Decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters

Datum 20/04/2012

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
    1. Afdeling 1. Afbakening en definities
    2. Afdeling 2. Doelstellingen en beginselen
  2. HOOFDSTUK 2. Vergunningsstelsel
    1. Afdeling 1. Vergunningsplicht
    2. Afdeling 2. Vergunningsvoorwaarden
  3. HOOFDSTUK 3. Subsidiëring
  4. HOOFDSTUK 4. Lokaal loket kinderopvang
  5. HOOFDSTUK 5. Vernieuwende projecten
  6. HOOFDSTUK 6. Handhaving
    1. Afdeling 1. Toezicht
      1. Onderafdeling 1. Toezichthouders
      2. Onderafdeling 2. Toezichtrechten
    2. Afdeling 2. Aanmaning
    3. Afdeling 3. Bestuurlijke maatregelen
    4. Afdeling 4. Bestuurlijke geldboete
  7. HOOFDSTUK 7. Gegevensverzameling en -verwerking
  8. HOOFDSTUK 8. Wijzigingsbepalingen
  9. HOOFDSTUK 9. Slotbepalingen

Inhoud

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Afbakening en definities

Artikel 1. (01/04/2014- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2. (01/01/2019- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° Kind en Gezin : het intern verzelfstandigd agentschap, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
2° kinderopvang : kinderopvang van baby's en peuters, namelijk het beroepsmatig en tegen betaling opvoeden, bijdragen aan de ontwikkeling en verzorgen van baby's en peuters tot ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan;
3° kinderopvanglocatie : een vestigingsplaats waar kinderopvang georganiseerd wordt;
4° organisator : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die kinderopvang organiseert;
5° verantwoordelijke : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kwaliteitsvolle werking van de kinderopvanglocatie dagelijks te regelen;
6° kinderbegeleider : de persoon die door de organisator is aangewezen om de kinderen op te voeden, bij te dragen tot hun ontwikkeling en hen te verzorgen;
7° startvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van kinderopvang moet voldoen voor de start van de werking van de kinderopvanglocatie om een vergunning te krijgen;
8° werkingsvoorwaarde : de voorwaarde waaraan een organisator van een vergunde kinderopvanglocatie moet voldoen om de vergunning te behouden;
9° lokaal bestuur : het gemeentebestuur en het bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Voor de gemeenten uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden de opdrachten van het lokaal bestuur opgenomen door de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
10° lokaal loket kinderopvang : neutraal informatie- en ondersteuningspunt voor gezinnen met een vraag naar kinderopvang, in de vorm van een netwerk van actoren die relevant zijn voor kinderopvang;
11° toezichthouder : de organisatie die één of meerdere toezichtperso(o)n(en) aanwijst om ter plaatse te laten vaststellen of de organisator de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan naleeft, om Kind en Gezin daarover te adviseren;
12° private toezichtpersoon : het personeelslid van de private toezichthouder dat toezicht houdt;
13° Zorginspectie : Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein;
14° tegelijk aanwezige kinderen : alle baby's, peuters en kinderen die naar de basisschool gaan, en wat de kinderen die deel uitmaken van het gezin van de kinderbegeleider gezinsopvang betreft tot het einde van de kleuterschool, die gelijktijdig in de kinderopvanglocatie aanwezig zijn;
15° zorgregio : zorgregio niveau kleine stad, vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio's en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen. De gemeenten behorend tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden beschouwd als één aparte zorgregio;
16° kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties;
17° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten;
18° private toezichthouder: een toezichthouder die is vormgegeven volgens het private vennootschaps- of verenigingsrecht.

Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als kinderopvang met betrekking tot baby's en peuters :
1° jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 2, § 1, 30°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
2° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
3° het bieden van gezondheidszorg aan kinderen;
4° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.

Afdeling 2. Doelstellingen en beginselen

Artikel 3. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse Gemeenschap beoogt met kinderopvang een dienstverlening aan gezinnen die een economische, pedagogische en sociale functie heeft, die kwaliteitsvol, beschikbaar, betaalbaar en rechtstreeks toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid, in aanvulling op de opvoeding van het kind in zijn gezin, met respect voor de draagkracht van het kind, zijn thuismilieu en de keuzevrijheid van het gezin.

Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang, recht op kinderopvang. De Vlaamse Gemeenschap beoogt tegen 2016 een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan drie jaar, en vanaf 2020 voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, binnen een afgesproken budgettair kader.

De kinderopvang wordt in de Vlaamse Gemeenschap uitgebouwd met als doel aan alle gezinnen die behoefte hebben aan kinderopvang binnen een redelijke termijn en op een redelijke afstand een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats te kunnen aanbieden.

Lokale loketten, zoals vermeld in artikel 13, moeten voor alle gezinnen de toegankelijkheid van kinderopvanglocaties, vermeld in het eerste lid, bevorderen.

Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, bepaalt de Vlaamse Regering in functie van de toegankelijkheid welke groepen bij voorrang kunnen gebruik maken van het aanbod waarvoor de organisator een subsidie ontvangt als vermeld in artikel 8 en 9.

De Vlaamse Regering houdt bij de programmatie van de vergunningen, zoals vermeld in artikel 8 en 9, rekening met een wetenschappelijk onderbouwde raming van de behoefte aan kinderopvang die minstens uitgaat van :
1° de vastgestelde nataliteit en de prognose van de toekomstige nataliteit in het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° het aantal kinderen dat kinderopvang gebruikt;
3° de gezinskenmerken en de werksituatie van gezinnen met niet-schoolgaande kinderen, vooral in het kader van de stimulering van de tewerkstellingsgraad;
4° het aantal plaatsen in vergunde kinderopvanglocaties en de bezetting ervan;
5° de kenmerken van de gemeente.

HOOFDSTUK 2. Vergunningsstelsel

Afdeling 1. Vergunningsplicht

Artikel 4. (29/08/2016- ...)

Een organisator moet over een of meer van de volgende vergunningen van Kind en Gezin beschikken om kinderopvang te kunnen organiseren :
1° vergunning voor gezinsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, voor maximaal acht tegelijk aanwezige kinderen;
2° vergunning voor groepsopvang, als de kinderopvang plaatsvindt buiten de gezinswoning van het kind, en er minimaal negen tegelijk aanwezige kinderen kunnen zijn;
3° vergunning voor opvang aan huis, als de organisator van kinderopvang uitsluitend kinderen in hun eigen gezinswoning opvangt.

Een natuurlijke persoon die kinderopvang organiseert in een kinderopvanglocatie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kan vrijwillig een vergunning aanvragen bij Kind en Gezin.

Een vergunning wordt toegekend door Kind en Gezin als uit passend onderzoek door een toezichthouder of door Kind en Gezin, zoals vermeld in artikel 16, blijkt dat de organisator van de kinderopvanglocatie voldoet aan de startvoorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Als de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, geldt een vergunning voor onbepaalde duur, met behoud van de toepassing van artikel 19.

De organisator meldt tijdig de tijdelijke of definitieve stopzetting van de kinderopvang of elke wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning aan Kind en Gezin en aan de gezinnen van de op te vangen kinderen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning en de wijziging van de vergunning, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen, evenals de procedure om een sanctie op te leggen als een stopzetting of een wijziging die gevolgen heeft voor de vergunning, niet of niet tijdig wordt gemeld.

Artikel 5. (01/04/2014- ...)

De vergunning voor groepsopvang en de vergunning voor gezinsopvang bevatten minstens de volgende gegevens :
1° de organisator;
2° de vestigingsplaats;
3° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, namelijk het maximaal toegestane aantal tegelijk aanwezige kinderen in de kinderopvanglocatie;
4° de datum van de toekenning van de vergunning.

De vergunning voor opvang aan huis bevat minstens de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1° en 4°.

De Vlaamse Regering kan bijkomende op te nemen gegevens bepalen.

Als de gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid, die op de uitgereikte vergunning staan, niet meer met de werkelijkheid overeenstemmen of als er anderszins aanleiding bestaat om die gegevens te wijzigen, moet een nieuwe of aangepaste vergunning worden aangevraagd volgens de procedure, vermeld in artikel 4, zesde lid.

Afdeling 2. Vergunningsvoorwaarden

Artikel 6. (11/08/2017- ...)

§ 1. De organisator voldoet voor zijn kinderopvanglocatie minstens aan alle voorwaarden met betrekking tot :
1° de infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
2° de veiligheid en de gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
3° de omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens :
a) het respecteren van de fysieke en de psychische integriteit van elk kind;
b) het niet discrimineren van kinderen en gezinnen. Er mogen geen voorwerpen of tekenen aanwezig zijn die blijk geven van discriminatie of die racistisch, xenofoob of onwettig zijn, als de aanwezige voorwerpen of tekenen een nadelige invloed op de kinderen kunnen hebben;
c) het pedagogische beleid en de pedagogische ondersteuning met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
d) de betrokkenheid en de participatie van de gezinnen, met inbegrip van de periodieke evaluatie van de tevredenheid van de gezinnen en de communicatie met de gezinnen, en met inbegrip van de informatie van Kind en Gezin over de vergunning;
e) het huishoudelijk reglement en de schriftelijke overeenkomst met de gezinnen;
4° de personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot :
a) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie, te volgen vorming en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
b) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, te volgen vorming, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens één van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
c) de persoon die in afwezigheid van de verantwoordelijke de taak van de verantwoordelijke als aanspreekpersoon overneemt, zoals zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
5° het organisatorische management van de kinderopvanglocatie, minstens de verantwoordelijkheidstoedeling, de leefgroepindeling, de financiële werking, het kwaliteitsbeleid en de klachtenbehandeling;
6° de samenwerking met Kind en Gezin, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur.

§ 2. Wat de vergunning voor gezinsopvang en voor opvang aan huis betreft, gaat de organisator, in aanvulling op de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, de draagkracht van de kinderbegeleider na. Onder draagkracht wordt verstaan: de bekwaamheid om aan kinderopvang te doen, rekening houdend met de fysieke en psychische conditie van de kinderbegeleider en met het geheel van ondersteunende en belastende factoren in de context van de kinderbegeleider, zoals gezinssituatie, sociaal netwerk en infrastructuur.

§ 3. De vergunningsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, gelden niet voor de organisator van opvang aan huis.

§ 4. De organisator beschikt voor zichzelf, voor de verantwoordelijke, voor de kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, over een uittreksel uit het strafregister als bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, of over een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit onberispelijk gedrag in de omgang met kinderen blijkt. Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon.

De organisator beschikt voor iedereen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, over een attest van medische geschiktheid.

Voor de vergunning voor opvang aan huis geldt deze voorwaarde voor de kinderbegeleider. Het uittreksel en het attest worden bewaard door de organisator.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en maakt daarbij een onderscheid tussen de startvoorwaarden en de werkingsvoorwaarden.

De Vlaamse Regering bepaalt de competenties voor kinderopvang.

§ 6. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 6, paragraaf 1, 2°, wordt vastgelegd in een attest over brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de kinderopvanglocatie gelegen is, met de medewerking van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten, die verschillen volgens de mate waarin de specifieke brandveiligheidsvoorschriften in acht genomen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten, de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan bovendien voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de organisatie van een kinderopvanglocatie mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over het afgeven of verlengen van een attest.

§ 7. De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.

HOOFDSTUK 3. Subsidiëring

Artikel 7. (01/04/2014- ...)

De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan een basissubsidie ontvangen van Kind en Gezin.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de basissubsidie, waaronder minstens de voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders [... zie arrest 97/2014 van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2014].

Artikel 8. (01/07/2018- ...)

§ 1. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van Kind en Gezin voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen die beantwoorden aan kenmerken die bij voorrang betrekking hebben op :
1° de werksituatie, met minstens het kenmerk dat kinderopvang noodzakelijk is om toegang te hebben tot de arbeidsmarkt of om een beroepsgerichte opleiding in het kader hiervan te kunnen volgen, en verder :
2° de financiële situatie;
3° de gezinssamenstelling:
4° de aanwezigheid van pleegkinderen, als bedoeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als bedoeld in artikel 2, 2°.

De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het eerste lid, 4°, of van een kind van een minderjarige tienermoeder, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de minderjarige.

§ 2. Behoudens de bepalingen in § 1 geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55 percent van hun opvangcapaciteit.

Om van deze voorrangsregel gebruik te kunnen maken, toont de ouder op een van de volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :
1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van een van de volgende stukken :
a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
4° door het voorleggen van het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
5° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de nadere regels voor de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen, met inbegrip van het principe dat de gezinnen betalen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen;
2° de voorrangsregels voor de toegang, vermeld in § 1 en § 2, waarbij absolute voorrang is in het kader van de werksituatie, de minimaal te behalen resultaten op dat vlak en de wijze waarop die resultaten worden gemeten;
3° de nadere regels voor de kenmerken, vermeld in § 1, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.

De Vlaamse Regering kan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. Voor gezinnen die een beroep doen op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die moet worden geacht wegens zijn organisatie uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap, en voor wie het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn geen beslissing neemt, kan de Vlaamse Regering de organisator ermee belasten om in individuele gevallen te beslissen over een vermindering van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, meer bepaald in welke gevallen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de organisator, in geval een beroep gedaan wordt op een organisator, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een beslissing kan nemen en waarover.

Kind en Gezin kan maatregelen nemen ten aanzien van de gezinnen die niet de correcte gegevens verstrekken, nodig voor de berekening van de prijs van de kinderopvang, of die een wijziging van die gegevens niet meedelen. Die maatregelen bestaan uit de bepaling van het juiste inkomenstarief voor de toekomst en uit het bepalen van een schadevergoeding ten laste van de contracthouder voor het verleden. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels, meer bepaald hoe dit juiste inkomenstarief gefactureerd zal worden ten aanzien van de contracthouder en hoeveel de schadevergoeding bedraagt. Kind en Gezin kan beslissen af te zien van deze schadevergoeding in geval van overmacht, goede trouw of indien sprake van behartenswaardige gevallen.

Artikel 9. (01/04/2014- ...)

De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 8, een subsidie ontvangen van Kind en Gezin voor de realisatie van kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen, waaronder de bestrijding van armoede in gezinnen, en voor de realisatie van toegang voor die gezinnen. Kwetsbare gezinnen zijn gezinnen die minstens beantwoorden aan verschillende van de hieronder vermelde basiscriteria :
1° de werksituatie;
2° de financiële situatie;
3° de gezinssamenstelling;
4° de gezondheid en de zorgsituatie;
5° het opleidingsniveau.

De Vlaamse Regering bepaalt de opdrachten en de regels, die minstens inhouden welke groepen bij voorrang toegang hebben tot kinderopvang met de subsidie, en dat de organisatoren van kinderopvang met de subsidie onderling en met het lokaal loket kinderopvang samenwerken met het oog op een opnamebeleid dat afgestemd is op kwetsbare gezinnen en tevens de basiscriteria, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.

Artikel 10. (01/04/2014- ...)

De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of met een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidies, vermeld in artikel 7, 8 en 9, een subsidie ontvangen van Kind en Gezin voor :
1° de organisatie van kinderopvang met flexibele openingstijden;
2° de organisatie van inclusieve kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
3° de ondersteuning van specifieke opdrachten;
4° de eenmalige ondersteuning van andere opdrachten.

Artikel 11. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin kan een subsidie toekennen aan :
1° de initiatiefnemer of de structuur die de organisatie van het lokaal loket kinderopvang op zich neemt voor de opdrachten, vermeld in artikel 13;
2° de organisator met een vergunning voor opvang aan huis.

Artikel 12. (29/08/2016- ...)

§ 1. De subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 11, kunnen alleen binnen de perken van het daarvoor vastgelegde budget worden toegekend.

De Vlaamse Regering legt de programmatieregels vast, minstens voor de subsidies vermeld in artikel 8, 9, en 10, 1° en 2°, waaronder het feit dat ze minstens per zorgregio worden toegekend, en bepaalt de nadere regels voor die subsidie.

§ 2. De beslissing over de subsidies, vermeld in artikel 7 tot en met 9, en artikel 10, 1° en 2°, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de organisator;
2° het aantal plaatsen waarvoor een subsidie wordt gegeven, dat nooit hoger kan liggen dan het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de toekenning en de wijziging van de subsidie, inclusief de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.

HOOFDSTUK 4. Lokaal loket kinderopvang

Artikel 13. (29/08/2016- ...)

Binnen een gemeente is er één lokaal loket kinderopvang met de volgende opdrachten :
1° de registratie van de vragen naar kinderopvang en van de voorkeur van gezinnen voor kinderopvangplaatsen coördineren, zodat een gezin maar één vraag hoeft te stellen over beschikbare opvangplaatsen;
2° gezinnen binnen een redelijke termijn informeren over beschikbare kinderopvangplaatsen en hen zo nodig in contact brengen met de kinderopvanglocaties, met aandacht voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen;
3° samenwerken met alle kinderopvanglocaties binnen het werkingsgebied, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met andere lokale loketten kinderopvang in functie van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2° ;
4° het lokaal bestuur of de lokale besturen, de organisatoren van kinderopvang en Kind en Gezin informeren over de vragen naar kinderopvangplaatsen.

Het lokaal loket kinderopvang krijgt gestalte doordat binnen het Lokaal Overleg Kinderopvang, dit is de gemeentelijke adviesraad inzake kinderopvang, ter uitvoering van artikel 6, § 3, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, een initiatiefnemer wordt aangewezen of een structuur wordt gecreëerd om het lokaal loket kinderopvang te organiseren. Elke lokale actor die relevant is voor kinderopvang, kan de organisatie op zich nemen. Als er geen initiatiefnemer wordt aangewezen of als er geen structuur wordt gecreëerd en een operationeel werkend lokaal loket kinderopvang ontbreekt, neemt het lokaal bestuur de organisatie ervan op zich.

Het lokaal loket kinderopvang kan betrekking hebben op verschillende gemeenten binnen de grenzen van de zorgregio.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

HOOFDSTUK 5. Vernieuwende projecten

Artikel 14. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om vernieuwende projecten inzake kinderopvang die niet onder de toepassing van de bepalingen in dit decreet vallen, te organiseren en te laten subsidiëren door Kind en Gezin.

HOOFDSTUK 6. Handhaving

Afdeling 1. Toezicht

Onderafdeling 1. Toezichthouders

Artikel 15. (01/01/2019- ...)

De Vlaamse Regering kan toezichthouders aanwijzen naast Zorginspectie. Dit gebeurt op basis van regels die de Vlaamse Regering heeft bepaald voor :
1° de toezichtopdracht;
2° de voorwaarden waaraan de private toezichthouder en de private toezichtperso(o)n(en) moeten voldoen, minstens met betrekking tot de vereiste expertise, de vereiste kwalificaties en de onafhankelijkheid ten opzichte van de organisator;
3° de voorafgaande machtiging door de Vlaamse Regering;
4° de controle op de private toezichthouder;
5° de prijs die voor het toezicht gevraagd wordt, en wie die prijs betaalt;
6° de verhouding met Zorginspectie en met Kind en Gezin.

Bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht draagt de private toezichtpersoon een legitimatiebewijs bij zich dat hij, op verzoek, meteen voorlegt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere inhoud en het model van het legitimatiebewijs en bepaalt ook welk bestuursorgaan het legitimatiebewijs uitreikt.
Kind en Gezin oefent toezicht uit op stukken.

Onderafdeling 2. Toezichtrechten

Artikel 16. (01/01/2019- ...)

De private toezichtpersoon beschikt over de volgende toezichtrechten, waarvan de private toezichtpersoon alleen gebruik maakt als dat relevant en noodzakelijk is om de toezichtopdracht te vervullen :
1° het recht op toegang in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang gedurende de openingstijden van de kinderopvanglocatie. De aanvraag van een vergunning bevat een toestemming van alle meerderjarige natuurlijke personen die de lokalen bewonen om controlebezoeken te laten uitvoeren in de bewoonde lokalen die voor kinderopvang dienen;
2° het recht om inzage te vorderen in documenten en andere informatiedragers die verband houden met kinderopvang. Daarvoor mag hij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die hij aanwijst. Hij mag zich van de documenten en andere informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als hij ter plaatse geen kopieën kan maken, mag hij de informatiedragers voor korte tijd meenemen om ze in te kijken of om ze te kopiëren, tegen afgifte van een schriftelijk ontvangstbewijs met een inventaris van de informatiedragers in kwestie;
3° het recht om vaststellingen te doen van mogelijke schendingen van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan in de ruimten die gebruikt worden voor kinderopvang, met behulp van audiovisuele middelen. Identificeerbare personen en voorwerpen mogen alleen op de audiovisuele middelen voorkomen als dat relevant en noodzakelijk is;
4° het recht van onderzoek van zaken, zoals het recht van monsterneming en analyse;
5° het recht om bij de uitoefening van zijn toezichtopdracht de bijstand van de politie te vorderen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

De private toezichtpersonen oefenen de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, staan de private toezichthouder en de private toezichtpersoon ervoor in dat de middelen die de private toezichtpersoon aanwendt, passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Artikel 17. (01/01/2019- ...)

De private toezichtpersoon maakt een verslag op van zijn toezichtbezoek en stelt, in voorkomend geval, inbreuken vast in een verslag van vaststelling. Als een kopie van de verslagen naar de organisator is gestuurd, hebben deze verslagen bewijswaarde tot het bewijs van het tegendeel.

De organisator heeft het recht om binnen een termijn van veertien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving schriftelijke opmerkingen over de inhoud van het verslag aan de private toezichthouder over te maken.

De private toezichthouder voegt de eventuele schriftelijke opmerkingen van de organisator bij het verslag van vaststelling dat hij aan Kind en Gezin bezorgt.

Op basis van het ontvangen verslag van vaststelling van de private toezichthouder onderneemt Kind en Gezin zo nodig verdere stappen volgens de bepalingen, vermeld in artikel 18 tot en met 22. Kind en Gezin stelt de organisator daarvan in kennis.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 2. Aanmaning

Artikel 18. (18/04/2019- ...)

Als wordt vastgesteld dat een organisator de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft, of het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert, wordt de organisator schriftelijk aangemaand door Kind en Gezin. Die aanmaning vermeldt een termijn waarbinnen de organisator moet voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen of aan de vereisten betreffende het toezicht en kan specifieke voorwaarden bevatten om te voldoen aan de niet-nageleefde bepalingen.

Bij dringende noodzakelijkheid kan die aanmaning achterwege gelaten worden en worden onmiddellijk bestuurlijke maatregelen genomen zoals vermeld in afdeling 3.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 3. Bestuurlijke maatregelen

Artikel 19. (01/01/2019- ...)

Kind en Gezin kan de vergunning wijzigen, schorsen of opheffen als de organisator :
1° de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft;
2° ...

De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die volgt op de datum van de kennisgeving van de beslissing tot schorsing, tot het moment waarop de organisator weer voldoet aan de bepalingen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.

Artikel 20. (01/01/2020- ...)

Kind en Gezin kan de subsidie verminderen, schorsen of stopzetten als de organisator:
1° de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft;
2° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhindert.

Kind en Gezin beslist tot terugvordering van de subsidie overeenkomstig artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, die minstens de mogelijkheid bevatten om een bezwaar in te dienen.

Artikel 21. (29/08/2016- ...)

Als de kinderopvanglocatie georganiseerd wordt zonder een vergunning van Kind en Gezin als vermeld in artikel 4, of als de vergunning wordt opgeheven, geeft Kind en Gezin een sluitingsbevel aan de organisator met vermelding van de datum waarop de sluiting ingaat. In geval van een imminent en ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de kinderen kan de sluiting onmiddellijk worden opgelegd.

Als de uitoefening van de kinderopvang opgeschort moet worden of als een kinderopvanglocatie moet sluiten, licht Kind en Gezin zo spoedig mogelijk de burgemeester van de gemeente van de kinderopvanglocatie daarover in.

De burgemeester gaat na of de opschorting of het sluitingsbevel wordt nageleefd. Als dat niet het geval is, gaat de burgemeester over tot sluiting van de kinderopvanglocatie. Die maatregel wordt op kosten en op risico van de organisator uitgevoerd. De burgemeester informeert Kind en Gezin over zijn vaststellingen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 4. Bestuurlijke geldboete

Artikel 22. (01/01/2019- ...)

Kind en Gezin kan een bestuurlijke geldboete van 100 tot 100.000 euro opleggen als de organisator :
1° het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht door de private toezichthouder verhindert;
2° kinderopvang organiseert zonder vergunning als vermeld in artikel 4;
3° de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft.

De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat Kind en Gezin het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete. De organisator mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.

De betrokkene kan, op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep, binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd tegen die beslissing beroep aantekenen met een verzoekschrift bij de Raad van State. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Als de betrokkene weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete.

Artikel 23. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin beheert het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en besteedt het ten voordele van de kinderopvangsector.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

HOOFDSTUK 7. Gegevensverzameling en -verwerking

Artikel 24. (25/05/2018- ...)

Kind en Gezin verwerkt in uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de volgende soorten persoonsgegevens :
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), van het kind in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en in het kader van de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
b) identificatiegegevens in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, het kenbaar maken van genomen maatregelen met betrekking tot de vergunning of subsidiëring, en de facturatie;
c) gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de handhaving van vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie en de programmatie;
d) gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie, de programmatie en de aanwezigheidsregistratie;
e) financiële gegevens en gegevens over de gezinssituatie in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de beleidsvoorbereiding en -evaluatie, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
g) gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
h) gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de handhaving van de subsidievoorwaarden en de beleidsvoorbereiding en -evaluatie;
2° van de organisatoren, de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de handhaving van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening, minstens een attest van medische geschiktheid en een uittreksel uit het strafregister;
b) de identificatiegegevens en de opleidingsgegevens;
c) de gegevens over crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
3° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).

De organisator verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de volgende soorten persoonsgegevens :
1° van het kind en van het gezin van het kind :
a) de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden;
b) de identificatiegegevens in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie en de facturatie;
c) de gegevens over de vraag naar kinderopvang in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
d) de gegevens over het gebruik van de kinderopvanglocatie door gezinnen in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de aanwezigheidsregistratie, de facturatie en het beleid van de kinderopvanglocatie;
e) de financiële gegevens en de gegevens over de gezinssituatie in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, de facturatie en de bepaling van de prijs van de kinderopvang voor de gezinnen;
f) de gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid in het kader van de subsidievoorwaarden en het beleid van de organisator met betrekking tot de kinderopvanglocatie;
2° van de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en eventuele andere medewerkers in het kader van de vergunnings- en subsidievoorwaarden, minstens :
a) de gegevens over gezondheid, vermeld in artikel 4, 15), van de voormelde verordening, en de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10 van de voormelde verordening, minstens een attest van medische geschiktheid en een uittreksel uit het strafregister;
b) de identificatiegegevens, de opleidingsgegevens en de gegevens over de draagkracht van de kinderbegeleiders;
3° van de personen, vermeld in punt 1° en 2° :
a) de gegevens over de omgang met crisissituaties in de kinderopvanglocatie;
b) de gegevens over de behandeling van klachten over de kinderopvanglocatie;
4° van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, de gegevens, vermeld in punt 2°, a).

De toezichthouder verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, minstens de persoonsgegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, in het kader van het toezicht op de vergunnings- en subsidievoorwaarden.

Het lokaal loket kinderopvang verwerkt ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan minstens de persoonsgegevens van het kind en van het gezin van het kind, meer bepaald de identificatiegegevens, gegevens over de vraag naar kinderopvang en gegevens over de maatschappelijke kwetsbaarheid van het kind en het gezin van het kind in het kader van de opdracht van het lokaal loket kinderopvang.

De bewaartermijn is tien jaar voor de gegevens over de klachten en crisissituaties, en vijf jaar voor de andere gegevens, vermeld in het eerste lid tot en met het vierde lid. Voor de gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de eventuele andere medewerkers begint de termijn te lopen vanaf het einde van hun tewerkstelling.

HOOFDSTUK 8. Wijzigingsbepalingen

Artikel 25. (01/04/2014- ...)

In artikel 2, 1°, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen worden de woorden « een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap » vervangen door de zinsnede « een organisatie die erkend of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergund is door de Vlaamse Gemeenschap ».

Artikel 26. (01/04/2014- ...)

In artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord « erkenningsnormen » vervangen door de zinsnede « erkenningsnormen of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunningsnormen ».

Artikel 27. (01/04/2014- ...)

In artikel 9 van hetzelfde decreet wordt het woord « erkenningsnormen » vervangen door de zinsnede « erkenningsnormen of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunningsnormen » en wordt het woord « erkenning » telkens vervangen door de zinsnede « erkenning of, wat kinderopvang van baby's en peuters betreft, vergunning ».

Artikel 28. (01/04/2014- ...)

In artikel 2, 2°, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, worden de woorden « de voorschoolse opvang van kinderen » vervangen door de woorden « kinderopvang van baby's en peuters ».

Artikel 29. (01/04/2014- ...)

In artikel 6 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
« § 1. De taak inzake de regie van kinderopvang omvat in elk geval :
1° de programmatie op operationeel niveau, op lokaal en regionaal niveau en op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap;
2° het stimuleren, toelaten, vergunnen, erkennen, subsidiëren en handhaven van kinderopvanglocaties;
3° het beheren van een informatie- en registratiesysteem om de vraag naar kinderopvang af te stemmen op het beschikbare aanbod aan kinderopvanglocaties en om registratiegegevens over de vraag, het aanbod, het gebruik en de subsidiëring van kinderopvang te verzamelen en te beheren;
4° de bevordering van de kwaliteit van kinderopvanglocaties;
5° het adviseren van de Vlaamse Regering over de kwalificaties en de competenties voor kinderopvang;
6° het beheren van het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten. ».

Artikel 30. (01/04/2014- ...)

In artikel 14, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « kinderen beneden de twaalf jaar opvangt » vervangen door de zinsnede « kinderen opvangt die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan ».

Artikel 31. (01/04/2014- ...)

Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Art. 15. Aan elke persoon die niet door de Vlaamse Regering van de meldingsplicht is vrijgesteld en die op bestendige wijze kinderen opvangt die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan, zonder dat aan het agentschap mee te delen, of aan elke persoon die de toegang, vermeld in artikel 14, tweede lid, weigert, kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd van 500 euro.

De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag dat Kind en Gezin het verslag van vaststelling van de toezichthouder ontvangt, en op voorwaarde dat de betrokken organisator de kans heeft gehad om gehoord te worden over de vermeende inbreuk en over de hoogte van de geldboete, waarbij de organisator zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.

De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van het beroep binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de Raad van State beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

Als de betrokkene weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het tweede lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de bestuurlijke geldboete. ».

Artikel 32. (01/04/2014- ...)

Aan artikel 24 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

« De bepaling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op kinderopvang, vermeld in het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters. ».

Artikel 33. (01/01/2014- ...)

In artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :

« De commissie heeft als opdracht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen en voor het gezondheidsbeleid, advies uit te brengen over het bezwaar tegen een van de volgende beslissingen die, met betrekking tot een voorziening van welzijn, volksgezondheid en gezin of een onderdeel ervan, door het departement of een agentschap van het beleidsdomein zijn genomen, of tegen het voornemen om een van de volgende beslissingen te nemen, dat door het departement of door het agentschap wordt geuit en formeel wordt betekend :
1° de weigering om een toelating, een vergunning of een erkenning te verlenen, te verlengen of te wijzigen;
2° de gedwongen wijziging, de schorsing, de opheffing of de intrekking van een toelating, een vergunning of een erkenning;
3° de sluiting;
4° de weigering, vermindering, stopzetting of terugvordering van een subsidie voor kinderopvanglocaties. »;

2° het derde lid wordt opgeheven.

Artikel 34. (01/01/2014- ...)

In artikel 15, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de woorden « artikel 10 » worden vervangen door de woorden « artikel 12 »;

2° de volgende zin wordt toegevoegd :

« De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de beslissing over het bezwaar. ».

Artikel 35. (01/04/2014- ...)

Het decreet van 7 mei 2004 houdende de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 9. Slotbepalingen

Artikel 36. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin, wordt die erkenning, die toestemming of dat attest van toezicht omgezet in een vergunning van Kind en Gezin als vermeld in artikel 4, met behoud van de toepassing van artikel 19.

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gesubsidieerd zijn door Kind en Gezin, wordt de subsidie omgezet in een subsidie als vermeld in artikel 7 tot en met 11, met behoud van de toepassing van artikel 19.

De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke voorwaarden en termijnen voor die omzetting, waarbij ook de samenhang geregeld wordt met de buitenschoolse kinderopvang, de kinderopvang van kinderen die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan.

De Vlaamse Regering bepaalt de overgangsbepalingen voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet gemeld zijn bij Kind en Gezin.

Artikel 37. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse Regering stelt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding vast met behoud van de toepassing van het tweede lid.

Dit decreet treedt uiterlijk op 1 januari 2015 in werking.