Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het verlenen van investeringssubsidies voor culturele infrastructuur met bovenlokaal belang

Datum 16/11/2012

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. [HOOFDSTUK 2. Subsidievoorwaarden voor grote culturele infrastructuur (verv. BVR 9 juni 2017, art. 3, I: 23 juli 2017)]
  3. [HOOFDSTUK 3. Subsidievoorwaarden voor sectorale prioriteiten (verv. BVR 9 juni 2017, art. 6, I: 23 juli 2017)]
    1. Afdeling 1. Prioriteiten
    2. Afdeling 2. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiëring
    3. Afdeling 3. Aanvraag en beoordeling
  4. HOOFDSTUK 4. Uitbetaling subsidie

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, artikel 51bis, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2001;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1999 tot regeling van het beheer en de werking van het Fonds Culturele Infrastructuur, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006;

Gelet op het advies van de Algemene Raad van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media, gegeven op 10 mei 2012;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 juli 2012;

Gelet op het advies 51.813/1/V van de Raad van State, gegeven op 4 september 2012 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (23/07/2017- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° aanvrager: de instantie of organisatie die als bouwheer de aanvraag indient voor de investeringssubsidie; voor de aanvragen van de investeringssubsidie, vermeld in artikel 7, 3° kunnen de aanvragen gecoördineerd worden ingediend;
2° andere overheden : lokale besturen, Vlaamse Gemeenschapscommissie, Vlaams Gewest, federale overheid, Europese Unie;
3° bovenlokaal belang: een werking ontplooien die het lokale en het interlokale niveau (een of enkele gemeenten) duidelijk overstijgt en beantwoordt aan de specifieke voorwaarden en de criteria voor de grote culturele infrastructuur of voor de sectorale prioriteiten;
4° culturele infrastructuur : onroerende accommodaties of roerende accommodaties die vast zijn door de bestemming ervan, bestemd voor activiteiten van een of meer sectoren binnen het jeugd-, kunst- en cultuurbeleid, zoals omschreven in artikel 4 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming van de Instellingen, onder de volgende punten :
- punt 1° : de bescherming en de luister van de taal;
- punt 3° : de schone kunsten;
- punt 4° : het cultureel patrimonium, de musea en de wetenschappelijk-culturele instellingen, met uitzondering van de monumenten en landschappen;
- punt 5° : de bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten;
- punt 7° : het jeugdbeleid;
- punt 8° : de permanente opvoeding en de culturele animatie;
5° het decreet : artikel 49 tot en met 54 in verband met het Fonds Culturele Infrastructuur (FoCI) van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 en de latere wijzigingen ervan;
6° het FoCI : de Vlaamse openbare instelling (VOI) van categorie A, « Fonds Culturele Infrastructuur » (FoCI), vermeldin artikel 49 van het decreet;
7° grote culturele infrastructuur: grote infrastructuur van hoog cultureel belang die van een uitzonderlijke omvang is en die zich daarbij richt tot de hele Vlaamse Gemeenschap of ruimer conform artikel 51bis, derde lid, van het decreet;
8° de minister : het lid van de Vlaamse Regering, bevoegd voor het Fonds Culturele Infrastructuur (FoCI);
9° investeringssubsidie : subsidie voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of verwerven van infrastructuur met bovenlokaal belang;
10° culturele infrastructuur van bovenlokaal belang: grote culturele infrastructuur of sectorale prioriteiten;
11° sectorale prioriteiten: de sectorale investeringssubsidies van specifieke sectoren die door de Vlaamse Regering als prioritair worden aangeduid conform artikel 51bis, zesde lid, van het decreet;
12° subsidiebeslissing : verbintenis om voor een investering een investeringssubsidie toe te kennen;
13° integraal toegankelijk: de kwaliteit van een ruimte, omgeving, object en dienstverlening die het mogelijk maakt dat iedereen die ruimte, die omgeving, dat object of die dienstverlening op een gelijkwaardige en onafhankelijke manier kan bereiken, betreden, gebruiken en begrijpen;
14° duurzaamheid: de kwaliteit van een infrastructuur die ze verkrijgt door minder fossiele brandstoffen te gebruiken in haar werking en door energiezuiniger te werken.

Artikel 2. (23/07/2017- ...)

Overeenkomstig artikel 51, 1° van het decreet van 19 december 1998 en binnen de perken van de goedgekeurde begroting kan de Vlaamse Gemeenschap via het FoCI investeringssubsidies verlenen voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of aankopen van culturele infrastructuur met bovenlokaal belang.

Dit besluit bepaalt de infrastructuurtypes waarvoor investeringssubsidies mogelijk zijn, de voorwaarden, de procedure voor de aanvraag en toekenning van subsidies en de uitbetalingsvoorwaarden en -procedure.

De investeringssubsidies hebben betrekking op grote culturele infrastructuur en op de sectorale prioriteiten.

Wat betreft de aankoop komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidiëring :
1° de aankoopprijs;
2° de registratie- en de notariskosten.

Wat betreft het bouwen, uitbreidenen verbouwen komen de volgende kosten inaanmerking :
1° het ereloon voor de opstellers van het ontwerp, de kosten voor de aanbesteding en de kosten voor het toezicht. Die kosten worden beschouwd als algemene kosten van de opdracht en worden forfaitair vastgesteld op maximaal 10 % van het bedrag van de raming van de bouwwerken;
2° de kosten voor de uitvoering van de bouwopdracht, van een energieaudit of van een toegankelijkheidsdoorlichting.

[HOOFDSTUK 2. Subsidievoorwaarden voor grote culturele infrastructuur (verv. BVR 9 juni 2017, art. 3, I: 23 juli 2017)]

Artikel 3. (23/07/2017- ...)

De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidiëring van grote culturele infrastructuur zijn :
1° het betreft infrastructuur die van een uitzonderlijke omvang is en waarin een culturele werking wordt gerealiseerd die zich richt tot de hele Vlaamse Gemeenschap of ruimer;
2° de aanvrager heeft een rechtspersoonlijkheid volgens het publiek recht of het privaat recht;
3° de infrastructuur ligt in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
4° minstens 40% van de aankoopkosten of van de bouwkosten wordt gedragen door subsidies van een andere overheid, door een inbreng in natura door andere overheden of door een inbreng van eigen middelen. De investeringssubsidie van het FoCI bedraagt nooit meer dan 60% van de aankoop- of bouwkosten. Onvoorwaardelijke subsidiebeloftes die afhankelijk gemaakt zijn van subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap, worden aanvaard;
5° het decreet van 23 december 1986 houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren of het decreet van 23 december 1986 houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot het Vlaamse Gewest behoren, worden nageleefd;
6° de functionele ruimten van het gebouw zijn integraal toegankelijk als vermeld in artikel 1, 13° ;
7° het project draagt bij tot de verhoging van de duurzaamheid van de accommodatie in kwestie, tot de verbetering van de ecologische impact en tot een energiezuinige exploitatie ervan als vermeld in artikel 7, tweede lid, 3°;
8° de aanvrager heeft een beschikkingsmacht over de infrastructuur als eigenaar. Als de aanvrager geen eigenaar is van de infrastructuur, maar huurder, erfpachter of gebruiker, bewijst hij een beschikkingsmacht voor minstens twintig jaar vanaf de datum van de subsidiebeslissing of vanaf de datum dat de aanvrager kan beschikken over de infrastructuur, als die laatste datum later valt. Als het project roerende goederen betreft, is een minimum van drie jaar vereist;
9° de aanvrager aanvaardt het toezicht op de besteding van de subsidie, de instandhouding, de renovatie en het onderhoud van de gesubsidieerde infrastructuur;
10° de aanvrager gaat de verbintenis aan tot de terugbetaling van de subsidie bij een vervreemding van de infrastructuur of bij een bestemmingswijziging ervan zonder het akkoord van het FoCI. Het bedrag van de terugbetaling wordt berekend, rekening houdend met een jaarlijkse afschrijving van 5 % als het project onroerende werken betreft en met een jaarlijkse afschrijving van 33 % als het project roerende goederen betreft. Bij vervreemding betaalt de aanvrager 60 % van de verwezenlijkte meerwaarde terug;
11° om de terugbetaling te waarborgen, kan het FoCI een zakelijke zekerheid vragen.

Artikel 4. (23/07/2017- ...)

Om voor een investeringssubsidie voor grote culturele infrastructuur in aanmerking te komen, dient de aanvrager een aanvraag in bij het FoCI.

Het Fonds Culturele Infrastructuur kan aanvullende inlichtingen opvragen.

Het projectvoorstel bevat :
1° de identificatie van de aanvrager en van de infrastructuur;
2° een beschrijving en motivatie van het investeringsproject;
3° een technische omschrijving van de voorgenomen werken (ruimten en afmetingen);
4° het investeringsplan (overzicht van de investeringsuitgaven) en het financieringsplan (overzicht van de inkomsten) van het project.

De aanvrager moet met het aanvraagdossier duidelijk bewijzen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor grote culturele infrastructuur vermeld in artikel 3.

De aanvraagdossiers worden technisch en administratief beheerd door het FoCI, in samenwerking met de administratie bevoegd voor de gesubsidieerde infrastructuur.

De aanvragen worden uiterlijk op 15 mei van het lopende kalenderjaar ingediend.

De aanvragen worden voor advies voorgelegd aan de dienst bevoegd voor infrastructuur van het departement CJM.

Op voordracht van de minister neemt de Vlaamse Regering een beslissing en neemt maatregelen om deze investeringssubsidies voor grote culturele infrastructuur in te schrijven in de begroting van het FoCI.

[HOOFDSTUK 3. Subsidievoorwaarden voor sectorale prioriteiten (verv. BVR 9 juni 2017, art. 6, I: 23 juli 2017)]

Afdeling 1. Prioriteiten

Artikel 5. (23/07/2017- ...)

De investeringssubsidie voor sectorale prioriteiten is bedoeld als tegemoetkoming in de investeringsuitgaven van specifieke sectoren binnen het jeugd-, kunst- en cultuurbeleid, zoals omschreven in artikel 4 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming van de Instellingen, waaraan de Vlaamse Regering tijdens een bepaalde periode prioritair investeringssubsidies verleent.

Tijdens de eerstvolgende periode van 5 jaar ( 2017 - 2021) wordt er prioriteit gegeven aan investeringen in:
1° de automatisering van theatertrekken;
2° de toegankelijkheid van culturele infrastructuur;
3° het energiezuiniger maken van culturele infrastructuur.

De Vlaamse Regering kan die prioriteiten aanpassen op basis van nieuwe behoeften en evoluties. Een bestaande prioriteit blijft gelden tot na de herziening ervan door de Vlaamse Regering.

Afdeling 2. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiëring

Artikel 6. (23/07/2017- ...)

De algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidiëring van sectorale prioriteiten, zijn :
1° de aanvrager heeft een rechtspersoonlijkheid volgens het publiek recht of het privaat recht;
2° de infrastructuur ligt in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° minstens 40% van de aankoopkosten of van de bouwkosten wordt gedragen door subsidies van een andere overheid, door een inbreng in natura door andere overheden of door een inbreng van eigen middelen. De investeringssubsidie van het FoCI bedraagt nooit meer dan 60% van de aankoop- of bouwkosten. Onvoorwaardelijke subsidiebeloftes die afhankelijk gemaakt zijn van subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap, worden aanvaard;
4° het decreet van 23 december 1986 houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren of het decreet van 23 december 1986 houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot het Vlaamse Gewest behoren, worden nageleefd;
5° ...;
6° ...;
7° de aanvrager heeft een beschikkingsmacht over de infrastructuur als eigenaar. Als de aanvrager geen eigenaar is van de infrastructuur, maar huurder, erfpachter of gebruiker, bewijst hij een beschikkingsmacht voor minstens twintig jaar vanaf de datum van de subsidiebeslissing of vanaf de datum dat de aanvrager kan beschikken over de infrastructuur, als die laatste datum later valt;
8° de aanvrager aanvaardt de toezichtregeling op de besteding van de subsidie, de instandhouding, de renovatie en het onderhoud van de gesubsidieerde infrastructuur;
9° de aanvrager gaat de verbintenis aan tot de terugbetaling van de subsidie bij een vervreemding van de infrastructuur of bij een bestemmingswijziging ervan, zonder het akkoord van het FoCI. Het bedrag van de terugbetaling wordt berekend, rekening houdend met een jaarlijkse afschrijving van 5 % als het project onroerende werken betreft en met een jaarlijkse afschrijving van 33 % als het project roerende goederen betreft. Bij vervreemding betaalt de aanvrager 60 % van de verwezenlijkte meerwaarde terug;
10° om de terugbetaling te waarborgen, kan het FoCI een zakelijke zekerheid vragen.

Artikel 7. (23/07/2017- ...)

Om in aanmerking te komen voor een investeringssubsidie, gelden per prioriteit de specifieke voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

Om de projecten die voldoen aan de algemene voorwaarden te kunnen rangschikken, worden per prioriteit de volgende specifieke voorwaarden en criteria gehanteerd:
1° de automatisering van theatertrekken:
a) specifieke voorwaarden:
1) erkende of gesubsidieerde instellingen ressorterende onder het kunsten- en erfgoeddecreet en culturele centra met een bovenlokale werking die beschikken over zaalinfrastructuur met een toneeltoren
2) de bestaande handtrekken worden vervangen door geautomatiseerde systemen die hijsen of changeren, en die voldoen aan de technische en veiligheidsnormen vastgelegd door het Nationaal Bureau voor Normalisatie;
3) de investeringen zijn conform de bepalingen van de wetgeving over welzijn op het werk;
b) criteria:
1) de totale financiering van het project en de mate van subsidiëring of de inbreng in natura door andere overheden. Onvoorwaardelijke subsidiebeloftes die afhankelijk gemaakt zijn van subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap, worden aanvaard;
2) de automatisering van de theatertrekken van cultuurcentra en theaterzalen die regelmatig buitenlandse gezelschappen programmeren, krijgen voorrang;
3) de mate waarin de principes van duurzaamheid en energiezuinigheid worden toegepast, en het energieverbruik vanaf de uitvoering van de werken worden gemonitord;
2° toegankelijkheid van culturele infrastructuur:
a) specifieke voorwaarde: een toegankelijkheidsdoorlichting door het agentschap Toegankelijk Vlaanderen;
b) criteria:
1) het rapport van de toegankelijkheidsdoorlichting geeft advies over prioritaire ingrepen. Op basis van het rapport van die screening worden de subsidieerbare ingrepen bepaald;
2) de totale financiering van het project en de mate van subsidiëring of de inbreng in natura door andere overheden. Onvoorwaardelijke subsidiebeloftes die afhankelijk gemaakt zijn van subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap, worden aanvaard;
3° energiezuiniger maken van culturele infrastructuur:
a) specifieke voorwaarden:
1) jaarlijks energieverbruik van minstens 100.000 kWH;
2) een nulmeting van het energieverbruik op basis van het werkingsjaar 2015 wordt bij de aanvraag gevoegd. Om de nulmeting 2015 te bepalen, wordt de CO2-calculator, die via het FoCI ter beschikking wordt gesteld, gebruikt;
3) een prognose voor de energiebesparing per jaar door de geplande maatregelen wordt bij de aanvraag gevoegd. Voor de berekening van de prognose worden de berekeningsformules gebruikt die door het FoCI ter beschikking worden gesteld ;
4) een jaarlijkse opvolging gedurende tien jaar van het energieverbruik via het invullen van de CO2 calculator, die via het FoCI ter beschikking wordt gesteld;
5) een breder actieplan van de organisatie om het personeel en het beoogde publiek te sensibiliseren voor de problematiek;
b) criteria:
1) de aanvragen worden prestatiegericht beoordeeld. Dat wil zeggen dat de investeringskosten van de ingediende projecten gedeeld worden door de beoogde CO2-reductie, waarbij voor de berekening rekening gehouden wordt met de specificiteit van de investering. Op basis daarvan wordt een rangschikking opgemaakt, waarbij aan de hoogst gerangschikte projecten de beschikbare middelen toegekend worden. Aan de volgende maatregelen wordt voorrang verleend: de uitvoering van een energieaudit, de installatie van een slimme energiemonitor en algemene relighting, energiezuinig werklicht, dakisolatie, isolatie van de buitenmuren, isolatie van vloeren, superisolerend glas, regelsystemen, centrale verwarming, de vervanging van een stookolie-installatie door een gasinstallatie of aansluiting op een warmtenet of plaatsing van een warmtepomp, de vervanging van een bestaande installatie door een warmtepomp, plaatsing van een zonneboiler.
2) de totale financiering van het project en de mate van subsidiëring of de inbreng in natura door andere overheden. Onvoorwaardelijke subsidiebeloftes die afhankelijk gemaakt zijn van subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap, worden aanvaard;

Per aanvraag mag het maximaal toegekende bedrag, vermeld in het tweede lid, 1°, 750.000 euro bedragen, in het tweede lid, 2°, 250.000 euro bedragen en in het tweede lid, 3°, 500.000 euro bedragen.

Afdeling 3. Aanvraag en beoordeling

Artikel 8. (23/07/2017- ...)

In de begroting van het FoCI wordt een globaal bedrag per jaar ingeschreven voor de investeringssubsidies voor sectorale prioriteiten, zoals omschreven in artikel 7. De investeringssubsidies worden verdeeld tussen de verschillende projectaanvragers op basis van dit besluit.

Het FoCI kan aanvraagformulieren per infrastructuurtype beschikbaar stellen. Die formulieren moeten gebruikt worden bij de aanvraag.

Potentiële aanvragers worden uitgenodigd om een projectvoorstel in te dienen bij het FoCI, uiterlijk op 1 april van het lopende kalenderjaar, voor subsidiëring in het daaropvolgende kalenderjaar.

Het projectvoorstel bevat :
1° de identificatie van de aanvrager en van de infrastructuur;
2° een beschrijving en motivatie van het investeringsproject;
3° een argumentatie dat voldaan is aan de algemene voorwaarden en aan de specifieke voorwaarden;
4° de vermelding in welke mate voldaan is aan de beoordelingscriteria;
5° een technische omschrijving van de voorgenomen werken (ruimten en afmetingen);
6° het investeringsplan (overzicht van de investeringsuitgaven) en het financieringsplan (overzicht van de inkomsten) van het project.

Artikel 9. (23/07/2017- ...)

De minister stelt een Adviescommissie Culturele Infrastructuur samen, waarin het Departement Cultuur, Jeugd en Media, de administratie, bevoegd voor de gesubsidieerde infrastructuur, de administratie bevoegd voor de coördinatie van het Vlaamse klimaat- en energiepact, en deskundigen uit de betrokken sectoren vertegenwoordigd zijn. De minister wijst de voorzitter aan. Het secretariaat wordt georganiseerd door FoCI.

Op basis van de projectvoorstellen verleent de Adviescommissie Culturele Infrastructuur een gemotiveerd advies aan de minister over de projecten die in aanmerking komen voor subsidiëring op basis van de gestelde voorwaarden en de beoordelingscriteria.

De adviescommissie kan plaatsbezoeken organiseren.

Aan de administratie bevoegd voor de coördinatie van het Vlaams Klimaat- en energiepact wordt jaarlijks gerapporteerd over de uitvoering van artikel 7, tweede lid, 3°.

De minister beslist over een regeling voor de verplaatsingskosten en de vergoeding van de externe deskundigen.

Uiterlijk op 1 oktober van het jaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend, beslist de minister over de toekenning van de subsidies.

HOOFDSTUK 4. Uitbetaling subsidie

Artikel 10. (19/12/2012- ...)

In zoverre de wet op de overheidsopdrachten van toepassing is, houdt de subsidietrekker zich aan de bepalingen van die wet in verband met de gunning van de opdracht en de uitvoering ervan. Daarvoor moet de subsidietrekker, voor hij overgaat tot de gunningsprocedure, het ontwerp, het lastenboek, de plannen en de gedetailleerde raming, alsook de vereiste vergunningen, voor advies voorleggen aan het FoCI. Aan de Vlaamse bouwmeester kan advies worden gevraagd over de architecturale kwaliteit.

Voor de werken gegund worden, moet de subsidietrekker het resultaat van de gunningsprocedureter goedkeuring voorleggen aan het FoCI.

De subsidie wordt uitbetaald door het FoCI op basis van de vorderingsstaten en de bijbehorende facturen op naam van de subsidietrekker die goedgekeurd zijn door het FoCI. De aanvraag tot uitbetaling kan ingediend worden tot zes jaar na de beslissing van de minister om de investeringssubsidie te verlenen. De datum van het ministerieel besluit geldt als referentiedatum.

Artikel 11. (23/07/2017- ...)

In afwijking van artikel 8 worden de aanvragen voor het jaar 2017 ingediend uiterlijk op 15 september 2017.

In afwijking van artikel 9 beslist de minister uiterlijk op 1 december 2017 over de toekenning van de subsidies voor de aanvragen van het jaar 2017.

Artikel 12. (19/12/2012- ...)

Het reglement voor subsidiëring van culturele infrastructuur met bovenlokaal belang van 16 maart 2001 wordt opgeheven.

In afwijking van het eerste lid zullen de subsidieaanvragen waarover al een beslissing werd genomen op basis van het in het eerste lid vermelde reglement, verder worden afgehandeld op basis van het reglement.

Artikel 13. (19/12/2012- ...)

Het besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 14. (19/12/2012- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.