Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (citeeropschrift: "Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013")

Datum 13/12/2013

Algemene info

Datum staatsblad 23/12/2013
Pagina staatsblad 101516
Datum inwerkingtreding 01/01/2014
Commentaar * De Vlaamse Codex Fiscaliteit treedt in werking op 1 januari 2014; Titel 2 en artikel 5.0.0.0.1, 2° en 3°, treden in werking vanaf het aanslagjaar 2014.<br /><br />* Op 7 mei 2020 werd de Vlaamse Regering in kennis gesteld van een prejudiciële vraag bij het Grondwettelijk Hof over artikel 5.0.0.0.1. van dit decreet.<br /><br />Deze zaak werd ingeschreven op de rol van het Hof onder het nummer 7376. De zaak is nog hangende.<br /><br />* Op 19 november 2020 werd de Vlaamse Regering in kennis gesteld van een prejudiciële vraag bij het Grondwettelijk Hof over artikel 2.7.1.0.6. van dit decreet.<br /><br />Deze zaak werd ingeschreven op de rol van het Hof onder het nummer 7462. De zaak is nog hangende.<br /><br /><br />

Externe linken

Inhoudstafel

  1. TITEL 1 Inleidende bepalingen
    1. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en definities
  2. TITEL 2 Belastingheffing
    1. Hoofdstuk 1 Onroerende voorheffing
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
    2. Hoofdstuk 2 Verkeersbelasting
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
    3. Hoofdstuk 3 Belasting op de inverkeerstelling
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
        1. Onderafdeling 1 Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest
        2. Onderafdeling 2 Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
    4. Hoofdstuk 4 [Kilometerheffing (verv. decr. 3 juli 2015, art. 13, I: 1 april 2016)]
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
    5. Hoofdstuk 5 [Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen (verv. Decr. 23 december 2016, art. 25, I: aanslagjaar 2017)]
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
    6. Hoofdstuk 6 Leegstandsheffing bedrijfsruimten
      1. Afdeling 1 Belastbaar voorwerp
      2. Afdeling 2 Belastingplichtigen
      3. Afdeling 3 Belastbare grondslag
      4. Afdeling 4 Tarieven
      5. Afdeling 5 Verminderingen
      6. Afdeling 6 Vrijstellingen
      7. Afdeling 7 Wijze van heffing
        1. Onderafdeling 1 Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand
        2. Onderafdeling 2 Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant
        3. Onderafdeling 3 Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject
        4. Onderafdeling 4 Opschorting voor nieuwe eigenaars
        5. Onderafdeling 5 Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten
        6. Onderafdeling 6 Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand
        7. Onderafdeling 7 Sancties
    7. [Hoofdstuk 7 Erfbelasting (ing. Decr.19 december 2014, art. 3, I: 1 januari 2015)]
      1. [Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr.19 december 2014, art. 4, I: 1 januari 2015)]
      2. [Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr.19 december 2014, art. 15, I: 1 januari 2015)]
      3. [Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr.19 december 2014, art. 17, I: 1 januari 2015)]
        1. [Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr.19 december 2014, art. 18, I: 1 januari 2015)]
        2. [Onderafdeling 2. Actief van de nalatenschap (ing. Decr.19 december 2014, art. 20, I: 1 januari 2015)]
        3. [Onderafdeling 3. Waardering van het actief (ing. Decr.19 december 2014, art. 34, I: 1 januari 2015)]
        4. [Onderafdeling 4. Passief van de nalatenschap (ing. Decr.19 december 2014, art. 42, I: 1 januari 2015)]
        5. [Onderafdeling 5. Aanrekening van het passief op het actief (ing. decr. 19 december 2014, art. 47, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 50, I: 1 januari 2015)]
        1. [Onderafdeling 1. Algemene bepalingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 51, I: 1 januari 2015)]
        2. [Onderafdeling 2. Verlaagde tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 57, I: 1 januari 2015)]
      5. [Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 62, I: 1 januari 2015)]
      6. [Afdeling 6. Vrijstelling (ing. Decr. 19 december 2014, art. 68, I: 1 januari 2015)]
      7. [Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 73, I: 1 januari 2015)]
    8. [Hoofdstuk 8. Schenkbelasting (ing. Decr. 19 december 2014, art. 77, I: 1 januari 2015)]
      1. [Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 78 , I: 1 januari 2015)]
      2. [Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 81, I: 1 januari 2015)]
      3. [Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 december 2014, art. 83, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 87, I: 1 januari 2015)]
        1. [Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 88, I: 1 januari 2015)]
        2. [Onderafdeling 2. Tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw (ing. Decr. 19 december 2014, art. 91, I: 1 januari 2015)]
        3. [Onderafdeling 3. Tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden (ing. decr. 3 juli 2015, art. 27, I: 1 juli 2015)]
        4. [Onderafdeling 4. Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt (ing. Decr. 21 april 2017, art. 5, I: 14 mei 2017)]
      5. [Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 95, I: 1 januari 2015)]
      6. [Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 97, I: 1 januari 2015)]
      7. [Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 105, I: 1 januari 2015)]
    9. [Hoofdstuk 9. Verkooprecht (ing. Decr. 19 december 2014, art. 109, I: 1 januari 2015)]
      1. [Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 110, I: 1 januari 2015)]
      2. [Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 118, I: 1 januari 2015)]
      3. [Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 december 2014, art. 120, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 130, I: 1 januari 2015)]
        1. [Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 131, I: 1 januari 2015)]
        2. [Onderafdeling 2. Verlaagde tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 134, I: 1 januari 2015)]
      5. [Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 144, I: 1 januari 2015)]
      6. [Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 149, I: 1 januari 2015)]
      7. [Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 156, I: 1 januari 2015)]
    10. [Hoofdstuk 10. Verdeelrecht (ing. Decr. 19 december 2014, art. 162, I: 1 januari 2015)]
      1. [Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 163, I: 1 januari 2015)]
      2. [Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 168, I: 1 januari 2015)]
      3. [Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 december 2014, art. 170, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 174, I: 1 januari 2015)]
      5. [Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 177, I: 1 januari 2015)]
      6. [Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 179, I: 1 januari 2015)]
      7. [Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 184, I: 1 januari 2015)]
    11. [Hoofdstuk 11. Recht op hypotheekvestiging (ing. Decr. 19 december 2014, art. 188, I: 1 januari 2015)]
      1. [Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 189, I: 1 januari 2015)]
      2. [Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 December 2014, art. 192, I: 1 januari 2015)]
      3. [Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 December 2014, art. 194, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 196, I: 1 januari 2015)]
      5. [Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 201, I: 1 januari 2015)]
      6. [Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 203, I: 1 januari 2015)]
      7. [Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 206, I: 1 januari 2015)]
    12. [Hoofdstuk 12. Belasting op de spelen en weddenschappen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 3, I: 1 januari 2019)]
      1. [Afdeling 1 Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 7 december 2018, art. 4, I: 1 januari 2019)]
      2. [Afdeling 2 Belastingplichtigen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 6, I: 1 januari 2019)]
      3. [Afdeling 3 Belastbare grondslag (ing. Decr. 7 december 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]
      4. [Afdeling 4 Tarieven (ing. Decr. 7 december 2018, art. 10, I: 1 januari 2019)]
      5. [Afdeling 5 Verminderingen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 13, I: 1 januari 2019)]
      6. [Afdeling 6 Vrijstellingen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 15, I: 1 januari 2019)]
      7. [Afdeling 7 Wijze van heffing (ing. Decr. 7 december 2018, art. 17, I: 1 januari 2019)]
    13. [Hoofdstuk 13. Belasting op de automatische ontspanningstoestellen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 19, I: 1 januari 2019)]
      1. [Afdeling 1 Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 7 december 2018, art. 20, I: 1 januari 2019)]
      2. [Afdeling 2 Belastingplichtigen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 22, I: 1 januari 2019)]
      3. [Afdeling 3 Belastbare grondslag (ing. Decr. 7 december 2018, art. 24, I: 1 januari 2019)]
      4. [Afdeling 4 Tarieven (ing. Decr. 7 december 2018, art. 27, I: 1 januari 2019)]
      5. [Afdeling 5 Verminderingen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 30, I: 1 januari 2019)]
      6. [Afdeling 6 Vrijstellingen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 33, I: 1 januari 2019)]
      7. [Afdeling 7 Wijze van heffing (ing. Decr. 7 december 2018, art. 35, I: 1 januari 2019)]
  3. TITEL 3 Inning en invordering
    1. Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen
    2. Hoofdstuk 2 Inkohiering
      1. Afdeling 1 Algemeen
      2. Afdeling 2 Uitvoerbaarverklaring
      3. Afdeling 3 Overledenen en onverdeeldheden
      4. Afdeling 4 Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap
      5. Afdeling 5 Berekening en afrondingswijze
    3. Hoofdstuk 3 Aanslagprocedure
      1. Afdeling 1 [Aangifte (verv. Decr. 19 december 2014, art. 212, I: 1 januari 2015)]
      2. Afdeling 2 Aanslagjaar en belastbaar tijdperk
      3. Afdeling 3 Aanslagtermijn
      4. Afdeling 4 Aanslagbiljet
      5. Afdeling 5 Verzending
    4. Hoofdstuk 4 Betalingen
      1. Afdeling 1 Algemeen
      2. Afdeling 2 Betaaltermijn
      3. Afdeling 3 Wijze van betaling
      4. Afdeling 4 Vermeldingen op het betaalformulier
      5. Afdeling 5 Bewijs van betaling
      6. Afdeling 6 Datum van uitwerking van betaling
      7. Afdeling 7 Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering
      8. Afdeling 8 Betalingsfaciliteiten
    5. Hoofdstuk 5 Bezwaar
      1. Afdeling 1 Ontvangstmelding
      2. Afdeling 2 Bezwaartermijn
      3. Afdeling 3 Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen
      4. Afdeling 4 Onderzoeksbevoegdheden
      5. Afdeling 5 Behandeltijd
      6. Afdeling 6 Beslissingswijze voor bezwaar
      7. Afdeling 7 Collectieve beslissing
      8. Afdeling 8 Hoorzitting
      9. Afdeling 9 Kennisgeving
    6. Hoofdstuk 6 Ambtshalve ontheffing
    7. Hoofdstuk 7 Nietigverklaring
    8. Hoofdstuk 8 Gerechtelijk beroep
    9. Hoofdstuk 9 Interesten
      1. Afdeling 1 Nalatigheidsinteresten
      2. Afdeling 2 Moratoriuminteresten
    10. Hoofdstuk 10 Invordering
      1. Afdeling 1 Herinnering
      2. Afdeling 2 Laatste herinnering
      3. Afdeling 3 Vervolging
        1. Onderafdeling 1 Algemeen
        2. Onderafdeling 2 Rechtstreekse vervolging
        3. Onderafdeling 3 Onrechtstreekse vervolging
        4. Onderafdeling 4 Vervolgingskosten
        5. Onderafdeling 5 Met vervolging belaste personen
      4. Afdeling 4 Bijzondere gevallen
        1. Onderafdeling 1 Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijksamenwonenden
        2. Onderafdeling 2 Invordering bij vennootschappen
        3. Onderafdeling 3 Invordering bij erfgenamen
        4. Onderafdeling 4 Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld
        5. Onderafdeling 5 Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar
        6. Onderafdeling 6 Invordering van betwiste belastingen
      5. Afdeling 5 Zekerheden
        1. Onderafdeling 1 Waarborg
        2. Onderafdeling 2 Voorrecht
        3. Onderafdeling 3 Wettelijke hypotheek
        4. [Onderafdeling 4. Rechten van derden te goeder trouw (ing. Decr. 19 december 2014, art. 255, I: 1 januari 2015)]
        5. [Onderafdeling 5. Buiten de Europese Economische Ruimte wonende erfgenaam (ing. Decr. 19 december 2014, art. 257, I: 1 januari 2015)]
    11. Hoofdstuk 11 Wederzijdse internationale bijstand
    12. Hoofdstuk 12 Verplichtingen van derden
      1. Afdeling 1 Notificatieverplichtingen van derden
      2. Afdeling 2 Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen
      3. [Afdeling 3. Andere verplichtingen in het kader van de registratiebelasting (ing. Decr. 19 december 2014, art. 273, I: 1 januari 2015)]
      4. [Afdeling 4 Verplichtingen van derden in het kader van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen (ing. Decr. 7 december 2018, art. 46, I: 1 januari 2019)]
      5. [Afdeling [5 (verv. decr. 20 november 2020, art. 8)][. Verplichtingen in het kader van de burgerlijke vordering (ing. Decr. 21 december 2018, art. 47, I: 7 januari 2019)]
    13. Hoofdstuk 13 Onderzoek en controle
      1. Afdeling 1 Administratieve controle
        1. Onderafdeling 1 Algemeen
        2. Onderafdeling 2 Plichten van de belastingplichtige
        3. Onderafdeling 3 Plichten van derden
        4. Onderafdeling 4 Plichten van openbare instellingen
      2. Afdeling 2 Controle ter plaatse
    14. Hoofdstuk 14 Verjaring
      1. Afdeling 1 Termijn
      2. Afdeling 2 Stuiting
      3. Afdeling 3 Schorsing
    15. Hoofdstuk 15 Strafrechtelijke vervolging
      1. Afdeling 1 Algemene bepalingen
      2. Afdeling 2 Opsporing van inbreuken
      3. Afdeling 3 Strafrechtelijke sancties
    16. Hoofdstuk 16 [Administratieve sancties (verv. Decr. 19 december 2014, art. 291, I: 1 januari 2015)]
    17. Hoofdstuk 17 [Bewijsmiddelen (verv. Decr. 19 december 2014, art. 293, I: 1 januari 2015)]
    18. Hoofdstuk 18 Belastingverhogingen en administratieve geldboetes
    19. Hoofdstuk 19 Beroepsgeheim
    20. [Hoofdstuk 20. Te verstrekken inlichtingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 318, I: 1 januari 2015)]
    21. [Hoofdstuk 21. Voorafgaande attesten (ing. Decr. 19 december 2014, art. 320, I: 1 januari 2015)]
    22. [Hoofdstuk 22. Voorafgaande beslissingen over de materies en bepalingen vervat in deze codex (ing. decr. 17 juli 2015, art. 36, I: 14 augustus 2015)]
  4. TITEL 4 Wijzigingsbepalingen
    1. Hoofdstuk 1 Wijzigingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
    2. Hoofdstuk 2 Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
    3. Hoofdstuk 3 Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
    4. Hoofdstuk 4 Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
    5. Hoofdstuk 5 Wijzigingen van andere decreten
    6. Hoofdstuk 6 Kruisverwijzingen
  5. TITEL 5 Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen
  6. TITEL 6 Citeertitel
  7. TITEL 7 Inwerkingtredingsbepalingen
  8. [BIJLAGE 1. Concordantietabellen (verv. decr. 3 juli 2015, art. 40, I: 1 april 2016)]
    1. Concordantietabel 1
    2. Concordantietabel 2.
  9. [BIJLAGE 2. De wegtypes, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, 3° (ing. decr. 3 juli 2015, art. 40, I: 1 april 2016)]

Relaties

Relaties naar documenten

Type Datum Opschrift Datum BS Pagina BS
Gewijzigd bij 20/12/2013 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014 31/12/2013 103775
Gewijzigd bij 20/12/2013 Decreet houdende invoering van een versnelde afbouw in de onroerende voorheffing van het belastbaar kadastraal inkomen van materieel en outillage ten gevolge van nieuwe investeringen 17/01/2014 3826
Gewijzigd bij 04/04/2014 Decreet houdende wijziging van artikel 3.19.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, teneinde de informatiedeling over fiscale gegevens aan lokale besturen te optimaliseren 13/06/2014 44907
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 13/01/2015 1197
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 29/01/2015 7742
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 15/07/2015 46058
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 10/08/2015 50803
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 14/08/2015 52651
Gewijzigd bij 16/10/2015 Decreet houdende invoering van een overgangsmaatregel inzake het eurovignet en houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 23/10/2015 65503
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 29/12/2015 79981
Gewijzigd bij 25/03/2016 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de kilometerheffing betreft 01/04/2016 22195
Gewijzigd bij 01/07/2016 Decreet tot wijziging van de regelgeving voor ruimtelijke uitvoeringsplannen teneinde de planmilieueffectrapportage en andere effectbeoordelingen in het planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen te integreren door wijziging van diverse decreten 19/08/2016 52571
Gewijzigd bij 08/07/2016 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 22/08/2016 52734
Gewijzigd bij 15/07/2016 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de vrijstelling van onroerende voorheffing voor jeugdwerkorganisaties en jeugdverblijfcentra betreft 18/08/2016 52455
Gewijzigd bij 18/11/2016 Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies 13/12/2016 84919
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017 29/12/2016 91053
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 30/12/2016 92086
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet betreffende de wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de terugbetaling van de verkeersbelasting voor gecombineerd vervoer 13/01/2017 1794
Gewijzigd bij 21/04/2017 Decreet houdende wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vermindering van het verkooprecht en de schenkbelasting voor beschermde monumenten 04/05/2017 54673
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 04/07/2017 70088
Gewijzigd bij 30/06/2017 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2017 03/07/2017 69572
Gewijzigd bij 30/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de opcentiemen op de onroerende voorheffing betreft 12/07/2017 72118
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 14/12/2017 111350
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 29/12/2017 116624
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet houdende wijziging van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen en aan bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 16/01/2018 2187
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 21/02/2018 14464
Gewijzigd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 28/05/2018 44142
Gewijzigd bij 08/06/2018 Decreet houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) 26/06/2018 51728
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 24/07/2018 58900
Gewijzigd bij 29/06/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vrijstelling van onroerende voorheffing voor onroerende goederen die als monument beschermd zijn en door de Vlaamse Regering in erfpacht gegeven zijn 25/07/2018 59108
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 20/07/2018 58505
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 30/08/2018 67197
Gewijzigd bij 13/07/2018 Decreet houdende wijziging van bijlage 2 bij de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de kilometerheffing betreft 01/08/2018 60575
Gewijzigd bij 07/12/2018 Decreet Bestuursdecreet 19/12/2018 100723
Gewijzigd bij 07/12/2018 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de belasting op de spelen en weddenschappen en op de automatische ontspanningstoestellen 20/12/2018 101213
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 28/12/2018 105539
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019 28/12/2018 105552
Gewijzigd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 29/04/2019 41197
Gewijzigd bij 05/04/2019 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de wijziging van de voorwaarden voor de vermindering van de onroerende voorheffing bij ingrijpende energetische renovatie betreft 24/04/2019 40199
Gewijzigd bij 19/07/2019 Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van artikel 190 van het decreet van 8 juni 2018 houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) 02/09/2019 83715
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 30/12/2019 119067
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft het verkooprecht voor de verlenging van de domicilietermijn bij aankoop van een woning en voor de uitbreiding van het tarief bij de aankoop van een woning bij ingrijpende energetische renovatie 29/06/2020 47728
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 17/07/2020 54226
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 17/11/2020 81193
Gewijzigd bij 20/11/2020 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de aangifte van automatische ontspanningstoestellen 03/12/2020 84654
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 30/12/2020 97680
Gewijzigd bij 19/03/2021 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de tariefverlaging voor non-profitlegaten en non-profitschenkingen en de invoering van de vriendenerfenis 07/04/2021 31587
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 15/04/2021 33498
Zie ook 20/12/2013 Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (citeeropschrift: "Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013") 31/12/2013 103805
Zie ook 06/01/2014 Besluit van de administrateur-generaal tot vaststelling van de administratieve boete bij overtreding van de wetten op de verkeersbelasting 21/01/2014 5120
Zie ook 02/10/2017 Omzendbrief FB/VLABEL/2017/1. - Omzendbrief betreffende titel 1 en titel 2, hoofdstuk 4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband - materieel toepassingsgebied- kilometerheffing 11/10/2017 92029
Zie ook 23/12/2020 Omzendbrief FB/VLABEL/2020/2 29/12/2020 96026
Wijzigt 18/03/1831 Andere Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen 0
Wijzigt 31/03/1936 Wetboek der Successierechten 07/04/1936 2403
Wijzigt 30/11/1939 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten 01/12/1939 8028
Wijzigt 11/01/1940 Koninklijk Besluit betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten 18/01/1940 215
Wijzigt 23/11/1965 Wetboek van de met inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen 18/01/1966 556
Wijzigt 10/04/1992 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 30/07/1992 17120
Wijzigt 27/12/1994 Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 31/12/1994 32687
Wijzigt 19/04/1995 Decreet houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten 13/09/1995 26062
Wijzigt 03/05/1995 Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats 20/09/1995 26676
Wijzigt 22/12/1995 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 30/12/1995 36108
Wijzigt 06/07/2001 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 10/10/2001 34559
Wijzigt 23/05/2008 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2008 13/06/2008 29872
Wijzigt 15/05/2009 Gecodificeerde decreten Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening [citeeropschrift: "Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening", afgekort "VCRO"] 20/08/2009 54890
Wijzigt 23/12/2010 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011 31/12/2010 83289
Wijzigt 02/03/2012 Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten 14/03/2012 15617
Wijzigt 21/12/2012 Decreet tot wijziging van artikel 257, 258 en 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 7 van het decreet van 23 mei 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2008, wat de vermindering van de onroerende voorheffing voor energiezuinige gebouwen betreft 07/01/2013 278
Wijzigt 05/07/2013 Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten 29/07/2013 47535

Inhoud

TITEL 1 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en definities

Artikel 1.1.0.0.1. (01/01/2014- ...)

Deze codex regelt een gewestaangelegenheid.

Artikel 1.1.0.0.2. (25/04/2021- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 2.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 2.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 105.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 116.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 11.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 19.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 2.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 8.
Gewijzigd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 2.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 2.
Gewijzigd bij 07/12/2018 Decreet Bestuursdecreet IV.240.
Gewijzigd bij 07/12/2018 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de belasting op de spelen en weddenschappen en op de automatische ontspanningstoestellen 2.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 58.
Gewijzigd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 25.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 3.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 3.

Inhoud

In deze codex wordt verstaan onder :
1° belastingen en toebehoren : de belastingen in hoofdsom waarop deze codex van toepassing is, in voorkomend geval met inbegrip van de opcentiemen of de opdeciem, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten;
1° /1 belasting op de automatische ontspanningstoestellen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 13, van deze codex;
1° /2 belasting op de spelen en weddenschappen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 12, van deze codex;
2° belasting op de inverkeerstelling : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 3, van deze codex;
3° belastingplichtige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens hoofde een belasting wordt geheven;
4° belastingschuldige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toepassing van deze codex of het gemeen recht gehouden is tot de betaling van een belasting;
5° bevoegd personeelslid : het personeelslid van de Vlaamse administratie dat wordt aangewezen conform de besluiten van de Vlaamse Regering, en dat belast is met de uitvoering van de bepalingen van deze codex;
5° /1 decreet Kilometerheffing : decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in dat verband;
6° decreet van 19 april 1995 : het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
7° ...;
7° /1 dienstverlener : elke door een tolheffende instantie, vermeld in artikel 4, tweede lid, 2°, van het decreet Kilometerheffing op haar tolgebied, vermeld in artikel 5, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Kilometerheffing toegelaten juridische entiteit die een dienst aanbiedt van facturatie aan gebruikers, inning en afdracht aan de gewesten van de kilometerheffing op basis van gegevens die geregistreerd zijn door een elektronische registratievoorziening;
7° /2 dienstverleningsovereenkomst : de overeenkomst tussen de houder van een voertuig en een dienstverlener naar zijn keuze, die voorafgaand aan het gebruik van enige weg voor dat voertuig moet worden gesloten;
7° /3 elektronische registratievoorziening : de elektronische boordapparatuur bestemd voor de plaatsbepaling van het voertuig waarin de boordapparatuur is geplaatst, die, al dan niet met behulp van elektronische apparatuur op afstand, data uitwisselt om te komen tot de registratie van afgelegde kilometers, alsook tot de berekening van de kilometerheffing op die geregistreerde afstand;
8° entiteit van de Vlaamse administratie: een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement;
9° erfbelasting : verzamelterm voor het successierecht en het recht van overgang;
10° eurovignet : de belasting die tot en met de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband geheven werd overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de toenmalige bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;
10° /1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen: de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex;
11° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92 en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het federale WIB 92;
11° /1 kilometerheffing : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;
12° kinderen : de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot of van de wettelijk samenwonende, alsook de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;
13° leegstandsheffing bedrijfsruimten : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex;
14° onroerende voorheffing : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, van deze codex;
15° recht op hypotheekvestiging : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 11, van deze codex;
16° recht van overgang : de belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
17° registratiebelasting : verzamelterm voor de schenkbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging;
18° rijksinwoner : de natuurlijke persoon die naargelang het geval op het ogenblik van zijn overlijden of op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd of de rechtspersoon die op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn zetel van werkelijke leiding heeft gevestigd;
18° /1 schatter-expert: natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daarvoor beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;
19° schenkbelasting : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8, van deze codex;
20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex;
23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex;
24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex;
25° ...
26° WIB 92 : het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
27° Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
28° Wetboek van Successierechten : het wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten.

In titel 2, hoofdstuk 1, wordt verstaan onder :
1° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
2° gehandicapt kind : een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen;
3° grensarbeider : de persoon die in de grensstreek van een buurland werkt en die volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft in de grensstreek van België, waarnaar hij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.

In titel 2, hoofdstuk 2, wordt verstaan onder :
1° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;
2° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :
a) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
b) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;
d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
Als het voertuig, aangewezen als lichte vrachtauto in de reglementering, vermeld in punt 1°, niet beantwoordt aan een van de voertuigtypes, vermeld in punt a) tot en met d), wordt het, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus;
3° beroepsmatig gebruik : het gebruik van een voertuig voor de rechtstreekse uitoefening van werkzaamheden tegen betaling of met winstoogmerk;
4° persoonlijk gebruik : elk ander gebruik dan beroepsmatig gebruik;
5° gewone verblijfplaats : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst;
6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat, beroepsplaat, nationale plaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;
8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder :
1° wegvoertuigen : de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2° van het vorige lid, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;
2° luchtvaartuigen : de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, als ze ingeschreven zijn of moeten zijn;
3° boten : de jachten en pleziervaartuigen die langer zijn dan 7,5 meter, als daarvoor een vlaggenbrief afgeleverd is of afgeleverd moet zijn;
4° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
5° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :
1° EURO-emissieklasse : de klasse gedefinieerd op basis van de emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;
2° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de dienstverlener, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek kan innen, zonder verdere toelating van de houder van het voertuig en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;
3° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;
4° niet-geconcedeerde weg : de weg of het gedeelte van de weg waarvan het beheer niet in concessie is gegeven;
5° Viapass : het publiekrechtelijk vormgegeven interregionaal samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke instelling als vermeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vermeld in artikel 18 van het samenwerkingsakkoord van 31 januari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de kilometerheffing op het grondgebied van de drie gewesten en tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven Interregionaal Samenwerkingsverband Viapass onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
6° voertuig : een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt;
7° weg : de landwegen en de aanhorigheden ervan.

In titel 2, hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8, wordt verstaan onder :
1° beurswaarde : de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen;
1° /1 bouwgrond: een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld;
2° gehandicapt kind : een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen;
3° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
4° partner :
a) de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker gehuwd is;
b) de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker wettelijk samenwoont, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° verkrijging in rechte lijn :
a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig artikel 736 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben;
b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden;
c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder;
d) een verkrijging door een persoon die met de overledene of de schenker een verwantschapsband had of heeft die voortkomt uit gewone adoptie, maar uitsluitend als daarvoor de nodige bewijsstukken worden aangebracht en als :
1) het adoptiekind een kind is van de partner van de adoptant;
2) het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;
3) het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
4) het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn;
e) een verkrijging tussen ex-partners als er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.

De definitie van kinderen, vermeld in het eerste lid, 12°, en de definitie van vennootschappen, vermeld in het eerste lid, 21°, gelden niet voor de toepassing van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 van titel 2.

In titel 2, hoofdstuk 7, wordt verstaan onder :
1° aanvullende rechten : de erfbelasting, geheven omdat de voorwaarden voor een verlaagd tarief, een vermindering of een vrijstelling niet vervuld zijn, of wegens de toepassing van artikel 3.3.1.0.6, artikel 3.17.0.0.2, of van artikel 2.7.7.0.1 in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte of een aangifte die niet binnen de termijn is ingediend;
2° gezinswoning : de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning. Als aan de samenwoning een einde is gekomen door een feitelijke scheiding van de partners, door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, of door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de partners of van beide partners naar een rust- en verzorgingsinstelling of een assistentiewoning, wordt de laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner als gezinswoning aangemerkt. De aanhorigheden, vermeld in het twaalfde lid, 2°, worden in voorkomend geval geacht deel uit te maken van de gezinswoning.

In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, wordt verstaan onder :
1° registratie : de formaliteit, bepaald overeenkomstig artikel 1 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
2° aanvullende rechten : de registratiebelasting, berekend en geheven ter aanvulling van de registratiebelasting die is berekend en geheven op zicht van de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift of wegens de toepassing van artikel 3.17.0.0.2.

In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, worden lichamelijke roerende voorwerpen, aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, niet beschouwd als onroerende goederen.

In titel 2, hoofdstuk 8, wordt de schenkbelasting, vermeld in het eerste lid, 19°, ook voor de volgende schenkingen geacht gelokaliseerd te zijn in het Vlaamse Gewest :
1° de schenking van roerende of onroerende goederen gedaan door een rijksinwoner-rechtspersoon als de schenker-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de zetel van werkelijke leiding van de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
2° de schenking door een niet-rijksinwoner-rechtspersoon van een in het in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed;
3° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een rijksinwoner als de begiftigde-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding van de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
4° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon als de schenking ter registratie wordt aangeboden in het Vlaamse Gewest.

In titel 2, hoofdstuk 9, wordt in afwijking van het eerste lid verstaan onder :
1° ...;
2° aanhorigheid : elk gebouwd of ongebouwd onroerend goed dat volgens de aard, de ligging, de oppervlakte en de waarde ervan een normale bijhorigheid vormt, al naargelang het geval, hetzij van het huis of de verdieping of het gedeelte van verdieping, hetzij van een op te richten woning;
3° ...;
4° ...;
5° onbebouwd landgoed: het onroerend goed dat bestaat uit een of meer gronden die voor het landbouwbedrijf gebruikt worden of bestemd zijn, met uitsluiting van gebouwen en de grond waarop deze gebouwen zich bevinden;
6° woning : het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen;
7° bouwgrond : een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld;
8° kernsteden: de gemeenten Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde;
9° gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel: de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Halle, Herne, Hoeilaart, Huldenberg, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst.

In titel 2, hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt verstaan onder Kansspelwet van 7 mei 1999: de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.

In titel 2, hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt, overeenkomstig artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, verstaan onder automatisch ontspanningstoestel: een toestel dat dient tot ontspanning en een mechanisch, elektrisch of elektronisch onderdeel bevat om het op gang te brengen, te laten werken of te bedienen, en dat gestart wordt door de inbreng van een geldstuk, van een penning of van een ander middel dat daarvoor in de plaats komt.

Artikel 1.1.0.0.3. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 33.

Inhoud

De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van artikel 1.3 en boek 3, deel 5, titel 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.

Artikel 1.1.0.0.4. (01/01/2014- ...)

De Vlaamse Regering kan eenieder die onderhevig is aan de bepalingen van deze codex de verplichting opleggen om documenten en formulieren te gebruiken waarvan ze de inhoud en het gebruik bepaalt.

TITEL 2 Belastingheffing

Hoofdstuk 1 Onroerende voorheffing

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.1.1.0.1. (01/01/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 249 van het federale WIB 92 wordt de belasting geheven op inkomsten uit onroerende goederen, gelegen in het Vlaamse Gewest.

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.1.2.0.1. (01/01/2014- ...)

De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van de belastbare goederen.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.1.3.0.1. (01/01/2014- ...)

De onroerende voorheffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de belastbare goederen dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is.

Artikel 2.1.3.0.2. (01/01/2014- ...)

Voor de vaststelling van de belastbare grondslag wordt geen rekening gehouden met de vermindering overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92.

Afdeling 4 Tarieven

Artikel 2.1.4.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 20/12/2013 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014 3.
Gewijzigd bij 18/11/2016 Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies 30.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 19.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 5.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 34.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 4.

Inhoud

§ 1. Het tarief van de onroerende voorheffing bedraagt 3,97 %.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,54 % voor :
1° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;
2° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;
3° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
4° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;
5° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan een erkend sociaal verhuurkantoor;
6° ...;
7° de eigendommen die toebehoren aan rechtspersonen, erkend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en die gebruikt worden voor wooninfrastructuur voor personen met een handicap, vermeld in artikel 2, 2°, van hetzelfde decreet, die een duidelijk vastgestelde behoefte aan zorg en ondersteuning hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de behoefte aan zorg en ondersteuning wordt vastgesteld.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.

§ 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een erkend sociaal verhuurkantoor worden gehuurd met toepassing van en conform de voorwaarden, vermeld in artikel 4.55, tweede en derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in artikel 4.168 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een erkend sociaal verhuurkantoor. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.

De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;
2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.

Artikel 2.1.4.0.2. (01/01/2018- 31/12/2022)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 18/11/2016 Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies 31.

Commentaar

Deze versie treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2018.

Inhoud

§ 1. Overeenkomstig artikel 464/1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zijn de provincies, gemeenten en de agglomeraties gemachtigd om opcentiemen op de onroerende voorheffing te heffen.

§ 2. Voor iedere gemeente van het Vlaamse Gewest mag het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, op zichzelf de opbrengst van de gemeentelijke opcentiemen van het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt niet verhogen ten opzichte van het vorige aanslagjaar.
Als een gemeente de opbrengst van haar deel in die onroerende voorheffing evenwel wil wijzigen, geeft ze dat expliciet aan in haar beslissing en vermeldt ze afzonderlijk :
1° het aantal opcentiemen dat nodig is om, op haar niveau, dezelfde opbrengst te verkrijgen als in het aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt;
2° het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt daadwerkelijk wordt geheven.

§ 3. Voor iedere provincie van het Vlaamse Gewest mogen de provinciale opcentiemen niet meer bedragen dan :
1° voor de provincie Antwerpen : 145,33 opcentiemen;
2° voor de provincie Limburg : 214,52 opcentiemen;
3° voor de provincie Oost-Vlaanderen : 148,47 opcentiemen;
4° voor de provincie Vlaams-Brabant : 171,75 opcentiemen;
5° voor de provincie West-Vlaanderen : 186,22 opcentiemen.

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.1.5.0.1. (04/05/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 8.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 98.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017 41.
Gewijzigd bij 18/11/2016 Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies 32.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 3.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 5.
Gewijzigd bij 05/04/2019 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de wijziging van de voorwaarden voor de vermindering van de onroerende voorheffing bij ingrijpende energetische renovatie betreft 2.

Commentaar

Bericht in verband met de automatische indexering inzake onroerende voorheffing. - Aanslagjaar 2021 (B.S. 25 januari 2021, p. 3652)
A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 0,6487 zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1996 (100) en het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2020 (154,16 - basis 1996).
B. Het tarief van de onroerende voorheffing op materieel en outillage, zoals bepaald in artikel 2.1.4.0.1, § 3, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 voor het Vlaamse Gewest 2,58 % (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 3,97% met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).
C. De coëfficiënt vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 1,5416 zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2020 (154,16 - basis 1996) en het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1996 (100).
D. De tabel hieronder vermeldt de bedragen uit artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, geïndexeerd overeenkomstig de onder punt C. supra vermelde coëfficiënt. Deze bedragen zijn van toepassing voor de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest voor het aanslagjaar 2021.
aantal kinderen dat in
aanmerking komt
bedrag van de
vermindering in euro
2 13,22
3 20,93
4 29,30
5 38,41
6 48,17
7 58,67
8 69,91
9 81,81
10 94,50

E. De verhoging van de vermindering bedoeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 voor het Vlaamse Gewest 13,22 euro.

Inhoud

§ 1. Er wordt een vermindering verleend van :
1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
2° de onroerende voorheffing berekend volgens de volgende tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
 

"aantal kinderen dat in aanmerking komt totaalbedrag van de vermindering in euro
2 8,58
3 13,58
4 19,01
5 24,92
6 31,25
7 38,06
8 45,35
9 53,07
10 61,30


Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met 8,58 euro. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met 8,58 euro worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal;
3° de onroerende voorheffing per gehandicapte persoon, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de gehandicapte persoon volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.

§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :
1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
2° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;
3° 40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;
4° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning na 31 december 2012 is ingediend en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de onderstaande tabel:
 

datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouw E-peil ingrijpende energetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50 /
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 E40 /
vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 E30 /
vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2019 E30 E90
vanaf 1 januari 2020 E30 /

5° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben volgens de volgende tabel:

datum aanvraag stedenbouwkundigevergunning E-peil nieuwbouw E-peil ingrijpende energetische renovatie
datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouw E-peil ingrijpendeenergetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 E30 /
Vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 E30 /
Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 E20 /
vanaf 1 oktober 2016 E20 E60


Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend.

De termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2009.

De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2014.

Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.

Bij de overdracht van een onroerend goed waarvoor een vermindering als vermeld in het eerste lid, is verleend, wordt de vermindering vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de overdracht, verder toegekend aan de verkrijger van het goed, voor de nog resterende aanslagjaren in de periode van tien jaar of vijf jaar.

 

Artikel 2.1.5.0.2. (01/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 20.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 4.

Inhoud

§ 1. Op aanvraag van de belastingschuldige wordt :
1° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, op 50 % gebracht voor een tijdperk van vijf jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, als het een woning betreft die de belastingplichtige heeft laten bouwen of nieuw gebouwd heeft aangekocht;
2° een vermindering van 20 % van de onroerende voorheffing verleend voor de woning die wordt betrokken door een oorlogsverminkte die het voordeel geniet van artikel 13 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;
3° een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend als het belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92 kan worden verminderd;
4° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders die ingevolge de regelgeving in het land waar de grensarbeiders zijn tewerkgesteld, van ieder stelsel van gezinsbijslag zijn uitgesloten, als ze volgens de Belgische regelgeving inzake gezinsbijslag in aanmerking zouden komen voor kinderbijslag.

§ 2. Voor onroerende goederen die langer dan twaalf maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, kan de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, alleen worden verleend voor :
1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;
2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale woonorganisatie of in opdracht van een overheid;
3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen.

De kwijtschelding of proportionele vermindering voor het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

Artikel 2.1.5.0.3. (01/01/2014- ...)

De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 5°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°.

Artikel 2.1.5.0.4. (01/01/2014- ...)

De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de gehandicapte persoon behoren.

Artikel 2.1.5.0.5. (01/01/2014- ...)

Als de grens van 745 euro, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, wordt overschreden, blijft de vermindering van 25 % ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang :
1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
2° het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg is van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens die van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1980;
3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 euro.

Artikel 2.1.5.0.6. (09/06/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 8.

Inhoud

...

Artikel 2.1.5.0.7. (01/01/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 18/11/2016 Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies 34.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 6.
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 30.

Commentaar

Deze versie is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2020.

Inhoud

Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan :
1° ...;
2° ...;
3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.1.6.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 20/12/2013 Decreet houdende invoering van een versnelde afbouw in de onroerende voorheffing van het belastbaar kadastraal inkomen van materieel en outillage ten gevolge van nieuwe investeringen 2.
Gewijzigd bij 29/06/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vrijstelling van onroerende voorheffing voor onroerende goederen die als monument beschermd zijn en door de Vlaamse Regering in erfpacht gegeven zijn 2.
Gewijzigd bij 15/07/2016 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de vrijstelling van onroerende voorheffing voor jeugdwerkorganisaties en jeugdverblijfcentra betreft 2.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017 42.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 9.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 9.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 6.
Zie ook 30/10/2014 Omzendbrief FB/VLABEL/2014.1. - Wijziging van de vrijstellingsregeling van onroerende voorheffing voor investeringen in nieuw materieel en nieuwe outillage naar aanleiding van de invoering van een versnelde afbouwregeling

Inhoud

Op aanvraag van de belastingschuldige wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;
2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;
3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;
4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;
5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;
6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;
7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;
8° de als monument beschermde onroerende goederen of delen ervan die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een vereniging of stichting die is opgericht overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en waarvan de hoofddoelstelling erin bestaat een of meer beschermde onroerende goederen waarvan ze eigenaar of erfpachter is, in stand te houden, te beheren en te ontsluiten;
9° de onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92 voor het gedeelte dat overeenstemt met het kadastraal inkomen van de nieuwe onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2014 en voor 1 januari 2020. Die vrijstelling kan cumulatief worden genoten met de vrijstellingen, vermeld in punt 4° tot en met punt 6°;
10° de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het voormelde decreet.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt.

De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als de leasingovereenkomsten of vergelijkbare overeenkomsten, vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, begrepen.

In afwijking van het eerste lid, 4° en 9°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft.

De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 9°.

Artikel 2.1.6.0.2. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 7.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 35.

Inhoud

Op aanvraag van de belastingschuldige wordt ook een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van:
1° de onroerende goederen die zijn gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een winkelarm gebied liggen en die op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meerdere woningen;
2° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;
3° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:
a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.

In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° kernwinkelgebied: een kernwinkelgebied als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
2° kleinhandelsactiviteit: de categorieën van kleinhandelsactiviteit, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet;
3° winkelarm gebied: een winkelarm gebied als vermeld in artikel 2, 8°, van het voormelde decreet.

De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar.

De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de effectieve bewoning die blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister binnen vijf jaar na de voorlopige oplevering van de ombouwwerken.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verleend voor het gedeelte dat is bestemd voor huisvesting.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar dat het onroerend goed niet meer voorkomt in de inventaris en wordt in voorkomend geval beperkt tot het gedeelte van het bedrag van de belasting dat, inclusief de provinciale en gemeentelijke opcentiemen, per woning niet hoger is dan 1000 euro of per bedrijfsruimte niet hoger is dan 4000 euro.

De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de aanvraag van de vrijstellingen bepalen.

Artikel 2.1.6.0.3. (01/01/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 15/07/2016 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de vrijstelling van onroerende voorheffing voor jeugdwerkorganisaties en jeugdverblijfcentra betreft 3.

Commentaar

Dit artikel treedt in werking vanaf aanslagjaar 2016 (zie decreet 15 juli 2016, B.S. 18 augustus 2016, art. 4)

Inhoud

Aan de belastingschuldige wordt een automatische vrijstelling van onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, die gebruikt worden door landelijk georganiseerde jeugdverenigingen die gesubsidieerd worden overeenkomstig het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid en hun lokale afdelingen of door lokale jeugdwerkinitiatieven waarvan het gemeentebestuur bevestigt dat ze beantwoorden aan de definitie zoals bepaald in artikel 9, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet;
2° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, gebruikt als sociaal-toeristisch verblijf, die het label jeugdtoerisme hebben overeenkomstig artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van `Toerisme voor Allen'.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.1.7.0.1. (01/01/2014- ...)

 De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°.

Hoofdstuk 2 Verkeersbelasting

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.2.1.0.1. (01/01/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 3 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de stoom- of motorvoertuigen dienende hetzij tot het vervoer van personen, hetzij tot het vervoer van goederen of van om het even welke voorwerpen over de wegen.

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.2.2.0.1. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 9.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 9.

Inhoud

§ 1. De belastingplichtige is degene die een of meer van de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, aanwendt voor eigen gebruik of ze exploiteert, hetzij als ze zijn eigendom of persoonlijk bezit zijn, hetzij als hij er bestendig of gewoonlijk over beschikt door huur of andere overeenkomst.

§ 2. De belasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De bedoelde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, de lijkwagens, de aanhangwagens en opleggers met een maximaal toegestane totaalgewicht tot 3500 kg.

Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de voertuigen van alle aard die niet worden bedoeld in het eerste lid;
2° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.2.3.0.1. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 10.

Inhoud

De belasting wordt, naargelang van het geval, vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, van zijn cilinderinhoud of van het maximaal toegestane totaalgewicht van het voertuig, vastgesteld door de bevoegde overheid, tenzij anders is bepaald in deze codex.

Artikel 2.2.3.0.2. (01/01/2014- ...)

§ 1. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) wordt berekend volgens de volgende formule : pk = k * d2 * c * n.

§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° d = de cilinderboring, in meter;
2° c = de zuigerslag, in meter;
3° n = het aantal cilinders;
4° k = een coëfficiënt in functie van de cilinderboring, vermeld in de volgende tabel :

cilinderboring in millimeter tot en met coëfficiënt
69 6000
70 5887
71 5777
72 5672
73 5570
74 5471
75 5376
76 5284
77 5194
78 5108
79 5024
80 4943
81 4864
82 4788
83 4714
84 4642
85 4572
86 4504
87 4438
88 4373
89 4310
90 en meer 4250


Voor de voertuigen waarvan de motor met zware olie wordt aangedreven en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, wordt de coëfficiënt k vastgesteld als volgt :
1° cilinderboring tot en met 89 : 3400;
2° cilinderboring 90 en meer : 3500.

Cilinderboring en zuigerslag worden uitgedrukt in millimeter. Gedeelten van een millimeter worden voor een millimeter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve millimeter overschrijden.

§ 3. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) mag echter niet hoger zijn dan het belastbaar vermogen dat wordt berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * Cy + Gew / 4.

§ 4. De parameters, vermeld in paragraaf 3, worden gedefinieerd als volgt :
1° Cy = de cilinderinhoud van de motor, in liter;
2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.

Gedeelten van een deciliter worden voor een deciliter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.

Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.

Artikel 2.2.3.0.3. (01/01/2014- ...)

§ 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met motoren met draaiende zuigers, berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * V + Gew / 4.

§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° V = het nuttige volume van de verbrandingskamers, in liter;
2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.

Het nuttige volume van de verbrandingskamers is gelijk aan de gemiddelde cilinderinhoud van motoren met heen- en weergaande zuigers, waarvan de werkelijke motorkracht volgens de normen die aangenomen zijn door de automobielconstructeurs, overeenstemt met die van motoren met draaiende zuigers.

Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.

Artikel 2.2.3.0.4. (01/01/2014- ...)

In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met elektromotoren, berekend volgens de volgende formule : pk = 0,0012 * n * e * i.

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° n = het aantal elementen;
2° e = de gemiddelde elektromotorische kracht aan de klemmen van een element bij gewone regeling, in volt;
3° i = de gemiddelde sterkte van de stroom bij dezelfde regeling, in ampère.

Artikel 2.2.3.0.5. (01/01/2014- ...)

Het belastbaar vermogen van de motor van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die niet zijn uitgerust met elektromotoren en die vanaf 1 januari 1972 in de belasting moeten worden aangegeven, wordt uitsluitend berekend volgens de formules, vermeld in artikel 2.2.3.0.2, § 3, en artikel 2.2.3.0.3, § 1, waarin de parameter Gew / 4 wordt vervangen door een coëfficiënt in functie van de cilinderinhoud van de motor of van het nuttige volume van de verbrandingskamers, vermeld in de volgende tabel :

cilinderinhoud of nuttig volume
van de verbrandingskamers, in liter
coëfficiënt
tot en met 0,9 1,50
1 tot met 1,2 1,75
1,3 tot en met 1,5 2,00
1,6 en 1,7 2,25
1,8 en 1,9 2,50
2 en 2,1 2,75
2,2 en 2,3 3,00
2,4 tot en met 2,6 3,25
2,7 tot en met 3,3 3,50
3,4 tot en met 3,9 3,75
4 tot en met 4,9 4,00
5 tot met 5,9 4,50
6 en meer 5,00

Artikel 2.2.3.0.6. (01/01/2014- ...)

De opname en de controle van de elementen die nodig zijn voor de vaststelling van het belastbaar vermogen en het belastbaar gewicht, gebeuren door middel van aanduidingen op facturen, in catalogussen, beschrijvende handleidingen, weegbons of in andere bewijskrachtige documenten.

Zo nodig gaat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie over tot het wegen van het voertuig of tot een grondig onderzoek ervan.

Artikel 2.2.3.0.7. (01/01/2014- ...)

De plaats, de datum en het uur van de weging of van het volledige onderzoek van het voertuig worden ten minste vijf dagen vooraf meegedeeld aan de betrokkenen, die ertoe gehouden zijn het voertuig in bedrijfsvaardige toestand aan te bieden.

Artikel 2.2.3.0.8. (01/01/2014- ...)

Breuken van fiscale paardenkracht worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de helft overschrijden.

Breuken van deciliter van de cilinderinhoud worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.

Afdeling 4 Tarieven

Artikel 2.2.4.0.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 10.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 106.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 12.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 3.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 11.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 54.

Inhoud

§ 1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld.

§ 2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :

 
aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro
4 en minder 69,72
5 87,24
6 126,12
7 164,76
8 203,76
9 242,64
10 281,16
11 364,92
12 448,56
13 532,08
14 615,84
15 699,48
16 916,20
17 1133,16
18 1350,00
19 1566,36
20 1783,20
meer dan 20 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20

 § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en desgevallend de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd overeenkomstig de volgende tabel:

 
Euronorm Benzine en andere brandstoffen Diesel
euro 0 30 % 50 %
euro 1 10 % 40 %
euro 2 5 % 35 %
euro 3 0 % 30 %
euro 3 + roetfilter / +25 %
euro 4 - 12,5 % 25 %
euro 4 + roetfilter / 17,5 %
euro 5 of EEV - 15 % 17,5 %
euro 6 - 15 % 15 %


In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

 § 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

§ 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht.

§ 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:
1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
 
euronorm benzine en andere brandstoffen diesel
euro 0 +30% +50%
euro 1 +10% +40%
euro 2 +5% +35%
euro 3 0% +30%
euro 3 met roetfilter / +25%
euro 4 -12,5% +25%
euro 4 met roetfilter / +17,5%
euro 5 of EEV -15% +17,5%
euro 6 -15% +15%

In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

§ 3/2. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 2500 kilogram en 3500 kilogram niet overschrijdt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa.

In functie van de euronorm van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
 
euronorm percentage
euro 0 + 35%
euro 1 + 25%
euro 2 + 20%
euro 3 + 15%
euro 3 met roetfilter + 10%
euro 4 + 10%
euro 4 met roetfilter + 2,5%
euro 5 of EEV + 2,5%
euro 6 0%

In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

§ 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

§ 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.

§ 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.

Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
 
aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro
11 51,48
12 59,04
13 67,08
14 75,60
15 84,60
16 94,08
17 104,04
18 114,48
19 125,40
20 136,80
21 148,68
22 161,04
23 173,88
24 187,20
25 201,00
26 215,28
27 230,04
28 245,28
29 261,00
30 277,20
31 293,88
32 311,04
33 328,68
34 346,80
35 365,40
36 384,48
37 404,04
38 424,08
39 444,60
40 465,60
41 487,08
42 509,04
43 531,48
44 549,12
meer dan 44 549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44

§ 6. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton, bedraagt de belasting 0 euro.

Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :
1° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;
MOTORVOERTUIGEN
 
aantal assen en MTT (in ton) tarief (in euro/jaar)
Gelijk aan of meer dan minder dan luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering (*) van de aangedreven as(sen) andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen)
2 assen
12 13 0 31
13 14 31 86
14 15 86 121
15    121 274
3 assen
15 17 31 54
17 19 54 111
19 21 111 144
21 23 144 222
23 25 222 345
25    222 345
4 assen
23 25 144 146
25 27 146 228
27 29 228 362
29 31 362 537
31    362 537
(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

2° voor de samengestelde voertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel de som van het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van de voertuigen die deel uitmaken van het samenstel.
COMBINATIES (GELEDE VOERTUIGEN EN SAMENSTELLEN)
 
aantal assen en MTT (in ton) tarief (in euro/jaar)
Gelijk aan of meer dan minder dan luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering (*) van de aangedreven as(sen) andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen)
2 + 1 assen
12 14 0 0
14 16 0 0
16 18 0 14
18 20 14 32
20 22 32 75
22 23 75 97
23 25 97 175
25    175 307
2 + 2 assen
23 25 30 70
25 26 70 115
26 28 115 169
28 29 169 204
29 31 204 335
31 33 335 465
33 36 465 706
36    465 706
2 + 3 assen
36 38 370 515
38    515 700
3 + 2 assen
36 38 327 454
38 40 454 628
40    628 929
3 + 3 assen
36 38 186 225
38 40 225 336
40    336 535
(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

De bedragen, vermeld in de tabellen in het tweede lid, omvatten reeds de opdeciem, vermeld in artikel 2.2.4.0.5, § 2, eerste lid.

§ 7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang het maximaal toegestane totaalgewicht niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden.

In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige een natuurlijke persoon is of een andere rechtspersoon dan een vennootschap, autonoom overheidsbedrijf en vereniging zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

§ 8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel :
 
MTT in kg totaalbedrag van de belasting in euro
van tot en met  
0 1500 84
1501 3500 120
3501 7999 132
8000 10.999 168
11.000 > 11.000 264
 


Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°.

Artikel 2.2.4.0.2. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 127.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 4.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 7.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.2.4.0.1 bedraagt de belasting 31,61 euro voor :
1° de voertuigen die bij het ontstaan van de belastingplicht sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;
1/1° de voertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
b) in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
c) in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
d) in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
e) in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
f) in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;
2° de kampeeraanhangwagens en de aanhangwagens die speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één boot.

Artikel 2.2.6.0.3, eerste lid, artikel 2.2.6.0.4, artikel 3.3.2.0.1 en artikel 3.4.7.0.3 zijn niet van toepassing op de belasting, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Als de belastingplichtige belasting voor een voertuig is verschuldigd, mag de belasting voor dat voertuig niet minder dan 31,61 euro bedragen.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.

Artikel 2.2.4.0.3. (01/07/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 107.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 5.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2017.

* Zie bericht BS 26 juni 2018. Nieuwe tarieven vanaf 1 juli 2018.

* Zie bericht BS 24 juni 2019. Nieuwe tarieven vanaf 1 juli 2019.


* Zie bericht BS 18 juni 2020 Nieuwe tarieven vanaf 1 juli 2020

Overeenkomstig artikel 2.2.4.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn de bedragen voor het berekenen van de tarieven van de verkeersbelasting, in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van § 2/1, § 3, § 3/1 en § 3/2, en artikel 2.2.4.0.2, deze die van toepassing waren op 1 juli 2013.

Overeenkomstig artikel 2.2.4.0.3 en 2.3.4.1.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn de bedragen voor het berekenen van de tarieven van de verkeersbelasting, in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, en van de belasting op de inverkeerstelling, in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.3, deze die van toepassing waren op 1 juli 2015.

Overeenkomstig artikel 2.2.4.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn de bedragen voor het berekenen van de tarieven van de verkeersbelasting, in artikel 2.2.4.0.1, § 3, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, deze die van toepassing waren op 1 juli 2017.

Deze bedragen worden jaarlijks op 1 juli aangepast aan de schommelingen van de consumptieprijsindex. Om aan te sluiten bij de economische realiteit wordt voor de toe te passen index gebruik gemaakt van het laatst gepubliceerde referentiejaar. Voor dit jaar betreft dit het referentiejaar 2013 (BS 13 februari 2014).
Verkeersbelasting

Voor de voertuigen die vermeld zijn in de eerste kolom van de tabellen hierna en waarvoor de belastingschuld ontstaat vanaf 1 juli 2020, wordt de verkeersbelasting berekend volgens de tarieven opgenomen in de tweede kolom van bedoelde tabellen.

Voor het bepalen van deze nieuwe tarieven is rekening gehouden met de algemene indexcijfers (basis 2013) van de maanden mei 2019 (108,93) en mei 2020 (109,45).
 
Voertuigen Tarieven vanaf 1 juli 2020
Personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen (artikel 2.2.4.0.1, § 2, VCF):  
4 PK en minder 76,32
5 PK 95,52
6 PK 138,00
7 PK 180,36
8 PK 223,08
9 PK 265,68
10 PK 307,80
11 PK 399,60
12 PK 491,16
13 PK 582,60
14 PK 674,40
15 PK 765,96
16 PK 1.003,32
17 PK 1.240,92
18 PK 1.478,28
19 PK 1.715,28
20 PK 1.952,76
Meer dan 20 PK 1.952,76 verhoogd met 106,44 per paardenkracht boven de 20
Motorfietsen (artikel 2.2.4.0.1, § 4, VCF) 54,12
Autobussen en autocars (artikel 2.2.4.0.1, § 5, VCF) 76,59
Voertuigen van meer dan 30 jaar oud,  
Voertuigen die voldoen aan de voorwaarden voor de overgangsperiode voor oldtimers,  
Kampeeraanhangwagens en aanhangwagens speciaal ontworpen voor het vervoer van één boot, 34,62
Minimumbelasting voor algemene toepassing (artikel 2.2.4.0.2 VCF)  
Aanhangwagens en opleggers (artikel 2.2.4.0.1, § 7, VCF):  
met een MTT van 0 tot 500 kg 35,64
met een MTT van 501 tot 3500 kg 74,16

Voor de bedragen in de VCF die van toepassing waren op 1 juli 2013
In 2019 toegepaste coëfficiënt: 1,0899.
Algemeen indexcijfer mei 2020 (basis 2013) / algemeen indexcijfer mei 2019 (basis 2013) = 109,45/108,93 = 1,0048
Coëfficiënt van toepassing in 2020: 1,0899 * 1,0048 = 1,0951
 
Voertuigen Tarieven vanaf 1 juli 2020
Minimumbelasting personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven en voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten (artikel 2.2.4.0.2, § 1/1 VCF) 43,40
Belastingvermindering lpg-voertuigen voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten (artikel 2.2.5.0.4 VCF) 108,48

Voor de bedragen in de VCF die van toepassing waren op 1 juli 2015
In 2019 toegepaste coëfficiënt: 1,0799.
Algemeen indexcijfer mei 2020 (basis 2013) / algemeen indexcijfer mei 2019 (basis 2013) = 109,45/108,93 = 1,0048
Coëfficiënt van toepassing in 2020: 1,0799 * 1,0048 = 1,0851
 
Voertuigen Tarieven vanaf 1 juli 2020
Lichte vrachtauto's, lijkwagens, alleenrijdende landbouwtractoren en alleenrijdende trekkers, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere personen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten (artikel 2.2.4.0.1, § 3, § 3/1, eerste lid en § 3/2, eerste lid VCF) 20,04
Minimumbelasting lichte vrachtauto's, lijkwagens, alleenrijdende landbouwtractoren en alleenrijdende trekkers voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere personen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten (artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid en § 3/2, derde lid VCF) 41,70

Voor de bedragen in de VCF die van toepassing waren op 1 juli 2017
In 2019 toegepaste coëfficiënt: 1,0374.
Algemeen indexcijfer mei 2020 (basis 2013) / algemeen indexcijfer mei 2019 (basis 2013) = 109,45/108,93 = 1,0048
Coëfficiënt van toepassing in 2020: 1,0374 * 1,0048 = 1,0424
Belasting op de inverkeerstelling
 
Art. 2.3.4.1.2, tweede lid, 4° , VCF
Brandstofsoort Euronorm Tarieven vanaf 1 juli 2020
Diesel    
   euro 0 3.106,80
   euro 1 911,48
   euro 2 675,55
   euro 3 535,34
   euro 3 + roetfilter 506,81
   euro 4 506,81
   euro 4 + roetfilter 498,44
   euro 5 498,44
   euro 6 492,71
     
Benzine, lpg en aardgas euro 0 1.235,69
   euro 1 552,62
   euro 2 165,25
   euro 3 103,66
   euro 4 24,88
   euro 5 22,36
   euro 6 22,36
 
Art. 2.3.4.1.3 VCF Tarieven vanaf 1 juli 2020
minimum 45,56
maximum 11.391,05
eerste maal in verkeer gesteld = 30 jaar geleden of vallend onder de overgangsperiode voor oldtimers 45,56

Voor de bedragen in de VCF die van toepassing waren op 1 juli 2015
In 2019 toegepaste coëfficiënt: 1,0799.
Algemeen indexcijfer mei 2020 (basis 2013) / algemeen indexcijfer mei 2019 (basis 2013) = 109,45/108,93 = 1,0048
Coëfficiënt van toepassing in 2020: 1,0799 * 1,0048 = 1,0851

Inhoud

De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste lid, § 3/2, eerste lid, en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid,  artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, derde lid, en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1 en § 3/2, en artikel 2.2.4.0.2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 3, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2017.

De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.

Artikel 2.2.4.0.4. (01/10/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 59.

Inhoud

De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk.

De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9°, 11° en 15°.

Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro.

Artikel 2.2.4.0.5. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 8.

Inhoud

§ 1. Overeenkomstig artikel 42 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de verkeersbelasting of enigerlei belasting op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, behoudens wat betreft de vaartuigen, de bootjes, de bromfietsen en de motorfietsen respectievelijk bedoeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 6° en 10° .

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de gemeenten een opdeciem geheven op de verkeersbelasting die het Vlaamse Gewest op autovoertuigen heft.

Als de gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van gemeenten, wordt 20 % van de opbrengst van die opdeciem toegekend aan de agglomeratie van gemeenten.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de opdeciem niet toegepast op de belasting op :
1° voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
2° ...

Artikel 2.2.4.0.6. (01/07/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 108.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 6.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2017.

Inhoud

Als de euronorm van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2, bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het voertuig, vermeld in de volgende tabel:
 

Datum van de eerste inschrijving van het voertuig in het binnenland of in het buitenland Euronorm
tot en met 31 december 1993 euro 0
vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1
vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2
vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5
vanaf 1 september 2015 euro 6

Artikel 2.2.4.0.7. (01/07/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 109.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 7.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2017.

Inhoud

Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
 

Brandstofsoort Cilinderinhoud in cc Euronorm
    6 5 4 3 2 1 0
    CO2-emissies in g/km
Benzine en andere branstoffen, met uitzondering van aardgas en diesel minder dan 1 400 117 125 140 150 164 173 175
   1 400 tot en met 2 000 150 159 172 185 200 211 213
   meer dan 2 000 228 238 247 259 279 295 297
Diesel minder dan 1 400 98 103 120 116 125 132 133
   1 400 tot en met 2 000 117 125 144 151 163 173 174
   meer dan 2 000 159 169 201 199 214 226 228
Aardgas minder dan 1 400 94 100 112 120 131 139 140
   1 400 tot en met 2 000 120 127 138 148 160 169 171
   meer dan 2 000 182 190 198 207 223 236 238

Artikel 2.2.4.0.8. (01/07/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 110.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 8.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2017.

Inhoud

De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in voertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan: de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het voertuig volgens de geldende Europese regelgeving.

Een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2, is een halfopen of een gesloten roetfilter.

Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij voertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.

Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij voertuigen als de premie-aanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.

Artikel 2.2.4.0.9. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 111.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 9.

Inhoud

De belasting voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, wordt berekend op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk zoals deze van toepassing waren vóór 1 januari 2016, meer bepaald wat betreft de tarieven, vermeld in deze afdeling, de verminderingen, vermeld in afdeling 5, en de vrijstellingen, vermeld in afdeling 6.

Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de  zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.2.5.0.1. (01/01/2014- ...)

De belasting wordt verminderd met 25 % voor elk voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, dat bij het ontstaan van de belastingplicht sedert ten minste vijf jaar in het verkeer is gebracht. De datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht, is die welke op het inschrijvingsbewijs van het voertuig is vermeld.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend voor aanhangwagens die uitsluitend worden getrokken door voertuigen als vermeld in het eerste lid.

Artikel 2.2.5.0.2. (01/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 8.

Commentaar

Deze versie treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2019.

Inhoud

...

Artikel 2.2.5.0.3. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 10.

Inhoud

De belasting wordt met 10 % verminderd als ze is verschuldigd krachtens een regelmatige aangifte, ingediend door een belastingplichtige die op 1 januari van het aanslagjaar, en dit tot minstens 30 juni drie of meer motorvoertuigen aangeeft die zijn geïnvesteerd in een handels- of nijverheidsbedrijf en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars.

Artikel 2.2.5.0.4. (01/07/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 112.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 9.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2017.

Inhoud

Voor de voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting verminderd met 100 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.2.4.0.1 tot en met 2.2.4.0.3, maar zonder toepassing van de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en § 5, en in artikel 2.2.4.0.2, § 2.

Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, lijkwagens, en alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.2.6.0.1. (01/10/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 12.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 9.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 11.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 60.

Inhoud

§ 1. Met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met het maximaal toegestane totaalgewicht van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor gemeenschappelijk vervoer van personen krachtens :
a) een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van openbare autobusdiensten of van bijzondere autobusdiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
b) een machtiging afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg of een vergunning afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer;
c) een concessie van de openbare machten;
3° de ziekenauto's die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonden en zieken;
4° de personenauto's die als persoonlijk vervoermiddel worden gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door personen met een handicap;
5° de voertuigen die uitsluitend op proef worden gebruikt door de fabrikanten of handelaars of door hun bedienden;
6° de vaartuigen en bootjes;
7° de eigenlijke tractoren, de voertuigen-werktuigmachines die speciaal zijn ontworpen voor de landbouw, en de aanhangwagens, als die voertuigen uitsluitend worden gebruikt om landbouwarbeid te verrichten, zelfs als ze het personeel, de voorwerpen of de producten vervoeren die daarvoor onmisbaar zijn en om de vruchten van de uitvoering van die arbeid te vervoeren naar om het even welke plaats van de onderneming van de landbouwer voor de rekening van wie de werken zijn uitgevoerd. Voor zover hij er eigenaar van is of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft, mag de landbouwer die voertuigen, met vrijstelling van belasting, ook gebruiken voor het vervoer van vee, waren of goederen, die voortkomen van zijn landbouwbedrijf of ervoor zijn bestemd, alsook van brandhout, bestemd voor eigen verbruik. Dat geldt ook als die voertuigen toebehoren aan een van de leden van een groep landbouwers die, zij het tijdelijk, in gemeenschap werken, en als er vee, waren of goederen mee worden vervoerd die voortkomen van het bedrijf van een van hen of die ervoor zijn bestemd;
8° ...;
9° ...;
10° de bromfietsen en de motorfietsen voorzien van een motor met een cilinderinhoud van maximaal 250 kubieke centimeter;
11° de autovoertuigen die uitsluitend aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder;
12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven;
13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing;
14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit;
15° de voertuigen voorzien van een nationale plaat.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.

De volgende voertuigen komen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 11° :
1° de autovoertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg of in het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer, en die ingericht zijn krachtens een vergunning die regelmatig afgeleverd is ter uitvoering van de voormelde decreten;
2° de autovoertuigen die, naar constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, en die, met uitsluiting van elk ander gebruik, met bestuurder worden verhuurd om personen te vervoeren, op voorwaarde dat de duur van elke verhuring niet meer dan één dag bedraagt en dat de verhuring op het voertuig en niet op elk van de plaatsen slaat;
3° de autovoertuigen die tegelijk worden gebruikt voor taxidiensten als vermeld in 1°, en voor verhuring met bestuurder als vermeld in 2°.

§ 2. Wat betreft de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met het maximaal toegestane totaalgewicht van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor onderhoud en beheer van de wegen en die als zodanig geïdentificeerd zijn;
2° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing.

§ 3. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, kunnen alleen worden verleend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk.

Aan het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, is voldaan in al de volgende gevallen:
1° als het voertuig in kwestie door de aard ervan maar af en toe gebruikmaakt van de openbare weg. De Vlaamse Regering bepaalt welke voertuigen hieronder vallen;
2° als het voertuig in kwestie maximaal vijfhonderd kilometer per kalenderjaar aflegt op de wegen of de wegsegmenten, vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd, zoals geregistreerd door de elektronische registratievoorziening, vermeld in artikel 3.3.1.0.13;
3° als het voertuig in kwestie dat niet beschikt over een elektronische registratievoorziening als vermeld in artikel 3.3.1.0.13 maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt.

De vrijstelling, vermeld in het tweede lid, 3°, kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet zich op elk moment aan boord van het voertuig bevinden.

De geldigheidsduur van een rittenblad is maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort.

De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatste geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd.

Artikel 2.2.6.0.2. (01/01/2014- ...)

Er wordt een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de aanvullende verkeersbelasting verleend aan :
1° de niet-verblijfhouders als, in de staat waar ze verblijf houden, geen soortgelijke belasting bestaat of als de Belgische verblijfhouders daarvan vrijgesteld zijn, en naargelang van die vrijstelling;
2° de internationale organisaties, hun vertegenwoordigers, ambtenaren en leden, voor zover ze vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ingevolge de voorrechten en immuniteiten die aan hen toegestaan zijn overeenkomstig het internationale recht.

Artikel 2.2.6.0.3. (01/01/2014- ...)

Als de voorwaarden tot vrijstelling in de loop van een aanslagjaar niet meer vervuld zijn, is de belasting verschuldigd in verhouding tot de niet-verstreken maanden.

Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.

Artikel 2.2.6.0.4. (01/01/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet betreffende de wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de terugbetaling van de verkeersbelasting voor gecombineerd vervoer 2.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2018 96.

Commentaar

Deze versie treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2017.

Inhoud

De belasting, betaald voor vrachtauto's, tractors, aanhangwagens en opleggers, wordt terugbetaald als die voertuigen afstanden afleggen in het kader van gecombineerd vervoer als vermeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten.

De terugbetaling (T), vermeld in het eerste lid, wordt op forfaitaire wijze berekend volgens de volgende formule: T = t * n/100, waarbij:
1° t = het bedrag van de verschuldigde verkeersbelasting voor het voertuig;
2° n = het aantal overslagverrichtingen tijdens de belastbare periode waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer overschakelt van vervoer per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren naar vervoer over de weg of omgekeerd. De parameter n mag niet meer dan 100 bedragen.

In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° overslagverrichting: het verplaatsen van intermodale transporteenheden van de ene vervoersmodus, namelijk per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren, naar de andere vervoersmodus, namelijk vervoer over de weg, of omgekeerd, waarbij de verplaatsing plaatsvindt tussen minstens twee staten van de Europese Economische Ruimte;
2° wissellaadbak: een vrachtvervoereenheid die aan de afmetingen van wegvoertuigen is aangepast en die voorzien is van inrichtingen voor goederenoverslag tussen verschillende vervoerswijzen, zoals van weg naar spoor.

De minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, is niet van toepassing.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van de aanvraag van de terugbetaling, vermeld in het eerste lid.

Artikel 2.2.6.0.5. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 12.

Inhoud

§ 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, met inbegrip van de aanhangwagens van die voertuigen, en de motorfietsen die tijdelijk in België worden ingevoerd door een natuurlijke persoon die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft, en die op het Belgische grondgebied voor persoonlijk of voor beroepsmatig gebruik van de invoerder worden aangewend.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend aan de natuurlijke personen met gewone verblijfplaats in een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, als in dat land dezelfde vrijstelling wordt toegekend aan de Belgische verblijfhouders.

§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, wordt verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden.

In afwijking van het eerste lid wordt :
1° de duur van de vrijstelling op zeven maanden vastgesteld per tijdvak van twaalf maanden bij beroepsmatig gebruik van het voertuig door een tussenpersoon in handel, industrie of ambacht;
2° de duur van de vrijstelling niet in de tijd beperkt als het voertuig door de invoerder wordt gebruikt voor de weg die hij in België regelmatig aflegt om zich uitsluitend van zijn verblijfplaats naar de arbeidsplaats van de onderneming in België en terug te begeven;
3° de vrijstelling verleend voor de werkelijke duur van de studies als het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren.

§ 3. De tijdelijk ingevoerde voertuigen moeten zijn verkregen of moeten zijn ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van een andere staat en mogen niet wegens de uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelastingen, accijnzen of andere verbruiksbelastingen.

De voertuigen, verkregen of ingevoerd in een andere staat, met vrijstelling van alle belastingen in het kader van de voorrechten, verleend aan de diplomatieke zendingen en consulaire posten en aan hun leden, aan de internationale instellingen en aan hun leden, en aan de krijgsmachten van de staten die toegetreden zijn tot het Noord-Atlantisch Verdrag, andere dan de Belgische krijgsmacht, en aan hun leden, worden geacht te hebben voldaan aan de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van die staat.

§ 4. De tijdelijk ingevoerde voertuigen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd, noch uitgeleend. Bij tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik, met uitsluiting van het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, en als ze toebehoren aan een verhuuronderneming met zetel in het buitenland, kunnen ze aan een niet-verblijfhouder worden wederverhuurd met het oog op de wederuitvoer, als ze zich in België bevinden ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die hier te lande is verstreken. De voertuigen mogen ook naar de staat van de plaats van oorspronkelijke huur worden teruggebracht door een personeelslid van de verhuuronderneming, zelfs als dat personeelslid zijn gewone verblijfplaats in België heeft.

§ 5. Als de tijdelijke invoer plaatsvindt voor beroepsmatig gebruik en voor het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, moet de voorwaarde, vermeld in paragraaf 3, vervuld zijn in de staat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft. Die voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de voertuigen voorzien zijn van een gewone nummerplaat van die staat, met uitzondering van alle tijdelijke nummerplaten.

Voor voertuigen die ingeschreven zijn in een staat waar de afgifte van nummerplaten niet verbonden is aan de inachtneming van de algemene belastingregeling voor de buitenlandse markt, moeten de gebruikers, met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, bewijzen dat ze de verbruiksbelastingen hebben betaald.

De voertuigen die voor dezelfde doeleinden worden ingevoerd, mogen bovendien niet worden gebruikt voor vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel, of voor om het even welk vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling.

Artikel 2.2.6.0.6. (01/07/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 113.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 10.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 61.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de belastbare tijdperken die starten vanaf 1 juli 2020.

Inhoud

Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.

Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.

Artikel 2.2.6.0.7. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 114.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 11.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 55.

Inhoud

Er wordt op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op:
1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.

Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:
1° de wegvoertuigen die vóór 1 juli 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
2° de wegvoertuigen die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat;
3° de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.

Het eerste lid, 2°, is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.2.7.0.1. (01/01/2014- ...)

De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, 2° en 3°.

Artikel 2.2.7.0.2. (01/01/2014- ...)

§ 1. Met toepassing van artikel 2.2.7.0.1 is de belasting verschuldigd voor het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een kalenderjaar in gebruik is genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar, voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.

Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden, vermeld in het eerste lid.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en artikel 3.3.1.0.1, eerste lid, is geen enkele belasting verschuldigd voor de maand december als het gebruik na 15 december begint.

§ 3. Als het gebruik in de loop van het aanslagjaar ophoudt, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.

Dat bedrag mag niet lager zijn dan het minimum, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2.

§ 4. Als het voertuig wordt gewijzigd, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.

Hoofdstuk 3 Belasting op de inverkeerstelling

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.3.1.0.1. (01/01/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 94 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de wegvoertuigen, de luchtvaartuigen en de boten, als ze op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of worden gebruikt in België.

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.3.2.0.1. (07/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 6.

Inhoud

§ 1. De belastingplichtige is degene die vermeld is, naargelang het geval, op het inschrijvingsbewijs of op de vlaggenbrief op het ogenblik van de eerste inverkeerstelling op de openbare weg van het wegvoertuig of op het ogenblik van een eerste gebruik van een luchtvaartuig of van een boot door de vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon.

De wegvoertuigen worden geacht in het verkeer te zijn gesteld als ze ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

De luchtvaartuigen worden geacht in België te zijn gebruikt als ze ingeschreven zijn of moeten zijn door het Directoraat-generaal Luchtvaart.

De boten worden geacht in België te zijn gebruikt als daarvoor een vlaggenbrief is uitgereikt of moet zijn uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de belasting niet verschuldigd voor een wegvoertuig of een luchtvaartuig dat wordt ingeschreven, of voor een boot waarvoor een vlaggenbrief wordt uitgereikt naar aanleiding van een overdracht tussen echtgenoten of wettelijke samenwonenden of een overdracht tussen uit de echt gescheiden personen ingevolge de echtscheiding of ex-wettelijk samenwonenden door de beëindiging van de wettelijke samenwoning, op voorwaarde dat de overdrager voor hetzelfde wegvoertuig, hetzelfde luchtvaartuig of dezelfde boot de belasting al heeft betaald.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.3.3.0.1. (01/01/2014- ...)

§ 1. Voor de wegvoertuigen wordt de belasting vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht of in kilowatt.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, vastgesteld op basis van milieukenmerken.

De milieukenmerken van het wegvoertuig worden uitgedrukt in functie van de CO2-uitstoot en de milieuklasse euronorm 0, 1, 2, 3, 4, 5 of 6. De aanwezigheid van een roetfilter wordt ook in rekening gebracht.

Euronormen zijn de maximumdrempels voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van autovoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen.

Afdeling 4 Tarieven

Onderafdeling 1 Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest

Artikel 2.3.4.1.1. (01/07/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 125.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 62.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de voertuigen die geacht worden in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest vanaf 1 juli 2020.

Inhoud

De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en artikel 2.3.6.0.3.

Artikel 2.3.4.1.2. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 117.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 56.

Inhoud

De belasting wordt berekend volgens de volgende formule:
BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :

Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro
Diesel euro 0 2.863,15
   euro 1 840,00
   euro 2 622,57
   euro 3 493,36
   euro 3 + roetfilter 467,06
   euro 4 467,06
   euro 4 + roetfilter 459,35
   euro 5 of EEV 459,35
   euro 6 454,07
Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78
   euro 1 509,28
   euro 2 152,29
   euro 3 95,53
   euro 4 22,93
   euro 5 of EEV 20,61
   euro 6 20,61

 


5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in %
minder dan 12 volle maanden 100
van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90
van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80
van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70
van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60
van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50
van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40
van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30
van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20
meer dan 107 volle maanden 10

Artikel 2.3.4.1.2/1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 57.

Inhoud

De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule:
BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:

Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro
Diesel euro 0 2.863,15
   euro 1 840,00
   euro 2 622,57
   euro 3 493,36
   euro 3 + roetfilter 467,06
   euro 4 467,06
   euro 4 + roetfilter 459,35
   euro 5 of EEV 459,35
   euro 6 454,07
Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78
   euro 1 509,28
   euro 2 152,29
   euro 3 95,53
   euro 4 22,93
   euro 5 of EEV 20,61
   euro 6 20,61

5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel:
ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in %
minder dan 12 volle maanden 100
van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90
van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80
van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70
van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60
van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50
van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40
van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30
van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20
meer dan 107 volle maanden 10

 

Artikel 2.3.4.1.3. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 118.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 12.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 58.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 13.

Inhoud

De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
3° in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
4° in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
5° in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
6° in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht.

Artikel 2.3.4.1.4. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 119.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 59.

Inhoud

De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, 2.3.4.1.2/1 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015.

Artikel 2.3.4.1.5. (01/01/2014- ...)

Als de euronorm van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :

datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland euronorm
tot en met 31 december 1993 euro 0
vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1
vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2
vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5
vanaf 1 september 2015 euro 6

Artikel 2.3.4.1.6. (01/01/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 120.

Inhoud

Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :

brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm
    6 5 4 3 2 1 0
    CO2-emissies in g/km
benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 175
   1400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213
   meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297
diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133
   1400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174
   meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228
aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140
   1400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171
   meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238

Artikel 2.3.4.1.7. (01/01/2014- ...)

De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in wegvoertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan : de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het wegvoertuig volgens de geldende Europese regelgeving.

Een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, is een halfopen of een gesloten roetfilter.

Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.

Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premieaanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.

Artikel 2.3.4.1.8. (03/08/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 10.
Zie ook 17/02/2012 Decreet houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen betreffende de belasting op de inverkeerstelling op grond van milieukenmerken 7.
Zie ook 17/02/2012 Decreet houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen betreffende de belasting op de inverkeerstelling op grond van milieukenmerken 8.

Inhoud

...

Artikel 2.3.4.1.9. (03/08/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 10.
Zie ook 17/02/2012 Decreet houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen betreffende de belasting op de inverkeerstelling op grond van milieukenmerken 9.

Inhoud

...

Artikel 2.3.4.1.10. (03/08/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 10.

Inhoud

...

Onderafdeling 2 Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1

Artikel 2.3.4.2.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 4.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 11.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 14.

Inhoud

§ 1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld :
1° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :

 

aantal pk aantal kW totaalbedrag van de belasting in euro
8 en minder 70 en minder 61,50
9 tot en met 10 71 tot en met 85 123
11 86 tot en met 100 495
12 tot en met 14 101 tot en met 110 867
15 111 tot en met 120 1239
16 tot en met 17 121 tot en met 155 2478
meer dan 17 meer dan 155 4957


Als het vermogen van eenzelfde motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht (pk) en in kilowatt (kW), aanleiding geeft tot de heffing van een verschillend belastingbedrag, is de belasting voor het hoogste bedrag verschuldigd;
2° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;
3° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten.

§ 2. Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting.

Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is.

§ 3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :














 
Termijn Percentage
van 1 jaar tot 2 jaar 90
van 2 jaar tot 3 jaar 80
van 3 jaar tot 4 jaar 70
van 4 jaar tot 5 jaar 60
van 5 jaar tot 6 jaar 55
van 6 jaar tot 7 jaar 50
van 7 jaar tot 8 jaar 45
van 8 jaar tot 9 jaar 40
van 9 jaar tot 10 jaar 35
van 10 jaar tot 11 jaar 30
van 11 jaar tot 12 jaar 25
van 12 jaar tot 13 jaar 20
van 13 jaar tot 14 jaar 15
van 14 jaar tot 15 jaar 10


In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen die vijftien jaar en meer ingeschreven geweest zijn 61,50 euro.

Na toepassing van het eerste lid mag de belasting voor een voertuig niet minder dan 61,50 euro bedragen.

De belasting, berekend conform paragraaf 1, 2° en 3°, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de luchtvaartuigen en boten, vermeld in de volgende tabel, naargelang de luchtvaartuigen en boten al normaal ingeschreven geweest zijn of voorzien geweest zijn van een vlaggenbrief in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :









 
Termijn Percentage
van 1 jaar tot 2 jaar 90
van 2 jaar tot 3 jaar 80
van 3 jaar tot 4 jaar 70
van 4 jaar tot 5 jaar 60
van 5 jaar tot 6 jaar 50
van 6 jaar tot 7 jaar 40
van 7 jaar tot 8 jaar 30
van 8 jaar tot 9 jaar 20
van 9 jaar tot 10 jaar 10

In afwijking van het vierde lid bedraagt de belasting 61,50 euro voor :
1° de luchtvaartuigen en boten die tien jaar of ouder zijn;
2° de zelfbouwvliegtuigen, met uitzondering van de zelfbouwvliegtuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
3° de paramotoren, met uitzondering van de paramotoren die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.

Artikel 2.3.4.2.2. (01/01/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 107 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd om opcentiemen te heffen op de belasting op de inverkeerstelling.

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.3.5.0.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 13.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 60.

Inhoud

Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3.

Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.3.6.0.1. (01/10/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 22.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 63.

Inhoud

§ 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de luchtvaartuigen en de boten die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van zieke of gewonde personen en, als het wegvoertuigen betreft, die ingeschreven zijn als ziekenauto's;
3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door :
a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten;
b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt;
4° de voertuigen voorzien van een beroepsplaat;
5° de voertuigen voorzien van een nationale plaat.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.

§ 2. Er wordt ook een vrijstelling van de belasting verleend voor de wegvoertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na de inschrijving conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, tweede en derde lid, of na de uitreiking van een vlaggenbrief conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, vierde lid, worden overgebracht naar een andere staat van de Europese Economische Ruimte en daar onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief worden voorzien.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de voorlegging van de volgende documenten :
1° naargelang het geval, het bewijs van de afvoering van het wegvoertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, van de doorhaling van het luchtvaartuig in het Belgisch luchtvaartuigregister of van het terugzenden van de vlaggenbrief aan de autoriteit die hem heeft afgeleverd;
2° het bewijs van de inschrijving van het wegvoertuig of het luchtvaartuig, of van de aflevering van een vlaggenbrief of een gelijkwaardig document, volgens een definitieve regeling, in de betrokken staat van de Europese Economische Ruimte.

Als een wegvoertuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte door een beroepshandelaar uit de automobielsector geleverd wordt, kan het document, vermeld in het tweede lid, 2°, geldig worden vervangen door een afschrift van de factuur die de overdracht bekrachtigt, en het bewijs van betaling van die factuur.

§ 3. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen.

In het eerste lid wordt verstaan onder op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen, afgekort als `RPAS': luchtvaartuigsystemen als vermeld in artikel 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 10 april 2016 met betrekking tot het gebruik van op afstand bestuurde luchtvaartuigen in het Belgisch luchtruim.

Artikel 2.3.6.0.2. (01/07/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 122.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019 6.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020 64.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op de voertuigen die geacht worden in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest vanaf 1 juli 2020.

Inhoud

Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.

Artikel 2.3.6.0.3. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 123.
Gewijzigd bij 16/06/2017 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vergroening van de verkeersfiscaliteit voor lichte vracht en oldtimers 14.
Gewijzigd bij 18/12/2020 Decreet Programmadecreet bij de begroting 2021 61.

Inhoud

Er wordt voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op:
1° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.

Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.

Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.3.7.0.1. (01/01/2014- ...)

De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 4°.

Hoofdstuk 4 [Kilometerheffing (verv. decr. 3 juli 2015, art. 13, I: 1 april 2016)]

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.4.1.0.1. (01/04/2016- ...)

Document relaties

Type Datum Opschrift
Zie ook 29/01/2016 Vlaamse Belastingdienst - FB/VLABEL/2016/1 betreffende Titel 1 en titel 2, hoofdstuk 4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals gewijzigd door het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband - materieel toepassingsgebied - kilometerheffing

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 14.

Inhoud

Er wordt een kilometerheffing geheven op het gebruik dat een voertuig maakt van een niet-geconcedeerde weg.

Artikel 2.4.1.0.2. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 15.

Inhoud

...

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.4.2.0.1. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 16.

Inhoud

§ 1. De belastingplichtige is degene die houder is van het voertuig. De houder van het voertuig is degene, hetzij :
1° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
2° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij het buitenlands geldende equivalent van de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
3° die het voertuig, waarvoor geen kenteken is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen of zijn equivalent in het buitenland, feitelijk ter beschikking heeft.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in geval van een samenstel van voertuigen, het kenteken van het motorvoertuig bedoeld.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de houder van het voertuig, als het voertuig door de houder ervan bestendig of gewoonlijk ter beschikking is gesteld van een derde door verhuur, leasing of een andere overeenkomst, die derde na hun gezamenlijk akkoord, aanwijzen als de houder van het voertuig. De initiële houder van het voertuig blijft solidair aansprakelijk voor de goede uitvoering van de verplichtingen van de vermelde derde.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, beperkingen en nadere regels van deze mogelijkheid bepalen.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.4.3.0.1. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 17.

Inhoud

De heffing wordt vastgesteld op basis van het aantal kilometers die door een voertuig worden afgelegd en die geregistreerd worden conform artikel 3.3.1.0.13.

Afdeling 4 Tarieven

Artikel 2.4.4.0.1. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 18.

Inhoud

De heffing wordt vastgesteld met behulp van de volgende berekeningsformule :
Σ Tz x Kz,
z
waarbij :
1° Tz = het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, dat van toepassing is in een bepaalde tariefzone voor kilometers afgelegd in een welbepaalde rijrichting, op een welbepaald moment, uitgedrukt in eurocent/kilometer en dat rekening houdt met de kost van onderhoud van de infrastructuur en met de externe kosten;
2° Kz = het aantal aan te rekenen kilometers, vermeld in artikel 2.4.4.0.3, dat afgelegd wordt in elk van de tariefzones;
3° z = de onderscheiden tariefzones, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 5°.

Gezien het tarief Tz kan variëren in de tijd en naargelang de rijrichting, zal Kz afzonderlijk worden berekend voor elke waarde van Tz die tijdens het gebruik van het betreffende wegsegment voorkomt.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder tariefzone : een begrensd wegsegment met een vast begin- en eindpunt waarop bij gebruik in een welbepaalde rijrichting op elk moment een eenduidig bepaald en afstandsgerelateerd tarief Tz van toepassing is.

Artikel 2.4.4.0.2. (01/07/2020- 31/12/2022)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 23.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 19.
Gewijzigd bij 30/06/2017 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2017 3.
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 31.

Commentaar

* Bericht over de aanpassing van het tarief van de kilometerheffing ingevolge artikel 2.4.4.0.2, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF). - Nieuwe tarieven vanaf 1 juli 2020 (zie BS 14 april 2020, p. 26.087)

Het tarief TZ, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, VCF wordt jaarlijks op 1 juli aangepast aan de schommelingen van de consumptieprijsindex. Deze indexatie gebeurt door de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, voor de maand maart van het lopende jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016.
Voor dit jaar betekent dit het volgende:
Algemeen indexcijfer maart 2020 (basis 2013)/algemeen indexcijfer mei 2016 (basis 2013) = 109,53/103,08 = 1,0626
Coëfficiënt van toepassing in 2020: 1,0626 (afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt).
Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt.
Vanaf 1 juli 2020 gelden de volgende geïndexeerde tarieven (TZ) kilometerheffing zoals opgenomen in onderstaande tabel (uitgedrukt in eurocent/km):
(in eurocent/ km) 3,5-12 ton MTT 12-32 ton MTT >32 ton MTT
Euronorm 0 12,2 20,8 23,4
Euronorm 1 12,2 20,8 23,4
Euronorm 2 12,2 20,8 23,4
Euronorm 3 10,1 18,7 21,3
Euronorm 4 6,8 15,4 18,0
Euronorm 5 of EEV 5,6 14,2 16,8
Euronorm 6 of hoger 4,6 13,2 15,7

Met ingang van 1 januari 2018 worden de bedragen van de administratieve geldboetes wegens niet conformiteit met de regelgeving inzake de kilometerheffing, vermeld in artikel 3.18.0.0.1, § 4/1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, niet meer geïndexeerd.

Bericht over de aanpassing van het tarief van de kilometerheffing ingevolge artikel 2.4.4.0.2, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF). - Nieuwe tarieven vanaf 1 juli 2021 (zie BS 16 april 2021, p. 36.426)

Het tarief TZ, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, VCF wordt jaarlijks op 1 juli aangepast aan de schommelingen van de consumptieprijsindex. Deze indexatie gebeurt door de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, voor de maand maart van het lopende jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016.
Voor dit jaar betekent dit het volgende:
Algemeen indexcijfer maart 2021 (basis 2013)/algemeen indexcijfer mei 2016 (basis 2013) = 110,51/103,08 = 1,0721
Coëfficiënt van toepassing in 2021: 1,0721 (afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt).
Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt.
Vanaf 1 juli 2021 gelden de volgende geïndexeerde tarieven (TZ) kilometerheffing zoals opgenomen in onderstaande tabel (uitgedrukt in eurocent/km):
 
(in eurocent/ km) 3,5-12 ton MTT 12-32 ton MTT >32 ton MTT
Euronorm 0 12,3 21,0 23,6
Euronorm 1 12,3 21,0 23,6
Euronorm 2 12,3 21,0 23,6
Euronorm 3 10,2 18,9 21,4
Euronorm 4 6,9 15,5 18,1
Euronorm 5 of EEV 5,7 14,4 16,9
Euronorm 6 of hoger 4,6 13,3 15,9

Met ingang van 1 januari 2018 worden de bedragen van de administratieve geldboetes wegens niet conformiteit met de regelgeving inzake de kilometerheffing, vermeld in artikel 3.18.0.0.1, § 4/1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, niet meer geïndexeerd.

Inhoud

De hoogte van het tarief Tz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, 1°, uitgedrukt in eurocent wordt als volgt bepaald :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
waarbij :
1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 13 eurocent;
3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
 

wegtype (W) A
autosnelwegen en autosnelwegenringen 0
overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent 0
gemeentewegen met een tarief hoger dan nul eurocent 0

De wegen of wegsegmenten die onder een van de wegtypes, vermeld in de bovenstaande tabel, vallen, worden limitatief opgesomd in bijlage 2;
4° G = variatie in functie van gewichtsklasse van het voertuig, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
 
maximaal toegestane totaalgewicht G
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton -9,8
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton -1,7
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton 0,7

5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1;
6° Et = variatie in functie van de tijd;
7° Ep = variatie in functie van de plaats;
8° Ex = toeslag in functie van de door het voertuig veroorzaakte externe kosten, in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
 
EURO-emissieklasse Ex
EURO 5 of EEV of hoger 1,1
EURO 4 3.2
EURO 3 6,3
overige EURO-emissieklassen 8,3

Vanaf 1 januari 2018 wordt volgende tabel toegepast :
 
EURO-emissieklasse Ex
EURO 6 of hoger 1,1
EURO 5 of EEV 2,1
EURO 4 3.2
EURO 3 6,3
overige EURO-emissieklassen 8,3

9° a, b, c, d, e, en f = factoren die een invloed uitoefenen op het gewicht van respectievelijk A, G, En, Et, Ep en Ex, waarbij a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.

De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de wegenlijst in bijlage 2, vermeld in het eerste lid, 1°, aan te passen aan :
1° naamswijzigingen van de erin opgenomen wegen;
2° wijzigingen van de categorisering van de erin opgenomen wegen.

Het tarief Tz, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 juli 2017 op 1 juli van elk jaar geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, voor de maand maart van het lopende jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt.

Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent..

Voor de toepassing van dit artikel worden de voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof, beschouwd als behorend tot de EURO-emissieklasse 6.
 

Artikel 2.4.4.0.3. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 20.

Inhoud

Het aantal aan te rekenen kilometers Kz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, eerste lid, 2°, wordt bepaald volgens de volgende formule :
Kz = KM x (100% - C)
waarbij :
1° KM = het aantal geregistreerde kilometers in de betreffende tariefzone waar op dat ogenblik een tarief Tz van toepassing is, gedurende een bepaalde kalenderdag;
2° C = een correctiefactor ter compensatie van eventueel onnauwkeurige registratie, met waarde 1,5%.

Artikel 2.4.4.0.4. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 21.

Inhoud

 Op de kilometerheffing mogen geen opcentiemen worden geheven.

Artikel 2.4.4.0.5. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 24.

Inhoud

In dit artikel wordt verstaan onder de niet voor de weg bestemde mobiele machines: de voertuigen, vermeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van productnormen voor inwendige verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

Als de EURO-emissieklasse van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 8°, bepaald overeenkomstig de volgende bepalingen:
1° voor de niet voor de weg bestemde mobiele machines:
a) als de emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
 

emissienorm op boorddocumenten emissienorm op boorddocumenten EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
Fase I    Euro I
Fase II    Euro II
Fase IIIa Tier 3 Euro III
Fase IIIb Tier 4i Euro V
Fase IV Tier 4 Euro VI

b) als er geen emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
 
datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 Euro I
vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 Euro II
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 Euro III
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 Euro V
vanaf 1 januari 2014 Euro VI

2° voor vrachtwagens en andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in punt 1°, als er geen emissienorm is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig:
 
datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
vanaf 1 oktober 1993 tot en met 30 september 1996 Euro I
vanaf 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2001 Euro II
vanaf 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2006 Euro III
vanaf 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2009 Euro IV
vanaf 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2013 Euro V
vanaf 1 januari 2014 Euro VI

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.4.5.0.1. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 22.

Inhoud

Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.4.6.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 23.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 16.

Inhoud

§ 1. Er wordt in een vrijstelling van de heffing voorzien voor de voertuigen die :
1° in het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overeenkomstig de aldaar geldende bepalingen zijn vrijgesteld van de heffing;
2° uitsluitend gebruikt worden voor en door defensie, bescherming burgerbevolking, brandweer en politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
3° speciaal en uitsluitend voor medische doeleinden zijn uitgerust en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
4° de aard hebben van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwvoertuig, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.

§ 2. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, kunnen alleen worden toegekend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk en zullen pas uitwerking hebben vanaf het belastbare tijdperk dat volgt op de toekenning van de vrijstelling.

§ 3. De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, van wie het domicilie of de zetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest ligt, vraagt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, aan bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, dat niet in België moet zijn ingeschreven, dient de betreffende vrijstelling aan te vragen bij Viapass.

§ 4. De vrijstellingen vermeld in paragraaf 1 blijven gelden tot niet langer aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.

§ 5. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie maakt onmiddellijk aan Viapass de voertuigen kenbaar die van een vrijstelling genieten ingevolge dit artikel.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.4.7.0.1. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 24.

Inhoud

De heffing wordt geheven in overeenstemming met artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°.

Artikel 2.4.7.0.2. (01/04/2016- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 03/07/2015 Decreet tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband 25.

Inhoud

...

Hoofdstuk 5 [Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen (verv. Decr. 23 december 2016, art. 25, I: aanslagjaar 2017)]

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.5.1.0.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 26.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 36.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 37.
Gewijzigd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 28.

Inhoud

§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:
a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).

§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.

§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.

Voor de toepassing van het eerste lid geldt, behalve in geval van sloop, het vermoeden dat de woning die is opgenomen in de inventaris, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, ononderbroken is blijven voortbestaan vanaf datum van de opname in de inventaris tot op de datum van de schrapping uit deze inventaris met toepassing van artikel 3.23. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer de woning ophield voort te bestaan na het uitvoeren van handelingen waarvoor een omgevingsvergunning werd afgeleverd.

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.5.2.0.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 27.
Gewijzigd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 29.

Inhoud

De belastingplichtige van de heffing is degene die de houder is van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een woning op het ogenblik dat elke opeenvolgende periode van twaalf maanden na de opname in de inventaris verstreken is :
1° de volle eigendom;
2° het recht van opstal of van erfpacht;
3° het vruchtgebruik.

Als een van de zakelijke rechten, vermeld in het eerste lid, in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.5.3.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 30.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 17.

Inhoud

De heffing wordt vastgesteld op een basisbedrag van 1100 euro.

Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks aangepast op 1 januari op grond van de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand november van het jaar voorafgaand aan het vorige jaar en de maand november van het vorige jaar.

Het aangepast basisbedrag, vermeld in het tweede lid, wordt afgerond op de lagere vijftig euro.

Afdeling 4 Tarieven

Artikel 2.5.4.0.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 31.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 39.

Inhoud

De heffing wordt berekend volgens de volgende formule: B * (P + 1), waarbij:
- B gelijk is aan het geïndexeerd basisbedrag, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, afgerond naar het eerstvolgende natuurlijk getal;
- P gelijk is aan het aantal periodes van twaalf maanden dat de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, vermeld in artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en waarbij P niet meer bedraagt dan vier.

Artikel 2.5.4.0.2. (01/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 11.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 30.

Commentaar

Deze versie treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2017.

Inhoud

Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen.

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.5.5.0.1. (01/01/2014- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.5.6.0.1. (01/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 28.

Commentaar

Deze versie treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2017.

Inhoud

De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing als hij de woning volledig en uitsluitend gebruikt als zijn hoofdverblijfplaats en als hij niet over een andere woning beschikt.

Artikel 2.5.6.0.2. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 5.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 31.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 32.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 40.

Inhoud

§ 1. De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing op :
1° de woningen die binnen de grenzen liggen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid;
2°...;
3° de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;
4° de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform artikel 5.82 tot 5.85 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, ingesteld is;
5° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in artikel 3.30, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesloten is.

Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.

§ 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om de gevallen van overmacht te beoordelen en om de aanvang van de termijn van de vrijstelling te bepalen.

Artikel 2.5.6.0.3. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 32.

Inhoud

 De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels vaststellen voor de aanvraag en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in artikel 2.5.6.0.1 en 2.5.6.0.2.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.5.7.0.1. (01/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 28.

Commentaar

Deze versie treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2017.

Inhoud

De heffing is verschuldigd als de woning gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in de inventaris.

Zolang de woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden, conform artikel 2.5.4.0.1 en artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 6°, en tweede lid, 5°.

Artikel 2.5.7.0.2. (01/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 28.

Commentaar

Deze versie treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2017.

Inhoud

Aan de verkrijger van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, wordt een opschorting van de heffing verleend gedurende een periode van twee jaar die volgt op de volledige overdracht van het gebouw of de woning, op voorwaarde dat in de loop van de voormelde periode geen nieuwe overdracht plaatsvindt, en zich een van de twee volgende gevallen voordoet :
1° de woning wordt in de loop van de voormelde periode geschrapt uit de inventaris;
2° bij het verstrijken van de voormelde periode loopt een periode van vrijstelling op grond van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2, of loopt een periode van opschorting op grond van artikel 2.5.7.0.3, en die opschorting wordt achteraf niet ongedaan gemaakt.

De opschorting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende overdrachten :
1° de overdracht aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;
2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang onder algemene titel;
3° de overdracht aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht bij erfopvolging of testament.

Artikel 2.5.7.0.3. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Vervangen bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 33.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 41.

Inhoud

Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige:
- een omgevingsvergunning tot sloop of een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een omgevingsvergunning tot sloop, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, voorlegt;
- een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zal uitvoeren met het oog op het herstel van de conformiteit, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het gedetailleerde renovatieschema bevat al de volgende stukken:
1° een tekening of schets van de woning met aanduiding van de geplande werken;
2° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
3° een raming van de kosten van de geplande werken via een van de volgende stukken:
a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;
b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
c) een combinatie van beide offertes;
4° een fotoreportage van de delen van de woning die gerenoveerd worden.

De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.

De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn of de sloop voltooid is. Ze kan niet langer duren dan twee jaar, tenzij de belastingplichtige aantoont dat voor het herstel van de conformiteit, vermeld in het eerste lid, een omgevingsvergunning noodzakelijk is of tenzij de werken betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of zo omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in twee jaar. In die gevallen bedraagt de maximale periode vier jaar.

De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de ongeschikte en/of onbewoonbare woning op het einde van de periode van opschorting of op het ogenblik van de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, niet uit de inventaris geschrapt is, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een omgevingsvergunning tot sloop geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.

Als de renovatiewerkzaamheden of de sloop worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn, vermeld in het vierde lid, door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.

Artikel 2.5.7.0.4. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 29/03/2019 Decreet tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 34.

Inhoud

De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels vaststellen voor de aanvraag en de toekenning van opschortingen als vermeld in artikel 2.5.7.0.2 en 2.5.7.0.3.

Hoofdstuk 6 Leegstandsheffing bedrijfsruimten

Afdeling 1 Belastbaar voorwerp

Artikel 2.6.1.0.1. (01/01/2014- ...)

Er wordt een leegstandsheffing geheven op de bedrijfsruimten die opgenomen zijn in de inventaris.

Afdeling 2 Belastingplichtigen

Artikel 2.6.2.0.1. (01/01/2014- ...)

De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de bedrijfsgebouwen die onderworpen zijn aan de heffing.

Afdeling 3 Belastbare grondslag

Artikel 2.6.3.0.1. (01/01/2014- ...)

De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de gronden dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is, inclusief opstanden, van het perceel dat de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte uitmaakt, alsook voor de niet-landbouwbedrijven op basis van het kadastraal inkomen van alle aangrenzende percelen die één geheel ermee vormen en die behoren tot dezelfde eigenaar.

Afdeling 4 Tarieven

Artikel 2.6.4.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 12.

Inhoud

De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in schijven, die elk worden onderworpen aan een specifiek heffingspercentage :

schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro
tot en met 12.350 150 /
van 12.351 tot en met 37.150 125 18.525
van 37.151 tot en met 74.350 100 49.525
vanaf 74.351 75 123.875


De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro.

Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief.

Artikel 2.6.4.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 13.

Commentaar

Deze versie treedt in werking vanaf aanslagjaar 2015.

Inhoud

Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de leegstandsheffing bedrijfsruimten.

Afdeling 5 Verminderingen

Artikel 2.6.5.0.1. (01/01/2014- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6 Vrijstellingen

Artikel 2.6.6.0.1. (01/01/2014- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 7 Wijze van heffing

Artikel 2.6.7.0.1. (01/01/2014- ...)

De heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de derde opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten.

Onderafdeling 1 Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand

Artikel 2.6.7.1.1. (01/01/2014- ...)

Er wordt een opschorting van de heffing verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een vernieuwingsvoorstel wordt ingediend, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor indiening en aanvaarding van dat voorstel, bepaald met toepassing van het vierde lid.

De opschorting blijft beperkt tot een termijn van twee jaar vanaf de betekening van het vernieuwingsvoorstel aan het departement. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.

Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als :
1° de aanvraag tot subsidiëring met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 19 april 1995 wegens budgettaire redenen niet kan worden ingewilligd;
2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;
3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel.

Artikel 2.6.7.1.2. (01/01/2014- ...)

In de inventaris worden de datum van de indiening van het aanvaarde vernieuwingsvoorstel en de opschortingstermijn vermeld.

Onderafdeling 2 Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant

Artikel 2.6.7.2.1. (01/01/2014- ...)

 Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een brownfieldconvenant, definitief gesloten conform hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, voor zover de eigenaar actor is bij het brownfieldconvenant.

De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de beëindiging van het brownfieldconvenant, met toepassing van artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.

De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

Onderafdeling 3 Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject

Artikel 2.6.7.3.1. (01/01/2014- ...)

 Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM, vermeld in artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met een maximumtermijn van vijf jaar vanaf de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.

De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

Onderafdeling 4 Opschorting voor nieuwe eigenaars

Artikel 2.6.7.4.1. (01/01/2014- ...)

Nieuwe eigenaars van een geregistreerde bedrijfsruimte krijgen een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte van overdracht. Als er verschillende eigenaars voor dezelfde bedrijfsruimte zijn, en minstens één ervan een nieuwe eigenaar is, gelet op de overdracht aan hem door erfopvolging of testament, krijgen ze een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van eigendomsoverdracht door erfopvolging of testament.

De volgende rechtspersonen of natuurlijke personen worden niet beschouwd als nieuwe eigenaar :
1° de vennootschappen waarin de vroegere eigenaars van de bedrijfsruimte rechtstreeks of onrechtstreeks participeren voor meer dan 10 % van het aandeelhouderschap;
2° bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament.

Artikel 2.6.7.4.2. (01/01/2014- ...)

In de inventaris worden de datum van het verlijden van de authentieke akte en de opschortingstermijn vermeld.

Onderafdeling 5 Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten

Artikel 2.6.7.5.1. (01/01/2014- ...)

Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaars voor de bedrijfsruimten die ten gevolge van bedrijfseconomische omstandigheden geheel of gedeeltelijk leegstaan, maar die in een goede staat worden gehouden zodat ze onmiddellijk opnieuw in gebruik genomen kunnen worden.

De opschorting blijft beperkt tot een termijn van een jaar. Tijdens die periode moet de leegstand zijn beëindigd.

De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

Artikel 2.6.7.5.2. (01/01/2014- ...)

In de inventaris worden de datum van de indiening van de aanvaarde opschortingsaanvraag en de opschortingstermijn vermeld.

Onderafdeling 6 Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand

Artikel 2.6.7.6.1. (01/01/2014- ...)

Als de eigenaar tijdens de toegestane opschortingstermijn een aanvraag tot schrapping uit de inventaris heeft ingediend conform artikel 12 van het decreet van 19 april 1995, krijgt hij een opschorting van de heffing gedurende de termijn dat zijn aanvraag, conform artikel 13 van het decreet van 19 april 1995, onderzocht wordt. Als de aanvraag tot schrapping geweigerd wordt, heeft die beslissing rechtsgevolgen vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet.

Onderafdeling 7 Sancties

Artikel 2.6.7.7.1. (01/01/2014- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 20.

Commentaar

Met ingang van 21 juli 2012 werd tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd. Deze wijziging kan evenwel ten vroegste inwerking treden op 1 januari 2014, datum waarop het basisartikel 2.6.7.7.1. in werking trad.

Inhoud

Als de opschortingen, verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 en 2.6.7.5.1, bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de verwaarlozing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor die termijnen, vermeerderd met de interesten.

Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 of 2.6.7.5.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting is verkregen, tot de datum van de authentieke akte van overdracht.

In afwijking van het tweede lid, blijft de opschorting van de heffing behouden als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.2.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte aan een actor bij het brownfieldconvenant.

Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.6.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het decreet van 19 april 1995.

[Hoofdstuk 7 Erfbelasting (ing. Decr.19 december 2014, art. 3, I: 1 januari 2015)]

[Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr.19 december 2014, art. 4, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.1.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 5.

Inhoud

Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

Artikel 2.7.1.0.2. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 6.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 2.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 7.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 18.

Inhoud

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

Artikel 2.7.1.0.3. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 7.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 3.

Inhoud

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.

Artikel 2.7.1.0.4. (01/07/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 8.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 24.

Inhoud

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Artikel 2.7.1.0.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 9.

Inhoud

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

Artikel 2.7.1.0.6. (01/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 10.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 34.

Commentaar

Deze versie heeft uitwerking voor overlijdens vanaf 1 januari 2017.

Zie ook arrest Grondwettelijk Hof 34/2019 van 28 februari 2019: Arrest 2019/34

Inhoud

§ 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.

Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.

§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.

De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.

Dit artikel is niet van toepassing op :
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.

Artikel 2.7.1.0.7. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 11.

Inhoud

De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Artikel 2.7.1.0.8. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 12.

Inhoud

Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Artikel 2.7.1.0.9. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 13.

Inhoud

Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Artikel 2.7.1.0.10. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 14.

Inhoud

De in een testament of andere beschikking die uitwerking heeft bij het overlijden van de beschikker, door de erflater aan zijn erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om aan een met naam aangeduide derde een kapitaal of een rente te geven die in natura in de nalatenschap niet bestaat en in geld of in vervangbare zaken betaalbaar is, wordt voor de heffing van het successierecht als legaat beschouwd.

De aan een erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om ten bate van een ander iets te doen en in het bijzonder de last, opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, om de rechten en kosten die verbonden zijn aan een aan een andere persoon gedaan legaat, te dragen, worden niet beschouwd als legaat.

[Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr.19 december 2014, art. 15, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.2.0.1. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 16.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 13.

Inhoud

De belastingplichtige is degene die erfgenaam, legataris of begiftigde is of, in voorkomend geval, de onbeheerde nalatenschap.

[Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr.19 december 2014, art. 17, I: 1 januari 2015)]

[Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr.19 december 2014, art. 18, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.3.1.1. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 19.
Vervangen bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 4.

Inhoud

Het successierecht wordt gevestigd op de waarde van alles wat uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk.

Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.

[Onderafdeling 2. Actief van de nalatenschap (ing. Decr.19 december 2014, art. 20, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.3.2.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 21.

Inhoud

Het successierecht wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle goederen die toebehoren aan de erflater, waar ze zich ook bevinden, na aftrek van de schulden, vermeld in onderafdeling 4, en met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.7 en artikel 2.7.5.0.4.

Artikel 2.7.3.2.2. (14/08/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 22.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 6.

Inhoud

Het recht van overgang wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, en die aan de erflater toebehoren, na aftrek van de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.4.1, tweede lid.

Artikel 2.7.3.2.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 23.

Inhoud

Als een erfgenaam, legataris of begiftigde het vruchtgebruik of de blote eigendom verkrijgt van een goed waarvan de volle eigendom van de nalatenschap afhangt, of als hij een door de erflater gevestigde periodieke rente of pensioen ontvangt, wordt de belastbare grondslag bepaald overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 2.7.3.3.2 en artikel 2.7.3.3.3.

Als de erflater de rente of prestatie voor een onbepaalde tijd ten voordele van een rechtspersoon vestigt, bedraagt de belastbare grondslag twintig keer het jaarlijkse bedrag.

Als die rente of prestatie voor een bepaalde tijd is gevestigd, is de belastbare grondslag gelijk aan de gekapitaliseerde waarde op de dag van het overlijden van de jaarlijkse rente of prestatie tegen een rentevoet van 4%, waarbij die waarde niet meer mag bedragen dan twintig keer het jaarlijkse bedrag van de rente of prestatie.

Dezelfde regels zijn van toepassing als het gaat om een vruchtgebruik, gevestigd ten voordele van een rechtspersoon, met dien verstande dat voor de grondslag van de raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen bepaald wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 6°.

Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik gezamenlijk of achtereenvolgens ten voordele van twee of meer natuurlijke personen wordt gevestigd met een beding van aanwas, wordt de belastbare grondslag voor de heffing van de opvorderbare belasting op het ogenblik van de aanwas bepaald volgens de leeftijd die de genieter op dat ogenblik heeft.

Artikel 2.7.3.2.4. (07/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 24.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 8.

Inhoud

Met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.1 bestaat er voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhogingen, tot bewijs van het tegendeel, een wettelijk vermoeden van eigendom in de volgende gevallen :
1° voor onroerende goederen : als ze voor de onroerende voorheffing zijn ingekohierd op naam van de erflater en die daarvoor een betaling heeft gedaan;
2° voor hypothecaire renten en schuldvorderingen : als ze op naam van de erflater in de registers van de hypothecaire openbaarmaking of in de registers van het Belgisch Scheepsregister zijn ingeschreven;
3° voor de schuldvorderingen op de Belgische Staat : als ze op naam van de erflater in het Grootboek van de Staatsschuld zijn opgenomen;
4° voor obligaties, aandelen of andere schuldvorderingen op provincies, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk : als ze op naam van de erflater in hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.

Artikel 2.7.3.2.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 25.

Commentaar

Bij vonnis van 20 juni 2019 heeft het de rechtbank van eerste aanleg van Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof :

"Schendt artikel 2. 7. 3. 2. 5 van de' Vlaamse Codex Fiscaliteit de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met name in zoverre:
1. de omkering van de bewijslast zoals voorzien in art. 2.7.3.2.5 VCF die in de praktijk leidt tot een aantasting van het eigendomsrecht, zoals. gewaarborgd door artikel 1 van het eerste aanvullend protocol EVRM, van de erfgenaam die op willekeurige wijze van zijn eigendom wordt beroofd zonder dat dit wordt verantwoord door een doel van algemeen belang of minstens zonder dat er een billijk evenwicht wordt gerespecteerd tussen het algemeen belang en de rechten van de belastingplichtige ?
2. het een discriminatie teweegbrengt tussen enerzijds de erfgenamen die geconfronteerd worden met fictieve legatarissen conform de artikelen 2. 7. 1. 0. 5, §1, tweede lid en 2. 7.1.0.6 VCF en die ingevolge art. 3.10.4.3.1, 3de lid VCF niet (meer) gehouden zijn tot betaling van de erfbelasting op de fictieve legaten en anderzijds de erfgenamen die in toepassing van art. 2. 7.3.2.5 VCF worden belast op tegoeden die worden vermoed tot de nalatenschap te behoren, en wel gehouden zijn tot betaling van de erfbelasting op deze tegoeden terwijl de erfgenamen evenmin enige controle hebben hoe de erflater deze tegoeden heeft besteed of aan wie deze; tegoeden zijn toegevallen, laat staan dat ze controle hebben op de betaling van de erfbelasting door de effectieve verkrijgers ?"

Het Grondwettelijk Hof beantwoordde de prejudiciële vraag in arrest 91/2020 van 18 juni 2020 .

 

Inhoud

Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden.

Voor de roerende goederen, vermeld in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1.

Artikel 2.7.3.2.6. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 26.

Inhoud

Voor de heffing van het successierecht wordt het volgende, behoudens tegenbewijs, geacht aan de erflater voor een gelijk deel per hoofd toe te behoren :
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast die door de erflater en door een of meer andere personen samen of solidair wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de gehouden zaken en de verschuldigde sommen, vermeld in artikel 99 van het federale Wetboek van Successierechten.

Het volgende wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in het geheel toe te behoren aan de erflater :
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die zich bevinden in een brandkast die door de erflater alleen wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de erflater alleen gedeponeerd zijn bij de natuurlijke personen of rechtspersonen.

Artikel 2.7.3.2.7. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 27.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 5.

Inhoud

Voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen worden de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn hetzij aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de erflater en een echtgenoot, met wie de erflater bij het overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft, hetzij aan de gemeenschap die tussen de verwanten in de opgaande lijn van de erflater heeft bestaan, niet in aanmerking genomen.

Artikel 2.7.3.2.8. (09/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 28.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 35.

Commentaar

Zie ook arrest Grondwettelijk Hof 34/2019 van 28 februari 2019: Arrest 2019/34

Inhoud

§ 1. Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt de aard van bevoordeling niet daaraan.

De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.

§ 2. In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.

Artikel 2.7.3.2.9. (09/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 29.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 10.

Inhoud

Als er schenkingen onder de levenden als vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 12°, bestaan, wordt de basis waarop de schenkbelasting is geheven of zou moeten worden geheven, gevoegd bij de erfgoederen van de belanghebbenden om de progressieve erfbelasting die op die erfgoederen van toepassing is, te bepalen.

Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° schenkingen onder de levenden van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, tabel I, is geheven;
2° schenkingen onder de levenden van roerende goederen waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 2, is geheven;
3° schenkingen onder de levenden van ondernemingen waarop voor 1 januari 2012 het recht, vermeld in artikel 140bis van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, is geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast;
4° schenkingen onder de levenden van onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.

Artikel 2.7.3.2.10. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 30.

Inhoud

Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen.

Artikel 2.7.3.2.11. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 31.

Inhoud

Als in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8 en 2.7.1.0.9, niet bewezen wordt dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is, maar kan worden bewezen dat de erflater werkelijk het levenslange recht genoten heeft, wordt op de belastbare grondslag op de dag van het openvallen van de nalatenschap een evenredige vermindering toegepast, conform artikel 2.7.3.3.4 en artikel 2.7.3.3.5. Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van het bedoelde levenslange recht dat wordt gekapitaliseerd tegen 4%, volgens het werkelijke aantal volle jaren dat de erflater het recht genoten heeft. Als het gaat om een vruchtgebruik of een ander zakelijk levenslang recht, wordt de waarde van het in aanmerking te nemen jaarlijkse inkomen forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van het goed op de dag van het contract.

Artikel 2.7.3.2.12. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 32.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 6.

Inhoud

§ 1. Op hetgeen een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind verkrijgt, wordt een abattement toegepast voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1.

§ 2. Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.

Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.

Artikel 2.7.3.2.13. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 33.

Inhoud

In geval van legaat van een geldsom of van legaat van een periodieke rente of pensioen wordt het bedrag van de gelegateerde geldsom of het kapitaal waarop het successierecht naar rato van de bedoelde rente of het pensioen wordt geheven, voor de berekening van de rechten afgetrokken van de nettoverkrijging van de erfgenaam, legataris of begiftigde die het legaat van de geldsom, de rente of het pensioen moet uitbetalen.

Artikel 2.7.3.2.14. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 14.

Inhoud

Voor de inning van het successierecht worden andere schuldvorderingen dan de schuldvorderingen, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel, niet in aanmerking genomen.

Artikel 2.7.3.2.15.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/07/2021- ...)

Als er zich onder de erfgenamen, legatarissen of begiftigden een of meer legatarissen bevinden van wie het legaat onder de toepassing van artikel 2.7.4.2.1 valt, wordt om de rechten te berekenen:
1° voor de legatarissen, vermeld in artikel 2.7.4.2.1, het eventuele bedrag om de erfbelasting van andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden te voldoen, gedeeld door (1 - het marginale tarief dat is toegepast om dat bedrag te berekenen) en begrensd tot het legaat zelf, niet in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag;
2° voor de andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden, vermeld in punt 1°, het eventuele bedrag, vermeld in punt 1°, in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag.

[Onderafdeling 3. Waardering van het actief (ing. Decr.19 december 2014, art. 34, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.3.3.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 35.

Inhoud

De belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, is de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de waardering van de goederen waarvan de erflater schijnbaar eigenaar was, geen rekening gehouden met de waardevermindering die zou kunnen voortspruiten uit de wederroepelijkheid van de titel van verkrijging van de erflater.

Artikel 2.7.3.3.2. (01/01/2015- ...)

Document relaties

Type Datum Opschrift
Zie ook 17/04/2020 tot tijdelijke afwijking van de Vlaamse Codex Fiscaliteit als gevolg van de coronacrisis

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 36.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.7.3.3.1 wordt de belastbare waarde van de goederen die tot de nalatenschap behoren, als volgt vastgesteld :
1° voor de onroerende goederen die in het buitenland liggen, waarvan de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden : twintig of dertig keer de jaarlijkse opbrengst van de goederen of de prijs van de lopende huurcelen, zonder aftrek van de aan de huurder of aan de pachter opgelegde lasten, naargelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen. De belastbare waarde mag in geen geval lager zijn dan de waarde die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland;
2° voor het kapitaal en de interesten die vervallen zijn of die verkregen zijn van de schuldvorderingen : het nominale bedrag van dat kapitaal en van die interesten. In geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van elke andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde schatten;
3° voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet : volgens de beurswaarden ervan;
4° voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestaties, alsook voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten : twintig keer de rente of de jaarlijkse prestatie. In geval van onvermogen van de schuldenaar of bij een andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde schatten;
5° voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen : door de vermenigvuldiging van het jaarlijkse bedrag van de uitkering met de leeftijdscoëfficiënt uit de onderstaande tabel :

Leeftijdscoëfficiënt leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar
18 ≤ 20
17 > 20-30
16 > 30-40
14 > 40-50
13 > 50-55
11 > 55-60
9,5 > 60-65
8 > 65-70
6 > 70-75
4 > 75-80
2 > 80

6° voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik : de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4% van de waarde van de volle eigendom, te vermenigvuldigen met het cijfer, vermeld in punt 5° ;
7° voor de voor een beperkte tijd gevestigde renten of prestaties : de som die door de kapitalisatie van de renten of prestaties tegen 4% op de datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naargelang het geval, de belastbare waarde, zoals die in punt 4° en punt 5° wordt bepaald, niet te boven gaat. Dezelfde regel is van toepassing als het gaat over een voor een beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, waarbij de opbrengst van de goederen, vermeld in punt 6°, als grondslag van de kapitalisatie wordt genomen;
8° voor de blote eigendom : de waarde van de volle eigendom, onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend conform dit artikel en artikel 2.7.3.3.3. Er vindt geen aftrek plaats als het vruchtgebruik met toepassing van artikel 2.7.3.2.10 vrij is van erfbelasting.

Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, kunnen de aangevers kiezen uit de beurswaarde op de datum van het overlijden, de beurswaarde op de datum van één maand na het overlijden of de beurswaarde op de datum van twee maanden na het overlijden. Als er op een van die data geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de gekozen datum voor bepaalde van de aan te geven waarden wel en voor andere geen notering is, moeten laatstbedoelde waarden worden aangegeven volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is. De aangevers mogen slechts een van de voormelde data kiezen, die zal gelden voor al de nagelaten waarden. De aangevers geven hun keuze aan in de aangifte, waarin ze ook de door hen geraadpleegde bron voor de opgegeven beurswaarden vermelden.

Artikel 2.7.3.3.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 37.

Inhoud

Het recht van gebruik en het recht van bewoning, alsook het recht op vruchten, inkomsten of opbrengsten worden voor de toepassing van artikel 2.7.3.3.2 en van artikel 2.7.3.2.3 met vruchtgebruik gelijkgesteld.

Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is gevestigd, is de in aanmerking te nemen leeftijd die van de jongste persoon.

Artikel 2.7.3.3.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 38.

Inhoud

De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van de verrichting, vermeld in artikel 2.7.1.0.8, wordt als volgt bepaald :
X = a x b c

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verrichting;
2° b = de waarde van de goederen die op de dag van het overlijden in eigendom toebedeeld zijn aan de deelgenoten;
3° c = de waarde van de goederen die op de dag van de verrichting in eigendom toebedeeld zijn.

Artikel 2.7.3.3.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 39.

Inhoud

De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van een verkoop of afstand als vermeld in artikel 2.7.1.0.9, wordt, als de erflater daarenboven de overlating van een goed in eigendom in zijn voordeel heeft bedongen, als volgt bepaald :
X = a x b
c

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verkoop of de afstand;
2° b = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van het overlijden;
3° c = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van de verkoop of de afstand.

Artikel 2.7.3.3.6. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 40.

Inhoud

De zekere schuldvorderingen waarvan het bedrag op het ogenblik van het overlijden onbepaald is, worden in de aangifte voor de waarde ervan opgenomen, behoudens regularisatie bij de definitieve bepaling van het bedrag ervan.

Artikel 2.7.3.3.7. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 41.

Inhoud

In de gevallen, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, moet de waarde van de goederen op de dag van het vonnis, van de dading of van de gebeurtenis die het uitgangspunt vormt van de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, vierde lid, als belastbare waarde worden aangegeven.

[Onderafdeling 4. Passief van de nalatenschap (ing. Decr.19 december 2014, art. 42, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.3.4.1. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 15.

Inhoud

Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard :
1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;
2° de begrafeniskosten.

Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.

De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.

Artikel 2.7.3.4.2. (09/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 44.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 7.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 36.

Commentaar

Bericht in verband met de automatische indexering inzake erfbelasting Aanslagjaar 2020 (BS 31 januari 2020, p. 5603)
A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, zesde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2020 1,0841, zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 2019 (108,78 - basis 2013) door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014 (100,34 - basis 2013).
B. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2020 1626,15 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 1500 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).
C. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de gemeenschap als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2020 3252,30 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 3000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).
D. Het forfaitair bedrag voor de begrafeniskosten, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2020 6504,60 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 6000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).

Bericht in verband met de automatische indexering inzake erfbelasting Aanslagjaar 2017 (BS 26 januari 2017, p. 13.573):
"A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, zesde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2017 1,0254, zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 2016 (102,89 - basis 2013) door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014 (100,34 - basis 2013).
B. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2017 1538,10 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 1500 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra)
C. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de gemeenschap indien de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2017 3076,20 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 3000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra)
D. Het forfaitair bedrag voor de begrafeniskosten, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2017 6152,40 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 6000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra)"

Bericht in verband met de automatische indexering inzake erfbelasting. - Aanslagjaar 2021 (B.S. 25 januari 2021, p. 3651)
A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, zesde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 1,0922, zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 2020 (109,59 - basis 2013) door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014 (100,34 - basis 2013).
B. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, vermeld in artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 1638,30 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 1500 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).
C. Het forfaitair bedrag voor de schulden van de gemeenschap als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 3276,60 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 3000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).
D. Het forfaitair bedrag voor de begrafeniskosten, zoals bepaald in artikel 2.7.3.4.2, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het aanslagjaar 2021 6553,20 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 6000 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra).

Inhoud

De schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, worden forfaitair bepaald op 1500 euro.

In afwijking van het eerste lid wordt het forfait voor de schulden van de gemeenschap bepaald op 3000 euro als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap. Hiervan kan de helft in het passief van de nalatenschap worden opgenomen.

Het forfait, vermeld in het eerste lid, en het forfait, vermeld in het tweede lid, kunnen niet gecombineerd, noch gecumuleerd worden.

De schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden, zijn uitgesloten uit het forfaitaire bedrag, vermeld in het eerste en tweede lid.

Het bedrag van de begrafeniskosten wordt forfaitair bepaald op 6000 euro. Deze bepaling geldt niet als de erflater een uitvaartverzekering heeft afgesloten.

De bedragen, vermeld in het eerste, tweede en vijfde lid, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de cent.

De aangevers kunnen, in afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid, ervoor kiezen om de werkelijke schulden of werkelijke begrafeniskosten te bewijzen met een verklaring in de aangifte van nalatenschap..

Artikel 2.7.3.4.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 45.

Inhoud

De schulden en schuldbekentenissen, vermeld in artikel 2.7.1.0.3, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.

Artikel 2.7.3.4.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 46.

Inhoud

De schulden die aangegaan zijn door de erflater in het voordeel van een van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden of van tussenpersonen, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.

Het eerste lid is van toepassing op de schulden die door de erflater aangegaan zijn :
1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten;
2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen.

De personen, vermeld in artikel 911, laatste lid, en artikel 1100 van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd.

De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap :
1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd;
2° als ze de verkrijging, de verbetering, het behoud of het opnieuw verkrijgen van een goed dat op de dag van het overlijden van de erflater tot zijn boedel behoorde, tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben.

[Onderafdeling 5. Aanrekening van het passief op het actief (ing. decr. 19 december 2014, art. 47, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.3.5.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 48.

Inhoud

De nettoverkrijging wordt bepaald door het aandeel dat de erfgenaam, legataris of begiftigde in de belastbare waarde van de goederen verkrijgt, te verminderen met het passief dat op die goederen moet worden aangerekend, volgens de regels, vermeld in artikel 2.7.3.5.2.

Artikel 2.7.3.5.2. (09/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 49.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 8.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 11.

Inhoud

Voor de toepassing van artikel 2.7.4.1.1 worden niet-specifieke schulden en begrafeniskosten eerst aangerekend op de goederen, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, vervolgens op de roerende goederen en ten slotte op de onroerende goederen.

De schulden, waarvan wordt bewezen dat ze specifiek werden aangegaan om bepaalde goederen te verwerven of te behouden, worden aangerekend op de desbetreffende categorie van goederen, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, artikel 2.7.4.2.2, § 1, en artikel 2.7.6.0.5. Wanneer een bepaalde categorie van goederen ontoereikend is voor de volledige aanrekening van een specifieke schuld, wordt het overblijvende gedeelte van de schuld aangerekend zoals een niet-specifieke schuld.

Als de langstlevende partner een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap, die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, eerst aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning. Wanneer zijn deel in de gezinswoning ontoereikend is voor de aanrekening van de volledige schuld, wordt het overblijvende gedeelte aangerekend zoals een specifiek onroerende schuld. Alle andere schulden van de langstlevende partner volgen, naargelang het geval, de toerekening voorzien in het eerste lid of het tweede lid, en worden pas in laatste instantie aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.

[Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 50, I: 1 januari 2015)]

[Onderafdeling 1. Algemene bepalingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 51, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.4.1.1. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 52.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 7.

Inhoud

§ 1. De erfbelasting wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de volgende tabellen:
 

TABEL I. Tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
vanaf tot en met    
0,01 50.000 3  
50.000,01 250.000 9 1500
250.000,01    27 19.500
 
TABEL II. Tarief voor een andere verkrijging dan de verkrijgingen, vermeld in tabel I
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
vanaf tot en met tussen broers en zussen tussen anderen tussen broers en zussen tussen anderen
0,01 35.000 25 25    
35.000,01 75.000 30 45 8750 8750
75.000,01    55 55 20.750 26.750

§ 2. Tabel I, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners.

Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op de nettoverkrijging in de onroerende goederen enerzijds en op de nettoverkrijging in de roerende goederen anderzijds, volgens de overeenstemmende gedeelten in kolom A.

In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

§ 3. Tabel II, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging tussen andere personen dan personen in rechte lijn en tussen partners. Dit tarief wordt voor broers en zussen toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de nettoverkrijging van elk van de rechtverkrijgenden, zoals bepaald in kolom A. Voor alle anderen wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de nettoverkrijgingen door de rechtverkrijgenden van deze groep. 

Artikel 2.7.4.1.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 53.

Inhoud

Als er onzekerheid bestaat over de devolutie van de nalatenschap of de graad van bloedverwantschap van een erfgenaam, legataris of begiftigde, wordt de hoogste erfbelasting geheven.

Artikel 2.7.4.1.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 54.

Inhoud

Als een persoon in verschillende hoedanigheden tot de nalatenschap van de erflater komt, wordt de erfbelasting op alles wat hij verkrijgt, berekend volgens het voor die persoon voordeligste tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1.

Artikel 2.7.4.1.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 55.

Inhoud

Als een met fideï-commis bezwaard goed op de verwachter overgaat, alsook in geval van aanwas of terugval van eigendom, vruchtgebruik of van elk tijdelijk of levenslang recht, is de erfbelasting bij overlijden verschuldigd volgens de graad van verwantschap tussen de erflater en de verwachter of andere verkrijger.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijven de rechten die geheven zijn ten laste van de bezwaarde of van de ingestelde in eerste rang, verworven voor de overheid in het voordeel waarvan ze geïnd zijn, tenzij de substitutie, de aanwas of de terugval binnen een jaar na het overlijden van de beschikker plaatsvinden. In dat geval worden de eerste geheven rechten op de eisbaar geworden rechten aangerekend, zonder dat er aanleiding tot teruggave kan zijn en behoudens toepassing van artikel 2.7.3.2.10.

Artikel 2.7.4.1.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 56.

Inhoud

Het toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op de dag van het overlijden.

[Onderafdeling 2. Verlaagde tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 57, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.4.2.1. (25/04/2021- 30/06/2021)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 58.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 42.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 19.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 bedraagt het tarief van de erfbelasting 8,5 % voor de legaten aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat in de Europese Economische Ruimte;
5° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.7.4.2.2. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 59.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 9.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 9.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 20.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 wordt het tarief van de erfbelasting verlaagd tot 3% voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners en tot 7% voor een verkrijging tussen andere personen voor :
1° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de erflater.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2.7.4.2.3 en artikel 2.7.4.2.4 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de erflater of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30% van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt :
a) dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De verkrijger kan het tegenbewijs daarvan leveren.
Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
3° aandelen :
a) naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegen-woordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° familie van de erflater of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de erflater of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
c) de zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
d) de kinderen van broers en zussen van de erflater of aandeelhouder.

§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagde tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.7.4.2.3. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 60.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 10.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 21.

Inhoud

§ 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 1°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.

§ 2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
3° naargelang het geval:
a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
4° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.

Artikel 2.7.4.2.4. (01/01/2015- ...)

Document relaties

Type Datum Opschrift
Zie ook 15/12/2015 VLABEL 2015/2 - Omzendbrief betreffende de interpretatie van de regelgeving met betrekking tot de overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen zoals ingelast in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bij decreet van 19 december 2014.

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 61.

Inhoud

§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater controleren de bevoegde personeelsleden of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van het verlaagde tarief, vervuld zijn.

Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.

Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.

§ 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.

Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagd tarief.

[Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 62, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.5.0.1. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 63.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 8.

Inhoud

§ 1. De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn of tussen partners wordt verminderd met 500 euro, vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 50.000)], als de nettoverkrijging van roerende en onroerende goederen samen niet meer bedraagt dan 50.000 euro.

Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de partner verkrijgt in de gezinswoning dat ingevolge de toepassing van artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, niet onderworpen is aan erfbelasting.

De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zus, wordt verminderd met een bedrag gelijk aan hetzij:
1° 2.000 euro, vermenigvuldigd met (nettoverkrijging/20.000 euro), wanneer de nettoverkrijging kleiner is dan of gelijk is aan 18.750 euro;
2° 2.500 euro, vermenigvuldigd met [1-(nettoverkrijging/75.000 euro)], wanneer de nettoverkrijging groter is dan 18.750 euro en niet meer bedraagt dan 75.000 euro.

Voor de erfbelasting verschuldigd door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de partners of broers en zussen, wordt eenzelfde vermindering toegepast als berekend overeenkomstig het derde lid waarbij onder de nettoverkrijging moet begrepen worden: de som van de nettoverkrijgingen.

Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt geen rekening gehouden met het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de erfbelasting, verschuldigd na de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12.

§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.

Artikel 2.7.5.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 64.

Inhoud

§ 1. De door een kind van de erflater verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met 75 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het kind de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

De door de langstlevende partner verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig het eerste lid genieten.

De gemeenschappelijke kinderen, vermeld in het tweede lid, zijn de kinderen die deel uitmaken van de rechte lijn, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, a) en b).

§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.

Artikel 2.7.5.0.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 65.

Inhoud

Als de goederen die belast zijn met de erfbelasting, binnen een jaar na het overlijden van de erflater het voorwerp uitmaken van een of meer andere overdrachten bij overlijden, wordt de wegens die overdrachten verschuldigde erfbelasting met de helft verminderd. De vermindering mag voor elk van die overdrachten nooit hoger zijn dan de erfbelasting, geheven op de overdracht die er onmiddellijk aan voorafgaat.

Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.

Artikel 2.7.5.0.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 66.

Inhoud

Als het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner onroerende goederen bevat die in het buitenland liggen en die in dat land aanleiding geven tot het heffen van een erfbelasting, wordt het verschuldigde successierecht, in de mate waarin het de belastbare waarde van die goederen treft, verminderd met het bedrag van de in dat land geheven belasting, omgerekend in euro, op de datum van de betaling van die belasting.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als aan het bevoegde personeelslid een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs van een in het buitenland betaalde erfbelasting wordt voorgelegd, samen met een door de bevoegde overheden eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die ze hebben ontvangen en de berekening van de belasting die ze hebben vastgesteld.

Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.

Artikel 2.7.5.0.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 67.

Inhoud

Het verkooprecht en het verdeelrecht dat geheven wordt bij de registratie van de akte van verkoop of van afstand, en, in voorkomend geval, het overschrijvingsrecht, of een soortgelijke belasting die geheven wordt in een staat van de Europese Economische Ruimte, worden afgetrokken van de erfbelasting als de voormelde belastingen opeisbaar zijn krachtens artikel 2.7.1.0.9 en artikel 2.7.3.3.5, eventueel gecombineerd met artikel 2.7.3.2.11.

Artikel 2.7.5.0.6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/07/2021- ...)

De erfbelasting, verschuldigd door natuurlijke personen van wie de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, en die voldoen aan de hierna gestelde voorwaarden, wordt verminderd met een bedrag dat verkregen wordt door toepassing van de volgende formule: X = a x (b - c).

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° a = de som van de nettoverkrijgingen tot een totaal maximumbedrag van 15.000 euro, aan de natuurlijke personen, vermeld in het eerste lid, die belast zijn volgens het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1;
2° b = het laagste toegepaste tarief, vermeld in tabel II van het voormelde artikel;
3° c = het laagste tarief, vermeld in tabel I van het voormelde artikel.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend aan de natuurlijke personen die de erflater in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze heeft aangewezen als diegenen die de toepassing van de vermindering, vermeld in het eerste lid, mogen vragen.

De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op de erfbelasting, verschuldigd door de verkrijgers die zijn aangewezen overeenkomstig het derde lid, na de toepassing van alle andere vrijstellingen en verminderingen waarop de voormelde verkrijgers aanspraak kunnen maken.

Als er slechts één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, exclusief toegekend aan deze persoon.

Als er meer dan één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, onder deze personen verdeeld naar verhouding van hun persoonlijke nettoverkrijging ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen van al deze personen.

De vermindering die conform dit artikel wordt toegepast, levert in geen geval grond voor een teruggave op.

[Afdeling 6. Vrijstelling (ing. Decr. 19 december 2014, art. 68, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.6.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 69.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 22.

Inhoud

§ 1. De waarde van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, die door de erflater of door zijn echtgenoot ten minste vijf jaar vóór het openvallen van de nalatenschap en uiterlijk in het jaar 2005 zijn verworven en die gedurende de vermelde termijn ingeschreven waren op naam van de erflater of van zijn echtgenoot, of de waarde van hetgeen verkregen wordt als terugbetaling van diezelfde maatschappelijke rechten, wordt vrijgesteld van het successierecht. Als de erflater op het moment van de inschrijving niet heeft geopteerd voor de kapitalisatie van het inkomen dat periodiek toegekend is aan het maatschappelijk recht, wordt het bedrag dat voor de vrijstelling in aanmerking komt, toch berekend alsof voor kapitalisatie gekozen is.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de waarde van de maatschappelijke rechten die op datum van de terugbetaling ervan minstens drie jaar volgestort zijn. De mogelijkheid tot vrijstelling vervalt in geval van terugbetaling aan, of vervreemding door de inschrijver van de vermelde maatschappelijke rechten.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen :
1° de beurswaarde van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende;
2° het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitapliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende.

Het gekapitaliseerd bedrag, vermeld in het eerste lid, bevat enkel de inkomsten toegekend aan de maatschappelijke rechten waarvoor, gelet op artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats, aangetoond is dat de overledene of zijn echtgenoot er houder van was.

Als slechts een gedeelte van de beurswaarde of van het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten voor effectieve vrijstelling in aanmerking komt, zal bovendien het gekapitaliseerd bedrag van de periodieke netto inkomsten slechts in dezelfde verhouding worden bijgeteld.

Het gekapitaliseerd bedrag is gelijk aan de effectief uitgekeerde dividenden tijdens de periode, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Onder maatschappelijke rechten wordt verstaan de maatschappelijke rechten in een vennootschap die door de Vlaamse Regering is erkend in het kader van de financiering en de realisatie van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of woningcomplexen met dienstverlening als vermeld in artikel 88, § 1 en § 2, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.

§ 3. Om erkend te worden door de Vlaamse Regering moet de vennootschap, vermeld in paragraaf 2, minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° haar zetel gevestigd hebben in de Europese Economische Ruimte;
2° opgericht zijn na 1 januari 1995;
3° vanaf het ogenblik van de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, en minstens tot 27 november 2012, uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen als voorwerp hebben gehad;
4° vanaf 27 november 2012 :
a) voor het Vlaamse Gewest uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor voorzieningen in het kader van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor personen met een handicap als voorwerp hebben;
b) voor de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd het Vlaamse Gewest, uitsluitend de financiering en realisatie van soortgelijke projecten inzake onroerende goederen als voorwerp hebben;
5° de gelden, die zijn ingezameld ingevolge de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, integraal besteden of besteed hebben aan projecten binnen de Europese Economische Ruimte.

§ 4. Op verzoek van de houder van maatschappelijke rechten of van zijn rechtverkrijgenden, wordt een attest uitgereikt voor het verkrijgen van de vrijstelling van het successierecht. Dit attest wordt, in de vorm vastgesteld door de Vlaamse Regering, door de betrokken financiële instelling slechts uitgereikt voor maatschappelijke rechten waarop, op de datum van het openvallen van de nalatenschap wegens het overlijden van de houder van de rechten of zijn echtgenoot, minstens vijf jaar vóór het overlijden van de houder ingeschreven werd en die reeds drie jaar volgestort werden.

Met inschrijving wordt gelijkgesteld de verwerving op een andere wijze uiterlijk in het jaar 2005, van maatschappelijke rechten in een door de Vlaamse Regering erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal of een gereglementeerde vastgoedvennootschap als vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Dit houdt tevens in dat een verwerving na het jaar 2005, met uitzondering van verkrijging onder echtgenoten en erfgenamen in de eerste graad waarbij geen vrijstelling van de erfbelasting verworven werd, nooit aanleiding kan geven tot vrijstelling van de erfbelasting.

Het attest vermeldt de bedragen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met betrekking tot het geheel van de maatschappelijke rechten die voor een hele of gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komen.

Bij uitreiking van een tweede attest wordt bovendien melding gemaakt van het vorige attest en van de datum waarop het werd afgegeven.

§ 5. Als de erkenning, vermeld in paragraaf 3, ingetrokken wordt, brengt dat niet het vervallen van de vrijstellingsmogelijkheid mee ten aanzien van de waarde van de maatschappelijke rechten waarop ingeschreven is, in de mate dat die volgestort zijn voor de intrekking van de erkenning. De vrijstelling wordt in dat geval beperkt tot de waarde, bepaald met toepassing van paragraaf 1, op de datum van de intrekking van de vrijstelling.

Artikel 2.7.6.0.2. (09/06/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 12.

Inhoud

...

Artikel 2.7.6.0.3. (09/06/2020- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 13.

Commentaar

Deze versie treedt in werking twee jaar na de datum die door de VR wordt vastgesteld voor de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2017 betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen, BS 21 februari 2018 (Zie art. 21, tweede lid van dat decreet)

Inhoud

...

Artikel 2.7.6.0.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 72.

Inhoud

De waarde van de zaken die ascendenten verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater, wordt vrijgesteld van de erfbelasting als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de zaken zijn door die ascendenten onder de levenden aan de erflater geschonken voor zijn overlijden;
2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of er is, als ze zijn vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;
3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.

Artikel 2.7.6.0.5. (09/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 14.

Inhoud

§ 1. De waarde van de nettoverkrijging in de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt op de datum van het openvallen van de nalatenschap, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de erfbelasting vrijgesteld:
1° ten belope van 50% in geval van een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 75% in geval van een natuurbeheerplan type drie;
3° ten belope van 100% in geval van een natuurbeheerplan type vier.

§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, en als de erflater een intentieovereenkomst met het Agentschap voor Natuur en Bos heeft afgesloten of als de erfgenaam, legataris of begiftigde de intentie heeft om op het onroerend goed een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, tot stand te brengen.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt aan de erfgenaam, legataris of begiftigde verleend als de erfgenaam, legataris of begiftigde binnen een termijn van zes maanden na het openvallen van de nalatenschap een overeenkomst heeft gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos, waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren. In voorkomend geval dient deze overeenkomst gezamenlijk te zijn afgesloten met alle andere houders van zakelijke rechten op het desbetreffende goed.

Artikel 2.7.6.0.6. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 9.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019 7.

Inhoud

§ 1. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, in rechte nederdalende lijn, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht.

In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.

§ 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van 50.000 euro in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

[Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 73, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.7.7.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 74.

Inhoud

De erfbelasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en 3.3.1.0.6, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en artikel 3.3.1.0.6, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte.

Artikel 2.7.7.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 75.

Inhoud

In geval van achtereenvolgende overgangen door overlijden van een goed dat onder opschortende voorwaarde is verkregen, of van een goed dat in bezit is van een derde, maar door de nalatenschap is teruggeëist, is de erfbelasting verschuldigd overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.3.3.7, artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6, alleen wegens de laatste overgang.

Als de achtereenvolgende overgangen een goed tot voorwerp hebben dat betwist in het bezit van de erflater is of dat aan hem toebehoort onder ontbindende voorwaarde, is de belasting onmiddellijk opvorderbaar bij elk overlijden.

Artikel 2.7.7.0.3. (24/12/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 16.

Inhoud

...

[Hoofdstuk 8. Schenkbelasting (ing. Decr. 19 december 2014, art. 77, I: 1 januari 2015)]

[Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 78 , I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.1.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 79.

Inhoud

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.1.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 80.

Inhoud

§ 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen in België die nog niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geven aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.

Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.

§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een schenking van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn en die niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geeft ze aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.

Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.

De schenkbelasting is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.

[Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 81, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.2.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 82.

Inhoud

De belastingplichtige is de begiftigde.

Bij een inbreng om niet is de belastingplichtige de begunstigde rechtspersoon.

[Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 december 2014, art. 83, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.3.0.1. (09/01/2017- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 84.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 37.

Inhoud

§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
belastbare grondslag = a x b, waarbij :
a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.

§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.

Artikel 2.8.3.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 85.

Inhoud

De schenkbelasting, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt geheven op basis van de belastbare grondslagen, vermeld in deze afdeling.

De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.

Artikel 2.8.3.0.3. (09/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 86.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 38.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 17.
Gewijzigd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 15.

Inhoud

§ 1. Als er eerdere schenkingen van onroerende goederen bestaan tussen dezelfde partijen, die vastgesteld zijn door akten die dateren van minder dan drie jaar vóór de datum van de nieuwe schenking van onroerende goederen, wordt de belastbare grondslag van die eerdere schenkingen gevoegd bij de belastbare grondslag van de nieuwe schenking om de toepasselijke schenkbelasting op de nieuwe schenking te bepalen.

Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de onroerende goederen die deel uitmaken van een vrijgestelde schenking van activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, 1° ;
2° de onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.

§ 2. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, nog andere onroerende goederen worden geschonken, wordt voor de toepassing van paragraaf 1 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.

§ 3. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

Artikel 2.8.3.0.4. (01/07/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 03/07/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 25.

Inhoud

Op hetgeen aan een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind geschonken wordt, wordt een abattement toegepast aan de voet van de belastbare grondslag, voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen in de rechte lijn en tussen partners, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen tussen alle andere personen, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1.

Het abattement, vermeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast als tussen de schenker en de begiftigde nog geen schenkingen zijn voorgekomen waarbij van deze vermindering van belastbare grondslag werd genoten.

Artikel 2.8.3.0.5. (01/09/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 10.

Inhoud

Een akte die een door de wet toegelaten erfovereenkomst vaststelt, strekt voor de toepassing van de schenkbelasting niet tot bewijs van een schenking die in die overeenkomst wordt vermeld en die niet aan de formaliteit van de registratie is onderworpen, en waarvan de partijen in of onderaan de akte bevestigen dat die heeft plaatsgevonden vóór de datum waarop die overeenkomst gesloten werd.

In afwijking van het eerste lid kunnen de partijen of een van hen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring in of onderaan de akte te kennen geven dat de vermelding van een dergelijke schenking wel tot bewijs strekt voor de toepassing van de schenkbelasting.

[Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 87, I: 1 januari 2015)]

[Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 88, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.4.1.1. (25/04/2021- 30/06/2021)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 89.
Gewijzigd bij 03/07/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 26.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 10.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 11.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 43.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 23.

Inhoud

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
TABEL I
 

verkrijging in rechte lijn en tussen partners
gedeelte van de schenking  
A
schijf in euro
tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met    
0,01 150.000 3 -
150.000,01 250.000 9 4500
250.000,01 450.000 18 13.500
450.000,01 27 49.500

TABEL II
 
tarief tussen alle andere personen
gedeelte van de schenking  
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met    
0,01 150.000 10 -
150.000,01 250.000 20 15.000
250.000,01 450.000 30 35.000
450.000,01 40 95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van het eerste lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het eerste lid, 10°, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, is.

Het tarief, vermeld in het eerste en tweede lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun  zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.8.4.1.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 90.

Inhoud

Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.

Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.

[Onderafdeling 2. Tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw (ing. Decr. 19 december 2014, art. 91, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.4.2.1. (14/08/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 92.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 11.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van een perceel grond in het Vlaamse Gewest dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2019, berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :

TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners                    gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
0,01 12.500 1 -
12.500,01 25.000 2 125
25.000,01 50.000 3 375
50.000,01 100.000 5 1.125
100.000,01 150.000 8 3.625
150.000,01 200.000 14 7.625
200.000,01 250.000 18 14.625
250.000,01 500.000 24 23.625
500.000,01 30 83.625


TABEL II
tarief tussen broers en zussen                               gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
0,01 150.000 10 -
150.000,01 175.000 50 15.000
175.000,01 65 27.500


TABEL III
tarief tussen ooms, tantes, neven en nichten                   gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
0,01 150.000 10 -
150.000,01 175.000 55 15.000
175.000,01 70 28.750


TABEL IV tarief tussen alle andere personen             gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
0,01 150.000 10 -
150.000,01 175.000 65 15.000
175.000,01 80 31.250

Artikel 2.8.4.2.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 93.

Inhoud

De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de periode, bepaald in hetzelfde artikel, of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de periode, bepaald in het voormelde artikel.

Artikel 2.8.4.2.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 94.

Inhoud

De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, wordt alleen toegepast als in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt verklaard dat :
1° het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
2° de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.

Als een onjuiste verklaring wordt afgelegd over de bestemming van de grond, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn aanvullende rechten verschuldigd.

Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking. De aanvullende rechten zijn niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.

[Onderafdeling 3. Tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden (ing. decr. 3 juli 2015, art. 27, I: 1 juli 2015)]

Artikel 2.8.4.3.1. (01/01/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 03/07/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 28.
Gewijzigd bij 18/12/2015 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 96.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 18.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 44.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015, berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen, op voorwaarde dat :
1° de begiftigden, een van hen of de schenker die zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte van schenking renovatiewerken laten uitvoeren aan het geschonken onroerend goed voor een totaalbedrag van minstens 10.000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zoals blijkt uit facturen die uitgereikt zijn door aannemers van werken;
2° de aannemer, vermeld in punt 1°, attesteert dat de facturen voor de renovatiewerken, vermeld in punt 1°, betrekking hebben op werken vermeld in de artikelen 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 of 6.4.1/5, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
TABEL I
 

verkrijging in rechte lijn en tussen partners
gedeelte van de schenking  
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met    
0,01 150.000 3 -
150.000,01 250.000 6 4500
250.000,01 450.000 12 10.500
450.000,01 18 34.500

TABEL II
 
verkrijging tussen alle andere personen
gedeelte van de schenking  
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met    
0,01 150.000 9 -
150.000,01 250.000 17 13.500
250.000,01 450.000 24 30.500
450.000,01 31 78.500

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.

§ 2. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest en gedaan met ingang van 1 juli 2015, berekend volgens het tarief, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de begiftigden of een van hen, binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de akte van schenking het conformiteitsattest, vermeld in boek 3, deel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en een geregistreerde huurovereenkomst voor het geschonken goed met een minimumduur van negen jaar, beiden daterend van na de datum van de akte van schenking, voorlegt. Noch de schenker, noch de begiftigden of een van hen mogen in de geregistreerde huurovereenkomst als huurder optreden.

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/2. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.

Het teruggegeven bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt teruggevorderd als de begiftigden geen effectieve verhuring van negen jaar kunnen aantonen. De begiftigden moeten de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen een termijn van vier maanden vanaf de beëindiging. Om de terugvordering te vermijden, moeten de begiftigden bovendien binnen een termijn van zes maanden na deze beëindiging een nieuwe geregistreerde huurovereenkomst, alsmede een conformiteitsattest, voor het geschonken goed voorleggen.

Bij niet-nakoming van de verbintenissen, vermeld in het derde lid, zijn de begiftigden elk gehouden tot betaling van de teruggegeven schenkbelasting over hun eigen aandeel in de schenking. De teruggegeven schenkbelasting is niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.

§ 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed gelegen in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid van hetzij paragraaf 1, hetzij paragraaf 2.

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het artikel 2.8.4.1.1, § 3, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1, of § 1/2.

§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave overeenkomstig paragraaf 1 of paragraaf 2 wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen werden geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.

§ 5. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

[Onderafdeling 4. Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt (ing. Decr. 21 april 2017, art. 5, I: 14 mei 2017)]

Artikel 2.8.4.4.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 21/04/2017 Decreet houdende wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vermindering van het verkooprecht en de schenkbelasting voor beschermde monumenten 6.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 19.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 11.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 24.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van de geheelheid eigendom van onroerende goederen in het Vlaamse Gewest berekend volgens het tarief, vermeld in de tabellen, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat:
1° binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een beheersplan is opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend conform de tabellen, vermeld in het eerste lid, wordt teruggegeven conform artikel 3.6.0.0.6, § 1/3. Het abattement, toegepast conform artikel 2.8.3.0.4, en de vermindering, verleend conform artikel 2.8.5.0.1, blijven in dat geval behouden.

§ 2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is exclusief btw.

§ 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform artikel 2.8.4.1.1, § 3, en de schenkbelasting, berekend conform het eerste lid, wordt teruggegeven conform de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/3.

§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave, vermeld in paragraaf 1, wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen zijn geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.

§ 5. Bij een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

§ 6. Het voordeel van de toepassing van paragraaf 1 of 3 kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°.

§ 7. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 5°, en § 3, eerste lid.
 

[Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 95, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.5.0.1. (14/08/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 96.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 12.

Inhoud

§ 1. Als de belastingplichtige op het tijdstip waarop de schenkbelasting opvorderbaar is, minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, wordt de met toepassing van artikel 2.8.4.1.1, § 1, vastgestelde schenkbelasting verminderd met 2% voor elk van die kinderen van de begiftigde, zonder dat de vermindering meer dan 62 euro per kind mag bedragen.

Die vermindering wordt ten gunste van de begiftigde partner gebracht op 4% per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet heeft bereikt, zonder dat de vermindering meer dan 124 euro per kind mag bedragen.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een kind dat verwekt is op het ogenblik van de schenking, als het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met een geboren kind.

§ 2. Het voordeel van de verminderingen, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen toegestaan als voldaan is aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 4, eerste lid.

De belastingplichtige die over het aantal kinderen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, is aanvullende rechten verschuldigd.

[Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 97, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.6.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 98.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 39.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 25.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor :
1° de overeenkomsten houdende schenking van vruchtgebruik aan de blote eigenaar, als de schenkbelasting of de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
2° de overeenkomsten houdende schenking van onroerende goederen die in het buitenland liggen;
3° op voorwaarde van wederkerigheid, de akten houdende schenking aan vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
4° de akten houdende schenking van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, voor zover die schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een bownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
5° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij ten bate van op grond van de voormelde wet of decreten opgerichte verenigingen, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.

Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het tweede lid, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid.

De schenkbelasting is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. De schenkbelasting wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.

Artikel 2.8.6.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 99.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een schenking van onroerende goederen die in België liggen.

Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, wordt al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven die verschuldigd geweest zou zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.

Artikel 2.8.6.0.3. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 100.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 13.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 12.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 26.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat :
a) de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50 % van de totale activa;
b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.
Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, is het de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
3° aandelen :
a) naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.

§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.8.6.0.4. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 101.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 14.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 27.

Inhoud

De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is alleen toepasselijk als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, is voldaan.

Artikel 2.8.6.0.5. (01/01/2015- ...)

Document relaties

Type Datum Opschrift
Zie ook 15/12/2015 VLABEL 2015/2 - Omzendbrief betreffende de interpretatie van de regelgeving met betrekking tot de overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen zoals ingelast in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bij decreet van 19 december 2014.

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 102.

Inhoud

Voor de toepassing van artikel 2.8.6.0.3 en artikel 2.8.6.0.6., § 1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.

Artikel 2.8.6.0.6. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 103.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 13.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 28.

Inhoud

§ 1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.

§ 2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de  zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de  zetel buiten het Vlaamse Gewest maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
3° naargelang het geval:
a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
4° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.

Artikel 2.8.6.0.7. (01/01/2015- ...)

Document relaties

Type Datum Opschrift
Zie ook 15/12/2015 VLABEL 2015/2 - Omzendbrief betreffende de interpretatie van de regelgeving met betrekking tot de overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen zoals ingelast in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 bij decreet van 19 december 2014.

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 104.

Inhoud

§ 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleert het bevoegde personeelslid of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.

Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.

Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.

§ 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.

Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.

Artikel 2.8.6.0.8. (09/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 22/12/2017 Decreet betreffende de fiscale gunstmaatregelen die verbonden zijn aan natuurbeheerplannen 16.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 14.

Inhoud

§ 1. De waarde van de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de schenkbelasting vrijgesteld:
1° ten belope van 75% voor een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 100% voor een natuurbeheerplan type drie en vier.

§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, als het onroerend goed wordt geschonken met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke schenkingsakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, vierde en vijfde lid.

Artikel 2.8.6.0.9. (07/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 06/07/2018 Decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht 11.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 15.

Inhoud

Als de waarde van de goederen die belast is met de erfbelasting, of een deel van deze goederen, binnen het jaar na het overlijden van de erflater, door een verkrijger van wie de verkrijging belast werd aan het tarief voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners, bij notariële akte wordt geschonken aan een of meer van zijn afstammelingen of aan een of meer personen die voor de toepassing van de schenkbelasting met afstammelingen worden gelijkgesteld, wordt de schenking vrijgesteld van de schenkbelasting in de mate dat de waarde van de geschonken goederen de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen niet te boven gaat.

In voorkomend geval wordt het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de schenkbelasting zonder de toepassing van de vrijstelling;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de totale belastbare grondslag van de schenking.

Het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de erfbelasting dat geheven werd op de overdracht aan de schenker. Als de schenker meer dan één schenking doet zoals vermeld in het eerste lid, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling beoordeeld voor alle schenkingen samen.

In voorkomend geval wordt het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de erfbelasting berekend in hoofde van de schenker;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen.

Het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, dat geheven werd op de overdracht aan de schenker is het bedrag dat op regelmatige wijze in hoofde van deze persoon werd geheven op zicht van de aangifte die werd ingediend bij toepassing van artikel 3.3.1.0.5.

Voor schenkingen onderworpen aan het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1, kan de vrijstelling niet verleend worden in de mate deze schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de verkrijging bij het overlijden, vermeld in het eerste lid.

Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is vereist dat:
1° de nalatenschap van de erflater waaruit de waarde van de geschonken goederen werd verkregen fiscaal gelokaliseerd is in het Vlaamse Gewest;
2° het overlijden heeft plaatsgevonden na 31 augustus 2018;
3° de erfbelasting die werd geheven op de overdracht, is betaald;
4° de schenking noch aan een opschortende voorwaarde, noch aan een opschortende termijn is onderworpen;
5° de vrijstelling wordt gevraagd overeenkomstig artikel 3.12.3.0.1, § 1, 3° en 4°.

Voor de toepassing van dit artikel moet onder brutowaarde worden begrepen: de belastbare waarde van de betrokken goederen voor de heffing van de erfbelasting, vóór enige aftrek van passief.

Artikel 2.8.6.0.10. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 29.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, en die verleden zijn op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, of op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt.

[Afdeling 7. Wijze van heffing (ing. Decr. 19 december 2014, art. 105, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.8.7.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 106.

Inhoud

De schenkbelasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.

Artikel 2.8.7.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 107.

Inhoud

§ 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.

In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.

§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt de schenkbelasting alleen geheven als de voorwaarde vervuld is. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.

Artikel 2.8.7.0.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 108.

Inhoud

In geval van een handelszaak wordt de schenkbelasting vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.

[Hoofdstuk 9. Verkooprecht (ing. Decr. 19 december 2014, art. 109, I: 1 januari 2015)]

[Afdeling 1. Belastbaar voorwerp (ing. Decr. 19 december 2014, art. 110, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.1.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 111.

Inhoud

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Artikel 2.9.1.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 112.

Inhoud

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende overeenkomsten gelijkgesteld met een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom van onroerende goederen :
1° een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van, hetzij hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij gebouwen onder beding van ze te slopen, als de eigendom van de grond nadien wordt verkregen voor het hout helemaal geveld is of de gebouwen helemaal gesloopt zijn;
2° een overeenkomst onder de levenden onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van hetzij hout op stam, hetzij gebouwen, als die bewuste overdracht ten voordele van de eigenaar van de grond wordt toegestaan.

Het eerste lid is niet van toepassing als bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde is voldaan voor de levering van de goederen die in de overeenkomst begrepen zijn.

Artikel 2.9.1.0.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 113.

Inhoud

Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.

Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Artikel 2.9.1.0.4. (01/05/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 114.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 15.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 16.

Inhoud

Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, anders dan bij inbreng in een vennootschap, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een vennootschap onder firma, van een commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap of van een coöperatieve vennootschap.

De verkrijging zal evenwel belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard als het gaat om :
1° onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;
2° onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.

In geval van verkrijging van maatschappelijke onroerende goederen door al de vennoten door een gehele of gedeeltelijke vereffening conform boek 2, titel 8, hoofdstuk 1, afdeling 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.

Artikel 2.9.1.0.5. (01/05/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 115.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 17.

Inhoud

Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een naamloze vennootschap, van een Europese vennootschap of van een Europese coöperatieve vennootschap.

Het eerste lid is niet van toepassing bij een verkrijging bij wijze van inbreng in een vennootschap.

Artikel 2.9.1.0.6. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 116.

Inhoud

§ 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, maar die nog niet aan het verkooprecht onderworpen is, geven aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.

Het eerste lid is ook van toepassing als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.

§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van in het Vlaamse Gewest te lokaliseren onroerende goederen en niet aan het verkooprecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.

Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.

Het verkooprecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.

Artikel 2.9.1.0.7. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 117.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.10.1.0.1 wordt in geval van toebedeling bij verdeling of van afstand van onverdeelde delen aan een derde die bij overeenkomst een onverdeeld deel heeft verkregen van goederen die toebehoren aan een of meer personen, het verkooprecht geheven op de delen waarvan de derde ten gevolge van de overeenkomst eigenaar wordt, met toepassing van artikel 2.9.3.0.1 en artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7.

Het eerste lid is van toepassing als de toebedeling van goederen of de afstand van onverdeelde delen gedaan wordt aan de erfgenamen of legatarissen van de overleden derde verkrijger.

Het eerste lid is niet van toepassing als de derde, aan wie de toebedeling of de afstand gedaan wordt, met anderen het geheel van een of meer goederen heeft verkregen.

[Afdeling 2. Belastingplichtigen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 118, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.2.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 119.

Inhoud

De belastingplichtige is de verkrijger van het zakelijk recht.

Bij een ruilovereenkomst is de belastingplichtige de verkrijger van het onroerend goed waarvan de overeengekomen waarde als heffingsgrondslag heeft gediend overeenkomstig artikel 2.9.7.0.2.

Voor de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.9, is de belastingplichtige de persoon die als eerste met naam wordt vermeld in de akte die of het geschrift dat ter registratie wordt aangeboden.

[Afdeling 3. Belastbare grondslag (ing. Decr. 19 december 2014, art. 120, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.3.0.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 121.

Inhoud

§ 1. Het verkooprecht wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de overeengekomen prijs en lasten of het bedrag van de overeengekomen tegenprestatie ten laste van de verkrijger.

In afwijking van het eerste lid wordt het verkooprecht voor overeenkomsten tot inbreng van onroerende goederen in vennootschappen vastgesteld op basis van het bedrag van de waarde van de als vergoeding voor de inbreng toegekende maatschappelijke rechten, verhoogd met de lasten die door de vennootschap gedragen worden.

§ 2. De belastbare grondslag mag in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen onroerende goederen.

Artikel 2.9.3.0.2. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 3.

Inhoud

...

Artikel 2.9.3.0.3. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 3.

Inhoud

...

Artikel 2.9.3.0.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 124.

Inhoud

§ 1. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een levenslang vruchtgebruik op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde (vkw), vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend volgens de volgende formule : vkw = a x b.

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = de jaarlijkse bruto-opbrengst of, bij gebrek daaraan, de brutohuurwaarde van het goed;
2° b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de onderstaande tabel, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de dag van de akte :

leeftijdscoëfficiënt leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar
18 ≤ 20
17 > 20-30
16 > 30-40
14 > 40-50
13 > 50-55
11 > 55-60
9,5 > 60-65
8 > 65-70
6 > 70-75
4 > 75-80
2 > 80

§ 2. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik voor beperkte tijd op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend door de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren, rekening houdend met de bij de overeenkomst gestelde duur van het vruchtgebruik.

De verkoopwaarde, verkregen in het eerste lid, mag niet hoger zijn dan een van de volgende bedragen :
1° de waarde, vermeld in paragraaf 1, als het gaat om een ten voordele van een natuurlijke persoon gevestigd vruchtgebruik;
2° het bedrag van twintig keer de opbrengst van het onroerend goed, als het gaat om een ten voordele van een rechtspersoon gevestigd vruchtgebruik.

§ 3. In geen geval mag de verkoopwaarde van het vruchtgebruik meer bedragen dan vier vijfde van de verkoopwaarde van de volle eigendom van het onroerend goed.

Artikel 2.9.3.0.5. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 125.

Inhoud

Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen met voorbehoud van het vruchtgebruik, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom.

Artikel 2.9.3.0.6. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 126.

Inhoud

Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen zonder dat het vruchtgebruik door de vervreemder is voorbehouden, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens artikel 2.9.3.0.4.

Artikel 2.9.3.0.7. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 127.

Inhoud

Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik op een onroerend goed op het hoofd van twee of meer personen wordt gevestigd, met recht van aanwas of van terugvalling, wordt voor de toepassing van artikel 2.9.3.0.4 en artikel 2.9.3.0.6 rekening gehouden met de leeftijd van de jongste persoon.

Artikel 2.9.3.0.8. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 128.

Inhoud

Het verkooprecht, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt vastgesteld op basis van de in deze afdeling vastgestelde grondslagen.

De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.

Artikel 2.9.3.0.9. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 129.

Inhoud

In geval van een openbare verkoop van onroerende goederen, in verschillende loten, wordt het verkooprecht geheven op het samengevoegde bedrag van de aan hetzelfde tarief onderworpen loten.

[Afdeling 4. Tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 130, I: 1 januari 2015)]

[Onderafdeling 1. Algemeen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 131, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.4.1.1. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 132.

Inhoud

Het verkooprecht bedraagt 10 %.

Artikel 2.9.4.1.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 133.

Inhoud

Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.

Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.

[Onderafdeling 2. Verlaagde tarieven (ing. Decr. 19 december 2014, art. 134, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.4.2.1. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 3.

Inhoud

...

Artikel 2.9.4.2.2. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Opgeheven bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 3.

Inhoud

...

Artikel 2.9.4.2.3. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 137.
Gewijzigd bij 17/07/2020 Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse decreten en besluiten van de Vlaamse Regering naar aanleiding van de codificatie van de decreten betreffende het Vlaamse woonbeleid 45.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 30.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 1,50 % voor verkoopovereenkomsten van woningen die gesloten zijn door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en voor kopers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.9.4.2.4. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 138.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 18.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 31.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 4% voor overeenkomsten houdende overdrachten ten bezwarende titel, uit de hand en bij authentieke akte, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, waarbij de verkrijger een persoon is die zijn beroep maakt van het kopen en verkopen van onroerende goederen.

§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de verkrijger ondertekent een beroepsverklaring en dient die in;
2° ...;
3° de verkrijger heeft de erkenning verkregen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die met toepassing van artikel 3.10.4.4.5 met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen als hij :
a) een natuurlijke persoon is en zijn wettelijke verblijfplaats buiten de Europese Economische Ruimte heeft;
b) een rechtspersoon is zonder vestiging in België waarvan de  zetel gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte.

§ 3. De akte die de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, niet bevat of waarbij de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid, niet gevoegd is, wordt tegen het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, geregistreerd zonder enige mogelijkheid tot teruggave.

Een andere beroepspersoon dan de persoon, vermeld in paragraaf 2, 3°, kan de erkenning verkrijgen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die medeaansprakelijk is en hoofdelijk met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen.

§ 4. Als de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring, geen drie wederverkopen kan aantonen waardoor blijkt dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, is hij op al zijn aankopen het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.

Artikel 2.9.4.2.5. (14/08/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 139.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 19.

Inhoud

§ 1. Als de verkrijger, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, of zijn rechthebbenden het verkregen onroerend goed niet vervreemd hebben door een wederverkoop of elke andere overdracht onder bezwarende titel, vastgesteld bij een authentieke akte die uiterlijk verleden is op 31 december van het achtste jaar na de datum van de koopakte, is het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, dat van kracht is op het ogenblik van de aankoop, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.

Het verkooprecht wordt geheven op de belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, op het moment van de aankoop.

Als slechts een deel van tegen een enige prijs aangekochte onroerende goederen wordt vervreemd, wordt de belastbare waarde van het niet-vervreemde gedeelte bepaald naar verhouding van de omvang.

Een wederverkoop aan een beroepspersoon met toepassing van artikel 2.9.4.2.4 en een inbreng in een vennootschap worden niet beschouwd als een wederverkoop als vermeld in het eerste lid. Een overdracht onder bezwarende titel die aan het verdeelrecht is onderworpen, wordt niet beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in het eerste lid.

§ 2. De verkrijger mag de betaling aanbieden van de belasting, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. Hij moet daarvoor een verklaring indienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Die verklaring vermeldt de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij de belasting wil betalen.

Artikel 2.9.4.2.6. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 140.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 32.

Inhoud

Bij overlijden van de vertegenwoordiger van een beroepspersoon als vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 3°, bij de intrekking van zijn erkenning of als hij onbekwaam wordt verklaard om als vertegenwoordiger op te treden, moet binnen een termijn van zes maanden in zijn vervanging voorzien worden.

Als de voorschriften, vermeld in het eerste lid, niet voldaan zijn, is de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.5, verschuldigd voor de niet-wederverkochte goederen.

Artikel 2.9.4.2.7. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 141.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 33.

Inhoud

In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6% voor een koopovereenkomst ter verwezenlijking van haar voorwerp :
1° door een maatschappij die erkend is door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, op voorwaarde van bewijs van haar erkenning;
2° door het Vlaams Woningfonds.

Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

Artikel 2.9.4.2.8. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 142.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 12.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 34.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 6% voor de ruilovereenkomsten van ongebouwde landgoederen waarvan de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare, op voorwaarde dat het waardeverschil tussen elk van de kavels of de opleg een vierde van de verkoopwaarde van de minste kavel niet te boven gaat.

Voor de toepassing van het tarief, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, derde lid.

§ 2. Voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, zijn aanvullende rechten verschuldigd.

Hetzelfde geldt voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van het verkooprecht tot gevolg heeft.

Artikel 2.9.4.2.9. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 143.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 35.

Inhoud

§ 1. Een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.1.0.1, wordt onderworpen aan een tarief van 10 euro als ze niet bij authentieke akte is vastgesteld, en als binnen de termijnen, overeenkomstig artikel 32 of artikel 33 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, samen met de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift een schriftelijk vastgestelde overeenkomst ter registratie wordt aangeboden waarin alle partijen verklaren de eerste overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in de eerste overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde al is vervuld.

Het tarief, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de inbrengen door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap.

§ 2. De schriftelijk vastgestelde overeenkomst waarin alle partijen verklaren een overeenkomst, zoals omschreven in artikel 2.9.1.0.1, te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in die overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde is vervuld, wordt geregistreerd tegen het tarief van 10 euro op voorwaarde dat die ontbonden of vernietigde overeenkomst :
1° niet bij authentieke akte is vastgesteld;
2° dateert van minder dan één jaar vóór de dagtekening van de ter registratie aangeboden overeenkomst.

Artikel 2.9.4.2.10. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 21/04/2017 Decreet houdende wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vermindering van het verkooprecht en de schenkbelasting voor beschermde monumenten 7.
Gewijzigd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 4.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 12.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 36.

Inhoud

§ 1. Het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, wordt gehalveerd voor verkrijgingen onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument als vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van ruilovereenkomsten die onder de toepassing vallen van artikel 2.9.7.0.2.

§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijgers verbinden zich ertoe dat minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van paragraaf 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte van verkrijging geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is er een goedgekeurd beheersplan of zal een beheersplan opgemaakt worden conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd of zal worden goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
3° de verkrijgers voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, vierde lid.

§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, 1°, is exclusief btw.

§ 4. Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de toepassing van de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, noch met de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.

Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 2, 1°.

§ 5. Bij een rechtshandeling als vermeld in paragraaf 1 die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

Artikel 2.9.4.2.11. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 5.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 18.
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 32.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft het verkooprecht voor de verlenging van de domicilietermijn bij aankoop van een woning en voor de uitbreiding van het tarief bij de aankoop van een woning bij ingrijpende energetische renovatie 2.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 37.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.

§ 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen drie jaar na de datum van de authentieke aankoopakte;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.

De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, vijfde lid;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zesde lid.

De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.

§ 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.

Artikel 2.9.4.2.12. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 6.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 19.
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 33.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft het verkooprecht voor de verlenging van de domicilietermijn bij aankoop van een woning en voor de uitbreiding van het tarief bij de aankoop van een woning bij ingrijpende energetische renovatie 3.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 38.

Inhoud

§ 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 5 % als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit;
2° de verkrijger moet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een energieprestatiecertificaat bouw als vermeld in artikel 9.2.11 van het Energiebesluit van 19 november 2010, bekomen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° ;
3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte;
5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.

De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zevende lid;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, achtste lid.

De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.

Artikel 2.9.4.2.13. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 7.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 20.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 39.

Inhoud

§ 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 7 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte een huurovereenkomst met een minimumduur van 9 jaar voor het aangekochte goed af te sluiten met een erkend sociaal verhuurkantoor met toepassing van en in overeenstemming met de voorwaarden, vermeld in artikel 4.55, tweede en derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en artikel 4.168 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar en zes maanden een kopie van de geregistreerde huurovereenkomst, vermeld in punt 1°, in te dienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.

De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 2. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.

§ 3. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw, of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.

§ 4. De verkrijgers melden de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen vier maanden vanaf de beëindiging. Bij een beëindiging hetzij in onderling overleg tussen het erkend sociaal verhuurkantoor en de verkrijgers, hetzij door toedoen van de verkrijgers, zijn er aanvullende rechten verschuldigd.

Artikel 2.9.4.2.14. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 8.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 21.
Gewijzigd bij 06/07/2018 Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2018 13.
Gewijzigd bij 20/12/2019 Decreet programmadecreet bij de begroting 2020 34.
Gewijzigd bij 26/06/2020 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft het verkooprecht voor de verlenging van de domicilietermijn bij aankoop van een woning en voor de uitbreiding van het tarief bij de aankoop van een woning bij ingrijpende energetische renovatie 4.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 40.

Inhoud

§ 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 1 % wanneer deze verkrijging naast de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, ook voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10.

§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 1, en dit ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7.

Om het tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, voldoen de verkrijgers aan al de volgende voorwaarden :
1° ze verbinden zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte hun inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van de aangekochte woning te nemen;
2° ze voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, achtste lid.

§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw.

§ 4. Het verbod, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 4, eerste lid, geldt niet voor de verkrijgingen, vermeld in paragraaf 1.

Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°.

§ 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, negende lid;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tiende lid.

De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

§ 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.

§ 7. De koper die de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.

[Afdeling 5. Verminderingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 144, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.5.0.1. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 145.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 20.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 22.
Gewijzigd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 9.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op verkoopovereenkomsten afgesloten vanaf 1 juni 2018.

Bericht in verband met de automatische indexering inzake registratiebelasting Jaar 2020 (B.S. 31 januari 2020, p.5604)
A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het jaar 2020 1,0352, zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 2019 (108,78 - basis 2013) door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017 (105,08 - basis 2013).
B. Het maximum in mindering te brengen bedrag, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het jaar 2020 12.500 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 12.500 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro).

Bericht in verband met de automatische indexering inzake registratiebelasting. - Jaar 2021 (B.S. 25 januari 2021, p. 3651)
A. De coëfficiënt, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het jaar 2021 1,0429, zijnde het resultaat van de deling van het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 2020 (109,59 - basis 2013) door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017 (105,08 - basis 2013).
B. Het maximum in mindering te brengen bedrag, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bedraagt voor het jaar 2021 13.000 euro (zijnde het resultaat van de vermenigvuldiging van 12.500 met de coëfficiënt bedoeld in punt A. supra. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro).

Inhoud

In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de belastingen die met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, in mindering gebracht van zijn wettelijk aandeel in de belastingen, verschuldigd op de nieuwe aankoop, op voorwaarde dat de authentieke akte van de nieuwe aankoop is verleden binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte die aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de volgende handelingen :
1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
Als de authentieke akte van vervreemding geen aanleiding geeft tot een van de voormelde handelingen omdat de vervreemding onderworpen is aan een niet-vervulde opschortende voorwaarde, wordt de termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum van de registratie van de authentieke akte of het geschrift dat aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de handelingen, vermeld in 1° of 2°.

De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn van de vermindering, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, uitgesloten.

De vermindering overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.

Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van dergelijke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet in mindering gebrachte belastingen of de ingevolge de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, derde of vijfde lid, nog niet teruggegeven belastingen, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigde belastingen op de voorlaatste aankoop, om het bedrag van de vermindering bij de laatste aankoop te bepalen.

Het in mindering te brengen bedrag, verkregen met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin de authentieke akte van de nieuwe aankoop wordt verleden. Het maximale in mindering te brengen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt in het nieuw aangekochte onroerend goed.

Artikel 2.9.5.0.2. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 146.

Inhoud

Aan de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is voldaan en de verklaringen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 4, tweede of vierde lid, zijn gedaan;
2° de natuurlijke persoon heeft op een ogenblik in de periode van achttien maanden die voorafgaan aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats gehad in de verkochte of verdeelde woning;
3° de natuurlijke persoon verbindt zich ertoe om zijn hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed :
a) als het een woning betreft, binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
b) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.

Als een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is vervuld, wordt de akte over de nieuwe aankoop die of het geschrift over de nieuwe aankoop dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht, geregistreerd zonder de toepassing van artikel 2.9.5.0.1.

Artikel 2.9.5.0.3. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 147.

Inhoud

In geval van onjuistheid van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.

In geval van niet-naleving van de verbintenis tot het vestigen van de hoofd-verblijfplaats, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 3°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.

Artikel 2.9.5.0.4. (01/01/2015- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 148.

Inhoud

Voor de toepassing van artikel 2.9.5.0.1 tot en met artikel 2.9.5.0.3 en voor de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, wordt met een verrichting als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, of in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, gelijkgesteld een combinatie van twee van dergelijke verrichtingen waarbij de voorlaatste aankoop van de heffing van het verkooprecht is vrijgesteld met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°.

Bij de vermindering of de teruggave wordt, al naargelang het geval, rekening gehouden met het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, verschuldigd op de aankoop die voorafgaat aan die welke is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°.

Naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2° en 3°, of vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 3°, die in het kader van een gelijkgestelde verrichting als vermeld in het eerste lid, de tweede verrichting in de combinatie betreffen, moet de natuurlijke persoon bovendien voor de eerste verrichting in de combinatie vermelden :
1° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling ervan zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop van die woning aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
2° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor is bepaald, ter registratie is aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is.

Artikel 2.9.5.0.5. (01/06/2018- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 23.
Gewijzigd bij 18/05/2018 Decreet houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de hervorming van het verkooprecht en vereenvoudigingen in de registratiebelasting 10.

Commentaar

Deze versie is van toepassing op verkoopovereenkomsten afgesloten vanaf 1 juni 2018.

Inhoud

Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 200.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.

Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 200.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naar gelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.

Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 220.000 euro.

[Afdeling 6. Vrijstellingen (ing. Decr. 19 december 2014, art. 149, I: 1 januari 2015)]

Artikel 2.9.6.0.1. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 150.
Gewijzigd bij 17/07/2015 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 21.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 41.
Gewijzigd bij 21/12/2018 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen 24.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 13.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 41.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde dat :
a) de mogelijkheid om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
b) de aanwijzing bij authentieke akte uiterlijk plaatsvindt op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing of van de overeenkomst;
2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop van onroerende goederen, op voorwaarde dat ze geen aanleiding geven tot de heffing van een hogere registratiebelasting dan de registratiebelasting die geheven is op de vorige toewijzing;
3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
4° andere overdrachten onder bezwarende titel dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijbehorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten;
5° de contracten van onroerende financieringshuur, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde;
6° ...;
7° ...

Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit hoofdstuk als een wederverkoop beschouwd.

In afwijking van hetgeen vermeld is in het eerste lid, 1°, a) en b), moet om de vrijstelling van het verkooprecht te genieten :
1°...;
2° bij toewijzingen ten gevolge van een hoger bod op de vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing heeft gedaan, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing.

In de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing zonder dat ze aan het bevoegde personeelslid betekend moet worden.

Als de toewijzingen, vermeld in het eerste lid, 2°, wel aanleiding geven tot de heffing van een hoger verkooprecht dan het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing, wordt de vrijstelling beperkt tot het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing.

Het eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen opschortende voorwaarde uitmaakt.

Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, zesde lid.

Als onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 7°, is voor de verkrijging, vermeld in het eerste lid, 7°, hoe ze ook gebeurt, het verkooprecht verschuldigd.

Artikel 2.9.6.0.2. (25/04/2021- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 151.
Gewijzigd bij 23/12/2016 Decreet houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen 42.
Gewijzigd bij 08/12/2017 Decreet houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken 20.
Gewijzigd bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 14.
Gewijzigd bij 02/04/2021 Decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen 42.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
1° de akten die in der minne verleden zijn in naam van of ten voordele van de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de openbare instellingen van de federale staat, de gemeenschappen of de gewesten;
2° de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt;
3° ...;
4° ...;
5° ...;
6° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen;
7° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
8° de akten houdende oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van:
a) de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;
b) de verenigingen of intercommunales, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
c) de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
d) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen;
9° de akten die, bij toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn , het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, de overgave vaststellen van goederen aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn ofwel de overgave van goederen aan verenigingen die op grond van de voormelde wet of de voormelde decreten zijn opgericht.

Het eerste lid, 1° tot en met 7°, is alleen van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van vermelde entiteiten vallen.

Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°.

Artikel 2.9.6.0.3. (01/01/2019- ...)

Relaties naar artikelen

Type Datum Opschrift Art.
Ingevoegd bij 19/12/2014 Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 152.
Vervangen bij 22/06/2018 Decreet houdende de rationalisering van fiscale gunstmaatregelen 15.

Commentaar

Deze versie treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2019.

Inhoud

Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor:
1° de overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, aan de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en aan alle andere tot onteigening gerechtigde organen of personen;
2° de akten voor de wederafstand na onteigening ten algemenen nutte in de gevallen waarin die b