Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest

Datum 29/03/2013

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen
  2. HOOFDSTUK II De aanvraag
  3. HOOFDSTUK III Ontvankelijkheid
  4. HOOFDSTUK IV Bevoegdheid
  5. HOOFDSTUK V Procedure
  6. HOOFDSTUK VI Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 4.4.25, § 1, tweede lid, en § 2, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 8 juli 2011, en artikel 4.4.29, inleidende zin en 2° ;

Gelet op het decreet van 8 juli 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 8;

Gelet op het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, wat betreft de adviesorganen, artikel 14, eerste lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 13 april 2012;

Gelet op advies nr. 52.717/1 van de Raad van State, gegeven op 8 februari 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen

Artikel 1. (01/04/2017- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° kleinhandel : de verkoop van goederen aan de eindgebruiker;
2° kleinhandelsoppervlakte : de totale oppervlakte van de publiek toegankelijke ruimten van een bedrijf met kleinhandelsactiviteiten, zowel binnen als buiten, de ruimte die louter als parkeergelegenheid voor klanten wordt gebruikt niet meegerekend;
3° ontwikkelingen op korte termijn : de ontwikkelingen waarvoor een bedrijf werken wil aanvatten binnen twee jaar na de afgifte van het attest;
4° ontwikkelingen op lange termijn : andere ontwikkelingen dan de ontwikkelingen op korte termijn;
5° het VEN : de gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk, aangeduid krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in ruimtelijke uitvoeringsplannen.
6° departement: het Departement Omgeving.

HOOFDSTUK II De aanvraag

Artikel 2. (18/10/2018- ...)

Een aanvraag van een planologisch attest bestaat uit :
1° een ingevuld, ondertekend en gedateerd aanvraagformulier, volgens het model dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is vastgesteld;
2° documenten die aantonen dat het bedrijf aan een van de volgende voorwaarden beantwoordt :
a) het is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
b) het is een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf;
c) het bedrijf is een tuincentrum;
3° de volgende kadastergegevens, in een officiële versie die afkomstig is van de diensten van het kadaster en maximaal één jaar oud is :
a) een uittreksel uit het kadastraal plan waarop de percelen worden aangeduid waarop het bestaande bedrijf zich bevindt en de percelen waarop een eventuele gewenste uitbreiding plaatsvindt;
b) een lijst met de eigendomsgegevens van de onder a) genoemde percelen en van alle percelen die aan de onder a) genoemde percelen palen;
4° drie plannen, voorzien van een noordpijl en met vermelding van de schaal, waarbij een schaal gekozen wordt die naargelang het onderwerp de leesbaarheid van het plan garandeert, bij voorkeur tussen 1/50 en 1/500 :
a) een plan van de bestaande toestand van het bedrijf, van de gronden waarop een eventuele gewenste uitbreiding plaatsvindt en van de onmiddellijke omgeving, met aanduiding van :
1) de constructies en de functie ervan, met vermelding van de afmetingen van de gebouwen van het bedrijf en van de verhardingen die het bedrijf gebruikt;
2) de gronden die het bedrijf gebruikt voor opslag, voor parkeren of voor het plaatsen van verplaatsbare constructies;
3) als het bedrijf kleinhandelsactiviteiten verricht, de publiek toegankelijke ruimten zowel binnen als buiten, met inbegrip van de parkeergelegenheid voor klanten, telkens met vermelding van de oppervlakte;
4) groenvoorzieningen;
5) aanpalende wegen, met vermelding van de breedte, de uitrusting en de naam;
6) eventuele erfdienstbaarheden;
7) de opnamepunten van de foto's, bedoeld onder 6° ;
8) in geval van een tuincentrum: de serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen en de serres of gronden die aansluiten bij de grond waarop het tuincentrum gevestigd is;
b) een overzichtsplan van de stedenbouwkundige vergunningstoestand van het bedrijf, met aanduiding van de constructies, de functies en het grondgebruik die vergund zijn of die geacht worden vergund te zijn, telkens met verwijzing naar de documenten of bewijsstukken bedoeld onder 7°, en met aanduiding van eventuele niet-vergunde elementen;
c) een plan van de gewenste toestand van het bedrijf, met een duidelijk onderscheid tussen ontwikkelingen op korte en op lange termijn, met aanduiding van :
1) alle gewenste wijzigingen ten opzichte van de bestaande toestand wat betreft constructies, functies en grondgebruik, met vermelding van de afmetingen van gebouwen en verhardingen;
2) de voorgenomen verwijdering of gewenste regularisatie van eventuele onvergunde constructies, onvergunde functies of onvergund grondgebruik.
5° als het bedrijf verschillende vestigingen heeft, meerdere sites in gebruik heeft of gronden in reserve heeft, een overzichtskaart van deze vestigingen, sites en gronden;
6° minimaal tien foto's die een duidelijk beeld geven van de bestaande toestand van :
a) het bedrijf;
b) de gronden waarop een eventuele gewenste uitbreiding zich bevindt;
c) de onmiddellijke omgeving, in het bijzonder de bebouwing in de omgeving. Op de foto's van die onmiddellijke omgeving moet altijd minstens een deel van de huidige bedrijfssite zichtbaar zijn;
7° documenten die de stedenbouwkundige vergunningstoestand, aangegeven in het plan vermeld onder 4°, b, aantonen, zoals uittreksels uit het vergunningenregister, afschriften van stedenbouwkundige vergunningen of bewijsstukken voor een vermoeden van vergunning;
7° /1 in geval van een tuincentrum: de documenten die aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.4.24, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
8° een tekst met toelichting en motivering van de aanvraag, met volgende onderwerpen :
a) de historische achtergrond van het bedrijf;
b) de werking van het bedrijf, met duiding welke activiteiten waar plaatsvinden en duiding van de vergunningstoestand voor wat betreft de vergunnings- of meldingsplicht voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
c) de verdeling van activiteiten als het bedrijf verschillende vestigingen heeft of verschillende sites in gebruik heeft;
d) de tewerkstelling in het bedrijf;
e) als het bedrijf kleinhandelsactiviteiten verricht, het aandeel van de kleinhandelsactiviteiten in de omzet van het bedrijf;
f) het mobiliteitsprofiel van het bedrijf, met duiding van ingaande en uitgaande voertuigbewegingen voor de bedrijfsactiviteiten, van werknemers en van klanten;
g) de gewenste wijzigingen ten opzichte van de bestaande toestand met een onderscheid tussen ontwikkelingen op korte en op lange termijn, de reden van die wijzigingen en de ermee samenhangende verwachte wijzigingen op het vlak van tewerkstelling, mobiliteitsprofiel en, in voorkomend geval, het aandeel van de kleinhandelsactiviteiten in de omzet;
h) de verantwoording van de gewenste wijzigingen in het licht van kwalitatief en zuinig ruimtegebruik en de beperking van eventuele hinder voor de omgeving;
i) als het bedrijf verschillende vestigingen heeft of verschillende sites in gebruik heeft, een afweging van een eventuele gewenste uitbreiding op de site waarop de aanvraag betrekking heeft ten opzichte van een uitbreiding in andere vestigingen of op andere sites;
9° een passende beoordeling of verscherpte natuurtoets als die vereist is op grond van de relevante wetgeving en reglementering, en het advies erover van de bevoegde instantie, waaruit minstens blijkt dat alle aspecten voldoende onderzocht zijn;
10° documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de verplichtingen inzake milieueffectrapportage.

Artikel 3. (25/05/2014- ...)

De aanvraag van een planologisch attest wordt ingediend in twee analoge exemplaren en één digitaal exemplaar. Als het voorwerp van de aanvraag in meer dan één gemeente ligt, worden twee extra analoge exemplaren ingediend per bijkomende gemeente.

In afwijking van het eerste lid, kan de aanvraag ingediend worden via het omgevingsloket, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014 houdende de digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid conform de bepalingen van het voormelde besluit.

HOOFDSTUK III Ontvankelijkheid

Artikel 4. (18/10/2018- ...)

Een aanvraag van een planologisch attest is niet ontvankelijk in de volgende gevallen :
1° het bedrijf heeft op het ogenblik van de aanvraag geen bedrijfsactiviteiten op de site waarop de aanvraag betrekking heeft;
2° het bedrijf is niet hoofdzakelijk vergund, tenzij het bedrijf een tuincentrum is, waarvan de functie niet vergund of vergund geacht is;
3° het bedrijf is verkrot;
4° het bedrijf is niet onderworpen aan de de vergunnings- of meldingsplicht voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en het is evenmin een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf of een tuincentrum;
5° noch het behoud van het bedrijf, noch de gewenste ontwikkelingen zoals beschreven in de aanvraag veronderstellen de opmaak of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg;
6° er is een lopend of recent afgerond planningsproces waarin een uitspraak wordt gedaan over het behoud en de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf :
a) de site waarop de aanvraag betrekking heeft ligt binnen het toepassingsgebied van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg waarvoor minder dan één jaar voor de datum van de aanvraag nog een plenaire vergadering werd gehouden, een voorlopige of definitieve vaststelling is gedaan of, in voorkomend geval, een beslissing in het kader van het goedkeuringstoezicht is genomen; en
b) de stedenbouwkundige voorschriften van het in a) vermelde plan, in de versie die geagendeerd of voorgelegd werd voor de plenaire vergadering, de voorlopige of definitieve vaststelling of de goedkeuring, spreken zich uit over het behoud of de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf;
7° de aanvraag is niet mee ondertekend door een geregistreerd ruimtelijk planner;
8° de aanvraag is niet per beveiligde zending ingediend;
9° de aanvraag is onvolledig bevonden en de aanvrager heeft de nodige aanvullingen niet bezorgd binnen de daarvoor vastgestelde termijn.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid, geldt bijkomend dat een aanvraag van een planologisch attest voor een tuincentrum niet ontvankelijk is in de volgende gevallen:
1° het tuincentrum ligt niet in agrarisch gebied in de ruime zin;
2° de wijziging van de hoofdfunctie land- en tuinbouw in detailhandel heeft niet uiterlijk op 1 mei 2000 plaatsgevonden.

HOOFDSTUK IV Bevoegdheid

Artikel 5. (17/10/2014- ...)

§ 1. In de volgende gevallen wordt over een aanvraag op bovengemeentelijk niveau beslist omwille van de ligging :
1° door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening :
a) als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk liggen binnen het toepassingsgebied van bestemmingsvoorschriften die opgenomen zijn in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, en de werken of handelingen die met het attest beoogd worden in strijd zijn met de voorschriften van dat gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of van het ontwerp ervan;
b) als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, voor een oppervlakte van meer dan een halve hectare in het VEN of in een habitatrichtlijngebied liggen;
2° door de provincieraad :
a) als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk liggen binnen het toepassingsgebied van bestemmingsvoorschriften die opgenomen zijn in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, en de werken of handelingen die met het attest beoogd worden in strijd zijn met de voorschriften van dat provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of van het ontwerp ervan;
b) als het planologisch attest wordt aangevraagd door een recreatief bedrijf dat actief is op een locatie waarvan de betrokken provincie in haar provinciaal ruimtelijk structuurplan bepaald heeft dat ze behoort tot de toeristisch-recreatieve structuur op provinciaal niveau;
c) als het planologisch attest wordt aangevraagd door een bedrijf dat deel uitmaakt van een gebied met kleinhandelsbedrijven of van een concentratie van kleinhandelsbedrijven waarvan de provincie in kwestie in haar provinciaal ruimtelijk structuurplan bepaald heeft dat ze er een planningsinitiatief voor neemt.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 1°, a) en 2°, a), beslist de gemeenteraad alsnog over de aanvraag als de voorschriften van het gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan toelaten dat de gemeente een plan vaststelt voor gebouwen en constructies waarvan de functie geen verband houdt met de algemene bestemming van het gebied, en bepalen dat de voorschriften van dergelijk gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, na goedkeuring ervan, voorrang krijgen op de voorschriften opgenomen in het gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Deze afwijking geldt niet als over de aanvraag op bovengemeentelijk niveau moet worden beslist omwille van het type bedrijf of de omvang, zoals beschreven in artikel 6 en 7.

Artikel 6. (17/10/2014- ...)

§ 1. In de volgende gevallen wordt over een aanvraag op bovengemeentelijk niveau beslist omwille van het type bedrijf :
1° door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening :
a) als de aanvraag een herbestemming beoogt naar ontginningsgebied of het behoud, de uitbreiding of de vestiging beoogt van een verwerkingseenheid voor delfstoffen;
b) als de aanvraag het behoud beoogt van een terrein voor het vliegen met ultralichte motorluchtvaartuigen (ULM) of sportvliegtuigen, of de ontwikkeling tot een dergelijk terrein;
c) als de aanvraag het behoud beoogt van een golfterrein van meer dan 9 holes of met een oppervlakte van 40 ha of meer, of de ontwikkeling tot een dergelijk terrein;
2° door de provincieraad :
a) als de aanvraag het behoud beoogt van een golfterrein van maximum 9 holes en een oppervlakte van meer dan 8 ha en minder dan 40 ha, of de ontwikkeling tot een dergelijk terrein;
b) als de aanvraag het behoud beoogt van een gereglementeerd terrein voor lawaaisporten, of de ontwikkeling tot een dergelijk terrein;
c) als het planologisch attest wordt aangevraagd door een bedrijf dat beantwoordt aan al de volgende criteria :
i. het bedrijf haalt meer dan de helft van de omzet uit kleinhandel of beoogt dit te doen met de ontwikkelingen die in de aanvraag zijn beschreven;
ii. het bedrijf beoogt met de aanvraag een uitbreiding van de kleinhandelsoppervlakte met meer dan 50 procent;
iii. de kleinhandelsoppervlakte na de beoogde uitbreiding bedraagt meer dan 0,5 ha;
iv. de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, of een deel van die percelen, liggen buiten de grenzen van een stedelijk gebied zoals het werd afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan of ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.

§ 2. De toepassing van artikel 5, § 1, heeft voorrang op de toepassing van artikel 6, § 1, met dien verstande dat artikel 6, § 1, wordt toegepast als artikel 5, § 1 niet van toepassing is.

Artikel 7. (17/10/2014- ...)

§ 1. Er wordt op bovengemeentelijk niveau beslist over een aanvraag als de aanvraag beantwoordt aan één van de volgende criteria wat de omvang betreft :
1° de aanvraag beoogt een uitbreiding van de voor de bedrijfsvoering gebruikte terreinoppervlakte met meer dan 100 procent, waarbij de voor de bedrijfsvoering gebruikte terreinoppervlakte na uitbreiding groter is dan 3 ha;
2° de aanvraag beoogt een uitbreiding van de voor de bedrijfsvoering gebruikte terreinoppervlakte met meer dan 15 procent, waarbij de voor de bedrijfsvoering gebruikte terreinoppervlakte na uitbreiding groter is dan 5 ha;

Als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk liggen in een gemeente die overeenkomstig het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen deel uitmaakt van een groot- of regionaalstedelijk gebied, van het Economisch Netwerk Albertkanaal of van het buitengebied maar die niet geselecteerd is als specifiek economisch knooppunt, dan beslist de minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening over de aanvraag.

Als de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk liggen in ofwel een gemeente die overeenkomstig het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen deel uitmaakt van een kleinstedelijk gebied of geselecteerd is als specifiek economisch knooppunt, ofwel een concentratiegebied van bedrijven dat overeenkomstig het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd is als bijzonder economisch knooppunt, dan beslist de provincieraad over de aanvraag.

§ 2. De toepassing van artikel 5, § 1, en 6, § 1, heeft voorrang op de toepassing van artikel 7, § 1, met dien verstande dat artikel 7, § 1, wordt toegepast als noch artikel 5, § 1, noch artikel 6, § 1, van toepassing is.

HOOFDSTUK V Procedure

Artikel 8. (23/02/2017- ...)

§ 1. Binnen dertig dagen na de datum van de indiening van de aanvraag bezorgt de gemeentelijke omgevingsambtenaar één van de volgende berichten aan de aanvrager :
1° een bericht van onontvankelijkheid met opgave van de reden van de onontvankelijkheid;
2° een verzoek tot vervollediging van de aanvraag met opgave van de ontbrekende informatie of stukken;
3° een ontvangstbewijs, met kennisgeving van de overheid die bevoegd is om over de aanvraag te beslissen.

Als bij een eerste beoordeling de aanvraag onvolledig bleek te zijn, begint een nieuwe termijn te lopen vanaf de indiening van een tijdige vervollediging.

§ 2. Na afgifte van een ontvangstbewijs stuurt de gemeentelijke omgevingsambtenaar, als de gemeente niet de bevoegde overheid is, onmiddellijk één analoog exemplaar en het digitale exemplaar van de aanvraag door naar de Vlaamse Regering of de deputatie. Hij bewaart het andere analoge exemplaar met het oog op het openbaar onderzoek overeenkomstig paragraaf 6.

In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag die werd ingediend via het omgevingsloket, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014 houdende de digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid conform de bepalingen van het voormelde besluit, doorgestuurd via het uitwisselingsplatform, vermeld in artikel 2 van het voormelde besluit.

Artikel 9. (17/10/2014- ...)

§ 1. De bevoegde overheid organiseert het openbaar onderzoek over de aanvraag. Het openbaar onderzoek start uiterlijk de zestigste dag na de afgifte van het ontvangstbewijs. Het openbaar onderzoek wordt bekendgemaakt door een bericht aan te plakken volgens het model dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is vastgesteld, en door een aangetekende brief te sturen naar alle eigenaars van de percelen palend aan de percelen waarop het bestaande bedrijf zich bevindt en de percelen waarop een eventuele gewenste uitbreiding plaatsvindt. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van de kadastrale gegevens die opgenomen zijn in de aanvraag, zoals vermeld in artikel 2, 3°, b. De bevoegde overheid mag recentere gegevens gebruiken als ze daarover beschikt. De aanvrager betaalt de kosten van de aangetekende zendingen.

§ 2. De bevoegde overheid bezorgt de volgende informatie en documenten aan de aanvrager :
1° een kennisgeving van begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
2° één of meer exemplaren van de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1, al naar gelang de bedrijfssite paalt aan of bereikbaar is vanaf één of meer openbare wegen, en de instructies over de aanplakking ervan, beschreven in paragraaf 4;
3° een verzoek om de kosten van de aangetekende zendingen te voldoen, met vermelding dat het bedrag betaald moet zijn vóór de aanvang van het openbaar onderzoek.

§ 3. Vóór de aanvang van het openbaar onderzoek, verstuurt de bevoegde overheid de aangetekende zendingen en zorgt ze voor de bekendmaking van het bericht, bedoeld in paragraaf 1, op de gewone aanplakplaatsen, minstens aan het gemeentehuis of het deelgemeentehuis waar de bedrijfssite zich bevindt. De bekendmaking moet tot het einde van het openbaar onderzoek aangeplakt blijven.

Als de Vlaamse Regering of de provincieraad de bevoegde overheid is, geeft zij de gemeente kennis van begin- en einddatum van het openbaar onderzoek en vraagt zij de medewerking van de gemeente voor de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, en het ter inzage leggen van de aanvraag, bedoeld in paragraaf 6.

§ 4. Vóór de aanvang van het openbaar onderzoek, hangt de aanvrager de bekendmaking, bedoeld in paragraaf 1, uit op een plek aan de openbare weg of een plek aan elk van de openbare wegen waaraan de bedrijfssite paalt of vanwaar de bedrijfssite bereikbaar is. De bekendmaking moet tot het einde van het openbaar onderzoek aangeplakt blijven. De bekendmaking wordt aangebracht op een schutting, op een muur of op een aan een paal bevestigd bord, op de grens van het terrein met de openbare weg of aan de toegang tot het terrein vanaf de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, op ooghoogte en met de tekst gericht naar de openbare weg. De bekendmaking wordt tijdens de hele duur van de aanplakking goed zichtbaar en goed leesbaar gehouden.

§ 5. Zowel de aangetekende zendingen als de bekendmaking vermelden minstens :
1° de plaats waar de aanvraag ter inzage ligt;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° het adres waarnaar de adviezen, opmerkingen en bezwaren gestuurd moeten worden, of waar ze kunnen worden afgegeven; met name het adres van de gemeentelijke of provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, of de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, naargelang de bevoegde overheid.

§ 6. Tijdens het openbaar onderzoek ligt een exemplaar van de aanvraag van een planologisch attest ter inzage bij het gemeentebestuur en bij de bevoegde overheid.

§ 7. Als het voorwerp van de aanvraag in twee of meer gemeenten ligt, wordt het openbaar onderzoek door de gemeenten in onderling overleg of door de Vlaamse Regering of de deputatie in elk van de gemeenten georganiseerd, overeenkomstig de bovenstaande bepalingen.

Artikel 10. (27/09/2014- ...)

§ 1. De bevoegde overheid verstuurt uiterlijk de veertiende dag vóór de aanvang van het openbaar onderzoek de adviesvragen over de aanvraag naar alle bij of krachtens decreet aangewezen instanties die over het eventueel op te maken ruimtelijk uitvoeringsplan advies moeten geven.

§ 2. De adviesvragen vermelden de adviestermijn en de instantie waaraan het advies moet worden bezorgd, en het adres ervan, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6.

In afwijking van het eerste lid kunnen de adviesvragen ook worden aangevraagd via het uitwisselingsplatform, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014 houdende de digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid conform de bepalingen van het voormelde besluit.

§ 3. De adviesinstanties versturen uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek hun advies naar de gemeentelijke of provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, of naar de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, naargelang de bevoegde overheid.

§ 4. Naargelang de bevoegde overheid, versturen het college van burgemeester en schepenen en de deputatie uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek hun advies naar de gemeentelijke of provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, of naar de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening.

§ 5. Het departement verstuurt uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek een advies naar de bevoegde overheid.

§ 6. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, als de gemeenteraad de bevoegde overheid is, of de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening, als de provincieraad de bevoegde overheid is, bezorgt haar advies binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek aan die bevoegde overheid. Overeenkomstig artikel 4.4.25, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevat het advies het integrale advies van het departement. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de bevoegde commissie voor ruimtelijke ordening de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan het bevoegde bestuursorgaan.

§ 7. Als de adviezen, bedoeld in de paragraaf 3 tot en met 6, niet zijn verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

§ 8. De bevoegde overheid beslist binnen 120 dagen na het einde van het openbaar onderzoek over de aanvraag van een planologisch attest. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, stelt daarvoor het model vast.

HOOFDSTUK VI Slotbepalingen

Artikel 11. (01/08/2013- ...)

Zolang de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, geen modellen heeft vastgesteld met toepassing van artikel 2, 1°, 9, § 1, en 10, § 8, worden voor de aanvraag van een planologisch attest, de bekendmaking van de aanvraag en de beslissing over de aanvraag de modellen gebruikt die gevoegd zijn als bijlage bij dit besluit.

Zolang de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, geen vormvereisten heeft bepaald voor de bekendmaking van het openbaar onderzoek bedoeld in artikel 9, § 1, geldt dat de bekendmaking in kwestie met zwarte letters op geel papier is gedrukt en ten minste een A3-formaat heeft.

Artikel 12. (01/08/2013- ...)

De bepalingen van de hoofdstukken II tot V van dit besluit zijn van toepassing op aanvragen die ingediend worden vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. Aanvragen van een planologisch attest die ingediend zijn vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden afgehandeld overeenkomstig de regeling die gold voorafgaand aan die datum.

Artikel 12/1. (05/05/2018- ...)

Voor de toepassing van artikel 5, § 1, 2°, b) en c), en artikel 7, § 1, tweede en derde lid, van dit besluit wordt ook na de vervanging van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen door het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, vermeld in artikel 2.1.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of de vervanging van provinciale ruimtelijke structuurplannen door provinciale ruimtelijke beleidsplannen als vermeld in artikel 2.1.8 van de voormelde codex, gebruikgemaakt van de selecties, opdrachten of afbakeningen, opgenomen in of uitgevoerd op grond van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of de provinciale ruimtelijke structuurplannen zoals ze tot dan toe golden.

Artikel 13. (01/08/2013- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 tot bepaling van de nadere regels voor de aanvraag en de afgifte van het planologisch attest, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, 7 juli 2006 en 29 mei 2009, wordt opgeheven.

Artikel 14. (01/08/2013- ...)

De volgende regelgevende teksten treden in werking dertig dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad :
1° artikel 3 en 4 van het decreet van 8 juli 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° artikel 11 van het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, wat betreft de adviesorganen;
3° dit besluit.

Artikel 15. (01/08/2013- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1 (01/08/2013- ...)

Bijlage 1

BIJLAGE 2 (01/08/2013- ...)

Bijlage 2

BIJLAGE 3 (08/01/2016- ...)

Bijlage 3

* Met ingang van 8 januari 2016 worden in bijlage 3 de woorden "aangetekend versturen naar of afgeven bij" vervangen door de woorden "schriftelijk of digitaal bezorgen aan" (Zie MB 22 januari 2016, art. 1, I: 8 januari 2016).