minister bepaalt dat de technologie vermeld in het derde lid, 2°, in aanmerking komt voor steun, wordt echter in geen geval steun toegekend aan de boringen voor het winnen van aardwarmte.

De aangesloten energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, vermeld in het eerste lid, of de Organische Rankinecyclus, vermeld in het derde lid, 2°, kunnen al dan niet samen met de productie-installatie ingediend worden, maar komen alleen in aanmerking voor het deel dat voldoet aan een bijkomende economisch aantoonbare vraag.

De steun bedraagt maximaal 1 miljoen euro per investeringsproject. In afwijking daarvan bedraagt voor het winnen van nuttige groene warmte uit aardwarmte uit de diepe ondergrond de steun maximaal 2 miljoen euro per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan van het maximale steunbedrag per investeringsproject afwijken en beslissen over een steuntoekenning als het gevraagde steunbedrag hoger is.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds.

§ 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.

De minister lanceert minstens om de twaalf maanden een call.

De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden.

§ 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend.

§ 4. Wanneer door een uitbreiding van een steungerechtigde nuttige-groenewarmte-installatie een bijkomende capaciteit voor de productie van nuttige groene warmte wordt bekomen, kan deze uitbreiding, mits deze voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 7.4.2, in aanmerking komen als nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie. De minister kan per technologie een minimumvermogen voor de uitbreiding vastleggen. De nuttige groene warmte geleverd door deze nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie moet gemeten worden met behulp van meetapparatuur die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 7.4.2, § 2.

§ 5. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2020, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.

§ 6. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij de volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.4.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.

§ 7. ...

[Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.4.2. (22/07/2019- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, en die de aanvrager niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.

Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een interne opbrengstvoet (hierna: IRR) die groter is dan of gelijk is aan 15 %.

Warmte die wordt toegepast voor het aandrijven van een absorptiekoelmachine wordt in geen geval beschouwd als nuttige groene warmte.

Er kan geen steun worden toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties die gebruik maken van directe luchtverwarming voor de verwarming van gebouwen, die geen woon- of kantoorgebouwen zijn.

De steun wordt alleen toegekend aan installaties waarvoor de uitgaven gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie in kwestie volgens 7.4.3, § 2 of aan bestaande installaties die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.4.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte productietechnologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie als vernieuwd beschouwd kan worden.

Er wordt alleen steun toegekend aan energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling. De minister kan op advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling.

Er wordt alleen steun toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties die nuttige groene warmte produceren uit een organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6°, of een van de organisch-biologische stoffen, vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°, met een vermogen van meer dan 300 kWth en ten hoogste 1 MWth als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de principe-aanvraag tot steun bevat een dimensioneringsstudie voor het ontwerp van de nuttige-groenewarmte-installatie. De dimensioneringsstudie bevat minstens:
a) een gedetailleerde berekening van de warmtevraag, inclusief een warmteverliesberekening;
b) het aangeraden te plaatsen vermogen met het oog op de warmtevraag, vermeld in punt 1° ;
c) de wijze waarop de variatie in de warmtevraag wordt opgevangen;
d) een advies over warmte-opslag;
e) een advies over de te plaatsen nuttige-groenewarmte-installatie;
2° de beheerder van de nuttige-groenewarmte-installatie volgt bij de ingebruikname van de installatie een opleiding op maat om de installatie uit te baten. De beheerder van de installatie is de persoon die verantwoordelijk is voor minstens de aankoop en opslag van de organisch-biologische stof, de dagelijkse opvolging van de werking van de installatie en het onderhoud van de installatie. De opleiding op maat bevat minstens begeleiding voor:
a) het in bedrijf nemen van de installatie;
b) het dagelijkse beheer;
c) de gebruikte brandstof, inclusief de vereiste kwaliteit en de condities van de opslag van de brandstof;
d) de controle van de procesparameters;
e) het correct handelen bij storingen en veiligheid;
3° de emissies van de nuttige-groenewarmte-installatie worden bij de ingebruikname gemeten door een erkend laboratorium. Het rapport van die emissiemeting wordt uiterlijk een maand na de ingebruikname aan het Vlaams Energieagentschap bezorgd en bevat minstens de resultaten van de meting van CO, NOx, stof en SO2, uitgedrukt conform de bepalingen in het VLAREM;
4° in de principe-aanvraag wordt aangetoond dat de nuttige-groenewarmte-installatie alleen geschikt is voor het gebruik van houtpellets of dat de nuttige-groenewarmte-installatie zal worden uitgerust met minstens een doekenfilter of een elektrostatische filter. De doekenfilter of elektrostatische filter realiseert een minimaal verwijderingsrendement van 95%, of een maximale uitgangsconcentratie van 15 mg/Nm® stof bij 6% O2.

De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen waaraan de dimensioneringsstudie, vermeld in het zevende lid, 1°, de opleiding op maat, vermeld in het zevende lid, 2°, en de emissiemeting, vermeld in het zevende lid, 3°, moeten voldoen.

Het Vlaams energieagentschap beslist of een opleiding op maat voldoet aan de vereisten, zoals vastgesteld door de minister.

De steun wordt in geval van projecten met biomassa alleen toegekend als de biomassa die in de installatie wordt gebruikt, voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1 tot en met § 1/10.

De steun wordt in het geval het project een afvalverbrandingsinstallatie betreft, enkel toegekend:
1° voor investeringen die noodzakelijk zijn voor warmterecuperatie. Investeringen die zowel voor elektriciteit- als voor warmteproductie noodzakelijk zijn, worden verdeeld in investeringen voor enerzijds elektriciteitsproductie anderzijds warmteproductie pro rata het respectievelijke aandeel ingezet voor elektriciteitsproductie en warmteproductie.
2° indien de installatie voldoet aan een door de minister vastgelegd minimale hoeveelheid warmteproductie;
3° het project niet strijdig is met de verwerkingshiërarchie, vermeld in artikel 4 van het decreet 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en het principe de vervuiler betaalt;
4° pro rata de hoeveelheid organisch-biologische stof, vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6°, of in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°. Voor afvalstromen wordt het organisch-biologisch deel gelijkgesteld aan het organisch-biologisch deel voor elektriciteitsproductie vastgesteld volgens artikel 6.1.10.

§ 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de nuttige groene warmte te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap. De nuttige groene warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van nuttige aanwending gemeten. Als er een noodkoeler of buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler en het buffervat.

De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden.

§ 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.

De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd voor de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.

Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden.

Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren voor de indieningsdatum van de steunaanvraag.

Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar.

§ 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.

§ 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

[Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 13 september 2013, art. 3)]

Artikel 7.4.3. (28/04/2020- ...)

§ 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.

De principeaanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
1° bruto thermisch vermogen;
2° investeringskost van de installatie;
3° thermisch rendement;
4° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
5° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
6° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie;
7° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 5°;
8° de minimale hoeveelheid geproduceerde groene warmte tijdens de eerste tien jaar na de ingebruikname van de installatie;
9° de te realiseren CO2-besparing op basis van de minimale hoeveelheid geproduceerde groene warmte, vermeld in punt 3° ;
10° indien de aanvraag een energie-efficiënte stadsverwarming of koeling bevat, een studie hoe de stadsverwarming of -koeling toekomstbestendig zal zijn, conform artikel 7.7.2, tweede lid.

In het tweede lid wordt verstaan onder de te realiseren CO2-besparing: de CO2-emissie die nodig is voor de productie van de minimale hoeveelheid geproduceerde groene warmte tijdens de eerste tien jaar na de ingebruikname, vermeld in het tweede lid, 8° door de referentie-installatie, vermeld in paragraaf 3, vijfde lid. De CO2-emissie wordt berekend met een conversiefactor van 182,37 ton CO2/GWh.

Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria :
1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld.

De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.4.1, § 4 en in artikel 7.4.2.

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten. Elk project krijgt een score op 100 punten, waarvan 50 punten afhankelijk zijn van de kostenefficiëntie en 50 punten van de CO2-efficiëntie. De punten voor kostenefficiëntie worden berekend naargelang het gevraagde steunpercentage. Voor die berekening wordt de aangevraagde steun, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 5°, samen met andere financiële steun als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. De punten voor kostenefficiëntie worden berekend als 50 keer het laagste berekende steunpercentage van alle projecten, gedeeld door het berekende steunpercentage voor het project. De CO2-efficiëntie wordt berekend op basis van de te realiseren CO2-besparing uit de besparing, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 9° gedeeld door de in aanmerking komende kosten. De punten voor CO2-efficiëntie worden berekend als 50 keer de berekende CO2-efficiëntie voor het project, gedeeld door de hoogste CO2-efficiëntie van alle projecten. Projecten met eenzelfde puntentotaal worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De projecten met het hoogste puntentotaal worden gesteund tot het budget, vermeld in artikel 7.4.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.

De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage en de te realiseren CO2-besparing te berekenen.

Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan
1° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;
2° 55 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;
3° 45 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;
4° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers.

Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.

De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentieinstallatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze extra investeringskosten te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentieinstallatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.

Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.4.1, § 1.

Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.

Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.

Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 5°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, en de werkelijk bekomen steun onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, achtste lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun :
1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning kunnen voorleggen;
2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissingen gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname beschikken over de vereiste milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen;
3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn.

Een beroep bij een administratief rechtscollege schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid.

De minister kan de termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen. De minister kan de termijn, vermeld in het eerste lid, 3°, voor projecten die bij de indiening van hun steunaanvraag nog niet onderworpen waren aan de opsporings- en winningsvergunning, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, één keer met een maximale termijn van vierentwintig maanden verlengen.

Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden.

§ 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.4.4, § 1 werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie :
1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.4.4, § 1;
2° een technische beschrijving van de installatie as built;
3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens de aanduiding van alle meetinstrumenten en eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties;
4° een bewijs dat de installatie tegemoet komt aan een economisch aantoonbare vraag;
5° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;
6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.

Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.

Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.

Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij.

[Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.4.4. (03/03/2019- ...)

§ 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.4.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.4.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden, de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.

De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de geproduceerde nuttige groene warmte mee aan het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt.

De aanvrager houdt vanaf de ingebruikname een register bij met betrekking tot de in de nuttige-groenewarmte-installatie gebruikte brandstof. Dit register wordt ten minste de werkdag na nieuwe aanvoer aangevuld met de meest recente gegevens. Indien het uitsluitend afvalstoffen betreft, wordt het afvalstoffenregister aanvaard dat bijgehouden moet worden overeenkomstig artikel 7.2.1.4. van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt de vorm van het register, evenals welke gegevens erin opgenomen moeten worden en de wijze waarop het register aan het Vlaams Energieagentschap wordt overgemaakt. Het register wordt jaarlijks in digitale vorm overgemaakt aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 2. Voor productie-installaties die nuttige groene warmte opwekken uit biomassa, wordt een massabalanssysteem gehanteerd dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.12/1.

De exploitant hanteert een massabalanssysteem dat:
1° toelaat leveringen van grondstoffen of biomassastromen met verschillende kenmerken te mengen;
2° vereist dat informatie over de kenmerken en omvang van de leveringen, vermeld in punt 1°, aan het mengsel toegewezen blijven;
3° ervoor zorgt dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald dezelfde kenmerken heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel zijn toegevoegd.

Aan de hand van het massabalanssysteem, vermeld in het tweede lid, wordt aan het Vlaams Energieagentschap aangetoond dat de in de installatie gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria die van toepassing zijn op die biomassa als vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1 tot en met § 1/10.

§ 3. De steun wordt uitbetaald in drie schijven :
1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de bouw of de vernieuwing van de installatie is gestart;
2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie is voor 60 % uitgevoerd;
3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet. Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd.
c) de installatie voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit.

§ 4. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval van :
1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
3° niet doorgeven van de geproduceerde groene warmte aan het Vlaams Energieagentschap;
3/1° een lagere productie van groene warmte tijdens de eerste tien jaar na de ingebruikname van de installatie dan opgegeven in de principeaanvraag conform artikel 7.4.3, § 1, tweede lid, 8°. De teruggevorderde subsidie is in verhouding met het tekort aan geproduceerde groene warmte;
4° nuttige-groenewarmte-installaties die nuttige groene warmte produceren uit organisch-biologische stof en waarbij minder dan 85% van de brandstof gebruikt sinds de ingebruikname organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6°, of een van de organisch-biologische stoffen, vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°, is;
5° nuttige-groenewarmte-installaties die nuttige groene warmte produceren uit organisch-biologische stof en waarbij minder dan 85% van de brandstof gebruikt sinds de ingebruikname voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1 tot en met § 1/10;
6° energiefraude met de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister;
7° niet-naleving van de overige voorwaarden in dit besluit.

In afwijking van het eerste lid, 4° en 5, wordt in het geval het project een afvalverbrandingsinstallatie betreft de subsidie teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval:
minder dan 100% van de brandstof gebruikt sinds de ingebruikname in het gesteunde deel van de installatie voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 7.4.2, § 1, tiende lid met betrekking tot de herkomst van vaste biomassa.

§ 5. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie, de meterstanden en het register nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.

Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als energiefraude bij de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister wordt vastgesteld, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie.

De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;
2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden.

Bij elke melding van een wijziging, vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.4.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen.

[HOOFDSTUK V. Ondersteuning van restwarmte (ing. BVR 13 september 2013, art. 1, I: 30 november 2013)][en energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling (ing. BVR 30 november 2018, art. 7, I: 3 maart 2019)]

[Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.5.1. (03/03/2019- ...)

§ 1. Onder de voorwaarden vermeld in de artikelen 1 tot en met 12 en artikel 38 en artikel 46 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit, wordt steun toegekend aan:
1° installaties voor de benutting van restwarmte die aan een economisch aantoonbare vraag voldoet en waarvoor geen steun voor de productie van nuttige groene warmte als bedoeld in artikel 7.4.1 werd toegekend of kan worden toegekend, en, voor zover dat van toepassing is, aan een aangesloten Organische Rankinecyclus voor elektriciteitsproductie;
2° aan energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, die aan een bijkomende economische aantoonbare warmtevraag voldoen.

Alleen investeringen in installaties die in het Vlaamse Gewest liggen en waarvoor geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten zijn toegekend of kunnen worden toegekend, komen in aanmerking voor steun. De Organische Rankinecyclus komt alleen in aanmerking als het bruto elektrisch vermogen minstens 300 kWe is, geen warmteafnamepotentieel en geen potentieel voor een kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, conform artikel 1.1.3, 76°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, met een gewenst rendement op de totale investering (parameter `r') groter dan of gelijk aan de waarde zoals bepaald in punt 3 van bijlage III/2 bij het Energiebesluit, aanwezig is, enkel laagwaardige warmte gebruikt wordt en aanvullend is op een benutting van restwarmte voor een economisch aantoonbare warmtevraag. De Organische Rankinecyclus kan al dan niet samen met de productie-installatie ingediend worden, maar komt alleen in aanmerking voor het deel dat aan een bijkomende economisch aantoonbare vraag voldoet. De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of de warmte laagwaardig is.

De steun bedraagt maximaal 1 miljoen EUR per investeringsproject. In afwijking hiervan bedraagt voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling de steun maximaal 2 miljoen EUR per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan van het maximale steunbedrag per investeringsproject afwijken en beslissen over een steuntoekenning als het gevraagde steunbedrag hoger is.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds.

§ 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.

De minister lanceert minstens om de twaalf maanden een call.

De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden.

§ 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend. De investeringen mogen niet gelijktijdig ingediend worden in een andere call uit dit besluit.

§ 4. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2020, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.

§ 5. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij de volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.5.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.

§ 6. De minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de investeringsprojecten moeten voldoen om in aanmerking te komen, voor de steun, vermeld in de eerste paragraaf, eerste lid, en kan de hoogte van de steun koppelen aan deze voorwaarden.

De te ondersteunen restwarmteprojecten voldoen minstens aan de volgende voorwaarden :
1° wat de oorsprong van de restwarmte betreft, moet het gaan om proceswarme die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) proceswarmte die vrijkomt uit een proces dat niet tot doel heeft warmte te produceren, en dat niet stuurbaar is naargelang de warmtevraag;
b) proceswarmte die vrijkomt uit een proces dat niet tot doel heeft elektriciteit of mechanische energie te produceren;
2° wat de locatie van de benutting van restwarmte betreft, dient het te gaan om ofwel :
a) benutting van restwarmte buiten de bedrijfsvestiging waar de warmte gegenereerd wordt;
b) benutting van restwarmte binnen de bedrijfsvestiging waar de warmte gegenereerd wordt. Voor zover het gaat om maatregelen voor de benutting van restwarmte binnen bedrijven die kunnen toetreden tot de energiebeleidsovereenkomst voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (voor VER en niet-VER-bedrijven), komen de maatregelen alleen in aanmerking als het bedrijf voor die vestiging is toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomst en de energiebeleidsovereenkomst naleeft, en voor zover het bedrijf niet verplicht is om die maatregel uit te voeren om te voldoen aan de verplichtingen van die energiebeleidsovereenkomst;
3° wat de toepassing van de restwarmte betreft, dient het te gaan om een toepassing die niet tot gevolg heeft dat de benutting van reeds beschikbare restwarmte wordt verminderd, en die niet kan leiden tot het toekennen van groenestroom- of warmtekrachtcertificaten en dient het tevens te gaan om ofwel :
a) bijkomende benutting van restwarmte voor het invullen van de energiebehoefte van een ander proces, zoals bijvoorbeeld droogprocessen en de productie van gedemineraliseerd water;
b) bijkomende benutting van restwarmte voor het op temperatuur houden van opgeslagen stoffen;
c) bijkomende benutting van restwarmte voor de verwarming van woon- of kantoorgebouwen;
d) bijkomende benutting van restwarmte voor de verwarming van gebouwen, andere dan woon- of kantoorgebouwen, met uitzondering van verwarming van deze gebouwen door middel van directe luchtverwarming;
e) bijkomende benutting van restwarmte voor de productie van koude waarbij de nuttige restwarmte wordt bepaald als de nuttig geproduceerde koude gedeeld door een referentieperformantiecoëfficient van 250 %.

Voor restwarmteprojecten, vermeld in het vorige lid, 2°, b), wordt de steunhoogte beperkt tot de steun die, na advies van het Verificatiebureau, noodzakelijk is om de rendabiliteit te bereiken die vereist is voor verplichte maatregelen uit het respectievelijke energiebeleidsovereenkomst waarbij het bedrijf aangesloten is.

[Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.5.2. (03/03/2019- ...)

§ 1. De steun wordt alleen toegekend aan installaties of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling waarvoor de uitgaven gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in kwestie volgens 7.5.3, § 2, of aan bestaande installaties of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.5.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte technologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling als vernieuwd beschouwd kan worden.

De minister kan op advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling.

In afwijking van artikel 7.5.1, § 1, eerste lid, wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, als die aanvrager de overeenkomst niet heeft ondertekend of ze niet naleeft.

Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een IRR die groter dan of gelijk is aan de IRR van 15 %.

§ 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de benutte restwarmte te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap. De benutte restwarmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van nuttige aanwending gemeten. Als er een noodkoeler of buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler en het buffervat.

De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden.

§ 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.

De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd voor de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.

Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden.

Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren voor de indieningsdatum van de steunaanvraag.

Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar.

§ 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.

§ 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

[Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.5.3. (03/03/2019- ...)

§ 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.

De principeaanvraag voor een installatie voor de benutting van restwarmte bevat minstens de volgende gegevens:
1° het nuttig bruikbare totale gerecupereerde thermische vermogen;
2° de investeringskost van de installatie;
3° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
4° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
5° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie;
6° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 4°;
7° minimale hoeveelheid te benutten restwarmte tijdens de eerste tien jaar na de ingebruikname van de installatie;
8° de te realiseren CO2-besparing op basis van de minimale hoeveelheid te benutten restwarmte, vermeld in punt 7°.

De principeaanvraag voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling zal minstens volgende gegevens bevatten :
1° investeringskost van de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling;
2° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
3° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
4° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 3° ;
5° thermisch rendement;
6° hoeveelheid getransporteerde warmte of koude tijdens de eerste 10 jaar na indienstname van de installatie;
7° bruto thermisch vermogen;
8° de te realiseren CO2-besparing op basis van de hoeveelheid getransporteerde warmte of koude, vermeld in punt 6° ;
9° studie hoe de stadsverwarming of -koeling toekomstbestendig zal zijn, conform artikel 7.7.2, tweede lid.

In het tweede lid, 8° en het derde lid 8°, wordt verstaan onder de te realiseren CO2-besparing:
1° indien de aanvraag enkel een installatie voor de benutting van restwarmte betreft, is de CO2-besparing de CO2-emissie nodig voor de productie van de minimale hoeveelheid te benutten restwarmte tijdens de eerste tien jaar na indienstname, vermeld in het tweede lid, punt 7°, door de referentie-installatie, zoals vermeld in § 3, vijfde lid;
2° Indien de aanvraag een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling bevat, is de CO2-besparing de som van de respectievelijke CO2-besparingen van de verschillende inputstromen van de stadsverwarming of -koeling, zoals vermeld in artikel 7.5.2, § 1, tweede lid, waarbij
a) voor groene warmte en restwarmte de CO2-besparing de CO2-emissie nodig voor de productie van dezelfde hoeveelheid groene warmte of restwarmte door de referentie-installatie, vermeld in § 3, vijfde lid is;
b) voor een kwalitatieve warmte-krachtkoppeling de CO2-besparing de primaire energiebesparing gerealiseerd door de kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, vermenigvuldigd met de conversiefactor uit het vijfde lid is.

De CO2-emissie wordt berekend met een conversiefactor van 182,37 ton CO2/GWh.

Het maximale steunbedrag voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om de in aanmerking komende kosten te berekenen

Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria :
1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld.

De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call.

§ 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.

Voor steun aan een installatie waarbij restwarmte benut wordt bij een afvalverbrandingsinstallatie vraagt het Vlaams Energieagentschap het advies van OVAM over:
1° de technische opbouw van de installatie, zodat investeringen voor afvalverbranding of -verwerking niet in aanmerking komen voor steun;
2° de gebruikte afvalstromen. OVAM onderzoekt in haar advies of de gebruikte afvalstromen in overeenstemming zijn met de principes uit het decreet 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en in het bijzonder met de verwerkingshiërarchie, vermeld in artikel 4 van dat decreet, de in uitvoering van dat decreet genomen uitvoeringsplannen, het principe van de vervuiler betaalt, en de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA).

§ 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten. Elk project krijgt een score op 100 punten, waarvan 50 punten afhankelijk zijn van de kostenefficiëntie en 50 punten van de CO2-efficiëntie. De punten voor kostenefficiëntie worden berekend naargelang het gevraagde steunpercentage. Voor die berekening wordt de aangevraagde steun, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 4° en derde lid, 3°, samen met andere financiële steun als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3° en derde lid, 2°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. De punten voor kostenefficiëntie worden berekend als 50 keer het laagste berekende steunpercentage van alle projecten, gedeeld door het berekende steunpercentage voor het project. De CO2-efficiëntie wordt berekend op basis van de te realiseren CO2-besparing, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, 8°, gedeeld door de in aanmerking komende kosten. De punten voor CO2-efficiëntie worden berekend als 50 keer de berekende CO2-efficiëntie voor het project, gedeeld door de hoogste CO2-efficiëntie van alle projecten. Projecten met eenzelfde puntentotaal worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De projecten met het hoogste puntentotaal worden gesteund tot het budget, vermeld in artikel 7.5.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.

De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage en de te realiseren CO2-besparing te berekenen.

Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan :
1° 50 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;
2° 40 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;
3° 30 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;
4° 50 % van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers.

Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.

Voor installaties voor de benutting van restwarmte zijn de in aanmerking komende kosten de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentieinstallatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. Voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling zijn de in aanmerking komende kosten de investeringskosten. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om de extra investeringskosten en het totale steunpercentage te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentieinstallatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.

Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.5.1, § 1.

Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.

Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.

Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 4°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 3°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 3°, en de werkelijk bekomen steun onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap.

§ 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, achtste lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun :
1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning kunnen voorleggen;
2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissingen gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname, beschikken over de vereiste milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen;
3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn. In afwijking hiervan kan voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling een latere uiterste datum van ingebruikname vastgelegd worden in de principebeslissing.De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.", de zin "Een beroep bij een administratief rechtscollege schorst de termijnen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°.
De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.

Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden.

§ 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.5.4, § 1 werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie :
1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.5.4, § 1;
2° een technische beschrijving van de installatie as built;
3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens:
a) de aanduiding van alle meetinstrumenten;
b) in het geval van een installatie waarbij restwarmte benut wordt, eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties die energie uitwisselen met de installatie waarvoor steun voor de benutting van restwarmte wordt aangevraagd;
c) In het geval van energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, alle aanwezige warmte- of koudebronnen;
4° een bewijs dat de installatie of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling tegemoet komt aan een economisch aantoonbare vraag;
5° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;
6° een verwijzing naar de verleende milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen en omgevingsvergunningen.

Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie of energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.

Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.

Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij.

[Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle (ing. BVR 13 september 2013, art. 2, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.5.4. (03/03/2019- ...)

§ 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.5.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden en de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.

De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de benutte restwarmte of de getransporteerde warmte of koude mee aan het Vlaams Energieagentschap, opgedeeld per warmte- of koudebron. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt.

§ 2. De steun wordt uitbetaald in drie schijven :
1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de bouw of de vernieuwing van de installatie of de energie-effiënte stadsverwarming of -koeling is gestart;
2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie of de energie-effiënte stadsverwarming of -koeling is voor 60 % uitgevoerd;
3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet. Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd.
c) de installatie of de energie-effiënte stadsverwarming of -koeling voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit.

§ 3. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie of de energie-effiënte stadsverwarming of -koeling in geval van :
1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
3° niet doorgeven van de benutte restwarmte of getransporteerde warmte of koude aan het Vlaams Energieagentschap;
3/1° een lagere benutting van restwarmte of een lagere hoeveelheid getransporteerde warmte of koude tijdens de eerste tien jaar na de ingebruikname van de installatie dan opgegeven in de principe-aanvraag, vermeld in artikel 7.5.3, § 1, 2e lid, 7° en 3e lid 6°. De teruggevorderde subsidie is in verhouding met het tekort aan benutte restwarmte of getransporteerde warmte of koude;
4° energiefraude met de opneming van de meetgegevens;
5° niet-naleving van de voorwaarden in dit besluit.

§ 4. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie de meterstanden nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.

Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie of de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als energiefraude bij de opneming van de meetgegevens wordt vastgesteld, kan Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie of de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling.

De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;
2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden.

Bij elke melding van een wijziging, vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.5.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen.

[HOOFDSTUK VI. Ondersteuning van de (ing. BVR 13 september 2013, art. 2)][productie en injectie (verv. BVR 30 november 2018, art. 12, I: 3 maart 2019)][van biomethaan (ing. BVR 13 september 2013, art. 2)]

[Afdeling I. Algemene bepalingen (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.6.1. (03/03/2019- ...)

§ 1. Onder de voorwaarden, vermeld in artikelen 1 tot en met 12 en artikel 41 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit wordt steun toegekend aan
1° installaties gelegen in het Vlaamse Gewest voor de productie en de injectie van biomethaan in het aardgasdistributienet of het vervoernet;
2° installaties gelegen in het Vlaamse Gewest voor de productie van biomethaan voor de toepassing als biobrandstof.
Aan de installatie mogen geen groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten zijn toegekend of kunnen worden toegekend.

De steun bedraagt maximaal 1 miljoen EUR per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan van het maximale steunbedrag afwijken en beslissen over een steuntoekenning als het gevraagde steunbedrag hoger is dan 1 miljoen EUR.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds.

§ 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.

De minister lanceert minstens om de twaalf maanden een call.

De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden.

§ 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend.

§ 4. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2020, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.

§ 5. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij de volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.6.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.

[Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning (ing. BVR 13 september 2013, art. 3, I: 30 november 2013)]

Artikel 7.6.2. (03/03/2019- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 7.6.1, § 1, eerste lid wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, en die de aanvrager niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.

Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een IRR die groter is dan of gelijk is aan de IRR van 15 %.

Er kan geen steun worden toegekend voor de productie van biomethaan op basis van voedingsgewassen, als het biomethaan toegepast wordt als biobrandstof. De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of het biomethaan op basis van voedingsgewassen is geproduceerd.