Gecodificeerde decreten betreffende het secundair onderwijs [citeeropschrift: "Codex Secundair Onderwijs"]

Datum 17/12/2010

Inhoudstafel

  1. DEEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN
  2. DEEL II. BEGRIPPEN
  3. DEEL III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
      1. HOOFDSTUK 1. Algemeen
      2. HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden
      3. HOOFDSTUK 3. Financiering en subsidiëring
        1. Afdeling 1. Voorwaarden
        2. Afdeling 2. Financiering en subsidiering van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Salariëring
          2. [Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren (verv. decr. 6 juli 2018, art. 27, I: 1 oktober 2018)]
          3. [Onderafdeling 2/1 Onderwijzend personeel - lerarenplatform (ing. decr. 6 juli 2018, art. 28, I: 1 oktober 2018)]
          4. [Onderafdeling 2/2 Onderwijzend personeel - Omzetting van niet-ingevulde vervangingen (ing. decr. 6 juli 2018, art. 29, I: 1 september 2018)]
          5. Onderafdeling 3. Globale puntenenveloppe
          6. Onderafdeling 4. Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs
          7. Onderafdeling 5. Bedrijfsstages
        3. Afdeling 3. Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1. Algemeen
          2. [Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn (verv. decr. 3 juli 2015, art. 16, I: 1 september 2015)]
          3. Onderafdeling 3. Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs
          4. Onderafdeling 4. Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen
      4. HOOFDSTUK 4. Scholengemeenschappen
        1. Afdeling 1. Algemeen
        2. Afdeling 2. Vorming van een scholengemeenschap
        3. Afdeling 3. Bevoegdheden van een scholengemeenschap
        4. Afdeling 4. Diverse voordelen voor scholengemeenschappen
      5. HOOFDSTUK 5. Organen
        1. [... (opgeh. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)]
        2. [Afdeling 1. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Representatieve vakorganisaties
        3. [Afdeling 2. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen
        4. [Afdeling 3. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap
          1. Onderafdeling 1. Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs
          2. Onderafdeling 2. Netoverschrijdende scholengemeenschappen
          3. Onderafdeling 3. Inzagerecht lokaal comité
      6. HOOFDSTUK 6. Levensbeschouwelijk onderricht
      7. HOOFDSTUK 7. Sancties
    2. TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
      1. HOOFDSTUK 1. Vrije keuze
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Recht op inschrijving (ing. decr. 25 november 2011, art. V.3, I: 1 september 2012)]
        1. [Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.4, I: 1 september 2012)]
        2. [Afdeling 2. Voorrangsregelingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.6., I: 1 september 2012)]
        3. [Afdeling 3. Weigeren (ing. decr. 25 november 2011, art. V.13., I: 1 september 2012)]
        4. [Afdeling 4. Procedure (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 18, I: 1 september 2012)]
      3. [HOOFDSTUK 1/2. Aanmeldingsprocedures voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs (ing. decr. 25 november 2011, art. V.26., I: 31 augustus 2012)]
        1. [Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 27., I: 1 september 2012)]
        2. [Afdeling 2. Ordeningscriteria (ing. decr.25 november 2011, art. V.31, I: 1 september 2012)]
        3. [Afdeling 3. Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure en het inschrijven van de leerlingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 34, I: 1 september 2012)]
        4. [Afdeling 4. Goedkeuring aanmeldingsprocedures (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 36, I: 1 september 2012)]
      4. [HOOFDSTUK 1/3. Huisonderwijs (ing. decr.19 juli 2013, art. III.17, I: 1 september 2013)]
      5. HOOFDSTUK 2. School- en centrumreglement
      6. HOOFDSTUK 3. [Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging (verv. decr. 4 april 2014, art. V.6, I: 1 september 2014)]
      7. HOOFDSTUK 4. [Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen (verv. decr. 17 juni 2016, art. III.15, I: 1 september 2016)]
      8. HOOFDSTUK 5. [Leerplicht (verv. decr. 25 april 2014, art. III.27, I: 1 september 2014)]
      9. [HOOFDSTUK 6. Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens (ing. decr. 4 april 2014, art. V.11, I: 1 september 2014)]
      10. [HOOFDSTUK 7. Maatregelen bij schending van leefregels (ing. decr. 4 april 2014, art. V.14, I: 1 september 2014)]
      11. [HOOFDSTUK 8. Beroepsmogelijkheden (ing. decr. 4 april 2014, art. V.19, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V.20, I: 1 september 2014)]
        2. [Afdeling 2. Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd (ing. decr. 4 april 2014, art. V.23, I: 1 september 2014)]
        3. [Afdeling 3. Beroep tegen een evaluatiebeslissing (ing. decr. 4 april 2014, art. V.25, I: 1 september 2014)]
        4. [Afdeling 4. Beroep tegen andere beslissingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V. 30, I: 1 september 2014)]
      12. [HOOFDSTUK 9. Leerlingenstages (ing. decr. 19 juni 2015, art. III.6, I: 1 september 2015)]
      13. [HOOFDSTUK 10. Leerlingenbegeleiding (ing. decr. 27 april 2018, art. 114, I: 1 september 2018)]
  4. DEEL IV. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN
      1. HOOFDSTUK 1. Structuur en organisatie
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie op macroniveau - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 6, I: 1 september 2019)]
        2. [Afdeling 1/1. Structuur en organisatie op macroniveau (ing. decr. 20 april 2018, art. 8, I: 1 september 2019)]
        3. Afdeling 2. Structuur en organisatie op schoolniveau
        4. [Afdeling 3. Doelen, curriculumdossiers en leerplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          1. [Onderafdeling 1. Algemene bepaling (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          2. [Onderafdeling 2. Doelen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          3. [Onderafdeling 3. Curriculumdossiers (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
          4. [Onderafdeling 4. Leerplannen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]
        5. [Afdeling 4. Lessenrooster - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 19, I: 1 september 2019)]
        6. [Afdeling 4/1. Lessenrooster (ing. decr. 20 april 2019, art. 22, I: 1 september 2019)]
        7. [Afdeling 4/2. CLIL (Content and Language Integrated Learning) (ing. decr. 20 april 2016, art. 30, I: 1 september 2019)]
        8. Afdeling 5. Experimenteel modulair onderwijs
        9. [Afdeling 6. Projecten (ing. decr. 1 juli 2011, art. III.24, I: 1 september 2011)]
      2. HOOFDSTUK 2. Teldata
      3. HOOFDSTUK 3. Programmatie
        1. Afdeling 1. Toepassingsgebied
        2. Afdeling 2. Programmatie van scholen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.3, I: 1 januari 2014)]
        3. Afdeling 3. Programmatie van structuuronderdelen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.38, I: 1 september 2014)]
        4. Afdeling 4. Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
        5. Afdeling 5. Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren
      4. HOOFDSTUK 4. Rationalisatie en fusie
        1. Afdeling 1. Rationalisatienormen
        2. Afdeling 2. Fusie van scholen
      5. HOOFDSTUK 5. [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.49, I: 1 januari 2014)] Overheveling
        1. Afdeling 1. Toepassingsgebied
        2. Afdeling 2. Omvorming
        3. Afdeling 3. Overheveling
      6. HOOFDSTUK 6. Financiering en subsidiëring
        1. Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Directeur
          2. Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel
          3. [Onderafdeling 3. Scholen met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart (verv. decr. 20 april 2018, art. 45, I: 1 september 2019)]
          4. Onderafdeling 4. Topsportscholen
          5. Onderafdeling 5 : Onthaalonderwijs
          6. Onderafdeling 6 : Kunstsecundaire scholen
          7. Onderafdeling 7 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad
          8. Onderafdeling 8 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad
        2. Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1 : Leerlingen- en schoolkenmerken
          2. Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen
          3. Onderafdeling 3 : Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken
          4. Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school
          5. Onderafdeling 5 : Evaluatie
          6. [Onderafdeling 6. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.24)]
    2. TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN
      1. HOOFDSTUK 1 : Regelmatige versus vrije leerling
      2. HOOFDSTUK 2 [Diploma van secundair onderwijs (verv. decr. 4 april 2014, art. V.32, I: 1 september 2014)]
      3. [HOOFDSTUK 3 Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs (ing. Decr. 29 juni 2012, art. III.4, I: 1 oktober 2012)]
      4. [HOOFDSTUK 4. Screening niveau onderwijstaal (ing. decr. 19 juli 2013, art. III.57, I: 1 september 2014)]
  5. DEEL V. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS
    1. [TITEL 1. BEGRIPPEN (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.18, I: 1 september 2014)]
    2. TITEL 2. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2, 3 EN 4
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
        2. [Afdeling 2. Doelen en individuele handelingsplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
          1. [Onderafdeling 1. Doelen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
          2. [Onderafdeling 2. Doelen van opleidingsvorm 4 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
          3. [Onderafdeling 3. Individuele handelingsplannen in alle opleidingsvormen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]
        3. Afdeling 3. Programmatie en rationalisatie
          1. Onderafdeling 1. Begrippen en inleidende bepalingen
          2. Onderafdeling 2. Fusie
          3. Onderafdeling 3. Rationalisatie
          4. Onderafdeling 4. Programmatie
      2. HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4
        1. Afdeling 1. Toelatingsvoorwaarden
          1. Onderafdeling 1. Leeftijd
          2. [Onderafdeling 2. Verslag en attest (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.46, I: 1 januari 2015)]
          3. Onderafdeling 3. Type 5
      3. HOOFDSTUK 3. [Financiering, subsidiëring en waarborgregeling (verv. decr. 15 juli 2016, art. 5, I: 1 september 2015)]
        1. Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden
          1. Onderafdeling 1. Directeur
          2. Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel
          3. Onderafdeling 3. Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel
          4. [Onderafdeling 3/1. Omzetten van lesuren en uren naar middelen (ing. decr. 1 juli 2011, art. III.54, I: 1 september 2011)]
          5. [Onderafdeling 3/2. Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.56, I: 1 januari 2015)]
          6. [Onderafdeling 3/3. ... (opgeh. decr. 6 juni 2018, art. 48, I: 1 september 2018)]
          7. [Onderafdeling 3/4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs (ing. decr. 16 juni 2017, art. III.17, I: 1 september 2017)]
          8. Onderafdeling 4. Plage uren
          9. Onderafdeling 5. Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen
        2. Afdeling 2. Financiering en subsidiëring van de werking
          1. Onderafdeling 1. Schoolkenmerken
          2. Onderafdeling 2. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen
          3. Onderafdeling 3. Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken
          4. Onderafdeling 4. Berekening van het werkingsbudget per school
          5. Onderafdeling 5. Berekening van de integratietoelage per school
          6. Onderafdeling 6. Evaluatie
          7. [Onderafdeling 7. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.29)]
    3. TITEL 3. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2 EN 3
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
      2. [HOOFDSTUK 1/1. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 1 (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.61, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.62, I: 1 september 2014)]
      3. [HOOFDSTUK 1/2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 2 (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.64, I: 1 september 2014)]
        1. [Afdeling 1. Structuur en organisatie (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.65, I: 1 september 2014)]
      4. HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
        2. Afdeling 2. Experimenteel modulair onderwijs
    4. TITEL 4. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORM 4
      1. HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen
        1. Afdeling 1. Structuur en organisatie
      2. [HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 4, in de ziekenhuisscholen (ing. decr. 21 maart 2014, art. III.70, I: 1 september 2014)]
    5. [TITEL 5. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DE ONDERSTEUNING VOOR HET GEWOON ONDERWIJS VANUIT HET BUITENGEWOON ONDERWIJS EN DE SPECIALE ONDERWIJSLEERMIDDELEN (verv. decr. 6 juli 2018, art. 52, I: 1 september 2018)]
      1. [HOOFDSTUK 1. De ondersteuning voor het gewoon onderwijs vanuit het buitengewoon onderwijs (verv. decr. 6 juni 2018, art. 53, I: 1 september 2018)]
      2. [HOOFDSTUK 2. De speciale onderwijsleermiddelen (verv. decr. 16 juni 2017, art. III.21, I: 1 september 2017)]
  6. [DEEL V/1. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DUALE STRUCTUURONDERDELEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 9, I: 1 september 2019)]
    1. [TITEL 1. INLEIDENDE BEPALINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 10, I: 1 september 2019)]
    2. [TITEL 2. OPZET (ing. decr. 30 maart 2018, art. 13, I: 1 september 2019)]
    3. [TITEL 3. STRUCTUUR EN ORGANISATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 16, I: 1 september 2019)]
    4. [TITEL 4. PROGRAMMATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 20, I: 1 september 2019)]
    5. [TITEL 5. LEERLINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 22, I: 1 september 2019)]
    6. [TITEL 6. ARBEIDSDEELNAME (ing. decr. 30 maart 2018, art. 34, I: 1 september 2019)]
    7. [TITEL 7. FINANCIERING OF SUBSIDIËRING VAN DE AANBIEDERS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 40, I: 1 september 2019)]
    8. [TITEL 8. SUBSIDIËRING VAN DE ORGANISATOREN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 45, I: 1 september 2019)]
    9. [TITEL 9. KWALITEITSTOEZICHT (ing. decr. 30 maart 2018, art. 47, I: 1 september 2019)]
    10. [TITEL 10. MONITORING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 49, I: 1 september 2019)]
    11. [TITEL 11. OVERLEGFORUM (ing. decr. 30 maart 2018, art. 51, I: 1 september 2019)]
  7. [DEEL V/2. SPECIFIEKE BEPALINGEN OVER DE AANLOOPSTRUCTUURONDERDELEN NAAR DUALE STRUCTUURONDERDELEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS (ing. decr. 30 maart 2018, art. 57, I: 1 september 2019)]
    1. [TITEL 1. INLEIDENDE BEPALING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 58, I: 1 september 2019)]
    2. [TITEL 2. OPZET (ing. decr. 30 maart 2018, art. 61, I: 1 september 2019)]
    3. [TITEL 3. STRUCTUUR EN ORGANISATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 64, I: 1 september 2019)]
    4. [TITEL 4. PROGRAMMATIE (ing. decr. 30 maart 2018, art. 68, I: 1 september 2019)]
    5. [TITEL 5. LEERLINGEN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 70, I: 1 september 2019)]
    6. [TITEL 6. FINANCIERING OF SUBSIDIËRING VAN DE AANBIEDERS EN ORGANISATOREN (ing. decr. 30 maart 2018, art. 78, I: 1 september 2019)]
    7. [TITEL 7. KWALITEITSTOEZICHT (ing. decr. 30 maart 2018, art. 81, I: 1 september 2019)]
    8. [TITEL 8. MONITORING (ing. decr. 30 maart 2018, art. 83, I: 1 september 2019)]
  8. DEEL VI. UITWERKINGSDATA
  9. DEEL VII. AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NAAR ARTIKELEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE
  10. Bijlage
  11. ADDENDUM BIJ DE CODIFICATIE
    1. ADDENDUM I. OVERZICHT ARTIKELEN NIET OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE
    2. ADDENDUM II. CONCORDANTIETABEL VROEGERE ARTIKELEN GERANGSCHIKT VOLGENS DE NIEUWE ARTIKELEN
    3. ADDENDUM III. CONCORDANTIETABEL NIEUWE ARTIKELEN GERANGSCHIKT VOLGENS DE VROEGERE ARTIKELEN
    4. ADDENDUM IV. OVERZICHT WETTELIJKE EN DECRETALE BEPALINGEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS
    5. ADDENDUM V. BEPALINGEN NA DE CODIFICATIE OP TE HEFFEN
    6. ADDENDUM VI. INHOUDSTABEL CODIFICATIE BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Inhoud

DEEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1. (04/07/2011- ...)

De codificatie van de wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs regelt gemeenschapsaangelegenheden.

Artikel 2. (01/09/2018- 31/08/2019)

§ 1. De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

In afwijking van het eerste lid:
1° geldt artikel 123/6 niet voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs;
2° gelden artikel 96 tot en met 99, 110/19 tot en met 110/27, 115/1, 116 tot en met 120, en 123/6 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, 123/2 tot en met 123/4, 123/6 tot en met 123/25 ook voor de leertijd.

§ 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.

De artikelen 216 en 242 tot en met 251/1 gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

§ 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

§ 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs.

§ 3/1. De bepalingen van deel V/1 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

De bepalingen van deel V/2 van deze codex zijn van toepassing op door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

§ 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

§ 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde internaten en semi-internaten. (1)

§ 6. Op duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen, ingericht door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, zijn de volgende artikelen van toepassing: artikel 4 tot en met 10, artikel 12, artikel 15, uitgezonderd paragraaf 1, 16°, artikel 35 tot en met 38, artikel 41 tot en met 43, artikel 47, 48, artikel 70, artikel 100 tot en met 103, artikel 106 tot en met 108, artikel 110/1 tot en met 110/18, artikel 111, 112, artikel 115 tot en met 117/1, artikel 122 tot en met 123/19, artikel 136 tot en met 136/6, artikel 150, artikel 157/1, artikel 169 tot en met 173, artikel 252, 252/1, 253 en 256/11.

DEEL II. BEGRIPPEN

Artikel 3. (01/09/2018- 31/08/2019)

Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :
1° administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;
1° /1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;
2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;
2° /1 anderstalige nieuwkomer :
a) in het voltijds gewoon secundair onderwijs : een leerling die gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
1) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens twaalf jaar en anderzijds geen achttien jaar geworden is;
2) een nieuwkomer is, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;
3) niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal heeft;
4) onvoldoende de onderwijstaal beheerst om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
5) maximaal negen maanden ingeschreven is (vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen) in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;
b) in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een leerling zoals gedefinieerd in artikel 3, 1°, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
c) in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs: een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar respectievelijk voor het voltijds gewoon secundair onderwijs minstens twaalf jaar en geen achttien jaar geworden is en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;
3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;
4° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;
5° beroepenveld : de combinatie van technische disciplines die onderwezen worden in het beroepsvoorbereidend leerjaar;
6° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;
7° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;
8° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;
9° /1 brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;
10° centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs :
- hetzij een autonome entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd;
- hetzij een aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs verbonden entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs en, wat het voltijds gewoon secundair onderwijs betreft, duale structuuronderdelen en aanloopstructuuronderdelen organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd;
10° /1 CLR : Commissie inzake Leerlingenrechten als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 2, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;
10° /2 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;
10° /2/1 consultatieve leerlingenbegeleiding: de kernactiviteit van een centrum voor leerlingenbegeleiding waarbij het versterking biedt aan de school bij problemen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;
10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;
11° cursist : een regelmatige leerling in het hoger beroepsonderwijs;
12° deeltijds beroepssecundair onderwijs : het onderwijs dat minder weken per jaar of minder lesuren per week omvat dan bepaald is voor het voltijds secundair onderwijs;
12° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;
12° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;
12° /3 disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria, als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
13° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;
14° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;
14° /1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
14° /2 handelingsgericht advies: het centrum voor leerlingenbegeleiding geeft advies aan de leerling, de ouders of het schoolteam over keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven of eventueel bepaalde hulp;
15° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;
15° /1 huisonderwijs :
- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum;
- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van één van volgende regelingen :
   1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;
   2° het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
   3° het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
15° /2 individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag als vermeld in artikel 294, § 2 tot en met § 10, worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van het geheel van de leerdoelen van de betrokken opleiding. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs of op de opleidingsprofielen van opleidingsvorm 3. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd, en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Daarnaast beoogt dit curriculum ook ofwel de participatie aan de maatschappij, eventueel in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, ofwel de verdere studies. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor de reguliere studiebewijzen van het gewoon voltijds secundair onderwijs, behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 115, § 1, derde lid;
16° inhaallessen : de lessen die facultatief kunnen georganiseerd worden met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling;
16° /2 kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;
17° Koninklijk besluit nummer 66 : het koninklijk besluit nummer 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten;
17° /1 leefentiteit : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;
17° /1/1 leerlingenbegeleiding: een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen. Leerlingenbegeleiding situeert zich op vier domeinen: de onderwijsloopbaan, leren en studeren, psychisch en sociaal functioneren en preventieve gezondheidszorg. De maatregelen vertrekken steeds vanuit een geïntegreerde en holistische benadering voor de vier begeleidingsdomeinen en dit vanuit een continuüm van zorg;
17° /2 leerlingenstage : een vorm van opleiding :
a) buiten een vestigingsplaats van de school;
b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;
c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;
d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht;
e) met de bedoeling beroepservaring op te doen;
17° /3 leertijd: de opleiding, vermeld in artikel 27 tot en met 30 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";
17° /3 leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
c) persoonlijke en externe factoren;
18° lesuur : een prestatie van vijftig minuten;
19° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;
19° /1 LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;
20° modulair stelsel : een onderwijssysteem waarin leerlingen door de overheid vastgestelde modules verwerven;
21° module : het kleinste deel van een opleiding dat aanleiding geeft tot een certificaat op basis van eindtermen vastgelegd door de Vlaamse overheid;
22° ...
23° ...
24° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
24° /1 onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het secundair onderwijs;
25° onderwijsnet :
- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;
- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
26° onderwijsvormen : het algemeen secundair onderwijs, het beroepssecundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;
27° onderwijzend personeel : de wervingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;
28° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;
29° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;
30° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;
31° optie : -een leervak of een groep leervakken die, met uitzondering van de eerste graad, het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;
- voor het hoger beroepsonderwijs wordt onder optie, de opleiding verpleegkunde verstaan;
32° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben.
In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;
33° overheveling : de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van de ene naar de andere school, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling, in het kader van de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel onderbouwd door een lokaal structuurplan;
33° /1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;
34° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;
34° /1 preventorium: medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan jongeren waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;
35° programmatie : een wijziging van het onderwijsaanbod door middel van :
a) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar niet bestaande school, met de bedoeling die school in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;
b) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel (dat niet onder toepassing van c) valt), met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Voor wat betreft een optie, georganiseerd als Se-n-Se, wordt evenwel 1 oktober en 1 maart van de twee voorafgaande schooljaren als datum vooropgesteld; De heroprichting van een structuuronderdeel na onderbreking ten gevolge van een tijdelijk project als bedoeld in het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, wordt evenwel niet als programmatie beschouwd;
c) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component « topsport », met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, moet de betrokken school ten minste één sportdiscipline organiseren die eerder ook al aan die school werd toegewezen;
36° project algemene vakken : de integratie van twee of meer leervakken in het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar en het beroepssecundair onderwijs;
36° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;
37° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
38° school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;
39° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;
40° schoolbestuur: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;
40° /1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid;
41° specifiek structuuronderdeel : een structuuronderdeel dat voorbereidt op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of dat om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate aangeboden kan worden;
42° structuuronderdeel : een onderverdeling in het onderwijsaanbod die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden. Binnen de context van de overhevelingen wordt "structuuronderdeel" echter als een ruimer begrip gehanteerd vermits er ook een eerste graad en een studiegebied wordt onder verstaan;
43° studiegebied : een groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap en, in het technisch en beroepssecundair onderwijs, eveneens op basis van een behoefte aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur en een uitweg naar eenzelfde beroepssector;
43° /1 Syntra Vlaanderen: het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";
43° /1/1 systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;
44° trekkende bevolking : de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en Bartiesten en de woonwagenbewoners bedoeld in artikel 2, 3° van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;
44° /1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;
45° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;
45° /1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;
46° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken school gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten.
47° voltijds secundair onderwijs :
- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
- het onderwijs dat aan regelmatige cursisten van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 36 wekelijkse lesuren en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;
47° /1 ziekenhuisschool: school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5, opleidingsvorm 4, verbonden aan een universitair ziekenhuis of een residentiële setting of een preventorium;
47° /2 zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;
48° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;
49° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd. (2)

DEEL III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS

TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN

HOOFDSTUK 1. Algemeen

Artikel 4. (01/09/1989- ...)

Het secundair onderwijs omvat :
1° het voltijds secundair onderwijs;
2° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. (3)

Artikel 5. (01/09/1958- ...)

In het gewoon, buitengewoon en het deeltijds beroepssecundair onderwijs bestaan er officiële en vrije scholen. Vrije scholen worden opgericht door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon. Officiële scholen worden opgericht door een publiekrechtelijk rechtspersoon. (4)

Artikel 6. (01/09/1958- ...)

§ 1. Krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt gewoon, buitengewoon, deeltijds secundair onderwijs ingericht en wordt waar daaraan behoefte bestaat, de daartoe nodige scholen of centra en afdelingen van scholen of centra tot stand gebracht.

§ 2. De Vlaamse Gemeenschap financiert en subsidieert, overeenkomstig de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, de scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen en private personen, zijn tot stand gebracht.

Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden kunnen geen scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen. Evenmin kunnen scholen en centra of afdelingen ervan nieuw of verder gefinancierd of gesubsidieerd worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen.

§ 3. Voor de toepassing van reglementaire programmatie- of rationalisatienormen wordt met karakter van het onderwijs verstrekt door een school of centrum bedoeld, het behoren ervan tot één van de categorieën van officiële of vrije scholen, zoals deze in de artikelen 5 en 110 gedefinieerd werden. (5)

Artikel 7. (01/09/2001- ...)

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. (6)

Artikel 8. (01/09/2011- ...)

Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het vorige lid kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Artikel 9. (01/09/2001- ...)

Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. (8)

Artikel 10. (01/09/2001- ...)

Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :
1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;
2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;
3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;
4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen. (9)

Artikel 11. (01/09/1997- ...)

De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitwerking op 1 september. (10)

Artikel 12. (01/09/1958- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de verlofregeling en de aanwending van de schooltijd voor het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en voor het deeltijds secundair onderwijs in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra. (11)

HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden

Artikel 13. (01/09/2006- ...)

Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het schoolbestuur om aan regelmatige leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
Financiering of subsidiëring impliceert een erkenning. (12)

Artikel 14. (01/09/2018- ...)

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat alleen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°, wordt niet gefinancierd of gesubsidieerd maar wel erkend.

§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot erkenning in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.

De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
1° hetzij voorlopige erkenning voor één schooljaar;
2° hetzij geen voorlopige erkenning.

Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.

In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17°, uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
1° hetzij erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
2° hetzij niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.

§ 3. De in de erkenning opgenomen structuuronderdelen gewoon of buitengewoon secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de erkende structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.

§ 4. De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats door een school wordt gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. In de melding wordt verklaard dat :
1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
2° de school op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als ze een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien gevestigd was. De school vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.

De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in het eerste lid, vast.

Deze paragraaf geldt niet voor een school die wordt opgericht.

HOOFDSTUK 3. Financiering en subsidiëring

Afdeling 1. Voorwaarden

Artikel 15. (01/09/2018- 31/08/2019)

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op het structuuronderdeel in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van de school die het organiseert, samen is voldaan :
1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;
3° de controle door de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;
4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;
5° bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;
6° een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van die indelingen;
7° de reglementering betreffende verlofregeling en aanwending van de schooltijd in acht nemen;
8° beantwoorden aan de op het structuuronderdeel toepasbare decretale en reglementaire bepalingen inzake erkende onderwijskwalificaties, eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties, curriculumdossiers, leerplannen of individuele handelingsplannen;
9° samenwerkingsafspraken maken met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voeren;
10° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt;
11° als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;
12° voor wat het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft :
a) een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;
b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
c) een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter vermeld in punt a);
d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;
13° voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen;
14° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet vermelde gegevens leveren, en de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven;
Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.
15° wat het gemeenschapsonderwijs betreft : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren;
16° wat het gesubsidieerd onderwijs betreft : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures, vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door het schoolbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;
17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren, ingeschreven in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, zijn aangegaan;
18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;
20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;
21° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.

§ 2. Alleen voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting, een aanvraag tot financiering of subsidiëring in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de voormelde aanvraag vast.

De onderwijsinspectie gaat na of het structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een van de volgende beslissingen :
1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar;
2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning.

Artikel 13, eerste lid, is ook op voorlopig erkende structuuronderdelen van toepassing.

In de loop van het schooljaar van voorlopige erkenning gaat de onderwijsinspectie na of het structuuronderdeel voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning een van de volgende beslissingen :
1° hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar;
2° hetzij niet-financiering of niet-subsidiëring met inbegrip van niet-erkenning vanaf het daaropvolgend schooljaar.

Een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering tot financiering of subsidiëring heeft maar uitwerking als voldaan is aan de vigerende programmatieregels voor scholen en structuuronderdelen. Als aan die programmatieregels niet is voldaan, slaat een gunstige beslissing uitsluitend op erkenning.

In een gefinancierd of gesubsidieerd structuuronderdeel, met inbegrip van voorlopige erkenning, is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.

§ 3. De in de financiering of subsidiëring opgenomen structuuronderdelen secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De dienstbrief bevat de vestigingsplaatsen waar de gefinancierde of gesubsidieerde structuuronderdelen kunnen worden georganiseerd.

§ 4. De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats door een school wordt gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. In de melding wordt verklaard dat :
1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid;
2° de school op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als ze een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere onderwijsinstelling gevestigd is of voordien was. De school vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.

De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in het eerste lid, vast.

Deze paragraaf geldt niet voor een school die, al dan niet als gevolg van een herstructurering van bestaande scholen, wordt opgericht.

Afdeling 2. Financiering en subsidiering van de personeelsleden

Onderafdeling 1. Salariëring

Artikel 16. (01/09/1958- ...)

De Vlaamse Gemeenschap verleent aan de gesubsidieerde scholen van het secundair onderwijs die aan de bij decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, salaristoelagen en betaalt, overeenkomstig artikel 65, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de salarissen van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die krachtens de geldende decretale en reglementaire bepalingen in dienst zijn genomen.

De Vlaamse Gemeenschap betaalt aan de betrokken personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs, rechtstreeks en maandelijks respectievelijk de salarissen en de salaristoelagen. (15)

Artikel 17. (01/09/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering verleent salarissen en salaristoelagen voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten, de leden van het opvoedend hulppersoneel, de leden van het ondersteunend personeel en de leden van het administratief personeel.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs worden ook salarissen of salaristoelagen toegekend aan het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel, overeenkomstig de normen toepasselijk op de verschillende types van het gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon onderwijs.

§ 3. Elke aanvraag om salaris of salaristoelage voor het personeel moet vergezeld zijn van een verklaring van het schoolbestuur waarvan de tekst, vastgelegd door de Vlaamse Regering, moet bevestigen dat voor de betrokken ambten, noch door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, noch door enig ander orgaan toelagen worden verleend. (16)

Artikel 18. (01/09/1958- ...)

§ 1. Een school ontvangt slechts financiering of subsidiering voor haar personeelsleden :
1° die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
2° die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
3° die in het bezit zijn van de vereiste, voldoende geachte of de andere door de Vlaamse Regering vastgelegde bekwaamheidsbewijzen;
4° wier gezondheidstoestand geen gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de leerlingen;
5° die aangeworven zijn mits eerbiediging van de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling.

§ 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door het schoolbestuur vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest het schoolbestuur de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang het de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door het schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 47septies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, één van de evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in hoofdstuk Vter van hetzelfde decreet, van een vastbenoemd personeelslid heeft vernietigd.

Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor het schoolbestuur :
1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door het schoolbestuur is hersteld;
2° ofwel indien hetzelfde of een ander schoolbestuur het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;
3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door hetzelfde schoolbestuur of een ander schoolbestuur aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;
4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.

De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan het schoolbestuur werd toegekend, wordt van dit schoolbestuur teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.

Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. (17)

[Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel - herverdeling en overdracht van uren (verv. decr. 6 juli 2018, art. 27, I: 1 oktober 2018)]

Artikel 19. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan van de aan zijn scholen toegekende uren-leraar gewoon onderwijs respectievelijk lesuren buitengewoon onderwijs maximaal twee procent respectievelijk maximaal drie procent herverdelen onder zijn scholen.

Die twee procent voor het gewoon onderwijs en drie procent voor het buitengewoon onderwijs worden berekend op basis van het totaal aantal uren-leraar of lesuren dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur werd toegekend op basis van de geldende reglementaire normen.

Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

§ 2. Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die niet behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité daarmee akkoord gaat.";

§ 3. Bij de in § 1 en § 2 bedoelde herverdeling, mag een schoolbestuur het aantal aan een school toegekende uren-leraar of lesuren niet verminderen indien het in dat schooljaar in die school overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

§ 4. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dienen de schoolbesturen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat ze de bepalingen van § 3 in acht nemen bij deze herverdeling. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

In de bijkomende uren-leraar of lesuren die een school via deze herverdeling verkregen heeft, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het betrokken schoolbestuur dient een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de bedoelde uren-leraar of lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid.

§ 5. De herverdeling dient plaats te vinden tegen uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar. (18)

Artikel 20. (01/09/2014- ...)

§ 1. Binnen dezelfde scholengemeenschap kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar van een school aan een andere school worden overgedragen, als:
1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling heeft plaatsgevonden in het lokaal comité.

In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

Binnen hetzelfde net kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar worden overgedragen van een school aan een andere school die niet behoort tot dezelfde scholengemeenschap, als:
1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat.

§ 2. De in dit artikel bedoelde overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die uren-leraar of lesuren overdraagt op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

In de overgedragen uren-leraar of lesuur kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Indien een schoolbestuur van een school het vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorafgaand schooljaar, behoudt, op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien deze personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk.

§ 3. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dient het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat het de bepalingen van dit artikel in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid of dat de vaste benoemingen geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. (19)

Artikel 21. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet ingerichte uren-leraar of lesuren overdragen naar het daaropvolgende schooljaar mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden:
1° het maximum aantal uren-leraar of lesuren van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van dat schooljaar;
2° het maximum aantal uren-leraar of lesuren van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar kan nooit hoger liggen dan twee procent van het aantal aanwendbare uren-leraar of lesuren van dat bepaald schooljaar;
3° het in 1° en 2° bedoelde maximum aantal overgedragen uren-leraar of lesuren, of een gedeelte ervan, mag, in afwijking van artikel 20, na 1 november van dat schooljaar zowel gebruikt worden in de eigen school als overgedragen worden naar een andere school binnen hetzelfde net of binnen eenzelfde scholengemeenschap.

§ 2. De overdracht van uren-leraar of lesuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in paragraaf 1, is alleen mogelijk als het betrokken schoolbestuur van de school op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar. Daarenboven kan een schoolbestuur van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag heeft ingediend met het oog op het bekomen van extra lesuren, geen lesuren overdragen.

§ 3. De niet-naleving van de bepalingen van § 2 heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

§ 4. In de overgedragen uren-leraar of lesuren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 5. Met het oog op de controle van § 4 door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, dienen de schoolbesturen van de betrokken scholen een verklaring op eer af te leggen die ertoe strekt dat in de bedoelde uren-leraar of lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 6. De niet-naleving van de bepalingen van § 4 en § 5 heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid. (20)

Artikel 22. (01/09/2007- ...)

De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde onderwijsinspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. (21)

[Onderafdeling 2/1 Onderwijzend personeel - lerarenplatform (ing. decr. 6 juli 2018, art. 28, I: 1 oktober 2018)]

Artikel 22/1. (01/10/2018- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsi-dieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs.

Artikel 22/2. (01/10/2018- ...)

Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt begrepen onder :
1° reguliere vervanging : een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden :
- het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
- het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels;
2° samenwerkingsplatform :
- een scholengemeenschap of;
- meerdere scholengemeenschappen of;
- een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren of;
- meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren;
3° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht.

Artikel 22/3. (01/10/2018- ...)

Tijdens het schooljaar 2018-2019 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.

Artikel 22/4. (01/10/2018- ...)

In het secundair onderwijs kunnen een aantal projectscholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform deelnemen binnen het voorziene aantal voltijdse equivalenten. De selectie van de samenwerkingsplatformen gebeurt door de Vlaamse Regering op voorstel van de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners op basis van volgende criteria :
- evenredige spreiding over de netten volgens lesurenpakket;
- geografische spreiding;
- grootte van het samenwerkingsplatform;
- de inhoud van de protocollen van de onderhandelingen.

Artikel 22/5. (01/10/2018- ...)

De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over :
- de deelname aan het lerarenplatform;
- de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;
- de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;
- de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Artikel 22/6. (01/10/2018- ...)

De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 148.422 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 350 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47.

Artikel 22/7. (01/10/2018- ...)

Alle deelnemende scholen ontvangen lesuren of uren-leraar voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lesuren of uren-leraar per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van alle deelnemende scholen samen waarbij onder het totaal aantal lesuren of uren-leraar wordt verstaan de som van het totale aantal :
- uren-leraar voor de levensbeschouwelijke en de niet-levensbeschouwelijke vakken;
- uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod;
- lesuren voor levensbeschouwing en niet-levensbeschouwing;
- lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod.

Artikel 22/8. (01/10/2018- ...)

De lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lesuren en uren-leraar kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.

Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.

De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.

Artikel 22/9. (01/10/2018- ...)

Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform en andere lesuren en uren-leraar.

Artikel 22/10. (01/10/2018- ...)

Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen.

Artikel 22/11. (01/10/2018- ...)

Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken.

Artikel 22/12. (01/10/2018- ...)

De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.

Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar vermeerderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.

Artikel 22/13. (01/10/2018- ...)

Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel vanaf 2019-2020.

Artikel 22/14. (01/10/2018- ...)

 Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

[Onderafdeling 2/2 Onderwijzend personeel - Omzetting van niet-ingevulde vervangingen (ing. decr. 6 juli 2018, art. 29, I: 1 september 2018)]

Artikel 22/15. (01/09/2018- ...)

Vanaf het schooljaar 2018-2019 krijgen schoolbesturen van het secundair onderwijs de mogelijkheid om de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging zoals gedefinieerd in onderafdeling 2/1, artikel 22/2, 1°, a), om te zetten in vervangingseenheden. Deze omzetting is enkel mogelijk op voorwaarde dat geen geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken vervanging kan uitoefenen. Het schoolbestuur ondertekent hiertoe een verklaring op eer.

Voor het bepalen van het aantal vervangingseenheden wordt de teller van de opdrachtbreuk van het afwezige personeelslid vermenigvuldigd met de kalenderdagen afwezigheid van het afwezige personeelslid.

Deze vervangingseenheden kunnen worden opgespaard en later tijdens het schooljaar worden aangewend. Voor de verrekening van de aanwending worden de vervangingseenheden gedeeld door de teller van de opdrachtbreuk van de vervanger. De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een periode van omzetting naar vervangingseenheden, en die een nieuwe periode van omzetting naar vervangingseenheden onmiddellijk voorafgaan, moeten eveneens worden aangerekend op de vervangingseenheden.

De scholen onderhandelen in het bevoegde lokaal comité over de nadere modaliteiten van de aanwending.

Artikel 22/16. (01/09/2018- ...)

De maatregel wordt jaarlijks opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op continuering en een eventuele uitbreiding naar andere ambten en personeelscategorieën.

Artikel 22/17. (01/09/2018- ...)

Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

Onderafdeling 3. Globale puntenenveloppe

Artikel 23. (01/09/2014- ...)

§ 1. Deze onderafdeling is niet van toepassing op het ambt van bode-kamerbewaarder.

§ 2. ...

Artikel 24. (01/09/2015- ...)

In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.

De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.

Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.

Artikel 25. (01/09/2013- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een scholengemeenschap is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 12 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt. Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;
3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.

§ 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar, dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 10. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen van alle scholen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs,op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald :
a) tussen 900 en 3999 leerlingen : 120 punten;
b) tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten;
c) tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten;
d) tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten;
e) tussen 9.000 en 10.999 leerlingen : 360 punten;
f) vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten.

Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.

§ 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 14. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 tot en met § 6, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (24)

Artikel 26. (01/09/2013- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (25)

Artikel 27. (01/09/1999- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 7. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (26)

Artikel 28. (01/09/2013- ...)

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 en § 3 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (27)

Artikel 29. (01/09/2011- ...)

§ 1. De scholengemeenschap verdeelt jaarlijks haar globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 25, over haar scholen op basis van criteria die worden onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Als in de scholengemeenschap geen akkoord wordt bereikt, verdeelt de scholengemeenschap de punten over haar scholen overeenkomstig de parameters die werden gebruikt voor de toekenning van de puntenenveloppe.

Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe.

Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk :
1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 25, § 11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10% overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met de punten die haar volgens artikel 25, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap;
2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.

De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.

De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.

§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kent de scholengemeenschap tot en met het schooljaar 2013-2014 aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die op of na 1 september 2011 voor het eerst toetreedt tot een scholengemeenschap, ten minste het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens de parameters vastgelegd in artikel 25, § 9, 3°.

Artikel 30. (01/09/2015- ...)

§ 1. De school wendt de punten die ze in toepassing van artikel 29 van de scholengemeenschap ontvangt als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten :
- van het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in § 1, met uitzondering van het
bevorderingsambt van directeur;
- voor het klasvrij maken van een personeelslid;
- voor taak- en functiedifferentiatie;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;
- een betrekking in het ambt van technisch adviseur- coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht. De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.
- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

§ 2. De scholengemeenschap kan de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
- voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

Bij de aanwending van deze puntenenveloppe moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes :
1° ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
2° het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking opgericht met punten van de voorafname wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in een school van de scholengemeenschap en werkt voor de totaliteit van de scholengemeenschap;
3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan echter op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
- het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- de betrekking kan niet worden vacant verklaard.

Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

§ 3. In het gemeenschapsonderwijs is de scholengroep verplicht om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken. De scholengroep heeft de keuze om hiervoor punten aan te wenden van de voorafname van de globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 29, en/of punten van de enveloppe bedoeld in artikelen 125duodecies, § 4, en 153sexies, § 4, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Als een scholengroep ten minste één netoverschrijdende scholengemeenschap telt, wordt in de overeenkomst van deze scholengemeenschap vastgelegd op welke wijze aan voormelde verplichting wordt voldaan. De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt eveneens het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (29)

Artikel 31. (01/09/2015- ...)

§ 1. De school die niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikelen 26 of 27 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze haar punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden :
- van het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingsambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;
2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur, en het ondersteunend personeel;
- voor de oprichting van betrekkingen in wervingsambten van het onderwijzend en het ondersteunend personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs kunnen in het kader van taak- en functiedifferentiatie daarenboven ook betrekkingen in wervingsambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in stand worden gehouden of worden opgericht;
- voor het klasvrij maken van een personeelslid;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;
- een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.

§ 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikel 28 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het bestuurspersoneel;
2° als het centrum na de toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze betrekkingen oprichten in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur.

Het centrum voor deeltijds beroepsonderwijs moet bij de aanwending van zijn punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- er kan slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (30)

Onderafdeling 4. Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs

Artikel 32. (01/09/2015- ...)

§ 1. Aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitaire enveloppe van 5.330 punten toegekend, bestemd voor verdeling over de scholengroepen.

§ 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs verdeelt de forfaitaire puntenenveloppe, bedoeld in § 1, over de scholengroepen na onderhandeling in het daartoe bevoegde onderhandelingscomité.

Met deze punten worden in de scholengroepen betrekkingen opgericht in het ambt van administratief medewerker. De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.

De scholengroep is niet verplicht om op deze betrekkingen de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, opgenomen in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, toe te passen.

De scholengroep kan in deze betrekkingen een personeelslid vast benoemen. Op het ogenblik dat de scholengroep waaraan de punten zijn toegekend het personeelslid in dergelijke betrekking vast benoemt, blijven de punten toegekend aan deze scholengroep.

De scholengroep deelt de vacantverklaring van voormelde betrekkingen mee aan de afgevaardigd-bestuurder. Deze toetst de stabiliteit van de vacant verklaarde betrekkingen aan de mogelijke evolutie van de verdelingscriteria. In toepassing van artikel 43, § 1, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs is de afgevaardigd-bestuurder belast met het goedkeuringstoezicht ter zake. (31)

Onderafdeling 5. Bedrijfsstages

Artikel 33. (01/09/2012- ...)

...

Artikel 34. (01/09/2012- ...)

...

Afdeling 3. Financiering en subsidiëring van de werking

Onderafdeling 1. Algemeen

Artikel 35. (... - ...)

In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.

Na overleg binnen de participatieraad of de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de ouders of aan de meerderjarige leerlingen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. Deze regeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de ouders of aan de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel aan de meerderjarige leerling meegedeeld. (34)

Artikel 36. (01/09/1958- ...)

De kosten van het onderwijs, verstrekt in scholen en centra of afdelingen voor onderwijs, tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van de schoolbesturen.

Aan de gefinancierde of gesubsidieerde scholen en die aan de bij de decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap salarissen, salaristoelagen en werkingsbudget. (35)

Artikel 37. (01/09/1958- ...)

Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school, aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen en aan de uitgaven voor de financiering van de investeringen. (36)

Artikel 38. (01/09/1973- ...)

Wat de overeenkomsten betreft voor aanneming van werken, leveringen en diensten met betrekking tot uitgaven op de dotatie van het Gemeenschapsonderwijs en met betrekking tot uitgaven die geheel of gedeeltelijk ten laste van het werkingsbudget, de uitrustingstoelagen, de bouwtoelagen of de rentetoelagen worden gelegd, zijn de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen ertoe gehouden de overeenkomsten af te sluiten volgens de procedure en onder de voorwaarden die voor de federale overheid gelden met dien verstande dat de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen :
- de bevoegdheden uitoefenen die in de federale reglementering aan een Minister zijn toegekend;
- het in dezelfde reglementering bepaald advies niet hoeven in te winnen vooraleer een overeenkomst ingevolge offerteaanvragen of onderhands af te sluiten;
- onderhandse overeenkomsten mogen sluiten voor de aankoop van didactisch materieel, welke ook de prijs hiervan is;
- van de regels betreffende de keuze van een aannemer mogen afwijken bij openbare of beperkte aanbesteding, als de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs zich binnen de dertig dagen na de aanvraag hiertegen niet verzet. (37)

Artikel 39. (01/09/1986- ...)

Aan het Gemeenschapsonderwijs wordt jaarlijks een globale dotatie toegekend, bestemd om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school en aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen. Deze dotatie bestaat uit een forfaitair bedrag per school en een forfaitair bedrag per leerling. Deze bedragen kunnen verschillen per niveau en vorm van onderwijs. (38)

Artikel 40. (01/01/1991- ...)

De Raad van het Gemeenschapsonderwijs, de scholengroepen en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor de aanschaf van uitrustingsapparatuur leningsovereenkomsten en leasingsovereenkomsten aangaan bij de door de Vlaamse Regering daartoe erkende financiële instellingen. (39)

Artikel 41. (01/09/1958- ...)

Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het schoolbestuur van elke school. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen behorende tot hetzelfde schoolbestuur. Bij deze aanwending dient het schoolbestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van zijn scholen en van de leerlingen of studenten die tot deze scholen behoren.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de wijze waarop de school zijn aanvraag tot financiering of subsidiëring indient;
2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van het werkingsbudget betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending. (40)

Artikel 42. (01/09/1991- ...)

In geval van overname van een school door een ander schoolbestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop de overgenomen school recht had volgens de vigerende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe schoolbestuur toegekend. (41)

Artikel 43. (01/09/2005- ...)

§ 1. De representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen bepalen, voor de schoolbesturen of schoolbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen inzake de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals bepaald in artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de terzake geldende Europese verplichtingen.

§ 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de schoolbesturen, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.

§ 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal :
1° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;
2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;
3° de jaarrekening;
4° de inventaris.

§ 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de scholen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elk schoolbestuur.

§ 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal :
1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;
2° de waarderingsregels;
3° de structuur van de jaarrekening;
4° het schema van de balans;
5° het schema van de resultatenrekening;
6° de inhoud van de toelichting;
7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;
8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.

§ 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

§ 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen. (42)

[Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn (verv. decr. 3 juli 2015, art. 16, I: 1 september 2015)]

Artikel 44. (01/07/2018- ...)

...

Onderafdeling 3. Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs

Artikel 45. (01/09/2007- ...)

De vzw Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs ontvangt de in deze onderafdeling bedoelde subsidiëring voor zover zij voldoet aan volgende voorwaarden :
1° zij stelt zich tot doel een netoverschrijdende structuur uit te bouwen ter ondersteuning van de Nederlandstalige scholen voor secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Deze structuur is in het bijzonder gericht op het ondersteunen van de taalvaardigheid van de leerlingen, en zal taaltoetsen afnemen bij leerlingen, begeleidingsinitiatieven ontwikkelen en uitvoeren voor het taalvaardigheidsonderricht;
2° zij legt uiterlijk op de eerste dag van de zesde maand na afsluiting van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. (44)

Artikel 46. (01/09/2007- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering waarborgt tot en met 31 december 2010 een subsidiëring voor de loonkosten van de personeelsleden en de werkingsmiddelen binnen de door de Vlaamse Gemeenschap voorziene begrotingskredieten.

§ 2. De Vlaamse Regering kan beslissen over de uitvoering van de subsidiëring bedoeld in § 1 een samenwerkingsakkoord te sluiten met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. (45)

Onderafdeling 4. Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen

Artikel 47. (01/09/1998- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, aan scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen, extra middelen toekennen die bestemd zijn voor investeringen in didactische uitrusting. Onder investering in didactische uitrusting wordt verstaan : de aankoop van didactische uitrusting of de beveiliging van reeds aanwezige didactische uitrusting.

De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen.

§ 2. Per regelmatige leerling op de door de Vlaamse Regering te bepalen teldatum worden extra middelen toegekend.

Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken scholen een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde, minimale onderdelen.

§ 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit drie afgevaardigden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en twee afgevaardigden van de onderwijsinspectie, enerzijds, en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, en één afgevaardigde van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming-Syntra Vlaanderen, anderzijds.

De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en kan experten toelaten tot de vergadering.

De commissie garandeert dat een aanvankelijk als « onvoldoende » bevonden plan, bijgestuurd kan worden en éénmaal opnieuw mag worden ingediend binnen een door haar vooropgestelde termijn, die evenwel nooit minder kan zijn dan 10 werkdagen te rekenen vanaf de beslissing van de commissie.

§ 4. De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning, de uitbetaling en de controle op de aanwending van deze extra middelen. (46)

Artikel 48. (01/09/2010- ...)

De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)

HOOFDSTUK 4. Scholengemeenschappen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 49. (01/09/1999- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 59, 62 en 64 die niet van toepassing zijn op het buitengewoon secundair onderwijs.

Binnen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "school" verstaan : een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat eventueel aan deze school is gehecht, een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of een school voor buitengewoon secundair onderwijs. (48)

Afdeling 2. Vorming van een scholengemeenschap

Artikel 50. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap omvat één of meer scholen die al dan niet behoren tot hetzelfde schoolbestuur en/of hetzelfde onderwijsnet. (49)

Artikel 51. (01/09/2018- ...)

Alle tijdens het schooljaar 2013-2014 bestaande scholengemeenschappen houden van rechtswege op te bestaan op 31 augustus 2014.

Scholengemeenschappen die na die datum worden gevormd, komen vrijwillig tot stand voor een periode vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap, en tot en met 31 augustus 2020. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen.

Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, in die zin dat op 1 september 2015, 2016, 2017, 2018 dan wel 2019 een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen.

Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt:
a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;
b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;
c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt;
4° indien de school met een vereniging van gemeenten als schoolbestuur wordt overgenomen door een schoolbestuur dat geen vereniging van gemeenten is.

De vorming van een scholengemeenschap en de eventuele wijziging ervan wordt schriftelijk en uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar aan de bevoegde diensten gemeld.

Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.

Artikel 52. (01/09/1999- ...)

§ 1. Scholengemeenschappen zijn samenwerkingsverbanden waarvan de werking geregeld wordt in hetzij de beslissing van het enig betrokken schoolbestuur, hetzij de overeenkomst tussen de verschillende betrokken schoolbesturen.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden zonder beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de verantwoordelijkheid en het hiërarchisch toezicht van het betrokken schoolbestuur.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden met beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de toezichtsvormen bepaald in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs of de organieke regelgeving op de lokale besturen, respectievelijk de toezichtsvormen georganiseerd door het betrokken schoolbestuur.

§ 2. Beheersoverdracht is enkel mogelijk ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in artikel 57, 4°, 6°, 7°, 8° en 9°. (51)

Artikel 53. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken scholen gelegen binnen maximaal vijf aangrenzende onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs. (52)

Artikel 54. (01/09/1999- 31/08/2019)

Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan :
1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, een tweede leerjaar en een beroepsvoorbereidend leerjaar;
2° de tweede graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden; de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn;
3° de derde graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden; de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
1° het niet-voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in :
a) hetzij het niet of te weinig organiseren van opties in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;
b) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
c) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het beroepssecundair onderwijs; en
2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wèl organiseren.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :

De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarde de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 44 onderwijszones vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige school" worden de scholen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, én enkel eigen leerplannen van het schoolbestuur hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, buiten beschouwing gelaten.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :
De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én uitsluitend eigen leerplannen van het schoolbestuur te hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd. (53)

Artikel 55. (01/09/1999- ...)

§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :
1° gemeenschapsonderwijs : maximum 40 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 15 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende groepen bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal scholen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

§ 3. Het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden. (54)

Artikel 56. (01/09/1999- ...)

Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. (55)

Afdeling 3. Bevoegdheden van een scholengemeenschap

Artikel 57. (01/09/2014- ...)

Een scholengemeenschap :
1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen;
2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap;
3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden;
4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn;
6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij het schoolbestuur een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;
7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die buiten de desbetreffende scholengemeenschap zijn gebleven; een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen;
8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer scholen voor secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren en/of met één of meer scholen voor basisonderwijs, met één of meer scholen van deeltijds kunstonderwijs en/of één of meer centra voor volwassenenonderwijs;
9° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;
10° ...
11° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)

Artikel 58. (01/09/1999- ...)

Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschappen andere bevoegdheden toewijzen dan hier bepaald, tenzij dit bij decretale of reglementaire bepalingen wordt verboden.

Voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs gebeurt deze toewijzing op grond van artikel 4, § 2, van het bijzonder decreet.

Indien bij de scholengemeenschap verschillende schoolbesturen zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. (57)

Afdeling 4. Diverse voordelen voor scholengemeenschappen

Artikel 59. (01/09/1999- ...)

Zoals bepaald in artikel 191 wordt de gewone rationalisatienorm per school met 15 % verminderd voor een school die tot een scholengemeenschap behoort. (58)

Artikel 60. (01/09/1999- ...)

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (59)

Artikel 61. (01/09/1999- ...)

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :
1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;
3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (60)

Artikel 62. (01/09/1999- ...)

De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :
1° 0,10 : voor de eerste graad;
2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)

Artikel 63. (01/09/2011- ...)

...

Artikel 64. (01/09/1999- ...)

§ 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van scholen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van scholen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen.

De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op. De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling.

§ 2. De personeelsformatie bedoeld in § 1 wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1.500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs) op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap.

§ 3. De § 1 en § 2 zijn ook van toepassing op directeurs en adjunct-directeurs die op 30 juni 1999 zijn wedertewerkgesteld in het ambt van directiesecretaris of onderdirecteur van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat zij op 1 september 1999 personeelslid worden van een schoolbestuur binnen de scholengemeenschap. (63)

Artikel 65. (01/09/1999- ...)

§ 1. Aan de scholengemeenschappen wordt 20.000 extra wekelijkse uren-leraar toegekend vanaf het schooljaar 2004-2005. Deze extra uren-leraar worden aangewend om :
1° het aantal plage-uren, bedoeld in artikel 216 en 315 te reduceren, en/of
2° de werkdruk te verminderen door aanrekening van klassenraad, klassendirectie, splitsing van klassen, lerarenondersteuning, stagebegeleiding en leerlingenbegeleiding op het pakket uren-leraar.

§ 2. De verdeling van deze extra uren-leraar, die uitsluitend voor de scholen van de scholengemeenschap zijn bestemd, gebeurt trapsgewijs als volgt : het aantal uren-leraar dat elke scholengemeenschap ontvangt is recht evenredig met het aandeel van de som van de pakketten uren-leraar van de scholen die de scholengemeenschap vormen in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden. Onder uren-leraar worden de organieke uren-leraar voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs verstaan.

De scholengemeenschap verdeelt de extra uren-leraar op de wijze zoals bepaald in artikel 57, 4°.

§ 3. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de extra wekelijkse uren-leraar. (64)

Artikel 66. (01/09/1999- ...)

Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat.

Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing.

Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.

Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing.

Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. (65)

HOOFDSTUK 5. Organen

[... (opgeh. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)]

Artikel 67. (01/04/2014- ...)

...

Artikel 68. (01/04/2014- ...)

...

[Afdeling 1. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Representatieve vakorganisaties

Artikel 69. (01/09/1998- ...)

§ 1. De vakorganisaties aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens bijzondere opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.

§ 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van verdeling van de hier bedoelde personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast. (68)

[Afdeling 2. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen

Artikel 70. (01/09/2009- ...)

De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. (69)

[Afdeling 3. (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.4, I: 1 april 2014)] Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap

Onderafdeling 1. Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs

Artikel 71. (01/04/2008- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen secundair onderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs. (70)

Artikel 72. (01/04/2008- ...)

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze afdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3° van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. (71)

Artikel 73. (01/04/2008- ...)

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap ».

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement.

De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (72)

Artikel 74. (01/04/2008- ...)

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. (73)

Artikel 75. (01/04/2008- ...)

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (74)

Artikel 76. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (75)

Artikel 77. (01/04/2008- ...)

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (76)

Artikel 78. (01/04/2008- ...)

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (77)

Artikel 79. (01/04/2008- ...)

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (78)

Artikel 80. (01/04/2008- ...)

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 79. (79)

Artikel 81. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
4° de taken van de voorzitter;
5° de taken van de secretaris;
6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 76;
11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 74;
12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing. (80)

Artikel 82. (01/04/2008- ...)

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (81)

Onderafdeling 2. Netoverschrijdende scholengemeenschappen

Artikel 83. (01/04/2008- ...)

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die secundair onderwijs inrichten. (82)

Artikel 84. (01/04/2008- ...)

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd. (83)

Artikel 85. (01/04/2008- ...)

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X B Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs.

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorig lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (84)

Artikel 86. (01/04/2008- ...)

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs. (85)

Artikel 87. (01/04/2008- ...)

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (86)

Artikel 88. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :
1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;
2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;
3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (87)

Artikel 89. (01/04/2008- ...)

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (88)

Artikel 90. (01/04/2008- ...)

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (89)

Artikel 91. (01/04/2008- ...)

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :
1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;
2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;
3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (90)

Artikel 92. (01/04/2008- ...)

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 91. (91)

Artikel 93. (01/04/2008- ...)

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :
1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;
2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;
3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
4° de taken van de voorzitter;
5° de taken van de secretaris;
6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;
7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;
8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;
9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen.
10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 88;
11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 86;
12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing. (92)

Artikel 94. (01/04/2008- ...)

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (93)

Onderafdeling 3. Inzagerecht lokaal comité

Artikel 95. (01/09/1999- ...)

Het lokaal comité heeft inzagerecht in de administratieve dossiers van de scholengemeenschap met betrekking tot :
1° de aanstellingen voor doorlopende duur;
2° de vaste benoemingen;
3° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en wedertewerkstelling. (94)

HOOFDSTUK 6. Levensbeschouwelijk onderricht

Artikel 96. (01/09/2009- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :
1° het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;
2° de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;
3° de vierde graad;
4° het hoger beroepsonderwijs. (95)

Artikel 97. (01/09/2002- ...)

In het officieel voltijds secundair onderwijs omvat het onderwijsaanbod wekelijks ten minste twee lesuren onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lesuren onderwijs in de niet-confessionele zedenleer. (96)

Artikel 98. (01/01/2017- ...)

§ 1. Bij elke inschrijving van de leerling in het officieel voltijds secundair onderwijs bepalen de betrokken personen, bij ondertekende verklaring, of de leerling een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.

Betrokken personen die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.

De Vlaamse Regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lesuren waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. De lesuren waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere onderdelen van het leerprogramma.

§ 2. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de keuze voor het onderricht in één der erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer, evenals de eventuele aanvraag tot vrijstelling in samenspraak met de leerling. (97)

Artikel 99. (01/09/2002- ...)

Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002. (98)

HOOFDSTUK 7. Sancties

Artikel 100. (25/10/1981- 31/08/2019)

Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden heeft elke nieuwe oprichting van school, vestigingsplaats, niveau, type, opleidingsvorm, cyclus, leerjaar, afdeling, basisoptie, beroepenveld, optie, studierichting, specialisatiejaar of vervolmakingsjaar, in strijd met de regels van de programmatie of rationalisatie tot gevolg, dat de financiering of subsidiëring voor het bedoelde onderdeel wordt ingetrokken.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties. (99)

Artikel 101. (01/01/2013- ...)

§ 1. Met behoud van de erkenning wordt de financiering of subsidiëring van een school die niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden of een structuuronderdeel ervan dat niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden.

De inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, 4° en 5°.

De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen met betrekking tot die inhouding en regelt de beroepsprocedure.

§ 2. Met inachtneming van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, kan de Vlaamse Regering de erkenning van een school of een vestigingsplaats of structuuronderdeel ervan opheffen. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de Vlaamse Regering de opheffing van de erkenning ook beperken tot opheffing van de bevoegdheid om bepaalde eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.

Artikel 102. (01/09/2013- ...)

Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.

Artikel 103. (01/09/1958- ...)

Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken school medebrengen dat de subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid. (102)

Artikel 104. (01/09/2013- ...)

...

Artikel 105. (01/09/1990- ...)

Indien een personeelslid van het gemeenschaps- of van het gesubsidieerd onderwijs in strijd met het personeelsstatuut of buiten de normen is benoemd, kan de Vlaamse Regering binnen een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de administratieve diensten van de Vlaamse Regering van de beslissing houdende deze benoeming, het salaris of de salaristoelage terugvorderen met betrekking tot de periode.

In het Gemeenschapsonderwijs zijn de aldus wederrechtelijke benoemde personeelsleden van ambtswege ontslagnemend. In het gesubsidieerd onderwijs is deze benoeming niet tegenstelbaar aan de betalende overheid. Daarenboven wordt in het officieel gesubsidieerd onderwijs het onregelmatig vast benoemd personeelslid in zijnen hoofde geacht aangesteld te zijn in een ambt dat opgeheven werd vanaf het ogenblik dat het schoolbestuur door de bevoegde overheid in kennis wordt gesteld dat de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden.

Indien de benoeming wordt bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, bedraagt de in het eerste lid vermelde termijn 30 jaar. (104)

Artikel 106. (05/09/1996- ...)

Het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 123 kan, voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties.

De bedoelde sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximum 5 % bedragen van de werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximum 10 % bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het bedoelde besluit waarborgt het recht op verdediging. (105)

Artikel 107. (01/09/2007- ...)

Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis bedoeld in artikel 117 en 118, is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. (106)

Artikel 108. (01/09/1958- ...)

§ 1. De overtreding van de regeling inzake verlofregeling en aanwending van de schooltijd, bedoeld in artikel 12, kan aanleiding geven tot sancties.

De bedoelde sanctie kan voor het Gemeenschapsonderwijs en voor het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties. (107)

Artikel 109. (01/09/2002- ...)

Het niet-naleven van de bepalingen inzake vrijstelling van de keuze inzake levensbeschouwelijk onderricht, bedoeld in artikel 98, kan na aanmaning aanleiding geven tot sancties.

De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling zijn van het werkingsbudget van de betrokken school. De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtreding en voor de toepassing van de sanctie en waarborgt de rechten van verdediging. (108)

TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN

HOOFDSTUK 1. Vrije keuze

Artikel 110. (01/09/1958- ...)

§ 1. Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in, over een school naar hun keuze op een redelijke afstand te beschikken.

§ 2. Onverminderd het recht van de Vlaamse Gemeenschap om scholen op te richten, is deze verplicht, ten einde de vrije keuze van de ouders te eerbiedigen :
1° op verzoek van ouders die op redelijke afstand geen officiële school vinden die begeleid wordt door een officieel centrum voor leerlingenbegeleidng en waarvan de oudervereniging aangesloten is bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs, hetzij in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school of afdeling tussen te komen; hetzij dergelijke officiële school in de financierings- of subsidieregeling op te nemen;
2° op verzoek van ouders die op een redelijke afstand geen vrije school vinden, een bestaande vrije school in de subsidieregeling op te nemen, hetzij het vervoer te verzekeren naar een dergelijke school of afdeling door middel van een dienst voor leerlingenvervoer. (109)

[HOOFDSTUK 1/1. Recht op inschrijving (ing. decr. 25 november 2011, art. V.3, I: 1 september 2012)]

[Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.4, I: 1 september 2012)]

Artikel 110/1. (01/09/2016- ...)

§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van de vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aanwezige onderwijsaanbod.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.

§ 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten :
1° op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs;
2° op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar in het secundair onderwijs dat niet onder toepassing valt van 1° en in de leertijd.

Een schoolbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.

§ 3. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen heen, tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9.

Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen.

Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.

§ 4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs, ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.

[Afdeling 2. Voorrangsregelingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V.6., I: 1 september 2012)]

Artikel 110/2. (01/09/2014- ...)

§ 1. Elke inschrijvingsperiode begint met opeenvolgende voorrangsperiodes, waarbij: 1° in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs eerst voorrang wordt verleend aan de leerlingen, vermeld in artikel 110/3, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/4, dan in voorkomend geval aan de leerlingen vermeld in artikel 110/5, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/6 en tot slot aan de leerlingen vermeld in artikel 110/7.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen genomen worden.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen of apart starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Indien de betrokken scholen gelegen zijn in het werkingsgebied van een LOP, moet de voorrangsperiode voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/7, starten, overeenkomstig artikel 110/1, § 2. Indien de betrokken scholen gelegen zijn buiten het werkingsgebied van een LOP, kunnen de inschrijvingen van de leerlingen die niet gevat worden door een voorrangsperiode, al dan niet samen met de inschrijvingen van de leerlingen gevat door een voorrangsperiode, ook starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling wordt geweigerd omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, § 4.

In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/3 en artikel 110/4 samen genomen worden.

Met uitzondering van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/4, duurt elke voorrangsperiode minimaal twee weken. Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

In afwijking van het eerste lid, punt 1°, zijn scholen voor type 5 niet verplicht de voorrangsperiodes te hanteren.

§ 2. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden uit het werkingsgebied.

Voor scholen buiten een werkingsgebied van een LOP worden de voorrangsperiodes bepaald in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. De schoolbesturen maken de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.

Artikel 110/3. (01/09/2013- ...)

Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle leerlingen, in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, een recht op inschrijving in de betrokken school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4.

Artikel 110/4. (31/08/2012- ...)

Een schoolbestuur verleent, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, voor zijn scholen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs voorrang aan kinderen van personeelsleden van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid wordt bedoeld :
1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leer- lingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;
2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.

Artikel 110/5. (01/01/2017- ...)

§ 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 110/3 en 110/4, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :
a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen;
5° voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 of het schooljaar 2016-2017 of het schooljaar 2017-2018 door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:
a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid.

§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in artikel 110/9.

Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, als vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, als vermeld in artikel 110/7, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3, bereikt is.

Artikel 110/6. (31/08/2012- ...)

Een schoolbestuur met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP en waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, 110/4, en in voorkomend geval artikel 110/5, voorrang verlenen aan leerlingen bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs.

De voorrang, vermeld in het eerste lid, moet bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd na positief advies bij meerderheid van het LOP basisonderwijs of, indien er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.

De dubbele meerderheid te bereiken door het LOP secundair onderwijs is bereikt wanneer de goedkeuring, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 4° tot en met 12°, van voormeld decreet. De meerderheid van het LOP basisonderwijs is bereikt wanneer het positief advies, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van voormeld decreet, en anderzijds meer dan de helft van alle participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, van voormeld decreet, of, in voorkomend geval, door meer dan de helft van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.

Artikel 110/7. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur bepaalt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

Een schoolbestuur kan, voor een of meer van zijn scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten als vermeld in het eerste lid bepalen.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of in de betrokken gemeente buiten het werkingsgebied van een LOP.

De twee contingenten vormen samen 100 % en worden door een schoolbestuur bepaald op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.

De reeds ingeschreven leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

Leerlingen die in voorkomend geval zijn ingeschreven in toepassing van artikel 110/3, 110/4, 110/5 en 110/6 worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent, zolang het contingent niet bereikt is.

De inschrijving van leerlingen, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 110/5 die zich aandienen nadat het contingent waartoe zij behoren vol is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, als uitgesteld ingeschreven. Een uitgestelde inschrijving is niet gelijk aan een niet-gerealiseerde inschrijving.

Indien beide contingenten, nog voor de voorrangsperiodes afgesloten worden, vol zijn, wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld de inschrijving geweigerd en wordt de uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister gewijzigd in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden en alle volgende leerlingen, ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Indien, op het moment dat een voorrangsperiode afgesloten wordt, het andere contingent niet vol is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld, indien de ouders dit nog wensen en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chrono- logie. De leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden, worden geweigerd en de ouders ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Het LOP maakt, voor de start van de inschrijvingen, afspraken over :
1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de niveaus waarop een capaciteit is vastgelegd.
2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, waarop een capaciteit is vastgelegd;
3° de niveaus, waarop een capaciteit is vastgelegd, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;
4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;
5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is :
1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;
2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Als een schoolbestuur erom vraagt, stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten gegevens over het al of niet voldoen aan één of meer indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
1° de leefeenheid, als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;
2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.

Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen als richtinggevend.

[Afdeling 3. Weigeren (ing. decr. 25 november 2011, art. V.13., I: 1 september 2012)]

Artikel 110/8. (01/09/2012- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende hetzij bij de effectieve start van de lesbijwoning hetzij bij beslissing van de toelatingsklassenraad, aan desbetreffende toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

Artikel 110/9. (01/09/2018- ...)

§ 1. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen met een eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs een capaciteit bepalen op volgend niveau:
a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, moet een school- of centrumbestuur voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
d) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 3. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de scholen met type 5, een capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
a) hetzij per school;
b) hetzij per vestigingsplaats;
c) hetzij per opleidingsvorm;
d) hetzij per type;
e) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats;
f) hetzij per pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 4. Een school- of centrumbestuur kan na de start van de inschrijvingen steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
a) goedkeuring door het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) mededeling aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 5. Een school- of centrumbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn vastgelegde capaciteiten mee.

Een school- of centrumbestuur bepaalt en communiceert daarenboven ten minste op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, indien van toepassing per contingent:
a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/3;
b) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/5;
c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/6;
d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/7.

§ 6. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
2° ...;
3° voor de toelating van leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1 of 2, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.

§ 6bis. Een schoolbestuur moet, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :
1° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 294 of 352, in een school voor gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;
2° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.

§ 7. Een school- of centrumbestuur, dat niet valt onder de toepassing van paragraaf 2, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
a) per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
c) per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
d) per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen vermeld in paragraaf 6, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.

Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 8. Een schoolbestuur kan ook na volzetverklaring, vermeld in paragraaf 7, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;
c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
2° ...;
3° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.

§ 8bis. Een schoolbestuur moet ook na volzetverklaring als vermeld in paragraaf 7, toch overgaan tot een inschrijving voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon secundair onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het buitengewoon secundair onderwijs ingeschreven waren.

§ 9. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit of volzetverklaring als vermeld in dit artikel.

Artikel 110/10. (01/09/2012- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 110/1, § 4.

§ 2. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.

Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen :
1° enkel voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : het aantal leerlingen dat voldoet aan de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3;
2° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;
3° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.

Artikel 110/11. (01/09/2018- ...)

§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het centrum voor leerlingenbegeleiding het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

§ 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.

§ 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.

§ 5. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving.

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd met het oog op de toegang tot of de inschrijving in het buitengewoon onderwijs, of met het oog op een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs of die overgaan van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

[Afdeling 4. Procedure (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 18, I: 1 september 2012)]

Artikel 110/12. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, of niveau waarop volzet verklaard wordt een inschrijvingsregister waarin het alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert, in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen inschrijvingsregister gehanteerd moet worden.

Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 110/5. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 110/5.

§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 4, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in voorkomend geval voor de leerlingen wiens inschrijving tijdens de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/2, § 1, niet gerealiseerd kon worden, per contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9, § 7, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 110/5, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 110/3 en 110/4.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 4. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Artikel 110/13. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing binnen een termijn van vier kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de ouders van de leerling en volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkingsgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving meedeelt aan de ouders en in voorkomend geval het LOP of het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Het model, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met één van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van artikel 110/9 of 110/24, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, § 1, de betrokken leerling staat. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 110/5, de betrokken leerling inneemt.

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

Artikel 110/14. (01/09/2016- ...)

§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een nietgerealiseerde inschrijving een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de niet-gerealiseerde inschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/11, schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 5. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/15. (01/01/2015- ...)

§ 1. In geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10, § 2,  start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van andere bepalingen dan deze van artikel 110/10 start het LOP een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening of afgifte, vermeld in artikel 110/13, § 1, tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 110/14, § 1, op.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigeringsbeslissing gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 3, tweede lid. De ouders kunnen bij het zoeken naar een andere school bijgestaan worden door het LOP, inzonderheid door de centra voor leerlingenbegeleiding die deel uitmaken van dat LOP.

§ 5. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 6. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/16. (01/01/2015- ...)

§ 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 110/15, § 5, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2;
1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;
2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijke- kansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.

Artikel 110/17. (01/09/2012- ...)

Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.

Artikel 110/18. (01/09/2012- ...)

Voor de toepassing van artikel 110/14 tot en met artikel 110/17 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

[HOOFDSTUK 1/2. Aanmeldingsprocedures voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs (ing. decr. 25 november 2011, art. V.26., I: 31 augustus 2012)]

[Afdeling 1. Beginselen (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 27., I: 1 september 2012)]

Artikel 110/19. (01/09/2014- ...)

§ 1. Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde van keuze wordt aangegeven.

§ 2. De aanmeldingsperiode kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/3 tot en met artikel 110/7. In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 110/9, § 5. Met respect voor de bepaalde volgorde kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren. Indien de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode, overeenkomstig artikel 110/24, ingeschreven worden.

In afwijking van het tweede lid, kan een schoolbestuur voorafgaand aan de deelperiodes, vermeld in het eerste lid, leerlingen, vermeld in artikel 110/3, artikel 110/4 of, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, leerlingen vermeld in artikel 110/6, inschrijven zonder aanmeldingsperiode vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar onder de voorwaarde dat geen enkele van de betrokken leerlingen geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de capaciteit, vermeld in artikel 110/9.

Na de aanmeldingsperiode gebeuren de inschrijvingen, in afwijking van artikel 110/2, § 1, chronologisch.

Artikel 110/20. (31/08/2012- ...)

Een schoolbestuur kan in één van volgende situaties een aanmeldingsprocedure instellen :
1° voor het optimaliseren van het inschrijvingsproces;
2° voor het streven naar een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

Een schoolbestuur kan een aanmeldingsprocedure instellen voor één of meerdere niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert.

Artikel 110/21. (01/09/2012- ...)

§ 1. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, moet de aanmeldingsprocedure bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, en anderzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 4° tot en met 12°, van voormeld decreet.

§ 2. In gemeenten zonder LOP kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen actief in die gemeente, een aanmeldingsprocedure instellen.

In gemeenten buiten maar grenzend aan het werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur, mits akkoord van het betrokken LOP, aansluiten bij de door dat LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure als vermeld in paragraaf 1.

In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/22 en 110/23, onverminderd gelden.

§ 3. De Vlaamse Regering kan naar aanleiding van de situatie vermeld in artikel 110/20, 1°, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het instellen van een aanmeldingsprocedure voor hun scholen wanneer de vragen tot inschrijving van onderwijszoekenden de door de schoolbesturen, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, benaderen of overschrijden en er als dusdanig een capaciteitsprobleem dreigt of heerst waardoor het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk 1/1 van dit deel, niet meer kan worden gegarandeerd.

§ 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

[Afdeling 2. Ordeningscriteria (ing. decr.25 november 2011, art. V.31, I: 1 september 2012)]

Artikel 110/22. (01/09/2014- ...)

§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode of een deelperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het Vlaamse Gewest alle aangemelde leerlingen als volgt :
1° eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3;
2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
3° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
4° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1°, 2° of 3° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in.

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragrafen 1 en 2 en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

Artikel 110/23. (01/09/2014- ...)

§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, alle aangemelde leerlingen als volgt :
1° eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3;
2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;
3° dan de kinderen van ouders die in overeenstemming met artikel 110/5 het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;
4° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;
5° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :
a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);
c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt in een te ordenen groep, als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1. In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 110/9, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2, en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

[Afdeling 3. Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure en het inschrijven van de leerlingen (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 34, I: 1 september 2012)]

Artikel 110/24. (01/05/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen aanmeldingsregister gehanteerd moet worden.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 110/22 of 110/23, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders of de leerling bij de aanmelding opgaven.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria, en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad met inachtname van artikel 110/5, § 4, eerstvolgend gerangschikte leerlingen.

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/25, § 2, 9°, c).

De aangemelde leerling en zijn ouders krijgen binnen vier werkdagen na de aldus bekomen definitieve toewijzing schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in het vierde lid, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de ouders opgegeven ordeningscriteria die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, overeenkomstig § 1, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, vermeld in artikel 110/25, § 2, 10°, b), leidt tot een andere beslissing.

Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.

Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.

§ 3. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 4. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijving, zoals bepaald in artikel 110/13, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe gemandateerde schoolbestuur.

§ 5. Overeenkomstig artikel 110/12 en artikel 110/25, § 2, 8°, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.

[Afdeling 4. Goedkeuring aanmeldingsprocedures (ing. decr. 25 november 2011, art. V. 36, I: 1 september 2012)]

Artikel 110/25. (01/05/2014- ...)

§ 1. Uiterlijk op 15 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.

In afwijking van het eerste lid legt voor het buitengewoon onderwijs een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP dat wenst aan te melden voor type 9 voor de inschrijvingen van het schooljaar 2015-2016, een voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk op 16 februari 2015 voor aan de CLR.

§ 2. Het dossier daartoe bevat ten minste de volgende onderdelen :
1° de start en de duur van de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de motivering ervan, overeenkomstig artikel 110/19;
2° het middel of de middelen tot aanmelden;
3° de wijze waarop de capaciteit, het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, het aanmeldingsmiddel, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;
4° de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk te kunnen laten aanmelden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;
5° een regeling waarbij de aanmeldingen van leerlingen uit eenzelfde leefentiteit, vermeld in artikel 110/3, aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien;
6° een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;
7° een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen, vermeld in artikel 110/24;
8° een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;
9° de verdere concretisering van de ordeningscriteria. Dit bestaat uit :
a) het hanteren van de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°, gemaakt door de ouders of de leerling bij de ordening en de toewijzing, vermeld in artikel 110/24;
b) het hanteren van toeval, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°;
c) het bepalen van de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria en de ordeningscriteria, in toepassing van de bepaling in artikel 110/24, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen;
d) het maken van afspraken rond het bepalen van de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, van de scholen en vestigingsplaatsen, met onder meer het bepalen van de geografische omschrijving waarbinnen de toetsing zal gebeuren en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten;
e) het bepalen van de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, te sturen;
f) de gemotiveerde afwijking, vermeld in artikel 110/22, § 1, derde lid, en artikel 110/23, § 1, derde lid;
10° beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten :
a) de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;
b) de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;
c) de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7;
d) de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;
11° de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle genomen beslissingen daarin gecommuniceerd wordt aan alle belanghebbenden.
12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van:
a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;
b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;
c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.

§ 3. De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures, vermeld in hoofdstuk 1/1 en 1/2, en de volgende uitgangspunten :
1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;
2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;
3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;
4° voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

§ 4. De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.

Artikel 110/26. (31/08/2012- ...)

§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over het voorstel van aanmeldingsprocedure kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op 30 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende initiatieven nemen :
1° een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De CLR neemt over het aangepaste voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;
2° het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over het overeenkomstig paragraaf 1, 1° voorgelegde aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure of het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit, van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

§ 4. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

Artikel 110/27. (01/09/2012- ...)

Bij een positief besluit van de CLR of de Vlaamse Regering in hoger beroep, blijft de aanmeldingsprocedure van kracht voor de inschrijvingen voor de schooljaren volgend op het schooljaar waarin het positief besluit werd genomen, totdat de aanmeldingsprocedure gewijzigd wordt tenzij de CLR of de Vlaamse Regering anders beslist, totdat :
1° de betrokken regelgeving gewijzigd wordt;
2° het betrokken schoolbestuur, groep schoolbesturen of het LOP de lopende aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

[HOOFDSTUK 1/3. Huisonderwijs (ing. decr.19 juli 2013, art. III.17, I: 1 september 2013)]

Artikel 110/28 (01/09/2013- ...)

Aan de leerplicht kan eveneens worden voldaan door het verstrekken van huisonderwijs.

Ouders die opteren voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan de volgende minimumeisen :
1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;
2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

Artikel 110/29. (01/09/2016- ...)

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Die informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :
1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;
2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;
3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;
4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;
5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;
6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;
7° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :
1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;
3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.

Artikel 110/30. (01/09/2016- ...)

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari.

Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij zestien jaar is geworden voor 1 januari, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

Hiertoe heeft de leerplichtige maximaal twee pogingen. Met maximaal twee pogingen wordt bedoeld dat voor elk onderdeel van het examenprogramma, zijnde een vak of een cluster van vakken, de leerplichtige tweemaal aan het examen mag deelnemen en er bijgevolg één herkansing is.

De regeling bedoeld in deze paragraaf wordt voor het eerst van toepassing op de leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :
1° indien een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor de examens, vermeld in paragraaf 1;
2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;
3° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :
a) Europese scholen;
b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
d) scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

Artikel 110/31. (01/09/2018- ...)

§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.

§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.

§ 2/1. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen als vermeld in artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :
1° Europese scholen;
2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;
3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;
4° scholen gelegen in het buitenland, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.

Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.

De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.

Artikel 110/32. (01/09/2013- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs.

Artikel 110/33. (01/09/2013- ...)

De artikelen 110/28 tot en met 110/32 zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat wordt verstrekt in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan, het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

HOOFDSTUK 2. School- en centrumreglement

Artikel 111. (01/09/2018- 31/08/2019)

§ 1. Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen een schoolreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.

Elk centrumbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, na advies van de centrumraad, een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd. Elk centrumbestuur maakt voor zijn centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd; dit reglement kan per vestigingsplaats verschillen.

Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.

§ 1bis. Het school- of centrumbestuur informeert de betrokken personen over het school- of centrumreglement voorafgaand aan de inschrijving van de leerling en bij elke wijziging. Daarbij moeten volgende principes in acht worden genomen :
1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het school- of centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;
2° bij elke wijziging van het school- of centrumreglement informeert het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en de betrokken personen geven opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;
3° het school- of centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papierenversie van het school- of centrumreglement wensen te ontvangen;
4° een wijziging van het school- of centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 1ter. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het school- of centrumreglement geregeld worden.

§ 2. In aansluiting op de informatie die het school- of centrumbestuur via het school- of centrumreglement verstrekt en met het oog op de mogelijke studievoortgang brengt het bestuur de betrokken personen in voorkomend geval ervan op de hoogte dat de school of het centrum :
1° bij de bevoegde overheid een aanvraag tot hetzij erkenning hetzij financiering of subsidiëring met inbegrip van erkenning werd ingediend, of
2° van de bevoegde overheid een voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen of een financiering of subsidiëring met inbegrip van voorlopige erkenning voor één schooljaar werd bekomen.

Het bestuur informeert de betrokken personen onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning over de beslissing van de bevoegde overheid over de erkenning, de financiering of de subsidiëring vanaf het daaropvolgende schooljaar.

Artikel 112. (01/09/2018- ...)

In het school- of centrumreglement moeten, voor zover van toepassing, minimaal de volgende onderdelen worden opgenomen:
1° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot volgende leerlinggebonden materies:
a) toelatingen;
b) afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;
c) aan- en afwezigheden;
d) de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd;
2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;
3° de krachtlijnen inzake extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, werkplekleren en school- of centrumvervangende onderwijsprogramma's;
4° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties voor zover rechtstreekse impact op leerlingen;
5° het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;
6° de financiële bijdrageregeling voor de betrokken personen, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen voor vragen of opmerkingen dienaangaande;
7° de inspraakmogelijkheden voor de betrokken personen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;
8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen inzage kunnen uitoefenen in of een toelichting kunnen vragen bij of een kopie kunnen bekomen van de leerlingengegevens, waaronder de evaluatiegegevens;
9° de organisatie van de leerlingenevaluatie, meer bepaald:
a) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in de loop van het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren over:
1) de basisprincipes van het school- of centrumbeleid met betrekking tot leerlingenevaluatie, waaronder voor het secundair onderwijs de beslissing van de klassenraad wordt verstaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval;
2) de studievorderingen van de leerling;
3) de voor de leerling noodzakelijke remediëring;
4) de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen, waardoor de lessen worden geschorst, plaatsvinden;
5) de vorm waaronder examens en andere evaluatieopdrachten worden georganiseerd;
6) de, met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten, te beheersen materies;
7) de regeling als de leerling door overmacht of gewettigd verlet een examen of andere evaluatieopdracht niet kan volbrengen;
b) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen elke genomen beslissing van de klassenraad waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, schriftelijk motiveren; de vermelding dat, op vraag van de betrokken personen, binnen een aangeduide termijn een overleg zal plaatsvinden en de vermelding van de mogelijkheid tot beroep na desbetreffend overleg;
c) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing van de klassenraad waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van:
a) de tucht- of andere maatregelen die ten aanzien van de leerling kunnen worden genomen bij regelschending. Met betrekking tot tuchtmaatregelen moeten eveneens worden vermeld:
1) de regels inherent aan tuchtrechtspleging;
2) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;
3) de opvangregeling;
4) de mogelijke school- of centrumuitschrijving;
b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;
c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;
11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;
12° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;
13° een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal;
14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien;
15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 352, en een kopie van het eventueel verslag, vermeld in artikel 294, § 2 tot en met § 10, over te dragen aan de nieuwe school;
16° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en de concrete afspraken over de dienstverlening van de leerlingenbegeleiding;
17° de krachtlijnen inzake de visie en werking van de school of het centrum van deeltijds beroepssecundair onderwijs binnen het gevoerde beleid op leerlingenbegeleiding.

Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan schooltoelagen en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.

Artikel 113. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 114. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 3. [Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging (verv. decr. 4 april 2014, art. V.6, I: 1 september 2014)]

Artikel 115. (01/09/2014- ...)

§ 1. Voor het secundair onderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap bepaalt de Vlaamse Regering, tenzij bij decreet bepaald :
1° de toelatings- en overgangsvoorwaarden;
2° de bekrachtiging van de studie;
3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop;
4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad.

Aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), worden jaarlijks attesten van verworven bekwaamheden uitgereikt.

Indien aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), toch de reguliere studiebewijzen worden gegeven, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen, de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de leerplandoelen van het overeenkomstige structuuronderdeel voorgelegd moeten worden aan de onderwijsinspectie.

Aan de vrije leerlingen, vermeld in artikel 252, § 2, worden uitsluitend attesten van lesbijwoning als vrije leerling uitgereikt.

§ 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat.

Artikel 115/1. (01/09/2018- ...)

Voor leerlingen die overstappen van een school met een buitenlands onderwijssysteem of van een school die is erkend door de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België en die :
a) zich ofwel binnen de leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;
b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van voltijds secundair onderwijs,
geldt, behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toelatingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, zoals die als orgaan door de Vlaamse Regering is bepaald, van een door de betrokken personen gekozen school voor voltijds secundair onderwijs. Bij de beslissing houdt de toelatingsklassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.

In voorkomend geval en in afwijking op de vigerende regelgeving :
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert; In het geval het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs als vermeld in artikel 146, § 4, moet in de toelatingsklassenraad raadgevend de persoon worden opgenomen die, op basis van daartoe specifiek toegekende uren-leraar, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van gewezen anderstalige nieuwkomers in de scholengemeenschap waarbinnen de betrokken leerling het onthaaljaar heeft gevolgd.
b) moet de beslissing van de toelatingsklassenraad uiterlijk genomen worden 25 lesdagen na aanvang van de regelmatige lesbijwoning.

Voor de leerlingen in kwestie kan de Vlaamse Regering nooit toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de vooropleiding bepalen.

Artikel 115/2. (01/09/2011- ...)

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, afgeleverd door scholen voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :
1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;
2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
3° het diploma van het secundair onderwijs;
4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
5° het certificaat van Se-n-Se;
6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar;
7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;
8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs;
9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs;
10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :
1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald;
2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

Artikel 115/3. (01/09/2013- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door scholen of centra voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :
1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;
2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
3° het diploma van het secundair onderwijs;
4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
5° het certificaat van Se-n-Se;
6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar;
7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;
8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs;
9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs;
10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs.

De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :
1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;
2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid met aanduiding van een structuuronderdeel bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.

Artikel 115/4. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 115/5. (01/07/2016- ...)

Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren hetzij uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar, hetzij uiterlijk op 15 maart van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se die eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.

Artikel 115/6. (01/09/2014- ...)

§ 1. Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie wordt, gespreid over het schooljaar of over de opleidingsduur, uitgevoerd door de klassenraad en resulteert in een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn. Voor zover het regelmatige leerlingen en door de Vlaamse Gemeenschap erkende structuuronderdelen betreft, kennen, in aansluiting op de beslissingen van de klassenraad, de school- en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen aan de betrokken leerlingen toe. De toekenning van die studiebewijzen kan om geen enkele reden worden ingehouden, ook niet bij verzuim door de betrokken personen van hun financiële verplichtingen.

§ 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering:
1° de organisatie van specifieke examens of andere evaluatieopdrachten opleggen;
2° de maximumduur bepalen van schorsing van lessen wegens examens, andere evaluatieopdrachten of evaluatiegebonden activiteiten;
3° bepalen onder welke voorwaarden een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn, kan worden uitgesteld;
4° het slagen voor een structuuronderdeel afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering. Onder externe certificering wordt verstaan: het toekennen aan leerlingen, voor zover ze geslaagd zijn voor bepaalde programmaonderdelen, van studiebewijzen die buiten de onderwijsregelgeving vallen en gerelateerd zijn aan beroepsuitoefeningvoorwaarden.

§ 3. De betrokken personen nemen het evaluatieresultaat in ontvangst op een in het school- of centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Het school- of centrumbestuur wijkt af van die datum voor individuele gevallen als de beslissing tot stand komt na uitstel of na beroep; in voorkomend geval stelt het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt het evaluatieresultaat geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum.

§ 4. Als het evaluatieresultaat inhoudt dat aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, dan is de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ertoe gehouden:
1° aan de betrokken personen een schriftelijke motivering te geven;
2° de betrokken personen schriftelijk te verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure doch enkel mits voorafgaandelijk overleg, vermeld in 3°, te hebben gepleegd;
3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag.

Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1 kennen de school- en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen eveneens toe in uitvoering van de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend.

HOOFDSTUK 4. [Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen (verv. decr. 17 juni 2016, art. III.15, I: 1 september 2016)]

Artikel 116. (01/09/2014- ...)

Voor de toepassing van artikel 116 tot en met 120 wordt verstaan onder :
1° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :
a) in het voltijds secundair onderwijs, het derde leerjaar van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs, de vierde graad van het secundair onderwijs, het hoger beroepsonderwijs;
b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;
c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;
2° onderwijs aan huis voor zieke jongeren : onderwijs dat thuis of in een medische instelling verstrekt wordt aan zieke leerlingen of leerlingen met een handicap;
3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115)

Artikel 117. (01/09/2015- ...)

 § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, synchroon internetonderwijs of een combinatie van beiden.

§ 2. Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren of synchroon internetonderwijs te organiseren. Die verplichting vervalt voor de periode dat de leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of in een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangen. Tijdens een dergelijk verblijf of opname kan synchroon internetonderwijs wel verder lopen.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt hoe het onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten.

De Vlaamse Regering bepaalt ook wat onder langdurige afwezigheid moet worden begrepen, met dien verstande dat een afwezigheid van minder dan 21 kalenderdagen geen langdurige afwezigheid is voor de toepassing van dit artikel, tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

Artikel 117/1. (01/09/2015- ...)

Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een leerling is het schoolbestuur verplicht om de betrokken personen te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.

De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen verplicht het schoolbestuur er toe om tijdelijk onderwijs aan huis of synchroon internetonderwijs te organiseren.

Artikel 118. (01/04/2014- ...)

§ 1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de onderwijsinspectie, recht op permanent onderwijs aan huis.

§ 2. De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.

Artikel 119. (01/09/2005- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. (118)

Artikel 120. (01/09/2005- ...)

Een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking, georganiseerd in het kader van het tijdelijk of permanent onderwijs aan huis, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school die de betrekking organiseert, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Voor deze reaffectatie of wedertewerkstelling is steeds de toestemming vereist van het terbeschikking gestelde personeelslid;
2° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. (119)

Artikel 121. (01/09/2016- ...)

Voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of leerlingen die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een schooljaar niet kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan.

Artikel 122. (01/09/2016- ...)

Voor leerlingen die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die waar mogelijk vervangen door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden.

Artikel 122/1. (01/09/2016- ...)

Leerlingen hebben recht op moederschapsverlof, naar rata van maximaal één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en maximaal negen weken na de effectieve bevalling. De schoolvakanties schorten dit verlof niet op. De uitoefening van dit recht doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatige leerling.

Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs.

HOOFDSTUK 5. [Leerplicht (verv. decr. 25 april 2014, art. III.27, I: 1 september 2014)]

Artikel 123. (01/09/2014- ...)

Leerplicht draagt bij tot de opvoeding van de jongere en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep. Het begin en het einde van de leerplicht zijn bepaald in artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. De leerplicht is voltijds hetzij tot de leeftijd van vijftien jaar is bereikt, op voorwaarde dat ten minste de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs zijn beëindigd, hetzij tot de leeftijd van zestien jaar is bereikt. De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen.

Artikel 123/1. (01/09/2016- ...)

...

Artikel 123/2. (01/09/2018- ...)

Een jongere kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in kwestie op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. Deeltijds beroepssecundair onderwijs of leertijd kan alleen worden gevolgd in combinatie met werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uur per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijdse engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt de activiteitsvormen.

Artikel 123/3. (01/09/2014- ...)

§ 1. Behalve in geval van huisonderwijs of indien de jongere valt onder toepassing van artikel 123/5, zijn de betrokken personen verplicht ervoor te zorgen dat de jongere voor de duur van de leerplicht in een school of centrum is ingeschreven, die school of dat centrum geregeld bezoekt en, in voorkomend geval, aan de voorwaarde van werkplekleren voldoet. Zowel voor leerplichtige als voor niet-leerplichtige jongeren, regelt de Vlaamse Regering de controle op de inschrijvingen, op het geregeld schoolbezoek en op het werkplekleren, en bepaalt ze de redenen van afwezigheid die als geldig aanvaard kunnen worden.

§ 2. De school- en centrumdirecties zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan die controle. Het niet-naleven van deze verplichting kan, voor elementen waarbij de school- of centrumdirectie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties. De sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties en waarborgt het recht op verdediging.

Artikel 123/4. (01/09/2014- ...)

Inbreuken door de betrokken personen op de leerplichtbepalingen worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.

Artikel 123/5. (01/09/2014- ...)

Indien de jongere in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de betrokken personen, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.

[HOOFDSTUK 6. Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens (ing. decr. 4 april 2014, art. V.11, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/6. (01/09/2016- ...)

Bij verandering van onderwijsinstelling door een leerling worden tussen de betrokken onderwijsinstellingen leerlingengegevens overgedragen onder de volgende gezamenlijke voorwaarden:
1° de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan;
2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;
3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;
4° een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB, dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdracht niet verzetten.

Artikel 123/7. (01/09/2018- ...)

De betrokken leerling en de betrokken personen hebben een recht op inzage in en toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, naar gelang van het geval.

Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken leerling of de betrokken personen een kopie willen van de leerlingengegevens hebben ze kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt, in de gevallen waarin volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van derden, inzage in de gegevens verleend in de vorm van een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.

[HOOFDSTUK 7. Maatregelen bij schending van leefregels (ing. decr. 4 april 2014, art. V.14, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/8. (01/09/2014- ...)

Tuchtmaatregelen worden genomen als de handelingen van de leerling de leefregels van de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- of vormingsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de school- of centrumpopulatie of van personen waarmee de leerling in het kader van de component werkplekleren of in het kader van een leerlingenstage in contact komt.

Bij schending van de leefregels die echter niet van aard is om tuchtmaatregelen te nemen, kunnen andere maatregelen worden genomen die de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Die maatregelen doen geen afbreuk aan opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en kunnen niet raken aan het recht op de studiebekrachtiging. Ze kunnen onder meer, wel inhouden dat voor maximum één lesdag, desgevallend herhaald doch niet aansluitend, het bijwonen van de gebruikelijke lessen of gelijkgestelde activiteiten door andere activiteiten wordt vervangen.

Bij het nemen van een maatregel ten aanzien van een leerling die de leefregels heeft geschonden, zal voor de onderwijsinrichter steeds het beginsel voorop staan dat een minder ingrijpende maatregel voorgaat op een meer ingrijpende maatregel indien daardoor redelijkerwijs verondersteld mag worden dezelfde remediërende of corrigerende effecten bij de leerling te bereiken.

Artikel 123/9. (01/09/2014- ...)

Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging:
1° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
2° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;
3° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;
4° voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt, wordt elke beslissing aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;
5° er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat;
6° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;
7° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;
8° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.

Artikel 123/10. (01/09/2016- ...)

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in het secundair onderwijs zijn:
1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Het school- of centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent.

§ 4. Als de school samenwerkt met een andere school voor verstrekking van een deel van de vorming en de schending van leefregels, waaraan de leerling ingevolge zijn schoolreglement is onderworpen, zich in die andere school heeft voorgedaan, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met de andere school, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op die andere school.

Als aan de school een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, en vice versa.

§ 5. Bij elke preventieve schorsing of tuchtmaatregel die ingaat vóór de laatste les- of gelijkgestelde dag van het schooljaar, geeft de school of het centrum aan of de leerling al dan niet aanwezig moet zijn op school. Indien de school aangeeft dat de aanwezigheid niet verplicht is, kunnen de betrokken personen een gemotiveerde vraag stellen tot opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Als op die vraag wordt ingegaan, dan maakt de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs afspraken met de betrokken personen en de leerling over de opvangvoorwaarden. Weigering van opvang moet door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs schriftelijk worden gemotiveerd aan de betrokken personen.

§ 6. Als de tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting behelst, dan gaat die in hetzij onmiddellijk, hetzij op 31 augustus van het lopende schooljaar dan wel, voor een opleiding die dan eindigt, op 31 januari van het lopende schooljaar. Een definitieve uitsluiting ingaand op die uiterlijke datum impliceert uitschrijving.

Als de definitieve uitsluiting ingaat vóór de datum, vermeld in het eerste lid, dan blijft de leerling ingeschreven tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Terwijl de inschrijving doorloopt, heeft de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling wordt uitgesloten de verantwoordelijkheid om, samen met het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Die zoekinspanningen zullen rekening houden met het criterium afstand ten opzichte van de verblijfplaats van de leerling en zullen zich, in eerste instantie, richten op hetzelfde onderwijsnet en dezelfde opleiding als die waaruit de leerling komt.

In afwijking van het tweede lid, kan de school waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
1° vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan.

In afwijking van het tweede lid, kan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven:
1° vanaf de tiende kalenderdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;
2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in te gaan.

Artikel 123/11. (01/09/2018- ...)

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zijn:
1° de tijdelijke uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit; Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
2° de definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum; Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.
3° ....

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Het centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.

§ 3. In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen ligt de bevoegdheid tot:
1° preventieve schorsing: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;
2° tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;

[HOOFDSTUK 8. Beroepsmogelijkheden (ing. decr. 4 april 2014, art. V.19, I: 1 september 2014)]

[Afdeling 1. Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V.20, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/12. (01/09/2014- ...)

§ 1. Tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting die door de betrokken personen wordt betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 2. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.

§ 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht binnen de termijn bepaald in het school- of centrumreglement.

Bij overschrijding van deze termijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

Artikel 123/13. (01/09/2018- ...)

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen wordt een beroepscommissie ingesteld door het centrumbestuur.

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het school- of centrumbestuur of van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.
In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
a) wordt onder lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;
6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het centrumbestuur of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen;
3° de voorzitter wordt door het centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad dat een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;
5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

§ 4. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting niet op, onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde, onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde.

[Afdeling 2. Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd (ing. decr. 4 april 2014, art. V.23, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/14. (01/07/2016- ...)

...

[Afdeling 3. Beroep tegen een evaluatiebeslissing (ing. decr. 4 april 2014, art. V.25, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/15. (01/09/2018- ...)

§ 1. Tegen eindbeslissingen inzake leerlingenevaluatie die door de betrokken personen worden betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

In het secundair onderwijs hebben de betrokken personen slechts verhaalmogelijkheid na een overleg als vermeld in artikel 115/6, § 4.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen nemen de betrokken personen een evaluatiebeslissing in ontvangst op een in het centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Slechts na een overleg met de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum of zijn afgevaardigde op vraag van de betrokken personen en binnen een redelijke termijn na ontvangst van een beslissing, hebben die betrokken personen verhaalmogelijkheid tegen de beslissing. Die termijn wordt in het centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Na het overleg wordt het oorspronkelijk evaluatieresultaat bevestigd of door een ander evaluatieresultaat vervangen.

§ 2. De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;
2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.

§ 4. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht hetzij uiterlijk op 15 september, hetzij - doch uitsluitend voor een opleiding die op 31 januari eindigt - uiterlijk op 15 maart daaropvolgend.

Artikel 123/16. (01/07/2016- ...)

...

Artikel 123/17. (01/09/2018- ...)

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In de leertijd wordt een beroepscommissie ingesteld door het centrumbestuur.

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.
In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
a) wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;
3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder "stappen" kan onder meer worden verstaan:
a) het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
b) het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
c) het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling;
5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;
6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In de leertijd bepaalt het centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen en eventueel een lid van het centrumbestuur in kwestie; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en aan het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
3° de voorzitter wordt door het centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen bepaalt het centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;
2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;
3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen;
5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

Artikel 123/18. (01/09/2014- ...)

Zolang een beroepsprocedure als vermeld in deze afdeling lopende is, heeft de leerling het recht om in de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar of waarvoor de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, verder onderwijs te volgen alsof er geen nadelige beslissing was genomen.

[Afdeling 4. Beroep tegen andere beslissingen (ing. decr. 4 april 2014, art. V. 30, I: 1 september 2014)]

Artikel 123/19. (01/09/2018- ...)

 Een school- of centrumbestuur is bevoegd om eventuele beroepsmogelijkheden te voorzien ten aanzien van door de betrokken personen betwiste beslissingen andere dan beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie.

[HOOFDSTUK 9. Leerlingenstages (ing. decr. 19 juni 2015, art. III.6, I: 1 september 2015)]

Artikel 123/20. (01/09/2015- ...)

Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school.

Elke leerlingenstage is onbezoldigd.

Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid van het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.

De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.

[HOOFDSTUK 10. Leerlingenbegeleiding (ing. decr. 27 april 2018, art. 114, I: 1 september 2018)]

Artikel 123/21. (01/09/2018- ...)

Kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding bevordert de totale ontwikkeling van alle leerlingen, verhoogt hun welbevinden, voorkomt vroegtijdig schoolverlaten en creëert meer gelijke onderwijskansen. Op die manier draagt het bij tot het functioneren van de leerling in de schoolse én maatschappelijke context.

Het begeleidingsdomein onderwijsloopbaan heeft tot doel de leerling te ondersteunen om voldoende zelfkennis te ontwikkelen, om inzicht te verwerven in de structuur van en de mogelijkheden binnen het onderwijs, de opleiding en de arbeidsmarkt, en om adequate keuzes te leren maken op school en daarbuiten.

Het begeleidingsdomein leren en studeren heeft tot doel het leren van de leerling te optimaliseren en het leerproces te bevorderen door leer- en studeervaardigheden te ondersteunen en te ontwikkelen.

Het begeleidingsdomein psychisch en sociaal functioneren heeft tot doel het welbevinden van de leerling te bewaken, te beschermen en te bevorderen waardoor de leerling op een spontane en vitale manier tot leren kan komen en zich kan ontwikkelen tot een veerkrachtige volwassene.

Het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg heeft tot doel de gezondheid, groei en ontwikkeling van leerlingen te bevorderen en te beschermen, het groei- en ontwikkelingsproces op te volgen en tijdig risicofactoren, signalen, symptomen van gezondheids- en ontwikkelproblemen te detecteren.

Voor het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg omvat dat voor de school minimaal het actief meewerken aan:
1° de organisatie van de systematische contactmomenten door het centrum voor leerlingenbegeleiding. De regering bepaalt de frequentie en de inhoud van de systematische contacten;
2° de organisatie van de vaccinaties door het centrum voor leerlingenbegeleiding om het ontstaan en de verspreiding van sommige besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering legt het vaccinatieschema vast;
3° de uitvoering van de profylactische maatregelen die het centrum voor leerlingenbegeleiding neemt om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering bepaalt hiervoor de nadere regels.

Artikel 123/22. (01/09/2018- ...)

De school ontwikkelt een beleid op leerlingenbegeleiding dat is afgestemd op het pedagogisch project, de noden van de leerlingenpopulatie en de context waarin de school zich bevindt. Het beleid op leerlingenbegeleiding omvat de begeleiding van de leerlingen, het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel en de coördinatie van alle leerlingbegeleidingsinitiatieven op niveau van de school. De school implementeert, evalueert en stuurt, zo nodig, dat beleid bij. Ter versterking van dat beleid voert de school een professionaliseringbeleid. De school wijst binnen haar personeelskader een of meer personeelsleden aan die geheel of gedeeltelijk met leerlingenbegeleiding worden belast.

Bij de opmaak en evaluatie van het beleid op leerlingenbegeleiding betrekt de school relevante actoren. Voor bijkomende inhoudelijke expertise doet de school een beroep op het centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst of een andere externe dienst.

Een beleid op leerlingenbegeleiding beantwoordt aan de volgende principes:
1° het belang van elke leerling staat centraal;
2° het komt participatief tot stand en is gedragen door het hele schoolteam;
3° het is doelgericht, systematisch, planmatig en transparant;
4° het wordt discreet uitgevoerd;
5° er wordt verduidelijkt wie welke taak opneemt in de leerlingenbegeleiding.

Artikel 123/23. (01/09/2018- ...)

Bij de leerlingenbegeleiding heeft de school een basisaanbod voor alle leerlingen en biedt zorg voor leerlingen voor wie dit niet volstaat.

In de fase van de verhoogde zorg kan de school consultatieve leerlingenbegeleiding vragen aan het centrum voor leerlingenbegeleiding of wordt dit door het centrum voor leerlingenbegeleiding aangeboden waar het dat nodig acht.

In de fase uitbreiding van zorg wisselen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding met elkaar de beschikbare relevante informatie uit om de afspraken over de bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise te realiseren.

De Vlaamse Regering kan met betrekking tot deze opdrachten nadere bepalingen vastleggen.

Artikel 123/24. (01/09/2018- ...)

§ 1. De school en het centrum maken afspraken over de schoolspecifieke samenwerking en leggen die vast. De school neemt daarvoor het initiatief. De Vlaamse Regering bepaalt welke samenwerkingsafspraken een school en een centrum minstens vastleggen.

Het centrum deelt relevante informatie over de leerlingen in begeleiding met de school. De school deelt relevante informatie die in de school aanwezig is over de leerlingen met het centrum. Bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie gelden de regels inzake het ambts- en beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 2. De samenwerking tussen een school en een centrum voor leerlingenbegeleiding loopt voor onbepaalde duur en start in het begin van het schooljaar. Op basis van een evaluatie van de samenwerking kunnen de samenwerkingsafspraken in onderling overleg worden bijgestuurd.

De samenwerking tussen een school en een centrum kan door de school of het centrum worden stopgezet. Bij stopzetting van de samenwerking deelt de school of het centrum tegen uiterlijk 31 december, aan respectievelijk het centrum of de school mee dat de samenwerking wordt beëindigd. De samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Bij stopzetting van de samenwerking op initiatief van het centrum zal het de dienstverlening blijven verlenen tot de school een samenwerking met een ander centrum heeft vastgelegd. De dienstverlening blijft daarbij gegarandeerd tot het einde van hetzelfde schooljaar en maximaal voor de periode van het daarop volgende volledige schooljaar.

§ 3. Uiterlijk op 31 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop een gewijzigde samenwerking ingaat, deelt de school aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering mee met welk centrum voor leerlingenbegeleiding ze zal samenwerken.

§ 4. Als een school en een centrum niet tot afspraken over een samenwerking komen, meldt de school dat aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de bemiddeling en de samenstelling van de bemiddelingscommissie.

DEEL IV. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS

TITEL 1. BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN

HOOFDSTUK 1. Structuur en organisatie

[Afdeling 1. Structuur en organisatie op macroniveau - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 6, I: 1 september 2019)]

Artikel 123/21.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019.

Artikel 124. (01/09/2013- ...)

Vanaf het schooljaar 2009-2010 bestaat het voltijds secundair onderwijs uit :
1° de eerste graad, opgebouwd uit :
a) een eerste leerjaar A;
b) een eerste leerjaar B, bestemd voor leerlingen die behoefte hebben aan een aangepast onderwijs;
c) een tweede leerjaar van de eerste graad, waarin basisopties worden onderscheiden;
d) een beroepsvoorbereidend leerjaar, waarin beroepenvelden worden onderscheiden;
2° de tweede graad, opgebouwd uit :
a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
3° de derde graad, opgebouwd uit :
a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;
c) uitsluitend in het algemeen en het kunstsecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, waarin opties worden onderscheiden;
d) uitsluitend in het technisch en het kunstsecundair onderwijs : niet-leerjaar-gebonden opties aangeduid als secundair na secundair, afgekort Se-n-Se;
e) uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs :
een derde leerjaar aangeduid als specialisatiejaar, waarin opties worden onderscheiden, en een derde leerjaar aangeduid als naamloos leerjaar;
4° uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs :
de vierde graad, waarin de opties modevormgeving en plastische kunsten worden onderscheiden, opgebouwd uit :
a) een eerste leerjaar;
b) een tweede leerjaar.

Uiterlijk met ingang van het schooljaar 2012-2013 zet het betrokken schoolbestuur de optie modevormgeving respectievelijk de optie plastische kunsten progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, om, naar keuze :
a) hetzij naar één optie van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, en naar één optie van de derde graad van het technisch of kunstsecundair onderwijs, aangeduid als Se-n-Se, en bestaande uit twee semesters, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald,
b) hetzij naar twee opties van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald,
zonder dat deze omzetting er mag toe leiden dat in de school een niet-bestaand studiegebied wordt opgericht;
c) hetzij naar een derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als naamloos leerjaar, en naar één optie van de derde graad van het technisch of kunstsecundair onderwijs, aangeduid als Se-n-Se, en bestaande uit twee semesters, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald;

Vanaf het schooljaar 2009-2010 wordt de opleiding verpleegkunde aangeduid als hoger beroepsonderwijs, behorend tot het niveau hoger onderwijs. Ze kan evenwel uitsluitend worden ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs.

Uiterlijk op 1 september 2014 zet het betrokken schoolbestuur het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs aangeduid als naamloos leerjaar om, naar keuze, naar twee opties van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald en zonder dat deze omzetting er mag toe leiden dat in de school een niet-bestaand studiegebied wordt opgericht. De omzetting is voor het betrokken schoolbestuur geen verplichting indien de basisvorming uit ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren algemene vakken bestaat, als vermeld in artikel 157, § 4.

Artikel 125. (01/09/1989- ...)

Teneinde overeenstemming te bereiken met de structuur, zoals vermeld in voorgaande artikel, wordt per 1 september 2009 :
1° de optie verpleegkunde van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs van rechtswege omgezet naar een gelijknamige opleiding van het hoger beroepsonderwijs met een duurtijd van zes semesters;
2° elke tot en met het schooljaar 2008-2009 bestaande optie van het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs aangeduid als specialisatiejaar, van rechtswege omgezet naar een gelijknamige optie aangeduid als Se-n-Se met een duurtijd van twee semesters en gerangschikt als specifiek. (124)

Artikel 126. (01/09/1998- ...)

Het aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden.

De studiegebieden zijn :
1) algemeen secundair onderwijs;
2) sport;
3) auto;
4) bouw;
5) chemie;
6) decoratieve technieken;
7) fotografie;
8) glastechnieken;
9) grafische communicatie en media;
10) handel;
11) hout;
12) juwelen;
13) koeling en warmte;
14) land- en tuinbouw;
15) lichaamsverzorging;
16) maatschappelijke veiligheid;
17) maritieme opleidingen;
18) mechanica-elektriciteit;
19) mode;
20) muziekinstrumentenbouw;
21) optiek;
22) orthopedische technieken;
23) personenzorg;
24) tandtechnieken;
25) textiel;
26) toerisme;
27) voeding;
28) ballet;
29) beeldende kunsten;
30) podiumkunsten.

De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de tweede, derde of vierde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)

Artikel 127. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 127/1. (30/11/2017- ...)

Structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die organiek in het studieaanbod worden opgenomen, zijn structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op structuuronderdelen met in de benaming de term "duaal" die op 1 september 2018 in het studieaanbod worden opgenomen:
1° artikel 15 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur met betrekking tot de procedure voor erkenning van onderwijskwalificaties;
2° artikel 129, § 1, van deze codex met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure voor voorstellen van nieuwe structuuronderdelen;
3° de uitvoeringsbepalingen van punt 1° en 2°.

Artikel 128. (01/09/2014- ...)

De Vlaamse Regering kan beslissen om bestaande structuuronderdelen om te zetten. De omzetting houdt in dat het structuuronderdeel hetzij wordt opgeheven, hetzij wordt gewijzigd op één of meer van volgende onderdelen:
a) de benaming;
b) de graad, de onderwijsvorm, het studiegebied of het leerjaarniveau waarin het wordt ondergebracht;
c) de duurtijd, doch uitsluitend wat Se-n-Se betreft;
d) de goedkeuring van leerplannen.

Artikel 129. (01/09/2014- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van maatschappelijke, onderwijskundige of technologische ontwikkelingen of afhankelijk van arbeidsmarktbehoeften, nieuwe structuuronderdelen vastleggen. Ze kan hiertoe zelf het initiatief nemen of onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door onderwijsverstrekkers of derden worden ingediend. Voor die voorstellen bepaalt de Vlaamse Regering de indienings- en adviseringsprocedure.

Als een nieuw structuuronderdeel wordt vastgelegd, dan bepaalt de Vlaamse Regering :
1° ...
2° in welk studiegebied dit structuuronderdeel, voor zover het de tweede of de derde graad betreft, wordt gerangschikt;
3° voor wat betreft de Se-n-Se : de duurtijd uitgedrukt in semesters.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse Regering bepalen dat tijdens het eerste schooljaar waarin een geprogrammeerd structuuronderdeel wordt georganiseerd de telling van regelmatige leerlingen of cursisten van dat structuuronderdeel, voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën enerzijds en de bepaling van de werkingsmiddelen anderzijds, vastgesteld wordt op een bepaalde datum of data in de loop van het betrokken schooljaar. Onder uitzonderlijke gevallen worden programmaties van structuuronderdelen verstaan die :
a) rechtstreeks en onmiddellijk tegemoetkomen aan dringende of onvoorziene lokale of regionale ontwikkelingen op socio-economisch, maatschappelijk of onderwijskundig vlak, waarbij de betrokken schoolbesturen tot een ingreep in het studieaanbod genoodzaakt zijn; en
b) in de aanvangsperiode van effectieve organisatie de inzet van een groter aantal personele en materiële middelen vereisen dan in het gewone financierings- en subsidiëringssysteem is voorzien.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdelen bedoeld : basisopties, beroepenvelden, opties van de tweede of derde graad. (128)

Artikel 130. (01/09/2016- ...)

§ 1. Se-n-Se van de derde graad van het technisch en kunstsecundair onderwijs hebben een duurtijd van een semester, twee aansluitende semesters of drie aansluitende semesters. Se-n-Se kunnen voor de leerlingen starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari.

Se-n-Se zijn sterk beroepsgericht, leiden tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 4 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4, en worden bekrachtigd met een certificaat. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, zijnde leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. Onder eenzelfde benaming van een optie kan een Se-n-Se slechts aan één welbepaalde duurtijd worden gekoppeld.

§ 2. Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met :
1° één of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Binnen dat samenwerkingsverband is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Uitsluitend de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het geheel van de Se-n-Se, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing zijn op de coördinerende school.

De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen :
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij die overdracht plaats vindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor voordrachtgevers en gelden de bepalingen van artikel 211, § 3.

Artikel 131. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 132. (01/09/2002- 31/08/2019)

Hoger beroepsonderwijs, bestaande uit de opleiding verpleegkunde, is beroepsgericht onderwijs, leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5, en wordt bekrachtigd met een diploma van gegradueerde. Het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van zes semesters. Bij modulaire organisatie kan het hoger beroepsonderwijs voor de cursisten starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari, bij niet-modulaire organisatie enkel op 1 september.

Het hoger beroepsonderwijs wordt georganiseerd enerzijds overeenkomstig de codificatie van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs en anderzijds overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Met inachtname van de voorwaarde inzake studieomvang zoals bepaald in de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad, dient de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste 4 wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op te leggen. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en inhoud van deze activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij zijn of haar evaluatie door de klassenraad. (131)

Artikel 133. (01/09/1998- ...)

De opties « elektronica militaire wapensystemen », « militaire en sociale wetenschappen » en « militaire bewapeningstechnieken » van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs zijn voorbehouden voor de instellingen van de Krijgsmacht. Op deze opties zijn de bepalingen van artikelen 126, 127 en 128 niet van toepassing. (132)

[Afdeling 1/1. Structuur en organisatie op macroniveau (ing. decr. 20 april 2018, art. 8, I: 1 september 2019)]

Artikel 133/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking met ingang vanaf 1 september 2019.

Artikel 133/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het voltijds gewoon secundair onderwijs bestaat uit drie graden.

De eerste graad omvat een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar A en een tweede leerjaar B.

De tweede graad omvat een eerste leerjaar en een tweede leerjaar.

De derde graad omvat een eerste leerjaar, een tweede leerjaar en een derde leerjaar, aangeduid als secundair-na-secundair, afgekort Se-n-Se.

Artikel 133/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Zowel in het tweede leerjaar A als in het tweede leerjaar B worden basisopties onderscheiden.

In het tweede leerjaar A:
1° zal de leerling, één basisoptie als dusdanig of, in voorkomend geval, één pakket kiezen;
2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.

In het tweede leerjaar B:
1° zal de leerling, maximaal drie basisopties en, in voorkomend geval, pakketten combineren;
2° is een basisoptie een niche-basisoptie als het aanbod ervan aan beperkingen of voorwaarden is gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid;
3° kan een school, in voorkomend geval, voor een basisoptie een of meer pakketten organiseren onder voorbehoud van de voorwaarde, vermeld in punt 4° ;
4° is een pakket een niche-pakket als de organisatie ervan aan een bepaald aantal scholen is voorbehouden.

Met inachtname van het eerste tot en met het derde lid bepaalt de Vlaamse Regering, afzonderlijk voor het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B:
1° de basisopties;
2° binnen het geheel van basisopties: de niche-basisopties en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-basisoptie, aan het aanbod ervan zijn gekoppeld;
3° per basisoptie: de eventuele pakketten;
4° binnen het geheel van pakketten: de niche-pakketten en het aantal scholen dat, per niche-pakket, in aanmerking komt voor de organisatie ervan.

Artikel 133/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

§ 1. In de leerjaren van de tweede en derde graad worden studierichtingen onderscheiden. Die studierichtingen worden geordend in een matrix op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen.

De studiedomeinen zijn:
1° taal en cultuur;
2° stem;
3° kunst en creatie;
4° land- en tuinbouw;
5° economie en organisatie;
6° maatschappij en welzijn;
7° sport;
8° voeding en horeca.

De finaliteiten zijn:
1° doorstroom;
2° dubbel;
3° arbeidsmarkt.

De onderwijsvormen zijn:
1° algemeen secundair onderwijs - aso;
2° technisch secundair onderwijs - tso;
3° kunstsecundair onderwijs - kso;
4° beroepssecundair onderwijs - bso.

Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden.

Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid.

Het Se-n-Se bevat studierichtingen die een van de volgende zaken doen:
1° beroepsgericht specialiseren;
2° voorbereiden op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.

In de matrix:
1° worden ook het studieaanbod van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd en het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt;
2° wordt ook het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen;
3° wordt het onthaaljaar niet opgenomen;
4° wordt het Se-n-Se niet aan onderwijsvormen gekoppeld.

Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast.

De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld.

§ 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.

Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.

De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3.

De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2.

Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad als beroepsgerichte specialisatie leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties.

Artikel 133/5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De Vlaamse Regering legt voor structuuronderdelen die onder de toepassing van de volgende artikelen vallen, de concordantie vast naar basisopties respectievelijk structuuronderdelen van de matrix als vermeld in deze afdeling:
1° artikel 124 en 126 van deze codex, voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4;
2° artikel 335 van deze codex, voor het buitengewoon secundair onderwijs;
3° artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd.

De concordantie kan de volgende vormen aannemen:
1° een structuuronderdeel wordt opgeheven zonder omzetting;
2° één structuuronderdeel wordt omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
3° verschillende structuuronderdelen worden omgezet in één basisoptie of structuuronderdeel;
4° één structuuronderdeel wordt omgezet in verschillende basisopties of structuuronderdelen.

Voor de school is de omzetting in één basisoptie of structuuronderdeel een recht en geen programmatie. Als er verschillende omzettingsmogelijkheden zijn, kiest het schoolbestuur één omzetting die een recht en geen programmatie is. Als de omzetting door alle betrokken scholen samen ertoe kan leiden dat niet is voldaan aan de beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan een bepaalde niche-basisoptie of een bepaalde niche-studierichting zijn gekoppeld én een school afziet van die omzetting, mag ze twee andere basisopties of structuuronderdelen, die geen niche zijn, zonder programmatie oprichten.

Artikel 133/6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De lijst van basisopties en eventuele invulling via pakket of de matrix met structuuronderdelen kan door de Vlaamse Regering worden gewijzigd door maatschappelijke, onderwijskundige, technologische of andere ontwikkelingen of vanwege arbeidsmarktbehoeften. Die wijziging kan de opheffing, vervanging of toevoeging van basisopties, eventuele invulling via pakket of structuuronderdelen betekenen. Het initiatief daarvoor kan zowel uitgaan van de Vlaamse Regering als van derden.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure die aan een eventuele wijziging voorafgaat en kan daarbij, met toepassing van de decreetgeving op de kwalificatiestructuur, een onderscheid maken tussen structuuronderdelen die wel en structuuronderdelen die niet tot een bewijs van onderwijskwalificatie leiden.

Uiterlijk om de vijf schooljaren vanaf het tweede schooljaar van de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs vanaf 1 september 2019 worden alle structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B en het onthaaljaar, gescreend op actualiteitswaarde en worden zo nodig bijsturingen doorgevoerd. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die screening en bijsturing.

Artikel 133/7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Een leerjaar is gelijk aan een schooljaar, dat bestaat uit twee aansluitende semesters, en start op de eerste lesdag van september.

In afwijking van het eerste lid kan een Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie:
1° een duurtijd hebben van één semester of drie aansluitende semesters, afhankelijk van de breedte en het niveau van competenties van de beroepskwalificaties waaruit het Se-n-Se is samengesteld, als de Vlaamse Regering dat zo bepaalt;
2° starten op de eerste lesdag van september of op de eerste lesdag van februari.

Afdeling 2. Structuur en organisatie op schoolniveau

Artikel 134. (01/09/1989- ...)

Het onderwijsaanbod van een school voor voltijds secundair onderwijs bestaat uit één van volgende mogelijkheden :
1° de eerste graad;
2° de eerste en de tweede graad;
3° de tweede en de derde graad;
4° de eerste, de tweede en de derde graad;
5° de tweede, de derde en de vierde graad;
6° de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;
7° de eerste, de tweede, de derde en de vierde graad;
8° de eerste, de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;
9° het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde, doch enkel in scholen die tijdens het schooljaar 2008-2009 uitsluitend de opleiding verpleegkunde organiseerden.

De mogelijkheden vermeld in 5° en 7° gelden slechts tot en met het schooljaar 2012-2013. (133)

Artikel 134/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 134, kiest een schoolbestuur zelf het organisatiemodel waarbinnen het zijn school uitbouwt. In elk geval zal elk schoolconcept gebaseerd op de matrix, zowel verticaal (met alleen doorstroomrichtingen of alleen studierichtingen met dubbele finaliteit (doorstroom/arbeidsmarktgericht) of alleen arbeidsmarktgerichte studierichtingen) als horizontaal als een combinatie van beide mogelijk zijn.

§ 2. Een school wordt als een domeinschool beschouwd als ze in elk ingericht studiedomein van elke graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert.
Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, in de tweede en de derde graad zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.

Een school wordt als een campusschool beschouwd als ze in ten minste twee studiedomeinen samen per graad, met uitzondering van de eerste graad, ten minste één studierichting uit elke finaliteit organiseert. Voor de toepassing van deze bepaling komen, wat de finaliteit doorstroom betreft, zowel domeinoverschrijdende als domeingebonden studierichtingen in aanmerking.

Een school wordt als een verticale school beschouwd als ze studierichtingen binnen eenzelfde finaliteit en onderwijsvorm in zowel tweede als derde graad organiseert.

In het eerste, tweede en derde lid wordt verstaan onder organiseren: ten minste één regelmatige leerling hebben ingeschreven op de eerste lesdag van oktober.

Aan domeinscholen of campusscholen kunnen bij decreet of besluit voordelen worden toegekend.

§ 3. Eén of meerdere vestigingsplaatsen van scholen van eenzelfde schoolbestuur, gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, worden voor de toepassing van het in paragraaf 2 gestelde beschouwd als één school.

Artikel 134/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Voor de organisatie van een Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie kan een school samenwerken met:
1° een of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Binnen het samenwerkingsverband is de eerst vermelde school altijd de coördinerende school. Alleen die school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg. Op het vlak van financiering of subsidiëring zijn de decretale en regelgevende bepalingen alleen van toepassing op de coördinerende school.

De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst die ten minste de volgende elementen bevat:
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over de inzet van personeel. Het protocol van de onderhandelingen daarover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee ze samenwerkt. Tenzij die overdracht plaatsvindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de uren-leraar in kwestie beschouwd als uren-leraar die aangewend worden voor voordrachtgevers.

Artikel 135. (01/09/2011- ...)

Naast het in artikel 134 gestelde, kan een school onthaalonderwijs organiseren. Onthaalonderwijs, dat niet in een graad of in het hoger beroepsonderwijs wordt gerangschikt en dat uit één onthaaljaar bestaat, is een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers in staat stelt om Nederlands te leren en nadien in te stromen in het Nederlandstalig onderwijs. Het is gericht op taalvaardigheid Nederlands en inburgering.

De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria « leeftijd », « taalkennis Nederlands » en « duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied » van de anderstalige nieuwkomers.

In aansluiting op eventuele decretale bepalingen ter zake, kan de Vlaamse Regering voorwaarden opleggen inzake samenstelling van het wekelijks lessenrooster voor onthaalonderwijs teneinde het bereiken van de doelstellingen voor onthaalonderwijs maximaal te waarborgen. De Vlaamse Regering kan ten slotte aanvullende organisatiebepalingen vastleggen.

Artikel 136. (01/09/2010- ...)

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of een leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de modaliteiten vermeld in 1°, 2° of 3° hierna.
1° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel, mits enerzijds de leerling al geslaagd is voor diezelfde onderdelen binnen het secundair onderwijs en anderzijds de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na kennisname van het advies van de delibererende klassenraad van het voorafgaand schooljaar.
In voorkomend geval :
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.
2° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een optie, aangeduid als Se-n-Se, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.
3° Het spreiden van de vorming van een optie, aangeduid als Se-n-Se, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)

Artikel 136/1. (01/09/2017- ...)

De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het voltijds secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven:
a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen:
a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
b) de invulling van de samenwerking;
c) de looptijd van de samenwerking;
d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
7° als het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs, kan die maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;
8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.

De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole.

Artikel 136/2. (01/01/2015- ...)

De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), houdt ook in dat in het bijzonder voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften op grond van specifieke onderwijskundige argumenten de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar aangepast wordt door het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling.

De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.

Artikel 136/3. (01/09/2014- ...)

§ 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topkunstenstatuut teneinde, tijdens die vrijgestelde periodes, zijn artistieke talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen;
2° in voorkomend geval :
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) moet voorafgaandelijk een selectiecommissie aan de leerling het topkunstenstatuut A, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het kunstsecundair onderwijs, of het topkunstenstatuut B, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het algemeen, het technisch of het beroepssecundair onderwijs, hebben toegekend;
c) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
d) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
e) vindt de talentontwikkeling plaats :
- bij topkunstenstatuut A : via individueel onderricht binnen de school of in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel fungeert in het stelsel van voordrachtgever of onderwijs;
- bij topkunstenstatuut B : via individueel onderricht in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. Met het oog op de samenstelling van de selectiecommissie leggen de ministers, bevoegd voor onderwijs en cultuur, een pool aan van specialisten uit het hoger kunstonderwijs en het professionele kunstenlandschap.

De selectiecommissie stelt een intern werkreglement op en bepaalt de selectiecriteria die ze hanteert, waaronder alleszins het talentenprofiel van de leerling en het kwalitatief niveau van de externe lesgever of van de context.

De selectiecommissie komt eenmaal per jaar samen om te beslissen over alle ingediende schriftelijke en gemotiveerde aanvragen van de betrokken personen tot toekenning van het topkunstenstatuut. Daartoe moeten de aanvragen uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar worden ingediend. Onverminderd het in het eerste lid gestelde, gebeurt de effectieve samenstelling van de selectiecommissie in functie van de aard van de te beoordelen artistieke talenten van de leerling in kwestie.

§ 3. De selectiecommissie kan bijkomend het recht verlenen aan de leerling om maximaal 90 halve lesdagen per schooljaar gewettigd afwezig te zijn op school, teneinde deel te nemen aan wedstrijden, stages, masterclasses of andere school-extramurale activiteiten die rechtstreeks aanleunen bij de artistieke discipline van de leerling.

§ 4. Het topkunstenstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.

Artikel 136/4. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een schoolbestuur kan voor leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs die door een onvoldoende kennis van de onderwijstaal niet in staat zijn om de lessen in voldoende mate te volgen en al of niet uit het onthaalonderwijs, vermeld in artikel 135, komen, tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week organiseren. Deze extra taallessen Nederlands komen bovenop het leerprogramma van het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven en beogen de taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken.

De toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad, al naargelang het geval, beslist om een leerling te verplichten tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week. In afwijking op de geldende regelgeving is die klassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, ten minste samengesteld uit de leraars belast met de basisvorming.

§ 2. Voor de leerlingen die verplicht worden tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week voorziet de school in een doelgericht aanbod. De school kan dat aanbod zelf organiseren of daarvoor samenwerken met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen kunnen worden samengebracht.

De duur van de extra taallessen Nederlands tijdens een schooljaar is afhankelijk van de evaluatie door de begeleidende klassenraad van de studievoortgang van de betrokken leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen Nederlands, vermeld in paragraaf 1, moeten volgen alsook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie van deze extra taallessen.

Artikel 136/5. (01/09/2013- ...)

§ 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topsportstatuut, toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector, teneinde tijdens die vrijgestelde periodes zijn sportieve talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt en mits akkoord van de betrokken personen;
2° in voorkomend geval :
a) moet het topsportstatuut zijn toegekend in een sporttak die in aanmerking komt voor de toepassing van dit artikel zoals bepaald door de Vlaamse Regering;
b) moet, vermits de talentontwikkeling plaats vindt via onderricht door een schoolexterne lesgever binnen de school of in een sportieve leercontext buiten de school, de betrokken unisportfederatie desbetreffende context of lesgever als voldoende kwalitatief beschouwen;
c) is het structuuronderdeel in kwestie geen structuuronderdeel met in de benaming de component "topsport";
d) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
e) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
f) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;
g) kan na overleg met, in voorkomend geval, de externe lesgever en met de betrokken personen, het individueel leertraject door de begeleidende klassenraad worden bij gestuurd of eventueel zelfs beëindigd indien de schoolresultaten negatief evolueren.

§ 2. Het topsportstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.

Artikel 136/6. (01/01/2015- ...)

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten:
1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van:
a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding;
b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2;
2° in voorkomend geval:
a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
b) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands;
c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging.

Artikel 137. (01/09/2013- ...)

...

[Afdeling 3. Doelen, curriculumdossiers en leerplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]

[Onderafdeling 1. Algemene bepaling (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]

Artikel 138. (19/03/2018- ...)

De doelen, de curriculumdossiers en de leerplannen die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden progressief in werking, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad.

Bij de ontwikkeling en de implementatie van de doelen, vermeld in het eerste lid en voor zover het eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, specifieke eindtermen en ontwikkelingsdoelen betreft, wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen.

[Onderafdeling 2. Doelen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]

Artikel 139. (19/03/2018- ...)

§ 1. Eindtermen zijn minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken. De eindtermen moeten op populatieniveau worden bereikt. De eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes moeten bij de leerlingen worden nagestreefd.

Binnen voormelde eindtermen worden bepaalde eindtermen als basisgeletterdheid aangeduid. De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling worden bereikt op het einde van de eerste graad. Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die ertoe strekken te kunnen participeren in de maatschappij. In uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad gemotiveerd beslissen dat een individuele leerling een eindterm basisgeletterdheid niet moet bereiken.

De implementatie van de basisgeletterdheid zal worden gemonitord en op haar effectiviteit worden geëvalueerd door het Vlaams Parlement drie schooljaren na invoering ervan, waarna over de invoering in andere graden of onderwijsniveaus kan beslist worden.

§ 2. De eindtermen worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:
1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;
2. competenties in het Nederlands;
3. competenties in andere talen;
4. digitale competentie en mediawijsheid;
5. sociaal-relationele competenties;
6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;
7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven
8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;
9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;
10. competenties inzake duurzaamheid;
11. economische en financiële competenties;
12. juridische competenties;
13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken;
14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;
15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;
16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.

Deze eindtermen worden door het Vlaams Parlement niet vastgehaakt aan vakken. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Daarbij moet het ook duidelijk zijn welke leraar er verantwoordelijk is voor de uitwerking en realisatie ervan.

§ 3. De eindtermen worden afzonderlijk bepaald voor:
1° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad A-stroom samen;
2° het eerste en het tweede leerjaar van de eerste graad B-stroom samen;
3° het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad samen, per finaliteit;
4° het eerste en tweede leerjaar van de derde graad samen, per finaliteit, rekening houdend met het in artikel 145 gestelde;
5° het derde leerjaar van de derde graad, in zover het een structuuronderdeel betreft dat volgt op structuuronderdelen met arbeidsmarktfinaliteit van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en dat leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.

De finaliteiten en onderwijsvormen in het gewoon secundair onderwijs zijn:
1° doorstroomfinaliteit bestaande uit domeinoverschrijdend algemeen secundair onderwijs (aso) en domeingebonden technisch en kunstsecundair onderwijs (tso en kso);
2° dubbele finaliteit bestaande uit tso en kso;
3° arbeidsmarktfinaliteit bestaande uit beroepssecundair onderwijs (bso).

§ 4. In afwachting van ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen van toepassing.

Artikel 140. (19/03/2018- ...)

Uitbreidingsdoelen Nederlands zijn extra doelen bovenop de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands die door een bepaalde leerlingenpopulatie kunnen worden bereikt.

De uitbreidingsdoelen Nederlands worden afzonderlijk bepaald voor:
1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A samen;
2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B samen.

De uitbreidingsdoelen Nederlands voor het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B zijn de eindtermen met betrekking tot competenties in het Nederlands voor het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A.

Artikel 141. (19/03/2018- ...)

Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen uitsluitend voor de leerlingenpopulatie van het onthaaljaar. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes na te streven.

Artikel 142. (19/03/2018- ...)

De voor een structuuronderdeel toepasbare eindtermen of ontwikkelingsdoelen vormen de basisvorming binnen het lessenrooster. Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, dat in voorkomend geval tot de basisvorming behoort, zijn er geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen.

Artikel 143. (19/03/2018- ...)

§ 1. De ontwikkeling van eindtermen met inbegrip van eindtermen basisgeletterdheid, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen wordt gecoördineerd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten uit de betrokken graad en de aansluitende graden of onderwijsniveaus, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen. Ze duidt ook het belang en de uitgangspunten ervan aan.

De ontwikkelde eindtermen uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd.

De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie en evalueerbaarheid van de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen.

De eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden door de Vlaamse Regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.

De eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De Vlaams Regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.

§ 2. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.

Artikel 144. (19/03/2018- ...)

De specifieke eindtermen en de erkende beroepskwalificaties worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een opleiding of studierichting. Het specifieke gedeelte van de opleiding of studierichting wordt gedefinieerd als het gedeelte dat niet behoort tot de basisvorming of tot het complementaire gedeelte.

Artikel 145. (19/03/2018- ...)

Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van:
1° domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen (aso);
2° domeingebonden doorstroomrichtingen (kso/tso);
3° richtingen met dubbele finaliteit (tso/kso).

Ze worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.

Met betrekking tot de specifieke eindtermen worden de cesuurdoelen voor de tweede graad in samenspraak met de overheid via een protocolakkoord door de onderwijsverstrekkers vastgelegd.

Artikel 146. (19/03/2018- ...)

§ 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid in van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen. De indiening gebeurt uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden.

Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen mag werken.

De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of de specifieke eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen voor.

§ 2. In afwijking op het in paragraaf 1 gestelde, kan voor eindtermen die als basisgeletterdheid zijn aangeduid, geen gelijkwaardigheid worden aangevraagd.

§ 3. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die, goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
2° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 139, § 2, en 262, § 2;
3° de formulering
a) gebeurt onder de vorm van eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, naargelang van het geval;
b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie of een leerling eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands of specifieke eindtermen worden bereikt of bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en de onderwijsinspectie en wordt telkens de aanvrager gehoord. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.

§ 4. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.

Artikel 147. (19/03/2018- ...)

Naast in voorkomend geval de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands en de specifieke eindtermen, zijn de andere doelen:
1° van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B: de doelen van een basisoptie;
2° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, dubbele finaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
3° van een structuuronderdeel van de tweede of derde graad, arbeidsmarktfinaliteit: de doelen die leiden tot een of meer erkende beroepskwalificaties;
4° van elk structuuronderdeel van de eerste, tweede of derde graad: de eventuele differentiële doelen van het desbetreffend structuuronderdeel die een uitbreiding of verdieping van al voorkomende doelen inhouden.

De hogervermelde doelen worden gezamenlijk ontwikkeld door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. De doelen die leiden tot één of meer erkende beroepskwalificaties kunnen enkel mits voorafgaand akkoord van de betrokken sectoren, inhoudelijk van erkende beroepskwalificaties afwijken.

[Onderafdeling 3. Curriculumdossiers (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]

Artikel 147/1. (19/03/2018- ...)

§ 1. Een curriculumdossier beschrijft op samenhangende wijze en vanuit onderwijskundig perspectief het geheel van de vorming van een structuuronderdeel en brengt alle doelen als vermeld in onderafdeling 2, die van toepassing zijn op dat structuuronderdeel samen. In voorkomend geval worden de eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands en specifieke eindtermen letterlijk opgenomen.

In afwijking op het in het eerste lid gestelde wordt het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie niet opgenomen in het curriculumdossier.

§ 2. Een curriculumdossier wordt afzonderlijk gemaakt voor:
1° het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A van de eerste graad samen;
2° het eerste leerjaar B en het tweede leerjaar B van de eerste graad samen;
3° het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad samen, per structuuronderdeel;
4° het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad samen, per structuuronderdeel;
5° het derde leerjaar van de derde graad, per structuuronderdeel.

Voor het onthaaljaar wordt geen curriculumdossier gemaakt.

§ 3. Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van scholen voor het secundair onderwijs richt de onderwijsinspectie zich op, naargelang van het geval:
1° het bereiken van de doelen van het curriculumdossier van het structuuronderdeel in kwestie;
2° het nastreven van de ontwikkelingsdoelen van het onthaaljaar.

Artikel 147/2. (19/03/2018- ...)

Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs stellen gezamenlijk een curriculumdossier samen en dienen dit in ter goedkeuring door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de nadere procedure voor indiening en goedkeuring van een curriculumdossier;
2° de inhoudelijke, organisatorische en vormelijke elementen die een curriculumdossier moet omvatten;
3° de procedure indien door het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs geen curriculumdossier ingediend wordt binnen de gestelde termijn.

[Onderafdeling 4. Leerplannen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 6, I: 19 maart 2018)]

Artikel 147/3. (19/03/2018- ...)

§ 1. In aansluiting op de curriculumdossiers die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, worden door het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen ontwikkeld die voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen.

In de leerplannen zijn in elk geval alle betrokken, door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen letterlijk opgenomen, waarbij transparant het onderscheid gemaakt wordt welke doelen de eindtermen realiseren en met welke doelen de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. De leerplannen zijn voor de onderwijsinspectie een aanvullend instrument om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen.

Leerplannen worden door de onderwijsverstrekkers ingediend bij de onderwijsinspectie. Met het oog op het waarborgen van het studiepeil keurt de Vlaamse Regering volgens de vooraf door haar bepaalde criteria en op advies van de onderwijsinspectie, de leerplannen goed.

§ 2. In afwijking op paragraaf 1, vormen curriculumdossiers niet de basis voor het opstellen van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie en dienen deze leerplannen niet door de Vlaamse Regering te worden goedgekeurd. Deze leerplannen worden publiek bekendgemaakt.

§ 3. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.

De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.

§ 4. Over het in overeenstemming zijn met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en het respecteren van de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen, evenals over de uitvoering van de leerplannen, wordt jaarlijks aan het Vlaams Parlement een stand van zaken gerapporteerd door:
1° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken: over de leerplannen godsdienst en niet-confessionele zedenleer; met inbegrip van de interlevensbeschouwelijke competenties;
2° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs: over de leerplannen cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Artikel 147/4. (19/03/2018- ...)

Met inachtname van alle ontwikkelingsdoelen wordt in het onthaaljaar per leerling op basis van zijn onderwijsbehoeften een individueel leertraject uitgewerkt waarin het aspiratieniveau voor deze leerling doorheen het jaar wordt bijgesteld. Dit traject bevat onder meer de beginsituatie, de taaldoelen als leidraad en het advies van de klassenraad voor wat betreft de overstap naar vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.

[Afdeling 4. Lessenrooster - transitieperiode (verv. decr. 20 april 2018, art. 19, I: 1 september 2019)]

Artikel 147/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling houden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, op uitwerking te hebben met ingang van 1 september 2019.

Artikel 148. (01/09/1978- ...)

Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden. (147)

Artikel 149. (01/09/2013- ...)

Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden dat op 32 is vastgesteld, met uitzondering van het onderwijs in :
1° het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken en het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum 34 bedraagt;
2° de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt;
3° het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt.

De hiervoor vermelde maxima kunnen worden overschreden door

Artikel 150. (01/09/2013- ...)

Een school kan in elk structuuronderdeel inhaallessen organiseren als vermeld in afdeling 5, van dit hoofdstuk, van deze codex.

Artikel 151. (01/09/1978- ...)

De toepassing van de bepalingen van deze afdeling mag niet tot gevolg hebben dat de school gedurende minder dan negen halve dagen per week zou open zijn. (150)

Artikel 152. (01/09/2014- ...)

Onverminderd de bepalingen inzake minimum lessenrooster stelt de Vlaamse Regering de benamingen van de vakken vast en bepaalt ze de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.

Zijn ook algemene vakken : alle levende talen.

Artikel 153. (01/09/1989- ...)

§ 1. Zowel in het eerste leerjaar A als in het eerste leerjaar B worden ten minste zevenentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

§ 2. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd, kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn, op de aan de betrokken scholen, eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.

§ 3. Voor het eerste leerjaar A bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit de volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;
- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
- lichamelijke opvoeding;
- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;
- eventueel Engels.

Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

§ 4. Voor het eerste leerjaar B bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- wiskunde;
- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;
- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
- lichamelijke opvoeding;
- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;
- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2010 door Frans.

Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school, van het eerste leerjaar B dient gevolgd te worden.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 3 en § 4 :
« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (152)

Artikel 154. (01/09/1989- ...)

§ 1. In het tweede leerjaar van de eerste graad worden ten minste vierentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

§ 2. De basisvorming, bedoeld in § 1, bestaat uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans;
- Engels;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;
- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
- lichamelijke opvoeding;
- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek.

Deze basisvorming dient voor ten minste veertien wekelijkse lesuren georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

§ 3. In het beroepsvoorbereidend leerjaar worden ten minste zestien wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming die bestaat uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- wiskunde;
- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;
- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
- lichamelijke opvoeding;
- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2011 door Frans.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2011 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het beroepsvoorbereidende leerjaar.

§ 4. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 en § 3 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn op de aan de betrokken scholen eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 2 en § 3 als volgt :
« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (153)

Artikel 155. (01/09/2009- ...)

§ 1. In het onthaaljaar bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
1° godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
2° Nederlands voor nieuwkomers.

§ 2. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. (154)

Artikel 156. (01/09/2013- ...)

§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans;
- Engels;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;
- lichamelijke opvoeding.

§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2012 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de tweede graad;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;
- lichamelijke opvoeding.

§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm;
- maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.
- Frans of Engels vanaf 1 september 2010 in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2011 in het tweede leerjaar van de tweede graad.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs.

§ 4. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 3 :
« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ». (155)

Artikel 157. (01/09/2015- ...)

§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans;
- Engels of Duits;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie;
- lichamelijke opvoeding.

§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2014 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2015 in het tweede leerjaar van de derde graad;
- wiskunde;
- geschiedenis;
- aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.
- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm, vanaf 1 september 2017 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2018 in het tweede leerjaar van de derde graad.

§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding.
- Frans of Engels vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad;

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

§ 4. In een derde leerjaar in de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit algemene vakken, waaronder alleszins :
- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
- Nederlands;
- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
- lichamelijke opvoeding;
- Frans of Engels vanaf 1 september 2014 in het derde leerjaar van de derde graad;

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken".

De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord vanaf 1 september 2014 van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar worden ten minste twaalf wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een naamloos leerjaar worden ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar worden ten minste veertien wekelijkse lesuren besteed aan het onderricht in technische en/of praktische vakken.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 4 :
« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ».

§ 6. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 tot en met paragraaf 5, omvat het lessenrooster van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs en het eerste, het tweede en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs een aantal uren aangeduid als "leerlingenstage", gevolgd door een of meer vakbenamingen.

De uren leerlingenstage komen, omgerekend naar schooljaarbasis, overeen met minimaal achttien halve dagen. Die halve dagen zijn al dan niet opeenvolgend.

Indien geen of onvoldoende stageplaatsen, moet de school ten aanzien van de onderwijsinspectie kunnen aantonen dat dit het gevolg is van factoren buiten haar wil om.

De Vlaamse Regering bepaalt de datum van de inwerkingtreding van deze paragraaf, met toepassing van de bepalingen van artikel 70. Deze datum kan verschillen naargelang van de onderwijsvorm, het studiegebied, het structuuronderdeel of het leerjaar.

Artikel 157/1. (15/02/2014- 31/08/2019)

In het voltijds secundair onderwijs kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.

Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :
1° de leerlingen de mogelijkheid hebben om alle niet-taalvakken in het Nederlands in de school te volgen;
2° een leerling slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en na positief advies van de toelatingsklassenraad dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de leerling van de onderwijstaal;
3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014. De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :
a) de competenties en vorming van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;
b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
c) tijdige communicatie met ouders en leerlingen met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);
4° de school kan het aanbod slechts effectief organiseren, als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van 3°, a) en b). Daarbij moet ze rekening houden met de rechten van de personeelsleden die vast benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden, in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren, mag de school een personeelslid dat vast benoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking voor dat vak. De school mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden voor dat vak, niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dit laatste geldt niet als het tijdelijk personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden van 3°, a) en b), maar het aanbod weigert om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven;
5° de school ervoor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft;
6° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.

[Afdeling 4/1. Lessenrooster (ing. decr. 20 april 2019, art. 22, I: 1 september 2019)]

Artikel 157/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De bepalingen van deze afdeling treden progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking vanaf 1 september 2019.

Artikel 157/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het lessenrooster is het weekrooster, opgebouwd uit vakken of vakkenclusters, waarin de doelen van het curriculumdossier en het aansluitende leerplan worden gerangschikt. Met inachtname van de bepalingen van deze afdeling stelt het schoolbestuur het weekrooster vast.

Artikel 157/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

De Vlaamse Regering legt de benamingen van de vakken vast en bepaalt de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken.

Artikel 157/5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van structuuronderdelen omvat basisvorming. In afwijking daarvan komt in het derde leerjaar van de derde graad basisvorming alleen voor in het lessenrooster van de studierichting die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.

De eindtermen die voor een structuuronderdeel toepasbaar zijn en de ontwikkelingsdoelen die voor het onthaaljaar toepasbaar zijn, vormen de basisvorming.

Het aantal lesuren basisvorming in de eerste graad bedraagt ten minste:
1° 27 in het eerste leerjaar A;
2° 27 in het eerste leerjaar B;
3° 25 in het tweede leerjaar A;
4° 20 in het tweede leerjaar B.

In de basisvorming zijn in elk geval de volgende vakken opgenomen:
1° in het officieel onderwijs: godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
2° in het vrij onderwijs: godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie.

De basisvorming van het onthaaljaar bestaat alleen uit de vakken, vermeld in het vierde lid, en het vak Nederlands voor nieuwkomers.

Artikel 157/6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van het tweede leerjaar A omvat vijf lesuren basisoptie desgevallend ingevuld via pakket.

Het lessenrooster van het tweede leerjaar B omvat tien lesuren basisoptie of basisopties, desgevallend ingevuld via pakketten.

De delibererende klassenraad in het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan beslissen om de leerling in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B remediëring op te leggen of de leerling van de toegang tot een of meer basisopties of pakketten van de basisopties van het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B uit te sluiten.

Artikel 157/7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het lessenrooster van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming, ten minste vijf lesuren differentiatie.

Het lessenrooster van het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B omvat, naast de lesuren basisvorming en de lesuren basisoptie, ten minste twee lesuren differentiatie.

De lesuren differentiatie kunnen worden ingevuld als een verdieping of een remediëring van onderdelen van de basisvorming of als een verdieping in klassieke talen. De school biedt enerzijds ten minste twee verdiepende differentiatiepakketten aan en anderzijds die remediërende differentiatiepakketten waaraan de leerlingen behoefte hebben.

In het tweede leerjaar A en in het tweede leerjaar B kiest de leerling, binnen het aanbod van de school, een of meer verdiepende differentiatiepakketten, ermee rekening houdend dat de klassenraad bij het begin of in de loop van het schooljaar een of meer remediërende differentiatiepakketten aan de leerling kan opleggen. De lesuren differentiatie kunnen evenwel nooit volledig aan remediëring worden besteed.

Artikel 157/8.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

In elk structuuronderdeel kunnen, buiten het lessenrooster, facultatieve inhaallessen worden georganiseerd.

[Afdeling 4/2. CLIL (Content and Language Integrated Learning) (ing. decr. 20 april 2016, art. 30, I: 1 september 2019)]

Artikel 157/9.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/09/2019- ...)

Het wekelijkse lessenrooster kan, de lesuren moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20% worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft de mogelijkheid om in de school het niet-taalonderricht in het Nederlands te volgen;
2° de leerling kan CLIL alleen volgen als de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en als de toelatingsklassenraad een positief advies heeft gegeven, waaruit minstens blijkt dat de leerling voldoende kennis en beheersing van de onderwijstaal heeft;
3° het aanbod voldoet aan de kwaliteitsstandaard die de Vlaamse Regering bepaalt en die alleen voorwaarden omvat op het vlak van:
a) de competenties en vorming van de personeelsleden die de lessen zullen geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot de leerinhouden in kwestie;
b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;
c) tijdige communicatie met de betrokken personen en leerlingen met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;
d) de inpassing van het aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als voor vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;
e) de monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in de leerinhouden in kwestie in de doeltaal en in het Standaardnederlands;
f) de te volgen stappen voor een school die een CLIL-project wil organiseren, namelijk: beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren;
4° de school kan het aanbod alleen effectief organiseren als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van punt 3°, a) en b). Daarbij houdt ze rekening met de rechten van de personeelsleden die vastbenoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren, mag de school een personeelslid dat vastbenoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking voor dat vak. De school mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden, voor dat vak niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dat laatste geldt niet als het tijdelijke personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 3°, a) en b), maar het aanbod om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven, weigert;
5° de school zorgt ervoor dat de kennis van de onderwijstaal bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft;
6° voorafgaand wordt een plan opgemaakt dat de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap heeft goedgekeurd.

Afdeling 5. Experimenteel modulair onderwijs

Artikel 158. (01/09/2013- 31/08/2019)

Tot en met de datum voor omvorming, vermeld in artikel 161, § 2, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs voor wat het hoger beroepsonderwijs betreft en tot het tijdstip waarop de decreetgever globale hervormingsmaatregelen voor de overige structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs in werking laat treden, kan als experiment in door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, modulair onderwijs worden georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze afdeling, niet van toepassing.

Het experiment heeft enkel betrekking op het beroepssecundair onderwijs en op het hoger beroepsonderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en kan enkel worden ingericht door scholen die gedurende het schooljaar 2007-2008 modulair onderwijs organiseerden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Laatst vermelde voorwaarde geldt niet voor de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.

Het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs is niet van toepassing op dit experiment. (157)

Artikel 159. (01/09/2008- ...)

§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in graden of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.

§ 2. Elke opleiding omvat algemene vorming, beroepsgerichte vorming en gedifferentieerde onderwijsactiviteiten. In afwijking op deze bepaling is in de opleiding verpleegkunde de algemene vorming facultatief.

De algemene vorming, waaronder de basisvorming bedoeld in de artikelen 156, § 3, en 157, § 3 en § 4, wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.

De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.

Gedifferentieerde onderwijsactiviteiten omvatten individuele begeleiding, ondersteuning of remediëring, afgestemd op de specifieke noden van de leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :
1° het geheel van de opleidingen per studiegebied;
2° de modules per opleiding;
3° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week en uitgedrukt in weken per schooljaar;
4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd;
5° het minimum of de minima inzake aantal uren per week voorbehouden voor gedifferentieerde onderwijsactiviteiten.

Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.

In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.

§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat te minste één van volgende studiebewijzen kan worden behaald : een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.

§ 6. Een school kan de door de Vlaamse Regering vastgestelde duurtijd van een module van de opleiding verpleegkunde, uitgedrukt in weken per schooljaar als vermeld in § 3, 3°, verdubbelen om aan de specifieke opleidingsbehoeften van een bepaalde doelgroep tegemoet te komen. In afwijking van artikel 169, § 2, worden in voorkomend geval de cursisten niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke duurtijd. (158)

Artikel 160. (01/09/2013- ...)

Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald.

De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit erkende beroepskwalificaties. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.

Voor zover de competenties afwijken van die, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

Competenties kunnen ook door middel van stages worden gerealiseerd. (159)

Artikel 161. (01/09/2008- ...)

Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren.

In afwijking op deze bepaling kan de HBO5-opleiding verpleegkunde slechts starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari van een lopend schooljaar. (160)

Artikel 162. (01/09/2008- ...)

§ 1. In het modulair onderwijs, met uitzondering van de HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :
1° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;
2° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;
3° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;
4° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.

Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij een leerling aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden voldoet op basis van het bezit van een eindstudiebewijs. (161)

Artikel 163. (01/09/2009- ...)

§ 1. In het modulair onderwijs, HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor cursisten :
1° het voldaan hebben aan de leerplicht;
2° het bezit van een van de volgende studiebewijzen :
a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
b) een diploma van secundair onderwijs;
c) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
d) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
e) een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie;
f) een certificaat van het hoger beroepsonderwijs;
g) een diploma van het hoger beroepsonderwijs;
h) een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
i) een diploma van bachelor of master;
j) een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een van de studiebewijzen, vermeld in a) tot en met i). Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan de toelatingsklassenraad personen die in een land buiten de Europese Unie een studiebewijs hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de opleiding.

§ 2. In afwijking van § 1 worden in het schoolreglement van de betrokken school afwijkende toelatingsvoorwaarden tot de HBO5-opleiding verpleegkunde opgenomen. De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met de volgende elementen :
1° humanitaire redenen;
2° medische, psychische of sociale redenen;
3° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen de vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart. De organisatie van een toelatingsproef, op verzoek van de cursist, kan niet worden geweigerd. De proef wordt beoordeeld door de toelatingsklassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.

§ 3. Behoudens de toelatingsvoorwaarden als vermeld in § 1 en § 2, geldt voor toelating tot een sequentieel geordend onderdeel van de HBO5-opleiding verpleegkunde het voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
1° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaand onderdeel;
2° het bezit van een studiebewijs van een andere opleidings- of vormingsinstelling. De toelatingsklassenraad bepaalt welke studiebewijzen toegang geven tot sequentieel geordende onderdelen;
3° het bezit van een titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid en in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. De Vlaamse Regering bepaalt welke titels van beroepsbekwaamheid toegang geven tot sequentieel geordende onderdelen;
4° de toelatingsklassenraad oordeelt dat de cursist beschikt over een studiebewijs uit het onderwijs of uit een andere opleidings- of vormingsinstelling waaruit blijkt dat hij over voldoende kennis, vaardigheden en attitudes beschikt om het onderdeel aan te vangen;
5° de toelatingsklassenraad oordeelt op basis van een toelatingsproef dat de cursist de nodige ervaring heeft verworven die hem toelaat het onderdeel te volgen.

§ 4. Een cursist kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 5. De overstap van een cursist van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij wordt voldaan aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden op basis van het bezit van een eindstudiebewijs.

§ 6. De bepalingen van § 1 en § 2 gelden eveneens bij niet-modulaire organisatie van de HBO5-opleiding verpleegkunde. (162)

Artikel 164. (01/09/2008- ...)

§ 1. De delibererende klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :
1° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;
2° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, een diploma van secundair onderwijs of een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.

In het modulair onderwijs worden geen geïntegreerde proeven ingericht.

§ 2. Tegen beslissingen van delibererende klassenraden die door de betrokken personen worden betwist, kan beroep worden ingesteld overeenkomstig de procedure van toepassing in het niet-modulair onderwijs, met dien verstande dat het schoolbestuur van de betrokken school, rekening houdend met het principe van de redelijkheid, de termijnen bepaalt die inherent zijn aan deze procedure. (163)

Artikel 165. (01/09/2011- ...)

De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld.
1° Attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding, met uitzondering van de opleiding verpleegkunde, niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt.
2° Deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
3° Certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd.
4° Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die :
a) ten minste twee schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de tweede graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
5° Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het tweede leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de eerste twee leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
6° Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar : wordt, voor zover de leerling niet in aanmerking komt voor het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) ten minste vijf schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het derde leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
7° Diploma van secundair onderwijs (derde graad) : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) na het behalen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs ten minste drie schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.
8° Diploma van secundair onderwijs (hoger beroepsonderwijs) : wordt uitgereikt aan de cursist die :
a) houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
en b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het hoger beroepsonderwijs wordt beschouwd, wat het geslaagd zijn voor alle modules van de HBO5-opleiding verpleegkunde impliceert.
9° Diploma van gegradueerde : wordt uitgereikt aan de cursist die geslaagd is voor alle modules van de opleiding verpleegkunde en derhalve houder is van de deelcertificaten van alle modules van die opleiding.
Bij het diploma wordt een diplomasupplement uitgereikt. Dit is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. De Vlaamse Regering bepaalt het model van het diplomasupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot de uitreiking ervan.
10° Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :
a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en
b) voldaan heeft aan de voorwaarden opgenomen in de federale wet- en regelgeving inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de toelatingsklassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.

Diegene aan wie overeenkomstig de codificatie betreffende het secundair onderwijs het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van gegradueerde met of zonder nadere specificatie.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast.

Ook bij niet-modulaire organisatie van de HBO5-opleiding verpleegkunde wordt aan de cursist die geslaagd is voor de opleiding een diploma van gegradueerde, met diplomasupplement, toegekend, en is betrokkene gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel. Indien betrokkene daarenboven houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, dan wordt bij het slagen voor de opleiding ook het diploma van secundair onderwijs toegekend. (164)

Artikel 166. (01/09/2008- ...)

§ 1. In het modulair onderwijs geldt als coëfficiënt uren-leraar per leerling voor een bepaalde opleiding, de reglementair vastgestelde coëfficiënt voor de inhoudelijk overeenkomstige opleiding van het niet-modulair onderwijs.

De Vlaamse Regering legt de inhoudelijk overeenkomstige opleidingen vast.

§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken. De gelijkstelling vindt plaats met een opdracht in de tweede graad of in de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs of, doch uitsluitend voor wat betreft de HBO5-opleiding verpleegkunde, met een opdracht in het hoger beroepsonderwijs.

De organisatie van modulair onderwijs mag er niet toe leiden dat de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken kennelijk onredelijk verschilt van de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken zoals die zich, onmiddellijk voorafgaand aan de organieke invoering van modulair onderwijs, in het betrokken studiegebied en de betrokken school voordoet.

Met praktische vakken gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (165)

Artikel 167. (01/09/2008- ...)

In zover het de vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen met het oog op financiering, subsidiëring of normering betreft, worden voor de opleiding verpleegkunde twee teldata gehanteerd in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar : enerzijds 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien voornoemde datum op een vrije dag valt en anderzijds 1 juni of de eerstvolgende lesdag erna indien voornoemde datum op een vrije dag valt. Op elke teldatum wordt een regelmatige leerling voor 2 leerling in aanmerking genomen. (166)

Artikel 168. (01/09/2008- ...)

De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op de geplande hervormingsmaatregelen voor het secundair onderwijs waarvan sprake in artikel 158. (167)

[Afdeling 6. Projecten (ing. decr. 1 juli 2011, art. III.24, I: 1 september 2011)]

Artikel 168/1. (01/09/2012- ...)

§ 1. De instellingen voor secundair onderwijs die in toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 4 juli 2008, gedurende het schooljaar 2009-2010 een dergelijk project organiseren, mogen gedurende het schooljaar 2010-2011 dit project verder zetten, overeenkomstig de bepalingen van het besluit in kwestie, met dien verstande dat de organisatie :
1° op één leerlingencohorte betrekking heeft;
2° zowel in het eerste als in het tweede leerjaar van een graad mag plaatsvinden;
3° niet aan een leerlingennorm is onderworpen;
4° geen extra middelen genereert.

§ 2. De scholen voor secundair onderwijs die gedurende het schooljaar 2010-2011 een CLIL-project organiseren, behouden tot aan een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de mogelijkheid tot het aanbieden van CLIL, onder de volgende voorwaarden :
1° CLIL wordt georganiseerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, maar met dien verstande dat het niet aan een leerlingennorm is onderworpen en geen extra middelen genereert;
2° over het behoud van de mogelijkheid tot organisatie van CLIL werd vooraf onderhandeld in het bevoegde lokale comité van de betrokken school.

Artikel 168/2. (01/09/2011- ...)

De scholen die gedurende het schooljaar 2010-2011 deelnemen aan één van de tijdelijke projecten, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs, kunnen gedurende de schooljaren 2011-2012 en 2012-2013 :
1° structuuronderdelen organiseren die ze zonder normering hebben geprogrammeerd, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
a) het structuuronderdeel komt niet voor in het regulier voltijds gewoon secundair onderwijs;
b) het structuuronderdeel werd door de betrokken school al georganiseerd tijdens het schooljaar 2010-2011;
c) het structuuronderdeel werd, na kennisname van een positieve evaluatie door de onderwijsinspectie en een expertenpanel, positief geadviseerd door de stuurgroep, vermeld in hetzelfde besluit van 23 juni 2006;
2° leerplannen hanteren die geen overheidsgoedkeuring behoeven, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
a) de leerplannen worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;
b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats;
3° aspecten van modulaire onderwijsinrichting invoeren, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
a) de aspecten van modulaire onderwijsinrichting worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;
b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats.

HOOFDSTUK 2. Teldata

Artikel 169. (01/11/2015- ...)

§ 1. De datum voor de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds onderwijs wordt vastgesteld op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor :
- de vaststelling van de omkaderingsnormen van het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel;
- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;
- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.

§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van de opties van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als secundair na secundair en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :
- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,
- en 1 juni of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.

Op elke datum wordt een regelmatige leerling of cursist voor een halve eenheid in aanmerking genomen.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1, geldt 1 juni of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, als tellingsdatum voor vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen van het onthaalonderwijs dat na 1 februari of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, wordt opgericht op basis van artikel 179/3, derde lid, en dit met het oog op de financiering of subsidiëring van het daaropvolgend schooljaar. Vanaf het schooljaar daarna wordt de regeling als vermeld in paragraaf 1 van toepassing.

Artikel 170. (01/09/2009- ...)

Voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van het werkingsbudget en de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie, wordt, voor wat betreft een optie aangeduid als Se-n-Se, het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op één van beide teldata zoals bepaald in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum. Deze bepaling geldt evenwel niet indien op laatstgenoemde datum geen regelmatige leerlingen kunnen worden geteld omdat de school ervoor heeft gekozen in het lopende semester de betrokken optie niet in het studieaanbod te voorzien, waardoor er geen inschrijvingen konden worden gerealiseerd. (169)

Artikel 171. (01/09/2017- ...)

Voor de scholen die worden opgericht of voor het eerst in de financiering of subsidiering worden opgenomen of die in opbouw zijn, is de teldatum vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar van oprichting of opname in de financiering of subsidiëring of opbouw.

Onder scholen in opbouw wordt verstaan scholen die tijdens aaneensluitende schooljaren hun onderwijsaanbod uitbreiden hetzij leerjaar per leerjaar, hetzij met meer leerjaren gelijktijdig.
 

Artikel 172. (01/09/1990- ...)

§ 1. De teldatum voor scholen die ingevolge de reglementaire rationalisatienormen verplicht zijn tot geleidelijke opheffing leerjaar na leerjaar, wordt vanaf het schooljaar waarin de geleidelijke opheffing een aanvang neemt, bepaald op 1 oktober van het lopende schooljaar.

§ 2. Een fusie of afsplitsing van scholen of een toetreding van een school tot of een uittreding van een school uit een scholengemeenschap op 1 september van een schooljaar, wordt geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna indien voormelde datum op een vrije dag valt, te hebben plaats gevonden voor wat de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs betreft. (171)

Artikel 173. (01/09/1992- ...)

Voor cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer geldt een eigen regeling inzake teldatum.

De datum voor de telling is vastgesteld op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan, waarvoor op deze datum leerlingen zijn ingeschreven, doch waarvoor op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen hebben gekozen.

De cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen worden georganiseerd in een bepaald leerjaar en volgens bepaald leerplan op basis van de telling van 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, maar waarvoor op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen zijn ingeschreven, worden niet langer georganiseerd of gesubsidieerd.

Voor een nog niet ingerichte cursus godsdienst of niet confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs, die wordt opgericht na 1 oktober van het lopend schooljaar, wordt de datum voor telling vastgesteld op de eerste lesdag waarop deze cursus wordt ingericht.

Een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgend een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs waarvoor vanaf een bepaalde datum, nà 1 oktober van het lopend schooljaar, geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt vanaf die bepaalde datum niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. (172)

HOOFDSTUK 3. Programmatie

Afdeling 1. Toepassingsgebied

Artikel 174. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 2. Programmatie van scholen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.3, I: 1 januari 2014)]

Artikel 175. (01/09/2017- ...)

§ 1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.

§ 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :
1° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;
2° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;
3° de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;
4° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd.

Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.

§ 3. Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :
1° de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;
2° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;
3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :
a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;
b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden;
c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;
4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.

§ 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan :
a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven;
b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.

§ 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. 

§ 6. De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing.

Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Afdeling 3. Programmatie van structuuronderdelen [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.38, I: 1 september 2014)]

Artikel 176. (01/09/2014- 31/08/2019)

Bij programmatie van structuuronderdelen, zoals bepaald in deze afdeling, wordt volgend onderscheid gemaakt :
1° het structuuronderdeel is niet programmeerbaar;
2° het structuuronderdeel is vrij programmeerbaar;
3° het structuuronderdeel is programmeerbaar mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan;
4° het structuuronderdeel is programmeerbaar mits goedkeuring door de Vlaamse Regering.

De programmatie van een structuuronderdeel voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, moet in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod.

De programmatiebepalingen zijn niet van toepassing op de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 177. (01/09/2016- 31/08/2019)

De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die niet programmeerbaar zijn met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met volgende criteria :
1° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op de arbeidsmarkt op basis van tewerkstellingscijfers van schoolverlaters of door het ontbreken van een erkende beroepskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur;
2° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op het hoger onderwijs op basis van slaagcijfers in het hoger onderwijs.

Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geevalueerd.

Artikel 178. (01/09/2017- 31/08/2019)

 De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die vrij programmeerbaar zijn, met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met beleidsontwikkelingen of -prioriteiten. De Vlaamse Regering kan aan de programmatie van een dergelijk structuuronderdeel de voorwaarde koppelen van een reeds bestaand onderwijsaanbod in de school of scholengemeenschap in kwestie. De Vlaamse Regering kan voor een individuele school de voorwaarde opheffen die aan de programmatie van een dergelijk structuuronderdeel is gekoppeld als het een school betreft die in oprichting is zonder dat dat het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen.

et het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geëvalueerd.

De programmatie wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij die melding gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Artikel 178/1. (01/09/2016- 31/08/2019)

In afwijking van artikel 177 is een niet programmeerbaar structuuronderdeel alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om, na verleende programmatie van een structuuronderdeel van de tweede graad of - doch enkel voor het BSO - de derde graad, de studiecontinuïteit van de leerlingen te garanderen binnen de school of scholengemeenschap vanaf het schooljaar dat onmiddellijk volgt op de volledige uitbouw van het eerder geprogrammeerd structuuronderdeel. De studiecontinuïteit betreft dan het eerste en tweede leerjaar van de derde graad of - doch enkel voor het BSO - het derde leerjaar van de derde graad, met het oog op het verwerven van het diploma van secundair onderwijs. In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.

Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Artikel 179. (01/09/2017- 31/08/2019)

De programmatie van een niet vrij programmeerbaar structuuronderdeel is toegelaten onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :
1° in de school of in een andere school van de scholengemeenschap wordt tegelijkertijd een ander structuuronderdeel opgeheven. Dat ander structuuronderdeel kan noch een vrij programmeerbaar structuuronderdeel noch het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn;
2° de programmatie beantwoordt aan eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie.

Indien de programmatie niet leidt tot een voor de school nieuw studiegebied en geen afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend.

Indien de programmatie leidt tot een voor de school nieuw studiegebied of een afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.

Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.

Bij de melding of de aanvraag, naargelang van het geval, gaan per betrokken school het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Artikel 179/1. (30/11/2017- 31/08/2019)

De programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van artikel 177 tot en met 179 wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk 30 november van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 september van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij die aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met de volgende gezamenlijke criteria :
1° de eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie;
2° het beantwoorden van de programmatie aan het kwantitatief en kwalitatief aantoonbaar niet-behoeftedekkend onderwijsaanbod binnen de betrokken onderwijszone en met respect voor de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
3° a) de aanwezigheid van een convenant, of;
b) de inhoudelijke aansluiting en de objectief vastgestelde nood op de arbeidsmarkt, of;
c) de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap.

In afwijking van de datum van 30 november, vermeld in het eerste lid, wordt de programmatie op 1 september 2018 van een structuuronderdeel met in de benaming de term "duaal", uiterlijk op 28 februari 2018 aangevraagd bij de bevoegde diensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering neemt haar beslissing uiterlijk op 30 april 2018. Als de Vlaamse Regering op 30 april 2018 geen beslissing heeft genomen, is de programmatieaanvraag van rechtswege goedgekeurd.

Artikel 179/2. (01/09/2014- 31/08/2019)

Een dossier houdende voorstel van nieuw structuuronderdeel dat door een schoolbestuur in toepassing van artikel 129 wordt ingediend, kan tevens expliciet de intentie bevatten tot programmatie van het structuuronderdeel in één of meer aangeduide scholen van dat schoolbestuur. Het gemotiveerd dossier wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ingediend uiterlijk 30 september van het voorafgaand schooljaar. Bij het dossier gaan, per school, het protocol van de onderhandeling in het bevoegd lokaal comité met betrekking tot de programmatie en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Uitsluitend in het geval de Vlaamse Regering een positieve beslissing neemt over het voorstel van nieuw structuuronderdeel, neemt zij tevens een beslissing over de programmatie met in acht name van de bepalingen van artikel 178, 179 en 179/1.

Artikel 179/3. (01/01/2016- 31/08/2019)

De bepalingen van artikel 176 tot en met 179/2 zijn niet van toepassing op het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers.

Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen:
1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.

Vanaf 1 november 2015 en tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum worden de bepalingen van het tweede lid buiten werking gesteld en gelden voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers de volgende bepalingen :
1° de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :
a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
2° binnen tien werkdagen wordt een advies gegeven enerzijds door de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds door de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
3° uiterlijk twee maanden na indiening van de aanvraag neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Die beslissing is gebaseerd op de verwachte instroom van anderstalige nieuwkomers versus het al dan niet behoeftedekkend bestaande aanbod van onthaalonderwijs. Bij gunstige beslissing wordt tevens bepaald vanaf welk tijdstip het onthaaljaar kan worden opgericht.

Artikel 179/4. (30/11/2017- ...)

Structuuronderdelen die zijn opgericht met toepassing van de volgende regelgeving, en vanaf 1 september 2018 ononderbroken georganiseerd blijven, zijn niet onderworpen aan programmatie:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 10 juni 2016, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 tot uitbreiding van het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren en houdende diverse maatregelen betreffende basis- en secundair onderwijs, leertijd en leerlingenbegeleiding;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in de leertijd, bekrachtigd bij het decreet van 10 juni 2016, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2017 tot uitbreiding van het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren en houdende diverse maatregelen betreffende basis- en secundair onderwijs, leertijd en leerlingenbegeleiding.

Een structuuronderdeel als vermeld in het eerste lid, blijft in voorkomend geval in het tweede leerjaar van de derde graad tijdens het schooljaar 2018-2019 georganiseerd op basis van het standaardtraject van het schooljaar 2017-2018.

Afdeling 4. Programmatie van scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren

Artikel 180. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 5. Programmatie van structuuronderdelen door scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren

Artikel 181. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 182. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 183. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 184. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 185. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 186. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 187. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 188. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 4. Rationalisatie en fusie

Afdeling 1. Rationalisatienormen

Artikel 189. (01/09/1998- ...)

Voor de toepassing van de rationalisatienorm worden niet in aanmerking genomen :
1° de leerlingen van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;
2° de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;
3° de leerlingen van de Se-n-Se. (188)

Artikel 190. (01/09/1998- ...)

§ 1.Voor elke school geldt een rationalisatienorm.

§ 2. De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de school, als volgt vastgesteld :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 111;
b) met een eerste + tweede graad : 200;
c) met een tweede + derde graad : 150;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 261;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 83;
b) met een eerste + tweede graad : 150;
c) met een tweede + derde graad : 113;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 196. (189)

Artikel 191. (01/09/1998- ...)

In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 94;
b) met een eerste + tweede graad : 170;
c) met een tweede + derde graad : 129;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 223;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 71;
b) met een eerste + tweede graad : 128;
c) met een tweede + derde graad : 97;
d) met een eerste + tweede + derde graad : 168. (190)

Artikel 192. (01/09/1998- 31/08/2019)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met enkel een eerste graad : 74;
b) met een eerste + tweede graad : 133;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
a) met enkel een eerste graad : 55;
b) met een eerste + tweede graad : 99.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :
a) met een tweede + derde graad : 100;
b) met een eerste + tweede + derde graad : 174;
2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :
a) met een tweede + derde graad : 75;
b) met een eerste + tweede + derde graad : 130.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met :
1° een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;
b) structuuronderdeel :
- een basisoptie;
- een beroepenveld;
- een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;
- het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet georganiseerd als een specialisatiejaar;
- een opleiding van het hoger beroepsonderwijs;
2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en
c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert. (191)

Artikel 193. (01/09/1998- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :
1° met een tweede + derde graad : 50;
2° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met scholen, bedoeld in artikel 192, § 3. (192)

Artikel 194. (01/09/1998- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals bedoeld in artikel 192, § 3, 1°, als volgt vastgesteld :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67;
3° met een tweede + derde graad : 50;
4° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :
a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en
b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en
c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert, als volgt vastgesteld :
1° met enkel een eerste graad : 37;
2° met een eerste + tweede graad : 67;
3° met een tweede + derde graad : 50;
4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. (193)

Artikel 195. (01/09/1998- ...)

§ 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel de vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.

§ 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens een vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)

Artikel 196. (01/09/2015- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt per graad de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend zeevisserijonderwijs organiseert als volgt vastgesteld :
1° eerste graad : 37;
2° tweede graad : 30;
3° derde graad : 20.

§ 2. De rationalisatienormen vermeld in § 1 zijn niet vereist indien de school de enige is die in het betrokken onderwijsnet zeevisserijonderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar zeevisserijonderwijs gerichte structuuronderdelen "wetenschappen" (tweede graad aso) en "wetenschappen-wiskunde" (derde graad aso) organiseert.

Artikel 197. (01/09/1999- ...)

In afwijking van artikel 190, § 1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die, behoudens een eventuele eerste graad, enkel het studiegebied ballet organiseert. (196)

Artikel 197/1. (01/05/2011- ...)

§ 1. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 51, 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
2° de rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijft:
a) met alleen een eerste graad: 55;
b) met een eerste en tweede graad: 99;
c) met een tweede en derde graad: 75;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 130;
2° voor een instelling die niet ressorteert onder punt 1° :
a) met alleen een eerste graad: 74;
b) met een eerste en tweede graad: 133;
c) met een tweede en derde graad: 100;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 174.

§ 2. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 51 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
a) met alleen een eerste graad: 37;
b) met een eerste en tweede graad: 67;
c) met een tweede en derde graad: 50;
d) met een eerste, tweede en derde graad: 87.

§ 3. Voor een instelling die:
1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder toepassing valt van artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 539 van 31 maart 1987;
2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt;
3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, niet onder toepassing valt van artikel 52, § 1, van hetzelfde decreet, wordt, tenzij de instelling onder toepassing valt van artikel 51 of 52, § 2, van hetzelfde decreet, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld:
a) met alleen een eerste graad: 37;
b) met een eerste en tweede graad: 67;
c) met een tweede en derde graad: 50;
d) met een eerste en tweede en derde graad: 87.

Artikel 198. (01/01/2013- ...)

Elke school die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari van de twee voorafgaande schooljaren, dient op 1 september:
1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden of tot geleidelijke afbouw van het hoger beroepsonderwijs, onverminderd het in artikel 134 gestelde;
2° hetzij te fusioneren met een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. (197)

Artikel 199. (01/01/2013- ...)

...

Afdeling 2. Fusie van scholen

Artikel 200. (01/09/2017- ...)

Een fusie van scholen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer scholen :
1° houdt het ontstaan in van een school die niet als nieuw wordt beschouwd en die alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;
2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één schoolbestuur en één directeur is;
3° vindt plaats :
a) hetzij door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;
b) hetzij door samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt;
4° kan betrekking hebben op één of meer scholen die in geleidelijke afbouw zijn;
5° wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie uiterlijk op 1 april van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Ook een afbouw van een school, al dan niet als gevolg van het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, wordt door het schoolbestuur in kwestie uiterlijk op 1 april van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

 

Artikel 201. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 202. (01/09/2014- ...)

...

HOOFDSTUK 5. [... (geschr. decr. 19 juli 2013, art. III.49, I: 1 januari 2014)] Overheveling

Afdeling 1. Toepassingsgebied

Artikel 203. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 204. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 2. Omvorming

Artikel 205. (01/09/2014- ...)

...

Afdeling 3. Overheveling

Artikel 206. (01/09/2017- 31/08/2019)

§ 1. De volledige eerste graad of een volledig studiegebied zoals georganiseerd door een school kan door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd blijven indien het in één keer wordt overgeheveld naar een andere school van hetzelfde schoolbestuur die gelegen is in dezelfde gemeente of naar een andere school die behoort tot dezelfde scholengemeenschap. De school waarnaar wordt overgeheveld mag geen school zijn die moet fuseren of afbouwen omdat de toepasbare rationalisatienorm niet wordt bereikt.

ndien de overheveling betrekking heeft op alle door de school georganiseerde studiegebieden van het beroepssecundair onderwijs, moet het derde leerjaar van de derde graad, ingericht onder de vorm van een naamloos leerjaar, mee worden overgeheveld; indien de overheveling betrekking heeft op slechts enkele studiegebieden, kan het mee worden overgeheveld.

§ 2. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van het werkingsbudget, wordt de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaats gevonden.

§ 3. De overheveling wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Bij die melding gaan, per school die bij de overheveling is betrokken, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de overheveling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

HOOFDSTUK 6. Financiering en subsidiëring

Afdeling 1. Financiering en subsidiëring van de personeelsleden

Onderafdeling 1. Directeur

Artikel 207. (01/09/1998- ...)

In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum.

In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum.

Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar of met een halftijdse opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een school voor zeevisserijonderwijs. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206)

Artikel 208. (01/09/1998- ...)

Van zodra de titularis van het ambt van directeur van een ingebouwde middenschool, bedoeld in het tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde instellingen voor secundair onderwijs, ontslag neemt, met pensioen gaat, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt, muteert of overlijdt, wordt de betrokken school niet meer als een ingebouwde middenschool beschouwd. (207)

Onderafdeling 2. Onderwijzend personeel

Artikel 209. (01/09/1990- ...)

§ 1. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, is opgebouwd uit :
1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken, zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, alsook een aantal uren-leraar die geen lesuren zijn, bestemd voor andere prestaties dan voor het onderwijzen van vakken en aangeduid als "pedagogische ondersteuning", niet inbegrepen.
Het aantal uren-leraar kan worden verhoogd voor de scholen gelegen in de gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners/km2, voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het arrondissement Brussel - Hoofdstad, voor de scholen die toepassing maken van de bepalingen van artikel 192 tot en met 195 inzake rationalisatienormen en voor de op basis van objectieve criteria aangeduide categorieën leerlingen of scholen;
2° een aantal uren-leraar, voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Deze bepaling is niet van toepassing op :
1° het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;
2° de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;
3° de vierde graad;
4° het hoger beroepsonderwijs.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend.

De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden een aanwendingspercentage vastleggen van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school toegekend wordt. (208)

Artikel 209/1. (01/09/2018- ...)

§ 1. Voor een school die tot een scholengemeenschap is toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar verhoogd onder de volgende voorwaarden:
1° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de eerste graad van alle scholen van elke onderwijszone waarin de scholengemeenschap in kwestie ligt, stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar;
2° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de eerste graad van alle scholen van de scholengemeenschap in kwestie stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar;
3° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de school in kwestie stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar;
4° tijdens het schooljaar waarop de verhoging van het aantal wekelijkse uren-leraar betrekking heeft, mag de school in kwestie geen uren-leraar overdragen naar een andere school of naar het volgend schooljaar; het schoolbestuur mag tijdens het schooljaar waarop de verhoging van het aantal wekelijkse uren-leraar betrekking heeft, geen uren-leraar aan de school in kwestie onttrekken in het kader van een herverdeling van uren-leraar;
5° de stijging van het aantal leerlingen in het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B in de school in kwestie mag niet het gevolg zijn van een fusie of afsplitsing van scholen met eerste graad waarbij zij is betrokken of van een overheveling van de eerste graad tussen scholen waarbij zij is betrokken;
6° de extra uren-leraar mogen door de school in kwestie enkel worden aangewend in het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B en voor zover er zich een stijging van het aantal leerlingen in desbetreffend leerjaar voordoet.

§ 2. De extra uren-leraar worden op basis van volgende modaliteiten op het niveau van de school in kwestie berekend:
1° het verschil in leerlingenaantal tussen de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorgaande schooljaar wordt afzonderlijk voor het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B vastgesteld. Als de stijging van het leerlingenaantal in het ene leerjaar gepaard gaat met een geringere daling in het andere leerjaar, dan wordt de `netto' stijging, toegepast op het leerjaar waarin de stijging zich voordoet, voor de berekening in aanmerking genomen;
2° het verschil, als het een stijging betreft, voor het eerste leerjaar A wordt vermenigvuldigd met een leerlingencoëfficiënt die de Vlaamse Regering bepaalt;
3° het verschil, als het een stijging betreft, voor het eerste leerjaar B wordt vermenigvuldigd met een leerlingencoëfficiënt die de Vlaamse Regering bepaalt;
4° de som van de resultaten van de vermenigvuldigingen, vermeld in punt 2° en 3°, geeft de extra uren-leraar voor de school. Als het eindresultaat uitkomt op een cijfer van vijf of meer na de komma, wordt het afgerond naar de hogere eenheid.

De uitoefening door de Vlaamse Regering van de bevoegdheden in dit artikel wordt jaarlijks herhaald en de Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met:
1° de grootteorde van de gemiddelde leerlingencoëfficiënt van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B die is vastgesteld in toepassing van artikel 209;
2° de globale leerlingenstromen naar het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B in het onderwijs dat door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd wordt, en de daaraan gekoppelde capaciteitsbehoeften;
3° de beschikbare begrotingskredieten.

Bij de toepassing van deze bepalingen worden niet in aanmerking genomen:
1° de leerlingen van scholen met opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs;
2° de leerlingen van scholen waarvoor de financiering of subsidiëring wordt berekend op basis van de schoolbevolking op de eerste lesdag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 3. Indien volgens dezelfde voorwaarden zoals bepaald in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, het aantal leerlingen daalt, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar op basis van dezelfde modaliteiten zoals bepaald in paragraaf 2 verminderd.

§ 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, kan de Vlaamse Regering nadere voorwaarden bepalen met betrekking tot de toekenning of vermindering van wekelijkse uren-leraar als bedoeld in dit artikel.

Artikel 210. (01/09/2006- ...)

Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap zijn toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar, na toepassing van de reglementair voorziene berekeningswijze en aanwendingspercentage, verhoogd met 1 %.

Deze bijkomende uren-leraar worden door de betrokken scholen aangewend op de wijze zoals bepaald in artikel 65. (209)

Artikel 211. (01/09/2016- 31/08/2019)

§ 1. De aanwending van het aantal wekelijks aantal uren-leraar dat elke school verkrijgt, is vrij, onverminderd de beperkingen gesteld door of krachtens een decreet.

Het wekelijks aantal uren-leraar kan eveneens worden aangewend binnen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan de school waaraan de uren-leraar worden toegekend.

Onder aantal uren-leraar worden verstaan de uren verkregen in toepassing van artikel 209, evenals de uren-leraar waarover een school kan beschikken na herverdeling van uren-leraar door zijn schoolbestuur, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap.

§ 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.

Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :
1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs;
2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, het beroepenveld, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast.

§ 3. De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers :
1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;
2° alle structuuronderdelen van de derde graad tso;
3° alle structuuronderdelen van de derde graad bso;
4° hbo-verpleegkunde.

Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een voordrachtgever geeft, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.

Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan voordrachtgevers kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.

Bij deze vorm van aanwending worden uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.

De regeling in kwestie is dezelfde voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs

Artikel 212. (01/09/1999- ...)

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend en dat aangewend wordt voor het voltijds secundair onderwijs dat niet georganiseerd is volgens een modulair stelsel, kan slechts ten belope van 3 % gebruikt worden voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken.

Dit maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (211)

Artikel 213. (01/09/2002- 31/08/2019)

Wanneer de onderwijsinspectie in een school een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van volgende groepen :
1° het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, en/of
2° de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs, en/of
3° de derde graad van het beroepssecundair onderwijs,
formuleert zij een omstandig en gemotiveerd advies ten behoeve van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de elementen van toetsing bepalen waarmee het advies dient rekening te houden.

De Vlaamse Regering kan op basis van dit advies ten aanzien van de betrokken school een norm bepalen, boven dewelke de wekelijkse uren-leraar die aan elke school worden toegekend, gegenereerd door de in het eerste lid bedoelde groepen, niet kunnen worden aangewend voor andere groepen. Zij kan daarbij evenwel bepalen dat deze norm kan worden overschreden binnen hetzelfde studiegebied.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedurele regelen terzake, rekening houdend met de hoorplicht. (212)

Artikel 214. (01/09/1990- ...)

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend is bestemd voor de toewijzing van de opdrachten aan de titularissen van het onderwijzend personeel.

Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt.

Bovenstaande bepaling impliceert dat de prestaties, geleverd door tijdelijke vervangers van voornoemde titularissen, onafhankelijk van het voor de school beschikbare pakket uren-leraar gefinancierd of gesubsidieerd worden.(213)

Artikel 215. (01/09/2001- ...)

Bij toewijzing aan titularissen van het onderwijzend personeel of aan hun tijdelijke vervangers van opdrachten die niet gebaseerd zijn op het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, op andere gefinancierde of gesubsidieerde uren-leraar of op uren, bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. (214)

Artikel 216. (01/09/2011- ...)

§ 1. Het aantal organiseerbare plage-uren wordt gereduceerd volgens het hierna bepaalde.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;
b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).

§ 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2004-2005 : ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen mogen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 % plage-uren worden georganiseerd.

Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.

§ 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2002-2003 mag het maximum % niet hoger liggen dan het % van het schooljaar 2001-2002.

Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.

§ 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.

§ 5. Personeelsleden kunnen slechts met plage-uren worden belast als die plage-uren om organisatorische redenen noodzakelijk zijn en op een billijke en transparante wijze georganiseerd worden. Over de algemene regels die het schoolbestuur hierbij zal hanteren, wordt bij de voorbereiding van het schooljaar in elke school onderhandeld in de bevoegde organen. (215)

[Onderafdeling 3. Scholen met studierichting Binnenvaart en Beperkte Kustvaart (verv. decr. 20 april 2018, art. 45, I: 1 september 2019)]

Artikel 217. (01/01/2007- 31/08/2019)

Deze onderafdeling is van toepassing op een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en binnenvaart organiseert. (216)

Artikel 218. (01/01/2007- 31/08/2019)

Een school met de optie Rijn- en binnenvaart heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.

De Vlaamse Regering kan deze puntenenveloppe aanpassen in functie van de beschikbare begrotingskredieten. Zij houdt daarbij rekening met het aantal leerlingen dat is ingeschreven in de studierichting Rijn- en binnenvaart. (217)

Artikel 219. (01/01/2007- ...)

De betrokken school wendt de puntenenveloppe, vermeld in deze onderafdeling, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.

De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. (218)

Artikel 220. (01/01/2007- ...)

Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. (219)

Onderafdeling 4. Topsportscholen

Artikel 221. (01/09/2007- ...)

§ 1. Aan elke topsportschool met tweede en derde graad voltijds secundair onderwijs die onder toepassing valt van het tussen de Vlaamse Regering, de sportinstanties en de onderwijsverstrekkers gesloten topsportconvenant, wordt een betrekking van topsportschoolcoördinator toegekend.

Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.

§ 2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.

In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212. (220)

Onderafdeling 5 : Onthaalonderwijs

Artikel 222. (01/01/2013- ...)

Naast de basisfinanciering of -subsidiëring, inherent aan het voltijds secundair onderwijs, vindt een specifieke financiering of subsidiëring tijdens het lopende schooljaar plaats die fluctueert met bepaalde schommelingen van het aantal anderstalige nieuwkomers. Daarenboven vindt ook een specifieke financiering of subsidiëring plaats teneinde gewezen anderstalige nieuwkomers verder te ondersteunen, op te volgen en te begeleiden.

De Vlaamse Regering bepaalt de omvang en de duur van die financiering of subsidiëring en de data voor telling van het aantal anderstalige nieuwkomers. (221)

Onderafdeling 6 : Kunstsecundaire scholen

Artikel 223. (01/09/1999- ...)

De Vlaamse Regering kan aan scholen die voltijds gewoon kunstsecundair onderwijs organiseren en die betrokken zijn bij een convenant dat zij heeft afgesloten met de betrokken schoolbesturen en/of representatieve verenigingen ervan en met de partners uit een culturele sector, een bijkomende financiering of subsidiëring toekennen. Zij bepaalt de voorwaarden waaraan de leerlingen, die deze bijkomende financiering of subsidiëring genereren, moeten voldoen evenals de vorm waaronder deze middelen worden toegekend. (222)

Onderafdeling 7 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad

Artikel 224. (01/09/2002- ...)

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en op het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers. (223)

Artikel 225. (01/09/2018- ...)

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
1° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelagen zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake de bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;
3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs bepaalt zij tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren. De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (224)

Artikel 226. (01/09/2011- ...)

Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren extra uren-leraar krijgen, voorzover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste 10 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 227 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en, voor alle graden samen,  ten minste zes extra uren-leraar genereren.

Wanneer een school op 1 januari van het voorgaande schooljaar vestigingsplaatsen heeft die niet in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn, worden de verschillende vestigingsplaatsen voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid en van artikel 227 als school beschouwd. (225)

Artikel 227. (01/09/2011- ...)

§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :
1° de in artikel 226 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatig leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absoluut aantal van deze leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
3° het aantal punten van scholen met ten minste 55 % leerlingen die aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar een punt vertegenwoordigt.

De Vlaamse Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende extra uren-leraar. (226)

Artikel 228. (01/09/2002- ...)

§ 1. Een school die extra uren-leraar krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :
1° welke concrete doelstelling zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden, respectievelijk van school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen volgende themata : a) de preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, b) taalvaardigheidsonderwijs, c) intercultureel onderwijs, d) doorstroming en oriëntering, e) socio-emotionele ontwikkeling, f) leerlingen- en ouderparticipatie; en
2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken; en
3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert. De Vlaamse Regering kan een model van zelfevaluatie vastleggen.

§ 2. De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken. (227)

Artikel 229. (01/09/2002- ...)

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 227, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij worden begeleid. (228)

Artikel 230. (01/09/2002- ...)

De scholen werken mee aan driejaarlijkse evaluaties aan de hand van steekproeven die het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitvoert. De evaluaties meten de doelmatigheid, op macroniveau, van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. (229)

Artikel 231. (01/09/2002- ...)

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het derde schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra uren-leraar krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 226 voldaan is.

Bij negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 226 bedoelde extra uren-leraar voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgen ze de helft van het aantal extra uren-leraar waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zouden hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan volgende voorwaarden voldoen :
1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria :
a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;
b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen zoals geformuleerd in artikel 228, § 1, 1°;
c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;
d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd;
e) de doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;
2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie zal de school vanaf het tweede schooljaar terug een beroep kunnen doen op het volledige aantal in artikel 226 bedoelde uren-leraar.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 226 bedoelde extra uren-leraar voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen volgens dewelke de controle door de onderwijsinspectie geschiedt, vast. Zij voorziet in een beroepsmogelijkheid voor de school tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van onderwijsinspecteurs. (230)

Artikel 231/1. (01/09/2017- ...)

In afwijking van de bepalingen van de artikelen 226, 227, § 1, en 231, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, eerste graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar.

Onderafdeling 8 : Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad

Artikel 232. (01/09/2002- ...)

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs. (231)

Artikel 233. (01/09/2018- ...)

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :
1° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelage(n) zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
2° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002;
3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;
4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Zij bepaalt tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren.

De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (232)

Artikel 234. (01/09/2011- ...)

Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren extra uren-leraar/puntenwaarden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste 25 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en
2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 235 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en, voor alle graden samen,  ten minste zes extra uren-leraar genereren.

De schoolbesturen bepalen of de extra ondersteuning uren-leraar en/of puntenwaarden betreft. (233)

Artikel 235. (01/09/2011- ...)

§ 1. De toekenning van de extra uren leraar/puntenwaarden gebeurt voor de tweede en derde graad van het gewoon voltijds secundair onderwijs driejaarlijks als volgt :
1° de in artikel 234 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;
3° het aantal punten van scholen met ten minste 55 % leerlingen die aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;
4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar of puntenwaarden een punt vertegenwoordigt.

De Vlaamse Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende extra uren-leraar of puntenwaarden. (234)

Artikel 236. (01/09/2002- ...)

De extra uren-leraar worden uitgeoefend in het ambt van leraar of van godsdienstleraar. Met de puntenwaarden worden halftijdse of voltijdse betrekkingen opgericht in het ambt van opvoeder. (235)

Artikel 237. (01/09/2002- ...)

§ 1. Een school die extra uren-leraar of puntenwaarden krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :
1° welke concrete doelstelling zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden, respectievelijk van school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen volgende themata :
a) de preventie en remediëring van studie- en gedragsproblemen,
b) taalvaardigheidsonderwijs,
c) intercultureel onderwijs,
d) de oriëntering bij instroom en uitstroom,
e) leerlingen- en ouderparticipatie; en
2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken, en
3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert. De Vlaamse Regering kan een model van zelfevaluatie vastleggen.

§ 2. De extra uren-leraar of puntenwaarden kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken. (236)

Artikel 238. (01/09/2002- ...)

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 237, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij worden begeleid. (237)

Artikel 239. (01/09/2002- ...)

De scholen werken mee aan driejaarlijkse evaluaties aan de hand van steekproeven die het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitvoert. De evaluaties meten de doelmatigheid, op macroniveau, van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. (238)

Artikel 240. (01/09/2002- ...)

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het derde schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra uren-leraar of puntenwaarden krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 234 voldaan is.

Bij negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar of puntenwaarden voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgen ze de helft van het aantal extra uren-leraar of puntenwaarden waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zouden hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan volgende voorwaarden voldoen :
1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria :
a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;
b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen zoals geformuleerd in artikel 237, § 1, 1°;
c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;
d) het stappenplan moet vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd worden;
e) de doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;
2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie zal de school vanaf het tweede schooljaar terug een beroep kunnen doen op het volledige aantal in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar ofpuntenwaarden.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar of puntenwaarden voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen volgens dewelke de controle door de onderwijsinspectie geschiedt vast.

Zij voorziet in een beroepsmogelijkheid voor de school tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van onderwijsinspecteurs. (239)

Artikel 241. (01/09/2008- ...)

De Vlaamse Regering voorziet voor het schooljaar 2008-2009, 2009-2010 en 2010-2011 in overgangsmaatregelen.

In functie van deze overgangsmaatregelen wordt het aantal extra uren-leraar of puntenwaarden gelijke onderwijskansen dat een school in het schooljaar 2007-2008 kreeg vergeleken met het aantal uren-leraar verkregen in toepassing van artikelen 234 en 235. Het verlies van een vastgelegd aantal uren-leraar wordt beperkt tot nul. (240)

Artikel 241/1. (01/09/2017- ...)

In afwijking van de bepalingen van de artikelen 234, 235, § 1, en 240, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar/puntenwaarden.

Afdeling 2 : Financiering en subsidiëring van de werking

Onderafdeling 1 : Leerlingen- en schoolkenmerken

Artikel 242. (01/09/2018- ...)

§ 1.Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende kenmerken :
1° leerlingenkenmerken :
a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;
b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die in toepassing van voornoemd decreet enkel omwille van ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;
c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;
d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder « buurt » de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder « buurt » de gemeente waar zij wonen verstaan;
2° schoolkenmerken :
a) het studiegebied en de onderwijsvorm in het gewoon onderwijs;
b) het type in het buitengewoon onderwijs;
c) de begeleiding door een school voor buitengewoon secundair onderwijs van een of meer leerlingen in het geïntegreerd secundair onderwijs, hierna SK_Gon te noemen;
d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.

§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en thuislozen worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Onder trekkende bevolking worden de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners verstaan, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden. Onder thuislozen worden de leerlingen verstaan die tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen zijn door een gezin of persoon, een voorziening of sociale dienst, vermeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, met uitzondering van de internaten, gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Onder thuislozen worden ook de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen verstaan als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 2002. Leerlingen die hun woonplaats hebben in dunbevolkte buurten worden niet geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Voor alle leerlingen uit het gewoon secundair onderwijs wordt het 75ste percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75ste percentiel, beantwoorden aan de indicator « woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd ».

Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de Vlaamse Regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend. (241)

Onderafdeling 2 : Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen

Artikel 243. (01/01/2018- ...)

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs 394.419.000 euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds beroepssecundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 394.419.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :
a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1;
4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;
7° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 17.127.000 euro verminderd.

§ 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.

Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (242)

Artikel 244. (01/01/2015- ...)

§ 1. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 3 procent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 243;

2° lln_Neu = leerlingen van het secundair Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel secundair onderwijs.

 

§ 2. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

 

§ 3. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243 en artikel 244, § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :

(B - V1 - V2) * Pjaarx = B_lli, waarbij :

1° Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 10,375 % voor het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,125 % tot 11 % vanaf het begrotingsjaar 2020;

2° B_lli = werkingbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.

 

Het werkingsbudget voor de leerlingenkenmerken 1, 2 en 3 wordt als volgt bepaald :

B_lli x 30 %,

en voor leerlingenkenmerk 4 als volgt :

B_lli x 10 %,

respectievelijk : B_lliOpl, B_lliSt, B_lliTa, B_lliBu, met :

a) B_lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;

b) B_lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;

c) B_liTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;

d) B_lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.

 

§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :

B_SchK= B-V1-V2-B-lli.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 245, 1° en 2°, waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (243)

 

Onderafdeling 3 : Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken

Artikel 245. (01/11/2008- ...)

B_SchK, vermeld in artikel 244, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken zoals bedoeld in artikel 242, § 1, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2 en SK_Gon :

1° voor de leerlingen van het secundair onderwijs worden de puntengewichten als volgt vastgesteld :

Eerste graad

16 punten

Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden decoratieve technieken, fotografie, handel, mode, lichaamsverzorging, personenzorg, sport, toerisme en voeding

18 punten

Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden auto, bouw, chemie, glastechnieken, grafische communicatie en media, hout, juwelen, koeling en warmte, land- en tuinbouw, maritieme opleidingen, maatschappelijke veiligheid, mechanica-elektriciteit, muziekinstrumentenbouw, optiek, orthopedische technieken, tandtechnieken en textiel

22 punten

Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied sport behoren)

16 punten

Tweede en derde graad kunstonderwijs, de studiegebieden ballet en podiumkunsten

20 punten

Tweede en derde graad kunstonderwijs, het studiegebied beeldende kunsten

18 punten

Hoger beroepsonderwijs en Vierde graad

20 punten

Deeltijds beroepssecundair onderwijs

10 punten

2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. (244)

 

Artikel 246. (01/11/2008- ...)

§ 1. Het budget V1, vermeld in artikel 244, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, vermeld in artikel 244, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (245)

Artikel 247. (01/11/2008- ...)

§ 1. Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 244, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling geteld op de teldatum, vermeld in 172, per kenmerk volgens de volgende formules :

1° B_ClliOpl= B_lliOpl/ClliOpl;

2° B_ClliSt= B_lliSt/ClliSt;

3° B_ClliTa= B_lliTa/ClliTa;

4° B_ClliBu= B_lliBu/ ClliBu;

met :

a) B_ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;

b) B_ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;

c) B_ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;

d) B_ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;

e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.

 

§ 2. ClliOpl, ClliSt, ClliTa en ClliBu, vermeld in § 1, worden respectievelijk via de volgende formules berekend :

 

1° berekening van ClliOpl : ClliOpl= sigmalle scholen ClliOpl_school, waarbij :

ClliOpl_school = MIN (Proc_school_iOpl;

Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliOpl_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;

b) Proc_school_iOpl = het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

c) Gemid_tot_iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

d) Stdev_tot_iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

 

2° berekening van ClliSt : ClliSt= sigmalle scholen ClliSt_school, waarbij :

ClliSt_school = MIN (Proc_school_iSt; Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliSt_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;

b) Proc_school_iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

c) Gemid_tot_iSt = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

d) Stdev_tot_iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

e) MIN= de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

 

3° berekening van ClliTa : ClliTa= sigmalle scholenClliTa_school, waarbij :

ClliTa_school= MIN (Proc_school_iTa; Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliTa_School = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;

b) Proc_school_iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

c) Gemid_tot_iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

d) Stdev_toT_iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

 

4° berekening van ClliBu : ClliBu= sigmalle scholenClliBu_school, waarbij :

ClliBu= MIN (Proc_school_iBu; Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliBu= het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;

b) Proc_school_iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

c) Gemid_tot_iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

d) Stdev_tot_iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4. (246)

 

Onderafdeling 4 : Berekening van het werkingsbudget per school

Artikel 248. (01/11/2008- ...)

Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken. (247)

Artikel 249. (01/01/2017- ...)

 

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2 en SK_Gon.

§ 2. Het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, vermeld in artikel 245, 3°;

2° het bedrag, verkregen door het resultaat van de volgende vermenigvuldigingen

a) B_ClliOpl x ClliOpl_school;

b) B_ClliSt x ClliSt_school;

c) B_ClliTa x ClliTa_school;

d) B_ClliBu x ClliBu_school;

3° GW_V1, vermeld in artikel 246, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

4° GW_V2, vermeld in artikel 246, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en vanaf 2017 met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 851.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243;

3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 1.250.000 euro bedraagt en jaarlijks verminderd wordt met 125.000 euro.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 4.768.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. (248)
 

§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.

Onderafdeling 5 : Evaluatie

Artikel 250. (01/11/2008- ...)

De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (249)

Artikel 251. (01/01/2013- ...)

In 2013 en 2014 wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen.

Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :
- de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;
- gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;
- het voeren van een gelijkekansenbeleid;
- transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;
- evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling.

[Onderafdeling 6. Personeel ten laste van het werkingsbudget (ing. decr. 21 december 2012, art. III.24)]

Artikel 251/1. (01/09/2012- ...)

Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249 of van de Vlaamse Ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.

TITEL 2. BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN

HOOFDSTUK 1 : Regelmatige versus vrije leerling

Artikel 252. (01/01/2015- ...)

§ 1. Met regelmatige leerling wordt bedoeld de leerling die :
a) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven;
2) van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid;
b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :
1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs, zoals bepaald in Hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;
2) beschikken over een verslag, als bepaald in artikel 294, en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.
3) ....

§ 2. Leerlingen die niet beantwoorden aan het onder a) of b) gestelde, worden beschouwd als vrije leerlingen. (251)

Artikel 252/1. (01/09/2015- 31/08/2019)

Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.

Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :
1° leerlingen die tijdens het schooljaar 2013-2014 voltijds gewoon secundair onderwijs hebben gevolgd en vanaf het schooljaar 2014-2015 hun secundaire studie verder zetten;
2° de voorbereidende jaren op het hoger onderwijs, de Se-n-Se, de specialisatiejaren en het naamloos leerjaar van het voltijds gewoon secundair onderwijs.
3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen.

Voor de hbo5-opleiding Verpleegkunde geldt evenmin een maximumleeftijd.

Artikel 253. (01/09/2014- ...)

Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :
- ...;
- een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.

Hij is daarenboven regelmatige leerling :
- in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis of aan een residentiële setting, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;
- in de de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium.

HOOFDSTUK 2 [Diploma van secundair onderwijs (verv. decr. 4 april 2014, art. V.32, I: 1 september 2014)]

Artikel 254. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 255. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 256. (01/09/2011- ...)

§ 1. Het diploma van secundair onderwijs wordt uitgereikt aan de leerlingen van het secundair onderwijs :
1° die hun studies volbracht hebben overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
2° die houder zijn van :
a) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door Syntra Vlaanderen in de leertijd, of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
b) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school , door Syntra Vlaanderen in de leertijd, of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs en het tweede en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
c) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school , door Syntra Vlaanderen in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
d) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door Syntra Vlaanderen in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en het eerste leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;
e) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school, door Syntra Vlaanderen in de leertijd, of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het hoger beroepsonderwijs van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het diploma van secundair onderwijs gelijkgesteld :
1° het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs;
2° het diploma van hoger secundair technisch onderwijs;
3° het diploma van hoger secundair kunstonderwijs;
4° de bekwaamheidsbewijzen, die vóór 1 september 1975 gelijkgesteld waren met die vermeld onder punt 1°, 2° of 3°;
5° het getuigschrift van hoger secundair onderwijs.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs gelijkgesteld :
1° het getuigschrift van lager secundair onderwijs;
2° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in de schooljaren 1996-1997 tot en met 1998-1999. (255)

[HOOFDSTUK 3 Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs (ing. Decr. 29 juni 2012, art. III.4, I: 1 oktober 2012)]

Artikel 256/1. (01/09/2013- ...)

Bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een "examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs" opgericht, hierna de "examencommissie" genoemd, die samengesteld wordt door en onder de leiding valt van de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen.

De examencommissie stelt een examenreglement op en maakt dit bekend.

Artikel 256/2. (01/09/2013- ...)

De examencommissie is bevoegd voor uitreiking van de hiernavolgende, van rechtswege geldende, studiebewijzen :
1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;
2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
3° het diploma van secundair onderwijs.

De examencommissie organiseert daartoe op permanente basis examens.

Artikel 256/3. (01/10/2012- ...)

§ 1. De examencommissie bepaalt over welke structuuronderdelen van het voltijds secundaironderwijsaanbod, zoals dat door de Vlaamse Regering is vastgelegd, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel ten minste rekening met de hiernavolgende criteria :
1° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;
2° de financiële kost van de organisatie van de examens;
3° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;
4° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.

§ 2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken. Het wordt ontwikkeld door de examencommissie, rekening houdend met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden als referentiekader voor de ontwikkeling van een examenprogramma, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die zijn bepaald in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving, gehanteerd.

Elk examenprogramma dient, voorafgaand aan de invoering, door de onderwijsinspectie te worden goedgekeurd. De onderwijsinspectie kan de goedkeuring van een examenprogramma intrekken op grond van onvoldoende actualiteitswaarde.

§ 3. Bij wijze van overgangsmaatregel kan, in afwijking van paragraaf 2, tot uiterlijk 30 september 2014 een kandidaat examens afleggen op basis van een schoolleerplan om een getuigschrift of diploma te behalen in een bepaald structuuronderdeel, als hij aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :
1° de kandidaat is met het afleggen van de examens gestart vóór 1 oktober 2012;
2° de kandidaat is voor ten minste één vak ingeschreven in de twee jaar voorafgaand aan de nieuwe inschrijving.

Artikel 256/4. (01/09/2014- ...)

§ 1. Een inschrijving voor deelname aan de examens is rechtsgeldig als de kandidaat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :
1° de kandidaat schrijft zich elektronisch in;
2° de kandidaat betaalt het inschrijvingsgeld, vastgesteld op 30 euro;
3° de kandidaat neemt deel aan een voorafgaande informatiesessie, behalve als de examencommissie daarvoor een vrijstelling verleend heeft.

De examencommissie regelt de praktische uitvoeringsbepalingen met betrekking tot die voorwaarden.

Het bedrag, vermeld in 2°, wordt jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.

§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.

§ 3. Onwettige afwezigheid op examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.

§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.

§ 6. De examencommissie kan de volgorde bepalen waarin vakken van een examenprogramma of onderdelen van eenzelfde vak van een examenprogramma moeten worden afgelegd.

Artikel 256/5. (01/10/2012- ...)

De examencommissie stelt intern een subcommissie samen die bevoegd is voor het verlenen van vrijstelling van examen over bepaalde vakken aan een kandidaat die het bewijs levert van kennis van de desbetreffende leerinhouden.

Artikel 256/6. (01/10/2012- ...)

De examencommissie beslist autonoom over de vorm waaronder examens worden georganiseerd en over de cijfermatige normen per structuuronderdeel om als geslaagd te worden beschouwd. Deze normen zijn uniform voor alle kandidaten.

De examencommissie voorziet in een interne beroepsmogelijkheid voor de kandidaat tegen een omstreden beslissing "niet geslaagd". Het beroepsorgaan heeft volheid van bevoegdheid. Bij mededeling aan de kandidaat van de beslissing "niet geslaagd" wordt op de mogelijkheid tot beroep en op de overeenkomstige procedure gewezen.

Artikel 256/7. (01/10/2012- ...)

Voor de samenstelling van de examencommissie door de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen, gelden de hiernavolgende voorwaarden :
1° de betrokken instantie stelt competentieprofielen op die variëren naargelang van de aard van de prestaties van de medewerkers. Hoe dan ook bepaalt elk competentieprofiel, met uitzondering van dat van toezichter, dat de medewerker moet beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, zoals door de Vlaamse Regering bepaald voor het onderwijzend personeel van het gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs;
2° de oproep tot kandidaat-medewerkers wordt ten minste via de website van de betrokken instantie bekendgemaakt telkens er plaatsen te begeven zijn;
3° de betrokken instantie selecteert de medewerkers door toetsing van het individuele profiel aan het competentieprofiel ten minste op basis van interviews;
4° de lijst van de geselecteerde medewerkers wordt via de website van de betrokken instantie gepubliceerd.

Artikel 256/8. (01/09/2014- ...)

Aan de medewerkers van de examencommissie, uitgezonderd zij die met een verlof wegens bijzondere opdracht bij de examencommissie zijn tewerkgesteld zoals vermeld in het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel Gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel gesubsidieerd onderwijs, worden de volgende vergoedingen toegekend :
1° ...
2° examinator, belast met het afnemen van examens : 15 euro per uur;
3° corrector, belast met het verbeteren van schriftelijke examens : 15 euro per uur;
4° toezichter, belast met het toezicht op het verloop van schriftelijke examens : 10 euro per uur.

Deze bedragen worden jaarlijks vanaf 1 november als volgt aangepast : de bedragen worden vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.

Artikel 256/9. (01/10/2012- ...)

De examencommissie stelt een jaarverslag op dat wordt ingediend bij de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.

Artikel 256/10. (01/10/2012- ...)

De examencommissie wordt om de vijf jaar geëvalueerd door de onderwijsinspectie. Het evaluatieverslag, met eventuele voorstellen tot bijsturing, wordt bezorgd aan de Vlaamse Regering.

[HOOFDSTUK 4. Screening niveau onderwijstaal (ing. decr. 19 juli 2013, art. III.57, I: 1 september 2014)]

Artikel 256/11. (01/09/2016- ...)

§ 1. Voor elke leerling die voor het eerst in het voltijds gewoon secundair onderwijs instroomt, voert de school een verplichte screening uit die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden en gebeurt met een valide en betrouwbaar screeningsinstrument.

Indien de resultaten van deze screening daar aanleiding toe geven, treft de school maatregelen die aansluiten bij de beginsituatie en de specifieke noden van de betrokken leerling inzake de onderwijstaal.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer zoals bepaald in artikel 3, 2° /1. Voor deze leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal.

DEEL V. SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS

[TITEL 1. BEGRIPPEN (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.18, I: 1 september 2014)]

Artikel 257. (01/09/2014- ...)

Voor de toepassing van dit deel V wordt verstaan onder:
1° klassenraad: geheel van leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel die voorzien in het onderwijs en de opvoeding van de leerlingen en de verantwoordelijkheid dragen voor de klas. De klassenraad wordt voorgezeten door de directeur of zijn afgevaardigde;
2° pedagogische eenheid: leerlingen, behorende tot eenzelfde of tot verschillende types van buitengewoon onderwijs, tijdelijk of permanent gegroepeerd om opvoeding en onderwijs te krijgen aangepast aan hun onderwijsbehoeften.

Artikel 258. (01/09/2014- ...)

...

TITEL 2. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2, 3 EN 4

HOOFDSTUK 1. Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4

Afdeling 1. Structuur en organisatie

Artikel 259. (01/09/2018- ...)

§ 1. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende types:
1° type basisaanbod, voor jongeren voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curricu- lum in een school voor gewoon onderwijs;
2° type 2, voor jongeren met een verstandelijke beperking.
Jongeren met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria:
a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest dat twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
b) ze hebben significante beperkingen in het adaptief gedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor adaptief gedrag, die twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;
d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;
3° type 3, voor jongeren met een emotionele of gedragsstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
Jongeren met een emotionele of gedragsstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;
b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;
c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';
d) een angststoornis;
e) een stemmingsstoornis;
f) een hechtingsstoornis;
4° type 4, voor jongeren met een motorische beperking.
Jongeren met een motorische beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald:
a) de functies van gewrichten en beenderen;
b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van:
1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;
2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;
3) de romp;
4) overige;
c) de bewegingsfuncties;
d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
5° type 5, voor jongeren die opgenomen zijn in een universitair ziekenhuis, een residentiele setting of verblijven in een preventorium.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, aan verbonden kan zijn.
Jongeren in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden:
a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat het niet toe dat de jongeren voltijds in een school aanwezig zijn;
b) de jongeren hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;
6° type 6, voor jongeren met een visuele beperking.
Jongeren met een visuele beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria:
a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk aan 3/10 voor het beste oog is;
b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;
c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.
Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.
Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.
Onder oftalmoplegie wordt verstaan: verlamming van de oogspieren.
Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;
d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;
e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
7° type 7, voor jongeren met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.
Jongeren met een auditieve beperking zijn jongeren die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:
a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;
b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;
c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.
Jongeren met een spraak- of taalstoornis zijn jongeren zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team, met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie wordt vastgesteld;
8° type 9, voor jongeren met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
Jongeren met een autismespectrumstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
a) de autistische stoornis;
b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

§ 2. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende opleidingsvormen, waarin telkens bepaalde types afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden georganiseerd:
1° opleidingsvorm 1, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval op arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 1;
2° opleidingsvorm 2, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en op tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 2;
3° opleidingsvorm 3, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu. Jongeren met een verslag voor type basisaanbod, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 3;
4° opleidingsvorm 4, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren, al dan niet in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, en op het aanvatten, binnen de context van het gemeenschappelijk curriculum, van vervolgonderwijs of op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, al dan niet met ondersteuning. Jongeren met een verslag voor type 3, 4, 5, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 4.

§ 3. De Vlaamse Regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.

§ 4. Een inschrijving in het type basisaanbod buitengewoon onderwijs wordt op het einde van de opleidingsfase geëvalueerd door de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding. Het CLB informeert de ouders en de leerling op een actieve wijze over de onderstaande mogelijkheden.

Als de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, en in overleg met de ouders en de leerling beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, dan :
1° heft het centrum voor leerlingenbegeleiding, naargelang de situatie, het verslag op, maakt het een gemotiveerd verslag op of past het bestaande verslag aan op basis van de reële noden van de leerling. Deze aanpassing aan het verslag kan gebeuren met een addendum, voorzien van de datum van opmaak;
2° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het centrum voor leerlingenbegeleiding de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon onderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een gemotiveerd verslag of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen;
3° maken de betrokken scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding, de ouders en de leerling, afspraken met het oog op de eventuele ondersteuning, vermeld in artikel 314/8;
4° ontvangt de leerling een studieadvies van de klassenraad van de school voor buitengewoon secundair onderwijs.

Als de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, en in overleg met de ouders en de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, motiveert het centrum voor leerlingenbegeleiding dat in het verslag conform artikel 294, § 2 tot en met § 10. De motivering kan worden opgenomen in een addendum, voorzien van de datum van opmaak. De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs kan dan verlengd worden.

Artikel 260. (01/09/2014- ...)

De klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, brengt voor iedere leerling gemotiveerd advies uit bij de overgang van de ene opleidingsvorm naar de andere, maar het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist over een eventuele wijziging van het verslag.

De klasvorming en de vorming van de pedagogische eenheden gebeurt eveneens door de klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, rekening houdend met de mogelijkheden en de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerlingen.

Artikel 260/1. (01/09/2017- ...)

De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling. Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school in dezelfde opleidingsvorm en in dezelfde administratieve groep voor buitengewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :
a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :
a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
b) de invulling van de samenwerking;
c) de looptijd van de samenwerking;
d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;
7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;
8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.

[Afdeling 2. Doelen en individuele handelingsplannen (verv. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]

[Onderafdeling 1. Doelen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]

Artikel 261. (19/03/2018- ...)

De ontwikkelingsdoelen van opleidingsvorm 3 die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling treden progressief in werking.

Artikel 262. (19/03/2018- ...)

§ 1. Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die wenselijk zijn voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes bij de leerlingen na te streven in zoverre deze zijn opgenomen in het handelingsplan, zoals bepaald in artikel 267. Daarnaast kan de school nog extra doelen met de leerlingen nastreven.

Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van de scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen via de handelingsplanning.

§ 2. De ontwikkelingsdoelen van opleidingsvorm 3 worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:
1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;
2. competenties in het Nederlands;
3. competenties in andere talen;
4. digitale competentie en mediawijsheid;
5. sociaal-relationele competenties;
6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;
7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven;
8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;
9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;
10. competenties inzake duurzaamheid;
11. economische en financiële competenties;
12. juridische competenties;
13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken;
14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;
15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;
16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.

§ 3. De ontwikkelingsdoelen worden afzonderlijk bepaald voor:
1° opleidingsvorm 1 en 2;
2° opleidingsvorm 3.

§ 4. In het geval een opleiding van opleidingsvorm 3 voor één of meer leerlingen tot een onderwijskwalificatie niveau 2 leidt, dienen de ontwikkelingsdoelen overeen te komen met de eindtermen voor de tweede graad, arbeidsmarktfinaliteit, en dient dit door de klassenraad gestaafd te worden in het leerlingendossier vooraleer de klassenraad de desbetreffende onderwijskwalificatie kan toekennen.

§ 5. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare ontwikkelingsdoelen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.

§ 6. In afwachting van ontwikkelingsdoelen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen van toepassing.

Artikel 263. (19/03/2018- ...)

Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie zijn er geen ontwikkelingsdoelen.

Artikel 264. (19/03/2018- ...)

De ontwikkeling van ontwikkelingsdoelen wordt gecoördineerd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal aan sober geformuleerde duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare ontwikkelingsdoelen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en indien van toepassing, attitudes aan bod komen. Ze duidt tevens het belang en de uitgangspunten ervan aan.

De ontwikkelde ontwikkelingsdoelen worden door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde ontwikkelingsdoelen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd. De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie, en evalueerbaarheid van de ontwikkelingsdoelen.

De ontwikkelingsdoelen worden door de Vlaamse Regering als ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.

De ontwikkelingsdoelen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De Vlaams Regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.

Artikel 265. (19/03/2018- ...)

De bepalingen van artikel 146 met betrekking tot een aanvraag tot afwijking op de doelen in het gewoon onderwijs, zijn eveneens van toepassing op ontwikkelingsdoelen in het buitengewoon secundair onderwijs.

[Onderafdeling 2. Doelen van opleidingsvorm 4 (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]

Artikel 266. (19/03/2018- ...)

Voor opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn de bepalingen van artikel 138 tot en met 147/3 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het onthaaljaar.

[Onderafdeling 3. Individuele handelingsplannen in alle opleidingsvormen (ing. decr. 26 januari 2018, art. 7, I: 19 maart 2018)]

Artikel 267. (19/03/2018- ...)

Voor één of meer leerlingen samen wordt op basis van hun opvoedings- en onderwijsbehoeften een in omvang beperkt handelingsplan opgemaakt. Dit plan bevat voor een bepaalde periode de pedagogisch-didactische planning.

In de opleidingsvormen 1, 2 en 3 bevat het handelingsplan ook de doelen die de klassenraad voor die leerlingen wil nastreven, uitgaande van de doelen van de betrokken opleidingsvorm of structuuronderdeel. Andere doelen van het gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs kunnen eveneens worden opgenomen. De klassenraad kiest de doelen die het handelingsplan bevat in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en, zo mogelijk, in samenspraak met de ouders, de leerlingen en eventueel andere betrokkenen.

Het handelingsplan geeft in voorkomend geval weer hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd.

Afdeling 3. Programmatie en rationalisatie

Onderafdeling 1. Begrippen en inleidende bepalingen

Artikel 268. (01/09/2014- ...)

§ 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° Regelmatige leerling : de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden en, waar het voorzien is, aan de overgangsvoorwaarden en die regelmatig de activiteiten volgt, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid;
2° Bevolkingsdichtheid van een arrondissement : de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die berekend werd ten gevolge van de laatst uitgevoerde volkstelling en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2.

De bevolkingsdichtheid, in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende arrondissementen, wordt vastgesteld op basis van volgende berekening : de totale bevolking van deze arrondissementen worden gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km2. 

§ 2. De scholen van het buitengewoon onderwijs worden, naargelang van het schoolbestuur waarvan zij afhangen, voor de toepassing van deze afdeling ingedeeld in de volgende groepen :
- scholen van het gemeenschapsonderwijs;
- gesubsidieerde officiële scholen;
- gesubsidieerde vrije katholieke scholen;
- gesubsidieerde vrije protestantse scholen;
- gesubsidieerde vrije israëlitische scholen;
- gesubsidieerde vrije islamitische scholen;
- gesubsidieerde vrije orthodoxe scholen;
- gesubsidieerde vrije anglicaanse scholen;
- gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen.

§ 3. In geval van overmacht wordt de tijdelijke overbrenging van een school of vestigingsplaats niet gelijkgesteld met een nieuwe oprichting.

In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven. (267)

Artikel 269. (01/09/1986- ...)

Aan de rationalisatie of programmatie wordt per taalstelsel uitvoering gegeven. (268)

Artikel 270. (01/09/1986- ...)

Voor de toepassing van deze afdeling wordt bij de rekenkundige bewerkingen op de schoolbevolkingsminima het eindresultaat afgerond tot de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is. (269)

Artikel 271. (01/09/2014- ...)

Zonder afbreuk te doen aan artikel 286 worden voor de toepassing van de bevolkingsminima de regelmatige leerlingen in aanmerking genomen, die op 1 oktober voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 291 tot en met 295.

Artikel 272. (01/09/2014- ...)

...

Artikel 273. (01/09/2014- ...)

...

Onderafdeling 2. Fusie

Artikel 274. (01/09/2017- ...)

§ 1. De fusie van scholen kan worden doorgevoerd onder volgende voorwaarden :
1. De fusie geschiedt :
- ofwel door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;
- ofwel door de samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één van de betrokken scholen blijft bestaan die de andere school of scholen opslorpt.
2. De fusie wordt zowel uit oogpunt van de administratieve, als van pedagogische organisatie in éénmaal tot stand gebracht.
Zij sluit in dat er nog slechts één schoolbestuur en één schooldirectie is.
3. De fusie moet ingaan uiterlijk op 1 oktober van het lopende schooljaar.
4. De fusie wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie uiterlijk op 1 april van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

§ 2. De scholen gefinancierd of gesubsidieerd in functie van artikel 286 kunnen in de periode van programmatie geen beroep doen op de bepalingen van § 1 van dit artikel.

§ 3. De school ontstaan uit een fusie wordt niet beschouwd als een oprichting van een nieuwe school.

§ 4. Voorafgaand aan de vrijwillige fusie per 1 september, dient het schoolbestuur uiterlijk op 1 april, een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Bij een gedwongen fusie dient het schoolbestuur uiterlijk op 30 september voorafgaand aan de gedwongen fusie per 1 oktober een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Artikel 275. (01/09/2014- ...)

Een school die ontstaat uit fusie kan verschillende vestigingsplaatsen hebben.

Onderafdeling 3. Rationalisatie

Artikel 276. (01/09/2014- ...)

Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 ten minste 15 leerlingen tellen.

Deze bepaling is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.

Artikel 277. (01/09/2016- ...)

§ 1. Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 aan de bevolkingsminima voldoen bepaald in § 4 van dit artikel.

Voor de ziekenhuisscholen wordt de datum bepaald in artikel 271 gelijkgesteld aan de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 oktober van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt en de berekeningswijze gebaseerd op de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen.

§ 2. In de scholen voor secundair onderwijs met meer dan één opleidingsvorm wordt het bevolkingsminimum bepaald door de som te maken van de bevolkingsminima, zoals bepaald in § 4 van dit artikel, van de opleidingsvormen die in de school gefinancierd of gesubsidieerd zijn.

§ 3. De rationalisatienormen, zoals bepaald in § 4 van dit artikel, worden toegepast op de globale bevolking van al de vestigingsplaatsen. Het hoofdgebouw wordt daarbij in aanmerking genomen als vestigingsplaats.

§ 4. De minima worden voor de verschillende opleidingsvormen afzonderlijk vastgesteld als volgt :

Opleidingsvorm

Bevolkingsminimum

1

7

2

12

3

24

4

12


§ 5. Het aantal leerlingen van type 6 in alle opleidingsvormen, van type 7 in opleidingsvorm 1 en 4, en van type 3, opleidingsvorm 3 wordt met 2 vermenigvuldigd om de norm te bereiken bepaald in paragraaf 4 van dit artikel.

Artikel 278. (01/09/1986- ...)

In afwijking van artikel 277 worden de minima verminderd met één vierde :
- voor de scholen, gelegen in arrondissementen met een bevolkingsdichtheid van minder dan 75 inwoners/km2;
- voor de scholen met het Nederlands als onderwijstaal, die gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. (277)

Artikel 279. (01/09/1986- ...)

§ 1. In afwijking van de artikelen 277 en 281, § 1, kan, indien in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad geen enkele school van een bepaalde groep met het Nederlands als onderwijstaal, de rationalisatienormen voorzien in deze afdeling bereikt, één school van deze groep in dit arrondissement de georganiseerde opleidingsvormen en haar volledige structuur behouden op voorwaarde dat ze ten minste 15 leerlingen telt, ongeacht de bevolking per opleidingsvorm.

§ 2. Indien meerdere scholen hiervoor in aanmerking komen dan blijft de school met het grootste aantal regelmatige leerlingen op 1 oktober verder bestaan. (278)

Artikel 280. (01/09/2018- ...)

§ 1. Elke school met verschillende opleidingsvormen, die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen beneden de normen gesteld bij dezelfde artikelen ligt, mag deze opleidingsvormen behouden wanneer de bevolking van elke opleidingsvorm afzonderlijk niet minder bedraagt dan 2/3 van deze norm.

§ 2. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm gesteld in § 1 van dit artikel niet bereikt, moet de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) met ingang van 1 oktober van dit tweede schooljaar afschaffen of de school moet vanaf dezelfde datum fusioneren.

§ 3. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen, die gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet het totaal van de norm bereikt met toepassing van de artikelen 277 en 278, maar waarvan elke opleidingsvorm de norm bereikt gesteld in § 1, van dit artikel, moet uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) afschaffen, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van artikel 276 moet elke school die slechts opleidingsvorm 3 inricht, en die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van de artikelen 277 en 278, niet bereikt maar waarvan de bevolking niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm die daarop toepasselijk is, uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar afgeschaft worden ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.

§ 5. In een school met verschillende opleidingsvormen, waar opleidingsvorm 3 afgeschaft moet worden krachtens deze afdeling en waar binnen deze opleidingsvorm slechts één opleiding bestond, mag deze opleiding geleidelijk opgeheven worden, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, op voorwaarde dat binnen een afstand van 20 km geen enkele school van dezelfde groep deze opleiding organiseert.

Artikel 281. (01/09/2016- 31/08/2019)

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 276 dient de bevolking in de opleidingsvorm 3 van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, om het hieronder bepaald aantal opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen te behouden, aan volgende minima te voldoen :

opleiding of samenhangend geheel van opleidingen

Bevolkingsminimum

2

32

3

48

4

64

 

en één bijkomende opleiding of samenhangend geheel van opleidingen per reeks van 16 leerlingen.

§ 2. Bij deze berekening worden de in aanmerking komende leerlingen van de types 3, 6 en 7 vermenigvuldigd met 2.

§ 3. Voor de scholen bedoeld in artikel 278, die opleidingsvorm 3 organiseren, wordt de minimum schoolbevolking vereist voor 2 opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen bepaald op 24.

§ 4. Gedurende de periode van omvorming van de in de vroegere structuur georganiseerde opleidingen naar de nieuwe structuur van opleidingen en de samenhangende gehelen van opleidingen worden de bevolkingsminima van de opleidingen berekend door de leerlingen van de oude opleidingen samen te tellen met die van de correspon- derende nieuwe opleidingen of het nieuwe samenhangend geheel van opleidingen.

Artikel 282. (01/09/2014- 31/08/2019)

In afwijking van artikel 276 moet de school die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van artikel 281 niet bereikt, uiterlijk met ingang van 1 oktober van dit tweede schooljaar, de niet meer te financieren of te subsidiëren opleiding of samenhangend geheel van opleidingen geleidelijk opheffen, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, ofwel moet de school fusioneren.

Artikel 283. (01/09/2014- ...)

Indien voor een bepaalde opleidingsvorm in een bepaalde provincie of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en per taalstelsel geen enkele school van een bepaalde groep de rationalisatienorm voorzien in deze afdeling bereikt, dan mag één school van deze groep in deze provincie of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en dit taalstelsel de opleidingsvorm behouden op voorwaarde dat de totale schoolbevolking van 15 leerlingen bereikt wordt.

Artikel 284. (01/09/2018- ...)

Als op de datum bepaald in artikel 271 de voor een school of een opleidingsvorm toepasbare rationalisatienorm niet wordt bereikt, kan die school of opleidingsvorm vanaf het daaropvolgende schooljaar niet meer worden gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de school fuseert en daardoor aan de toepasbare rationalisatienormen voldoet.

In afwijking van het voorgaande lid kan de school verder voortbestaan, na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur moet hiertoe een gemotiveerde afwijkingsaanvraag indienen, met daarin een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid aantoont, rekening houdend met het lokale aanbod.

Artikel 285. (01/09/2014- 31/08/2019)

In een vestigingsplaats ontstaan door fusie met toepassing van artikel 275 kunnen alleen de opleidingsvormen en opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen die er bestonden vóór de fusie verder georganiseerd blijven.

Onderafdeling 4. Programmatie

Artikel 285/1. (01/09/2017- ...)

De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, en de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing.

Artikel 286. (01/04/2014- ...)

§ 1. Per 1 september kan een school worden opgenomen in de financiering of subsdiëring indien op de datum bepaald in artikel 271 aan de drie volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° ten minste 2 opleidingsvormen organiseren;
2° voor elke opleidingsvorm afzonderlijk 150 % van de rationalisatienorm, bepaald in de artikelen 277, 278 en 281 van deze afdeling bereiken;
3° ten minste : het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 250 %, en het derde jaar 300 %,
van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278, voor elke gefinancierde of gesubsidieerde opleidingsvorm bereiken.

§ 2. Worden deze minima niet bereikt, dan moet(en) hetzij de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) hetzij de school met ingang van 1 september daaropvolgend worden opgeheven.

§ 3. Met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen van de rationalisatie van toepassing.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur die een nieuwe school wil oprichten met enkel opleidingsvorm 4 dit eveneens doen.

§ 5. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met paragraaf 4 moet een schoolbestuur dat een nieuwe school wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier;
2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de nieuwe school. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs.
Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;
3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe school;
4° de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot de nieuwe school worden in het dossier weergegeven.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 6. De oprichting vanaf 1 september van een nieuwe school kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

Artikel 287. (01/09/2014- 31/08/2019)

§ 1. Elke school die voldoet aan de rationalisatienormen, bepaald bij de artikelen 276 tot en met 278 mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten.

§ 2. In de vestigingsplaatsen bedoeld in paragraaf 1 kunnen uitsluitend al in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht, tenzij er nieuwe opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht.

§ 3. Onverminderd de bepalingen in paragraaf 1 en paragraaf 2 kan een school van opleidingsvorm 4, type 5, pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de Vlaamse Regering.

Artikel 288. (01/09/2014- ...)

In afwijking van artikel 286 is de financiering of subsidiering van een school voor buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, op 1 september 2014 mogelijk, zonder een bijkomende programmatie of programmatienorm, op voorwaarde dat deze school van opleidingsvorm 4, type 5:
1° ofwel gehecht is aan een universitair ziekenhuis, en daar tot 31 augustus 2014 een secundaire afdeling was van een school voor buitengewoon basisonderwijs type 5;
2° ofwel gehecht is aan een residentiële setting, die valt onder toepassing van artikel 289/1.

Artikel 289. (01/09/2017- 31/08/2019)

§ 1. Bij beslissing van het schoolbestuur kan een bestaande school die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september :
1° een bestaande opleidingsvorm 1 of 2 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm volledig en gelijktijdig wordt opgeheven en dat, op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
2° een bestaande opleidingsvorm 3 of 4 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm, op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
3° een bestaande opleiding of samenhangend geheel van opleidingen in opleidingsvorm 3 die beantwoordt aan de rationalisatienorm omvormen tot een andere opleiding of samenhangend geheel van opleidingen, op voorwaarde dat de bestaande opleiding of samenhangend geheel van opleidingen gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, voldaan wordt aan de normen voorzien in artikel 281;
4° deze omvormingen voorzien in de punten 1°, 2° en 3° van deze paragraaf moeten doorgevoerd worden in al de vestigingsplaatsen van de school waar deze opleidingsvorm of deze opleiding of samenhangend geheel van opleidingen wordt georganiseerd;
Omvormingen van een bestaande opleidingsvorm naar opleidingsvorm 4, zoals voorzien in de punten 1° en 2° van deze paragraaf zijn slechts mogelijk indien een school een samenwerkingsovereenkomst kan voorleggen met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)len van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1. Tijdens de periode van omvorming kunnen in de opleidingsvorm of de opleiding, die opgeheven wordt, enkel leerlingen worden ingeschreven in de leerjaren, die gelet op de progressieve opheffing, nog niet zijn opgeheven. Leerlingen die deze opleidingsvorm of deze opleiding in deze school reeds volgden, mogen hun opleiding daarin beëindigen.
5° een opleidingsvorm 1, 2 of 3 oprichten op voorwaarde dat, op de datum bepaald in artikel 271 :
- het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
- 250 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277 en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.
Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing;
6° een opleidingsvorm 4 oprichten, op voorwaarde dat op de datum bepaald in artikel 271 :
- het vorig schooljaar tenminste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
- 125 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277, § 5, en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.
Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

§ 2. Per provincie of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en per groep en per taalstelsel kan in een bestaande school een opleidingsvorm gefinancierd of gesubsidieerd worden op voorwaarde dat op de datum die in artikel 271 wordt bepaald aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
- dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;
- het vorig schooljaar tenminste het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
- voor elk van de nieuw georganiseerde opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 bereiken.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 1°, 2° en 3° van dit artikel zijn tijdens de periode van programmatie niet van toepassing voor de opleidingsvormen opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig deze paragraaf.

§ 3. In een bestaande school die een opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan :
- een tweede opleiding of samenhangend geheel van opleidingen worden opgericht wanneer de opleidingsvorm 24 leerlingen telt;
- een derde opleiding of samenhangend geheel van opleidingen indien hij 90 leerlingen telt;
- een vierde opleiding of samenhangend geheel van opleidingen wanneer hij 140 leerlingen telt.

Vervolgens mag een bijkomende opleiding of samenhangend geheel van opleidingen opgericht worden per bijkomende schijf van 25 leerlingen.

Elke nieuwe opleiding of samenhangend geheel van opleidingen dient gedurende twee opeenvolgende schooljaren op de datum vermeld in artikel 271 te voldoen aan de overeenkomstige norm.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen van de rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 3°, van dit artikel zijn niet van toepassing tijdens de periode van programmatie van de opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen gefinancierd of gesubsidieerd overeenkomstig deze paragraaf.

§ 4. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragraaf 2, moet een schoolbestuur dat één of meer nieuwe opleidingsvormen wil oprichten een oprichtingsdossier indienen.
Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de school met de nieuwe opleidingsvorm 4. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.
Dit punt is niet van toepassing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. Voor een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, onder toepassing van paragraaf 2, is een samenwerkingsovereenkomst, zoals hierboven vermeld, wel verplicht;
3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe opleidingsvorm(en);
4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe opleidingsvorm(en) worden in het dossier weergegeven.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het pro- grammatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad is geen element in deze beslissing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.

Artikel 289/1. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 289 kan een op 31 augustus 2014 bestaande school van buitengewoon secundair met opleidingsvorm 1, type 4, die verbonden is aan een revalidatiecentrum, per 1 september 2014 de gehele opleidingsvorm 1, type 4, omvormen tot een opleidingsvorm 4, type 5. Het schoolbestuur meldt dit uiterlijk op 1 juli 2014 aan AgODi.

Artikel 290. (01/09/2018- ...)

...

Artikel 290/1. (01/09/2015- ...)

§ 1. In afwijking van de artikelen 286 en 289 wordt de oprichting van een nieuwe type ook als een programmatie beschouwd.

De school hertelt op de datum, vermeld in artikel 271, indien er effectief leerlingen van het nieuwe type zijn op die datum en voldaan is aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2.

Indien simultaan een nieuwe school wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de school voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 286.

Indien simultaan een nieuwe opleidingsvorm of een nieuwe opleiding wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de opleidingsvorm en de opleiding voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 289.

§ 2. In een school of opleidingsvorm kan een nieuw type worden opgericht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het schoolbestuur dient een programmatiedossier in dat ten minste voldoet aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
a) het schoolbestuur dient het dossier in na overleg binnen de schoolraad en in de wettelijk voorziene overlegorganen met het personeel;
b) het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste verblijfmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmo- gelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;
c) de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;
d) de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het programmatiedossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld;
2° de oprichting vanaf 1 september van het nieuwe type kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het programmatiedossier aan AgODi, dat de aanvraag voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

§ 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.

De oprichting van een type in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering.

HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4

Afdeling 1. Toelatingsvoorwaarden

Onderafdeling 1. Leeftijd

Artikel 291. (01/09/2014- ...)

Voor de toelating tot het buitengewoon secundair onderwijs komen in aanmerking personen met een handicap vanaf 13 jaar tot 21 jaar. Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen vroeger worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292, 1°, 2°.

Artikel 292. (01/09/2016- ...)

Kinderen en adolescenten kunnen als regelmatige leerling in een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden toegelaten op basis van een verslag dat opgesteld is zoals bepaald in artikel 294 :
1° na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken;
2° op gemotiveerd advies, opgenomen in het verslag, na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van twaalf jaar bereiken;
3° als ze meer dan eenentwintig jaar zijn en voldoen aan de bepalingen van één van de paragrafen van artikel 293.
4° als ze beschikken over een getuigschrift basisonderwijs.

Artikel 293. (01/09/2018- ...)

§ 1. Een klassenraad van een leerling aangewezen op opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, kan, indien zij hiertoe een schriftelijke verlengingsaanvraag krijgt van de betrokken personen, een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs in functie van het behalen van het attest. Dit is mogelijk indien deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Deze verlengingsaanvraag moet uiterlijk op 1 september voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is.

Een klassenraad kan de verlengingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, ofwel accepteren ofwel weigeren. De klassenraad kan daarbij ofwel voorrang geven aan leerlingen met een eerste aanvraag tot verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag, ofwel voorrang geven aan leerlingen met een context die meer ondersteuning noodzaakt boven leerlingen die een context hebben die minder ondersteuning noodzaakt. Leerlingen over wie de klassenraad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake de leeftijd. Leerlingen over wie een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd. Een leerling voor wie de gewenste ondersteuning in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap effectief opgestart is, komt niet in aanmerking voor verlengingen. Als de verlenging al aangevangen was voor de gewenste ondersteuning kon opstarten, kan de leerling ook verder ingeschreven blijven en zijn schooljaar afwerken, na de opstart van de gewenste ondersteuning, als de betrokken personen beoordelen dat het haalbaar is.

Een klassenraad kan ook beslissen om nooit verlengingen zoals hiervoor vermeld toe te staan. Als dit het geval is, neemt de school dat op in het schoolreglement.

§ 2. In afwijking van de voorgaande paragraaf worden de personen die voldoen aan één van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, door de klassenraad van rechtswege toegelaten tot het buitengewoon secundair onderwijs na de leeftijd van eenentwintig jaar:
1° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 3 of 4, die nog ten hoogste twee schooljaren nodig heeft na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, voor het behalen van een getuigschrift van opleidingsvorm 3 of het diploma van secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of het getuigschrift van alternerende beroepsoplei- ding;
2° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4, die ingevolge ziekte of ongeval in de loop van het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs een handicap of een bijkomende handicap heeft opgelopen als gevolg waarvan zich een ernstige regressie heeft voorgedaan en waarvoor de termijn waarbinnen de studie zal beëindigd zijn duidelijk is aangegeven;
3° een persoon met een handicap van meer dan eenentwintig jaar die voor het eerst of opnieuw in het buitengewoon secundair onderwijs wenst ingeschreven te worden, als deze persoon door een ongeval of ziekte hem overkomen in aanmerking kan komen voor een beroepsopleiding of training in compenserende vaardigheden in het buitengewoon secundair onderwijs.

§ 3. In afwijking van de voorgaande paragrafen kunnen de leerlingen, die toegelaten worden tot het gewoon onderwijs met ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs, ook na de leeftijd van eenentwintig jaar van rechtswege genieten van de voordelen de voormelde ondersteuning met toepassing van artikel 314/8.

[Onderafdeling 2. Verslag en attest (verv. decr. 21 maart 2014, art. III.46, I: 1 januari 2015)]

Artikel 294. (01/09/2018- ...)

§ 1. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, is een attest vereist, dat uitgereikt is ofwel door de behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële setting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.

§ 2. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon secundair onderwijs is het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een verslag door een centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, opgesteld met inachtname van artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
1° voor een inschrijving in opleidingsvorm 1, 2 of 3:
a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
c) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
d) dat de onderwijsbeh