Gecodificeerd Decreet betreffende het secundair onderwijs [citeeropschrift: "Codex Secundair Onderwijs"]

Datum 17/12/2010

Inhoudstafel

  1. DEEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN
  2. DEEL II. BEGRIPPEN
  3. DEEL III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
      1. HOOFDSTUK 1. Algemeen
      2. HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden
      3. HOOFDSTUK 3. Financiering en subsidiëring
        1. Afdeling 1. Voorwaarden
        2. Afdeling 2. Financiering en subsidiering van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Salariëring
          2. [Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren (verv. decr. 6 juli 2018, art. 27, I: 1 oktober 2018)]
          3. ...
          4. [Onderafdeling 2/2 Flexibilisering van de vervangingen (verv. decr. 14 juli 2023, art. 70, I: 1 september 2023)]
          5. [Onderafdeling 2/3 Aanvangsbegeleiding (ing. decr. 15 maart 2019, art. 38, I: 1 september 2019)]
          6. [Onderafdeling 2/4. Aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel (ing. decr. 25 februari 2022, art. 24, I: 1 september 2021)]
          7. [Onderafdeling 2/5. Aanvullende uren-leraar en lesuren samen school maken (ing. decr. 25 februari 2022, art. 27, I: 1 september 2021)]
          8. Onderafdeling 2/6. Flexi-jobs
          9. Onderafdeling 3. Globale puntenenveloppe
          10. Onderafdeling 4. Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
          11. Onderafdeling 5. Bedrijfsstages
          12. [Onderafdeling 6. Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023 (ing. decr. 9 juli 2021, art. 36, I: 1 september 2021)]
        3. Afdeling 3. Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1. Algemeen
          2. [Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn (verv. decr. 3 juli 2015, art. 16, I: 1 september 2015)]
          3. Onderafdeling 3. Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
          4. Onderafdeling 4. Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
          5. [Onderafdeling 5. Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023 (ing. decr. 9 juli 2021, art. 37, I: 1 september 2021)]
          6. Onderafdeling 6. Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen
          7. Onderafdeling 7. Bijzondere maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek
      4. HOOFDSTUK 4. Scholengemeenschappen
        1. Afdeling 1. Algemeen
        2. Afdeling 2. Vorming van een scholengemeenschap
        3. Afdeling 3. Bevoegdheden van een scholengemeenschap
        4. Afdeling 4. Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
      5. HOOFDSTUK 5. Organen
        1. [... (opgeh. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)]
        2. [Afdeling 1. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Representatieve vakorganisaties
        3. [Afdeling 2. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
        4. [Afdeling 3. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap
          1. Onderafdeling 1. Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
          2. Onderafdeling 2. Netoverschrijdende scholengemeenschappen
          3. Onderafdeling 3. Inzagerecht lokaal comité
      6. HOOFDSTUK 6. Levensbeschouwelijk onderricht
      7. HOOFDSTUK 6/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs
      8. HOOFDSTUK 7. Sancties
    2. TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
      1. HOOFDSTUK 1. Vrije keuze
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Recht op inschrijving (ing. decr. 25 november 2011, art. V.3, I: 1 september 2012)]
        1. [Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.4, I: 1 september 2012)]
        2. [Afdeling 2. Voorrangsregelingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.6., I: 1 september 2012)]
        3. [Afdeling 3. Weigeren (ing. decr. 25 november 2011, art. V.13., I: 1 september 2012)]
        4. [Afdeling 4. Procedure (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 18, I: 1 september 2012)]
      3. [HOOFDSTUK 1/2. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)]
        1. [Afdeling 1. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)]
        2. [Afdeling 2. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)]
        3. [Afdeling 3. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)]
        4. [Afdeling 4. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)]
      4. [HOOFDSTUK 1/3. Huisonderwijs (ing. decr.19 juli 2013, art. III.17, I: 1 september 2013)]
      5. HOOFDSTUK 2. School- en centrumreglement
      6. HOOFDSTUK 3. [Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging (verv. decr. 4 april 2014, art. V.6, I: 1 september 2014)]
      7. [HOOFDSTUK 3/1. De Vlaamse toetsen (ing. decr. 28 april 2023, art. 11, I: 1 april 2023)]
      8. HOOFDSTUK 4. [Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen (verv. decr. 17 juni 2016, art. III.15, I: 1 september 2016)]
      9. [HOOFDSTUK 4/1. Interactief afstandsonderwijs (ing. decr. 24 maart 2023, art. 5, I: 17 april 2023)]
      10. HOOFDSTUK 5. [Leerplicht (verv. decr. 25 april 2014, art. III.27, I: 1 september 2014)]
      11. [HOOFDSTUK 6. Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens (ing. decr. 4 april 2014, art. V.11, I: 1 september 2014)]
      12. [HOOFDSTUK 7. Maatregelen bij schending van leefregels (ing. decr. 4 april 2014, art. V.14, I: 1 september 2014)]
      13. [HOOFDSTUK 8. Beroepsmogelijkheden (ing. decr. 4 april 2014, art. V.19, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V.20, I: 1 september 2014)]
        2. [Afdeling 2. Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd (ing. decr. 4 april 2014, art. V.23, I: 1 september 2014)]
        3. [Afdeling 3. Beroep tegen een evaluatiebeslissing (ing. decr. 4 april 2014, art. V.25, I: 1 september 2014)]
        4. [Afdeling 4. Beroep tegen andere beslissingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V. 30, I: 1 september 2014)]
      14. [HOOFDSTUK 9. Leerlingenstages (ing. decr. 19 juni 2015, art. III.6, I: 1 september 2015)]
      15. [HOOFDSTUK 10. Leerlingenbegeleiding (ing. decr. 27 april 2018, art. 114, I: 1 september 2018)]
      16. HOOFDSTUK 11. Principieel verbod op afzondering en fixatie
  4. DEEL IV. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
      1. [HOOFDSTUK 1. Structuur en organisatie van het secundair onderwijs (verv. decr. 14 juli 2023, art. 15, I: 1 september 2023)]
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie op macroniveau - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 6, I: 1 september 2019)]
        2. [Afdeling 1/1. Structuur en organisatie op macroniveau (ing. decr. 20 april 2018, art. 8, I: 1 september 2019)]
        3. Afdeling 2. Structuur en organisatie op schoolniveau
        4. [Afdeling 3. Doelen, curriculumdossiers en leerplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          1. [Onderafdeling 1. Algemene bepaling (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          2. [Onderafdeling 2. Doelen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          3. [Onderafdeling 3. Curriculumdossiers (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          4. [Onderafdeling 4. Leerplannen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
        5. [Afdeling 4. Lessenrooster - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 19, I: 1 september 2019)]
        6. [Afdeling 4/1. Lessenrooster (ing. decr. 20 april 2019, art. 22, I: 1 september 2019)]
        7. [Afdeling 4/2. CLIL (Content and Language Integrated Learning) (ing. decr. 20 april 2016, art. 30, I: 1 september 2019)]
        8. Afdeling 5. Experimenteel modulair onderwijs
        9. ...
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Structuur en organisatie van het hoger beroepsonderwijs in scholen voor voltijds secundair onderwijs (ing. decr. 14 juli 2023, art. 16, I: 1 september 2023)]
      3. HOOFDSTUK 2. Teldata
      4. HOOFDSTUK 3. Programmatie
        1. Afdeling 1. Toepassingsgebied
        2. Afdeling 2. Programmatie van scholen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.3, I: 1 januari 2014)]
        3. Afdeling 3. Programmatie van structuuronderdelen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.38, I: 1 september 2014)]
        4. Afdeling 4. Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
        5. Afdeling 5. Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
      5. HOOFDSTUK 4. Rationalisatie en fusie
        1. Afdeling 1. Rationalisatienormen
        2. Afdeling 2. Fusie van scholen
      6. HOOFDSTUK 5. [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.49, I: 1 januari 2014)] Overheveling
        1. Afdeling 1. Toepassingsgebied
        2. Afdeling 2. Omvorming
        3. Afdeling 3. Overheveling
      7. HOOFDSTUK 6. Financiering en subsidiëring
        1. Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Directeur
          2. Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel
          3. [Onderafdeling 3. Scholen met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart (verv. decr. 20 april 2018, art. 45, I: 1 september 2019)]
          4. Onderafdeling 4. Topsportscholen
          5. Onderafdeling 5 : Onthaalonderwijs
          6. Onderafdeling 6 : Kunstsecundaire scholen
          7. Onderafdeling 7 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
          8. Onderafdeling 8 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
        2. Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1 : Leerlingen- en schoolkenmerken
          2. Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
          3. Onderafdeling 3 : Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
          4. Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school
          5. Onderafdeling 5 : Evaluatie
          6. [Onderafdeling 6. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.24)]
    2. TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
      1. HOOFDSTUK 1. Regelmatige versus vrije leerling
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.3, I: 1 september 2022)]
        1. [Afdeling 1. Inwerkingtreding (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.4, I: 1 september 2022)]
        2. [Afdeling 2. Recht op inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.6, I: 1 september 2022)]
        3. [Afdeling 3. Organisatie van de inschrijvingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.12, I: 1 september 2022)]
          1. [Onderafdeling 1. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.13, I: 1 september 2022)]
          2. [Onderafdeling 2. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad zonder aanmeldingsprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.16, I: 1 september 2022)]
          3. [Onderafdeling 3. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad met aanmeldingsprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.19, I: 1 september 2022)]
          4. [Onderafdeling 4. Inschrijvingen voor andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.30, I: 1 september 2022)]
        4. [Afdeling 4. Weigeren van inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.35, I: 1 september 2022)]
        5. [Afdeling 5. Bemiddelings- en klachtenprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.38, I: 1 september 2022)]
      3. [HOOFDSTUK 1/2. Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.1, I: 1 september 2022)]
        1. [Afdeling 1. Inwerkingtreding (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.2, I: 1 september 2022)]
        2. [Afdeling 2. Recht op inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.4, I: 1 september 2022)]
        3. [Afdeling 3. Organisatie van de inschrijvingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.10, I: 1 september 2022)]
          1. [Onderafdeling 1. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.11, I: 1 september 2022)]
          2. [Onderafdeling 2. Inschrijvingen voor andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.26, I: 1 september 2022)]
        4. [Afdeling 4. Weigeren van inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.31, I: 1 september 2022)]
        5. [Afdeling 5. Bemiddelings- en klachtenprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.34, I: 1 september 2021)]
      4. [HOOFDSTUK 1/3. Specifieke bepalingen over cursisten van het hoger beroepsonderwijs in scholen voor voltijds secundair onderwijs (ing. decr. 14 juli 2023, art. 23, I: 1 september 2023)]
      5. [HOOFDSTUK 2. Diploma van secundair onderwijs (verv. decr. 4 april 2014, art. V.32, I: 1 september 2014)]
      6. [HOOFDSTUK 3. Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs (ing. Decr. 29 juni 2012, art. III.4, I: 1 oktober 2012)]
      7. [HOOFDSTUK 4. Screening niveau onderwijstaal (ing. decr. 19 juli 2013, art. III.57, I: 1 september 2014)]
  5. DEEL V. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. [TITEL 1. BEGRIPPEN (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.18, I: 1 september 2014)]
    2. TITEL 2. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2, 3 EN 4
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
        2. [Afdeling 2. Doelen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)][... (opgeh. decr. 5 mei 2023, art. 169, I: 1 september 2023)]
          1. [Onderafdeling 1. Doelen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
          2. [Onderafdeling 2. Doelen van opleidingsvorm 4 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
          3. [Onderafdeling 3. ... (opgeh. decr. 5 mei 2023, art. 171, I: 1 september 2023)]
        3. Afdeling 3. Programmatie en rationalisatie
          1. Onderafdeling 1. Begrippen en inleidende bepalingen
          2. Onderafdeling 2. Fusie
          3. Onderafdeling 3. Rationalisatie
          4. Onderafdeling 4. Programmatie
      2. HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
        1. Afdeling 1. Toelatingsvoorwaarden
          1. Onderafdeling 1. Leeftijd
          2. [Onderafdeling 2. [IAC-verslag en OV4-verslag (verv. decr. 5 mei 2023, art. 174, I: 1 september 2023)] [en attest (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.46, I: 1 januari 2015)]
          3. Onderafdeling 3. Type 5
        2. [Afdeling 2. Recht op inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.44, I: 1 september 2020)]
          1. [Onderafdeling 1. Inwerkingtreding (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.45, I: 1 september 2020)]
          2. [Onderafdeling 2. Beginselen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.47, I: 1 september 2020)]
          3. [Onderafdeling 3. Organisatie van de inschrijvingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.51, I: 1 september 2020)]
          4. [Onderafdeling 4. Weigeren (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.58, I: 1 september 2020)]
      3. HOOFDSTUK 3. [Financiering, subsidiëring en waarborgregeling (verv. decr. 15 juli 2016, art. 5, I: 1 september 2015)]
        1. Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Directeur
          2. Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel
          3. Onderafdeling 3. Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
          4. ...
          5. [Onderafdeling 3/2. Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.56, I: 1 januari 2015)]
          6. [Onderafdeling 3/3. ... (opgeh. decr. 6 juni 2018, art. 48, I: 1 september 2018)]
          7. [Onderafdeling 3/4. .. (opgeh. decr. 5 mei 2023, art. 178, I: 1 september 2023)]
          8. Onderafdeling 4. Plage uren
          9. Onderafdeling 5. Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
        2. Afdeling 2. Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1. Schoolkenmerken
          2. Onderafdeling 2. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
          3. Onderafdeling 3. Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
          4. Onderafdeling 4. Berekening van het werkingsbudget per school
          5. Onderafdeling 5. [Berekening van de werkingsmiddelen voor scholen buitengewoon onderwijs actief in het kader van het ondersteuningsmodel (verv. decr. 5 april 2019, art. 95, I: 1 januari 2018)]
          6. Onderafdeling 6. Evaluatie
          7. [Onderafdeling 7. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.29)]
    3. TITEL 3. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2 EN 3
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 1 (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.61, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.62, I: 1 september 2014)]
      3. [HOOFDSTUK 1/2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 2 (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.64, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.65, I: 1 september 2014)]
      4. HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
        2. Afdeling 2. Experimenteel modulair onderwijs
    4. TITEL 4. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORM 4
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
      2. [HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 4, in de ziekenhuisscholen (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.70, I: 1 september 2014)]
    5. [TITEL 5. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DE ONDERSTEUNING VOOR HET GEWOON ONDERWIJS VANUIT HET BUITENGEWOON ONDERWIJS EN DE SPECIALE ONDERWIJSLEERMIDDELEN (verv. decr. 6 juli 2018, art. 52, I: 1 september 2018)]
      1. [HOOFDSTUK 1. De ondersteuning voor het gewoon onderwijs vanuit het buitengewoon onderwijs (verv. decr. 6 juni 2018, art. 53, I: 1 september 2018)]
      2. [HOOFDSTUK 2. De speciale onderwijsleermiddelen (verv. decr. 16 juni 2017, art. III.21, I: 1 september 2017)]
  6. [DEEL V/1. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DUALE STRUCTUURONDERDELEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 9, I: 1 september 2019)]
    1. [TITEL 1. INLEIDENDE BEPALINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 10, I: 1 september 2019)]
    2. [TITEL 2. OPZET (ing. decr. 30 maart 2018, art. 13, I: 1 september 2019)]
    3. [TITEL 3. STRUCTUUR EN ORGANISATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 16, I: 1 september 2019)]
    4. [TITEL 4. PROGRAMMATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 20, I: 1 september 2019)]
    5. [TITEL 5. LEERLINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 22, I: 1 september 2019)]
    6. [TITEL 6. ARBEIDSDEELNAME (ing. decr. 30 maart 2018, art. 34, I: 1 september 2019)]
    7. [TITEL 7. FINANCIERING OF SUBSIDIËRING VAN DE AANBIEDERS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 40, I: 1 september 2019)]
    8. [TITEL 8. SUBSIDIËRING VAN DE ORGANISATOREN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 45, I: 1 september 2019)]
    9. [TITEL 9. KWALITEITSTOEZICHT (ing. decr. 30 maart 2018, art. 47, I: 1 september 2019)]
    10. [TITEL 10. MONITORING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 49, I: 1 september 2019)]
    11. [TITEL 11. OVERLEGFORUM (ing. decr. 30 maart 2018, art. 51, I: 1 september 2019)]
  7. [DEEL V/2. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DE AANLOOPSTRUCTUURONDERDELEN NAAR DUALE STRUCTUURONDERDELEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 57, I: 1 september 2019)]
    1. [TITEL 1. INLEIDENDE BEPALING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 58, I: 1 september 2019)]
    2. [TITEL 2. OPZET (ing. decr. 30 maart 2018, art. 61, I: 1 september 2019)]
    3. [TITEL 3. STRUCTUUR EN ORGANISATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 64, I: 1 september 2019)]
    4. [TITEL 4. ... (opgeh. decr. 7 juli 2023, art. 117, I: 1 september 2023)]
    5. [TITEL 5. LEERLINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 70, I: 1 september 2019)]
    6. [TITEL 6. FINANCIERING OF SUBSIDIËRING VAN DE AANBIEDERS EN ORGANISATOREN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 78, I: 1 september 2019)]
    7. [TITEL 7. KWALITEITSTOEZICHT (ing. decr. 30 maart 2018, art. 81, I: 1 september 2019)]
    8. [TITEL 8. MONITORING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 83, I: 1 september 2019)]
  8. [DEEL V/3. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DUALE STRUCTUURONDERDELEN IN HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS VAN OPLEIDINGSVORM 3 EN 4 (ing. decr. 30 november 2018, art. 6, I: 1 september 2019)]
    1. [TITEL 1. INLEIDENDE BEPALINGEN (ing. decr. 30 november 2018, art. 7, I: 1 september 2019)]
    2. [TITEL 2. OPZET (ing. decr. 30 november 2018, art. 10, I: 1 september 2019)]
    3. [TITEL 3. STRUCTUUR EN ORGANISATIE (ing. decr. 30 november 2018, art. 13, I: 1 september 2019)]
    4. [TITEL 4. PROGRAMMATIE EN RATIONALISATIE (ing. decr. 30 november 2018, art. 17, I: 1 september 2019)]
    5. [TITEL 5. LEERLINGEN (ing. decr. 30 november 2018, art. 20, I: 1 september 2019)]
    6. [TITEL 6. ARBEIDSDEELNAME (ing. decr. 30 november 2018, art. 22, I: 1 september 2019)]
    7. [TITEL 7. FINANCIERING OF SUBSIDIËRING VAN DE AANBIEDERS (ing. decr. 30 november 2018, art. 24, I: 1 september 2019)]
    8. [TITEL 8. SUBSIDIËRING VAN DE ORGANISATOREN (ing. decr. 30 november 2018, art. 27, I: 1 september 2019)]
    9. [TITEL 9. KWALITEITSTOEZICHT (ing. decr. 30 november 2018, art. 29, I: 1 september 2019)]
    10. [TITEL 10. MONITORING (ing. decr. 30 november 2018, art. 31, I: 1 september 2019)]
    11. [TITEL 11. OVERLEGFORUM (ing. decr. 30 november 2018, art. 33, I: 1 september 2019)]
  9. DEEL VI. UITWERKINGSDATA
  10. DEEL VII. AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NAAR ARTIKELEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE
  11. Bijlage
  12. ADDENDUM BIJ DE CODIFICATIE
    1. ADDENDUM I. OVERZICHT ARTIKELEN NIET OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE
    2. ADDENDUM II. CONCORDANTIETABEL VROEGERE ARTIKELEN GERANGSCHIKT VOLGENS DE NIEUWE ARTIKELEN
    3. ADDENDUM III. CONCORDANTIETABEL NIEUWE ARTIKELEN GERANGSCHIKT VOLGENS DE VROEGERE ARTIKELEN
    4. ADDENDUM IV. OVERZICHT WETTELIJKE EN DECRETALE BEPALINGEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
    5. ADDENDUM V. BEPALINGEN NA DE CODIFICATIE OP TE HEFFEN
    6. ADDENDUM VI. INHOUDSTABEL CODIFICATIE BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Inhoud

DEEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN (... - ...)

Artikel 1. (04/07/2011- ...)

De codificatie van de wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs regelt gemeenschapsaangelegenheden.

Artikel 2. (01/09/2023- 31/08/2024)

§ 1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

In afwijking van het eerste lid:
1° ...
2° gelden artikel 96 tot en met 99, 115/1 en 116 tot en met 120 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 122/2 tot en met 122/6, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/25 ook voor de leertijd.

§ 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.

De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

De artikelen 253/1 tot en met 253/31 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied. De artikelen 253/33 tot en met 253/63 zijn enkel van toepassing op de scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, en artikel 253/52 tot en met 253/61 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.

Artikel 253/1 tot en met 253/61 zijn niet van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.

§ 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.

§ 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

De artikelen 295/1 tot en met 295/15 zijn niet van toepassing op de ziekenhuisscholen.

De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die worden georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.

§ 3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

§ 3/2. De bepalingen van deel V/3 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 3 en 4 met duale structuuronderdelen.".

§ 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

§ 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde onderwijsinternaten en semi-internaten. (1)

§ 6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 14, § 1 en § 3, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253, artikel 253/1 tot en met 253/6, artikel 253/21 tot en met 253/37, artikel 253/54 tot en met 253/63 en 256/11.
 

DEEL II. BEGRIPPEN (... - ...)

Artikel 3. (01/09/2023- 31/08/2024)

Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :
1° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;
1° /1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;
2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;
2° /1 anderstalige nieuwkomer :
a) in het voltijds gewoon secundair onderwijs : een leerling die gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
1) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens twaalf jaar en anderzijds geen achttien jaar geworden is;
2) een nieuwkomer is, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;
3) niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal heeft;
4) onvoldoende de onderwijstaal beheerst om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
5) maximaal negen maanden ingeschreven is (vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen) in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;
b) in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een leerling zoals gedefinieerd in artikel 3, 1°, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
c) in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs: een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar respectievelijk voor het voltijds gewoon secundair onderwijs minstens twaalf jaar en geen achttien jaar geworden is en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;
3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;
4° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;
5° ...;
6° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;
6° /1 beroepskwalificatie: een beroepskwalificatie zoals gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
7° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;
8° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;
9°/0 bevoegd steunpunt: het universitair steunpunt dat erkend en gesubsidieerd wordt voor de ontwikkeling van de Vlaamse toetsen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 houdende de regeling van de procedure en de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de universitaire steunpunten;
9° /1 brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;
10° centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs :
- hetzij een autonome entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd;
- hetzij een aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs verbonden entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd;
10° /1 CLR: de Commissie inzake leerlingenrechten, vermeld in deel VIII, hoofdstuk 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
10° /2 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;
10° /2/1 consultatieve leerlingenbegeleiding: de kernactiviteit van een centrum voor leerlingenbegeleiding waarbij het versterking biedt aan de school bij problemen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;
10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;
11° cursist : een regelmatige leerling in het hoger beroepsonderwijs;
12° deeltijds beroepssecundair onderwijs : het onderwijs dat minder weken per jaar of minder lesuren per week omvat dan bepaald is voor het voltijds secundair onderwijs;
12° /0 Departement Werk en Sociale Economie: het departement, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
12° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;
12° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;
12° /3 disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria, als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
13° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;
14° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;
14° /0 finaliteit: een begrip dat aangeeft waarop studierichtingen prioritair voorbereiden, namelijk op het hoger onderwijs, op de arbeidsmarkt of op beide;
14°/0/0 feedbackrapport: een rapport met de resultaten op de Vlaamse toetsen op het schoolniveau, het niveau van de leerlingengroep of het leerlingniveau;
14°/0/1 GC-verslag: een verslag gemeenschappelijk curriculum, een verslag dat toegang geeft tot leersteun bij een gemeenschappelijk curriculum als vermeld in artikel 352 van deze codex;
14° /1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
14° /2 ...;
14°/3 Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages (CEFR).
15° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;
15° /1 huisonderwijs :
- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum;
- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van één van volgende regelingen :
   1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;
   2° het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
   3° het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
15°/2 IAC-verslag: een verslag individueel aangepast curriculum, een verslag dat toegang geeft tot een individueel aangepast curriculum, vermeld in artikel 294, §2, 1°, van deze codex;
16° inhaallessen : de lessen die facultatief kunnen georganiseerd worden met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling;
16° /2 kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;
17° Koninklijk besluit nummer 66 : het koninklijk besluit nummer 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten;
17° /1 leefentiteit : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;
17° /1/1 leerlingenbegeleiding: een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen. Leerlingenbegeleiding situeert zich op vier domeinen: de onderwijsloopbaan, leren en studeren, psychisch en sociaal functioneren en preventieve gezondheidszorg. De maatregelen vertrekken steeds vanuit een geïntegreerde en holistische benadering voor de vier begeleidingsdomeinen en dit vanuit een continuüm van zorg;
17° /2 leerlingenstage : een vorm van opleiding :
a) buiten een vestigingsplaats van de school;
b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;
c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;
d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht;
e) met de bedoeling beroepservaring op te doen;
17° /2/1 leerling met een zorgthuis:
a) een leerling die effectief gebruik maakt van een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp voor:
- een verblijf bij een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van hetzelfde decreet, met uitzondering van de onderwijsinternaten, vermeld in artikel 68, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp en met uitzondering van vrijwillige Jeugdhulpverlening in de multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
- contextbegeleiding in functie van autonoom wonen of begeleiding in een kleinschalige wooneenheid, overeenkomstig artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp;
b) een leerling die geplaatst is door de jeugdrechter of jeugdrechtbank in een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
c) een niet-begeleide minderjarige vreemdeling voor wie de voorwaarden, vermeld in artikel 5 en 5/1 van hoofdstuk 6 van titel XIII van de Programmawet (I) van 24 december 2002, vervuld zijn;
17° /3 leertijd: de opleiding, vermeld in artikel 2, 15°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
17° /3 leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
c) persoonlijke en externe factoren;
17°/4/1 leerondersteuner: de leerondersteuner, vermeld in artikel 5, 9°, van
het decreet van 5 mei 2023  over leersteun;
17°/4/2 leersteun: ondersteuning als vermeld in artikel 6 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
17°/4/3 leersteunmodel: het leersteunmodel voor de organisatie van leersteun in scholen voor gewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 3 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
17°/5 leerwinst: de verandering in de leerprestaties tussen twee metingen bij dezelfde leerlingen op dezelfde meetschaal. Leerwinst kan verwijzen naar diverse niveaus: het Vlaamse niveau, het schoolniveau, en het leerlingniveau;
18° lesuur : een prestatie van vijftig minuten;
19° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;
19° /1 LOP: een lokaal overlegplatform als vermeld in deel VIII, hoofdstuk 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
20° ...
21° ...
22° ...
23° ...
24° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
24° /1 onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het secundair onderwijs;
24° /1 onderwijskwalificatie: een onderwijskwalificatie als gedefinieerd in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
25° onderwijsnet :
- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;
- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
26° onderwijsvormen : het algemeen secundair onderwijs, het beroepssecundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;
27° onderwijzend personeel : de wervingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
28° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;
29° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;
30° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;
31° ...;
32° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben.
In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;
32°/1    OV4-verslag: het verslag, vermeld in artikel 294, §2, 2;
33° ...
33° /0 pakket: een of meerdere vakken waarmee de doelen van de overeenstemmende basisoptie worden gerealiseerd;
33° /1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;
34° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;
34° /1 preventorium: medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan jongeren waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;
35° programmatie: een wijziging van het onderwijsaanbod door middel van:
a)    hetzij de oprichting van een school die nog niet bestond op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, met de bedoeling die school in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;
b)    hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel dat niet onder toepassing van punt c) of d) valt, met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd, is de desbetreffende datum 1 oktober of 1 maart, naargelang het geval, van de twee voorafgaande schooljaren;
c)    hetzij de heroprichting op 1 oktober van een structuuronderdeel dat minstens drie schooljaren terug is opgeheven doordat de toepasbare leerlingennorm niet werd bereikt, met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd, is de desbetreffende datum 1 oktober of 1 maart, naargelang het geval;
d)    hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component ‘topsport’, met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, organiseert de betrokken school ten minste één sportdiscipline die eerder ook al aan die school is toegewezen;
36° ...
36° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;
37° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
37° /1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
38° school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1 en hoofdstuk 4/1, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;
39° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;
39° /1 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen onderwijsinstelling is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen.
40° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;
40° /1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen, werken en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde arbeid;
41° ...
42° structuuronderdeel: een onderverdeling in het onderwijsaanbod die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd kan worden;
42° /1 studiedomein: een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel van studierichtingen die van abstract tot praktisch geordend zijn;
43° ...
43° /0 studierichting: de combinatie van basisvorming, specifiek gedeelte en complementair gedeelte;
43° /1 ...;
43° /1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;
43° /2 ...;
44° trekkende bevolking : de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en Bartiesten en de woonwagenbewoners bedoeld in artikel 2, 3° van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;
44° /1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;
45° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;
45° /0 vakkencluster: een groep van twee of meer vakken die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 157/4;
45° /1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;
46° vestigingsplaats: een geografische afbakening die bestaat uit een geheel van gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in gebruik van een onderwijsinstelling dat voldoet aan alle volgende voorwaarden:
1° gelegen zijn binnen eenzelfde of aansluitende kadastrale percelen of gescheiden zijn door één van volgende mogelijkheden:
a) maximaal twee kadastrale percelen;
b) een weg;
2° volledig of gedeeltelijk gebruikt door personeelsleden van de onderwijsinstelling voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van:
a) extra-murosactiviteiten;
b) leerlingenstages;
c) lessen, al dan niet gegeven door personeelsleden van de onderwijsinstelling, in een bedrijf of in een opleidingsof vormingsinstelling die geen onderwijsinstelling is;
d) sporten bewegingsactiviteiten, voor zover de aanwezige sportinfrastructuur buiten het schooldomein ligt en ook door derden wordt gebruikt.
In afwijking van punt 1° geldt voor de bepalingen aangaande het `recht op inschrijving' dat een vestigingsplaats enkel betrekking heeft op eenzelfde of aansluitende kadastrale percelen.
46°/1 de Vlaamse toetsen: gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde, net- en koepeloverschrijdende toetsen die worden afgenomen in bepaalde leerjaren van het secundair onderwijs in alle scholen en centra over een selectie van eindtermen;
47° voltijds secundair onderwijs :
- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt;
- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
- het onderwijs dat aan regelmatige cursisten van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 36 wekelijkse lesuren en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
47° /1 ziekenhuisschool: school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5, opleidingsvorm 4, verbonden aan een ziekenhuis of een residentiële setting of een preventorium;
47° /2 zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;
48° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;
49° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd. (2)

DEEL III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS (... - ...)

TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN (... - ...)

HOOFDSTUK 1. Algemeen (... - ...)

Artikel 4. (01/09/1989- ...)

Het secundair onderwijs omvat :
1° het voltijds secundair onderwijs;
2° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. (3)

Artikel 5. (01/09/1958- ...)

In het gewoon, buitengewoon en het deeltijds beroepssecundair onderwijs bestaan er officiële en vrije scholen. Vrije scholen worden opgericht door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon. Officiële scholen worden opgericht door een publiekrechtelijk rechtspersoon. (4)

Artikel 6. (01/09/1958- ...)

§ 1. Krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt gewoon, buitengewoon, deeltijds secundair onderwijs ingericht en wordt waar daaraan behoefte bestaat, de daartoe nodige scholen of centra en afdelingen van scholen of centra tot stand gebracht.

§ 2. De Vlaamse Gemeenschap financiert en subsidieert, overeenkomstig de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, de scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen en private personen, zijn tot stand gebracht.

Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden kunnen geen scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen. Evenmin kunnen scholen en centra of afdelingen ervan nieuw of verder gefinancierd of gesubsidieerd worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen.

§ 3. Voor de toepassing van reglementaire programmatie- of rationalisatienormen wordt met karakter van het onderwijs verstrekt door een school of centrum bedoeld, het behoren ervan tot één van de categorieën van officiële of vrije scholen, zoals deze in de artikelen 5 en 110 gedefinieerd werden. (5)

Artikel 7. (01/09/2020- ...)

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. (6)

Bij die informatieverstrekking, met inbegrip van de studiebekrachtiging, hanteert een schoolbestuur minstens de benamingen van structuuronderdelen en vakken, die zijn vastgelegd door of krachtens een decreet. Het clusteren van vakken is mogelijk. Indien vakken worden geclusterd, blijft het in alle communicatie met ouders, leerkrachten en leerlingen duidelijk welke vakken daarvan onderdeel uitmaken.
 

Artikel 8. (01/09/2011- ...)

Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het vorige lid kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Artikel 9. (01/09/2001- ...)

Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. (8)

Artikel 10. (01/09/2001- ...)

Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :
1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;
2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;
3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen. (9)

Artikel 11. (01/09/1997- ...)

De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitwerking op 1 september. (10)

Artikel 12. (01/09/1958- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de verlofregeling en de aanwending van de schooltijd voor het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en voor het deeltijds secundair onderwijs in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra. (11)

HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden (... - ...)

Artikel 13. (01/09/2006- ...)

Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het schoolbestuur om aan regelmatige leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
Financiering of subsidiëring impliceert een erkenning. (12)

Artikel 14. (01/09/2018- ...)

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat alleen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°, wordt niet gefinancierd of gesubsidieerd maar wel erkend.

§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot erkenning in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.

De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
1° hetzij voorlopige erkenning voor één schooljaar;
2° hetzij geen voorlopige erkenning.

Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.

In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17°, uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
1° hetzij erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
2° hetzij niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.

§ 3. De in de erkenning opgenomen structuuronderdelen gewoon of buitengewoon secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de erkende structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.

§ 4. De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats door een school wordt gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. In de melding wordt verklaard dat :
1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
2° de school op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als ze een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien gevestigd was. De school vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.

De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in het eerste lid, vast.

Deze paragraaf geldt niet voor een school die wordt opgericht.

HOOFDSTUK 3. Financiering en subsidiëring (... - ...)

Afdeling 1. Voorwaarden (... - ...)

Artikel 15. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op het structuuronderdeel in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van de school die het organiseert, samen is voldaan :
1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;
3° de controle door de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;
4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;
5° bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;
6° een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van die indelingen;
7° de reglementering betreffende verlofregeling en aanwending van de schooltijd in acht nemen;
8° beantwoorden aan de op het structuuronderdeel toepasbare decretale en reglementaire bepalingen inzake erkende onderwijskwalificaties, eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties, curriculumdossiers, leerplannen of individueel aangepaste curricula;
9° samenwerkingsafspraken maken met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voeren;
10° ...
11° als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;
12° voor wat het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft :
a) een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;
b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
c) een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter vermeld in punt a);
d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
13° voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen;
14° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet vermelde gegevens leveren, en de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven;
Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen en op leersteuncentra die deel uitmaken van een school voor buitengewoon onderwijs als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.
15° wat het gemeenschapsonderwijs betreft : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren;
16° wat het gesubsidieerd onderwijs betreft : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures, vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door het schoolbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;
17° ...;
18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer overlegfora als vermeld in artikel 357/32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;
20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;
21° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.

§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot financiering of subsidiëring in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.

De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar;
2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning.

Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.

In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.

Een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering tot financiering of subsidiëring heeft maar uitwerking als voldaan is aan de vigerende programmatieregels voor scholen en structuuronderdelen. Als aan die programmatieregels niet is voldaan, slaat een gunstige beslissing uitsluitend op erkenning.

In een gefinancierd of gesubsidieerd structuuronderdeel, met inbegrip van voorlopige erkenning, is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.

§ 3. De in de financiering of subsidiëring opgenomen structuuronderdelen secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de gefinancierde of gesubsidieerde structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.

§ 4. De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:
1° hetzij gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname: als de nieuwe vestigingsplaats in dezelfde of aangrenzende gemeente ligt van de bestaande hoofdvestigingsplaats van de school;
2° hetzij gemotiveerd aangevraagd: als de nieuwe vestigingsplaats niet in dezelfde of aangrenzende gemeente ligt van de bestaande hoofdvestigingsplaats van de school.

In de melding of aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt verklaard dat:
1° de vestigingsplaats bij ingebruikname beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
2° het schoolbestuur op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen als een vestigingsplaats in gebruik wordt genomen waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien was. Het schoolbestuur vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.

Bij de melding of aanvraag, vermeld in het eerste lid, worden de volgende documenten gevoegd:
1°    het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2°    als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de nieuwe vestigingsplaats in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

In geval van een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 2°, beslist de Vlaamse Regering uiterlijk drie maanden na de indiening van die aanvraag en nadat ze het advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap heeft ontvangen. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.

Deze paragraaf geldt niet voor het schooljaar waarin een school, al dan niet als gevolg van een herstructurering van bestaande scholen, wordt opgericht.

Afdeling 2. Financiering en subsidiering van de personeelsleden (... - ...)

Onderafdeling 1. Salariëring (... - ...)

Artikel 16. (01/09/1958- ...)

De Vlaamse Gemeenschap verleent aan de gesubsidieerde scholen van het secundair onderwijs die aan de bij decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, salaristoelagen en betaalt, overeenkomstig artikel 65, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de salarissen van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die krachtens de geldende decretale en reglementaire bepalingen in dienst zijn genomen.

De Vlaamse Gemeenschap betaalt aan de betrokken personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs, rechtstreeks en maandelijks respectievelijk de salarissen en de salaristoelagen. (15)

Artikel 17. (01/09/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering verleent salarissen en salaristoelagen voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten, de leden van het opvoedend hulppersoneel, de leden van het ondersteunend personeel en de leden van het administratief personeel.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs worden ook salarissen of salaristoelagen toegekend aan het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel, overeenkomstig de normen toepasselijk op de verschillende types van het gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon onderwijs.

§ 3. Elke aanvraag om salaris of salaristoelage voor het personeel moet vergezeld zijn van een verklaring van het schoolbestuur waarvan de tekst, vastgelegd door de Vlaamse Regering, moet bevestigen dat voor de betrokken ambten, noch door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, noch door enig ander orgaan toelagen worden verleend. (16)

Artikel 18. (01/01/2021- ...)

§ 1. Een school ontvangt slechts financiering of subsidiering voor haar personeelsleden :
1° die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
2° die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
3° die in het bezit zijn van de vereiste, voldoende geachte of de andere door de Vlaamse Regering vastgelegde bekwaamheidsbewijzen;
4° ...
5° die aangeworven zijn mits eerbiediging van de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling.

§ 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door het schoolbestuur vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest het schoolbestuur de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang het de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door het schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 47septies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, één van de evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in hoofdstuk Vter van hetzelfde decreet, van een vastbenoemd personeelslid heeft vernietigd.

Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor het schoolbestuur :
1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door het schoolbestuur is hersteld;
2° ofwel indien hetzelfde of een ander schoolbestuur het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;
3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door hetzelfde schoolbestuur of een ander schoolbestuur aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;
4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.

De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan het schoolbestuur werd toegekend, wordt van dit schoolbestuur teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.

Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. (17)

[Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren (verv. decr. 6 juli 2018, art. 27, I: 1 oktober 2018)] (... - ...)

Artikel 19. (01/09/2020- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan van de aan zijn scholen toegekende uren-leraar gewoon onderwijs respectievelijk lesuren buitengewoon onderwijs maximaal twee procent respectievelijk maximaal drie procent herverdelen onder zijn scholen.

Die twee procent voor het gewoon onderwijs en drie procent voor het buitengewoon onderwijs worden berekend op basis van het totaal aantal uren-leraar of lesuren dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur werd toegekend op basis van de geldende reglementaire normen.

Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

§ 2. Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die niet behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité daarmee akkoord gaat.";

§ 3. Bij de in § 1 en § 2 bedoelde herverdeling, mag een schoolbestuur het aantal aan een school toegekende uren-leraar of lesuren niet verminderen indien het in dat schooljaar in die school overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

§ 4. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dienen de schoolbesturen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat ze de bepalingen van § 3 in acht nemen bij deze herverdeling. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

In de bijkomende uren-leraar of lesuren die een school via deze herverdeling verkregen heeft, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het betrokken schoolbestuur dient een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de bedoelde uren-leraar of lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. In afwijking van deze bepaling is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.

§ 5. De herverdeling dient plaats te vinden tegen uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar. (18)

Artikel 20. (01/09/2020- ...)

§ 1. Binnen dezelfde scholengemeenschap kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar van een school aan een andere school worden overgedragen, als:
1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling heeft plaatsgevonden in het lokaal comité.

In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

Binnen hetzelfde net kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar worden overgedragen van een school aan een andere school die niet behoort tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat.

§ 2. De in dit artikel bedoelde overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die uren-leraar of lesuren overdraagt op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

In de overgedragen uren-leraar of lesuur kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. In afwijking van deze bepaling is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.

Indien een schoolbestuur van een school het vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorafgaand schooljaar, behoudt, op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien deze personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk.

§ 3. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dient het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat het de bepalingen van dit artikel in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid of dat de vaste benoemingen geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. (19)

Artikel 21. (01/09/2020- ...)

§ 1. Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet ingerichte uren-leraar of lesuren overdragen naar het daaropvolgende schooljaar mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden:
1° het maximum aantal uren-leraar of lesuren van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van dat schooljaar;
2° het maximum aantal uren-leraar of lesuren van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar kan nooit hoger liggen dan twee procent van het aantal aanwendbare uren-leraar of lesuren van dat bepaald schooljaar;
3° het in 1° en 2° bedoelde maximum aantal overgedragen uren-leraar of lesuren, of een gedeelte ervan, mag, in afwijking van artikel 20, na 1 november van dat schooljaar zowel gebruikt worden in de eigen school als overgedragen worden naar een andere school binnen hetzelfde net of binnen eenzelfde scholengemeenschap.

§ 2. De overdracht van uren-leraar of lesuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in paragraaf 1, is alleen mogelijk als het betrokken schoolbestuur van de school op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar. Daarenboven kan een schoolbestuur van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag heeft ingediend met het oog op het bekomen van extra lesuren, geen lesuren overdragen.

§ 3. De niet-naleving van de bepalingen van § 2 heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

§ 4. In de overgedragen uren-leraar of lesuren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 5. Met het oog op de controle van § 4 door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, dienen de schoolbesturen van de betrokken scholen een verklaring op eer af te leggen die ertoe strekt dat in de bedoelde uren-leraar of lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 6. De niet-naleving van de bepalingen van § 4 en § 5 heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid. (20)

§ 7. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 4, 5 en 6 is vaste benoeming in uren-leraar mogelijk op 1 januari 2021.

Artikel 22. (01/09/2007- ...)

De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde onderwijsinspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. (21)

... (01/09/2023 - ...)

Artikel 22/1. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/2. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/3. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/4. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/5. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/6. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/7. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/8. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/9. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/10. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/11. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/12. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/13. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 22/14. (01/09/2023- ...)

...

[Onderafdeling 2/2 Flexibilisering van de vervangingen (verv. decr. 14 juli 2023, art. 70, I: 1 september 2023)] (... - ...)

Artikel 22/15. (01/09/2023- ...)

Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 in een school voor gewoon secundair onderwijs of in een centrum voor deeltijds onderwijs de uren-leraar van de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel in een school die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, omzetten in punten voor de aanwending in de school of in het centrum in ambten van het ondersteunend personeel.

Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 in een school voor buitengewoon secundair onderwijs de lesuren van de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel of in uren voor de aanwending in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

De omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt altijd maximaal voor de duur van de afwezigheid van de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, en maximaal voor de duur van het lopende schooljaar.

In afwijking van het derde lid eindigt de omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel wordt bij de terugkeer van de titularis ontslagen volgens artikel 23, eerste lid, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 21, §1, eerste lid, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
2° als het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd ingericht in een ambt van het ondersteunend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de lestijden vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar, vermeld in het eerste lid, kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel en de wijze waarop de lesuren, vermeld in het tweede lid, kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel en in uren voor het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, of in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel als vermeld in het tweede lid, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.

De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, of in ambten van het paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel als vermeld in het tweede lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.

Artikel 22/16. (01/09/2023- ...)

Een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 de uren-leraar van een betrekking in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, omzetten in een krediet voor de aanwending voor een gastleraar als vermeld in artikel 211, §3, of in artikel 211/1.

Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan de lesuren van een betrekking in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, omzetten in een krediet voor de aanwending voor een gastleraar als vermeld in artikel 308/4 of in artikel 308/5.

De omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt steeds maximaal voor de duur van de afwezigheid van de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging als vermeld in artikel 22/2, 1°, en maximaal voor de duur van het lopende schooljaar.

In afwijking van het derde lid eindigt de omzetting, vermeld in het eerste en tweede lid:
1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de gastleraar;
2°   als de gastleraar vrijwillig een einde maakt aan zijn aanstelling.
 
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar, vermeld in het eerste lid, en de lesuren, vermeld in het tweede lid, kunnen worden omgezet in een krediet, de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per uur-leraar of per lesuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.

Artikel 22/17. (01/09/2023- ...)

...

[Onderafdeling 2/3 Aanvangsbegeleiding (ing. decr. 15 maart 2019, art. 38, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 22/18. (01/09/2021- ...)

Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2021-2022 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend.

Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2021-2022 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend.

Als de uren-leraar en lesuren niet kunnen worden aangewend voor aanvangsbegeleiding, moeten de scholen die aanwenden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 22/21. Bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren ook alleen voor aanvangsbegeleiding of ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De uit aanvangsbegeleiding toegekende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar..

De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20.

De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20.

Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor wat het bestuurs- en onderwijzend personeel betreft, aanvangsbegeleiding beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden.

Artikel 22/19. (01/09/2021- 31/08/2024)

Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren aanvangsbegeleiding 5646 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 4795 uren-leraar;
2° buitengewoon secundair onderwijs: 732 lesuren;
3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 119 uren-leraar.

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen.

Het globaal beschikbare aantal uren wordt op volgende wijze verdeeld over de scholen en centra:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar:
a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235;
2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren:
a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300;
b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303;
c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319;
3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar, vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel 22/20. (01/09/2021- ...)

De uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding kunnen, met toepassing van artikel 22/18, vierde lid, worden omgezet naar punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Deze omzetting gebeurt op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt.

[Onderafdeling 2/4. Aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel (ing. decr. 25 februari 2022, art. 24, I: 1 september 2021)] (... - ...)

Artikel 22/21. (01/09/2021- ...)

§ 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend.

Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend.

De aanvullende uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in artikel 47quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 73quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. De aanvullende uren-leraar, lesuren, en uren, inclusief de omgezette punten ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.

Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één uur-leraar of lesuur toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie uren-leraar of lesuren per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen.

De uren-leraar en lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend in wervingsambten van het onderwijzend personeel.

Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende uren-leraar of lesuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité.

De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.

De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van uren-leraar en lesuren naar punten.

Artikel 22/22. (01/09/2021- ...)

Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het globaal beschikbare aantal uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 9564 uren. Die uren worden verdeeld op de volgende wijze:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 8188 uren-leraar;
2° buitengewoon secundair onderwijs: 1146 lesuren;
3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 230 uren-leraar.

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globaal beschikbare aantal uren en de verdeling over de onderwijstypes, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanpassing wordt de eerste lesdag van februari altijd als teldatum genomen.

§ 3. Die uren worden conform artikel 22/19, derde lid, over de scholen en centra verdeeld.

[Onderafdeling 2/5. Aanvullende uren-leraar en lesuren samen school maken (ing. decr. 25 februari 2022, art. 27, I: 1 september 2021)] (... - ...)

Artikel 22/23. (01/09/2021- ...)

Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een aantal organieke uren-leraar samen school maken toegekend.

Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs een aantal organieke lesuren samen school maken toegekend.

De organieke uren-leraar of lesuren samen school maken dienen aangewend te worden om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De uren-leraar of lestijden worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in de school, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving.

Voor de aanwending van de uren-leraar en de lesuren samen school maken kunnen de scholen samenwerken. Ook bij een overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor het samen school maken worden aangewend. De uren-leraar, lesuren en uren, inclusief de omgezette punten samen school maken, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en personeelscategorieën waarbinnen betrekkingen kunnen worden opgericht met de uren-leraar samen school maken. De Vlaamse Regering bepaalt de omzettingen van lesuren en uren-leraar naar uren en punten.

Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, het samen school maken beschouwd als uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.

Artikel 22/24. (01/09/2021- ...)

§ 1. Het aantal organieke uren-leraar dat wordt toegekend aan de scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, wordt berekend met de formule 0,003190777*B.

In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totaalpakket uren-leraar van de school in het voorgaande schooljaar.

Voor de toepassing van het eerste lid omvat het pakket uren-leraar:
1° de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
2° de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 209;
3° de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235;
4° de uren-leraar vermeld in artikel 89, eerste lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, wanneer het een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft.

De uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school of centrum afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op meer dan drie, maar minder dan zeven, organieke uren-leraar voor het samen school maken, recht op drie organieke uren-leraar.

In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op zeven organieke uren-leraar of meer, recht op zes organieke uren-leraar.

In afwijking van paragraaf 1 hebben scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, die conform paragraaf 1 recht hebben op minder dan één organiek uur-leraar voor het samen school maken, recht op één organiek uur-leraar.

§ 3. Het aantal lesuren samen school maken waarop de school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule 0,003048098*D.

Voor de toepassing van het eerste lid is D=E+F+G, waarbij:
1° E: het totaalpakket lesuren van de school in het voorgaande schooljaar. Voor de toepassing van E omvat het pakket lesuren:
a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 300;
b) de lesuren niet-levensbeschouwing, vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303;
c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod, vermeld in artikel 318 en 319;
2° F: de uren paramedisch personeel, medisch personeel, sociaal personeel, orthopedagogisch personeel en psychologisch personeel, volgens de richtgetallen/32*22. F wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal;
3° G: de lesuren, uren en begeleidingseenheden zoals toegekend aan de school in het kader van het ondersteuningsmodel op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar, conform artikel 314/8, § 3 en § 5, en artikel 314/9, § 3. G wordt berekend met de formule G=A+B+C, waarbij:
a) A: de lesuren toegekend in kader van het ondersteuningsmodel;
b) B: de uren toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32;
c) C: 90,43% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*1 gesommeerd met 9,57% van de begeleidingseenheden toegekend in het kader van het ondersteuningsmodel*22/32.

De term G van de som, vermeld in het tweede lid, wordt binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

Het aantal lesuren samen school maken waarop een school voor buitengewoon secundair onderwijs recht heeft, zoals vermeld in het eerste lid, worden binnen een school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 4. In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op meer dan drie organieke lesuren voor het samen school maken, recht op drie organieke lesuren.

In afwijking van paragraaf 3 hebben scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die conform paragraaf 3 recht hebben op minder dan één organiek lesuur voor het samen school maken, recht op één organiek lesuur.

Artikel 22/25. (01/09/2021- ...)

De uren-leraar of lesuren samen school maken in wervingsambten van het ondersteunend personeel worden aangewend op basis van een omzettingstabel die de Vlaamse Regering vastlegt.

De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed.

Onderafdeling 2/6. Flexi-jobs (01/04/2024 - ...)

Artikel 22/26. (01/04/2024- ...)

§1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.

§2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsbudget als vermeld in artikel 249 of 329, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn scholen aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die school of scholen een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.

Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.

§3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
 
In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.

De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.

§4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 22/16, 211, §3 en §3bis, en artikel 308/5.

De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt: 1°    vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hier-
door eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer; 2°    als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.
 

Onderafdeling 3. Globale puntenenveloppe (... - ...)

Artikel 23. (01/09/2014- ...)

§ 1. Deze onderafdeling is niet van toepassing op het ambt van bode-kamerbewaarder.

§ 2. ...

Artikel 24. (01/09/2015- ...)

In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.

De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.

Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.

Artikel 25. (01/09/2023- 31/08/2024)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een scholengemeenschap is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 12 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt. Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor gastleraren, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;
3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.

§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.

§ 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar, dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 10. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen van alle scholen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs,op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald :
a) tussen 900 en 3999 leerlingen : 120 punten;
b) tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten;
c) tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten;
d) tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten;
e) tussen 9.000 en 10.999 leerlingen : 360 punten;
f) vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten.

Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.

§ 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 14. ...

Artikel 26. (01/09/2023- 31/08/2024)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor gastleraren, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (25)

Artikel 27. (01/09/2023- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 7. ...

Artikel 28. (01/09/2023- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 en § 3 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. ...

Artikel 29. (01/09/2023- ...)

§ 1. De scholengemeenschap verdeelt jaarlijks haar globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 25, over haar scholen op basis van criteria die worden onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Als in de scholengemeenschap geen akkoord wordt bereikt, verdeelt de scholengemeenschap de punten over haar scholen overeenkomstig de parameters die werden gebruikt voor de toekenning van de puntenenveloppe.

Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe.

Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk :
1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 25, § 11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10% overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met de punten die haar volgens artikel 25, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap;
2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.

De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.

De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.

§ 2. ...

Artikel 30. (01/09/2023- ...)

§ 1. De school wendt de punten die ze in toepassing van artikel 29 van de scholengemeenschap ontvangt als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten :
- van het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in § 1, met uitzondering van het
bevorderingsambt van directeur;
- voor het klasvrij maken van een personeelslid;
- voor taak- en functiedifferentiatie;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan; Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator.
- een betrekking in het ambt van technisch adviseur- coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht. De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.
- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

§ 2. Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, geen scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden:
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
- voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

Bij de aanwending van deze puntenenveloppe moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes :
1° ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
2° het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking opgericht met punten van de voorafname wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in een school van de scholengemeenschap en werkt voor de totaliteit van de scholengemeenschap;
3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan echter op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
- het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- de betrekking kan niet worden vacant verklaard.

Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

§2bis. Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, een scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, vermeld in artikel 29, § 1, op de volgende wijze aanwenden:
- voor de oprichting van betrekkingen in de scholengemeenschapsinstelling in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
- voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid in een school van de scholengemeenschap, dat belast is met het mandaat van algemeen directeur of van een personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel in de scholengemeenschapsinstelling, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

Bij aanwending van de punten van de voorafname in de scholengemeenschapsinstelling moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes:
1° in eerste instantie moeten de punten steeds worden aangewend voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten, bedoeld in het eerste lid;
2° als de scholengemeenschapsinstelling na toepassing van punt 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden:
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in het eerste lid;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55, § 2, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44, § 2, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend;
3° ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
4° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschapsinstelling de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

De betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht in de punten van de voorafname komen in totaal tot een maximum van 10% van de globale puntenenveloppe in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Als de scholengemeenschap voor haar voorafname meer dan 10% van de globale puntenenveloppe overschrijdt, als vermeld in artikel 29, § 1, dan komen de betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht boven deze 10% niet in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Er kan maximaal vacant verklaard worden in deze punten tot het percentage dat op 1 september 2020 vooraf genomen werd. Dit percentage kan verhoogd worden na akkoord binnen het bevoegd lokaal comité, zonder dat het percentage van 10% overschreden kan worden.

§ 3. In het gemeenschapsonderwijs is de scholengroep verplicht om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken. De scholengroep heeft de keuze om hiervoor punten aan te wenden van de voorafname van de globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 29, en/of punten van de enveloppe bedoeld in artikelen 125duodecies, § 4, en 153sexies, § 4, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Als een scholengroep ten minste één netoverschrijdende scholengemeenschap telt, wordt in de overeenkomst van deze scholengemeenschap vastgelegd op welke wijze aan voormelde verplichting wordt voldaan. De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt eveneens het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (29)

Artikel 31. (01/09/2023- ...)

§ 1. De school die niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikelen 26 of 27 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze haar punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden :
- van het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingsambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur, en het ondersteunend personeel;
- voor de oprichting van betrekkingen in wervingsambten van het onderwijzend en het ondersteunend personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs kunnen in het kader van taak- en functiedifferentiatie daarenboven ook betrekkingen in wervingsambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in stand worden gehouden of worden opgericht;
- voor het klasvrij maken van een personeelslid;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan; Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator.
- een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.

§ 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikel 28 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het bestuurspersoneel;
2° als het centrum na de toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze betrekkingen oprichten in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur.

Het centrum voor deeltijds beroepsonderwijs moet bij de aanwending van zijn punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel kunnen alleen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- er kan slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (30)

Onderafdeling 4. Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs (... - ...)

Artikel 32. (01/09/2015- ...)

§ 1. Aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitaire enveloppe van 5.330 punten toegekend, bestemd voor verdeling over de scholengroepen.

§ 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs verdeelt de forfaitaire puntenenveloppe, bedoeld in § 1, over de scholengroepen na onderhandeling in het daartoe bevoegde onderhandelingscomité.

Met deze punten worden in de scholengroepen betrekkingen opgericht in het ambt van administratief medewerker. De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.

De scholengroep is niet verplicht om op deze betrekkingen de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, opgenomen in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, toe te passen.

De scholengroep kan in deze betrekkingen een personeelslid vast benoemen. Op het ogenblik dat de scholengroep waaraan de punten zijn toegekend het personeelslid in dergelijke betrekking vast benoemt, blijven de punten toegekend aan deze scholengroep.

De scholengroep deelt de vacantverklaring van voormelde betrekkingen mee aan de afgevaardigd-bestuurder. Deze toetst de stabiliteit van de vacant verklaarde betrekkingen aan de mogelijke evolutie van de verdelingscriteria. In toepassing van artikel 43, § 1, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs is de afgevaardigd-bestuurder belast met het goedkeuringstoezicht ter zake. (31)

Onderafdeling 5. Bedrijfsstages (... - ...)

Artikel 33. (01/09/2012- ...)

...

Artikel 34. (01/09/2012- ...)

...

[Onderafdeling 6. Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar, van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023 (ing. decr. 9 juli 2021, art. 36, I: 1 september 2021)] (... - ...)

Artikel 34/1. (01/09/2021- ...)

§ 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende omkadering toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.

§ 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende omkadering toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.

Afdeling 3. Financiering en subsidiëring van de werking (... - ...)

Onderafdeling 1. Algemeen (... - ...)

Artikel 35. (01/09/2019- ...)

In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.

Na overleg binnen de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. De bijdrageregeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de betrokken personen meegedeeld. Zowel de bijdrageregeling als de schoolfacturen vermelden dat gespreide betaling mogelijk is evenals een contactpersoon tot wie de betrokken personen die dergelijke gespreide betaling wensen, zich kunnen richten.
 

Artikel 36. (01/09/1958- ...)

De kosten van het onderwijs, verstrekt in scholen en centra of afdelingen voor onderwijs, tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van de schoolbesturen.

Aan de gefinancierde of gesubsidieerde scholen en die aan de bij de decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap salarissen, salaristoelagen en werkingsbudget. (35)

Artikel 37. (01/09/1958- ...)

Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school, aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen en aan de uitgaven voor de financiering van de investeringen. (36)

Artikel 38. (01/09/1973- ...)

Wat de overeenkomsten betreft voor aanneming van werken, leveringen en diensten met betrekking tot uitgaven op de dotatie van het Gemeenschapsonderwijs en met betrekking tot uitgaven die geheel of gedeeltelijk ten laste van het werkingsbudget, de uitrustingstoelagen, de bouwtoelagen of de rentetoelagen worden gelegd, zijn de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen ertoe gehouden de overeenkomsten af te sluiten volgens de procedure en onder de voorwaarden die voor de federale overheid gelden met dien verstande dat de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen :
- de bevoegdheden uitoefenen die in de federale reglementering aan een Minister zijn toegekend;
- het in dezelfde reglementering bepaald advies niet hoeven in te winnen vooraleer een overeenkomst ingevolge offerteaanvragen of onderhands af te sluiten;
- onderhandse overeenkomsten mogen sluiten voor de aankoop van didactisch materieel, welke ook de prijs hiervan is;
- van de regels betreffende de keuze van een aannemer mogen afwijken bij openbare of beperkte aanbesteding, als de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs zich binnen de dertig dagen na de aanvraag hiertegen niet verzet. (37)

Artikel 39. (01/09/1986- ...)

Aan het Gemeenschapsonderwijs wordt jaarlijks een globale dotatie toegekend, bestemd om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school en aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen. Deze dotatie bestaat uit een forfaitair bedrag per school en een forfaitair bedrag per leerling. Deze bedragen kunnen verschillen per niveau en vorm van onderwijs. (38)

Artikel 40. (01/01/1991- ...)

De Raad van het Gemeenschapsonderwijs, de scholengroepen en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor de aanschaf van uitrustingsapparatuur leningsovereenkomsten en leasingsovereenkomsten aangaan bij de door de Vlaamse Regering daartoe erkende financiële instellingen. (39)

Artikel 41. (01/09/2021- ...)

Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het schoolbestuur van elke school. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen behorende tot hetzelfde schoolbestuur. Bij deze aanwending dient het schoolbestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van zijn scholen en van de leerlingen of studenten die tot deze scholen behoren.

Het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, zoals vermeld in artikel 242, kan enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de wijze waarop de school zijn aanvraag tot financiering of subsidiëring indient;
2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van het werkingsbudget betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending. (40)

Artikel 42. (01/09/1991- ...)

In geval van overname van een school door een ander schoolbestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop de overgenomen school recht had volgens de vigerende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe schoolbestuur toegekend. (41)

Artikel 43. (01/09/2021- ...)

§ 1. De representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen bepalen, voor de schoolbesturen of schoolbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen inzake de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals bepaald in de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk.

Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de terzake geldende Europese verplichtingen.

§ 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de schoolbesturen, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.

§ 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal :
1° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;
2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;
3° de jaarrekening;
4° de inventaris.

§ 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de scholen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elk schoolbestuur.

§ 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal :
1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;
2° de waarderingsregels;
3° de structuur van de jaarrekening;
4° het schema van de balans;
5° het schema van de resultatenrekening;
6° de inhoud van de toelichting;
7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;
8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.

§ 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

§ 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen. (42)

[Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn (verv. decr. 3 juli 2015, art. 16, I: 1 september 2015)] (... - ...)

Artikel 44. (01/07/2018- ...)

...

Onderafdeling 3. Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs (... - ...)

Artikel 45. (01/09/2007- ...)

De vzw Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs ontvangt de in deze onderafdeling bedoelde subsidiëring voor zover zij voldoet aan volgende voorwaarden :
1° zij stelt zich tot doel een netoverschrijdende structuur uit te bouwen ter ondersteuning van de Nederlandstalige scholen voor secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Deze structuur is in het bijzonder gericht op het ondersteunen van de taalvaardigheid van de leerlingen, en zal taaltoetsen afnemen bij leerlingen, begeleidingsinitiatieven ontwikkelen en uitvoeren voor het taalvaardigheidsonderricht;
2° zij legt uiterlijk op de eerste dag van de zesde maand na afsluiting van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. (44)

Artikel 46. (01/09/2007- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering waarborgt tot en met 31 december 2010 een subsidiëring voor de loonkosten van de personeelsleden en de werkingsmiddelen binnen de door de Vlaamse Gemeenschap voorziene begrotingskredieten.

§ 2. De Vlaamse Regering kan beslissen over de uitvoering van de subsidiëring bedoeld in § 1 een samenwerkingsakkoord te sluiten met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. (45)

Onderafdeling 4. Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen (... - ...)

Artikel 47. (01/01/2021- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, aan scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen, extra middelen toekennen die bestemd zijn voor investeringen in didactische uitrusting. Onder investering in didactische uitrusting wordt verstaan : de aankoop van didactische uitrusting of de beveiliging van reeds aanwezige didactische uitrusting.

De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen.

§ 2. Per regelmatige leerling op de door de Vlaamse Regering te bepalen teldatum worden extra middelen toegekend.

Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken scholen een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde, minimale onderdelen.

§ 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit drie afgevaardigden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en twee afgevaardigden van de onderwijsinspectie, enerzijds, en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, en één afgevaardigde van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, anderzijds.

De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en kan experten toelaten tot de vergadering.

De commissie garandeert dat een aanvankelijk als « onvoldoende » bevonden plan, bijgestuurd kan worden en éénmaal opnieuw mag worden ingediend binnen een door haar vooropgestelde termijn, die evenwel nooit minder kan zijn dan 10 werkdagen te rekenen vanaf de beslissing van de commissie.

§ 4. De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning, de uitbetaling en de controle op de aanwending van deze extra middelen. (46)
 

Artikel 47/1. (01/01/2024- ...)

§1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, voor materiaalintensieve structuuronderdelen. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.

Met materiaalintensieve structuuronderdelen wordt bedoeld:
1° groep 1:
a)    alle niet-duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
b)    alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm bso, behalve de studiegebieden toerisme, handel en maatschappelijke veiligheid;
c)    alle niet-duale structuuronderdelen van de opleidings-, kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;
2°   groep 2:
a)    alle niet-duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het niet-duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de niet-duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het niet-duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
b)    alle niet-duale structuuronderdelen binnen het studiegebied beeldende kunsten van de onderwijsvorm kso;
c)    alle niet-duale structuuronderdelen van de onderwijsvorm tso, behalve de studiegebieden handel, personenzorg, toerisme en maatschappelijke veiligheid;
3°   groep 3:
a)    alle duale structuuronderdelen van de finaliteit arbeidsmarkt, behalve binnen het studiedomein taal en cultuur en het studiedomein economie en organisatie;
b)    alle duale structuuronderdelen van de dubbele finaliteit, behalve binnen het studiedomein economie en organisatie, het studiedomein maatschappij en welzijn met uitzondering van het duale structuuronderdeel mode, het studiedomein taal en cultuur, de duale structuuronderdelen ballet, creatie en mode en fotografie binnen het studiedomein kunst en creatie en het duale structuuronderdeel toerisme binnen het studiedomein voeding en horeca;
c)    alle duale structuuronderdelen binnen de onderwijsvormen bso en tso, behalve binnen het studiegebied handel, het studiegebied personenzorg tso en het studiegebied toerisme;
d)    alle opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
e)    alle duale structuuronderdelen van de kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.

§2. Een basisbedrag per gewogen regelmatige leerling wordt bekomen door het extra werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, te delen door het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 en in artikel 86, §1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
 
De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen: 1°    de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.

§3. Het extra werkingsbudget per school of centrum is het resultaat van de vermenigvuldiging van het basisbedrag per gewogen regelmatige leerling, vermeld in paragraaf 2, met het aantal gewogen regelmatige leerlingen in de school of het centrum op de reguliere teldatum voor de berekening van de werkingsbudgetten voor het schooljaar 20TT-1 - 20TT, vermeld in artikel 169 tot en met 172 en artikel 357/26 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en in artikel 86, §1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel voor leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

De regelmatige leerlingen, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gewogen:
1° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 1, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden gewogen aan factor 1;
2° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 2, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden gewogen aan factor 0,75;
3° de regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn in structuuronderdelen uit de groep 3, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, worden gewogen aan factor 0,50.

§4. Het extra werkingsbudget wordt aan de school- en centrumbesturen uitbetaald uiterlijk op 30 juni van het jaar 20TT.

Artikel 48. (01/09/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)

[Onderafdeling 5. Extra financiering en subsidiëring in het kader van de maatregelen VV15 Digisprong en VV17 Van kwetsbaar naar weerbaar van het Vlaams relanceplan voor schooljaren 2021-2022 en 2022- 2023 (ing. decr. 9 juli 2021, art. 37, I: 1 september 2021)] (... - ...)

Artikel 48/1. (01/09/2021- ...)

§ 1. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: een toekomstgerichte en veilige ICT-infrastructuur, speerpunt 2: een sterk ondersteunend en doeltreffend ICT-schoolbeleid, speerpunt 3: ICT-competente leerkrachten en lerarenopleiders en aangepaste digitale leermiddelen en speerpunt 4: een kennisen adviescentrum Digisprong ten dienste van het onderwijsveld binnen de maatregel VV 15 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Digisprong. Van achterstand naar voorsprong, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 (VR 2020 1112 DOC.1425/2QUATER), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 375 miljoen euro bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft of, wat speerpunten 3 en 4 betreft, ter ondersteuning van deze scholen en centra. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.

§ 2. Ter uitvoering van de acties vervat in het speerpunt 1: van achterstand naar voorsprong, speerpunt 2: versterking van leraren, lerarenopleiders en schoolleiders en speerpunt 3: bevorderen van het mentaal welzijn van leerlingen, scholieren en studenten binnen de maatregel VV 17 van het relanceplan Vlaamse Veerkracht, zoals opgenomen in de visienota Van kwetsbaar naar weerbaar, goedgekeurd op de ministerraad van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 (VR 2021 0705 VV DOC.0055-1 en 2), kan de Vlaamse Regering voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 binnen de perken van de beschikbare deelenveloppe van 90 miljoen euro desgevallend aangevuld met middelen uit de provisie versterking onderwijs en/of de AGODI-provisie bijkomende werkingsbudgetten of investeringsmiddelen toekennen aan de scholen voor gewoon secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onder- wijs, centra voor deeltijds beroeps secundair onderwijs, centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat duaal leren en de leertijd betreft. De Vlaamse Regering stelt per actie de verdere modaliteiten vast.

Onderafdeling 6. Extra werkingsbudget voor een offensief Nederlands voor leerlingen die het Nederlands onvoldoende beheersen (01/01/2024 - ...)

Artikel 48/2. (01/01/2024- ...)

Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1– 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van februari van 20TT-4 of 20TT-3 of 20TT-2 meer dan 50 procent regelmatige leerlingen telden die beantwoorden aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex.

Voor de maatregel, vermeld in het eerste lid en in artikel 87quinquies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen vanaf 2024 jaarlijks een bedrag van 20 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 79, §3, derde lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over het basis- en secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van het onderwijsniveau in het totale aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het jaar 20TT-2 die voldoen aan het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 78, §1, 1°, c), van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, en voor zover zij ingeschreven zijn in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid of in artikel 87quinquies, eerste lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen dat beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex, op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 in de school of het centrum met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, voor het secundair onderwijs voor dat schooljaar gedeeld door het totale aantal regelmatige leerlingen gewoon secundair onderwijs in de scholen of centra die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, dat op de eerste schooldag van februari van jaar 20TT-2 beantwoordt aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 242, §1, eerste lid, 1°, c), van deze codex.

Het extra werkingsbudget wordt aangewend om leerlingen met een te beperkte kennis van het Nederlands extra te ondersteunen.

Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school-of centrumbesturen in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van het extra werkingsbudget van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel, verhogen.

Onderafdeling 7. Bijzondere maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek (01/01/2024 - ...)

Artikel 48/3. (01/01/2024- ...)

Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste dertig regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;
2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom, alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.

Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotings- jaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan een van de volgende voorwaarden: 1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag
van februari van 20TT-1 in de eerste graad B-stroom;
2° de school of centrum had op de eerste schooldag van februari 20TT-1 nog geen aanbod eerste graad B-stroom, en heeft wel een aanbod eerste graad B-stroom op de eerste schooldag van oktober 20TT-1.
 
Een school die aan een van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoet, komt slechts in aanmerking indien de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in de eerste graad B-stroom het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.

Vanaf het begrotingsjaar 20TT, startende in 2024, tot en met het begrotingsjaar 2027, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onder- wijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, startende in 2023-2024, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de school of het centrum heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste 30 procent meer regelmatige leerlingen dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen;
2° de hoofdvestigingsplaats van de school of het centrum is gelegen in een onderwijszone waar in alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1.

Voor de maatregelen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt vanaf 2024 jaarlijks in een bedrag van 10 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.

Het extra werkingsbudget per school of centrum voor het betrokken schooljaar is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school of het centrum in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het binnen de begroting voorziene werkingsbudget, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar B en alle structuuronderdelen van het beroepssecundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs samen op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen en centra die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.

Het bedrag dat een school of centrum ontvangt per bijkomende regelmatige leerling kan niet meer bedragen dan 11.000 euro. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2025 geïndexeerd volgens artikel 243, §3, derde lid, 2°.

Scholen en centra die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT de eerste schooldag van oktober hanteren als teldatum als vermeld in artikel 86, §2, derde lid, van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en in artikel 171 en 172, §1, komen voor het betrokken schooljaar niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.

Het extra werkingsbudget voor het betrokken schooljaar wordt aan de school- of centrumbesturen vóór 1 februari van het betrokken schooljaar betaald.
 
De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag, vermeld in het vijfde lid, verhogen.

HOOFDSTUK 4. Scholengemeenschappen (... - ...)

Afdeling 1. Algemeen (... - ...)

Artikel 49. (01/09/1999- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 59, 62 en 64 die niet van toepassing zijn op het buitengewoon secundair onderwijs.

Binnen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "school" verstaan : een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat eventueel aan deze school is gehecht, een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of een school voor buitengewoon secundair onderwijs. (48)

Afdeling 2. Vorming van een scholengemeenschap (... - ...)

Artikel 50. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap omvat één of meer scholen die al dan niet behoren tot hetzelfde schoolbestuur en/of hetzelfde onderwijsnet. (49)

Artikel 51. (01/09/2020- 31/08/2024)

Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand voor een periode van zes schooljaren vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na voormelde periode de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode van zes schooljaren.

Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het eerste lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.

Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap worden gewijzigd, in die zin dat een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen. Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
3° indien de school met een vereniging van gemeenten als schoolbestuur wordt overgenomen door een schoolbestuur dat geen vereniging van gemeenten is.

Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt uiterlijk 31 maart van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding getroffen, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid gemeld. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde diensten gemeld.

Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.

Artikel 52. (01/09/1999- ...)

§ 1. Scholengemeenschappen zijn samenwerkingsverbanden waarvan de werking geregeld wordt in hetzij de beslissing van het enig betrokken schoolbestuur, hetzij de overeenkomst tussen de verschillende betrokken schoolbesturen.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden zonder beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de verantwoordelijkheid en het hiërarchisch toezicht van het betrokken schoolbestuur.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden met beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de toezichtsvormen bepaald in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs of de organieke regelgeving op de lokale besturen, respectievelijk de toezichtsvormen georganiseerd door het betrokken schoolbestuur.

§ 2. Beheersoverdracht is enkel mogelijk ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in artikel 57, 4°, 6°, 7°, 8° en 9°. (51)

Artikel 53. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken scholen gelegen binnen maximaal vijf aangrenzende onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs. (52)

Artikel 54. (01/09/2023- ...)

Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan :
1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, een tweede leerjaar A en een tweede leerjaar B;
2° de tweede graad, die bestaat uit een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit doorstroom, met drie studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs, een eerste en tweede leerjaar van de dubbele finaliteit met twee studiedomeinen en een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit arbeidsmarkt met twee studiedomeinen. De studiedomeinen van de dubbele finaliteit en de finaliteit arbeidsmarkt mogen dezelfde zijn;
3° de derde graad, die bestaat uit een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit doorstroom, met drie studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs, een eerste en tweede leerjaar van de dubbele finaliteit met twee studiedomeinen en een eerste en tweede leerjaar van de finaliteit arbeidsmarkt met twee studiedomeinen. De studiedomeinen van de dubbele finaliteit en de finaliteit arbeidsmarkt mogen dezelfde zijn. Voor het schooljaar 2023-2024 bestaat het tweede leerjaar van de derde graad nog uit het algemeen secundair onderwijs, met drie opties, het technisch en het beroepssecundair onderwijs met elk twee studiegebieden. De studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn.

Als een scholengemeenschap vanaf 1 september 2023 door de omschakeling van studiegebieden naar studiedomeinen niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, wordt ze van rechtswege beschouwd te voldoen aan die voorwaarden tot en met het schooljaar 2025­2026.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
1° het niet voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in:
a)    hetzij het niet of te weinig organiseren van studierichtingen in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;
b)    hetzij het te weinig organiseren van studiedomeinen of studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van de dubbele finaliteit of het technisch secundair onderwijs;
c)    hetzij het te weinig organiseren van studiedomeinen of studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van de finaliteit arbeidsmarkt of het beroepssecundair onderwijs; en
2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wèl organiseren.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :

De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarde de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 44 onderwijszones vastgelegd in bijlage I, die bij deze codex is gevoegd, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige school" worden de scholen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, én enkel eigen leerplannen van het schoolbestuur hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, buiten beschouwing gelaten.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én uitsluitend eigen leerplannen van het schoolbestuur te hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd. (53)

Artikel 55. (01/09/1999- ...)

§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :
1° gemeenschapsonderwijs : maximum 40 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 15 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende groepen bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal scholen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

§ 3. Het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden. (54)

Artikel 56. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. (55)

Afdeling 3. Bevoegdheden van een scholengemeenschap (... - ...)

Artikel 57. (01/09/2019- ...)

Een scholengemeenschap :
1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen;
2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap;
3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;
4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn;
6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij het schoolbestuur een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die buiten de desbetreffende scholengemeenschap zijn gebleven; een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen;
8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer scholen voor secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren en/of met één of meer scholen voor basisonderwijs, met één of meer scholen van deeltijds kunstonderwijs en/of één of meer centra voor volwassenenonderwijs;
9° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;
10° ...
11° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)

Artikel 58. (01/09/1999- ...)

Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschappen andere bevoegdheden toewijzen dan hier bepaald, tenzij dit bij decretale of reglementaire bepalingen wordt verboden.

Voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs gebeurt deze toewijzing op grond van artikel 4, § 2, van het bijzonder decreet.

Indien bij de scholengemeenschap verschillende schoolbesturen zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. (57)

Afdeling 4. Diverse voordelen voor scholengemeenschappen (... - ...)

Artikel 59. (01/09/1999- ...)

Zoals bepaald in artikel 191 wordt de gewone rationalisatienorm per school met 15 % verminderd voor een school die tot een scholengemeenschap behoort. (58)

Artikel 60. (01/09/1999- ...)

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (59)

Artikel 61. (01/09/1999- ...)

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (60)

Artikel 62. (01/09/2023- ...)

De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :
1° 0,10 : voor de eerste graad;
2° 0,20 : voor de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)

Artikel 63. (01/09/2011- ...)

...

Artikel 63/1. (01/09/2021- ...)

In een scholengemeenschap kunnen de betrokken schoolbesturen beslissen om één scholengemeenschapsinstelling op te richten.

Voor zover de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt kan deze scholengemeenschapsinstelling niet opgeheven worden.

Een voorwaarde voor de oprichting van deze scholengemeenschapsinstelling of in het geval van het vijfde lid de scholengemeenschapsinstellingen, is dat elk schoolbestuur uit de scholengemeenschap, voor wat betreft de betrokken scholengemeenschap, mede oprichter is van een scholengemeenschapsinstelling conform het derde, vierde of vijfde lid.

Als de scholen van de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling.

Als de scholen van de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de scholengemeenschapsinstelling, vermeld in het eerste lid. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

In afwijking van het eerste en het vierde lid wordt er, als de scholen van de scholengemeenschap behoren tot schoolbesturen van verschillende onderwijsnetten en er door de betrokken schoolbesturen gekozen wordt voor de oprichting van scholengemeenschapsinstellingen, één scholengemeenschapsinstelling opgericht per onderwijsnet. De scholengemeenschapsinstelling behoort tot het betrokken onderwijsnet. Als de scholen, van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling. Als de scholen van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt voor die scholengemeenschap door alle betrokken schoolbesturen in de scholengemeenschap van dat onderwijsnet, een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de betrokken scholengemeenschapsinstelling. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

In scholengemeenschappen die conform dit artikel een scholengemeenschapsinstelling hebben opgericht maken de betrokken directies van de scholengemeenschap, binnen de geldende regelgeving, afspraken over de werking van deze scholengemeenschapsinstelling of -instellingen.

Artikel 64. (01/09/1999- ...)

§ 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van scholen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van scholen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen.

De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op. De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling.

§ 2. De personeelsformatie bedoeld in § 1 wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1.500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs) op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap.

§ 3. De § 1 en § 2 zijn ook van toepassing op directeurs en adjunct-directeurs die op 30 juni 1999 zijn wedertewerkgesteld in het ambt van directiesecretaris of onderdirecteur van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat zij op 1 september 1999 personeelslid worden van een schoolbestuur binnen de scholengemeenschap. (63)

Artikel 65. (01/09/1999- 31/08/2024)

§ 1. Aan de scholengemeenschappen wordt 20.000 extra wekelijkse uren-leraar toegekend vanaf het schooljaar 2004-2005. Deze extra uren-leraar worden aangewend om :
1° het aantal plage-uren, bedoeld in artikel 216 en 315 te reduceren, en/of
2° de werkdruk te verminderen door aanrekening van klassenraad, klassendirectie, splitsing van klassen, lerarenondersteuning, stagebegeleiding en leerlingenbegeleiding op het pakket uren-leraar.

§ 2. De verdeling van deze extra uren-leraar, die uitsluitend voor de scholen van de scholengemeenschap zijn bestemd, gebeurt trapsgewijs als volgt : het aantal uren-leraar dat elke scholengemeenschap ontvangt is recht evenredig met het aandeel van de som van de pakketten uren-leraar van de scholen die de scholengemeenschap vormen in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden. Onder uren-leraar worden de organieke uren-leraar voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs verstaan.

De scholengemeenschap verdeelt de extra uren-leraar op de wijze zoals bepaald in artikel 57, 4°.

§ 3. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de extra wekelijkse uren-leraar. (64)

Artikel 66. (01/09/2023- ...)

Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een onderwijsinternaat.

Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing.

Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.

Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing.

Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een onderwijsinternaat. (65)

HOOFDSTUK 5. Organen (... - ...)

[... (opgeh. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] (... - ...)

Artikel 67. (01/04/2014- ...)

...

Artikel 68. (01/04/2014- ...)

...

[Afdeling 1. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Representatieve vakorganisaties (... - ...)

Artikel 69. (01/09/1998- ...)

§ 1. De vakorganisaties aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens bijzondere opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.

§ 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van verdeling van de hier bedoelde personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast. (68)

[Afdeling 2. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen (... - ...)

Artikel 70. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. (69)

[Afdeling 3. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap (... - ...)

Onderafdeling 1. Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs (... - ...)

Artikel 71. (01/09/2021- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen secundair onderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs, in voorkomend geval aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1.

Artikel 72. (01/04/2008- ...)

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze afdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3° van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. (71)

Artikel 73. (01/04/2008- ...)

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap ».

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement.

De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (72)

Artikel 74. (01/04/2008- ...)

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. (73)

Artikel 75. (01/04/2008- ...)

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (74)

Artikel 76. (01/09/2021- ...)

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap;
4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (75)

Artikel 77. (01/04/2008- ...)

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (76)

Artikel 78. (01/04/2008- ...)

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (77)

Artikel 79. (01/04/2008- ...)

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (78)

Artikel 80. (01/04/2008- ...)

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 79. (79)

Artikel 81. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
4° de taken van de voorzitter;
5° de taken van de secretaris;
6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 76;
11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 74;
12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing. (80)

Artikel 82. (01/04/2008- ...)

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (81)

Onderafdeling 2. Netoverschrijdende scholengemeenschappen (... - ...)

Artikel 83. (01/09/2021- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die secundair onderwijs inrichten, eventueel aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1.
 

Artikel 84. (01/04/2008- ...)

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd. (83)

Artikel 85. (01/04/2008- ...)

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X B Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs.

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorig lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (84)

Artikel 86. (01/04/2008- ...)

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs. (85)

Artikel 87. (01/04/2008- ...)

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (86)

Artikel 88. (01/09/2021- ...)

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap;
4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
- het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (87)

Artikel 89. (01/04/2008- ...)

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (88)

Artikel 90. (01/04/2008- ...)

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (89)

Artikel 91. (01/04/2008- ...)

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (90)

Artikel 92. (01/04/2008- ...)

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 91. (91)

Artikel 93. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
4° de taken van de voorzitter;
5° de taken van de secretaris;
6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 88;
11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 86;
12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing. (92)

Artikel 94. (01/04/2008- ...)

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (93)

Onderafdeling 3. Inzagerecht lokaal comité (... - ...)

Artikel 95. (01/09/1999- ...)

Het lokaal comité heeft inzagerecht in de administratieve dossiers van de scholengemeenschap met betrekking tot :
1° de aanstellingen voor doorlopende duur;
2° de vaste benoemingen;
3° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en wedertewerkstelling. (94)

HOOFDSTUK 6. Levensbeschouwelijk onderricht (... - ...)

Artikel 96. (01/09/2023- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn alleen van toepassing op structuuronderdelen met levensbeschouwelijk onderricht in de basisvorming.

Artikel 97. (01/09/2002- ...)

In het officieel voltijds secundair onderwijs omvat het onderwijsaanbod wekelijks ten minste twee lesuren onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lesuren onderwijs in de niet-confessionele zedenleer. (96)

Artikel 98. (01/01/2017- ...)

§ 1. Bij elke inschrijving van de leerling in het officieel voltijds secundair onderwijs bepalen de betrokken personen, bij ondertekende verklaring, of de leerling een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.

Betrokken personen die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.

De Vlaamse Regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lesuren waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. De lesuren waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere onderdelen van het leerprogramma.

§ 2. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de keuze voor het onderricht in één der erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer, evenals de eventuele aanvraag tot vrijstelling in samenspraak met de leerling. (97)

Artikel 99. (01/09/2002- ...)

Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002. (98)

HOOFDSTUK 6/1. Bijzondere bepalingen over het officieel onderwijs (01/09/2024 - ...)

Dit hoofdstuk is nog niet in werking. Hierboven vindt u het eerste "toekomstige hoofdstuk"

Artikel 99/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een officiële school alleen overdragen aan een vrij schoolbestuur, als in eerste instantie de overdracht naar een andere aanbieder van het officieel onderwijs wordt onderzocht.

Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:
1° een verslag van gevoerde gesprekken met een andere aanbieder van het officieel onderwijs met het oog op de overdracht, of, in ondergeschikte orde en als er geen gesprekken met een dergelijke andere aanbieder konden worden gevoerd, een verslag van de pogingen om een dergelijke andere aanbieder te vinden;
2° de gemotiveerde conclusie over de mogelijkheid tot overdracht.

HOOFDSTUK 7. Sancties (... - ...)

Artikel 100. (01/09/2019- ...)

Als een school, een vestigingsplaats of een structuuronderdeel in strijd met de programmatieregels wordt opgericht, wordt de financiering of subsidiëring van die school, die vestigingsplaats of dat structuuronderdeel ingetrokken.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties. (99)

Artikel 101. (01/01/2013- ...)

§ 1. Met behoud van de erkenning wordt de financiering of subsidiëring van een school die niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden of een structuuronderdeel ervan dat niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden.

De inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, 4° en 5°.

De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen met betrekking tot die inhouding en regelt de beroepsprocedure.

§ 2. Met inachtneming van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, kan de Vlaamse Regering de erkenning van een school of een vestigingsplaats of structuuronderdeel ervan opheffen. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de Vlaamse Regering de opheffing van de erkenning ook beperken tot opheffing van de bevoegdheid om bepaalde eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.

Artikel 102. (01/09/2013- ...)

Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.

Artikel 103. (01/09/1958- ...)

Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken school medebrengen dat de subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid. (102)

Artikel 104. (01/09/2013- ...)

...

Artikel 105. (01/09/1990- ...)

Indien een personeelslid van het gemeenschaps- of van het gesubsidieerd onderwijs in strijd met het personeelsstatuut of buiten de normen is benoemd, kan de Vlaamse Regering binnen een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de administratieve diensten van de Vlaamse Regering van de beslissing houdende deze benoeming, het salaris of de salaristoelage terugvorderen met betrekking tot de periode.

In het Gemeenschapsonderwijs zijn de aldus wederrechtelijke benoemde personeelsleden van ambtswege ontslagnemend. In het gesubsidieerd onderwijs is deze benoeming niet tegenstelbaar aan de betalende overheid. Daarenboven wordt in het officieel gesubsidieerd onderwijs het onregelmatig vast benoemd personeelslid in zijnen hoofde geacht aangesteld te zijn in een ambt dat opgeheven werd vanaf het ogenblik dat het schoolbestuur door de bevoegde overheid in kennis wordt gesteld dat de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden.

Indien de benoeming wordt bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, bedraagt de in het eerste lid vermelde termijn 30 jaar. (104)

Artikel 106. (01/09/2020- ...)

Het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 123 en 7 kan, voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties.

De bedoelde sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximum 5 % bedragen van de werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximum 10 % bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het bedoelde besluit waarborgt het recht op verdediging. (105)

Artikel 107. (01/09/2007- ...)

Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis bedoeld in artikel 117 en 118, is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. (106)

Artikel 108. (01/09/1958- ...)

§ 1. De overtreding van de regeling inzake verlofregeling en aanwending van de schooltijd, bedoeld in artikel 12, kan aanleiding geven tot sancties.

De bedoelde sanctie kan voor het Gemeenschapsonderwijs en voor het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties. (107)

Artikel 109. (01/09/2002- ...)

Het niet-naleven van de bepalingen inzake vrijstelling van de keuze inzake levensbeschouwelijk onderricht, bedoeld in artikel 98, kan na aanmaning aanleiding geven tot sancties.

De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling zijn van het werkingsbudget van de betrokken school. De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtreding en voor de toepassing van de sanctie en waarborgt de rechten van verdediging. (108)

Artikel 109/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

Het niet naleven van de bepalingen over afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1 tot en met 123/24/5, kan aanleiding geven tot sancties.

De sanctie, vermeld in het eerste lid, is een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het besluit waarborgt het recht op verdediging.

TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN (... - ...)

HOOFDSTUK 1. Vrije keuze (... - ...)

Artikel 110. (01/09/1958- ...)

§ 1. Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in, over een school naar hun keuze op een redelijke afstand te beschikken.

§ 2. Onverminderd het recht van de Vlaamse Gemeenschap om scholen op te richten, is deze verplicht, ten einde de vrije keuze van de ouders te eerbiedigen :
1° op verzoek van ouders die op redelijke afstand geen officiële school vinden die begeleid wordt door een officieel centrum voor leerlingenbegeleidng en waarvan de oudervereniging aangesloten is bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs, hetzij in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school of afdeling tussen te komen; hetzij dergelijke officiële school in de financierings- of subsidieregeling op te nemen;
2° op verzoek van ouders die op een redelijke afstand geen vrije school vinden, een bestaande vrije school in de subsidieregeling op te nemen, hetzij het vervoer te verzekeren naar een dergelijke school of afdeling door middel van een dienst voor leerlingenvervoer. (109)

[HOOFDSTUK 1/1. Recht op inschrijving (ing. decr. 25 november 2011, art. V.3, I: 1 september 2012)] (... - ...)

[Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.4, I: 1 september 2012)] (... - ...)

Artikel 110/0. (01/09/2022- ...)

De bepalingen in hoofdstuk 1/1 en 1/2 zijn van toepassing voor de inschrijvingen in het gewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2022-2023.

De bepalingen in hoofdstuk 1/1 en 1/2 zijn van toepassing voor de inschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025.

Artikel 110/1. (01/09/2023- ...)

§1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van de vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aanwezige onderwijsaanbod.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.

§2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten :
1° op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs;
2° op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar in het secundair onderwijs dat niet onder toepassing valt van 1° en in de leertijd.

Een schoolbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.

§3. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9.

Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen.

Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.

§4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.

§6. Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor buitengewoon secundair onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in hetzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.

Elke inschrijving in de loop van het betrokken schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een school voor buitengewoon onderwijs, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde of een andere administratieve groep
 
voor datzelfde schooljaar in een andere school voor buitengewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve lesbijwoning, behalve in geval van gewettigde afwezigheid.

[Afdeling 2. Voorrangsregelingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.6., I: 1 september 2012)] (... - ...)

Artikel 110/2. (01/09/2014- ...)

§ 1. Elke inschrijvingsperiode begint met opeenvolgende voorrangsperiodes, waarbij: 1° in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs eerst voorrang wordt verleend aan de leerlingen, vermeld in artikel 110/3, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/4, dan in voorkomend geval aan de leerlingen vermeld in artikel 110/5, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/6 en tot slot aan de leerlingen vermeld in artikel 110/7.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen genomen worden.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen of apart starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Indien de betrokken scholen gelegen zijn in het werkingsgebied van een LOP, moet de voorrangsperiode voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/7, starten, overeenkomstig artikel 110/1, § 2. Indien de betrokken scholen gelegen zijn buiten het werkingsgebied van een LOP, kunnen de inschrijvingen van de leerlingen die niet gevat worden door een voorrangsperiode, al dan niet samen met de inschrijvingen van de leerlingen gevat door een voorrangsperiode, ook starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling wordt geweigerd omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, § 4.

In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/3 en artikel 110/4 samen genomen worden.

Met uitzondering van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/4, duurt elke voorrangsperiode minimaal twee weken. Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

In afwijking van het eerste lid, punt 1°, zijn scholen voor type 5 niet verplicht de voorrangsperiodes te hanteren.

§ 2. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden uit het werkingsgebied.

Voor scholen buiten een werkingsgebied van een LOP worden de voorrangsperiodes bepaald in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. De schoolbesturen maken de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.

Artikel 110/3. (01/09/2013- ...)

Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle leerlingen, in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, een recht op inschrijving in de betrokken school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4.

Artikel 110/4. (31/08/2012- ...)

Een schoolbestuur verleent, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, voor zijn scholen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs voorrang aan kinderen van personeelsleden van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid wordt bedoeld :
1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leer- lingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.

Artikel 110/5. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 110/3 en 110/4, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :
a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen;
5° ...

§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in artikel 110/9.

Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, als vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, als vermeld in artikel 110/7, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3, bereikt is.

Artikel 110/6. (01/09/2022- ...)

Een schoolbestuur met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP en waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, 110/4, en in voorkomend geval artikel 110/5, voorrang verlenen aan leerlingen bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs.

De voorrang, vermeld in het eerste lid, moet bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd na positief advies bij meerderheid van het LOP basisonderwijs of, indien er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.

De dubbele meerderheid te bereiken door het LOP secundair onderwijs is bereikt wanneer de goedkeuring, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten vermeld, in artikel VIII.4/1, § 1, 4° tot en met 11°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. De meerderheid van het LOP basisonderwijs is bereikt wanneer het positief advies, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VIII.4, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, en anderzijds meer dan de helft van alle participanten, vermeld in artikel VIII.4, § 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, of, in voorkomend geval, door meer dan de helft van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.

Artikel 110/7. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een schoolbestuur bepaalt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

Een schoolbestuur kan, voor een of meer van zijn scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten als vermeld in het eerste lid bepalen.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of in de betrokken gemeente buiten het werkingsgebied van een LOP.

De twee contingenten vormen samen 100 % en worden door een schoolbestuur bepaald op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.

De reeds ingeschreven leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

Leerlingen die in voorkomend geval zijn ingeschreven in toepassing van artikel 110/3, 110/4, 110/5 en 110/6 worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent, zolang het contingent niet bereikt is.

De inschrijving van leerlingen, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 110/5 die zich aandienen nadat het contingent waartoe zij behoren vol is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, als uitgesteld ingeschreven. Een uitgestelde inschrijving is niet gelijk aan een niet-gerealiseerde inschrijving.

Indien beide contingenten, nog voor de voorrangsperiodes afgesloten worden, vol zijn, wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld de inschrijving geweigerd en wordt de uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister gewijzigd in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden en alle volgende leerlingen, ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Indien, op het moment dat een voorrangsperiode afgesloten wordt, het andere contingent niet vol is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld, indien de ouders dit nog wensen en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chrono- logie. De leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden, worden geweigerd en de ouders ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Het LOP maakt, voor de start van de inschrijvingen, afspraken over :
1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de niveaus waarop een capaciteit is vastgelegd.
2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, waarop een capaciteit is vastgelegd;
3° de niveaus, waarop een capaciteit is vastgelegd, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;
4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;
5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is :
1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;
2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Als een schoolbestuur erom vraagt, stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten gegevens over het al of niet voldoen aan één of meer indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.

[Afdeling 3. Weigeren (ing. decr. 25 november 2011, art. V.13., I: 1 september 2012)] (... - ...)

Artikel 110/8. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende bij de effectieve start van de lesbijwoning aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.

Indien een beslissing van de toelatingsklassenraad vereist is, vindt de inschrijving plaats onder ontbindende voorwaarde en wordt de inschrijving ontbonden indien de toelatingsklassenraad beslist dat de onderwijszoekende niet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden in kwestie voldoet. De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat de leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na kennisgeving van de beslissing. De inschrijving wordt evenwel niet ontbonden wanneer het schoolbestuur geen gebruik wenst te maken van deze weigeringsgrond.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

Artikel 110/9. (01/09/2023- ...)

§ 1. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen met een eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs een capaciteit bepalen op volgend niveau:
a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, moet een school- of centrumbestuur voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
d) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 3. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de scholen met type 5, een capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
a) hetzij per school;
b) hetzij per vestigingsplaats;
c) hetzij per opleidingsvorm;
d) hetzij per type;
e) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats;
f) hetzij per pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 4. Een school- of centrumbestuur kan na de start van de inschrijvingen steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
a) goedkeuring door het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) mededeling aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 5. Een school- of centrumbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn vastgelegde capaciteiten mee.

Een school- of centrumbestuur bepaalt en communiceert daarenboven ten minste op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, indien van toepassing per contingent:
a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/3;
b) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/5;
c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/6;
d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/7.

§ 6. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
2° ...;
3° voor de toelating van leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1 of 2, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.
4° voor de toelating van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs, die beschikken over een verslag als bedoeld in artikel 294.

§ 6bis. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :
1° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 294 of 352, in een school voor gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;
2° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.

§ 7. Een school- of centrumbestuur, dat niet valt onder de toepassing van paragraaf 2, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
a) per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
c) per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
d) per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen vermeld in paragraaf 6, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.

Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 8. Een schoolbestuur kan ook na volzetverklaring, vermeld in paragraaf 7, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
2° ...;
3° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.

§ 8bis. Een schoolbestuur moet ook na volzetverklaring als vermeld in paragraaf 7, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.

§ 9. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit of volzetverklaring als vermeld in dit artikel.

Artikel 110/10. (01/09/2012- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 110/1, § 4.

§ 2. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.

Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen :
1° enkel voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : het aantal leerlingen dat voldoet aan de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3;
2° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
3° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.

Artikel 110/11. (01/09/2022- ...)

§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. Als de termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas nadat de inschrijving al is gerealiseerd kennisneemt van een verslag als vermeld in het eerste lid, start de voormelde termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden ofwel op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit, ofwel met het oog op een daaropvolgend schooljaar. Een school die beslist om te ontbinden met het oog op een daaropvolgend schooljaar beslist eveneens over de termijn waarop ze zullen ontbinden en deelt deze beslissing ook mee aan de betrokken personen.

§ 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.

§ 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.

§ 5. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving.

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd met het oog op de toegang tot of de inschrijving in het buitengewoon onderwijs, of met het oog op een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs of die overgaan van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

[Afdeling 4. Procedure (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 18, I: 1 september 2012)] (... - ...)

Artikel 110/12. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, of niveau waarop volzet verklaard wordt een inschrijvingsregister waarin het alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert, in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen inschrijvingsregister gehanteerd moet worden.

Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 110/5. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 110/5.

§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 4, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in voorkomend geval voor de leerlingen wiens inschrijving tijdens de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/2, § 1, niet gerealiseerd kon worden, per contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9, § 7, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 110/5, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 110/3 en 110/4.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 4. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Artikel 110/13. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing binnen een termijn van vier kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de ouders van de leerling en volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkingsgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving meedeelt aan de ouders en in voorkomend geval het LOP of het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Het model, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met één van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van artikel 110/9 of 110/24, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, § 1, de betrokken leerling staat. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 110/5, de betrokken leerling inneemt.

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

Artikel 110/14. (01/09/2016- ...)

§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een nietgerealiseerde inschrijving een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de niet-gerealiseerde inschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/11, schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 5. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/15. (01/01/2015- ...)

§ 1. In geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10, § 2,  start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van andere bepalingen dan deze van artikel 110/10 start het LOP een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening of afgifte, vermeld in artikel 110/13, § 1, tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 110/14, § 1, op.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigeringsbeslissing gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 3, tweede lid. De ouders kunnen bij het zoeken naar een andere school bijgestaan worden door het LOP, inzonderheid door de centra voor leerlingenbegeleiding die deel uitmaken van dat LOP.

§ 5. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 6. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/16. (01/01/2015- ...)

§ 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 110/15, § 5, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2;
1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijke- kansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.

Artikel 110/17. (01/09/2023- ...)

Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.

Artikel 110/18. (01/09/2012- ...)

Voor de toepassing van artikel 110/14 tot en met artikel 110/17 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

[HOOFDSTUK 1/2. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)] (... - ...)

[Afdeling 1. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 110/19. (01/09/2014- ...)

§ 1. Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde van keuze wordt aangegeven.

§ 2. De aanmeldingsperiode kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/3 tot en met artikel 110/7. In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 110/9, § 5. Met respect voor de bepaalde volgorde kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren. Indien de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode, overeenkomstig artikel 110/24, ingeschreven worden.

In afwijking van het tweede lid, kan een schoolbestuur voorafgaand aan de deelperiodes, vermeld in het eerste lid, leerlingen, vermeld in artikel 110/3, artikel 110/4 of, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, leerlingen vermeld in artikel 110/6, inschrijven zonder aanmeldingsperiode vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar onder de voorwaarde dat geen enkele van de betrokken leerlingen geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de capaciteit, vermeld in artikel 110/9.

Na de aanmeldingsperiode gebeuren de inschrijvingen, in afwijking van artikel 110/2, § 1, chronologisch.

Artikel 110/20. (31/08/2012- ...)

Een schoolbestuur kan in één van volgende situaties een aanmeldingsprocedure instellen :
1° voor het optimaliseren van het inschrijvingsproces;
2° voor het streven naar een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

Een schoolbestuur kan een aanmeldingsprocedure instellen voor één of meerdere niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert.

Artikel 110/21. (01/09/2022- ...)

§ 1. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, moet de aanmeldingsprocedure bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 1°, 2° en 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, en anderzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, 4° tot en met 11°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

§ 2. In gemeenten zonder LOP kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen actief in die gemeente, een aanmeldingsprocedure instellen.

In gemeenten buiten maar grenzend aan het werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur, mits akkoord van het betrokken LOP, aansluiten bij de door dat LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure als vermeld in paragraaf 1.

In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/22 en 110/23, onverminderd gelden.

§ 3. De Vlaamse Regering kan naar aanleiding van de situatie vermeld in artikel 110/20, 1°, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het instellen van een aanmeldingsprocedure voor hun scholen wanneer de vragen tot inschrijving van onderwijszoekenden de door de schoolbesturen, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, benaderen of overschrijden en er als dusdanig een capaciteitsprobleem dreigt of heerst waardoor het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk 1/1 van dit deel, niet meer kan worden gegarandeerd.

§ 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

[Afdeling 2. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 110/22. (01/09/2014- ...)

§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode of een deelperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het Vlaamse Gewest alle aangemelde leerlingen als volgt :
1° eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3;
2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
3° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
4° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1°, 2° of 3° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in.

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragrafen 1 en 2 en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

Artikel 110/23. (01/09/2014- ...)

§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, alle aangemelde leerlingen als volgt :
1° eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3;
2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
3° dan de kinderen van ouders die in overeenstemming met artikel 110/5 het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;
4° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
5° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt in een te ordenen groep, als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1. In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2, en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

[Afdeling 3. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 110/24. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen aanmeldingsregister gehanteerd moet worden.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 110/22 of 110/23, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders of de leerling bij de aanmelding opgaven.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria, en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad met inachtname van artikel 110/5, § 4, eerstvolgend gerangschikte leerlingen.

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/25, § 2, 9°, c).

De aangemelde leerling en zijn ouders krijgen binnen vier werkdagen na de aldus bekomen definitieve toewijzing schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in het vierde lid, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de ouders opgegeven ordeningscriteria die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, overeenkomstig § 1, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, vermeld in artikel 110/25, § 2, 10°, b), leidt tot een andere beslissing.

Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.

Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.

In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen.

§ 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 4. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijving, zoals bepaald in artikel 110/13, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe gemandateerde schoolbestuur.

§ 5. Overeenkomstig artikel 110/12 en artikel 110/25, § 2, 8°, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.

[Afdeling 4. ... (opgeh. decr. 17 mei 2019, art. III.2, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 110/25. (01/09/2022- ...)

§ 1. Uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.

§ 2. Het dossier daartoe bevat ten minste de volgende onderdelen :
1° de start en de duur van de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de motivering ervan, overeenkomstig artikel 110/19;
2° het middel of de middelen tot aanmelden;
3° de wijze waarop de capaciteit, het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, het aanmeldingsmiddel, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;
4° de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk te kunnen laten aanmelden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;
5° een regeling waarbij de aanmeldingen van leerlingen uit eenzelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3, aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien;
6° een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;
7° een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen, vermeld in artikel 110/24;
8° een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;
9° de verdere concretisering van de ordeningscriteria. Dit bestaat uit :
a) het hanteren van de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°, gemaakt door de ouders of de leerling bij de ordening en de toewijzing, vermeld in artikel 110/24;
b) het hanteren van toeval, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°;
c) het bepalen van de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria en de ordeningscriteria, in toepassing van de bepaling in artikel 110/24, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen;
d) het maken van afspraken rond het bepalen van de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, van de scholen en vestigingsplaatsen, met onder meer het bepalen van de geografische omschrijving waarbinnen de toetsing zal gebeuren en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten;
e) het bepalen van de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, te sturen;
f) de gemotiveerde afwijking, vermeld in artikel 110/22, § 1, derde lid, en artikel 110/23, § 1, derde lid;
10° beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten :
a) de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;
b) de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;
c) de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7;
d) de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;
11° de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle genomen beslissingen daarin gecommuniceerd wordt aan alle belanghebbenden.
12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van:
a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;
b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;
c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.

§ 3. De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures, vermeld in hoofdstuk 1/1 en 1/2, en de volgende uitgangspunten :
1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;
3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;
4° voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

§ 4. De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.

Artikel 110/26. (01/09/2022- ...)

§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over het voorstel van aanmeldingsprocedure kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op 31 januari van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende initiatieven nemen :
1° een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De CLR neemt over het aangepaste voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;
2° het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure.

In afwijking van het eerste lid, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op 31 januari 2022 de initiatieven nemen zoals bepaald in het eerste lid, 1° en 2°.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over het overeenkomstig paragraaf 1, 1° voorgelegde aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure of het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit, van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

§ 4. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/27. (01/09/2012- ...)

Bij een positief besluit van de CLR of de Vlaamse Regering in hoger beroep, blijft de aanmeldingsprocedure van kracht voor de inschrijvingen voor de schooljaren volgend op het schooljaar waarin het positief besluit werd genomen, totdat de aanmeldingsprocedure gewijzigd wordt tenzij de CLR of de Vlaamse Regering anders beslist, totdat :
1° de betrokken regelgeving gewijzigd wordt;
2° het betrokken schoolbestuur, groep schoolbesturen of het LOP de lopende aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

[HOOFDSTUK 1/3. Huisonderwijs (ing. decr.19 juli 2013, art. III.17, I: 1 september 2013)] (... - ...)

Artikel 110/28 (01/09/2013- ...)

Aan de leerplicht kan eveneens worden voldaan door het verstrekken van huisonderwijs.

Ouders die opteren voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan de volgende minimumeisen :
1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;
2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

Artikel 110/29. (01/09/2016- ...)

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Die informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :
1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;
2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;
3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;
4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;
5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;
6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;
7° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :
1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.

Artikel 110/30. (01/09/2019- ...)

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari.

Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij zestien jaar is geworden voor 1 januari, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

De regeling bedoeld in deze paragraaf wordt voor het eerst van toepassing op de leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :
1° indien een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor de examens, vermeld in paragraaf 1;
2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;
3° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :
a) Europese scholen;
b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

Artikel 110/31. (01/09/2018- ...)

§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.

§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.

§ 2/1. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld in artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.

De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.

Artikel 110/32. (01/09/2013- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs.

Artikel 110/33. (01/09/2013- ...)

De artikelen 110/28 tot en met 110/32 zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat wordt verstrekt in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan, het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

HOOFDSTUK 2. School- en centrumreglement (... - ...)

Artikel 111. (01/09/2023- ...)

§ 1. Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen, met uitzondering van de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, die verbonden zijn aan een ziekenhuis of aan een residentiële setting, een schoolreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.

Elk centrumbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, na advies van de centrumraad, een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd. Elk centrumbestuur maakt voor zijn centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd; dit reglement kan per vestigingsplaats verschillen.

Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.

§ 1bis. Het school- of centrumbestuur informeert de betrokken personen over het school- of centrumreglement voorafgaand aan de inschrijving van de leerling en bij elke wijziging. Daarbij moeten volgende principes in acht worden genomen :
1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het school- of centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;
2° bij elke wijziging van het school- of centrumreglement informeert het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en de betrokken personen geven dan schriftelijk of digitaal akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;
3° het school- of centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papierenversie van het school- of centrumreglement wensen te ontvangen;
4° een wijziging van het school- of centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 1ter. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het school- of centrumreglement geregeld worden.

§ 2. In aansluiting op de informatie die het school- of centrumbestuur via het school- of centrumreglement verstrekt en met het oog op de mogelijke studievoortgang brengt het bestuur de betrokken personen in voorkomend geval ervan op de hoogte dat de school of het centrum :
1° bij de bevoegde overheid een aanvraag tot hetzij erkenning hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning werd ingediend, of
2° van de bevoegde overheid een voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen of een financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen.

Het bestuur informeert de betrokken personen onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning over de beslissing van de bevoegde overheid over de erkenning, de financiering of de subsidiëring vanaf het daaropvolgende schooljaar.

 § 3. In aansluiting op de informatie die het schoolbestuur via het schoolreglement verstrekt, informeert het bestuur de leerlingen en de betrokken personen over de modernisering van het secundair onderwijs en over de effecten van de uitrol ervan vanaf 1 september 2019 op de structuur en organisatie van het onderwijsaanbod in de school in kwestie, met het oog op een optimale onderwijsloopbaan van de leerling.

Artikel 112. (01/09/2023- 31/08/2024)

In het school- of centrumreglement moeten, voor zover van toepassing, minimaal de volgende onderdelen worden opgenomen:
1° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot volgende leerlinggebonden materies:
a) toelatingen;
b) afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;
c) aan- en afwezigheden;
d) de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd;
2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;
3° de krachtlijnen inzake extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, werkplekleren en school- of centrumvervangende onderwijsprogramma's;
4° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties voor zover rechtstreekse impact op leerlingen;
5° het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;
6° de financiële bijdrageregeling voor de betrokken personen, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen voor vragen of opmerkingen dienaangaande;
7° de inspraakmogelijkheden voor de betrokken personen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen inzage kunnen uitoefenen in of een toelichting kunnen vragen bij of een kopie kunnen bekomen van de leerlingengegevens, waaronder de evaluatiegegevens;
9° de organisatie van de leerlingenevaluatie, meer bepaald:
a) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in de loop van het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren over:
1) de basisprincipes van het school- of centrumbeleid met betrekking tot leerlingenevaluatie, met inbegrip van, desgevallend, de leerstofonderdelen die via interactief afstandsonderwijs worden aangeboden, waaronder voor het secundair onderwijs de beslissing van de klassenraad wordt verstaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval;
1)/1 de wijze waarop de klassenraad, onverminderd de bepalingen van artikel 115/8, §2, tweede lid, 4°, bij de leerlingenevaluatie al dan niet rekening houdt met de resultaten van de Vlaamse toetsen;
2) de studievorderingen van de leerling;
3) de voor de leerling noodzakelijke remediëring;
4) de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen, waardoor de lessen worden geschorst, plaatsvinden;
5) de vorm waaronder examens en andere evaluatieopdrachten worden georganiseerd;
6) de, met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten, te beheersen materies;
7) de regeling als de leerling door overmacht of gewettigd verlet een examen of andere evaluatieopdracht niet kan volbrengen;
b) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen elke genomen beslissing van de klassenraad waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, schriftelijk motiveren; de vermelding dat, op vraag van de betrokken personen, binnen een aangeduide termijn een overleg zal plaatsvinden en de vermelding van de mogelijkheid tot beroep na desbetreffend overleg;
c) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing van de klassenraad waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van:
a) de tucht- of andere maatregelen die ten aanzien van de leerling kunnen worden genomen bij regelschending. Met betrekking tot tuchtmaatregelen moeten eveneens worden vermeld:
1) de regels inherent aan tuchtrechtspleging;
2) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
3) de opvangregeling;
4) de mogelijke school- of centrumuitschrijving;
b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;
c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;
11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;
12° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;
13° een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal;
14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien;
15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte te brengen van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag;
16° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en de concrete afspraken over de dienstverlening van de leerlingenbegeleiding;
17° de krachtlijnen inzake de visie en werking van de school of het centrum van deeltijds beroepssecundair onderwijs binnen het gevoerde beleid op leerlingenbegeleiding;
18° de vermelding dat de betrokken personen, in voorkomend geval, de school onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de medische toestand van de leerling die is ingeschreven in een opleiding waar voedingsmiddelen worden verwerkt, een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van de school de leerling hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen en naar een andere opleiding moet overstappen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de schooldirecteur en dat de schooldirecteur en de personeelsleden van de school die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens;
19° dat er leersteun kan geboden worden voor leerlingen met een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag en bij welk leersteuncentrum de school aangesloten is.

Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan de selectieve participatietoeslagen leerling en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.

Artikel 113. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 114. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 3. [Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging (verv. decr. 4 april 2014, art. V.6, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 115. (01/09/2022- ...)

§ 1. Voor het secundair onderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap bepaalt de Vlaamse Regering, tenzij bij decreet bepaald :
1° de toelatings- en overgangsvoorwaarden;
2° de bekrachtiging van de studie;
3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop;
4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad.

§ 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat.

Artikel 115/1. (01/09/2022- ...)

...

Artikel 115/2. (01/09/2022- ...)

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°. 

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :
1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald;
2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

Artikel 115/3. (01/09/2022- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomen, met de studiebewijzen vastgelegd in uitvoering van artikel 115, § 1, eerste lid, 2° en 3°. 

De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :
1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;
2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid met aanduiding van een structuuronderdeel bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.

Artikel 115/4. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 115/5. (01/09/2023- ...)

Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar in kwestie. In afwijking hiervan is dat uiterlijk 15 februari van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs dat eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de door het schoolbestuur omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld. Als die afwijkende beslissing door de betrokken personen omstreden is, kunnen ze beroep instellen, waarbij de bepalingen van artikel 123/15 tot en met 123/18 van toepassing zijn.

Artikel 115/6. (01/09/2023- ...)

§ 1. ...

§ 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering:
1° de organisatie van specifieke examens of andere evaluatieopdrachten opleggen;
2° de maximumduur bepalen van schorsing van lessen wegens examens, andere evaluatieopdrachten of evaluatiegebonden activiteiten;
3° bepalen onder welke voorwaarden een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn, kan worden uitgesteld;
4° het slagen voor een structuuronderdeel afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering. Onder externe certificering wordt verstaan: het toekennen aan leerlingen, voor zover ze geslaagd zijn voor bepaalde programmaonderdelen, van studiebewijzen die buiten de onderwijsregelgeving vallen en gerelateerd zijn aan beroepsuitoefeningvoorwaarden.

Bij een evaluatiebeslissing van de klassenraad geldt steeds een vermoeden van deskundigheid.

§ 3. De betrokken personen nemen het evaluatieresultaat in ontvangst op een in het school- of centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Het school- of centrumbestuur wijkt af van die datum voor individuele gevallen als de beslissing tot stand komt na uitstel of na beroep; in voorkomend geval stelt het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt het evaluatieresultaat geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum.

§ 4. Als het evaluatieresultaat inhoudt dat aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, dan is de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ertoe gehouden:
1° aan de betrokken personen een schriftelijke motivering te geven;
2° de betrokken personen schriftelijk te verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure doch enkel mits voorafgaandelijk overleg, vermeld in 3°, te hebben gepleegd;
3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag.

Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen.

§ 5. De school -en centrumbesturen kennen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe in uitvoering van de evaluatiebeslissingen van klassenraden of, in voorkomend geval, de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend.

Artikel 115/7. (01/09/2020- ...)

De scholen zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houder van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.

Personen die met toepassing van de wetgeving over de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de scholen waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.

Bij de aanvraag wordt het oorspronkelijk behaalde studiebewijs ingeleverd en worden stukken gevoegd die de naamswijziging aantonen.

[HOOFDSTUK 3/1. De Vlaamse toetsen (ing. decr. 28 april 2023, art. 11, I: 1 april 2023)] (... - ...)

Artikel 115/8. (01/04/2023- ...)

§1. In het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, nemen de volgende leerlingen deel aan de Vlaamse toetsen:
1° leerlingen in het tweede leerjaar van de eerste graad: vanaf het schooljaar 2023-2024;
2° leerlingen in het tweede leerjaar van de derde graad: vanaf het schooljaar 2026-2027.

In afwijking van het eerste lid zijn de leerlingen met een individueel aangepast curriculum vrijgesteld van deelname aan de Vlaamse toetsen, behalve wanneer de school of het centrum beslist om ze toch te laten deelnemen.

In afwijking van het eerste lid kan de klassenraad beslissen tot een gemotiveerde vrijstelling van deelname aan de Vlaamse toetsen van de leerlingen die zijn ingeschreven in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon onderwijs.

Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan beslissen haar leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 wel te laten deelnemen aan de Vlaamse toetsen. In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan een school of een centrum beslissen om anderstalige nieuwkomers te laten deelnemen aan de Vlaamse toetsen.

De Vlaamse toetsen worden ontwikkeld door het bevoegde steunpunt met betrokkenheid van de onderwijsverstrekkers en kunnen van zodra technisch mogelijk door deze onderwijsverstrekkers worden aangevuld met eigen items in functie van een eigen kwaliteitszorgsysteem. De Vlaamse overheid stelt de Vlaamse toetsen, met inbegrip van oefentoetsen, ter beschikking van de scholen en de centra die ze digitaal en op basis van instructies bij hun leerlingen afnemen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de praktische organisatie van de Vlaamse toetsen.

De Vlaamse toetsen omvatten een selectie van de eindtermen, vermeld in artikel 139, die van toepassing zijn in de A-stroom of de B-stroom van de eerste graad of in de finaliteit van de derde graad, naargelang van het geval.

De selectie van de eindtermen, vermeld in het zesde lid, wordt gemaakt uit minstens de volgende sleutelcompetenties: competenties in het Nederlands; wiskundige competenties uit de competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie, en leercompetenties. De Vlaamse Regering beslist over de uitbreiding van voormelde sleutelcompetenties.
 
De Vlaamse toetsen houden rekening met zowel de eindtermen als de gelijkwaardig verklaarde vervangende eindtermen.

§2. De Vlaamse toetsen hebben tot doel de onderwijskwaliteit te versterken en te monitoren door het bereiken van de eindtermen, vermeld in artikel 139, en de leerwinst te meten op onderstaande niveaus.

De resultaten van de Vlaamse toetsen worden op de volgende wijze gebruikt:
1° op Vlaams niveau als bron van informatie over de onderwijskwaliteit, meer bepaald de mate waarin de eindtermen bereikt worden, de mate waarin leerwinst gegenereerd wordt en als element van kwaliteitszorg op systeemniveau;
2° op niveau van de school of het centrum als element van interne en externe kwaliteitszorg:
a)  als een van de elementen in de interne kwaliteitszorg van de school of het centrum. De school of het centrum, en het school- of centrumbestuur zullen daartoe haar eigen feedbackrapport met gecontextualiseerde resultaten op een beveiligde manier kunnen consulteren;
b)  als een van de elementen in de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 15, §1, van het decreet van 8 mei 2009  betreffende de kwaliteit van onderwijs;
c)  als een van de elementen in de werking van de onderwijsinspectie, meer bepaald de doorlichtingen, vermeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs;
3° op niveau van de leerlingengroep als een van de elementen voor reflectie over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolteam;
4° op leerlingniveau als een van de mogelijke elementen waarmee de klassenraad rekening kan houden bij de evaluatie. De resultaten op leerlingniveau worden niet als enige criterium voor de evaluatie gebruikt.

§3. Leerlingen die recht hebben op redelijke aanpassingen of speciale onderwijsleermiddelen, gedurende het schooljaar waarin de Vlaamse toetsen worden afgenomen, hebben recht op behoud en gebruik van die aanpassingen en leermiddelen als ze die Vlaamse toetsen afleggen.
 

Artikel 115/9. (01/04/2023- 31/08/2024)

§1. Voor de toepassing van artikel 115/8 worden de volgende gegevens verwerkt door de scholen, de centra, de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt:
1°    de identificatiegegevens van de deelnemende leerlingen: naam, voornaam en identificatiecode van de leerling;
2°    de individuele toetsresultaten: het antwoord op elke toetsvraag en de daarop gebaseerde totaalscores van de leerling;
3°    de leerlingenkenmerken die nodig zijn voor een juiste interpretatie van de gegevens. Het gaat over de volgende leerlingenkenmerken:
a)    demografische gegevens: geboortejaar, geslacht;
b)    onderwijskansarmoede-indicatoren: opleidingsniveau van de moeder, thuistaal, schooltoelage, trekkende bevolking, leerling met een zorgthuis;
c)    schoolloopbaangegevens: voorafgaande schoolloopbaan, individueel aangepast curriculum, anderstalige nieuwkomer, vrijstelling, gemotiveerd verslag of verslag gemeenschappelijk curriculum, gebruik van hulpmiddelen, administratieve groep, leerlingengroep Nederlands, leerlingengroep wiskunde;
d)    indicatoren van cultureel kapitaal: aantal boeken thuis;
4°   de kenmerken van de school of het centrum waar de leerling is ingeschreven;
5° de leerlingenkenmerken die nodig zijn voor wetenschappelijk onderzoek waaronder de loggegevens over de toetsafname en de antwoorden op een leerlingenvragenlijst.

De scholen en centra ontvangen en verwerken die gegevens van de leerlingen die bij hen zijn ingeschreven. De bevoegde diensten van de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt ontvangen en verwerken de gegevens van de leerlingen, vermeld in het eerste lid.

De gegevens worden gedurende maximaal tien jaar bewaard op het dataplatform. De gegevens in de registratiemodule worden gedurende maximaal acht maanden bewaard. De gegevens in het toetsplatform worden gedurende maximaal zes maanden bewaard. De gegevens in de feedbackmodule worden gedurende maximaal twaalf maanden bewaard. Zolang doeleinden van wetenschappelijk onderzoek en statistiek daartoe nopen, worden de gegevens gepseudonimiseerd bewaard. De gepseudonimiseerde persoonsgegevens kunnen onder contractuele voorwaarden doorgegeven worden met het oog op wetenschappelijk onderzoek. Na afloop van de bewaartermijnen worden de persoonsgegevens vernietigd of geanonimiseerd.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor die verwerking en legt de leerlingenkenmerken die verwerkt worden vast.

§2. De Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt treden, ieder voor zijn of haar bevoegdheid, op als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Het bestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens overeenkomstig artikel 123/6, eerste lid, 5°.

De scholen, de centra, de Vlaamse overheid en het bevoegde steunpunt verwerken de persoonsgegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op hen rust en bepalen, ieder binnen zijn of haar bevoegdheidssfeer, op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden.

De verwerkingsverantwoordelijken verduidelijken in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Zij nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in hun communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van hun respectieve privacyverklaring. De verwerkingsverantwoordelijken nemen de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen.

De leerlingen of hun ouders hebben het recht op inzage in en kopie van het feedbackrapport met hun resultaten op de Vlaamse toetsen. De leerlingen of hun ouders hebben het recht op inzage in hun toets, op een manier die de vertrouwelijkheid van de toetsvragen garandeert.

Artikel 115/10. (01/04/2023- ...)

Het bevoegde steunpunt of de bevoegde diensten van de Vlaamse overheid bezorgen de resultaten op school- of centrumniveau jaarlijks aan de onderwijsinspectie, aan de betrokken pedagogische begeleidingsdienst en aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. De gegevens van de individuele leerlingen worden daarbij niet opgenomen.
 
In afwijking van de algemene regeling in het Bestuursdecreet van 7 december 2018 inzake openbaarheid, delen de leden van de onderwijsinspectie, de personeelsleden van de scholen en de centra, van de Vlaamse overheid, van het bevoegde steunpunt en van de pedagogische begeleidingsdiensten, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de school- en centrumbesturen, die de resultaten kennen van de Vlaamse toetsen, die resultaten niet mee aan derden.

In afwijking van het tweede lid mag een school of centrum de eigen school- of centrumresultaten wel bezorgen aan derden die de school of het centrum begeleiden. Deze begeleidende instantie mag op haar beurt de resultaten niet meedelen aan derden.

In afwijking van het tweede lid kan een school of centrum inzage in haar schoolfeedbackrapport geven aan ouders die bij hun aanvraag een bijzonder individueel belang aantonen. De inzage kan enkel gegeven worden voor de resultaten van de Vlaamse toetsen waar het kind van betrokken ouders zelf aan heeft deelgenomen. Het school- of centrumbestuur bepaalt hiertoe zelf de procedure en modaliteiten. De ouders mogen op hun beurt de resultaten niet meedelen aan derden. Indien ouders deze geheimhoudingsplicht schenden kunnen ze gesanctioneerd worden met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.

Leden van schoolraden en ouderraden mogen het schoolfeedbackrapport niet meedelen aan derden. Hierbij zijn ze gebonden aan de geheimhoudingsplicht.

De leden van de onderwijsinspectie, de personeelsleden van de scholen, van de Vlaamse overheid, van het bevoegde steunpunt en van de bevoegde begeleidingsdiensten, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen die de resultaten kennen van de Vlaamse toetsen, zijn wat die resultaten betreft gehouden tot het beroepsgeheim. Wie dit beroepsgeheim niet naleeft, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.
Het is verboden de resultaten van een school of centrum publiek te maken. De niet-naleving van het verbod op openbaarmaking door het school- of cen
trumbestuur is een inbreuk op het verbod op oneerlijke concurrentie in de zin van
artikel 7.

De resultaten die behaald zijn bij de Vlaamse toetsen geven geen aanleiding tot de rangschikking van scholen of centra.

Artikel 115/11. (01/04/2023- ...)

De Vlaamse Regering zal een evaluatie doorvoeren die minstens uit volgende onderdelen zal bestaan:
1° een procesevaluatie onmiddellijk na de testafname in 2023 in het tweede leerjaar van de eerste graad bij een representatieve steekproef van scholen;
2° onmiddellijk na de eerste toetsafname een procesevaluatie van de eerste toetsafname;
3° uiterlijk in 2029 een evaluatie van de mate waarin de Vlaamse toetsen de doelstellingen, vermeld in artikel 115/8, §2, hebben helpen bereiken en van de andere effecten die ze hebben teweeggebracht.

HOOFDSTUK 4. [Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen (verv. decr. 17 juni 2016, art. III.15, I: 1 september 2016)] (... - ...)

Artikel 116. (01/09/2023- ...)

Voor de toepassing van artikel 116 tot en met 120 en artikel 122/1, tweede lid wordt verstaan onder :
1° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :
a) de structuuronderdelen van het voltijds secundair onderwijs zonder basisvorming en het hoger beroepsonderwijs;
b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;
De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs.
2° ...;
3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115)

Artikel 117. (01/01/2020- 31/08/2024)

§ 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De Vlaamse Regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid en een langdurige afwezigheid.

Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid.

§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.

§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.

§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.

De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 117/1.

Artikel 117/1. (01/01/2020- ...)

§ 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.

SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.

§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
1° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken;
2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.

De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.

§ 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde.

§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.

§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.

§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 117, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 118.

Artikel 118. (01/09/2022- ...)

§ 1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.

§ 2. De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Deze school wordt aangeduid door de onderwijsinspectie. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.

Artikel 119. (01/09/2005- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. (118)

Artikel 120. (01/09/2005- ...)

Een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking, georganiseerd in het kader van het tijdelijk of permanent onderwijs aan huis, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school die de betrekking organiseert, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Voor deze reaffectatie of wedertewerkstelling is steeds de toestemming vereist van het terbeschikking gestelde personeelslid;
2° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. (119)

Artikel 121. (01/09/2016- ...)

Voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of leerlingen die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een schooljaar niet kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan.

Artikel 122. (01/09/2016- ...)

Voor leerlingen die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die waar mogelijk vervangen door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden.

Artikel 122/1. (01/09/2019- ...)

Leerlingen hebben recht op moederschapsverlof, naar rata van maximaal één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en maximaal negen weken na de effectieve bevalling. De schoolvakanties schorten dit verlof niet op. De uitoefening van dit recht doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatige leerling.

Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis. Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117/1, hebben desbetreffende leerlingen recht op SIO.

Artikel 122/1/0. (01/09/2023- ...)

§1. Voor elke leerling met een IAC-verslag wordt, zowel in het gewoon als in het buitengewoon onderwijs, een individueel aangepast curriculum opgemaakt door de klassenraad in afstemming met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, met de ouders, met in voorkomend geval de leerondersteuner en waar nodig de CLB-medewerker en andere externe ondersteuners.

§2. Het individueel aangepaste curriculum bevat de doelen die nagestreefd of gerealiseerd zullen worden, volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Het individueel aangepaste curriculum krijgt vorm op basis van een cyclisch proces van handelingsplanmatig werken.

De klassenraad vertrekt voor de selectie van de doelen van de doelen die door of krachtens decreet- of regelgeving van toepassing zijn op het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven. Daarnaast kunnen ook andere doelen worden geselecteerd. De realisatie van de doelen is gericht op de maximale ontplooiing van en leerwinst bij de leerling en met het oog op een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren en maatschappelijke participatie zoals andere leeftijdsgenoten. Voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs wordt actief gewerkt  aan de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs.

§3. In het individueel aangepaste curriculum opgenomen doelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.

§4. Het individueel aangepaste curriculum bepaalt hoe de doelen gerealiseerd zullen worden en hoe sociale, psychologische, orthopedagogische, medische of paramedische hulpverlening in het onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het netwerk en de ondersteunende partners die betrokken zijn naargelang de onderwijscontext waarin de leerling schoolloopt.
 
§5. Alle betrokkenen werken samen om een optimaal leer- en ontwikkelingstraject voor de leerling te garanderen. De school is verantwoordelijk voor de opvolging, evaluatie en bijsturing van het traject en coördineert de afstemming tussen alle betrokken partners.

§6. Een individueel handelingsplan of een individueel aangepast curriculum van een leerling met een IAC-verslag dat is opgemaakt voor 1 september 2023, wordt beschouwd als een individueel aangepast curriculum. Als er wijzigingen doorgevoerd moeten worden aan een dergelijk curriculum of handelingsplan, worden de wijzigingen doorgevoerd in een individueel aangepast curriculum conform pararaaf 1 tot en met 5.

Als een leerling met een IAC-verslag die nog beschikt over een individueel aangepast curriculum of een individueel handelingsplan dat is opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, maakt de school waar nu wordt ingeschreven een individueel aangepast curriculum op conform paragraaf 1 tot en met 5.

Artikel 122/1/1. (01/06/2023- ...)

§1. Voor elke leerling met een OV4-verslag moet, zowel in het gewoon als het buitengewoon onderwijs, het gemeenschappelijke curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling.

§2. De klassenraad geeft het gemeenschappelijke curriculum en de aanpassingen die nodig zijn om tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling, vorm. De klassenraad selecteert ook bijkomende doelen, naargelang de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerling. De vormgeving van het gemeenschappelijke curriculum, met inbegrip van de aanpassingen en de bijkomende doelen, gebeurt op basis van een cyclisch proes van handelingsplanmatig werken. De klassenraad stemt daarvoor af met de leerling tenzij dat niet mogelijk is, de ouders, waar nodig de CLB-medewerker en in voorkomend geval de leerondersteuner en andere externe ondersteuners. In samenspraak wordt bepaald hoe de doelen worden gerealiseerd en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische of paramedische hulpverlening in het onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het netwerk en de ondersteunende partners die betrokken zijn naargelang de onderwijscontext waarin de leerling schoolloopt.

De realisatie van de doelen is gericht op de maximale ontplooiing van en leerwinst bij de leerling en met het oog op een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren en maatschappelijke participatie zoals andere leeftijdsgenoten. Voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs wordt actief gewerkt aan de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs.

§3. Alle betrokkenen werken samen om een optimaal leer- en ontwikkelingstraject voor de leerling te garanderen. De school is verantwoordelijk voor de opvolging, evaluatie en bijsturing van het traject en de afstemming tussen alle betrokken partners.

§4. Een leerling met een OV4-verslag met een individueel handelingsplan dat dateert van voor 1 september 2023, kan dat individueel handelingsplan verder volgen. Als er wijzigingen doorgevoerd moeten worden aan een dergelijk handelingsplan, geeft de klassenraad het gemeenschappelijke curriculum voor de leerling vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3.
 
Als een leerling met een OV4-verslag die nog beschikt over een individueel handelingsplan dat is opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, geeft de klassenraad van de school waar de leerling nu wordt ingeschreven, het gemeenschappelijke curriculum vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3.

Een leerling met een OV4-verslag in het gewoon onderwijs waarvoor voor 1 september 2023 een individueel aangepast curriculum is opgemaakt, kan dat individueel aangepaste curriculum verder volgen. Als er wijzigingen zijn aan het traject van de leerling, moet overgestapt worden naar het gemeenschappelijke curriculum. De klassenraad geeft dat vorm conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3. Als de school en het CLB van oordeel zijn dat de leerling een individueel aangepast curriculum moet volgen, maakt het CLB een IAC-verslag op.

Als een leerling met een OV4-verslag die nog beschikt over een individueel aangepast curriculum dat werd opgemaakt voor 1 september 2023, van school verandert, moet overgestapt worden naar het gemeenschappelijke curriculum. De klassenraad van de school waar de leerling nu wordt ingeschreven, moet het gemeenschappelijke curriculum vormgeven conform de bepalingen van paragraaf 1 tot en met 3. Als de school en het CLB van oordeel zijn dat de leerling een individueel aangepast curriculum moet volgen, maakt het CLB een IAC-verslag op.

[HOOFDSTUK 4/1. Interactief afstandsonderwijs (ing. decr. 24 maart 2023, art. 5, I: 17 april 2023)] (... - ...)

Artikel 122/2. (01/09/2023- ...)

In het voltijds gewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de aanloopstructuuronderdelen, vermeld in artikel 357/39, en buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4 kan een school interactief afstandsonderwijs organiseren voor een leerlingengroep. 

In alle structuuronderdelen en onderwijsvormen van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het stelsel van leren en werken, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en aanloopstructuurnderdelen, vermeld in artikel 357/39, kan een school in uitzonderlijke gevallen en onder de voorwaarden zoals bepaald in deze codex, interactief afstandsonderwijs organiseren voor een individuele leerling.

Interactief afstandsonderwijs bestaat uit onderwijsactiviteiten die via digitale media plaatsonafhankelijk worden georganiseerd tijdens de schooltijd en waarbij er interactie is tussen de leerling en de leerkracht, synchroon of asynchroon. 

Interactief afstandsonderwijs wordt altijd georganiseerd in combinatie met contactonderwijs. De school bepaalt autonoom de verhouding tussen interactief afstandsonderwijs en contactonderwijs. 

Interactief afstandsonderwijs kan per structuuronderdeel op schooljaarbasis voor maximaal:
1° 20% in de eerste graad, het onthaaljaar en de observatiefase van opleidingsvorm 3;
2° 30% in de tweede graad en de opleidingsfase van opleidingsvorm 3;
3° 40% in de derde graad, de kwalificatiefase en de schoolcomponent van de integratiefase van opleidingsvorm 3.

In een duaal opgericht structuuronderdeel hebben de percentages, vermeld in het vijfde lid, betrekking op de schoolcomponent.

Voor de structuuronderdelen met in de benaming “topsport”, die vallen onder toepassing van het gesloten topsportconvenant, het structuuronderdeel Ballet en de de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, zijn de maxima niet van toepassing. 

De maxima zijn niet van toepassing op individueel interactief afstandsonderwijs voor een leerling.
 

Artikel 122/3. (17/04/2023- ...)

Een school kan alleen interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 122/2 organiseren als de school aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de school maakt een analyse van de beginsituatie, met minstens aandacht
voor de beschikbaarheid en kennis van de benodigde ICT-materialen en -competenties, voor de leerling en de leerkracht;
2° de school ontwikkelt voor zichzelf de visie op en de bijhorende doelen van het interactieve afstandsonderwijs;
3° de school waarborgt de participatiekansen van elke leerling. De leerling krijgt altijd de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in de school of het centrum te volgen. Ook de leraar krijgt altijd de mogelijkheid om in de school of het centrum les te geven.
 

Artikel 122/4. (17/04/2023- ...)

Een school die interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 122/2 organiseert, neemt dat op in zijn schoolreglement of centrumreglement, en vermeldt, met behoud van de toepassing van artikel 112, minstens al de volgende elementen:
1° de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in de school of het centrum te volgen;
2° de structuuronderdelen die in interactief afstandsonderwijs worden georganiseerd;
3° of het interactieve afstandsonderwijs in groep of individueel wordt aangeboden.
 

Artikel 122/5. (17/04/2023- ...)

Als een school interactief afstandsonderwijs organiseert als vermeld in artikel 122/2 wordt de wijze waarop personeelsleden worden ingezet, vastgelegd in het arbeidsreglement.

Artikel 122/6. (17/04/2023- ...)

Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4, in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd.

De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van deze evaluatie bepalen en heeft bij die evaluatie minstens aandacht voor de gelijke onderwijskansen van alle leerlingen.

HOOFDSTUK 5. [Leerplicht (verv. decr. 25 april 2014, art. III.27, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123. (01/09/2014- ...)

Leerplicht draagt bij tot de opvoeding van de jongere en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep. Het begin en het einde van de leerplicht zijn bepaald in artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. De leerplicht is voltijds hetzij tot de leeftijd van vijftien jaar is bereikt, op voorwaarde dat ten minste de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs zijn beëindigd, hetzij tot de leeftijd van zestien jaar is bereikt. De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen.

Artikel 123/1. (01/09/2016- ...)

...

Artikel 123/2. (01/09/2018- ...)

Een jongere kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in kwestie op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. Deeltijds beroepssecundair onderwijs of leertijd kan alleen worden gevolgd in combinatie met werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uur per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijdse engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt de activiteitsvormen.

Artikel 123/3. (01/09/2014- ...)

§ 1. Behalve in geval van huisonderwijs of indien de jongere valt onder toepassing van artikel 123/5, zijn de betrokken personen verplicht ervoor te zorgen dat de jongere voor de duur van de leerplicht in een school of centrum is ingeschreven, die school of dat centrum geregeld bezoekt en, in voorkomend geval, aan de voorwaarde van werkplekleren voldoet. Zowel voor leerplichtige als voor niet-leerplichtige jongeren, regelt de Vlaamse Regering de controle op de inschrijvingen, op het geregeld schoolbezoek en op het werkplekleren, en bepaalt ze de redenen van afwezigheid die als geldig aanvaard kunnen worden.

§ 2. De school- en centrumdirecties zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan die controle. Het niet-naleven van deze verplichting kan, voor elementen waarbij de school- of centrumdirectie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties. De sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties en waarborgt het recht op verdediging.

Artikel 123/4. (01/09/2014- ...)

Inbreuken door de betrokken personen op de leerplichtbepalingen worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.

Artikel 123/5. (01/09/2014- ...)

Indien de jongere in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de betrokken personen, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.

[HOOFDSTUK 6. Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens (ing. decr. 4 april 2014, art. V.11, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/6. (01/09/2023- ...)

Bij verandering van onderwijsinstelling door een leerling worden tussen de betrokken onderwijsinstellingen leerlingengegevens overgedragen onder de volgende gezamenlijke voorwaarden:
1° de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan, meer bepaald de essentiële gegevens die de studieresultaten en de studievoortgang van de leerling bevorderen, monitoren, evalueren en attesteren;
2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;
3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;
4° de vorige school van inschrijving brengt de school waar nu wordt ingeschreven op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. Het CLB dat verbonden is aan de vorige school van inschrijving brengt het CLB dat verbonden is met de school waar nu wordt ingeschreven, op de hoogte van het bestaan en de inhoud van een IAC-verslag, OV4-verslag of GC-verslag. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;
5° het schoolbestuur van de onderwijsinstelling of de gemandateerde is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens voor de looptijd dat deze bewaard dienen te worden;
6° het centrumbestuur van het CLB dat het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het IAC-verslag, het OV4-verslag of het GC-verslag.

De Vlaamse Regering kan de regels bepalen omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking.

Artikel 123/7. (01/09/2018- ...)

De betrokken leerling en de betrokken personen hebben een recht op inzage in en toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, naar gelang van het geval.

Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken leerling of de betrokken personen een kopie willen van de leerlingengegevens hebben ze kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt, in de gevallen waarin volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van derden, inzage in de gegevens verleend in de vorm van een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.

Artikel 123/7/1. (01/09/2023- ...)

Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van de volgende informatie:
1° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
2° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning;
3° de administratieve groep waarvoor de leerling is ingeschreven.

Om de leerlingen uniek te kunnen identificeren bij de registratie van de inschrijving in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, registreert een school de volgende gegevens van de leerling als die beschikbaar zijn:
1° de identificatiegegevens;
2° de nationaliteit;
3° het identificatienummer of rijksregisternummer.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid.

De maximale bewaartermijnen voor gegevens als vermeld in het eerste en tweede lid die worden bewaard conform artikel 5, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, §2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Bij het bepalen van die bewaartermijnen wordt rekening gehouden met het kunnen garanderen van een vlot schooltraject.

Om een leerling te kunnen identificeren, kan een schoolbestuur de identiteitsfoto van een leerling op een identiteitskaart verzamelen. Een school kan die mogelijkheid toepassen na toestemming van de betrokken personen. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke. De foto wordt bewaard gedurende de periode dat de leerling schoolloopt op de school of ingeschreven is in de school. De identiteitsfoto kan alleen worden geraadpleegd door personeelsleden of stagiairs bij de uit- voering van de schoolopdracht van het personeelslid of de stagiair. De verzamelde foto’s mogen niet worden gebruikt voor automatische gelaatsherkenning.

[HOOFDSTUK 7. Maatregelen bij schending van leefregels (ing. decr. 4 april 2014, art. V.14, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/8. (01/09/2014- ...)

Tuchtmaatregelen worden genomen als de handelingen van de leerling de leefregels van de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- of vormingsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de school- of centrumpopulatie of van personen waarmee de leerling in het kader van de component werkplekleren of in het kader van een leerlingenstage in contact komt.

Bij schending van de leefregels die echter niet van aard is om tuchtmaatregelen te nemen, kunnen andere maatregelen worden genomen die de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Die maatregelen doen geen afbreuk aan opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en kunnen niet raken aan het recht op de studiebekrachtiging. Ze kunnen onder meer, wel inhouden dat voor maximum één lesdag, desgevallend herhaald doch niet aansluitend, het bijwonen van de gebruikelijke lessen of gelijkgestelde activiteiten door andere activiteiten wordt vervangen.

Bij het nemen van een maatregel ten aanzien van een leerling die de leefregels heeft geschonden, zal voor de onderwijsinrichter steeds het beginsel voorop staan dat een minder ingrijpende maatregel voorgaat op een meer ingrijpende maatregel indien daardoor redelijkerwijs verondersteld mag worden dezelfde remediërende of corrigerende effecten bij de leerling te bereiken.

Artikel 123/9. (01/09/2014- ...)

Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:
1° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
2° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;
3° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;
4° voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt, wordt elke beslissing aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
5° er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat;
6° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;
7° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;
8° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.

Artikel 123/10. (01/09/2022- ...)

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in het secundair onderwijs zijn:
1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. De directeur van de school kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent.

§ 4. Als de school samenwerkt met een andere school voor verstrekking van een deel van de vorming en de schending van leefregels, waaraan de leerling ingevolge zijn schoolreglement is onderworpen, zich in die andere school heeft voorgedaan, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met de andere school, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op die andere school.

Als aan de school een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, en vice versa.

§ 5. Bij elke preventieve schorsing of tuchtmaatregel die ingaat vóór de laatste les- of gelijkgestelde dag van het schooljaar, geeft de school of het centrum aan of de leerling al dan niet aanwezig moet zijn op school. Indien de school aangeeft dat de aanwezigheid niet verplicht is, kunnen de betrokken personen een gemotiveerde vraag stellen tot opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Als op die vraag wordt ingegaan, dan maakt de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs afspraken met de betrokken personen en de leerling over de opvangvoorwaarden. Weigering van opvang moet door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs schriftelijk worden gemotiveerd aan de betrokken personen.

§ 6. Als de tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting behelst, dan gaat die in hetzij onmiddellijk, hetzij op 31 augustus van het lopende schooljaar dan wel, voor een opleiding die dan eindigt, op 31 januari van het lopende schooljaar. Een definitieve uitsluiting ingaand op die uiterlijke datum impliceert uitschrijving.

Als de definitieve uitsluiting ingaat vóór de datum, vermeld in het eerste lid, dan blijft de leerling ingeschreven tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Terwijl de inschrijving doorloopt, heeft de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling wordt uitgesloten de verantwoordelijkheid om, samen met het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Die zoekinspanningen zullen rekening houden met het criterium afstand ten opzichte van de verblijfplaats van de leerling en zullen zich, in eerste instantie, richten op hetzelfde onderwijsnet en dezelfde opleiding als die waaruit de leerling komt.

In afwijking van het tweede lid, kan de school waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
1° vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan.

In afwijking van het tweede lid, kan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
1° vanaf de tiende kalenderdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in te gaan.

Artikel 123/11. (01/09/2018- ...)

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zijn:
1° de tijdelijke uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
2° de definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum; Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
3° ....

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Het centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 3. In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen ligt de bevoegdheid tot:
1° preventieve schorsing: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;
2° tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;

[HOOFDSTUK 8. Beroepsmogelijkheden (ing. decr. 4 april 2014, art. V.19, I: 1 september 2014)] (... - ...)

[Afdeling 1. Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V.20, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/12. (01/09/2014- ...)

§ 1. Tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting die door de betrokken personen wordt betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 2. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.

§ 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht binnen de termijn bepaald in het school- of centrumreglement.

Bij overschrijding van deze termijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

Artikel 123/13. (01/09/2021- ...)

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen wordt een beroepscommissie ingesteld door het centrumbestuur.

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het school- of centrumbestuur of van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.
In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
a) wordt onder lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;
6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het centrumbestuur of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen;
3° de voorzitter wordt door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen aangeduid.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad dat een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

§ 4. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting niet op, onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde, onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde.

[Afdeling 2. Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd (ing. decr. 4 april 2014, art. V.23, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/14. (01/07/2016- ...)

...

[Afdeling 3. Beroep tegen een evaluatiebeslissing (ing. decr. 4 april 2014, art. V.25, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/15. (01/09/2018- ...)

§ 1. Tegen eindbeslissingen inzake leerlingenevaluatie die door de betrokken personen worden betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

In het secundair onderwijs hebben de betrokken personen slechts verhaalmogelijkheid na een overleg als vermeld in artikel 115/6, § 4.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen nemen de betrokken personen een evaluatiebeslissing in ontvangst op een in het centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Slechts na een overleg met de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum of zijn afgevaardigde op vraag van de betrokken personen en binnen een redelijke termijn na ontvangst van een beslissing, hebben die betrokken personen verhaalmogelijkheid tegen de beslissing. Die termijn wordt in het centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Na het overleg wordt het oorspronkelijk evaluatieresultaat bevestigd of door een ander evaluatieresultaat vervangen.

§ 2. De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.

§ 4. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht hetzij uiterlijk op 15 september, hetzij - doch uitsluitend voor een opleiding die op 31 januari eindigt - uiterlijk op 15 maart daaropvolgend.

Artikel 123/16. (01/07/2016- ...)

...

Artikel 123/17. (01/09/2021- ...)

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In de leertijd wordt een beroepscommissie ingesteld door het centrumbestuur.

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.
In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
a) wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder "stappen" kan onder meer worden verstaan:
a) het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
b) het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
c) het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling;
5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;
6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In de leertijd bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen en eventueel een lid van het centrumbestuur in kwestie; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en aan het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
3° de voorzitter wordt door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen aangeduid.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen;
5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

Artikel 123/18. (01/09/2014- ...)

Zolang een beroepsprocedure als vermeld in deze afdeling lopende is, heeft de leerling het recht om in de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar of waarvoor de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, verder onderwijs te volgen alsof er geen nadelige beslissing was genomen.

[Afdeling 4. Beroep tegen andere beslissingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V. 30, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 123/19. (01/09/2018- ...)

 Een school- of centrumbestuur is bevoegd om eventuele beroepsmogelijkheden te voorzien ten aanzien van door de betrokken personen betwiste beslissingen andere dan beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie.

[HOOFDSTUK 9. Leerlingenstages (ing. decr. 19 juni 2015, art. III.6, I: 1 september 2015)] (... - ...)

Artikel 123/20. (01/09/2015- ...)

Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school.

Elke leerlingenstage is onbezoldigd.

Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid van het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.

De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.

[HOOFDSTUK 10. Leerlingenbegeleiding (ing. decr. 27 april 2018, art. 114, I: 1 september 2018)] (... - ...)

Artikel 123/21. (01/09/2018- 31/08/2024)

Kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding bevordert de totale ontwikkeling van alle leerlingen, verhoogt hun welbevinden, voorkomt vroegtijdig schoolverlaten en creëert meer gelijke onderwijskansen. Op die manier draagt het bij tot het functioneren van de leerling in de schoolse én maatschappelijke context.

Het begeleidingsdomein onderwijsloopbaan heeft tot doel de leerling te ondersteunen om voldoende zelfkennis te ontwikkelen, om inzicht te verwerven in de structuur van en de mogelijkheden binnen het onderwijs, de opleiding en de arbeidsmarkt, en om adequate keuzes te leren maken op school en daarbuiten.

Het begeleidingsdomein leren en studeren heeft tot doel het leren van de leerling te optimaliseren en het leerproces te bevorderen door leer- en studeervaardigheden te ondersteunen en te ontwikkelen.

Het begeleidingsdomein psychisch en sociaal functioneren heeft tot doel het welbevinden van de leerling te bewaken, te beschermen en te bevorderen waardoor de leerling op een spontane en vitale manier tot leren kan komen en zich kan ontwikkelen tot een veerkrachtige volwassene.

Het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg heeft tot doel de gezondheid, groei en ontwikkeling van leerlingen te bevorderen en te beschermen, het groei- en ontwikkelingsproces op te volgen en tijdig risicofactoren, signalen, symptomen van gezondheids- en ontwikkelproblemen te detecteren.

Voor het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg omvat dat voor de school minimaal het actief meewerken aan:
1° de organisatie van de systematische contactmomenten door het centrum voor leerlingenbegeleiding. De regering bepaalt de frequentie en de inhoud van de systematische contacten;
2° de organisatie van de vaccinaties door het centrum voor leerlingenbegeleiding om het ontstaan en de verspreiding van sommige besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering legt het vaccinatieschema vast;
3° de uitvoering van de profylactische maatregelen die het centrum voor leerlingenbegeleiding neemt om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering bepaalt hiervoor de nadere regels.

Artikel 123/22. (01/09/2023- 31/08/2024)

De school ontwikkelt een beleid op leerlingenbegeleiding dat is afgestemd op het pedagogisch project, de noden van de leerlingenpopulatie en de context waarin de school zich bevindt. Het beleid op leerlingenbegeleiding omvat de begeleiding van de leerlingen, het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel en de coördinatie van alle leerlingbegeleidingsinitiatieven op niveau van de school. De school implementeert, evalueert en stuurt, zo nodig, dat beleid bij. Ter versterking van dat beleid voert de school een professionaliseringbeleid. De school wijst binnen haar personeelskader een of meer personeelsleden aan die geheel of gedeeltelijk met leerlingenbegeleiding worden belast.

Bij de opmaak en evaluatie van het beleid op leerlingenbegeleiding betrekt de school relevante partners. Voor bijkomende inhoudelijke expertise doet de school een beroep op het centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst, eventueel in samenwerking met een externe dienst. Voor expertise met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften betrekt de school het leersteuncentrum.

Een beleid op leerlingenbegeleiding beantwoordt aan de volgende principes:
1° het belang van elke leerling staat centraal;
2° het komt participatief tot stand en is gedragen door het hele schoolteam;
3° het is doelgericht, systematisch, planmatig en transparant;
4° het wordt discreet uitgevoerd;
5° er wordt verduidelijkt wie welke taak opneemt in de leerlingenbegeleiding.

Artikel 123/23. (01/09/2023- ...)

Bij de leerlingenbegeleiding heeft de school een basisaanbod voor alle leerlingen en biedt zorg voor leerlingen voor wie dit niet volstaat.

In de fase van de verhoogde zorg betrekt de school het centrum voor leerlingenbegeleiding bij vragen of bij een stagnerende of negatieve evolutie. Dat kan aanleiding geven tot de inzet van consultatieve leerlingenbegeleiding of de start van de fase van uitbreiding van zorg.

Het centrum voor leerlingenbegeleiding adviseert de school om de pedagogische begeleidingsdienst te betrekken wanneer ze inschat dat de school structurele versterking nodig heeft in de fase van de brede basiszorg en de fase van de verhoogde zorg.

Elke school organiseert op structurele basis overleg met haar centrum voor leerlingenbegeleiding en haar pedagogische begeleidingsdienst om gezamenlijk begeleidings- en professionaliseringsnoden te bepalen op het vlak van het beleid op leerlingenbegeleiding. In overleg wordt bepaald wie welke rol opneemt om de school te versterken. De school kan hierbij andere partners zoals het leersteuncentrum betrekken.

In de fase uitbreiding van zorg wisselen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding met elkaar de beschikbare relevante informatie uit om de afspraken over de bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise te realiseren.

De Vlaamse Regering kan met betrekking tot deze opdrachten nadere bepalingen vastleggen.

Artikel 123/24. (01/09/2018- ...)

§ 1. De school en het centrum maken afspraken over de schoolspecifieke samenwerking en leggen die vast. De school neemt daarvoor het initiatief. De Vlaamse Regering bepaalt welke samenwerkingsafspraken een school en een centrum minstens vastleggen.

Het centrum deelt relevante informatie over de leerlingen in begeleiding met de school. De school deelt relevante informatie die in de school aanwezig is over de leerlingen met het centrum. Bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie gelden de regels inzake het ambts- en beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 2. De samenwerking tussen een school en een centrum voor leerlingenbegeleiding loopt voor onbepaalde duur en start in het begin van het schooljaar. Op basis van een evaluatie van de samenwerking kunnen de samenwerkingsafspraken in onderling overleg worden bijgestuurd.

De samenwerking tussen een school en een centrum kan door de school of het centrum worden stopgezet. Bij stopzetting van de samenwerking deelt de school of het centrum tegen uiterlijk 31 december, aan respectievelijk het centrum of de school mee dat de samenwerking wordt beëindigd. De samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Bij stopzetting van de samenwerking op initiatief van het centrum zal het de dienstverlening blijven verlenen tot de school een samenwerking met een ander centrum heeft vastgelegd. De dienstverlening blijft daarbij gegarandeerd tot het einde van hetzelfde schooljaar en maximaal voor de periode van het daarop volgende volledige schooljaar.

§ 3. Uiterlijk op 31 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop een gewijzigde samenwerking ingaat, deelt de school aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering mee met welk centrum voor leerlingenbegeleiding ze zal samenwerken.

§ 4. Als een school en een centrum niet tot afspraken over een samenwerking komen, meldt de school dat aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de bemiddeling en de samenstelling van de bemiddelingscommissie.

HOOFDSTUK 11. Principieel verbod op afzondering en fixatie (01/09/2024 - ...)

Dit hoofdstuk is nog niet in werking. Hierboven vindt u het eerste "toekomstige hoofdstuk"

Artikel 123/24/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

§1. Het gebruik van afzondering en fixatie door de school is verboden, behalve onder de in artikel 123/24/2 en 123/24/3 omschreven voorwaarden.

Afzondering of fixatie als sanctie, straf of collectieve maatregel zijn te allen tijde verboden.

§2. Als een school inschat dat er een reële kans bestaat dat een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen moet worden of als de school reeds eerder een maatregel inzake afzondering of fixatie heeft moeten nemen, ontwikkelt de school binnen haar beleid op leerlingenbegeleiding een procedure ter bescherming van de betrokken leerling of de groep van de betrokken leerlingen. Daarbij ligt de focus op de preventie van afzondering en/of fixatie en voor de afbouw ervan. Deze procedure omvat minstens:
1°    de preventieve interventies en alternatieven om afzondering en fixatie te vermijden;
2°    de wijze waarop de ouders zullen worden gecontacteerd als een maatregel inzake afzondering of fixatie genomen wordt;
3°    algemene afspraken met betrekking tot de nabespreking.

De school betrekt de leerlingen, het personeel en hun ouders om het beleid, vermeld in het eerste lid, te ontwikkelen.

§3. Binnen het beleid voor de preventie van afzondering en fixatie en voor de afbouw ervan wordt bepaald welke preventieve interventies en alternatieven kunnen worden ingezet om in de toekomst afzondering en fixatie te vermijden.

Artikel 123/24/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen is enkel mogelijk onder de volgende voorwaarden:
1°    de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
2°    de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
3°    de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt enkel op maat van en zo veel mogelijk in afstemming met de leerling en de situatie;
4°    tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5°    het gelijktijdig toepassen van afzondering en fixatie wordt vermeden;
6°    het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
7°    bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.
 
Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering of fixatie. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in artikel 123/24/3, eerste lid, 1°, wordt besproken.

Artikel 123/24/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

Afzondering of fixatie om de veiligheid te behouden bij potentieel gevaar, ter preventie van acuut en ernstig gevaar voor de leerling of anderen of afzondering of fixatie ter bevordering van ontwikkelings- of ontplooiingskansen van de leerling is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling en, als de leerling minderjarig is, zijn ouders, stemmen in, of wanneer de leerling niet tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, stemmen alleen de ouders in met deze vorm van afzondering of fixatie. Deze instemming gebeurt schriftelijk, in beginsel voorafgaandelijk en is te allen tijde herroepbaar. De ouders of de leerling kunnen hierbij het CLB betrekken;
2°   afzondering of fixatie wordt toegepast op maat van de leerling;
3°    de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel na uitputting van alle andere mogelijke opties;
4°    tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven;
5° het personeel van de school heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de leerling met de focus op het welbevinden van de leerling;
6° bij afzondering wordt gebruikgemaakt van een afzonderingskamer.

Ouders worden zo snel mogelijk op de hoogte gebracht van de afzondering en fixatie, vermeld in het eerste lid. Na elke afzondering of fixatie volgt een nabespreking met de leerling en met de ouders. Tijdens de nabespreking worden minstens afspraken gemaakt over hoe een toekomstige vergelijkbare situatie wordt aangepakt. Ook de herroepbare instemming, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt besproken.
 

Artikel 123/24/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

De afzonderingskamer, vermeld in artikel 123/24/2 en 123/24/3, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1°    de afzonderingskamer biedt een veilige en rustgevende omgeving;
2°    er is fysieke nabijheid op maat van de leerling mogelijk;
3°    alleen bevoegd personeel kan de afzonderingskamer inkijken en betreden;
4°    de afzonderingskamer bevat oriëntatiemogelijkheden, lichtinval en een tijdsindicatie die aangepast is aan de noden van de leerling;
5°    de leerling kan rechtstreeks contact nemen met een personeelslid van de school, waarbij ook in de mogelijkheid wordt voorzien dat de leerling met het personeelslid kan communiceren.

De school bepaalt, als onderdeel van haar beleid op afzondering en fixatie, vermeld in artikel 123/24/1, wie het bevoegde personeel, vermeld in het eerste lid, 3°, is.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de afzonderingskamer, vermeld in het eerste lid, verder verfijnen.

Artikel 123/24/5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

§1. Vanaf de eerste keer dat de school een maatregel inzake afzondering of fixatie als vermeld in artikel 123/24/2 of 123/24/3 heeft moeten nemen bij een leerling, registreert de school de volgende informatie over de bedoelde fixatie of afzondering:
a)    het type maatregel;
b)    de omstandigheden, de aanleiding of reden en uitgeprobeerde alternatieven;
c)    het verloop van de maatregel;
d)    het tijdstip van begin en einde;
e)    de tijdstippen van en observaties tijdens het toezicht;
f)    of er verwondingen bij de leerling of bij derden zijn;
g)    de eventuele opmerkingen van de leerling en de ouders met betrekking tot het verloop van de maatregel;
h)    de nabespreking.

§2. De persoonsgegevens, die zijn opgenomen in de registratie, vermeld in paragraaf 1, worden verwerkt omdat de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de leerling te beschermen en om een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, d) en e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

Het geheel van registraties, vermeld in paragraaf 1, wordt bijgehouden en bewaard met het oog op het bereiken van de volgende doelstellingen:
1° op leerlingenniveau: het vrijwaren van de rechten van de leerling;
2° op schoolniveau: als element van interne kwaliteitszorg, namelijk in functie van het beleid, vermeld in artikel 123/21, 123/22 en 123/24/1, en om de kwaliteit van zorg voor de leerling te verhogen.

§3. Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1.

Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1. Bij het bepalen welke personeelsleden toegang hebben tot de persoonsgegevens neemt het schoolbestuur steeds de doelstellingen, vermeld in paragraaf 2, in acht. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.

§4. De geregistreerde gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden tien schooljaren na het einde van het schooljaar waarin de leerling ingeschreven was, bewaard. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd.

§5. De scholen of centra kunnen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, enkel onderling uitwisselen in het kader van intervisie met als doelstelling het verminderen van het gebruik van afzondering of fixatie en de interne kwaliteitszorg. Bij elke uitwisseling wordt bekeken welke gegevens hiervoor nodig zijn in overeenstemming met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

DEEL IV. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS (... - ...)

TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN (... - ...)

[HOOFDSTUK 1. Structuur en organisatie van het secundair onderwijs (verv. decr. 14 juli 2023, art. 15, I: 1 september 2023)] (... - ...)

[Afdeling 1. Structuur en organisatie op macroniveau - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 6, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 123/25. (01/09/2023- ...)

De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019.

Artikel 124. (01/09/2023- ...)

Het voltijds secundair onderwijs bestaat uit:
1° ...;
2° ...;
3° de derde graad, opgebouwd uit:
a)    een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
b)    een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
c)    uitsluitend in het algemeen en het kunstsecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs, waarin opties worden onderscheiden;
d)    uitsluitend in het technisch en het kunstsecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar, waarin opties worden onderscheiden;
e)    uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs: een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, waarin opties worden onderscheiden, en een derde leerjaar, dat wordt aangeduid als 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs;
4° ...

Vanaf het schooljaar 2009-2010 wordt de opleiding verpleegkunde aangeduid als hoger beroepsonderwijs, behorend tot het niveau hoger onderwijs. Ze kan evenwel uitsluitend worden ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs.

Artikel 125. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 126. (01/09/2023- ...)

Het aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden.

De studiegebieden zijn :
1) algemeen secundair onderwijs;
2) sport;
3) auto;
4) bouw;
5) chemie;
6) decoratieve technieken;
7) fotografie;
8) glastechnieken;
9) grafische communicatie en media;
10) handel;
11) hout;
12) juwelen;
13) koeling en warmte;
14) land- en tuinbouw;
15) lichaamsverzorging;
16) maatschappelijke veiligheid;
17) maritieme opleidingen;
18) mechanica-elektriciteit;
19) mode;
20) muziekinstrumentenbouw;
21) optiek;
22) orthopedische technieken;
23) personenzorg;
24) tandtechnieken;
25) textiel;
26) toerisme;
27) voeding;
28) ballet;
29) beeldende kunsten;
30) podiumkunsten.

De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de derde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)

Artikel 127. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 127/1. (30/11/2017- ...)

Structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die organiek in het studieaanbod worden opgenomen, zijn structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die op 1 september 2018 in het studieaanbod worden opgenomen:
1° artikel 15 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur met betrekking tot de procedure voor erkenning van onderwijskwalificaties;
2° artikel 129, § 1, van deze codex met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure voor voorstellen van nieuwe structuuronderdelen;
3° de uitvoeringsbepalingen van punt 1° en 2°.

Artikel 128. (01/09/2023- ...)

De Vlaamse Regering kan beslissen om bestaande structuuronderdelen om te zetten. De omzetting houdt in dat het structuuronderdeel hetzij wordt opgeheven, hetzij wordt gewijzigd op één of meer van volgende onderdelen:
a) de benaming;
b) de graad, de onderwijsvorm, het studiegebied of het leerjaarniveau waarin het wordt ondergebracht;
c) de duurtijd, doch uitsluitend wat 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs betreft;
d) de goedkeuring van leerplannen.

Artikel 129. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 130. (01/09/2023- ...)

§1. 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs hebben een duurtijd van een semester, twee aansluitende semesters of drie aansluitende semesters en kunnen voor de leerlingen op 1 september of op 1 februari starten.

7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs zijn sterk beroepsgericht, bestaan uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4, en worden bekrachtigd met een certificaat. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, namelijk leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. Onder eenzelfde benaming kan een optie maar aan één welbepaalde duurtijd worden gekoppeld.

§2. Voor de organisatie van een 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met:
1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Binnen het samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Alleen de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van een leerling voor het geheel van een optie van het 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de geldende decretale en regelgevende bepalingen alleen van toepassing zijn op de coördinerende school.

De samenwerking, vermeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen:
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen ter zake in de bevoegde lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij de voormelde overdracht plaatsvindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor gastleraren en gelden de bepalingen van artikel 211, §3.

Artikel 131. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 132. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 133. (01/09/2023- ...)

...

[Afdeling 1/1. Structuur en organisatie op macroniveau (ing. decr. 20 april 2018, art. 8, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 133/1. (01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking met ingang vanaf 1 september 2019.

Artikel 133/2. (01/09/2023- ...)

Het voltijds gewoon secundair onderwijs bestaat uit drie graden.

De eerste graad omvat een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar A en een tweede leerjaar B.

De tweede graad omvat een eerste leerjaar en een tweede leerjaar.

De derde graad omvat een eerste leerjaar, een tweede leerjaar en een derde leerjaar, aangeduid als 7de leerjaar.

Artikel 133/3. (01/09/2019- ...)

Zowel in het tweede leerjaar A als in het tweede leerjaar B worden basisopties onderscheiden.

In het tweede leerjaar A:
1° zal de leerling, één basisoptie als dusdanig of, in voorkomend geval, één pakket kiezen;
2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.

In het tweede leerjaar B:
1° zal de leerling, maximaal drie basisopties en, in voorkomend geval, pakketten combineren;
2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.

Met inachtname van het eerste tot en met het derde lid bepaalt de Vlaamse Regering, afzonderlijk voor het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B:
1° de basisopties;
2° binnen het geheel van basisopties: de niche-basisopties en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-basisoptie, aan het aanbod ervan zijn gekoppeld;
3° per basisoptie: de eventuele pakketten;
4° binnen het geheel van pakketten: de niche-pakketten en het aantal scholen dat, per niche-pakket, in aanmerking komt voor de organisatie ervan.

Artikel 133/4. (01/09/2023- ...)

§ 1. In de leerjaren van de tweede en derde graad worden studierichtingen onderscheiden. Die studierichtingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen.

De studiedomeinen zijn:
1° taal en cultuur;
2° stem;
3° kunst en creatie;
4° land- en tuinbouw;
5° economie en organisatie;
6° maatschappij en welzijn;
7° sport;
8° voeding en horeca.

De finaliteiten zijn:
1° doorstroom;
2° dubbel;
3° arbeidsmarkt.

De onderwijsvormen zijn:
1° algemeen secundair onderwijs - aso;
2° technisch secundair onderwijs - tso;
3° kunstsecundair onderwijs - kso;
4° beroepssecundair onderwijs - bso.

Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden.

Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid.

De 7de leerjaren zijn studierichtingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° gericht zijn op instroom arbeidsmarkt;
2° gericht zijn op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.
 
In de matrix:
1° wordt het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt;
2° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen;
3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen;
4° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren op onderwijsvormen is gebaseerd
.

Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast.

De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld.

§1/1. De studierichtingen van de tweede en de derde graad die zijn opgenomen in de matrix, worden geordend volgens disciplines met het oog op de financiering van het voltijds gewoon secundair onderwijs. Een discipline bundelt een groep van inhoudelijk verwante studierichtingen per onderwijsvorm.

De onderwijsvorm:
1° "aso": omvat alle domeinoverschrijdende studierichtingen uit de doorstroomfinaliteit;
2° "tso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 3° vallen;
3° "kso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 2° vallen;
4° "bso": omvat alle studierichtingen uit de arbeidsmarktfinaliteit.

Die disciplines zijn:
1° Klassiek aso;
2° Modern aso;
3° Sport aso;
4° Architectuur en beeldende kunst kso;
5° Grafische technieken en media kso;
6° Modecreatie kso;
7° Podiumkunsten kso;
8° Administratie en distributie tso;
9° Auto en tweewielers tso;
10° Biotechnologie en chemie tso;
11° Grafische technieken en media tso;
12° Horeca tso;
13° Hout en bouw tso;
14° Koeling en warmte tso;
15° Landen tuinbouw tso;
16° Lichaamsverzorging tso;
17° Maatschappelijke veiligheid so;
18° Maritiem tso;
19° Mechanica-elektriciteit tso;
20° Modecreatie tso;
21° Paramedisch tso;
22° Personenzorg tso;
23° Sport tso;
24° Technologie en industrie tso;
25° Textiel tso;
26° Toerisme, taal en cultuur tso;
27° Voeding tso;
28° Administratie en distributie bso;
29° Auto en tweewielers bso;
30° Biotechnologie en chemie bso;
31° Creatie en ambacht bso;
32° Grafische technieken en media bso;
33° Horeca bso;
34° Hout en bouw bso;
35° Koeling en warmte bso;
36° Landen tuinbouw bso;
37° Lichaamsverzorging bso
38° Maatschappelijke veiligheid bso;
39° Maritiem bso;
40° Mechanica-elektriciteit bso;
41° Modecreatie bso;
42° Moderealisatie en textielverzorging bso;
43° Paramedisch bso;
44° Personenzorg bso;
45° Sport bso;
46° Technologie en industrie bso;
47° Textiel bso;
48° Toerisme, taal en cultuur bso;
49° Voeding bso.

De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid.

§ 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.

Het 7de leerjaar dat gericht is op het hoger onderwijs en waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.

De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3.

De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

Het 7de leerjaar dat gericht is op instroom arbeidsmarkt leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties.

Artikel 133/5. (01/09/2019- ...)

De Vlaamse Regering legt voor structuuronderdelen die onder de toepassing van de volgende artikelen vallen, de concordantie vast naar basisopties respectievelijk structuuronderdelen van de matrix als vermeld in deze afdeling:
1° artikel 124 en 126 van deze codex, voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4;
2° artikel 335 van deze codex, voor het buitengewoon secundair onderwijs;
3° artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.

De concordantie kan de volgende vormen aannemen:
1° een structuuronderdeel wordt opgeheven zonder omzetting;
2° één structuuronderdeel wordt omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
3° verschillende structuuronderdelen worden omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
4° één structuuronderdeel wordt omgezet in verschillende basisopties of structuuronderdelen.

Voor de school is de omzetting in één basisoptie of structuuronderdeel een recht en geen programmatie. Als er verschillende omzettingsmogelijkheden zijn, kiest het schoolbestuur één omzetting die een recht en geen programmatie is. Als de omzetting door alle betrokken scholen samen ertoe kan leiden dat niet is voldaan aan de beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan een bepaalde niche-basisoptie of een bepaalde niche-studierichting zijn gekoppeld én een school afziet van die omzetting, mag ze twee andere basisopties of structuuronderdelen, die geen niche zijn, zonder programmatie oprichten.

Artikel 133/6. (01/09/2019- ...)

De lijst van basisopties en eventuele invulling via pakket of de matrix met structuuronderdelen kan door de Vlaamse Regering worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan de opheffing, vervanging of toevoeging van basisopties, eventuele invulling via pakket of structuuronderdelen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat en kan daarbij, met toepassing van de decreetgeving op de kwalificatiestructuur, een onderscheid maken tussen structuuronderdelen die wel en structuuronderdelen die niet tot een bewijs van onderwijskwalificatie leiden.

Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het tweede schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B en het onthaaljaar, gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.

Artikel 133/7. (01/09/2023- ...)

Een leerjaar is gelijk aan een schooljaar, dat bestaat uit twee aansluitende semesters, en start op de eerste lesdag van september.

In afwijking van het eerste lid kan een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt:
1° een duurtijd hebben van één semester of drie aansluitende semesters, afhankelijk van de breedte en het niveau van competenties van de beroepskwalificaties waaruit het 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, is samengesteld, als de Vlaamse Regering dat zo bepaalt;
2° starten op de eerste lesdag van september of op de eerste lesdag van februari.

Afdeling 2. Structuur en organisatie op schoolniveau (... - ...)

Artikel 134. (01/09/2019- ...)

Met behoud van de toepassing van de programmatienormen, bestaat het voltijds secundair onderwijsaanbod van een school uit:
1° a) de eerste graad, of;
b) eerste en de tweede graad, of;
c) de tweede en de derde graad, of;
d) de eerste, de tweede en de derde graad;
2° in de tweede en de derde graad: een of meer studiedomeinen of een of meer finaliteiten of een of meer onderwijsvormen.

Artikel 134/1. (01/09/2020- ...)

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 134, kiest een schoolbestuur zelf het organisatiemodel waarbinnen het zijn school uitbouwt. In elk geval zal elk schoolconcept gebaseerd op de matrix, zowel verticaal (met alleen doorstroomrichtingen of alleen studierichtingen met dubbele finaliteit (doorstroom/arbeidsmarktgericht) of alleen arbeidsmarktgerichte studierichtingen) als horizontaal als een combinatie van beide mogelijk zijn.

§ 2. Een school wordt als een domeinschool beschouwd als ze in elk ingericht studiedomein van elke graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert.
Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, in de tweede en de derde graad zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.

Een school wordt als een campusschool beschouwd als ze in ten minste twee studiedomeinen samen per graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert. Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.

Een school wordt als een verticale school beschouwd als ze studierichtingen binnen eenzelfde finaliteit en onderwijsvorm in zowel tweede als derde graad organiseert.

In het eerste, tweede en derde lid wordt verstaan onder organiseren: ten minste één regelmatige leerling hebben ingeschreven op de eerste lesdag van oktober in elk onderdeel van het in het betrokken lid opgelegde studieaanbod en dat studieaanbod alleszins organiseren binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg.

Aan domeinscholen of campusscholen kunnen bij decreet of besluit voordelen worden toegekend. Die voordelen kunnen uitsluitend betrekking hebben op de geografische omschrijving, vermeld in het vierde lid, van domeinschool of campusschool en niet op eventueel andere vestigingsplaatsen van dergelijke school die buiten die omschrijving liggen.

Artikel 134/2. (01/09/2023- ...)

Voor de organisatie van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt kan een school samenwerken met:
1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Binnen het samenwerkingsverband is de eerst vermelde school altijd de coördinerende school. Alleen die school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van financiering of subsidiëring zijn de decretale en regelgevende bepalingen alleen van toepassing op de coördinerende school.

De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst die ten minste de volgende elementen bevat:
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over de inzet van personeel. Het protocol van de onderhandelingen daarover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee ze samenwerkt. Tenzij die overdracht plaatsvindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de uren-leraar in kwestie beschouwd als uren-leraar die aangewend worden voor gastleraren.

Artikel 134/3. (01/09/2023- ...)

Een school met een gepland studieaanbod van tweejarige structuuronderdelen met in de benaming ‘topsport’ in de tweede of derde graad kan de organisatie van het voormelde structuuronderdeel beperken tot een van beide leerjaren als in het andere leerjaar uitzonderlijk geen leerlingen op de eerste lesdag van oktober van het lopende schooljaar zijn ingeschreven. De voormelde regeling kan nooit de aanleiding vormen tot herprogrammatie van het structuuronderdeel in kwestie.

Artikel 135. (01/09/2011- ...)

Naast het in artikel 134 gestelde, kan een school onthaalonderwijs organiseren. Onthaalonderwijs, dat niet in een graad of in het hoger beroepsonderwijs wordt gerangschikt en dat uit één onthaaljaar bestaat, is een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers in staat stelt om Nederlands te leren en nadien in te stromen in het Nederlandstalig onderwijs. Het is gericht op taalvaardigheid Nederlands en inburgering.

De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria « leeftijd », « taalkennis Nederlands » en « duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied » van de anderstalige nieuwkomers.

In aansluiting op eventuele decretale bepalingen ter zake, kan de Vlaamse Regering voorwaarden opleggen inzake samenstelling van het wekelijks lessenrooster voor onthaalonderwijs teneinde het bereiken van de doelstellingen voor onthaalonderwijs maximaal te waarborgen. De Vlaamse Regering kan ten slotte aanvullende organisatiebepalingen vastleggen.

Artikel 136. (01/09/2023- ...)

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of een leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de modaliteiten vermeld in 1°, 2° of 3° hierna.
1° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel, mits enerzijds de leerling al geslaagd is voor diezelfde onderdelen binnen het secundair onderwijs of via de examencommissie, vermeld in artikel 256/1, en anderzijds de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na kennisname van het advies van de delibererende klassenraad van het voorafgaand schooljaar.
In voorkomend geval :
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.
2° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een optie, aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.
3° Het spreiden van de vorming van een optie, aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)

Artikel 136/1. (01/09/2023- ...)

De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het voltijds secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven:
a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen:
a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
b) de invulling van de samenwerking;
c) de looptijd van de samenwerking;
d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
7° als het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs, kan die maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;
8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.

De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole.

In afwijking van het eerste lid, 7°, kan een leerling uit het buitengewoon secundair onderwijs eenmalig, gedurende maximum twee schooljaren de lessen voltijds bijwonen in het gewoon secundair onderwijs, met het oog op een overstap naar het gewoon voltijds onderwijs. Een leerling die twee schooljaren in het gewoon voltijds onderwijs doorbrengt, heeft, in afwijking van artikel 253/6, §2, en artikel 253/37, §2, een onverkort recht op inschrijving in de school voor gewoon onderwijs. Als de betrokken personen en de leerling beslissen om de overstap te maken naar het gewoon onderwijs, overleggen de school voor gewoon onderwijs, de school voor buitengewoon onderwijs, het CLB en de betrokken personen, met betrokkenheid van de leerling, met het leersteuncentrum over de overname van de ondersteuning.

Artikel 136/2. (01/01/2015- ...)

De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), houdt ook in dat in het bijzonder voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften op grond van specifieke onderwijskundige argumenten de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar aangepast wordt door het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling.

De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.

Artikel 136/3. (01/09/2023- ...)

§ 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topkunstenstatuut teneinde, tijdens die vrijgestelde periodes, zijn artistieke talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen;
2° in voorkomend geval :
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) moet voorafgaandelijk een selectiecommissie aan de leerling het topkunstenstatuut A, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het kunstsecundair onderwijs, of het topkunstenstatuut B, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het algemeen, het technisch of het beroepssecundair onderwijs, hebben toegekend;
c) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
d) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
e) vindt de talentontwikkeling plaats :
- bij topkunstenstatuut A : via individueel onderricht binnen de school of in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel fungeert in het stelsel van gastleraar of onderwijs;
- bij topkunstenstatuut B : via individueel onderricht in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. Met het oog op de samenstelling van de selectiecommissie leggen de ministers, bevoegd voor onderwijs en cultuur, een pool aan van specialisten uit het hoger kunstonderwijs en het professionele kunstenlandschap.

De selectiecommissie stelt een intern werkreglement op en bepaalt de selectiecriteria die ze hanteert, waaronder alleszins het talentenprofiel van de leerling en het kwalitatief niveau van de externe lesgever of van de context.

De selectiecommissie komt eenmaal per jaar samen om te beslissen over alle ingediende schriftelijke en gemotiveerde aanvragen van de betrokken personen tot toekenning van het topkunstenstatuut. Daartoe moeten de aanvragen uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar worden ingediend. Onverminderd het in het eerste lid gestelde, gebeurt de effectieve samenstelling van de selectiecommissie in functie van de aard van de te beoordelen artistieke talenten van de leerling in kwestie.

§ 3. De selectiecommissie kan bijkomend het recht verlenen aan de leerling om maximaal 90 halve lesdagen per schooljaar gewettigd afwezig te zijn op school, teneinde deel te nemen aan wedstrijden, stages, masterclasses of andere school-extramurale activiteiten die rechtstreeks aanleunen bij de artistieke discipline van de leerling.

§ 4. Het topkunstenstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.

Artikel 136/4. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan voor leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs die door een onvoldoende kennis van de onderwijstaal niet in staat zijn om de lessen in voldoende mate te volgen en al of niet uit het onthaalonderwijs, vermeld in artikel 135, komen, tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week organiseren. Deze extra taallessen Nederlands komen bovenop het leerprogramma van het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven en beogen de taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken.

De toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad, al naargelang het geval, beslist om een leerling te verplichten tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week. In afwijking op de geldende regelgeving is die klassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, ten minste samengesteld uit de leraars belast met de basisvorming.

§ 2. Voor de leerlingen die verplicht worden tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week voorziet de school in een doelgericht aanbod. De school kan dat aanbod zelf organiseren of daarvoor samenwerken met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen kunnen worden samengebracht.

De duur van de extra taallessen Nederlands tijdens een schooljaar is afhankelijk van de evaluatie door de begeleidende klassenraad van de studievoortgang van de betrokken leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen Nederlands, vermeld in paragraaf 1, moeten volgen alsook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie van deze extra taallessen.

Artikel 136/5. (01/09/2013- ...)

§ 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topsportstatuut, toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector, teneinde tijdens die vrijgestelde periodes zijn sportieve talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt en mits akkoord van de betrokken personen;
2° in voorkomend geval :
a) moet het topsportstatuut zijn toegekend in een sporttak die in aanmerking komt voor de toepassing van dit artikel zoals bepaald door de Vlaamse Regering;
b) moet, vermits de talentontwikkeling plaats vindt via onderricht door een schoolexterne lesgever binnen de school of in een sportieve leercontext buiten de school, de betrokken unisportfederatie desbetreffende context of lesgever als voldoende kwalitatief beschouwen;
c) is het structuuronderdeel in kwestie geen structuuronderdeel met in de benaming de component "topsport";
d) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
e) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
f) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
g) kan na overleg met, in voorkomend geval, de externe lesgever en met de betrokken personen, het individueel leertraject door de begeleidende klassenraad worden bij gestuurd of eventueel zelfs beëindigd indien de schoolresultaten negatief evolueren.

§ 2. Het topsportstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.

Artikel 136/6. (01/09/2022- ...)

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten:
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van:
a) hetzij cognitief sterk functioneren;
b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2;
2° in voorkomend geval:
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, b), individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands;
c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
e) kunnen voor de doelgroep, vermeld in punt 1°, a), individuele vrijstellingen worden verleend voor het geheel van een vak door de klassenraad, indien duidelijk blijkt dat de doelen ervan al bereikt zijn.

Artikel 137. (01/09/2013- ...)

...

[Afdeling 3. Doelen, curriculumdossiers en leerplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)] (... - ...)

[Onderafdeling 1. Algemene bepaling (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)] (... - ...)

Artikel 138. (01/09/2019- ...)

De doelen en de leerplannen die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden progressief in werking, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, vanaf 1 september 2019. De curriculumdossiers die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden in werking:
1° per 1 september 2023: in het eerste leerjaar van de eerste graad, het eerste leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad;
2° per 1 september 2024: in het tweede leerjaar van de eerste graad, het tweede leerjaar van de tweede graad en het tweede leerjaar van de derde graad;
3° per 1 september 2025: in het derde leerjaar van de derde graad.

Bij de ontwikkeling en de implementatie van de doelen, vermeld in het eerste lid en voor zover het eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, specifieke eindtermen en ontwikkelingsdoelen betreft, wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen.

[Onderafdeling 2. Doelen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)] (... - ...)

Artikel 139. (01/09/2019- ...)

§ 1. Eindtermen zijn minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken. De eindtermen moeten op populatieniveau worden bereikt. De eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes moeten bij de leerlingen worden nagestreefd.

Binnen voormelde eindtermen worden bepaalde eindtermen als basisgeletterdheid aangeduid. De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling worden bereikt op het einde van de eerste graad. Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die ertoe strekken te kunnen participeren in de maatschappij. In uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad gemotiveerd beslissen dat een individuele leerling een eindterm basisgeletterdheid niet moet bereiken.

De implementatie van de basisgeletterdheid zal worden gemonitord en op haar effectiviteit worden geëvalueerd door het Vlaams Parlement drie schooljaren na invoering ervan, waarna over de invoering in andere graden of onderwijsniveaus kan beslist worden.

§ 2. De eindtermen worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:
1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;
2. competenties in het Nederlands;
3. competenties in andere talen;
4. digitale competentie en mediawijsheid;
5. sociaal-relationele competenties;
6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;
7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven
8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;
9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;
10. competenties inzake duurzaamheid;
11. economische en financiële competenties;
12. juridische competenties;
13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken;
14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;
15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;
16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.

Deze eindtermen worden door het Vlaams Parlement niet vastgehaakt aan vakken. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Daarbij moet het ook duidelijk zijn welke leraar er verantwoordelijk is voor de uitwerking en realisatie ervan.

De eindtermen voor de eerste graad die worden geformuleerd in functie van competenties in andere talen als vermeld in het eerste lid, 3°, worden in de B-stroom ten minste in het Frans gerealiseerd.

§ 3. De eindtermen worden afzonderlijk bepaald voor:
1° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad A-stroom samen;
2° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad B-stroom samen;
3° het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad samen, per finaliteit;
4° het eerste en tweede leerjaar van de derde graad samen, per finaliteit, rekening houdend met het in artikel 145 gestelde;
5° het derde leerjaar van de derde graad, in zover het een structuuronderdeel betreft dat volgt op structuuronderdelen met arbeidsmarktfinaliteit van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.

De finaliteiten en onderwijsvormen in het gewoon secundair onderwijs zijn:
1° doorstroomfinaliteit bestaande uit domeinoverschrijdend algemeen secundair onderwijs (aso) en domeingebonden technisch en kunstsecundair onderwijs (tso en kso);
2° dubbele finaliteit bestaande uit tso en kso;
3° arbeidsmarktfinaliteit bestaande uit beroepssecundair onderwijs (bso).

§ 4. In afwachting van ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen van toepassing.

Artikel 140. (19/03/2018- ...)

Uitbreidingsdoelen Nederlands zijn extra doelen bovenop de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands die door een bepaalde leerlingenpopulatie kunnen worden bereikt.

De uitbreidingsdoelen Nederlands worden afzonderlijk bepaald voor:
1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A samen;
2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B samen.

De uitbreidingsdoelen Nederlands voor het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B zijn de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands voor het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A.

Artikel 141. (19/03/2018- ...)

Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen uitsluitend voor de leerlingenpopulatie van het onthaaljaar. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes na te streven.

Artikel 142. (01/09/2021- ...)

Eindtermen of ontwikkelingsdoelen vormen de basisvorming voor een groep van structuuronderdelen. Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, dat in voorkomend geval tot de basisvorming behoort, zijn er geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen.

Artikel 143. (01/01/2020- ...)

§ 1. De ontwikkeling van eindtermen met inbegrip van eindtermen basisgeletterdheid, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen wordt gecoördineerd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten uit de betrokken graad en de aansluitende graden of onderwijsniveaus, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen. Ze duidt ook het belang en de uitgangspunten ervan aan. Ze bewaakt de haalbaarheid.

De ontwikkelde eindtermen uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd.

De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie en evalueerbaarheid van de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen.

De eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden door de Vlaamse Regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.

De eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De Vlaams Regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.

§ 2. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.

Artikel 144. (01/09/2023- ...)

Specifieke eindtermen, beroepskwalificaties, deelkwalificaties en sets van competenties uit beroepskwalificaties zijn specifiek voor afzonderlijke structuuronderdelen. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling en artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, selecteert de Vlaamse Regering, naargelang het geval, per afzonderlijk structuuronderdeel:
1° de toepasbare specifieke eindtermen binnen het geheel van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde specifieke eindtermen;
2° de toepasbare beroepskwalificatie(s), deelkwalificatie(s) of set(s) van competenties binnen het geheel van de door de Vlaamse Regering erkende beroepskwalificaties en deelkwalificaties.

Artikel 145. (19/03/2018- ...)

Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van:
1° domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen (aso);
2° domeingebonden doorstroomrichtingen (kso/tso);
3° richtingen met dubbele finaliteit (tso/kso).

Ze worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.

Met betrekking tot de specifieke eindtermen worden de cesuurdoelen voor de tweede graad in samenspraak met de overheid via een protocolakkoord door de onderwijsverstrekkers vastgelegd.

Artikel 146. (26/05/2021- ...)

§ 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid in van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen. De indiening gebeurt uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden.

Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen mag werken.

De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of de specifieke eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen voor.

§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.

§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
2° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 139, § 2, en 262, § 2;
3° de formulering
a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;
b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en de onderwijsinspectie en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.

§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.

§ 5. In afwijking van de termijnen, bepaald in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, gelden de volgende termijnen met betrekking tot een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen voor de door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen van de tweede graad die een schoolbestuur geacht wordt in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs geleidelijk toe te passen vanaf 1 september 2021:
1° de indiening van de aanvraag voor het schooljaar 2021-2022 gebeurt uiterlijk drie maanden na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde onderwijsdoelen van de tweede graad;
2° de Vlaamse Regering beslist uiterlijk vier maanden na indiening van de aanvraag.

Tijdens het schooljaar 2021-2022 wordt gedoogd dat de aanvrager nog met de oude eindtermen of, in voorkomend geval, de oude vervangende eindtermen werkt.

Artikel 147. (01/09/2022- ...)

Naast in voorkomend geval de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands en de specifieke eindtermen, zijn de andere doelen:
1° van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B: de doelen van een basisoptie;
2° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, dubbele finaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
3° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, arbeidsmarktfinaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
3° /1 van een structuuronderdeel van het derde leerjaar van de derde graad dat voorbereidt op het hoger onderwijs, met uitzondering van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 139, § 3, eerste lid, 5° : de doelen die afgeleid zijn van de eindtermen of de specifieke eindtermen van inhoudelijk verwante structuuronderdelen van de derde graad;
4° van elk structuuronderdeel van de eerste, tweede of derde graad: de eventuele differentiële doelen van het desbetreffend structuuronderdeel die een uitbreiding of verdieping van al voorkomende doelen inhouden.

De hogervermelde doelen worden gezamenlijk ontwikkeld door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. De doelen die leiden tot één of meer erkende beroepskwalificaties kunnen enkel mits voorafgaand akkoord van de betrokken sectoren, inhoudelijk van erkende beroepskwalificaties afwijken.

Bij de totstandkoming van de doelen, vermeld in het eerste lid, 3° /1, worden vak- en andere experten uit het hoger onderwijs betrokken.

[Onderafdeling 3. Curriculumdossiers (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)] (... - ...)

Artikel 147/1. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een curriculumdossier beschrijft op samenhangende wijze en vanuit onderwijskundig perspectief het geheel van de vorming van een structuuronderdeel en brengt alle doelen als vermeld in onderafdeling 2, die van toepassing zijn op dat structuuronderdeel samen. In voorkomend geval worden de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands en specifieke eindtermen letterlijk opgenomen.

In afwijking op het in het eerste lid gestelde wordt het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie niet opgenomen in het curriculumdossier.

§ 2. Een curriculumdossier wordt afzonderlijk gemaakt voor:
1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A van de eerste graad samen;
2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B van de eerste graad samen;
3° het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad samen, per structuuronderdeel;
4° het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad samen, per structuuronderdeel;
5° het derde leerjaar van de derde graad, per structuuronderdeel.

Er wordt geen curriculumdossier gemaakt voor:
1° het onthaaljaar;
2° een aanloopstructuuronderdeel.

De doelen van een aanloopstructuuronderdeel worden opgenomen in het curriculumdossier van een of meer inhoudelijk verwante structuuronderdelen..

§ 3. Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van scholen voor het secundair onderwijs richt de onderwijsinspectie zich op, naargelang van het geval:
1° het bereiken van de doelen van het curriculumdossier van het structuuronderdeel in kwestie;
2° het nastreven van de ontwikkelingsdoelen van het onthaaljaar.

De onderwijsinspectie baseert zich bij de doorlichting op de doelen die van toepassing zijn tijdens het schooljaar van de doorlichting en op die van het daaraan voorafgaande schooljaar. Waar echter een curriculumdossier nog niet of nog niet volledig van toepassing is, wordt de doorlichting gebaseerd op de volgende, naargelang van het structuuronderdeel of structuuronderdelen, toepasbare doelen: de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen leidend tot erkende beroepskwalificaties en de leerplannen.

Artikel 147/2. (15/09/2022- ...)

§1. Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs stellen gezamenlijk een curriculumdossier samen en dienen dit in ter goedkeuring door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de nadere procedure voor indiening en goedkeuring van een curriculumdossier;
2° de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een curriculumdossier moet omvatten;
3° de procedure indien door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs geen curriculumdossier ingediend wordt binnen de gestelde termijn.

§2. Voor een structuuronderdeel dat beantwoordt aan al de volgende voorwaarden, zijn de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing vanaf het tweede schooljaar dat het structuuronderdeel in kwestie wordt georganiseerd:
1° het betreft een nieuw structuuronderdeel of een bestaand structuuronderdeel dat wordt gewijzigd naar inhoud en, eventueel, naar benaming, waarbij die wijzigingen niet alleen technisch zijn. De Vlaamse Regering bepaalt wat onder technische wijzigingen wordt verstaan;
2° de eerste beslissing van de Vlaamse Regering over het nieuwe of gewijzigde structuuronderdeel is, uitzonderlijk, genomen na de initiële uiterste indieningsdatum van een curriculumdossier die is vastgelegd in de procedure, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°.
 

[Onderafdeling 4. Leerplannen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)] (... - ...)

Artikel 147/3. (01/09/2023- ...)

§ 1. In aansluiting op de curriculumdossiers die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, worden door het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen ontwikkeld die voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen.

In de leerplannen zijn in elk geval alle betrokken, door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen letterlijk opgenomen, waarbij transparant het onderscheid gemaakt wordt welke doelen de eindtermen realiseren en met welke doelen de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. De leerplannen zijn voor de onderwijsinspectie een aanvullend instrument om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen.

Leerplannen worden door de onderwijsverstrekkers ingediend bij de onderwijsinspectie. Met het oog op het waarborgen van het studiepeil keurt de Vlaamse Regering volgens de vooraf door haar bepaalde criteria en op advies van de onderwijsinspectie, de leerplannen goed.

§ 2. In afwijking op paragraaf 1, vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en dienen deze leerplannen niet door de Vlaamse Regering te worden goedgekeurd. Deze leerplannen worden publiek bekendgemaakt.

In afwijking van paragraaf 1, derde lid, behoeven in het schooljaar 2023-2024 de leerplannen voor de leerjaren van de gemoderniseerde tweede en derde graad secundair onderwijs niet door de Vlaamse Regering te zijn goedgekeurd.

§ 3. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.

De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.

§ 4. Over het in overeenstemming zijn met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en het respecteren van de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen, evenals over de uitvoering van de leerplannen, wordt jaarlijks aan het Vlaams Parlement een stand van zaken gerapporteerd door:
1° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken: over de leerplannen godsdienst en niet-confessionele zedenleer; met inbegrip van de interlevensbeschouwelijke competenties;
2° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs: over de leerplannen cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Artikel 147/4. (19/03/2018- ...)

Met inachtname van alle ontwikkelingsdoelen wordt in het onthaaljaar per leerling op basis van zijn onderwijsbehoeften een individueel leertraject uitgewerkt waarin het aspiratieniveau voor deze leerling doorheen het jaar wordt bijgesteld. Dit traject bevat onder meer de beginsituatie, de taaldoelen als leidraad en het advies van de klassenraad voor wat betreft de overstap naar vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.

[Afdeling 4. Lessenrooster - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 19, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 147/1. (01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van 1 september 2019.

Artikel 148. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 149. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 150. (01/09/2013- ...)

Een school kan in elk structuuronderdeel inhaallessen organiseren als vermeld in afdeling 5, van dit hoofdstuk, van deze codex.

Artikel 151. (01/09/1978- ...)

De toepassing van de bepalingen van deze afdeling mag niet tot gevolg hebben dat de school gedurende minder dan negen halve dagen per week zou open zijn. (150)

Artikel 152. (01/09/2014- ...)

Onverminderd de bepalingen inzake minimum lessenrooster stelt de Vlaamse Regering de benamingen van de vakken vast en bepaalt ze de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.

Zijn ook algemene vakken : alle levende talen.

Artikel 153. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 154. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 155. (01/09/2009- ...)

§ 1. In het onthaaljaar bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
1° godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
2° Nederlands voor nieuwkomers.

§ 2. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. (154)

Artikel 156. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 157. (01/09/2023- ...)

§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans;
- Engels of Duits;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie;
- lichamelijke opvoeding.

§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2014 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2015 in het tweede leerjaar van de derde graad;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm, vanaf 1 september 2017 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2018 in het tweede leerjaar van de derde graad.

§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.
- Frans of Engels vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad;

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

§ 4. In een derde leerjaar in de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit algemene vakken, waaronder alleszins :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding;
- Frans of Engels vanaf 1 september 2014 in het derde leerjaar van de derde graad;

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken".

De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord vanaf 1 september 2014 van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt worden ten minste twaalf wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs worden ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt worden ten minste veertien wekelijkse lesuren besteed aan het onderricht in technische en/of praktische vakken.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 4 :
« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ».

§ 6. ...

Artikel 157/1. (01/09/2019- ...)

...

[Afdeling 4/1. Lessenrooster (ing. decr. 20 april 2019, art. 22, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 157/2. (01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking vanaf 1 september 2019.

Artikel 157/3. (01/09/2021- ...)

Het lessenrooster is het weekrooster, opgebouwd uit vakken of vakkenclusters, waarin de doelen van het curriculumdossier en de aansluitende leerplannen worden gerangschikt. Deze doelen, ongeacht het eindtermen, specifieke eindtermen of beroepskwalificaties betreft, mogen binnen eenzelfde vak of vakkencluster en binnen dezelfde onderwijstijd worden aangeboden.

Met inachtneming van de bepalingen van deze afdeling stelt het schoolbestuur het weekrooster vast.

Artikel 157/4. (01/09/2019- ...)

De Vlaamse Regering legt de benamingen van de vakken vast en bepaalt de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.

Artikel 157/5. (01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van structuuronderdelen omvat basisvorming. In afwijking daarvan komt in het derde leerjaar van de derde graad basisvorming alleen voor in het lessenrooster van de studierichting die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.

De eindtermen die voor een structuuronderdeel toepasbaar zijn en de ontwikkelingsdoelen die voor het onthaaljaar toepasbaar zijn, vormen de basisvorming.

Het aantal lesuren basisvorming in de eerste graad bedraagt ten minste:
1° 27 in het eerste leerjaar A;
2° 27 in het eerste leerjaar B;
3° 25 in het tweede leerjaar A;
4° 20 in het tweede leerjaar B.

In de basisvorming zijn in elk geval de volgende vakken opgenomen:
1° in het officieel onderwijs: godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
2° in het vrij onderwijs: godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie.

De basisvorming van het onthaaljaar bestaat alleen uit de vakken, vermeld in het vierde lid, en het vak Nederlands voor nieuwkomers.

Artikel 157/6. (01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van het tweede leerjaar A omvat vijf lesuren basisoptie desgevallend ingevuld via pakket.

Het lessenrooster van het tweede leerjaar B omvat tien lesuren basisoptie of basisopties, desgevallend ingevuld via pakketten.

De delibererende klassenraad in het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan beslissen om de leerling in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B remediëring op te leggen of de leerling van de toegang tot een of meer basisopties of pakketten van de basisopties van het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B uit te sluiten.

Artikel 157/7. (01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming, ten minste vijf lesuren differentiatie.

Het lessenrooster van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming en de lesuren basisoptie, ten minste twee lesuren differentiatie.

De lesuren differentiatie kunnen worden ingevuld als een verdieping of een remediëring van onderdelen van de basisvorming of als een verdieping in klassieke talen. De school biedt enerzijds ten minste twee verdiepende differentiatiepakketten aan en anderzijds die remediërende differentiatiepakketten waaraan de leerlingen behoefte hebben.

In het tweede leerjaar A en in het tweede leerjaar B kiest de leerling, binnen het aanbod van de school, een of meer verdiepende differentiatiepakketten, ermee rekening houdend dat de klassenraad bij het begin of in de loop van het schooljaar een of meer remediërende differentiatiepakketten aan de leerling kan opleggen. De lesuren differentiatie kunnen evenwel nooit volledig aan remediëring worden besteed.

Artikel 157/7/1. (01/09/2023- ...)

§1. In de volgende structuuronderdelen, met uitzondering van aanloop- en duale structuuronderdelen, omvat het lessenrooster een aantal uren leerlingenstage:
1° alle structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs van de dubbele finaliteit;
2° alle structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs van de arbeidsmarktfinaliteit;
3° alle 7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt.
 
De leerlingenstage wordt op het lessenrooster aangeduid met toepassing van artikel 157/4. Het aantal uren ervan komt, omgerekend naar schooljaarbasis, overeen met minimaal achttien halve dagen. Die halve dagen zijn al dan niet opeenvolgend.

Als er geen of onvoldoende stageplaatsen beschikbaar zijn, moet de school maximaal inzetten op observatieactiviteiten in een organisatie of onderneming waarbij de leerling, zonder effectief aan het arbeidsproces te participeren, kennismaakt met een beroep of een specifieke werkplek.

De school kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de stageverplichting. In dat geval is een goed onderbouwde motivering vereist. Deze motivering bevat minstens objectieve factoren die de stageverplichting onmogelijk maken. De onderwijsinspectie kan desgevallend deze motivering controleren.

§2. Worden eveneens verstaan onder paragraaf 1, eerste lid:
1° in het schooljaar 2023-2024:
a)    het technisch secundair onderwijs van het tweede leerjaar van de derde graad binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs waarvan de structuuronderdelen na concordantie overgaan naar de dubbele finaliteit of arbeidsmarktfinaliteit;
b)    het technisch secundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs;
c)    het beroepssecundair onderwijs van het tweede leerjaar van de derde graad binnen het niet­gemoderniseerd secundair onderwijs;
d)    het beroepssecundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, binnen het niet­gemoderniseerd secundair onderwijs;
2° in het schooljaar 2024-2025:
a)    het technisch secundair onderwijs van het derde leerjaar van de derde graad, aangeduid als 7de leerjaar, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs;
b)    het beroepssecundair onderwijs van het derde leerjaar van derde graad, aangeduid als 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, binnen het niet-gemoderniseerd secundair onderwijs.

§3. In afwijking van artikel 157/2 treden de bepalingen van paragraaf 1 in werking: 1° per 1 september 2023: in het tweede en derde leerjaar van de derde graad; 2° per 1 september 2024: in het eerste leerjaar van de derde graad.
 

Artikel 157/8. (01/09/2019- ...)

In elk structuuronderdeel kunnen, buiten het lessenrooster, facultatieve inhaallessen worden georganiseerd.

[Afdeling 4/2. CLIL (Content and Language Integrated Learning) (ing. decr. 20 april 2016, art. 30, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 157/9. (01/09/2019- ...)

Het wekelijkse lessenrooster kan, de lesuren moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20% worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft de mogelijkheid om in de school het niet-taalonderricht in het Nederlands te volgen;
2° de leerling kan CLIL alleen volgen als de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en als de toelatingsklassenraad een positief advies heeft gegeven, waaruit minstens blijkt dat de leerling voldoende kennis en beheersing van de onderwijstaal heeft;
3° het aanbod voldoet aan de kwaliteitsstandaard die de Vlaamse Regering bepaalt en die alleen voorwaarden omvat op het vlak van:
a) de competenties en vorming van de personeelsleden die de lessen zullen geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot de leerinhouden in kwestie;
b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
c) tijdige communicatie met de betrokken personen en leerlingen met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
d) de inpassing van het aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als voor vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
e) de monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in de leerinhouden in kwestie in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
f) de te volgen stappen voor een school die een CLIL-project wil organiseren, namelijk: beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren;
4° de school kan het aanbod alleen effectief organiseren als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van punt 3°, a) en b). Daarbij houdt ze rekening met de rechten van de personeelsleden die vastbenoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren, mag de school een personeelslid dat vastbenoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking voor dat vak. De school mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, voor dat vak niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dat laatste geldt niet als het tijdelijke personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 3°, a) en b), maar het aanbod om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven, weigert;
5° de school zorgt ervoor dat de kennis van de onderwijstaal bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft;
6° voorafgaand wordt een plan opgemaakt dat de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap heeft goedgekeurd.

Afdeling 5. Experimenteel modulair onderwijs (... - ...)

Artikel 158. (01/09/2019- ...)

Voltijds gewoon secundair onderwijs kan modulair worden georganiseerd conform de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze afdeling, niet van toepassing. Geen enkel structuuronderdeel kan modulair worden georganiseerd als er een inhoudelijk verwant structuuronderdeel kan worden georganiseerd dat onder de toepassing van de bepalingen van afdeling 1/1 valt.

De Vlaamse Regering beslist over het tijdstip van de beëindiging van het experimenteel modulair onderwijs, dat niet later kan vallen dan de volledige uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019. Dit lid is niet van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd in scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs.

Het experiment heeft enkel betrekking op het beroepssecundair onderwijs en op het hoger beroepsonderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en kan enkel worden ingericht door scholen die gedurende het schooljaar 2007-2008 modulair onderwijs organiseerden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Laatst vermelde voorwaarde geldt niet voor de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.

Het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs is niet van toepassing op dit experiment. (157)

Artikel 159. (01/09/2008- ...)

§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in graden of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.

§ 2. Elke opleiding omvat algemene vorming, beroepsgerichte vorming en gedifferentieerde onderwijsactiviteiten. In afwijking op deze bepaling is in de opleiding verpleegkunde de algemene vorming facultatief.

De algemene vorming, waaronder de basisvorming bedoeld in de artikelen 156, § 3, en 157, § 3 en § 4, wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.

De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.

Gedifferentieerde onderwijsactiviteiten omvatten individuele begeleiding, ondersteuning of remediëring, afgestemd op de specifieke noden van de leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :
1° het geheel van de opleidingen per studiegebied;
2° de modules per opleiding;
3° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week en uitgedrukt in weken per schooljaar;
4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd;
5° het minimum of de minima inzake aantal uren per week voorbehouden voor gedifferentieerde onderwijsactiviteiten.

Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.

In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.

§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat te minste één van volgende studiebewijzen kan worden behaald : een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.

§ 6. Een school kan de door de Vlaamse Regering vastgestelde duurtijd van een module van de opleiding verpleegkunde, uitgedrukt in weken per schooljaar als vermeld in § 3, 3°, verdubbelen om aan de specifieke opleidingsbehoeften van een bepaalde doelgroep tegemoet te komen. In afwijking van artikel 169, § 2, worden in voorkomend geval de cursisten niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke duurtijd. (158)

Artikel 160. (01/09/2013- ...)

Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald.

De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit erkende beroepskwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.

Voor zover de competenties afwijken van die, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

Competenties kunnen ook door middel van stages worden gerealiseerd. (159)

Artikel 161. (01/09/2023- ...)

Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren.

Artikel 162. (01/09/2008- ...)

§ 1. In het modulair onderwijs, met uitzondering van de HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :
1° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;
2° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;
3° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;
4° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.

Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij een leerling aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden voldoet op basis van het bezit van een eindstudiebewijs. (161)

Artikel 163. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 164. (01/09/2023- ...)

§ 1. De delibererende klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :
1° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;
2° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt, een diploma van secundair onderwijs.

§ 2. Tegen beslissingen van delibererende klassenraden die door de betrokken personen worden betwist, kan beroep worden ingesteld overeenkomstig de procedure van toepassing in het niet-modulair onderwijs, met dien verstande dat het schoolbestuur van de betrokken school, rekening houdend met het principe van de redelijkheid, de termijnen bepaalt die inherent zijn aan deze procedure. (163)

Artikel 165. (01/09/2023- ...)

De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld.
1° Attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt.
2° Deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
3° Certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
4° Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die :
a) ten minste twee schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de tweede graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
5° Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het tweede leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de eerste twee leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
6° Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een 7de leerjaar gericht op instroom arbeidsmarkt : wordt, voor zover de leerling niet in aanmerking komt voor het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) ten minste vijf schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het derde leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
7° Diploma van secundair onderwijs (derde graad) : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) na het behalen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs ten minste drie schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
8° ...
9° ...
10° Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) voldaan heeft aan de voorwaarden opgenomen in de federale wet- en regelgeving inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de toelatingsklassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.

Diegene aan wie overeenkomstig de codificatie betreffende het secundair onderwijs het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van gegradueerde met of zonder nadere specificatie.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast .(164)

Artikel 166. (01/09/2008- ...)

§ 1. In het modulair onderwijs geldt als coëfficiënt uren-leraar per leerling voor een bepaalde opleiding, de reglementair vastgestelde coëfficiënt voor de inhoudelijk overeenkomstige opleiding van het niet-modulair onderwijs.

De Vlaamse Regering legt de inhoudelijk overeenkomstige opleidingen vast.

§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken. De gelijkstelling vindt plaats met een opdracht in de tweede graad of in de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs of, doch uitsluitend voor wat betreft de HBO5-opleiding verpleegkunde, met een opdracht in het hoger beroepsonderwijs.

De organisatie van modulair onderwijs mag er niet toe leiden dat de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken kennelijk onredelijk verschilt van de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken zoals die zich, onmiddellijk voorafgaand aan de organieke invoering van modulair onderwijs, in het betrokken studiegebied en de betrokken school voordoet.

Met praktische vakken gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (165)

Artikel 167. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 168. (01/09/2008- ...)

De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op de geplande hervormingsmaatregelen voor het secundair onderwijs waarvan sprake in artikel 158. (167)

... (01/09/2023 - ...)

Artikel 168/1. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 168/2. (01/09/2023- ...)

...

[HOOFDSTUK 1/1. Structuur en organisatie van het hoger beroepsonderwijs in scholen voor voltijds secundair onderwijs (ing. decr. 14 juli 2023, art. 16, I: 1 september 2023)] (... - 31/08/2024)

Artikel 168/3. (01/09/2023- 31/08/2024)

§1. Hoger beroepsonderwijs dat wordt ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs:
1° wordt enerzijds georganiseerd overeenkomstig deze codex, en anderzijds overeenkomstig de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
2° is beroepsgericht onderwijs;
3° omvat de opleidingen Basisverpleegkunde en Verpleegkunde;
4° leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5;
5° wordt bekrachtigd met een diploma van gegradueerde.

§2. Met ingang van het schooljaar 2023-2024 wordt in het hoger beroepsonderwijs de opleiding Basisverpleegkunde progressief, leerjaar per leerjaar, uitgebouwd.

De opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs kan alleen worden ingericht door de scholen voor voltijds secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2022-2023 de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs hebben ingericht.

De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt vanaf het schooljaar 2023-2024 in een uitdoofscenario alleen nog ingericht voor cursisten die uiterlijk in het schooljaar 2022-2023 al in die opleiding waren ingeschreven. Die cursisten hebben het recht om, zonder onderbreking, de opleiding te voltooien.
 

§3. De organisatie van de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, is gebaseerd op een samenwerkingsverband tussen één hogeschool met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. De organisatie en de opdrachten van het samenwerkingsverband worden geregeld conform artikel II.397 en artikel II.398 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.

Artikel 168/4. (01/09/2023- 31/08/2024)

§1. De opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van drie jaar, verdeeld over zes semesters, en kan starten op 1 september of op 1 februari. Die duurtijd komt overeen met 180 studiepunten. Een studiepunt is een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leeren evaluatieactiviteiten, en waarmee de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt. De duur van het theoretisch onderwijs bedraagt ten minste een derde van de minimumduur van de opleiding en de duur van het klinisch onderwijs bedraagt ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding.

De opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs leidt tot de titel van basisverpleegkundige, vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.

Bij de vaststelling van het opleidingsprogramma leeft het schoolbestuur de vastgelegde voorwaarden na die de toegang tot de titel van basisverpleegkundige reguleren.

In afwijking van het derde lid bestaat tijdens het schooljaar 2023-2024 het opleidingsprogramma van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs uit module 1 en module 2 van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. Een school kan de vastgestelde duurtijd van die modules verdubbelen om aan de specifieke opleidingsbehoeften van een bepaalde doelgroep tegemoet te komen. In dat geval worden de cursisten niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke duurtijd.

§2. De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van drie jaar, verdeeld over zes semesters, en kan starten op 1 september of op 1 februari.

De opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt experimenteel modulair georganiseerd als vermeld in artikel 159 en 160.

Met inachtneming van de voorwaarde voor de studieomvang, vermeld in richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, legt de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten Verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste vier wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en de inhoud van die activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij evaluatie door de klassenraad.

Artikel 168/5

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

§1. Onverminderd de overige opdrachten die ingevolge deel II, titel IV, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs aan de onderwijsinspectie zijn toegekend, beoordeelt de onderwijsinspectie in samenwerking met de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.26 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, de kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door het samenwerkingsverband, vermeld in artikel II.397 van dezelfde codex.

§2. Voor de opleiding Basisverpleegkunde gelden de volgende kwaliteitsver-wachtingen:
1°    de leerresultaten van de opleiding, gebaseerd op de niveaudescriptoren, vermeld in artikel II.141 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, vormen een heldere en opleidingsspecifieke invulling van de interna-tionale eisen voor het niveau, de inhoud en de oriëntatie;
2°    het curriculum van de opleiding sluit aan bij de meest recente ontwikkelin-gen in het vakgebied, houdt rekening met de ontwikkelingen in het werk-veld en is maatschappelijk relevant;
3°    de voor de opleiding ingezette leraren bieden de cursisten optimaal de mogelijkheid om de leerresultaten te behalen;
4°    de opleiding biedt cursisten adequate en gemakkelijk toegankelijke voorzieningen en studiebegeleiding;
5°    de onderwijsleeromgeving stimuleert de cursisten om een actieve rol te spelen in het leerproces en draagt bij tot een vlotte studievoortgang;
6°    de beoordeling van cursisten weerspiegelt het leerproces en concretiseert de beoogde leerresultaten;
7°     de opleiding verstrekt volledige en gemakkelijk leesbare informatie over alle fasen van de studieloopbaan;
8°    de informatie over de kwaliteit van de opleiding is publiek toegankelijk.

De opleiding leeft de onderwijsreglementering en, in voorkomend geval, andere relevante regelgeving na. 

De Vlaamse Regering legt uiterlijk op 1 juni 2024 na een, eventueel, gezamenlijk advies van de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie, een beoordelingskader vast waarin volgende elementen worden bepaald:
1°    de wijze waarop de elementen, vermeld in het eerste en het tweede lid, getoetst zullen worden;
2°    de beoordelingsschaal en de beslisregels;
3°    de stappen in het beoordelingsproces;
4°    de vorm en de inhoud van het opleidingsdossier.

Het beoordelingskader, vermeld in het derde lid, vervangt het beoorde-lingskader dat de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd met toepassing van artikel II.398, derde en vierde lid, van de Codex Hoger Onderwijs. 

De kwaliteitsverwachtingen en de vigerende regelgeving, vermeld in het eerste en tweede lid, en het beoordelingskader, vermeld in het derde lid, vormen de basis voor het advies en het besluit met betrekking tot de erkenning, vermeld in paragraaf 3, respectievelijk met betrekking tot het beoordelingsrapport en het accreditatiebesluit, vermeld in paragraaf 5.

§3. Voor de omvorming van de opleiding Verpleegkunde tot de opleiding Basisverpleegkunde bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2025 een opleidingsdossier per school aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie onderzoeken gezamenlijk de potentiële kwaliteit van de opleiding Basisver-pleegkunde van een samenwerkingsverband op basis van dat opleidingsdos-sier. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie kunnen aanvullende informatie opvragen aan het samenwerkings¬verband.

De accreditatieorganisatie stelt het team samen dat de potentiële kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde onderzoekt. Dat team bestaat in elk geval uit twee leden van de onderwijsinspectie en een cursist die de opleiding Basisverpleegkunde volgt in een andere school dan de secundaire school in kwestie. De overige leden van dat team zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de hogeschool en de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsver-band. Ten minste een lid van het team beschikt over een grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.

Het onderzoek, vermeld in het eerste lid, resulteert in één schriftelijk verslag en één advies per school aan de Vlaamse Regering. Het verslag bevat een onderbouwing van het advies. De mogelijke adviezen zijn:
1°    gunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier voor alle studiejaren volledig is uitgewerkt en aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beant-woordt;
2°    gunstig advies met een beperkte geldigheidsduur van één schooljaar: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier onvolledig is, of niet of onvoldoende aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beantwoordt.

De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies worden uiterlijk op 1 juni 2025 bezorgd aan de Vlaamse Regering, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij tot en met het schooljaar 2029-2030 wordt erkend, hetzij alleen voor het schooljaar 2025-2026 wordt erkend, met vermelding van de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden. 

Bij een erkenning met een beperkte geldigheidsduur voor het schooljaar 2025-2026 bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2026 een opleidingsdossier aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie over de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden. De mogelijke adviezen over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisten, zijn die, vermeld in het derde lid. 

De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, worden uiterlijk op 1 juni 2026 aan de Vlaamse Regering bezorgd, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij tot en met het schooljaar 2029-2030 wordt erkend, hetzij alleen voor het schooljaar 2026-2027 wordt erkend, met vermelding van de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden.

Bij een erkenning met een beperkte geldigheidsduur voor het schooljaar 2026-2027 bezorgt het samenwerkingsverband uiterlijk op 1 januari 2027 een opleidingsdossier aan de onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie over de elementen die opnieuw beoordeeld moeten worden. De mogelijke adviezen over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, zijn:
1°    gunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier voor alle studiejaren volledig is uitgewerkt en aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beant-woordt;
2°    ongunstig advies: dat advies wordt gegeven als het opleidingsdossier onvolledig is, of niet of onvoldoende aan de kwaliteitsverwachtingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en de vigerende regelgeving beant-woordt.

De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie brengen gezamenlijk het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband op de hoogte van het verslag en het advies. Het verslag en het advies over de elementen die een nieuwe beoordeling vereisen, worden uiterlijk op 1 juni 2027 bezorgd aan de Vlaamse Regering, die beslist of de opleiding Basisverpleegkunde hetzij wordt erkend tot en met het schooljaar 2029-2030, hetzij definitief niet wordt erkend.

§4. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie organiseren in de loop van de kalenderjaren 2027 en 2028 ten minste één voortgangsbezoek in elk samenwerkingsverband.

§5. Uiterlijk op 31 oktober 2029 dient het samenwerkingsverband een accreditatieaanvraag in bij de accreditatieorganisatie.

De accreditatieorganisatie stelt de commissie samen die de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding Basisverpleegkunde uitvoert en coördineert het beoordelingsproces. Het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband hebben het recht om beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de commissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen vanaf de dag van de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.

In de commissie, vermeld in het tweede lid, zitten in elk geval twee leden van de onderwijsinspectie en een cursist basisverpleegkunde van een andere school dan de secundaire school in kwestie. De overige leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben ten minste vijf jaar geen banden gehad met de hogeschool en de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband. Ten minste een lid heeft grondige kennis van het Vlaamse hoger onderwijs en ten minste een lid is werkzaam buiten Vlaanderen.

Het onderzoek, vermeld in het tweede lid, resulteert in een beoordelings-rapport. Op basis van dat beoordelingsrapport maakt de accreditatieorganisatie een accreditatiebesluit op. De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie kunnen voor het ontwerp van beoordelingsrapport en besluit worden verzonden, het samenwerkingsverband om aanvullende informatie, toelichtin-gen en verduidelijkingen vragen.

De onderwijsinspectie en de accreditatieorganisatie bezorgen een ontwerp van accreditatiebesluit en het onderliggende beoordelingsrapport aan het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband. Die besturen kunnen gezamenlijk binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het ontwerp, bezwaren en opmerkingen formuleren.

Het beoordelingsrapport en het accreditatiebesluit worden uiterlijk op 1 juni 2030 aan het bestuur van de hogeschool en het bestuur van de secundaire school in kwestie van het samenwerkingsverband bezorgd.

De volgende besluiten zijn mogelijk:
1°     gunstig;
2°     ongunstig;
3°     gunstig met voorwaarden en met een beperkte geldigheidsduur van één of twee schooljaren.

Een gunstig accreditatiebesluit heeft een geldigheidsduur van vijf schoolja-ren. Uiterlijk op 31 oktober van het vijfde schooljaar dient het samenwerkings-verband telkens opnieuw een accreditatieaanvraag in bij de accreditatieorgani-satie.

Voor een gunstig accreditatiebesluit met voorwaarden en met een beperkte geldigheidsduur wordt uiterlijk op 31 oktober van het laatste accreditatie-schooljaar een nieuwe accreditatieaanvraag bij de accreditatieorganisatie ingediend.”.
 

Artikel 168/6

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2024- ...)

Ingeval uren-leraar in de opleiding Basisverpleegkunde worden georganiseerd in vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken, worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximaal 3 procent van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.

HOOFDSTUK 2. Teldata (... - ...)

Artikel 169. (01/09/2020- 31/08/2024)

§ 1. De datum voor de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds onderwijs wordt vastgesteld op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor :
- de vaststelling van de omkaderingsnormen van het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel;
- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;
- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.

§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van de opties van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als secundair na secundair en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :
- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,
- en 15 mei of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.

Op elke datum wordt een regelmatige leerling of cursist voor een halve eenheid in aanmerking genomen.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1, geldt 1 juni of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, als tellingsdatum voor vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen van het onthaalonderwijs dat na 1 februari of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, wordt opgericht op basis van artikel 179/3, derde lid, en dit met het oog op de financiering of subsidiëring van het daaropvolgend schooljaar. Vanaf het schooljaar daarna wordt de regeling als vermeld in paragraaf 1 van toepassing.

Artikel 170. (01/09/2023- ...)

Voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van het werkingsbudget en de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie, wordt, voor wat betreft een optie aangeduid als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs, het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op één van beide teldata zoals bepaald in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum. Deze bepaling geldt evenwel niet indien op laatstgenoemde datum geen regelmatige leerlingen kunnen worden geteld omdat de school ervoor heeft gekozen in het lopende semester de betrokken optie niet in het studieaanbod te voorzien, waardoor er geen inschrijvingen konden worden gerealiseerd. (169)

Artikel 171. (01/09/2017- ...)

Voor de scholen die worden opgericht of voor het eerst in de financiering of subsidiering worden opgenomen of die in opbouw zijn, is de teldatum vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar van oprichting of opname in de financiering of subsidiëring of opbouw.

Onder scholen in opbouw wordt verstaan scholen die tijdens aaneensluitende schooljaren hun onderwijsaanbod uitbreiden hetzij leerjaar per leerjaar, hetzij met meer leerjaren gelijktijdig.
 

Artikel 172. (01/09/1990- ...)

§ 1. De teldatum voor scholen die ingevolge de reglementaire rationalisatienormen verplicht zijn tot geleidelijke opheffing leerjaar na leerjaar, wordt vanaf het schooljaar waarin de geleidelijke opheffing een aanvang neemt, bepaald op 1 oktober van het lopende schooljaar.

§ 2. Een fusie of afsplitsing van scholen of een toetreding van een school tot of een uittreding van een school uit een scholengemeenschap op 1 september van een schooljaar, wordt geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna indien voormelde datum op een vrije dag valt, te hebben plaats gevonden voor wat de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs betreft. (171)

Artikel 173. (01/09/1992- ...)

Voor cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer geldt een eigen regeling inzake teldatum.

De datum voor de telling is vastgesteld op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan, waarvoor op deze datum leerlingen zijn ingeschreven, doch waarvoor op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen hebben gekozen.

De cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen worden georganiseerd in een bepaald leerjaar en volgens bepaald leerplan op basis van de telling van 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, maar waarvoor op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen zijn ingeschreven, worden niet langer georganiseerd of gesubsidieerd.

Voor een nog niet ingerichte cursus godsdienst of niet confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs, die wordt opgericht na 1 oktober van het lopend schooljaar, wordt de datum voor telling vastgesteld op de eerste lesdag waarop deze cursus wordt ingericht.

Een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgend een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs waarvoor vanaf een bepaalde datum, nà 1 oktober van het lopend schooljaar, geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt vanaf die bepaalde datum niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. (172)

HOOFDSTUK 3. Programmatie (... - ...)

Afdeling 1. Toepassingsgebied (... - ...)

Artikel 174. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 2. Programmatie van scholen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.3, I: 1 januari 2014)] (... - ...)

Artikel 175. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.

§ 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :
1° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;
2° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;
3° de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;
4° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd.

Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.

§ 3. Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :
1° de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;
2° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;
3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :
a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;
b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden of studiedomeinen;
c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;
4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.

§ 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan :
a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven;
b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.

§ 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. 

§ 6. De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing.

Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Afdeling 3. Programmatie van structuuronderdelen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.38, I: 1 september 2014)] (... - ...)

Artikel 176. (01/09/2023- ...)

Bij de programmatie van een structuuronderdeel voldoet het structuuronderdeel aan de volgende voorwaarden:
1° het is in overeenstemming met de afspraken die, in voorkomend geval, de scholengemeenschap maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod;
2° het heeft betrekking op een of meer vestigingsplaatsen van de school, zoals opgegeven in, naargelang het geval, de melding of de aanvraag. De voormelde voorwaarde geldt niet voor het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;
3°   het is niet toegelaten als het een van de volgende gevolgen heeft:
a)    op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer officiële scholen hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
b)    op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer vrije scholen hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
c)    op dezelfde vestigingsplaats kunnen twee of meer scholen, die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, hetzelfde structuuronderdeel organiseren;
4° als het een duaal structuuronderdeel is, heeft het betrekking op de school en het eventueel daaraan verbonden centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ongeacht waar het duale structuuronderdeel wordt aangeboden;
5° als het een duaal structuuronderdeel is, heeft het ook betrekking op een of meer aanloopstructuuronderdelen die aansluiten bij het duale structuuronderdeel;
6° het heeft geen betrekking op pakketten in het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B;
7° het impliceert het recht om, naargelang het geval, na de melding of na de goedkeuring van de aanvraag het structuuronderdeel te organiseren met ingang van het eerste of het tweede daaropvolgende schooljaar.

In afwijking van het eerste lid, 3°, is de progressieve afbouw van een tweejarig structuuronderdeel door de ene school mogelijk als die, op dezelfde vestigingsplaats, samenvalt met de progressieve uitbouw van datzelfde structuuronderdeel door een andere school.

Als de vestigingsplaats, vermeld in het eerste lid, 2°, een nieuwe, al dan niet bijkomende, vestigingsplaats is, wordt, naargelang het geval, in de melding of aanvraag van programmatie, alleen de gemeente als vestigingsplaats opgegeven als de exacte vestigingsplaats nog niet bekend of goedgekeurd is.

Artikel 176/1. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 177. (01/09/2023- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 176 is de programmatie vrij van:
1° het eerste leerjaar A;
2° het eerste leerjaar B;
3° een niet­niche basisoptie van het tweede leerjaar A;
4° een niet­niche basisoptie van het tweede leerjaar B;
5° een niet-niche structuuronderdeel van een studiedomein én onderwijsvorm dat de school al organiseert;
6° een niet-niche domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso als de school al minstens één domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso organiseert;
7° een duaal structuuronderdeel dat dezelfde naam heeft als een niet­duaal structuuronderdeel dat de school al organiseert of mag organiseren, en omgekeerd. Het voormelde geldt niet bij programmatie van een niet-duaal structuuronderdeel door een school voor voltijds secundair onderwijs als alleen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat aan die school is verbonden, het gelijknamige duale structuuronderdeel al organiseert;
8° een of meer structuuronderdelen van een of meer studiedomeinen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a)    de structuuronderdelen zijn geen niche­structuuronderdelen;
b)    de programmatie is beperkt tot het strikt noodzakelijke om in een of meer studiedomeinen een domeinschool te worden;
c)    de programmatie door middel van één geïntegreerd dossier wordt ingediend;
9° een domeinoverschrijdend structuuronderdeel aso op voorwaarde dat de school een domeinschool of campusschool is.

Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Artikel 178. (01/09/2023- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 176 vraagt het schoolbestuur de programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder de toepassing van artikel 177 valt, bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aan uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar. De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn.

De motivering van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, houdt in elk geval rekening met de criteria, vermeld in het vierde lid, 1° tot en met 8°. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het
proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van de volgende instanties:
1° de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse Onderwijsraad;
3° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt: de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.

De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de volgende cumulatieve criteria:
1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
2° de eventuele opheffing van een of meer bestaande structuuronderdelen die gelijktijdig met de programmatie doorgevoerd worden;
3° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
4° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
5° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap;
6° in geval van een structuuronderdeel met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:
a)    de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
b)    de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters binnen en buiten de betrokken scholengemeenschap zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod;
8° in geval van een duaal structuuronderdeel: de afstemming binnen het overlegforum, vermeld in artikel 357/32.

De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.

Artikel 178/1. (01/09/2023- ...)

...

Artikel 179. (01/09/2023- ...)

§1. Voor een structuuronderdeel dat is geprogrammeerd vanaf het schooljaar 2024­2025 of later op basis van artikel 177 of 178, geldt per afzonderlijke vestigingsplaats van de school een minimumnorm die is vastgesteld op vijf regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober van het schooljaar van programmatie. In de tweede graad en, uitgezonderd het derde leerjaar, de derde graad wordt de voormelde minimumnorm toegepast op het eerste leerjaar van de graad in kwestie.

In afwijking van het eerste lid:
1°  geldt geen minimumnorm voor de structuuronderdelen met in de benaming de component ‘topsport’;
2° wordt de minimumnorm toegepast op de niet-duale variant, de duale variant en de aanloopvariant van een gelijknamig structuuronderdeel samen;
3° wordt de minimumnorm toegepast op de eerste lesdag van oktober of op de eerste lesdag van maart, naargelang het geval, van het schooljaar van programmatie als het een structuuronderdeel betreft van het derde leerjaar van de derde graad dat op semesterbasis wordt georganiseerd.

§2. Als de minimumnorm, vermeld in paragraaf 1, noch in het schooljaar van programmatie, noch in het daaropvolgende schooljaar wordt bereikt, gelden vanaf 1 september daaropvolgend in de betrokken vestigingsplaats de volgende bepalingen:
1° in de eerste graad en het derde leerjaar van de derde graad: het structuuronderdeel wordt opgeheven;
2° in de tweede graad en, uitgezonderd het derde leerjaar, de derde graad: het structuuronderdeel wordt geleidelijk opgeheven, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar.
 
De Vlaamse Regering bepaalt de structuuronderdelen die gericht zijn op knelpuntberoepen waarvoor, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde “in het daaropvolgend schooljaar” wordt vervangen door de voorwaarde “in de twee daaropvolgende schooljaren”.

§3. Een school met een structuuronderdeel waarop in ten minste een van haar vestigingsplaatsen de bepalingen, vermeld in paragraaf 2, van toepassing zijn, kan gedurende drie schooljaren vanaf de volledige opheffing in geen enkele van haar vestigingsplaatsen dat structuuronderdeel opnieuw programmeren. Dat structuuronderdeel opnieuw organiseren door overheveling door een andere school kan niet.

Artikel 179/1. (01/09/2023- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 176, uitgezonderd de mogelijkheid om het structuuronderdeel te organiseren met ingang van het tweede daaropvolgende schooljaar, vermeld in artikel 176, eerste lid, 7°, kan tot en met het schooljaar 2024-2025 in het bso een structuuronderdeel van het derde leerjaar van de derde graad worden geprogrammeerd, met uitzondering van het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs, dat door de Vlaamse Regering is vastgelegd in uitvoering van artikel 124 en 126.

De programmatie wordt opgevat als noodzakelijk om, na de verleende programmatie van een structuuronderdeel van de derde graad bso, de studiecontinuïteit van de leerlingen te garanderen binnen de school of scholengemeenschap vanaf het schooljaar dat onmiddellijk volgt op de volledige uitbouw van het eerder geprogrammeerd structuuronderdeel. De studiecontinuïteit maakt het mogelijk om het diploma van secundair onderwijs te verwerven.

In voorkomend geval vraagt het schoolbestuur de programmatie bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aan uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar. De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn. Bij de voormelde aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
1°   het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

De Vlaamse Regering beslist over de programmatie na advies van enerzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en anderzijds de Vlaamse Onderwijsraad. De voormelde beslissing wordt genomen uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.

Artikel 179/2. (01/09/2023- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 176 kan tot en met het schooljaar 2024-2025 in het bso het 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs, vrij worden geprogrammeerd. De programmatie wordt opgevat als een voorbereiding op de lokale invulling van het gemoderniseerde secundaire studieaanbod.
 
Het schoolbestuur meldt de programmatie schriftelijk bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
1° het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Artikel 179/3. (01/09/2019- ...)

Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen:
1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.

Vanaf 1 november 2015 en tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum worden de bepalingen van het tweede lid buiten werking gesteld en gelden voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers de volgende bepalingen :
1° de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :
a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° binnen tien werkdagen wordt een advies gegeven enerzijds door de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds door de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
3° uiterlijk twee maanden na indiening van de aanvraag neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Die beslissing is gebaseerd op de verwachte instroom van anderstalige nieuwkomers versus het al dan niet behoeftedekkend bestaande aanbod van onthaalonderwijs. Bij gunstige beslissing wordt tevens bepaald vanaf welk tijdstip het onthaaljaar kan worden opgericht.

Artikel 179/4. (01/09/2023- ...)

...

Afdeling 4. Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren (... - ...)

Artikel 180. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 5. Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren (... - ...)

Artikel 181. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 182. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 183. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 184. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 185. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 186. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 187. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 188. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 4. Rationalisatie en fusie (... - ...)

Afdeling 1. Rationalisatienormen (... - ...)

Artikel 189. (01/09/2023- ...)

Voor de toepassing van de rationalisatienorm worden niet in aanmerking genomen :
1° de leerlingen van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;
2° de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een 7de leerjaar gericht op het hoger onderwijs in het algemeen en kunstsecundair onderwijs;
3° de leerlingen van de 7de leerjaren van het technisch en kunstsecundair onderwijs. (188)

Artikel 190. (01/09/2023- ...)

§ 1.Voor elke school geldt een rationalisatienorm.

§ 2. De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de school, als volgt vastgesteld :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 111;
b) met een eerste + tweede graad : 200;
c) met een tweede + derde graad : 150;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 261;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 83;
b) met een eerste + tweede graad : 150;
c) met een tweede + derde graad : 113;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 196. (189)

Artikel 191. (01/09/2023- ...)

In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 94;
b) met een eerste + tweede graad : 170;
c) met een tweede + derde graad : 129;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 223;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 71;
b) met een eerste + tweede graad : 128;
c) met een tweede + derde graad : 97;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 168. (190)

Artikel 192. (01/09/2023- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 74;
b) met een eerste + tweede graad : 133;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 55;
b) met een eerste + tweede graad : 99.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met een tweede + derde graad : 100;
b) met een eerste + tweede + derde graad : 174;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijven :
a) met een tweede + derde graad : 75;
b) met een eerste + tweede + derde graad : 130.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met :
1° een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;
b) structuuronderdeel:
1)    alle structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad, met uitzondering van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B;
2)    het hoger beroepsonderwijs;
2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en
c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert. (191)

Artikel 193. (01/09/1998- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° met een tweede + derde graad : 50;
2° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met scholen, bedoeld in artikel 192, § 3. (192)

Artikel 194. (01/09/1998- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals bedoeld in artikel 192, § 3, 1°, als volgt vastgesteld :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67;
3° met een tweede + derde graad : 50;
4° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en
c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert, als volgt vastgesteld :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67;
3° met een tweede + derde graad : 50;
4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. (193)

Artikel 195. (01/09/2023- ...)

§ 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.

§ 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)

Artikel 196. (01/09/2015- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt per graad de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend zeevisserijonderwijs organiseert als volgt vastgesteld :
1° eerste graad : 37;
2° tweede graad : 30;
3° derde graad : 20.

§ 2. De rationalisatienormen vermeld in § 1 zijn niet vereist indien de school de enige is die in het betrokken onderwijsnet zeevisserijonderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar zeevisserijonderwijs gerichte structuuronderdelen "wetenschappen" (tweede graad aso) en "wetenschappen-wiskunde" (derde graad aso) organiseert.

Artikel 197. (01/09/1999- ...)

In afwijking van artikel 190, § 1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die, behoudens een eventuele eerste graad, enkel het studiegebied ballet organiseert. (196)

Artikel 197/1. (01/09/2023- ...)

§ 1. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 51, 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
2° de rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een onderwijsinternaat verblijft:
a) met alleen een eerste graad: 55;
b) met een eerste en tweede graad: 99;
c) met een tweede en derde graad: 75;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 130;
2° voor een instelling die niet ressorteert onder punt 1° :
a) met alleen een eerste graad: 74;
b) met een eerste en tweede graad: 133;
c) met een tweede en derde graad: 100;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 174.

§ 2. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 51 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
a) met alleen een eerste graad: 37;
b) met een eerste en tweede graad: 67;
c) met een tweede en derde graad: 50;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 87.

§ 3. Voor een instelling die:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder toepassing valt van artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 539 van 31 maart 1987;
2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, niet onder toepassing valt van artikel 52, § 1, van hetzelfde decreet, wordt, tenzij de instelling onder toepassing valt van artikel 51 of 52, § 2, van hetzelfde decreet, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld:
a) met alleen een eerste graad: 37;
b) met een eerste en tweede graad: 67;
c) met een tweede en derde graad: 50;
d) met een eerste en tweede en derde graad: 87.

Artikel 198. (01/01/2013- ...)

Elke school die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari van de twee voorafgaande schooljaren, dient op 1 september:
1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden of tot geleidelijke afbouw van het hoger beroepsonderwijs, onverminderd het in artikel 134 gestelde;
2° hetzij te fusioneren met een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. (197)

Artikel 199. (01/01/2013- ...)

...

Afdeling 2. Fusie van scholen (... - ...)

Artikel 200. (01/09/2017- ...)

Een fusie van scholen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer scholen :
1° houdt het ontstaan in van een school die niet als nieuw wordt beschouwd en die alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;
2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één schoolbestuur en één directeur is;
3° vindt plaats :
a) hetzij door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;
b) hetzij door samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt;
4° kan betrekking hebben op één of meer scholen die in geleidelijke afbouw zijn;
5° wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie uiterlijk op 1 april van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Ook een afbouw van een school, al dan niet als gevolg van het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, wordt door het schoolbestuur in kwestie uiterlijk op 1 april van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

 

Artikel 201. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 202. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 5. [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.49, I: 1 januari 2014)] Overheveling (... - ...)

Afdeling 1. Toepassingsgebied (... - ...)

Artikel 203. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 204. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 2. Omvorming (... - ...)

Artikel 205. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 3. Overheveling (... - ...)

Artikel 206. (01/09/2023- ...)

Vanaf 1 september kunnen een of meer structuuronderdelen tussen scholen worden overgeheveld onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° alle structuuronderdelen, met uitzondering van nichestructuuronderdelen, en het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers komen voor overheveling in aanmerking;
2° in voorkomend geval impliceert de overheveling van een duaal structuuronderdeel ook de overheveling van het gelijknamige niet-duale structuuronderdeel en omgekeerd. De overheveling van een duaal structuuronderdeel impliceert ook de overheveling van het gelijknamige aanloopstructuuronderdeel;
3° de scholen behoren tot dezelfde scholengemeenschap of hetzelfde schoolbestuur;
4° de school waarnaar wordt overgeheveld, organiseert al het studiedomein of een domeinoverschrijdend aso-aanbod, naargelang het geval, waartoe het overgehevelde structuuronderdeel behoort;
5° de school waarnaar wordt overgeheveld, mag niet tot fusie of afbouw zijn verplicht doordat de toepasbare rationalisatienorm niet is bereikt;
6° het schoolbestuur dat overhevelt, communiceert de overheveling uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de ouders en leerlingen;
7° de school die een structuuronderdeel overhevelt, kan dat structuuronderdeel niet gelijktijdig programmeren.
 
De overheveling, vermeld in het eerste lid, wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:
1° per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° in voorkomend geval, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de overheveling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van het werkingsbudget wordt de overheveling geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 6. Financiering en subsidiëring (... - ...)

Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden (... - ...)

Onderafdeling 1. Directeur (... - ...)

Artikel 207. (01/09/2023- ...)

In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum.

In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum.

Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206)

Artikel 208. (01/09/1998- ...)

Van zodra de titularis van het ambt van directeur van een ingebouwde middenschool, bedoeld in het tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde instellingen voor secundair onderwijs, ontslag neemt, met pensioen gaat, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt, muteert of overlijdt, wordt de betrokken school niet meer als een ingebouwde middenschool beschouwd. (207)

Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel (... - ...)

Artikel 209. (01/09/2023- ...)

§ 1. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, is opgebouwd uit :
1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken, zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, alsook een aantal uren-leraar die geen lesuren zijn, bestemd voor andere prestaties dan voor het onderwijzen van vakken en aangeduid als "pedagogische ondersteuning", niet inbegrepen.
Het aantal uren-leraar kan worden verhoogd voor de scholen gelegen in de gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners/km2, voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het arrondissement Brussel - Hoofdstad, voor de scholen die toepassing maken van de bepalingen van artikel 192 tot en met 195 inzake rationalisatienormen en voor de op basis van objectieve criteria aangeduide categorieën leerlingen of scholen;
2° een aantal uren-leraar, voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Deze bepaling is alleen van toepassing op de structuuronderdelen met levensbeschouwelijk onderricht in de basisvorming.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend.

Bij de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs wordt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend die op 1 september 2021 van kracht is, maximaal behouden, met dien verstande dat:
1° de coëfficiënt uren-leraar per regelmatige leerling in een structuuronderdeel vóór de modernisering waar mogelijk wordt doorgetrokken naar het, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdeel vanaf de modernisering;
2° specifieke uren-leraar, al dan niet per regelmatige leerling of groep van regelmatige leerlingen, in een structuuronderdeel of groep van structuuronderdelen vóór de modernisering worden doorgetrokken naar de, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdelen vanaf de modernisering;
3° als uren-leraar aan disciplines zijn gekoppeld, artikel 133/4, § 1/1, van toepassing is.

De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden een aanwendingspercentage vastleggen van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school toegekend wordt. (208)

Artikel 209/1. (01/09/2020- ...)

...

Artikel 210. (01/09/2006- ...)

Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap zijn toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar, na toepassing van de reglementair voorziene berekeningswijze en aanwendingspercentage, verhoogd met 1 %.

Deze bijkomende uren-leraar worden door de betrokken scholen aangewend op de wijze zoals bepaald in artikel 65. (209)

Artikel 211. (01/09/2023- ...)

§ 1. De aanwending van het aantal wekelijks aantal uren-leraar dat elke school verkrijgt, is vrij, onverminderd de beperkingen gesteld door of krachtens een decreet.

Het wekelijks aantal uren-leraar kan eveneens worden aangewend binnen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan de school waaraan de uren-leraar worden toegekend.

Onder aantal uren-leraar worden verstaan de uren verkregen in toepassing van artikel 209, evenals de uren-leraar waarover een school kan beschikken na herverdeling van uren-leraar door zijn schoolbestuur, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap.

§ 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.

Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :
1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", "aanvangsbegeleiding" "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs;
2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast.

§ 3. Een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan het wekelijks aantal uren-leraar, vermeld in paragraaf 1, ook aanwenden voor het inzetten van een gastleraar in volgende structuuronderdelen:
1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;
2° alle structuuronderdelen van de derde graad tso;
3° alle structuuronderdelen van de derde graad bso;
4° hbo-verpleegkunde.

Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan gastleraren kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale Veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.
 
Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of centrumbestuur of van het personeel van de school of het centrum. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de school, in het centrum of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.

Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit
596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van het voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een school die of in een centrum dat in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De gastleraar bewijst die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.

Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden uren-leraar omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.

§ 3bis. In afwijking van paragraaf 3, eerste en tweede lid, kan een schoolbestuur van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2025 in het voltijds secundair onderwijs in elk structuuronderdeel uren-leraar aanwenden voor van het inzetten van gastleraren en dit voor een maximum van een derde van de lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel.

Deze maatregel wordt geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025.

§ 4. Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025 maximaal 20% van de aan de school toegekende vacante uren-leraar, vermeld in artikel 209, § 1, 1°, 226, 227, 234 en 235, omzetten in punten voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel.

De omzettingen, vermeld in het eerste lid, kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar. In afwijking hiervan eindigt een omzetting van uren-leraar als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via voormelde omzetting werd opgericht in een ambt van het ondersteunend personeel, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.

De punten die verkregen worden door de omzetting, vermeld in het eerste lid, worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de scholen aangewend zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uren-leraar kunnen worden omgezet in punten voor het ondersteunend personeel.

De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.

De betrekkingen die opgericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.

Artikel 211/1. (01/09/2023- ...)

§1. Een schoolbestuur kan bij een tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt een deel van zijn omkadering voor het onderwijzend personeel van een of meer van zijn scholen telkens voor maximaal één schooljaar aanwenden om via een overeenkomst van dienstverlening tussen het schoolbestuur en een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector in die school of scholen een of meer werknemers van die organisatie of onderneming in dienst te nemen via een dienstverleningsovereenkomst. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn niet van toepassing op de voormelde werknemers.

Bij de wijze van aanwending van de omkadering voor het onderwijzend personeel, vermeld in het eerste lid, kan het schoolbestuur dat het personeelslid in dienst neemt, uren-leraar van een of meer van zijn scholen, vermeld in het eerste lid, omzetten in een krediet ten belope van de lesopdracht of lesopdrachten die in de dienstverleningsovereenkomst zijn vastgelegd. Het voormelde krediet wordt aangewend als financiële tegemoetkoming voor de onderneming of de organisatie, vermeld in het eerste lid, die een of meer werknemers ter beschikking stelt van het schoolbestuur. Het schoolbestuur wendt voor de voormelde financiële tegemoetkoming uren-leraar aan uit het pakket wekelijkse uren-leraar, vermeld in artikel 209, §1, dat aan de school is toegekend.

De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag per uur-leraar dat een schoolbestuur kan omzetten in een krediet voor de financiële tegemoetkoming, vermeld in het tweede lid, en de wijze van melding van voormelde omzetting aan de bevoegde dienst die de Vlaamse Regering aanwijst. Het schoolbestuur machtigt de bevoegde dienst van de administratie om de voormelde financiële tegemoetkoming rechtstreeks uit te betalen aan de organisatie of onderneming, vermeld in het eerste lid, waarmee het schoolbestuur een dienstverleningsovereenkomst sluit.

De Vlaamse Regering stelt een model van dienstverleningsovereenkomst op, waarbij ze rekening houdt met de voorwaarden, vermeld in van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden al de volgende elementen opgenomen:
1° de specifieke opdracht van de werknemer, vermeld in het eerste lid, in de school;
2° de aanstellingsen arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemer, vermeld in het eerste lid, waarbij alvast het salaris en de financiële voordelen die de voormelde werknemer in zijn onderneming of organisatie geniet gegarandeerd blijven door de uitsturende onderneming of organisatie;
3° de opleiding die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet gevolgd hebben;
4° de plichten die de werknemer, vermeld in het eerste lid, moet naleven bij het uitoefenen van zijn opdracht. In de voormelde verplichtingen wordt alvast uitdrukkelijk bepaald dat de voormelde werknemer altijd onder het gezag blijft van zijn organisatie of onderneming, tenzij het gaat om plichten die betrekking hebben op het welzijn op het werk of over specifieke instructies die nodig zijn voor de goede uitvoering van de specifieke opdracht;
5° de duur van de dienstverleningsovereenkomst;
6° de mogelijkheden tot voortijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst.
 
De werknemers, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in het vierde lid. Werknemers als vermeld in het eerste lid, die ter beschikking worden gesteld van een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.

§2. Het tekort van onderwijzend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de school waar het de werknemer van een organisatie of onderneming, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Om de vacature, vermeld in het eerste lid, in te vullen, sluit het schoolbestuur van de school een dienstverleningsovereenkomst met de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In de voormelde dienstverleningsovereenkomst worden de afspraken over de terbeschikkingstelling van een werknemer van de onderneming of organisatie voor een welbepaalde opdracht en de periode van de terbeschikkingstelling opgenomen. De dienstverleningsovereenkomst regelt altijd een lesopdracht die de volgende taken omvat:
1° de planning en voorbereiding van lessen;
2° het lesgeven zelf;
3° de klaseigen leerlingenbegeleiding;
4° de evaluatie van de leerlingen;
5° het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, en in voorkomend geval CLB, leersteuncentra en ouders.

Het schoolbestuur en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, sluiten een dienstverleningsovereenkomst als vermeld in paragraaf 1, af. De voormelde dienstverleningsovereenkomst bevat de volgende bepalingen en voorwaarden over de uitvoering van de opdracht, vermeld in het tweede lid:
1° de gegevens van het schoolbestuur dat als opdrachtgever optreedt en de gegevens van de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die als opdrachtnemer optreedt;
2° de contactgegevens van de gemachtigden die de beide partijen aanwijzen;
3° de opdracht die wordt overeengekomen, de wijze van uitvoering van die op-
dracht en de ondersteuning waarop de werknemer recht heeft tijdens die uitvoering en die de school aanbiedt;
4° de voorwaarden waaraan de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inschakelt, moet beantwoorden, waarbij uitdrukkelijk bepaald wordt dat de werknemer onder het gezag blijft van de onderneming of organisatie, tenzij het gaat om instructies die het schoolbestuur aan de werknemer geeft in het kader van de uitvoering van de opdracht en die in de deelovereenkomst worden opgenomen;
5° de financiële en sociale verplichtingen ten aanzien van de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, die ten laste van de onderneming of organisatie blijven;
6° de financiële tegemoetkoming die het schoolbestuur betaalt aan de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de modaliteiten van betaling;
7° bepalingen over de vertrouwelijkheid waartoe de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich verbindt met het oog op de uitvoering van de opdracht. In de voormelde bepalingen wordt in elk geval opgenomen dat de werknemer van de onderneming of organisatie het ambtsgeheim in onderwijs moet naleven;
8° bepalingen over de intellectuele eigendom waarbij de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zich ermee akkoord verklaart dat alle auteursof andere intellectuele rechten op werken die in het kader van de uitvoering van de opdracht worden gerealiseerd, overgedragen worden aan het schoolbestuur en waarbij afspraken opgenomen kunnen worden over het eventuele interne gebruik van dit intellectuele eigendom in de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid;
9° bepalingen over de aansprakelijkheid bij de uitvoering van de opdracht, waarbij in elk geval wordt opgenomen dat het schoolbestuur ervoor zorgt dat de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, tijdens de uitvoering van de opdracht op dezelfde wijze is verzekerd als al zijn andere personeelsleden;
10° de bepalingen, vermeld in artikel 8 tot en met 10 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
11° de duurtijd van de dienstverleningsovereenkomst.

§3. De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, selecteert een werknemer om de opdracht uit te oefenen die in de dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, is vastgelegd. De werknemer moet aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° de werknemer is minstens drie jaren in dienst bij de onderneming of de organisatie;
2° de werknemer is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven;
3° de werknemer die ter beschikking wordt gesteld van een school die in het Nederlandse taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, beschikt over de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, wat blijkt uit het feit dat de werknemer het Nederlands beheerst op het niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen. Die vereiste taalkennis blijkt uit het feit dat de werknemer minstens beschikt over een diploma dat in het Nederlands is behaald en dat toegang geeft tot een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;
4° de werknemer beschikt over een diploma dat minstens een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is voor het wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel waarin hij een lesopdracht opneemt conform artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
 
De onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, stelt de werknemer, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor aan het schoolbestuur, dat controleert of de werknemer aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet en dat vervolgens beslist om de opdracht al of niet toe te kennen aan de voormelde werknemer. Het schoolbestuur bewaart de gegevens van de voormelde werknemer, vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, die het door de voormelde controle verkrijgt op de wijze en gedurende de termijnen die het schoolbestuur al hanteert voor de gegevens van al zijn personeelsleden, conform de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

§4. De individuele opdracht van de werknemer, vermeld in paragraaf 3, in de school wordt opgenomen in een deelovereenkomst conform het model van deelovereenkomst dat is opgenomen in het model van dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 1.

In de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, worden ook de specifieke afspraken opgenomen over de aanvangsbegeleiding en ondersteuning waarop de werknemer, vermeld in het eerste lid, een beroep kan doen in de school waar hij zijn lesopdracht opneemt.

De werknemer, vermeld in het eerste lid, blijft tijdens de uitvoering van de overeengekomen opdracht altijd onder het gezag van zijn onderneming of organisatie. Het schoolbestuur kan aan de voormelde werknemer in het kader van de uitvoering van de concrete lesopdracht instructies geven. De bepalingen over die instructies worden opgenomen in een bijlage bij de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.

De werknemer, vermeld in het eerste lid, behoudt tijdens de uitvoering van de opdracht in de school het salaris waar hij bij zijn onderneming of organisatie recht op heeft, en ook alle daarbij horende financiële en extralegale voordelen.

De dienstverleningsovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, derde lid, regelt de algemene rechtsverhouding tussen het schoolbestuur en de onderneming of organisatie voor de duur van de overeengekomen opdracht. Bij een tegenstrijdigheid of afwijking hebben de bepalingen van de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid, voorrang op de bepalingen van de dienstverleningsovereenkomst. De bepalingen van een recentere deelovereenkomst als vermeld in het eerste lid, hebben altijd voorrang op die van een vorige deelovereenkomst.

De werknemer, vermeld in het eerste lid, is in het kader van de lesopdracht die hij in de school opneemt ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad. Tussen de school en de onderneming of organisatie, vermeld in paragraaf 1, worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de voormelde werknemer in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de voormelde werknemer op klassenraadsvergaderingen. De voormelde afspraken worden opgenomen in de deelovereenkomst, vermeld in het eerste lid.

In het zesde lid wordt verstaan onder klassenraad: de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in het voltijds gewoon secundair onderwijs.

§5. De Vlaamse Regering kan subsidies toekennen aan een externe organisatie of bedrijf om in het kader van het lerarentekort tussen schoolbesturen en ondernemingen of organisaties een bemiddelende of coachende rol op te nemen.

§6. De maatregelen, vermeld in dit artikel, worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025.
 

Artikel 212. (01/09/1999- ...)

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend en dat aangewend wordt voor het voltijds secundair onderwijs dat niet georganiseerd is volgens een modulair stelsel, kan slechts ten belope van 3 % gebruikt worden voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken.

Dit maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (211)

Artikel 213. (01/09/2019- ...)

Wanneer de onderwijsinspectie in een school een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van volgende groepen :
1° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B, en/of
2° de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs, en/of
3° de derde graad van het beroepssecundair onderwijs,
formuleert zij een omstandig en gemotiveerd advies ten behoeve van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de elementen van toetsing bepalen waarmee het advies dient rekening te houden.

De Vlaamse Regering kan op basis van dit advies ten aanzien van de betrokken school een norm bepalen, boven dewelke de wekelijkse uren-leraar die aan elke school worden toegekend, gegenereerd door de in het eerste lid bedoelde groepen, niet kunnen worden aangewend voor andere groepen. Zij kan daarbij evenwel bepalen dat deze norm kan worden overschreden binnen hetzelfde studiegebied.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedurele regelen terzake, rekening houdend met de hoorplicht. (212)

Artikel 214. (01/09/1990- ...)

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend is bestemd voor de toewijzing van de opdrachten aan de titularissen van het onderwijzend personeel.

Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt.

Bovenstaande bepaling impliceert dat de prestaties, geleverd door tijdelijke vervangers van voornoemde titularissen, onafhankelijk van het voor de school beschikbare pakket uren-leraar gefinancierd of gesubsidieerd worden.(213)

Artikel 215. (01/09/2001- ...)

Bij toewijzing aan titularissen van het onderwijzend personeel of aan hun tijdelijke vervangers van opdrachten die niet gebaseerd zijn op het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, op andere gefinancierde of gesubsidieerde uren-leraar of op uren, bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. (214)

Artikel 216. (01/09/2023- ...)

§ 1. Het aantal organiseerbare plage-uren wordt gereduceerd volgens het hierna bepaalde.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;
b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).

§ 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap.

Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.

§ 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.

§ 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.

§ 5. Personeelsleden kunnen slechts met plage-uren worden belast als die plage-uren om organisatorische redenen noodzakelijk zijn en op een billijke en transparante wijze georganiseerd worden. Over de algemene regels die het schoolbestuur hierbij zal hanteren, wordt bij de voorbereiding van het schooljaar in elke school onderhandeld in de bevoegde organen. (215)

[Onderafdeling 3. Scholen met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart (verv. decr. 20 april 2018, art. 45, I: 1 september 2019)] (... - ...)

Artikel 217. (01/09/2019- ...)

...

Artikel 218. (01/09/2019- ...)

Een school die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd wordt, met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.

De Vlaamse Regering kan, naargelang van de beschikbare begrotingskredieten, de enveloppe, vermeld in het eerste lid, aanpassen, waarbij ze rekening houdt met het aantal leerlingen in die studierichting.

Artikel 219. (01/01/2007- ...)

De betrokken school wendt de puntenenveloppe, vermeld in deze onderafdeling, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.

De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. (218)

Artikel 220. (01/01/2007- ...)

Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. (219)

Onderafdeling 4. Topsportscholen (... - ...)

Artikel 221. (01/09/2023- ...)

§1. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.

Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.

§2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.

In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212.

§3. Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste één regelmatige leerling op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming “topsport”, wordt een aantal specifieke uren-leraar toegekend onder de volgende modaliteiten:
1°    het aantal uren-leraar bedraagt 0,2 uren-leraar per regelmatige leerling vanaf de 26e regelmatige leerling;
2°    indien het aantal regelmatige leerlingen lager ligt dan 25, bedraagt het aantal uren-leraar 0,85 uren-leraar per regelmatige leerling;
3°    het aantal toegekende uren-leraar bedraagt maximaal 22.
 
De specifieke uren-leraar, vermeld in het eerste lid, worden ingericht onder de vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.

De desbetreffende uren worden niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3% van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken als vermeld in artikel 212.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden scholen van hetzelfde schoolbestuur als één school beschouwd. De specifieke uren-leraar worden in dat geval steeds toegekend aan de school die valt onder de toepassing van het gesloten topsportconvenant.

Onderafdeling 5 : Onthaalonderwijs (... - ...)

Artikel 222. (01/01/2013- ...)

Naast de basisfinanciering of -subsidiëring, inherent aan het voltijds secundair onderwijs, vindt een specifieke financiering of subsidiëring tijdens het lopende schooljaar plaats die fluctueert met bepaalde schommelingen van het aantal anderstalige nieuwkomers. Daarenboven vindt ook een specifieke financiering of subsidiëring plaats teneinde gewezen anderstalige nieuwkomers verder te ondersteunen, op te volgen en te begeleiden.

De Vlaamse Regering bepaalt de omvang en de duur van die financiering of subsidiëring en de data voor telling van het aantal anderstalige nieuwkomers. (221)

Onderafdeling 6 : Kunstsecundaire scholen (... - ...)

Artikel 223. (01/09/1999- ...)

De Vlaamse Regering kan aan scholen die voltijds gewoon kunstsecundair onderwijs organiseren en die betrokken zijn bij een convenant dat zij heeft afgesloten met de betrokken schoolbesturen en/of representatieve verenigingen ervan en met de partners uit een culturele sector, een bijkomende financiering of subsidiëring toekennen. Zij bepaalt de voorwaarden waaraan de leerlingen, die deze bijkomende financiering of subsidiëring genereren, moeten voldoen evenals de vorm waaronder deze middelen worden toegekend. (222)

Onderafdeling 7 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad (... - ...)

Artikel 224. (01/09/2002- ...)

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en op het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers. (223)

Artikel 225. (01/01/2023- ...)

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
1° het gezin ontvangt één of meerdere selectieve participatietoeslagen leerling;
2° de leerling is leerling met een zorgthuis;
3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs bepaalt zij tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren. De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (224)

Artikel 226. (01/09/2021- ...)

Scholen kunnen jaarlijks extra uren-leraar krijgen, voorzover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 10 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 227 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en, voor alle graden samen,  ten minste zes extra uren-leraar genereren.

Wanneer een school op 1 januari van het voorgaande schooljaar vestigingsplaatsen heeft die niet in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn, worden de verschillende vestigingsplaatsen voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid en van artikel 227 als school beschouwd. (225)

Artikel 227. (01/09/2021- ...)

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar jaarlijks als volgt:
1° de in artikel 226 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatig leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absoluut aantal van deze leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
3° het aantal punten van scholen met ten minste 55 % leerlingen die aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar een punt vertegenwoordigt.

Artikel 228. (01/09/2021- ...)

De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.

Artikel 229. (01/09/2021- ...)

...

Artikel 230. (01/09/2021- ...)

...

Artikel 231. (01/09/2021- ...)

De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 242 van deze codex, en de extra uren-leraar, vermeld in artikel 226 tot en met 228 van deze codex, gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

Artikel 231/1. (01/09/2021- ...)

...

Onderafdeling 8 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad (... - ...)

Artikel 232. (01/09/2002- ...)

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs. (231)

Artikel 233. (01/01/2023- ...)

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
1° het gezin ontvangt één of meerdere selectieve participatietoeslagen leerling;
2° de leerling is leerling met een zorgthuis;
4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Zij bepaalt tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren.

De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (232)

Artikel 234. (01/09/2021- ...)

Scholen kunnen jaarlijks extra uren-leraar/puntenwaarden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 25 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 235 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en, voor alle graden samen,  ten minste zes extra uren-leraar genereren.

De schoolbesturen bepalen of de extra ondersteuning uren-leraar en/of puntenwaarden betreft. (233)

Artikel 235. (01/09/2021- ...)

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar/puntenwaarden jaarlijks als volgt:
1° de in artikel 234 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
3° het aantal punten van scholen met ten minste 55 % leerlingen die aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar of puntenwaarden een punt vertegenwoordigt.

Artikel 236. (01/09/2002- ...)

De extra uren-leraar worden uitgeoefend in het ambt van leraar of van godsdienstleraar. Met de puntenwaarden worden halftijdse of voltijdse betrekkingen opgericht in het ambt van opvoeder. (235)

Artikel 237. (01/09/2021- ...)

De extra uren-leraar/puntenwaarden kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.

Artikel 238. (01/09/2021- ...)

...

Artikel 239. (01/09/2021- ...)

...

Artikel 240. (01/09/2021- ...)

De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 242 van deze codex, en de extra uren-leraar/puntenwaarden, vermeld in artikel 234 tot en met 237 van deze codex, gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

Artikel 241. (01/09/2021- ...)

...

Artikel 241/1. (01/09/2021- ...)

...

Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking (... - ...)

Onderafdeling 1 : Leerlingen- en schoolkenmerken (... - ...)

Artikel 242. (01/09/2023- ...)

§ 1.Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende kenmerken :
1° leerlingenkenmerken :
a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;
b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een selectieve participatietoeslag leerling hadden, ook meegerekend;
c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;
d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;
2° schoolkenmerken :
a) het studiegebied en de onderwijsvorm in het gewoon onderwijs;
b) het type in het buitengewoon onderwijs;
c) ...;
d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.

§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en leerlingen met een zorgthuis worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Onder trekkende bevolking worden de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners verstaan, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden. Leerlingen die hun woonplaats hebben in dunbevolkte buurten worden niet geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Voor alle leerlingen uit het gewoon secundair onderwijs wordt het 75ste percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75ste percentiel, beantwoorden aan de indicator « woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd ».

Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de Vlaamse Regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend. (241)

Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen (... - ...)

Artikel 243. (01/09/2023- ...)

§ 1. ...

§ 2. 1° ...
2° ...
3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.

§ 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :
a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
3° ...;
4° ...
5° ...
6° ...;
7° ...

§ 4. ...

Artikel 244. (01/01/2015- ...)

 

§ 1. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 3 procent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 243;

2° lln_Neu = leerlingen van het secundair Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel secundair onderwijs.

 

§ 2. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

 

§ 3. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243 en artikel 244, § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :

(B - V1 - V2) * Pjaarx = B_lli, waarbij :

1° Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 10,375 % voor het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,125 % tot 11 % vanaf het begrotingsjaar 2020;

2° B_lli = werkingbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.

 

Het werkingsbudget voor de leerlingenkenmerken 1, 2 en 3 wordt als volgt bepaald :

B_lli x 30 %,

en voor leerlingenkenmerk 4 als volgt :

B_lli x 10 %,

respectievelijk : B_lliOpl, B_lliSt, B_lliTa, B_lliBu, met :

a) B_lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;

b) B_lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;

c) B_liTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;

d) B_lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.

 

§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :

B_SchK= B-V1-V2-B-lli.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 245, 1° en 2°, waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (243)

 

 

Onderafdeling 3 : Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken (... - ...)

Artikel 245. (01/09/2023- ...)

B_SchK, vermeld in artikel 244, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken zoals bedoeld in artikel 242, § 1, met uitzondering van schoolkenmerk V1 en V2:
1° a) vóór de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:

eerste graad 16
tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied Sport behoren) 16
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Decoratieve technieken, Fotografie, Handel, Mode, Lichaamsverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding 18
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Auto, Bouw, Chemie, Glastechnieken, Grafische communicatie en media, Hout, Juwelen, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maritieme opleidingen, Maatschappelijke veiligheid, Mechanica-elektriciteit, Muziekinstrumentenbouw, Optiek, Orthopedische technieken, Tandtechnieken, Textiel 22
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de studiegebieden Ballet, Podiumkunsten 20
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: het studiegebied Beeldende kunsten 18
hoger beroepsonderwijs 20
deeltijds beroepssecundair onderwijs 10

b) vanaf de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:
Eerste graad 16
Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs: de disciplines Klassiek, Modern, Sport 16
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Administratie en distributie, Horeca, Lichaamsverzorging, Modecreatie, Moderealisatie en textielverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, taal en cultuur, Voeding 18
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Auto en tweewielers, Biotechnologie en chemie, Creatie en ambacht, Grafische technieken en media, Hout en bouw, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maatschappelijke veiligheid, Maritiem, Mechanicaelektriciteit, Paramedisch, Technologie en industrie, Textiel 22
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de disciplines Architectuur en beeldende kunst, Modecreatie 18
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Podiumkunsten 20
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Grafische technieken en media 22
Hoger beroepsonderwijs  20
Deeltijds beroepssecundair onderwijs 10

2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. 

Artikel 246. (01/11/2008- ...)

§ 1. Het budget V1, vermeld in artikel 244, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, vermeld in artikel 244, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (245)

Artikel 247. (01/09/2023- ...)

 

§ 1. Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 244, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, per kenmerk volgens de volgende formules :

1° B_ClliOpl= B_lliOpl/ClliOpl;

2° B_ClliSt= B_lliSt/ClliSt;

3° B_ClliTa= B_lliTa/ClliTa;

4° B_ClliBu= B_lliBu/ ClliBu;

met :

a) B_ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;

b) B_ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;

c) B_ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;

d) B_ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;

e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.

 

§ 2. ClliOpl, ClliSt, ClliTa en ClliBu, vermeld in § 1, worden respectievelijk via de volgende formules berekend :

 

1° berekening van ClliOpl : ClliOpl= sigmalle scholen ClliOpl_school, waarbij :

ClliOpl_school = MIN (Proc_school_iOpl;

Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliOpl_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;

b) Proc_school_iOpl = het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

c) Gemid_tot_iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

d) Stdev_tot_iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

 

2° berekening van ClliSt : ClliSt= sigmalle scholen ClliSt_school, waarbij :

ClliSt_school = MIN (Proc_school_iSt; Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliSt_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;

b) Proc_school_iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

c) Gemid_tot_iSt = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

d) Stdev_tot_iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

e) MIN= de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

 

3° berekening van ClliTa : ClliTa= sigmalle scholenClliTa_school, waarbij :

ClliTa_school= MIN (Proc_school_iTa; Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliTa_School = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;

b) Proc_school_iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

c) Gemid_tot_iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

d) Stdev_toT_iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

 

4° berekening van ClliBu : ClliBu= sigmalle scholenClliBu_school, waarbij :

ClliBu= MIN (Proc_school_iBu; Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliBu= het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;

b) Proc_school_iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

c) Gemid_tot_iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

d) Stdev_tot_iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4. (246)

 

 

Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school (... - ...)

Artikel 248. (01/11/2008- ...)

Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken. (247)

Artikel 249. (01/09/2021- ...)

 

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1 en V2.

§ 2. Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, is het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs de som van:

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, vermeld in artikel 245, 3°;

2° het bedrag, verkregen door het resultaat van de volgende vermenigvuldigingen

a) B_ClliOpl x ClliOpl_school;

b) B_ClliSt x ClliSt_school;

c) B_ClliTa x ClliTa_school;

d) B_ClliBu x ClliBu_school;

3° GW_V1, vermeld in artikel 246, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

4° GW_V2, vermeld in artikel 246, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en vanaf 2017 met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 851.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243;

3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 1.250.000 euro bedraagt en jaarlijks verminderd wordt met 125.000 euro.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 4.768.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. (248)
 

§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.

Onderafdeling 5 : Evaluatie (... - ...)

Artikel 250. (01/11/2008- ...)

De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (249)

Artikel 251. (01/01/2013- ...)

In 2013 en 2014 wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen.

Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :
- de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;
- gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;
- het voeren van een gelijkekansenbeleid;
- transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;
- evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling.

[Onderafdeling 6. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.24)] (... - ...)

Artikel 251/1. (01/09/2022- ...)

Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB of ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.

TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN (... - ...)

HOOFDSTUK 1. Regelmatige versus vrije leerling (... - ...)

Artikel 252. (01/09/2023- ...)

§ 1. Met regelmatige leerling wordt bedoeld de leerling die :
a) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven;
2) van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid;
b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs;
2) beschikken over een IAC-verslag en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.
3) ....

§ 1/1. In afwijking van paragraaf 1, a), 1), is ook regelmatige leerling, de leerling waarvoor aan volgende gezamenlijke voorwaarden is voldaan:
1° het niet beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden wordt door de school in kwestie of door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij verificatie vastgesteld, ten vroegste twee maanden na de start van de effectieve lesbijwoning door de leerling;
2° in deze particuliere en uitzonderlijke gevallen, wordt de beslissing om de leerling als regelmatige leerling te beschouwen, genomen door de directeur van de school in kwestie, na kennisname van het advies van de begeleidende klassenraad van het structuuronderdeel dat de leerling volgt;
3° de beslissing van de directeur is alleszins gebaseerd op volgende elementen: het vlot verloop van het studiecurriculum, de gunstige tussentijdse evaluatieresultaten en de regelmatige schoolaanwezigheid;
4° de schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de directeur en het advies van de begeleidende klassenraad worden opgenomen in het leerlingendossier.

Als blijkt dat de directie van de school in kwestie herhaaldelijk of op een andere wijze oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van haar beslissingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap die beslissingsbevoegdheid opheffen.

De leerling, bedoeld in het eerste lid, wordt niet in aanmerking genomen bij toepassing van de bepalingen van artikel 169.

§ 2. Leerlingen die niet beantwoorden aan paragraaf 1 of paragraaf 1/1, worden beschouwd als vrije leerlingen. (251)

Artikel 252/1. (01/09/2023- ...)

Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.

Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :
1° ...;
2° de structuuronderdelen van het derde leerjaar van de derde graad;
3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen.

Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs geldt evenmin een maximumleeftijd.

Artikel 253. (01/01/2019- ...)

Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :
- ...;
- een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.

Hij is daarenboven regelmatige leerling :
- in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een ziekenhuis of aan een residentiële setting, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;
- in de de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium.

[HOOFDSTUK 1/1. Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.3, I: 1 september 2022)] (... - ...)

[Afdeling 1. Inwerkingtreding (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.4, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/1. (01/09/2022- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing voor de inschrijvingen als regelmatige leerling in het gewoon secundair onderwijs voor lesbijwoning vanaf het schooljaar 2023-2024 of later.

Voor de toepassing van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk, worden de vakantieperioden die de Vlaamse Regering bepaalt krachtens artikel 12, niet meegerekend, met uitzondering van de termijn, vermeld in artikel 253/26, § 1.

[Afdeling 2. Recht op inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.6, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/2. (01/09/2022- ...)

De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht als instrument van een beleid op gelijke onderwijskansen zijn:
1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van de betrokken personen en leerlingen;
2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
2° /1 het bevorderen van sociale cohesie;
3° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie.

Artikel 253/3. (01/09/2023- ...)

§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats ervan, gekozen door de betrokken personen. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de betrokken personen van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.

§ 2. Een school registreert elke inschrijving binnen de zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:
1° de administratieve groep waarvoor de leerling is ingeschreven;
2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning;
4° de identificatiegegevens, de nationaliteit en het identificatienummer van de leerling als die gegevens beschikbaar zijn, om de leerling uniek te identificeren. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zijn de ver- werkingsverantwoordelijke voor de voormelde gegevens. De voormelde gegevens worden dertig jaar bewaard met het oog op het garanderen van een vlot schooltraject van de leerling.

De registratie gebeurt conform artikel 123/7/1.

Artikel 253/4. (01/09/2022- ...)

§ 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen, rekening houdend met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod, en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in de artikelen 253/13 en 253/22.

Indien de voortgang van de schoolloopbaan, met inachtname van de toelatingsvoorwaarden, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan de keuze van de betrokken personen niet worden gestuit.

Het verworven recht van inschrijving blijft als van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.

§ 2. Een schoolbestuur met scholen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 3. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, de desbetreffende gebiedsomschrijving als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.

Artikel 253/5. (01/09/2023- ...)

Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.

Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs dat op 1 februari start, in een bepaalde school maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.

Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde administratieve groep of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.

Artikel 253/6. (01/09/2023- ...)

§ 1. Het recht op inschrijving geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag, worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Het IAC-verslag of OV4-verslag maakt deel uit van de informatie die betrokken personen bij een vraag tot inschrijving aan de school bezorgen. Het ter beschikking stellen van het IAC-verslag of OV4-verslag door de betrokken personen gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeen- schappelijk curriculum, in geval van een OV4-verslag met inzet van intensieve ondersteuning als vermeld in artikel 294, of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook als de school pas na de inschrijving kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag, uiterlijk gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. Als de voormelde termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag als vermeld in het eerste lid, nadat de leerling is ingeschreven, start die termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het IAC-verslag of OV4-verslag op of maakt het een GC-verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of studie- voortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

In afwijking van het derde lid kan een school kiezen om te ontbinden op een van de volgende momenten:
1°    op het einde van het huidige schooljaar;
2°    op het einde van het daaropvolgende schooljaar.

§ 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB.

Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.

Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.

§ 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.

§ 5. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs.

[Afdeling 3. Organisatie van de inschrijvingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.12, I: 1 september 2022)] (... - ...)

[Onderafdeling 1. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.13, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/7. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur beslist jaarlijks en uiterlijk op 15 november per school, per vestigingsplaats of per structuuronderdeel, of het voor het daaropvolgende schooljaar leerlingen wil kunnen weigeren omwille van bereikte capaciteit. In bevestigend geval gelden de bepalingen van onderafdeling 3, in het andere geval gelden de bepalingen van onderafdeling 2. Ook indien het schoolbestuur beslist voor het daaropvolgende schooljaar niet te weigeren omwille van capaciteit, kan het zich aansluiten bij een aanmeldingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen van onderafdeling 3 van toepassing.

§ 2. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 1, capaciteitsgebieden afbakenen op basis van dreigende of bestaande capaciteitsproblemen, waardoor het recht op inschrijving vermeld in artikel 253/3, niet meer kan worden gegarandeerd. In capaciteitsgebieden zijn schoolbesturen verplicht voor al hun scholen en vestigingsplaatsen, gelegen in het capaciteitsgebied, om gezamenlijk een aanmeldingsprocedure te organiseren.

Onverminderd het in paragraaf 1 gestelde, zijn vanaf de inschrijvingen voor schooljaar 2023-2024 capaciteitsgebieden: het werkingsgebied van het LOP Antwerpen en van het LOP Gent.

Artikel 253/8. (01/09/2022- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen.

In afwijking van het eerste lid starten de inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad voor het schooljaar 2023-2024 op 16 mei 2023.

[Onderafdeling 2. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad zonder aanmeldingsprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.16, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/9. (01/09/2022- ...)

Een schoolbestuur hanteert per structuuronderdeel een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering bepaalt het model van het inschrijvingsregister.

Artikel 253/10. (01/09/2023- ...)

Een schoolbestuur dat door uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meer scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden.

De CLR beslist binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden.

Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, verwerven die leerlingen alsnog een onverkort recht op inschrijving indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan.

Als de CLR weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden toestaat, dan behandelt het schoolbestuur in voorkomend geval ook vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling als vermeld in artikel 253/11, §5.

[Onderafdeling 3. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad met aanmeldingsprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.19, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/11. (01/09/2022- ...)

§ 1. Aanmelden is het digitaal kenbaar maken door de betrokken personen van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen voor de daartoe door het schoolbestuur beschikbaar gestelde plaatsen in het eerste leerjaar A of B. Als de betrokken personen zich voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen aanmelden, wordt een volgorde van keuze aangegeven.

Na afsluiten van de aanmeldingsperiode worden de aangemelde leerlingen geordend, volgens artikel 253/16. De leerlingen die gunstig geordend worden, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, verwerven een recht op inschrijving voor een beschikbaar gestelde plaats. Binnen gezamenlijke aanmeldingsprocedures wordt slechts één gunstige ordening weerhouden, zijnde de gunstige ordening in de school van hoogste keuze van de betreffende leerling. Leerlingen die niet gunstig geordend worden, worden in de volgorde zoals in het aanmeldingsregister, opgenomen als geweigerde leerling in het inschrijvingsregister.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de start- en de einddatum van de aanmeldingen voor inschrijvingen voor een bepaald schooljaar;
2° de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt;
3° de inschrijvingsperiode voor de gunstig gerangschikte leerlingen.

In afwijking van het eerste lid gelden de volgende periodes en data voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024:
1° de aanmeldingsperiode voor de inschrijvingen loopt van 27 maart 2023 tot en met 21 april 2023;
2° de uiterste datum waarop de resultaten van de aanmeldingen van de leerlingen bekend worden gemaakt, is 15 mei 2023;
3° de gunstig gerangschikte leerlingen kunnen zich inschrijven van 16 mei 2023 tot en met 12 juni 2023..

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren voor het volgende schooljaar.

Het schoolbestuur noteert de inschrijvingen in chronologische volgorde in het inschrijvingsregister, zoals bepaald in artikel 253/18. De aangemelde leerlingen worden opgenomen in het aanmeldingsregister, bepaald in artikel 253/17.

§ 3. Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen, of het LOP de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, richten ze een ombudsdienst inschrijvingen op die instaat voor de eerstelijnsbehandeling van:
1° klachten en vaststellingen over technische fouten of zuivere materiële vergissingen voor of na de definitieve toewijzingen;
2° vragen over een erkenning van de uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling.

De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen en regelt de werking ervan. De samenstelling van de ombudsdienst inschrijvingen bestaat minstens uit een vertegenwoordiger van een erkende oudervereniging en een vertegenwoordiging van alle schoolbesturen die de aanmeldingsprocedure organiseren waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen instaat voor de eerstelijnsbehandeling zoals vermeld in het eerste lid.

§ 4. In paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt verstaan onder een technische fout of zuiver materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen: een geval waarbij een technische fout of een zuiver materiële vergissing tijdens het verloop van de aanmeldingsprocedure afbreuk doet aan de ordening of toewijzing van de leerling in kwestie. De aanmeldingsprocedure loopt af bij de start van de vrije inschrijvingen. Klachten en vaststellingen die na de termijn van vijf tien kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over of een vaststelling van een technische fout of zuiver materiële vergissing voor de definitieve toewijzingen een gunstig advies geeft over de correctie van de technische fout of de zuiver materiële vergissing, kan de leerling door het LOP, het schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen met de correctie van de technische fout of de zuiver materiële vergissing worden opgenomen in het aanmeldingsregister voor de definitieve toewijzing gebeurt.

Als de ombudsdienst inschrijvingen na een klacht over een technische fout of zuiver materiële vergissing na een definitieve toewijzing een gunstig advies geeft over de correctie van de technische fout of de zuiver materiële vergissing, kan de leerling door het betrokken schoolbestuur in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/20.

Als de ombudsdienst inschrijvingen een negatief advies geeft over een klacht over een technische fout of materiële vergissing voor of na de definitieve toewijzingen, hoeft het schoolbestuur niks te wijzigen aan de aanmelding of toewijzing van de leerling in kwestie.

§ 5. In paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt verstaan onder een uitzonderlijke situatie van een in te schrijven leerling: een geval waarbij de betrokkene voor een specifieke school die aanmeldt een uitzonderlijke situatie inroept die alleen van toepassing is op de leerling in kwestie in die school en waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling.

Als een ouder een vraag voor de erkenning van een uitzonderlijke situatie stelt aan de ombudsdienst inschrijvingen legt de ombudsdienst de vraag voor aan het schoolbestuur in kwestie. Indien het schoolbestuur in kwestie een eventuele inschrijving in overcapaciteit haalbaar acht, legt ze die vraag voor aan de CLR. De CLR beslist binnen dertig kalenderdagen over de uitzonderlijke situatie waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onder wijs te garanderen voor die leerling.

Alleen als de CLR de uitzonderlijke situatie bevestigt waarbij die inschrijving de enig mogelijke is om de toegang tot onderwijs te garanderen voor die leerling, kan de leerling in overcapaciteit worden ingeschreven conform artikel 253/20.

§ 6. Nadat de klacht over een technische fout of materiële vergissing is behandeld, kan een klacht ingediend worden bij de CLR conform artikel 253/30. De behandeling van de uitzonderlijke situatie, zoals bepaald in paragraaf 5 kan geen voorwerp uitmaken van een klacht bij de CLR.

De behandeling van een klacht of vraag bij de ombudsdienst inschrijvingen schort de termijn op voor de indiening van een klacht bij de CLR, vermeld in artikel 253/30, en de termijn van tien kalenderdagen voor de bemiddeling in het LOP, vermeld in artikel 253/28, § 2, eerste lid.

§ 7. Aanmeldende scholen die in het werkingsgebied van een LOP liggen, organiseren de aanmeldingsprocedure. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, wordt de aanmeldingsprocedure goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.

§ 8. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

§ 9. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met 8 kunnen de schoolbesturen werken met een afzonderlijke aanmeldingsprocedure per onderwijstaal.

Artikel 253/12. (01/09/2022- ...)

§ 1. Voor de aanmeldingen voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2023-2024 melden een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP uiterlijk op 15 november voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:
1° voor welke scholen, vestigingsplaatsen of structuuronderdelen de inschrijvingen zullen worden voorafgegaan door een aanmeldingsprocedure conform ar tikel 253/11;
2° welk standaarddossier ze zullen hanteren bij de organisatie van de aanmeldingsprocedure, of van welk standaarddossier het schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP willen afwijken conform paragraaf 2. Een standaarddossier is een dossier waarin de verschillende stappen van een aanmeldingsprocedure concreet worden uitgewerkt.

De Vlaamse Regering bepaalt het model van ieder standaarddossier en het formulier waarmee de melding, vermeld in het eerste lid, moet gebeuren.

§ 2. Als een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP willen afwijken van een standaarddossier, leggen ze uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, de afwijkingen in kwestie ter goedkeuring voor aan de CLR.

De CLR toetst de afwijkingen van het standaarddossier aan de bepalingen, vermeld in deze afdeling en afdeling 2 en 4, en beslist over die afwijkingen uiterlijk twee maanden na de indiening conform het eerste lid, en in ieder geval voor 24 december.

Artikel 253/12/1. (01/09/2022- ...)

§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over de afwijkingen van een standaarddossier kunnen het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, een van volgende initiatieven nemen:
1° aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en de CLR melden de aanmeldingen te zullen organiseren conform een standaarddossier als vermeld in 253/12, Daarvoor wordt het formulier, vermeld in artikel 253/12, § 1, tweede lid, gebruikt;
2° aangepaste afwijkingen indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR de aangepaste afwijkingen aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4, en beslist het uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;
3° het voorstel van afwijkingen van het standaarddossier, vermeld in artikel 253/12, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4. De Vlaamse Regering beslist over het voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over de aangepaste afwijkingen van een standaarddossier die conform paragraaf 1, eerste lid, 2°, zijn voorgelegd, kunnen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP een van de volgende beslissingen nemen:
1° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, beslissen om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12;
2° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit eenmalig het aangepaste voorstel van afwijkingen van een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12, voorleggen aan de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering toetst de voorgestelde afwijkingen van het standaarddossier aan de doelstellingen, vermeld in artikel 253/2, en aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2, en beslist uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure, vermeld in het eerste lid.

Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering beslissen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12, of om af te zien van een aanmeldingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2, van toepassing.

§ 3. Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 253/12, die conform paragraaf 1, eerste lid, 3°, zijn voorgelegd kunnen het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP een van de volgende beslissingen nemen:
1° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, beslissen om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier als vermeld in artikel 253/12;
2° uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, eenmalig een aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het aangepaste voorstel aan de bepalingen van deze afdeling en afdeling 2 en 4.

De CLR beslist over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

Bij een negatief besluit van de CLR beslissen het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatieve besluit, om de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier, of af te zien van een aanmel dingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2, van toepassing.

Artikel 253/13. (01/09/2022- ...)

§ 1. Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen waarvoor het de inschrijvingen laat voorafgaan door een aanmeldingsprocedure een capaciteit bepalen op volgend niveau:
a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen, vermeld in artikel 253/20.

§ 2. Een schoolbestuur kan na de start van de aanmeldingsperiode steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
a) goedkeuring door het LOP in het geval de school is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) mededeling aan de schoolbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 3. Een schoolbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn bepaalde capaciteiten mee.

Artikel 253/14. (01/09/2022- ...)

Elk schoolbestuur verleent bij het ordenen van de aangemelde leerlingen voor een bepaald structuuronderdeel, voorrang aan:
1° kinderen die tot dezelfde leefentiteit behoren als een reeds ingeschreven leerling in de school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 253/4;
2° met behoud van de toepassing van punt 1°, kinderen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 253/4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bedoeld:
1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.

Artikel 253/15. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan ervoor kiezen om voor een of meer van zijn scholen per bepaalde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, voorrang te verlenen aan een of meer ondervertegenwoordigde groepen, zijnde één of meer groepen van leerlingen die, op basis van één of meerdere objectieve kenmerken, in de school relatief ondervertegenwoordigd zijn ten aanzien van een referentiepopulatie, waarbij in afwijking van dit principe leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in een school van het gewoon onderwijs altijd beschouwd mogen worden als een ondervertegenwoordigde groep, ongeacht de referentiepopulatie. De voorrang wordt toegepast tot maximaal 20% van de bepaalde capaciteit bezet wordt door de leerlingen behorende tot één of meerdere ondervertegenwoordigde groepen. Ook in geval van meerdere ondervertegenwoordigde groepen bedraagt de voorrang maximaal 20% van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 253/13.

Als het LOP of een schoolbestuur opteert voor meer ondervertegenwoordigde groepen, bepaalt het LOP of een schoolbestuur ook telkens welke groep in de ordening voorrang heeft op welke andere groep.

Het LOP kan een voorstel uitwerken over de voorrang van ondervertegenwoordigde groepen in de scholen die in zijn werkingsgebied liggen, zowel wat betreft het aandeel van de capaciteit die scholen voorbehouden als het bepalen van de inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groep. Dat voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. De scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP respecteren hierover de gemaakte afspraken in het LOP. Het LOP legt het voorstel ter bekrachtiging voor aan de gemeenteraad van de gemeente of van de gemeenten waarin de vestigingsplaatsen liggen die de voorrang toepassen.

Als de gemeenteraad een voorstel van een LOP een eerste keer niet bekrachtigt, werkt het LOP een nieuw voorstel uit. Het nieuwe voorstel wordt goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016. Het LOP legt dat nieuwe voorstel ter bekrachtiging voor aan de gemeenteraad van de gemeente of van de gemeenten waarin de vestigingsplaatsen liggen die de voorrang toepassen.

Als een eerste voorstel reeds bekrachtigd werd door de gemeenteraad, dan kan die gemeenteraad, wanneer een nieuw voorstel wordt voorgelegd ter bekrachtiging aan die gemeenteraad, ervoor kiezen om dat eerste voorstel te vervangen door het nieuwe voorstel. Als het nieuwe voorstel, vermeld in het vierde lid, bekrachtigd wordt, vervangt het nieuwe voorstel het eerste voorstel.

Als het nieuwe voorstel niet bekrachtigd wordt, wordt het eerste voorstel, vermeld in het derde lid, behouden voor de vestigingsplaatsen die in de gemeente liggen waar de gemeenteraad het eerste voorstel bekrachtigd heeft.

Als de gemeenteraad een voorstel bekrachtigt, passen de vestigingsplaatsen die in die gemeente liggen, het voorstel toe.

Als een gemeenteraad geen voorstel bekrachtigt, kunnen de schoolbesturen zelf beslissen voor de vestigingsplaatsen die in het werkingsgebied van het LOP liggen, welke ondervertegenwoordigde groepen ze toepassen.

§ 2. Scholen die deze voorrang toepassen, melden dit steeds, en uiterlijk op 31 januari, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, meldt het LOP de toepassing van deze voorrang steeds, en uiterlijk op 31 januari, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. 

Scholen en LOP kunnen hun voorstel van afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen ook voor advies voorleggen aan de CLR en dit uiterlijk op 15 september voorafgaand aan de aanmeldingen. De inhoudelijke afbakening van de lokaal gekozen ondervertegenwoordigde groepen maken geen deel uit van het standaarddossier of afwijking op het standaarddossier, vermeld in artikel 253/12.

§ 3. De effecten van de toepassing van deze voorrang van ondervertegenwoordigde groepen worden gedurende 4 jaar gemonitord door het LOP.

Artikel 253/15/1. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan voor zijn vestigingsplaatsen die in de door de Vlaamse Regering bepaalde gemeenten liggen, kiezen om voor een of meer van die vestigingsplaatsen per bepaalde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, voorrang te verlenen aan leerlingen die vanaf de start van de leerplicht ieder jaar onderwijs hebben gevolgd in een school voor Nederlandstalig basisonderwijs die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen in de gemeente.

In afwijking van het eerste lid worden leerlingen die vanaf het moment van hun domiciliëring in het Vlaamse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onafgebroken voor het Nederlandstalige basisonderwijs gekozen hebben, gerekend als behorend tot de voorrangsgroep in kwestie.

De voorrang wordt toegepast tot maximaal 70 procent van de bepaalde capaciteit bezet wordt door de leerlingen, vermeld in het eerste en tweede lid.

Scholen die de voorrang, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, toepassen, melden dat uiterlijk op 15 november aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Voor scholen die in het werkingsgebied van een LOP liggen, meldt het LOP de toepassing van die voorrang uiterlijk op 15 november aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. De voormelde scholen gebruiken het formulier, vermeld in artikel 253/12, § 1, tweede lid, om die melding te doen.

De Vlaamse Regering bepaalt de gemeenten waar de voorrang, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, van toepassing is. Deze gemeenten grenzen aan een gewestgrens of aan een randgemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

§ 2. Het beantwoorden aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt vastgelegd door telkens de inschrijving als regelmatige leerling in het Nederlandstalige basisonderwijs op de eerste lesdag van februari als ijkdatum te nemen, zoals geregistreerd in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

§ 3. Als een schoolbestuur ervoor kiest om de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 1, toe te passen dan bepaalt het schoolbestuur het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen die minstens vanaf de start van de leerplicht ieder jaar Nederlandstalig basisonderwijs hebben gevolgd of aan de uitzondering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, voldoen.

§ 4. Als een schoolbestuur ervoor kiest om de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 1, toe te passen, komt die voorrangsgroep in de ordening, met toepassing van artikel 253/16, § 1, na de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 2°, en voor de voorrangsgroep, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 3°.

§ 5. Als de capaciteit die vooraf is bepaald, vermeld in artikel 253/13, al bereikt wordt binnen de leerlingengroep, vermeld in paragraaf 1, worden de leerlingen binnen die leerlingengroep in kwestie geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen, zoals de overige leerlingen als vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 4°, en volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het standaarddossier die het schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP onderschreven hebben, of de eventuele afwijkingen daarvan die de CLR heeft goedgekeurd.

In voorkomend geval worden de resterende leerlingen uit de leerlingengroep in kwestie geordend met de overige leerlingen, vermeld in artikel 253/16, § 1, eerste lid, 4°.

Artikel 253/16. (01/09/2023- ...)

§ 1. Voor de inschrijvingen ordent het schoolbestuur of, na akkoord van de betrokken schoolbesturen, het schoolbestuur dat daarvoor gemandateerd is of het LOP, op het einde van de aanmeldingsperiode voor zijn school of voor elk van zijn scholen alle aangemelde leerlingen op de volgende wijze:
1° eerst de leerlingen die tot dezelfde leefentiteit behoren, vermeld in artikel 253/14, eerste lid, 1° ;
2° dan de kinderen van een ouder die personeelslid is, vermeld in artikel 253/14, eerste lid, 2° ;
3° in voorkomend geval, dan de leerlingen die behoren tot de ondervertegenwoordigde groep, vermeld in artikel 253/15;
4° tot slot de overige leerlingen, in voorkomend geval met inbegrip van de leer lingen, die overblijven na de toepassing van de criteria, vermeld in punt 1° tot en met 3°, volgens een van de volgende ordeningscriteria:
a) toeval;
b) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in de keuze die de betrokken personen hebben gemaakt, en dan toeval;
c) toeval en dan de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in de keuze die de betrokken personen hebben gemaakt.

Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het standaarddossier dat ze hebben onderschreven, of de eventuele afwijkingen daarop, zoals de CLR ze heeft goedgekeurd.

§ 2. Als de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 253/13, al bereikt wordt binnen de leerlingengroep, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2° of 3°, worden de leerlingen binnen die leerlingengroep in kwestie geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen en volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria, zoals de overige leerlingen als vermeld in het eerste lid, 4°, en vermeld in het standaarddossier dat door hen is onderschreven, of de eventuele afwijkingen daarop zoals de CLR ze heeft goedgekeurd.

§ 3. In voorkomend geval wordt aan een leerling die voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen gunstig gerangschikt is, de hoogste school of vestigingsplaats van voorkeur toegewezen en wordt die leerling verwijderd in de scholen of vestigings plaatsen van lagere keuze.

Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP kunnen beslissen om na de definitieve toewijzing het resultaat van de toewijzing te optimaliseren, zodat meer leerlingen een school van hogere voorkeur krijgen toegewezen. Deze beslissing mag er niet toe leiden dat de voorrang van een geweigerde leerling geschonden zou worden.

Artikel 253/17. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 253/13 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 253/16, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de betrokken personen of de leerling bij de aanmelding opgaven.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de betrokken personen of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria en voorrangsgroepen als vermeld in artikel 253/14 tot en met 253/16, eerstvolgend gerangschikte leerlingen.

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de volgorde van de voorrangsgroepen en de daartoe gekozen ordeningscriteria.

De aangemelde leerling en de betrokken personen krijgen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode, vermeld in artikel 253/11, § 2.

Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in artikel 253/11, § 2, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de betrokken personen opgegeven voorrangsgroepen die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van de klachten, de vaststellingen en de vragen, vermeld in artikel 253/11, § 3, leidt tot een andere beslissing.

In afwijking van het zevende lid, kunnen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP beslissen om uiterlijk na de einddatum van de aanmeldingsperiode en voordat de resultaten van de aanmelding worden bekendgemaakt deze controle te doen.

Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.

§ 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en de betrokken personen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de betrokken personen of leerling gekozen school of
vestigingsplaats.

Aan de aangemelde leerling en de betrokken personen wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen de aangemelde leerling heeft ingenomen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of de betrokken personen hadden gekozen.

§ 4. Een niet-gunstige rangschikking wordt gelijkgesteld met een weigering op basis van bereikte capaciteit, overeenkomstig artikel 253/13. Binnen het werkingsgebied van een LOP kan het uitreiken van de weigeringsdocumenten gemandateerd worden aan het LOP, buiten het werkingsgebied van een LOP aan een daartoe gemandateerd schoolbestuur.

Artikel 253/18. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke overeenkomstig artikel 253/13 bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.

Overeenkomstig artikel 253/17, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.

§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/20, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 253/13, § 2, de volgorde van de weigeringen gerespecteerd, met inbegrip van de volgorde van de voorrangsgroepen, in voorkomend geval met het oog op het bereiken van hun respectieve aandeel en dat tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

Betrokken personen van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de betrokken personen de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 4. Het verloop van inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel 253/19. (01/09/2022- ...)

De inschrijvingen en eventuele weigeringen van leerlingen die zich niet hebben aangemeld worden vanaf de door de Vlaamse Regering bepaalde startdatum van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/8, in chronologische volgorde opgenomen in het inschrijvingsregister.

Artikel 253/20. (01/09/2023- ...)

Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen die:
a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;
b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
e) hetzij beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag;
2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in artikel 253/13, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
3° van leerlingen waarvoor de ombudsdienst inschrijvingen of de CLR, vermeld in artikel 253/11, § 3 tot en met § 5, gunstig advies heeft verleend of de uitzonderlijke situatie heeft bevestigd voor een inschrijving in overcapaciteit;
4° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.

Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende, het voorafgaande schooljaar of daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren. Hetzelfde geldt voor leerlingen van het buitengewoon onderwijs die, met toepassing van artikel 136/1, tweede lid, gedurende twee schooljaren voltijds les hebben gevolgd in de school voor gewoon onderwijs en zich na twee schooljaren willen inschrijven in die school.

In geen enkel structuuronderdeel waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit als vermeld in artikel 253/13.

[Onderafdeling 4. Inschrijvingen voor andere leerjaren dan het eerste leerjaar van de eerste graad (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.30, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/21. (01/09/2022- ...)

Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar, met uitzondering van de leertijd.

Een school- of centrumbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een school- of centrumbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.

Artikel 253/22. (01/09/2022- ...)

 Een school- of centrumbestuur, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
a) per school;
b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
c) per vestigingsplaats;
d) per administratieve groep of combinatie van administratieve groepen, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen, vermeld in artikel 253/24, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.

Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

Artikel 253/23. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een school- of centrumbestuur hanteert voor alle overeenkomstig artikel 253/22 bepaalde niveaus waarop volzet verklaard wordt een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch noteert.

Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 253/24, §§ 1 en 2, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring de volgorde van de geweigerde leerlingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 3. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel 253/24. (01/09/2023- ...)

§ 1. Een school- of centrumbestuur kan ook na volzetverklaring als vermeld in artikel 253/22 toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen die:
a) hetzij beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de functie verblijf, namelijk aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder op verwijzing van een gemandateerde voorziening of een Sociale Dienst Jeugdrechtbank;
b) hetzij als semi-internen verblijven in een semi-internaat dat verbonden is aan een school, of als internen verblijven in een onderwijsinternaat;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
2° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de betrokken personen deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring;
d) hetzij geadopteerd zijn in een gezin dat beschikt over een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie dat ingediend is bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie;
e) hetzij beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294.
3° voor de toelating van leerlingen die in het lopende schooljaar of na de eerste schooldag van maart van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, veranderd zijn van domicilieadres en veranderd zijn van gemeente.

§ 2. Een school- of centrumbestuur moet ook na volzetverklaring, vermeld in artikel 253/22, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs of de leertijd die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school of het centrum ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.

§ 3. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van volzetverklaring.

[Afdeling 4. Weigeren van inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.35, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/25. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende bij de effectieve start van de lesbijwoning aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.

Indien een beslissing van de toelatingsklassenraad vereist is, vindt de inschrijving plaats onder ontbindende voorwaarde en wordt de inschrijving ontbonden indien de toelatingsklassenraad beslist dat de onderwijszoekende niet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden in kwestie voldoet. De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat de leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na kennisgeving van de beslissing. De inschrijving wordt evenwel niet ontbonden wanneer het schoolbestuur geen gebruik wenst te maken van deze weigeringsgrond.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

§ 3. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 253/4.

§ 4. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.

Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen:
1° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
2° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.

Artikel 253/26. (01/09/2022- ...)

§ 1. Een schoolbestuur, of het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP, dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of digitaal mee aan de ouders van de leerling en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap bezorgen die melding aan het LOP. Die melding bevat het rijksregisternummer en de identificatiegegevens van de leerlingen en de feitelijke en juridische grond van de weigering. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen over de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke, veilige en transparante verwerking. De weigeringsdocumenten worden ook, op vraag van de ouders, op papier ter beschikking gesteld.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de weigering meedeelt aan de betrokken personen en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

Het model, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de feitelijke en de juridische grond van de beslissing tot weigering;
2° de informatie over de mogelijkheden voor bemiddeling, eerstelijnsklachten en het indienen van een klacht bij de CLR.

Indien de weigering gebeurde op basis van bereikte capaciteit of na volzetverklaring als vermeld in artikel 253/10, 253/13 en 253/22, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister de betrokken leerling staat.

§ 3. De betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

[Afdeling 5. Bemiddelings- en klachtenprocedure (ing. decr. 17 mei 2019, art. III.38, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/27. (01/09/2022- ...)

§ 1. Betrokken personen en alle belanghebbenden kunnen vragen om bemiddeling door het LOP, zoals bepaald in artikel 253/28 en artikel 253/29, of een klacht indienen bij de CLR, zoals bepaald in artikel 253/30, wanneer ze niet akkoord zijn met:
1° een weigering op basis van bereikte capaciteit of volzetverklaring;
2° een weigering van inschrijving, op basis van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 253/25;
3° een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5;
4° een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 253/6;
5° een weigering op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden als vermeld in artikel 253/10.

In geval van weigeringen die niet behoren tot weigeringen bepaald in punt 2°, 3° en 4°, door een school die eerder, conform artikel 253/7, besliste geen leerlingen te zullen weigeren, kunnen betrokken personen van geweigerde leerlingen en eventueel andere belanghebbenden gezamenlijk een klacht indienen.

§ 2. Voor de toepassing van artikel 253/28 tot en met artikel 253/31 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedure. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

Artikel 253/28. (01/09/2023- ...)

§ 1. In geval van een weigering op basis van artikel 253/25, § 4, start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. In de volgende gevallen start het LOP een bemiddeling als de betrokken personen er uitdrukkelijk om verzoeken:
1° bij een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1° of 5° ;
2° bij een weigering op basis van artikel 253/25, § 1, § 2 en § 3;
3° bij een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4° ;
4° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27 § 1, eerste lid, 3°.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen tien kalenderdagen na het verzoek van de betrokken personen of na de afgifte van het weigeringsdocument, vermeld in artikel 253/26, §1, tussen de leerling en de betrokken personen en de schoolbesturen van de schoen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. In geval van bemiddeling bij een ontbinding als vermeld in artikel 253/27, §1, 4°, betrekt het LOP ook de school die de weigering uitschreef. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 253/30, §1, tweede lid, op.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing of de ontbinding van de inschrijving of de uitschrijving, conform artikel 253/30, § 2. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.

Artikel 253/29. (01/09/2022- ...)

Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 253/28, duidt de Vlaamse Regering een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opneemt.

Artikel 253/30. (01/09/2022- ...)

§ 1. Betrokken personen en andere belanghebbenden kunnen in de volgende gevallen al dan niet na een bemiddelingsprocedure door het LOP of na behandeling door de ombudsdienst inschrijvingen, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR:
1° bij een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5° ;
2° bij een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4° ;
3° bij een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3° ;
4° klachten die na dertig kalenderdagen nadat de betwiste feiten zijn vast gesteld, ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de klacht.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen schriftelijk of elektronisch verstuurd naar de betrokkenen.

In geval van een klacht als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, blijft de leerling ingeschreven in de school tot het oordeel van de CLR aan de betrokkenen kenbaar is gemaakt en wordt de termijn van een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, vermeld in artikel 253/6, § 2, derde lid, ook tot dat moment opgeschort.

§ 3. Indien de CLR een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5°, een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3°,  gegrond acht, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in.

Indien het gaat om een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, schrijven de betrokken personen de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de betrokken personen worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.

§ 4. Indien de CLR een weigering als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 5°, een ontbinding van de inschrijving als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 4°, of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 253/5 en als vermeld in artikel 253/27, § 1, eerste lid, 3°, niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

Artikel 253/31. (01/09/2022- ...)

§ 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 253/30, § 4, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2:
1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.

[HOOFDSTUK 1/2. Inschrijvingsrecht voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.1, I: 1 september 2022)] (... - ...)

[Afdeling 1. Inwerkingtreding (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.2, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/32. (01/09/2022- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing voor de inschrijvingen als regelmatige leerling in het gewoon secundair onderwijs in scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voor lesbijwoning vanaf het schooljaar 2023-2024 of later.

Voor de toepassing van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk, worden de vakantieperioden die de Vlaamse Regering bepaalt krachtens artikel 12 niet meegerekend, met uitzondering van de termijn, vermeld in artikel 253/57, § 1.

[Afdeling 2. Recht op inschrijving (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.4, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/33. (01/09/2022- ...)

De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht als instrument van een beleid op gelijke onderwijskansen zijn:
1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van de betrokken personen en leerlingen;
2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
3° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;
3° /1 het bevorderen van sociale cohesie;
4° de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel 253/34. (01/09/2023- ...)

§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats ervan, gekozen door de betrokken personen. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de betrokken personen van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.

§ 2. Een school registreert elke inschrijving binnen de zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:
1° de administratieve groep waarvoor de leerling is ingeschreven;
2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;
3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning;
4° de identificatiegegevens, de nationaliteit en het identificatienummer van de leerling, als die gegevens beschikbaar zijn, om de leerlingen uniek te identificeren. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de voormelde gegevens. De voormelde gegevens worden maximaal dertig jaar bewaard met het oog op het garanderen van een vlot schooltraject, zeker in geval van een verlengd verblijf van de leerling in het onderwijs.

De registratie gebeurt conform artikel 123/7/1.

Artikel 253/35. (01/09/2022- ...)

§ 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen, rekening houdend met het aldaar ingerichte onderwijsaanbod, en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit, vermeld in artikelen 253/42 en 253/53.

Indien de voortgang van de schoolloopbaan, met inachtname van de toelatingsvoorwaarden, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan de keuze van de betrokken personen niet worden gestuit.

Het verworven recht van inschrijving blijft als van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.

§ 2. Een schoolbestuur met scholen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 3. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, de desbetreffende gebiedsomschrijving als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.

Artikel 253/36. (01/09/2023- ...)

Elke inschrijving vóór 1 september voor het daaropvolgende schooljaar voor een bepaalde administratieve groep in een bepaalde school voor gewoon onderwijs maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep en hetzelfde schooljaar in een andere school van rechtswege ongedaan.

Elke inschrijving vóór 1 februari voor een administratieve groep, ingericht als 7de leerjaar van het technisch of kunstsecundair onderwijs dat op 1 februari start, in een bepaalde school, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor diezelfde administratieve groep in een andere school voor gewoon onderwijs van rechtswege ongedaan.

Elke inschrijving in de loop van het schooljaar in kwestie voor een bepaalde administratieve groep, maakt de daaraan voorafgaande inschrijving voor dezelfde of een andere administratieve groep voor datzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs ongedaan vanaf de start van de effectieve, tenzij gewettigde afwezigheid, lesbijwoning.

Artikel 253/37. (01/09/2023- ...)

§ 1. Het recht op inschrijving geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een IAC-verslag of OV4-verslag, worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Het IAC-verslag of OV4-verslag maakt deel uit van de informatie die de betrokken personen bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het IAC-verslag of OV4-verslag door de betroken personen gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, in geval van een OV4-verslag met inzet van intensieve ondersteuning als vermeld in artikel 294, of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook als de school pas na de inschrijving kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag, uiterlijk gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de betrokken personen, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn. Als de voormelde termijn van zestig kalenderdagen is verstreken zonder dat de school een beslissing heeft genomen, is de leerling definitief ingeschreven. Als de school pas kennisneemt van een IAC-verslag of OV4-verslag, vermeld in het eerste lid, nadat de leerling is ingeschreven, start die termijn van zestig kalenderdagen de dag van die kennisneming.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het IAC-verslag of OV4-verslag op of maakt het een GC-verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

In afwijking van het derde lid kan een school kiezen om te ontbinden op een van de volgende momenten:
1°    op het einde van het huidige schooljaar;
2°    op het einde van het daaropvolgende schooljaar.

§ 3. Als tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een IAC-verslag of OV4-verslag dan wel een wijziging van een IAC-verslag of OV4-verslag nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de betrokken personen en het CLB.

Als een IAC-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op verzoek van de betrokken personen studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.

Als een OV4-verslag wordt opgemaakt of gewijzigd, beslist de school op basis van het overleg, vermeld in het eerste lid, om de leerling op vraag van de betrokken personen studievoortgang te laten maken binnen het gemeenschappelijk curriculum met intensieve ondersteuning, vermeld in artikel 294, of om de inschrijving van de leerling op het einde van het huidige schooljaar of op het einde van het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.

§ 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.

§ 5. Elk schoolbestuur communiceert actief over het inschrijvingsrecht van leerlingen met een IAC-verslag of OV4-verslag in het gewoon onderwijs.

[Afdeling 3. Organisatie van de inschrijvingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.10, I: 1 september 2022)] (... - ...)

[Onderafdeling 1. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad: gemeenschappelijke bepalingen (ing. decr. 17 mei 2019, art. VI.11, I: 1 september 2022)] (... - ...)

Artikel 253/38. (01/09/2022- ...)

Alle schoolbesturen die een school of vestigingsplaats hebben binnen het werkingsgebied van het LOP Brussel-Hoofdstad, zijn voor hun scholen en vestigingsplaatsen voor gewoon onderwijs binnen dat respectievelijke werkingsgebied verplicht tot een gezamenlijke aanmeldingsprocedure.

In gemeenten waar een LOP aanwezig is, wordt de aanmeldingsprocedure goedgekeurd door een meerderheid van de onderwijspartners van het LOP, vermeld in artikel VIII.4/1, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.

Artikel 253/39. (01/09/2022- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen.

In afwijking van het eerste lid starten de inschrijvingen voor het eerste leerjaar van de eerste graad voor het schooljaar 2023-2024 op 16 mei 2023.

Artikel 253/40. (01/09/2022- ...)