Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters (citeeropschrift: "Subsidiebesluit van 22 november 2013")

Datum 22/11/2013

Inhoudstafel

  1. TITEL 1 Algemene bepalingen
    1. HOOFDSTUK 1 Definities
    2. HOOFDSTUK 2 Besluit 2012/21/EU
    3. [HOOFDSTUK 3 Subsidiegroepen, trappensysteem en de wijze van toekenning (verv. BVR 4 april 2014, art. 16, I: 1 april 2014)]
    4. HOOFDSTUK 4 Index
    5. HOOFDSTUK 5 Betalingsregeling en bezorgen gegevens
    6. [HOOFDSTUK 6 Integriteit en geschiktheid (ing. BVR 11 december 2015, art. 30, I: 13 februari 2016)]
  2. TITEL 2 Basissubsidie
    1. HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie
    2. HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening
  3. TITEL 3 Subsidie voor inkomenstarief
    1. HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie
    2. HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening
      1. Afdeling 1 Openingsduur en bezetting
      2. Afdeling 2 Toegang bepaalde gezinnen
      3. Afdeling 3 Organisatorisch management
      4. Afdeling 4 Systeem inkomenstarief
        1. Onderafdeling 1 Systeem voor alle kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie
        2. [Onderafdeling 2 Betalen voor gereserveerde kinderopvangdagen (verv. BVR 4 april 2014, art. 22, I: 1 april 2014)]
        3. Onderafdeling 3 Bepaling inkomenstarief
        4. Onderafdeling 4 Facturatie en inning inkomenstarief
        5. [Onderafdeling 5 Bewaren van documenten en maatregelen (verv. BVR 24 april 2015, art. 11, I: 1 mei 2015)]
  4. TITEL 4 Plussubsidie
    1. HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie
    2. HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening
      1. Afdeling 1 Toegang bepaalde gezinnen
      2. Afdeling 2 Werking
  5. [TITEL 4/1 Subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]
    1. [HOOFDSTUK 1 Subsidie flexibele gezinsopvang (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]
      1. [Afdeling 1 Bedrag subsidie (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]
      2. [Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]
    2. [HOOFDSTUK 2 Subsidie voor ruimere openingsmomenten (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]
      1. [Afdeling 1 Subsidiebedrag (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]
      2. [Afdeling 2 Voorwaarden voor specifieke dienstverlening (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]
  6. [TITEL 4/2 Subsidie voor dringende kinderopvang (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]
    1. [HOOFDSTUK 1 Subsidiebedrag (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]
    2. [HOOFDSTUK 2 Voorwaarden voor specifieke dienstverlening (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]
  7. TITEL 5 Subsidie voor inclusieve kinderopvang
    1. HOOFDSTUK 1 Individuele inclusieve kinderopvang
      1. Afdeling 1 Bedrag subsidie
      2. Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening
    2. HOOFDSTUK 2 Structurele inclusieve kinderopvang
      1. Afdeling 1 Bedrag subsidie
      2. Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening
    3. [HOOFDSTUK 3 Subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]
      1. [Afdeling 1 Bedrag subsidie (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]
      2. [Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]
  8. TITEL 6 Wijzigingsbepaling
  9. TITEL 7 Slotbepalingen
    1. HOOFDSTUK 1 Opheffingsbepalingen
    2. HOOFDSTUK 2 Overgangsbepalingen
      1. Afdeling 1 Omzetting bestaande subsidies
      2. Afdeling 2 Overgangsperiode bedrag subsidie
        1. Onderafdeling 1 Basissubsidie
        2. Onderafdeling 2 Subsidie voor inkomenstarief
      3. Afdeling 3 Overgangsperiode voorwaarden specifieke dienstverlening
      4. Afdeling 4 Andere overgangsbepalingen
    3. HOOFDSTUK 3 Subsidies van andere overheidsinstanties
    4. HOOFDSTUK 4 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringsbepaling

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 6, § 1, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 6 en 8, § 2;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 7, tweede lid, 8, § 3, 9, tweede lid, 12, § 1, tweede lid, en 36, tweede en derde lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de beveiliging van de toegang bij kinderopvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 tot toekenning van een financiële tegemoetkoming aan onthaalouders en kinderopvangvoorzieningen voor een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 juli 2013;

Gelet op advies 53.682/3 van de Raad van State, gegeven op 4 oktober 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat de toepassing van artikel 25 uiterlijk 31 december 2017 geëvalueerd zal worden door Kind en Gezin;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL 1 Algemene bepalingen

HOOFDSTUK 1 Definities

Artikel 1. (01/01/2020- ...)

 In dit besluit wordt verstaan onder :
1° basissubsidie : de subsidie voor de realisatie van een basisaanbod met een werking, vermeld in artikel 7 van het decreet van 20 april 2012;
2° contracthouder : de persoon uit het gezin waarmee de organisator een schriftelijke overeenkomst voor kinderopvang heeft;
3° decreet van 20 april 2012 : het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
3° /1 ...;
3° /2 formeel document: hetzij een inkomensbewijs, hetzij een formele bevestiging van het inkomen door een instantie of de organisator die voorzien is van een datum en een handtekening;
4° gesubsidieerde kinderopvangplaats : een kinderopvangplaats waarvoor Kind en Gezin een subsidie betaalt aan de organisator;
5° gezin : een of meer personen in het thuismilieu van het opgevangen kind die de verantwoordelijkheid voor dat kind dragen;
6° inclusieve kinderopvang : de kinderopvang van een kind met een specifieke zorgbehoefte samen met kinderen zonder specifieke zorgbehoefte;
7° inkomen : het gezamenlijk belastbaar inkomen voor de aftrekbare bestedingen;
7° /1 inwonende persoon: een persoon met domicilie op hetzelfde adres als de contracthouder die in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van het inkomenstarief. Het adres is het adres dat is opgenomen in het Rijksregister en ter beschikking wordt gesteld door de Kruispuntbank;
7° /2 kind ten laste: een kind voor wie de contracthouder of de inwonende persoon financiële verantwoordelijkheid draagt, tot het einde van het kalenderjaar waarin het kind twaalf jaar wordt;
8° kinderen met een specifieke zorgbehoefte : de kinderen die door medische of psychosociale problemen meer intensieve zorgen nodig hebben;
9° kinderopvangprestatie : de aanwezigheid van een kind per dag per kinderopvanglocatie;
9° /1 Kruispuntbank: de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, vermeld in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
10° kwetsbaar gezin : een gezin dat beantwoordt aan minstens twee van de volgende kenmerken, waarvan minstens één kenmerk als vermeld in punt b), d) of e) :
a) wat de werksituatie betreft, nood hebben aan kinderopvang om werk te zoeken of te houden of om een beroepsgerichte opleiding daarvoor te volgen;
b) wat de financiële situatie betreft, een inkomen hebben dat lager is dan een bepaald bedrag;
c) wat de gezinssamenstelling betreft, alleenstaand zijn, meer bepaald niet gehuwd zijn of geen domicilie hebben met een persoon van wie het inkomen in aanmerking komt voor de bepaling van het inkomenstarief;
d) wat de gezondheid en zorgsituatie betreft, beantwoorden aan minstens een van de volgende drie kenmerken :
1) een gezinslid met een handicap hebben, waaronder wordt verstaan : voor volwassenen, de handicap vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en voor minderjarigen, het in aanmerking komen voor verhoogde kinderbijslag;
2) een gezinslid hebben dat gebruik maakt van een of meer van de pijlers van de Vlaamse sociale bescherming, vermeld in artikel 4, eerste lid, 1° en 3°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
3) in de context van hulpverlening aan het gezin of van inburgering van het gezin, is het voor de kinderen om sociale of pedagogische redenen wenselijk dat ze overdag opgevangen worden in de kinderopvang;
e) wat het opleidingsniveau betreft, geen diploma secundair onderwijs hebben;
11° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
12° openingsdag : een dag waarop er minstens één opgevangen kind is;
13° opgevangen kind: een kind voor wie er minstens één kinderopvangprestatie is. Er zijn twee soorten opgevangen kinderen:
a) opgevangen kind met inkomenstarief: het opgevangen kind waarvoor de organisator het systeem inkomenstarief toepast;
b) opgevangen kind met vrije prijs: het opgevangen kind waarvoor de organisator een vrije prijs vraagt;
14° plussubsidie : de subsidie voor de realisatie van kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen en voor de realisatie van toegang voor die gezinnen, vermeld in artikel 9 van het decreet van 20 april 2012;
14° /1 subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang: de subsidie voor het voeren van een proactief opnamebeleid, de realisatie van inclusieve kinderopvang, de verspreiding van expertise en sensibiliseren inzake inclusieve kinderopvang, in samenwerking met andere actoren die instaan voor inclusie, aan een organisator met minstens 22 gesubsidieerde kinderopvangplaatsen met een subsidie voor inkomenstarief binnen die zorgregio;
14° /2 subsidie voor dringende kinderopvang: de subsidie voor de realisatie van een specifieke opdracht als vermeld in artikel 10, 3°, van het decreet van 20 april 2012, meer bepaald de organisatie van kinderopvang op heel korte termijn en in afwachting van doorstroming van het kind naar de reguliere kinderopvang, als dat nodig is;
15° subsidie voor inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van opdrachten in het kader van inclusieve kinderopvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, vermeld in artikel 10, 2°, van het decreet van 20 april 2012;
16° subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van inclusieve kinderopvang van een individueel kind met een specifieke zorgbehoefte voor wie Kind en Gezin een specifieke toekenning van bepaalde duur deed;
17° subsidie voor inkomenstarief : de subsidie voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen een prijs betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van toegang tot de kinderopvang voor bepaalde gezinnen, vermeld in artikel 8 van het decreet van 20 april 2012;
17° /1 subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden: de subsidie voor de realisatie van kinderopvang op flexibele openingstijden, vermeld in artikel 10, 1°, van het decreet van 20 april 2012. Binnen die subsidie zijn de volgende vormen te onderscheiden:
a) subsidie flexibele gezinsopvang: de subsidie voor kinderopvang op atypische openingsmomenten in een kinderopvanglocatie voor gezinsopvang;
b) subsidie voor ruimere openingsmomenten: de subsidie voor kinderopvang op atypische openingsmomenten in een kinderopvanglocatie voor groepsopvang;
18° subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van de structurele uitbouw van inclusieve kinderopvang binnen een kinderopvanglocatie;
19° subsidieerbare kinderopvangplaats : een kinderopvangplaats waarvoor de organisator over een beslissing tot toekenning van een subsidie van Kind en Gezin beschikt;
20° subsidiegroep : een groep van kinderopvanglocaties van hetzij gezinsopvang, hetzij groepsopvang, van dezelfde organisator binnen een geografisch afgebakend gebied. Voor gezinsopvang is dat gebied de zorgregio. Voor groepsopvang is dat gebied de gemeente, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel Hoofdstad waar dit gebied de zorgregio is;
21° 's nachts : tussen 20 uur en 6 uur;
22° ...

Artikel 1/1. (01/04/2014- ...)

Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidiebesluit van 22 november 2013.

HOOFDSTUK 2 Besluit 2012/21/EU

Artikel 2. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin kan aan de organisator subsidies toekennen voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit.

De subsidies worden toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Artikel 3. (01/04/2014- ...)

Zolang de organisator voldoet aan de voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, geldt de subsidie voor een duur van tien jaar vanaf de eerste subsidieerbare kinderopvangplaats binnen de subsidiegroep.

Kind en Gezin en de toezichthouders voeren op regelmatige basis, uiterlijk om de drie jaar, controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit.

Artikel 4. (31/03/2020- ...)

De organisator zorgt voor financiële weerbaarheid en transparantie.

Elke organisator zorgt, in het kader van de verplichting, vermeld in het eerste lid, minstens voor:
1° een jaarlijkse begroting met een overzicht van voorzienbare inkomsten en de geraamde uitgaven voor de organisatie van kinderopvang;
2° een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de activiteiten van kinderopvang, waarvoor de organisator de subsidie voor specifieke dienstverlening ontvangt, voor de toerekening van de kosten en inkomsten, transparant afzondert.

De organisator die een subsidie ontvangt van het agentschap die het bedrag van 200.000 euro (tweehonderdduizend euro) op jaarbasis overschrijdt, voert, in het kader van de verplichting, vermeld in het eerste lid, een boekhouding volgens het principe van dubbelboekhouden en voegt een uitbreiding bij zijn rekeningstelsel. Hij maakt een jaarlijks financieel verslag op dat bestaat uit:
1° een goedgekeurde jaarrekening;
2° een resultatenrekening, opgesplitst voor hetzij groepsopvang, hetzij gezinsopvang;
3° een lijst van alle subsidiebedragen, gelinkt aan kinderopvang, die toegekend zijn door een overheid, met vermelding van de toekennende overheid en het doel van de subsidie.

De voorwaarde, vermeld in het derde lid, is niet van toepassing voor een lokaal bestuur, met uitzondering van de verplichting, vermeld in het derde lid, 3°. Een lokaal bestuur heeft wel een resultatenrekening, opgesplitst voor hetzij groepsopvang, hetzij gezinsopvang.

De organisator beschikt over het financieel verslag, uiterlijk zeven maanden na de afsluiting van het boekjaar.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer voor de bijgevoegde uitbreiding van het rekeningstelsel.

De organisator die wettelijk verplicht is een commissaris-revisor aan te stellen, laat die revisor aanvullend op zijn wettelijke opdracht, jaarlijks onderzoeken en attesteren of de subsidies vermeld in dit besluit aangewend worden voor de opdrachten, vermeld in dit besluit.

Artikel 5. (01/04/2014- ...)

De organisator kan op de volgende wijze reserves opbouwen met de subsidies, vermeld in dit besluit :
1° de reserves worden aangewend om de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, te kunnen realiseren;
2° maximaal 20% van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, kan als reserve overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar;
3° de gecumuleerde reserve, opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°, is maximaal 50% van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2° ;
4° als het maximum, vermeld in punt 2° en 3°, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan Kind en Gezin, tenzij de organisator een aanwendingsplan of aanzuiveringsplan heeft dat voldoet aan een aantal criteria, waaronder de goedkeuring van de Inspectie van Financiën van de Vlaamse overheid.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de criteria waaraan het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan moet voldoen.

[HOOFDSTUK 3 Subsidiegroepen, trappensysteem en de wijze van toekenning (verv. BVR 4 april 2014, art. 16, I: 1 april 2014)]

Artikel 6. (01/01/2020- ...)

De subsidies worden toegekend binnen een subsidiegroep, wat onder meer impliceert dat :
1° de subsidieerbare kinderopvangplaatsen toegekend worden aan de organisator op het niveau van een subsidiegroep;
2° de subsidies berekend en betaald worden aan de organisator per subsidiegroep;
3° de organisator moet voldoen aan de voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening zodra een subsidieerbare kinderopvangplaats wordt omgezet in een gesubsidieerde kinderopvangplaats, met uitzondering van de voorwaarde vermeld in artikel 21 die niet geldt voor de kinderopvangplaatsen die de organisator met een vrije prijs organiseert in dezelfde kinderopvanglocatie, en met uitzondering van de voorwaarde, vermeld in artikel 24, waaraan de organisator moet voldoen voor de aanvraag van de subsidie. De organisator bepaalt in welke kinderopvanglocaties van de subsidiegroep hij de specifieke dienstverlening realiseert. De voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening gelden voor alle kinderopvangplaatsen van die kinderopvanglocatie;
4° de subsidies alleen betaald worden aan kinderopvanglocaties waarbij de vergunning geen statuut niet-actief heeft.

De subsidieerbare kinderopvangplaatsen blijven behouden binnen een subsidiegroep :
1° in geval van verhuizing van een kinderopvanglocatie binnen dezelfde subsidiegroep;
2° als het aantal vergunde kinderopvangplaatsen lager wordt dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen. De subsidieerbare kinderopvangplaatsen zijn dan voorbehouden gedurende een bepaalde termijn.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de invulling van het voorbehoud.

Artikel 7. (01/04/2014- ...)

De basissubsidie, de subsidie voor inkomenstarief en de plussubsidie worden toegekend volgens het volgende trappensysteem :
1° een subsidieerbare kinderopvangplaats uit een hogere trap kan alleen worden toegekend als die plaats ook een subsidieerbare kinderopvangplaats is van een lagere trap, meer bepaald :
a) de plussubsidie, vermeld in titel 4, kan alleen worden toegekend als de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, toegekend heeft gekregen;
b) de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, kan alleen worden toegekend als de organisator de basissubsidie, vermeld in titel 2, toegekend heeft gekregen;
2° het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen van een hogere trap is nooit hoger dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen van een lagere trap, meer bepaald :
a) het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, krijgt, kan nooit hoger zijn dan het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de basissubsidie, vermeld in titel 2, krijgt;
b) het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de plussubsidie, vermeld in titel 4, krijgt, kan nooit hoger zijn dan het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, krijgt.

Artikel 7/1. (01/01/2019- ...)

De subsidies voor inclusieve kinderopvang worden op de volgende wijze toegekend:
1° de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang kan toegekend worden als de organisator een vergunning heeft;
2° de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang of de subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang kan toegekend worden als de organisator minstens een subsidie voor inkomenstarief toegekend krijgt;
3° de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang kan gecombineerd worden met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang of met een subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang;
4° de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang kan niet gecombineerd worden met de subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang binnen dezelfde zorgregio;
5° het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang is nooit hoger dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen vanuit het trappensysteem.

De subsidies voor kinderopvang met flexibele openingstijden worden op de volgende wijze toegekend:
1° de subsidie flexibele gezinsopvang kan toegekend worden als de organisator de voorwaarden voor die subsidie realiseert in een kinderopvanglocatie gezinsopvang waarvoor hij een subsidie voor inkomenstarief heeft;
2° de subsidie voor ruimere openingsmomenten kan toegekend worden als de organisator de voorwaarden voor die subsidie realiseert in een kinderopvanglocatie groepsopvang waarvoor hij een basissubsidie heeft.

De subsidie voor dringende kinderopvang kan toegekend worden als de organisator de voorwaarden voor die subsidie realiseert in een kinderopvanglocatie groepsopvang waarvoor hij een subsidie voor inkomenstarief heeft.

HOOFDSTUK 4 Index

Artikel 8. (27/04/2015- ...)

De bedragen van de subsidies, vermeld in dit besluit, worden aangepast aan de afgevlakte gezondheidsindex.

Overeenkomstig artikel 89, eerste lid, 28° en 58°, van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 wordt verstaan onder afgevlakte gezondheidsindex: het prijsindexcijfer, vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, dat wordt berekend en toegepast conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde besluit.

De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid, in de periode van 1 april tot aan de referentiemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde besluit.

Deze aanpassing gebeurt telkens twee maanden nadat de afgevlakte gezondheidsindex een bepaalde drempelwaarde overschrijdt.

HOOFDSTUK 5 Betalingsregeling en bezorgen gegevens

Artikel 9. (01/01/2019- ...)

De subsidies worden op de volgende wijze betaald:
1° er is een voorschot per kwartaal, behalve:
a) in geval van een vermoeden van ernstige problemen bij de organisator, en minstens als er een risico is op plotse stopzetting van de dienstverlening of bij een vermoeden van fraude door de organisator, in welk geval er een voorschot is per maand;
b) als de organisator de gegevens die de basis vormen voor de berekening van het voorschot niet tijdig bezorgt, in welk geval het voorschot betaald wordt in de maand die volgt op het bezorgen van de gegevens;
c) voor de subsidie vermeld in artikel 40/11, 2° en artikel 41, in welk geval er geen voorschot wordt betaald;
2° het saldo wordt afgerekend uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar in kwestie, behalve:
a) als de organisator geen kinderopvang meer aanbiedt, in welk geval er een saldo wordt gemaakt in het kwartaal volgend op de stopzetting;
b) als de organisator de gegevens die de basis vormen voor de berekening van het saldo niet tijdig bezorgt, in welk geval er een saldo wordt afgerekend in het kwartaal dat volgt op het bezorgen van de gegevens.

Als de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de subsidies, fout zijn, kan er een rechtzetting komen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de gegevens die de organisator aan Kind en Gezin moet bezorgen en de manier waarop de voorschotten en het saldo worden berekend.

Artikel 10. (01/04/2014- ...)

De organisator bezorgt gegevens elektronisch aan Kind en Gezin volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin, en dit met het oog op beleidsdoeleinden zoals het in kaart brengen van het gebruik en van het aanbod aan kinderopvang die een subsidie krijgt van Kind en Gezin en in het kader van de opvolging van de subsidie of in het kader van handhaving.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer welke gegevens de organisator aan Kind en Gezin moet bezorgen.

[HOOFDSTUK 6 Integriteit en geschiktheid (ing. BVR 11 december 2015, art. 30, I: 13 februari 2016)]

Artikel 10/1. (13/02/2016- ...)

De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, met subsidies om te gaan en de daarbij horende specifieke dienstverlening en subsidievoorwaarden na te leven.

TITEL 2 Basissubsidie

HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie

Artikel 11. (01/04/2014- ...)

De basissubsidie voor gezinsopvang bedraagt 267,30 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Artikel 12. (01/01/2016- ...)

De basissubsidie voor groepsopvang bedraagt 752,28 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Artikel 13. (01/09/2015- ...)

Het bedrag, vermeld in artikel 11 en 12, wordt verhoudingsgewijs verminderd voor een gesubsidieerde kinderopvangplaats die geen volledig kalenderjaar toegekend wordt.

De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding.

HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening

Artikel 14. (01/01/2019- ...)

De organisator zorgt voor minstens een bepaald aantal openingsdagen per volledig kalenderjaar als volgt:
1° voor gezinsopvang, minstens 180 openingsdagen per subsidiegroep;
2° voor groepsopvang, minstens 220 openingsdagen in elke kinderopvanglocatie waarvoor de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15 en 16.

Het aantal dagen, vermeld in het eerste lid, wordt verhoudingsgewijs verminderd :
1° voor gezinsopvang, als geen enkele kinderopvanglocatie een volledig kalenderjaar actief is;
2° voor groepsopvang, als de kinderopvanglocatie geen volledig kalenderjaar actief is.

De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding.

Artikel 15. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft voor de kinderbegeleider een attest van actieve kennis van het Nederlands, vastgesteld door de minister, waaruit blijkt dat het behaalde taalvaardigheidsniveau voor luisteren en gesprekken voeren het ERK-niveau B1, voor lezen en schrijven het ERK-niveau A2 is.

De organisator kan per drie voltijds equivalenten kinderbegeleiders, op niveau van de organisator, met een attest van actieve kennis van het Nederlands als vermeld in het eerste lid, één kinderbegeleider tewerkstellen zonder dit attest op voorwaarde dat :
1° deze kinderbegeleider dit attest behaalt maximaal vier jaar na het starten met werken als kinderbegeleider bij de organisator;
2° er altijd een kinderbegeleider met dit attest aanwezig is in de kinderopvanglocatie.

Artikel 16. (01/09/2015- ...)

De organisator zorgt ervoor dat er minstens evenveel verschillende kinderen opgevangen worden op jaarbasis als het aantal gesubsidieerde plaatsen op het niveau van de subsidiegroep.

TITEL 3 Subsidie voor inkomenstarief

HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie

Artikel 17. (05/03/2021- ...)

De subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang is opgebouwd uit :
1° een deel op basis van kinderopvangprestaties;
2° een deel op basis van de leeftijd van de verantwoordelijken en van de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke en die voldoen aan de voorwaarden over de kennis van het Nederlands en over de kwalificatie waaraan de verantwoordelijke moet voldoen.

Het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt als volgt berekend :
1° de subsidie bedraagt 23,24 euro voor een kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, en bedraagt 60% van dat bedrag voor een kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt;
2° alle kinderopvangprestaties van elke kinderopvanglocatie gezinsopvang uit de subsidiegroep die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36/1, tellen mee, met uitzondering van de volgende kinderopvangprestaties :
a) de kinderopvangprestaties 's nachts;
b) de kinderopvangprestaties voor de kinderen die tot het thuismilieu van de kinderbegeleider gezinsopvang behoren, en voor wie de kinderbegeleider de verantwoordelijkheid draagt;
c) de kinderopvangprestaties waarvoor de organisator ervoor kiest om niet met het systeem inkomenstarief te werken als vermeld in artikel 27, tweede lid;
3° er worden niet meer kinderopvangprestaties gesubsidieerd dan 120% van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen, vermenigvuldigd met het minimum aantal verplichte openingsdagen, vermeld in artikel 14. Voor de berekening van dat percentage tellen kinderopvangprestaties die vijf tot elf uur duren, mee voor 100%, en kinderopvangprestaties die minder dan vijf uur duren, voor 60%;
4° de prestatie die verricht wordt in het kader van het aanbod om de doelstellingen te verwezenlijken, vermeld in artikel 5 of 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2021 over de financiering van vernieuwend aanbod in de preventieve gezinsondersteuningen, en die niet in de vergunde kinderopvanglocatie plaatsvindt, wordt aanvullend gelijkgesteld aan een kinderopvangprestatie als vermeld in punt 1°.

Het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt berekend :
1° de subsidie bedraagt 431,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar als de gemiddelde leeftijd van die personen twintig jaar is;
2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 7,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;
3° de gemiddelde leeftijd wordt berekend op basis van alle leeftijden en de werkregeling van deze personen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer op welke wijze de verantwoordelijken en de medewerkers, vermeld in het eerste lid, 2°, meetellen voor de berekening van de gemiddelde leeftijd en hoe hun werkregeling in rekening gebracht wordt.

Artikel 18. (05/03/2021- ...)

De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang is opgebouwd uit :
1° een deel op basis van kinderopvangprestaties;
2° een deel op basis van de leeftijd van de kinderbegeleiders, van de verantwoordelijken en van de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke en die voldoen aan de voorwaarden over de kennis van het Nederlands en over de kwalificatie waaraan de verantwoordelijke moet voldoen.

Het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt als volgt berekend :
1° de subsidie bedraagt 23,37 euro voor een kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, en bedraagt 60% van dat bedrag voor een kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt;
2° alle kinderopvangprestaties van elke kinderopvanglocatie groepsopvang uit de subsidiegroep die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36/1, tellen mee, met uitzondering van de volgende kinderopvangprestaties:
a) de kinderopvangprestaties 's nachts;
b) de kinderopvangprestaties waarvoor de organisator ervoor kiest om niet met het systeem inkomenstarief te werken als vermeld in artikel 27, tweede lid;
3° er worden niet meer kinderopvangprestaties gesubsidieerd dan 120% van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen, vermenigvuldigd met het minimum aantal verplichte openingsdagen, vermeld in artikel 14. Voor de berekening van dat percentage tellen kinderopvangprestaties die vijf tot elf uur duren, mee voor 100%, en kinderopvangprestaties die minder dan vijf uur duren, voor 60%;
4° de prestatie die verricht wordt in het kader van het aanbod om de doelstellingen te verwezenlijken, vermeld in artikel 5 of 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2021 over de financiering van vernieuwend aanbod in de preventieve gezinsondersteuning, en die niet in de vergunde kinderopvanglocatie plaatsvindt, wordt aanvullend gelijkgesteld aan een kinderopvangprestatie als vermeld in punt 2°.

Het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt berekend :
1° de subsidie bedraagt 5286,12 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar als de gemiddelde leeftijd van deze personen twintig jaar is;
2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 95,5 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;
3° de gemiddelde leeftijd wordt berekend op basis van alle leeftijden en de werkregeling van deze personen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer op welke wijze de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de medewerkers, vermeld in het eerste lid, 2°, meetellen voor de berekening van de gemiddelde leeftijd en hoe hun werkregeling in rekening gebracht wordt.

Artikel 19. (01/04/2014- ...)

Het bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 17 en 18, wordt verrekend met het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, in verhouding tot het aantal kinderopvangplaatsen met een subsidie voor inkomenstarief als vermeld in artikel 17 en 18.

Er is geen verrekening met :
1° een eventueel bijkomend tarief als vermeld in artikel 31;
2° het inkomenstarief, betaald voor afwezigheidsdagen die niet gerechtvaardigd zijn.

De minister bepaalt de nadere regels voor de verrekening.

HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening

Afdeling 1 Openingsduur en bezetting

Artikel 20. (01/01/2019- ...)

De organisator van gezinsopvang zorgt voor minstens 220 openingsdagen per volledig kalenderjaar op het niveau van de subsidiegroep. In afwijking daarvan bedraagt het aantal minimale openingsdagen 180 voor de organisator gezinsopvang voor de subsidiegroep gezinsopvang waarin slechts één kinderopvanglocatie gezinsopvang voorhanden is.

Op de minimale openingsdagen, vermeld in het eerste lid en in artikel 14, eerste lid, 2°, geldt een ononderbroken openingsduur van minstens elf uur tussen 6 en 20 uur.

Artikel 21. (01/01/2020- ...)

De organisator heeft een bezetting van minstens 80% per kalenderjaar. De bezetting wordt berekend op basis van 220 openingsdagen en het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief krijgt.

Voor de berekening van de bezetting worden alle kinderopvangprestaties van de opgevangen kinderen met inkomenstarief van de kinderopvanglocaties van dezelfde subsidiegroep, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36/1, in aanmerking genomen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de berekening van de bezetting.

Afdeling 2 Toegang bepaalde gezinnen

Artikel 22. (01/04/2014- ...)

De organisator geeft op de volgende wijze voorrang aan bepaalde gezinnen :
1° er is absolute voorrang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is in het kader van de werksituatie. De organisator geeft daarbij, bij keuze tussen aanvragen, altijd voorrang aan de aanvraag van het gezin waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om werk te zoeken of te houden of om een beroepsgerichte opleiding daarvoor te volgen;
2° er is voorrang voor alleenstaanden;
3° er is voorrang voor gezinnen die een inkomen hebben dat lager is dan een bepaald bedrag;
4° er is voorrang voor pleegkinderen die kinderopvang nodig hebben;
5° er is voorrang voor kinderen van wie een broer of zus in de kinderopvanglocatie opgevangen wordt.

Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens 20% van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van gezinnen die beantwoorden aan ten minste twee van de eerste vier kenmerken, vermeld in het eerste lid. Ook kinderen uit een kwetsbaar gezin tellen mee voor de berekening van dat percentage. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, toepassen. Zolang 20% niet bereikt is, kan afgeweken worden van de absolute voorrang, vermeld in het eerste lid, 1°.

De organisator neemt de wijze waarop hij die voorrang toepast, op in zijn huishoudelijk reglement.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer het bedrag van het inkomen.

Artikel 23. (01/04/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 8, § 1, van het decreet van 20 april 2012, geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55% van hun opvangcapaciteit, behoudens de bepalingen in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.

Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens een door de organisator bepaald percentage, met een maximum van 55%, van alle op jaarbasis opgevangen kinderen, kinderen zijn van gezinnen, vermeld in het eerste lid. Dat percentage houdt een minimum in van één kind en is gemotiveerd vanuit de noodzaak en de evenredigheid daarvan ten opzichte van het te bereiken doel, dat kinderen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die in het gezin opgevoed worden in het Nederlands, continuïteit kunnen vinden met die taal in de kinderopvang. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, toepassen.

De organisator neemt de manier waarop hij die voorrang toepast op in zijn huishoudelijk reglement.

Afdeling 3 Organisatorisch management

Artikel 24. (31/03/2020- ...)

De organisator met meer dan één kinderopvanglocatie heeft rechtspersoonlijkheid. Dat geldt ook als dezelfde personen met verschillende ondernemingsnummers instaan voor de organisatie van de kinderopvang.

Artikel 25. (31/03/2020- ...)

De organisator van groepsopvang betaalt correcte en marktconforme lonen of vergoedingen voor de medewerkers waardoor die medewerkers in staat zijn een gezonde en toekomstgerichte sociaalrechtelijke situatie uit te bouwen. De organisator biedt daarover volledige transparantie.

Artikel 26. (31/03/2020- ...)

...

Afdeling 4 Systeem inkomenstarief

Onderafdeling 1 Systeem voor alle kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie

Artikel 27. (01/01/2020- ...)

De organisator werkt met het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 28 tot en met 36/1, voor alle kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie, uitgezonderd voor de kinderen die tot het thuismilieu van de kinderbegeleider gezinsopvang behoren, en voor wie de kinderbegeleider de verantwoordelijkheid draagt.

De organisator kan ervoor kiezen om niet met het systeem inkomenstarief te werken voor :
1° de kinderen die met de kinderbegeleider gezinsopvang of met de partner van de kinderbegeleider gezinsopvang verwant zijn tot en met de vierde graad;
2° de gereserveerde kinderopvangdagen binnen het recht van het gezin op wennen met toepassing van artikel 29/1;
3° de kinderen die hij opvangt op de kinderopvangplaatsen bovenop de subsidieerbare kinderopvangplaatsen met subsidie voor inkomenstarief. Dat geldt niet voor de organisator die werkt met kinderbegeleiders in het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders.

Artikel 27/1. (01/01/2020- ...)

De organisator die een beroep doet op de mogelijkheid, vermeld in artikel 27, tweede lid, 3°, kan voor de kinderopvang van de kinderen, vermeld in artikel 27, tweede lid, 3°, een vrije prijs vragen aan de gezinnen.

In het geval, vermeld in het eerste lid, voldoet de organisator aan al de volgende voorwaarden:
1° voldoende beleidsvoerend vermogen hebben om kwaliteitsvol met twee prijssystemen in één kinderopvanglocatie te werken;
2° een duidelijk beleid uitgewerkt hebben over zijn aanpak van de combinatie van twee prijssystemen in de kinderopvanglocatie en het gebruik van de vrije prijs. Dat beleid is opgenomen in het huishoudelijk reglement en vermeldt de mogelijkheid en de criteria voor gezinnen om door te schuiven van een vrije prijs naar het systeem inkomenstarief of omgekeerd;
3° met elke contracthouder voor een bepaald kind maar één schriftelijke overeenkomst hebben. Daarbij kan niet gelijktijdig met het systeem inkomenstarief en met een vrije prijs worden gewerkt;
4° voor alle opgevangen kinderen met inkomenstarief en alle opgevangen kinderen met vrije prijs eenzelfde dienstverlening bieden;
5° op een subsidieerbare plaats met subsidie voor inkomenstarief voorrang geven aan een kind uit een gezin dat beantwoordt aan ten minste twee van de kenmerken, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1° tot en met 4°.

Voor de contracthouders van opgevangen kinderen met vrije prijs zijn artikel 28 tot en met 36/1, artikel 40/3 en 40/10 niet van toepassing.

Als de organisator niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan Kind en Gezin beslissen dat de organisator geen gebruik kan maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 27, tweede lid, 3°.

Artikel 27/2. (01/01/2020- ...)

...

Artikel 27/3. (01/01/2020- ...)

...

Artikel 27/4. (01/01/2020- ...)

...

Artikel 27/5. (01/01/2020- ...)

...

Artikel 27/6. (01/01/2020- ...)

...

[Onderafdeling 2 Betalen voor gereserveerde kinderopvangdagen (verv. BVR 4 april 2014, art. 22, I: 1 april 2014)]

Artikel 28. (01/05/2015- ...)

Overeenkomstig artikel 8, § 3, 1°, van het decreet van 20 april 2012, betalen de gezinnen de door hen gereserveerde kinderopvangdagen. Meer bepaald betalen de contracthouders voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen, zoals bepaald in het opvangplan vermeld in de schriftelijke overeenkomst, en voor de extra overeengekomen kinderopvangdagen.

De contracthouder betaalt:
1° als het kind aanwezig is in de kinderopvanglocatie: het inkomenstarief of het individueel verminderd inkomenstarief berekend of bepaald conform artikel 32 tot en met artikel 34/1;
2° als het kind afwezig is: een door de organisator te bepalen tarief met als maximum het maximumtarief, vermeld in artikel 33, § 2, 3°. De organisator neemt dat bedrag op in het huishoudelijk reglement en in de schriftelijke overeenkomst.

Artikel 29. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 28 betaalt de contracthouder niets voor:
1° de gereserveerde kinderopvangdagen die vallen op sluitingsdagen van de kinderopvanglocatie;
2° de gerechtvaardigde afwezigheidsdagen. Gerechtvaardigde afwezigheidsdagen zijn in het opvangplan gereserveerde kinderopvangdagen boven op de sluitingsdagen, vermeld in punt 1°, waarop de contracthouder het kind niet naar de kinderopvang laat gaan en waarvan de organisator er minstens een minimumaantal moet toestaan per kalenderjaar, ongeacht de reden. De organisator neemt dat aantal op in het huishoudelijk reglement en in de schriftelijke overeenkomst.

De minister bepaalt het minimumaantal gerechtvaardigde afwezigheidsdagen per kalenderjaar waarover de contracthouder beschikt.

Artikel 29/1. (01/09/2015- ...)

In afwijking van artikel 28 kan de organisator ervoor kiezen dat er niet betaald hoeft te worden voor de gereserveerde kinderopvangdagen binnen het recht van de gezinnen op wennen. De organisator vermeldt die afwijking expliciet in het huishoudelijk reglement en in de schriftelijke overeenkomst.

Artikel 30. (01/05/2015- ...)

Het inkomenstarief dekt de kinderopvangprestaties met een duurtijd tot elf uur, met uitzondering van 's nachts. Voor kinderopvangprestaties met een duurtijd tot vijf uur geldt 60 % van het inkomenstarief. Het laagst mogelijke bedrag is in elk geval het bedrag van het laagst mogelijke inkomenstarief, zoals wordt vastgesteld door de minister.

De minister bepaalt de nadere regels voor de bepaling van de verblijfstijden.

Artikel 31. (01/04/2014- ...)

Gezinnen betalen niets boven op het inkomenstarief, met uitzondering van een bijkomend tarief dat de organisator kan vragen voor :
1° bepaalde bijkomende kosten;
2° de reservatie of waarborg van een kinderopvangplaats. Als de organisator een inschrijvingsprijs, een waarborg of gelijk welke som geld ongeacht de benaming, vraagt voordat de kinderopvang start, dan kan dit enkel voor een maximum bedrag en tot waarborg van de volgende verplichtingen van de contracthouder, die volgen uit de schriftelijke overeenkomst of het huishoudelijk reglement :
a) het naleven van de schriftelijke reservatie van een kinderopvangplaats;
b) het betalen van facturen;
c) het naleven van de opzegbepalingen.

De minister bepaalt de nadere regels voor de bepaling van het bijkomend tarief.

Onderafdeling 3 Bepaling inkomenstarief

Artikel 32. (01/07/2018- ...)

De contracthouder heeft een attest inkomenstarief nodig opdat het kind van de contracthouder opgevangen kan worden door een organisator die werkt met het systeem inkomenstarief.

De contracthouder vraagt een attest inkomenstarief via het online instrument op de website van Kind en Gezin met gebruik van zijn Belgische elektronische identiteitskaart of Belgische elektronische vreemdelingenkaart. Via dat online instrument wordt er voor de contracthouder een inkomenstarief of een individueel verminderd inkomenstarief berekend of bepaald op basis van het inkomen van de contracthouder en, als deze er is, van de inwonende persoon. Het attest inkomenstarief vermeldt minstens dat inkomenstarief, een startdatum en een einddatum.

De contracthouder vraagt een attest inkomenstarief aan op de volgende momenten:
1° binnen de twee maanden die voorafgaan aan de maand waarin de kinderopvang start, tenzij in geval van dringende start van de kinderopvang uiterlijk 30 kalenderdagen na de start van de kinderopvang;
2° de maand waarin er een wijziging van de inwonende persoon is en waarbij die wijziging blijkt uit de Kruispuntbank;
3° de maand waarin er een bijkomend kind ten laste van de contracthouder of de inwonende persoon is;
4° binnen de twee maanden die voorafgaan aan de datum waarop het inkomenstarief of het individueel verminderde inkomenstarief niet meer geldt.

De contracthouder kan een attest inkomenstarief aanvragen in de volgende gevallen:
1° als de contracthouder een beslissing van het OCMW als vermeld in artikel 34/1 heeft;
2° als de contracthouder zich in een situatie als vermeld in artikel 34 bevindt;
3° als de contracthouder die een maximumtarief betaalt omdat hij zijn inkomen niet bekend wilde maken als vermeld in artikel 32/1, nu wel zijn inkomen bekend wil maken;
4° als de contracthouder die een maximumtarief betaalt als vermeld in artikel 36, derde lid, een nieuw attest inkomenstarief wil, en ten vroegste na verloop van zes maanden in het geval van de toepassing van artikel 36, derde lid, 2°.

De contracthouder krijgt het attest inkomenstarief op de momenten na aanvraag toegekend, alsook automatisch na indexatie. De contracthouder geeft het attest inkomenstarief van Kind en Gezin door aan de organisator na elke toekenning van een attest inkomenstarief, tenzij de organisator bepaalt dat de contracthouder hem het attest niet hoeft te geven.

De organisator informeert en ondersteunt de contracthouder bij de correcte toepassing van het online instrument als dat nodig is. Als het voor de contracthouder onmogelijk is om het online instrument te gebruiken, neemt de organisator de toepassing op zich. De organisator en het OCMW krijgen toegang tot het online instrument via een specifieke module en volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin. De organisator en het OCMW baseren zich bij de toepassing op de gegevens die de contracthouder hen bezorgt.

De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de startdatum en de einddatum op het attest inkomenstarief.

Artikel 32/1. (01/04/2017- ...)

Als de contracthouder en, als deze er is, de inwonende persoon, bij het aanvragen van het attest inkomenstarief aanvinken hun inkomen niet bekend te willen maken, dan geldt het maximumtarief. Op dit maximumtarief zijn evenwel verminderingen van toepassing.

Het maximumtarief geldt niet als een contracthouder die zijn inkomen niet bekend wil maken, een attest inkomenstarief aanvraagt voor een pleegkind dat bij hem inwoont en de situatie, vermeld in artikel 34, § 1, 3°, aanvinkt.

De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot het bedrag van het maximumtarief en de verminderingen die van toepassing zijn.

Artikel 33. (01/04/2017- ...)

§ 1. Het inkomenstarief bij de aanvraag van het attest inkomenstarief wordt als volgt berekend:
1° als de contracthouder een Belgische elektronische identiteitskaart of een Belgische elektronische vreemdelingenkaart heeft, dan worden bij aanmelding in het online instrument de volgende gegevens automatisch opgeladen:
a) de gezinssamenstelling zoals dat door de Kruispuntbank ter beschikking wordt gesteld, meer bepaald het aantal kinderen tot en met veertien jaar en inwonende personen. Als het systeem meer dan een persoon herkent als inwonende persoon, dan duidt de contracthouder handmatig aan wie de inwonende persoon is. Als de contracthouder meer kinderen ten laste heeft dan het systeem vermeldt, dan vermeldt de contracthouder handmatig de ontbrekende kinderen en duidt aan of ze ten laste zijn;
b) het inkomen van de contracthouder en, als er een inwonende persoon is, het inkomen van de inwonende persoon, op basis van het meest recente Belgische aanslagbiljet voor personenbelasting en aanvullende belastingen, zoals dat door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking wordt gesteld. Als er geen aanslagbiljet is, dan wordt het inkomen van de persoon voor wie er geen aanslagbiljet is, handmatig ingevuld conform het tweede lid;
2° als de contracthouder geen Belgische elektronische identiteitskaart of een Belgische elektronische vreemdelingenkaart heeft, dan wendt de contracthouder zich tot de organisator of het OCMW, die de volgende gegevens handmatig in het online instrument invoert:
a) de gezinssamenstelling, op basis van een verklaring op erewoord van de contracthouder;
b) het inkomen van de contracthouder en, als er een inwonende persoon is, het inkomen van de inwonende persoon, op basis van het meest recente Belgisch aanslagbiljet voor personenbelasting en aanvullende belastingen. Als er geen Belgische aanslagbiljet is, dan wordt het inkomen van de persoon voor wie er geen aanslagbiljet is, ingevuld conform het tweede lid.

Als er geen aanslagbiljet is, dan wordt het inkomen ingevuld op basis van een formeel document. Het in te vullen inkomen, dat ook nul kan zijn, is naargelang van het moment een van de volgende:
1° bij de start van de kinderopvang, het inkomen van:
a) de laatste maand die voorafgaat aan de maand van de aanvraag van het attest inkomenstarief;
b) als start van de kinderopvang onmiddellijk volgt op het moederschapsverlof, de laatste maand voor de start van het moederschapsverlof;
2° gedurende de kinderopvang, het inkomen van de maand die voorafgaat aan de maand van de aanvraag van het attest inkomenstarief.

Als blijkt uit het aanslagbiljet of het formeel document dat het inkomen van minstens één van de personen van wie het inkomen dient voor de berekening van het inkomenstarief, hoger dan nul is, dan wordt het inkomenstarief berekend op basis van dat inkomen.

Als blijkt uit het aanslagbiljet of het formeel document dat het inkomen van alle personen van wie het inkomen dient voor de berekening van het inkomenstarief, nul is, dan geldt het standaard minimumtarief, vermeld in artikel 34, § 2, eerste lid, 2°.

§ 2. De berekening gebeurt op basis van de volgende principes:
1° het inkomen, tot een bepaald bedrag, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt. Boven dat bepaalde bedrag geldt een schijvensysteem;
2° er geldt een standaard minimumtarief;
3° er geldt een maximumtarief;
4° er gelden verminderingen.

§ 3. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer welk inkomen in aanmerking genomen wordt bij gebrek aan een Belgisch aanslagbiljet voor personenbelasting en aanvullende belastingen, welke inwonende persoon in aanmerking komt, de nadere principes van de berekening van het inkomenstarief, het bedrag voor het standaard minimumtarief, het bedrag voor het maximumtarief en de indexering.

Artikel 34. (05/03/2021- ...)

§ 1. Als de contracthouder op basis van een officieel document kan aantonen dat het gezin onder een van volgende situaties valt, dan kan hij die situatie aanvinken in het online instrument. Op basis hiervan zal het systeem automatisch een individueel verminderd inkomenstarief bepalen. De volgende situaties kunnen aangevinkt worden:
1° de contracthouder of, als deze er is, de inwonende persoon:
a) krijgt op het moment van de aanvraag van een individueel verminderd inkomenstarief, invaliditeitsuitkeringen volgens artikel 100 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en dat was nog niet gevat in het laatst berekende inkomenstarief;
b) heeft gedurende minstens zes opeenvolgende maanden die de aanvraag van een individueel verminderd inkomenstarief onmiddellijk voorafgaan, volledige werkloosheidsuitkeringen ontvangen of heeft als zelfstandige een faillissementsuitkering ontvangen. Het officieel document dat gehanteerd wordt ter staving mag echter niet een attest zijn van een bevoegde instantie inzake werkloosheidsuitkeringen of faillissementsuitkeringen. Indien de betrokken periode minstens 12 opeenvolgende maanden betreft, mag het officieel document ter staving evenmin een aanslagbiljet zijn waarop de betrokken uitkering reeds onderdeel uitmaakt van het inkomen;
c) heeft een inkomen dat niet stijgt en de andere persoon heeft een attest waaruit een verminderd inkomen blijkt, en waarbij die situatie gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden blijft duren. Meer bepaald blijkt uit het attest:
1) in geval van een werknemer: dat hij een inkomen zal hebben dat minstens 50% lager ligt ten opzichte van het inkomen dat werd gebruikt voor het laatst berekende inkomenstarief;
2) in geval van een zelfstandige: dat hij voorlopige bijdragen betaalt op basis van een inkomen dat werd vastgesteld overeenkomstig artikel 11, § 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
d) ontvangt een leefloon als vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of is leefloongerechtigd door een beslissing tot toekennen van een leefloon van het OCMW;
e) ontvangt een leefloon als vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of is leefloongerechtigd door een beslissing tot toekennen van een leefloon van het OCMW, en minstens een van beide personen heeft een attest van de VDAB of het OCMW betreffende een opleidingstraject;
2° de contracthouder en, als deze er is, de inwonende persoon:
a) heeft een inkomen dat lager ligt dan het inkomen dat leidt tot het standaard minimumtarief en minstens een van beide personen volgt een inburgeringstraject;
b) heeft een inkomen dat lager ligt dan het inkomen dat leidt tot het standaard minimumtarief en hebben beiden minstens een tewerkstelling van gemiddeld 19 uren per week;
c) heeft in toepassing van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW 's geen recht op maatschappelijke dienstverlening van het OCMW, en beschikt over een attest van het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers of een van zijn partners in de zin van artikel 2, 9°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen waaruit blijkt dat het gezin recht heeft op materiële hulp zoals bedoeld in artikel 2, 6°, van diezelfde wet van 12 januari 2007 of medische begeleiding zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 van diezelfde wet van 12 januari 2007;
3° de contracthouder vraagt het attest inkomenstarief aan voor een pleegkind dat bij hem inwoont;
4° de contracthouder vraagt het attest inkomenstarief aan voor een kind van een minderjarige tienermoeder;
5° de contracthouder vraagt het attest inkomenstarief aan voor een kind dat opgevangen wordt in het kader van het aanbod om de doelstellingen te verwezenlijken, vermeld in artikel 5 of 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2021 over de financiering van vernieuwend aanbod in de preventieve gezinsondersteuning.

§ 2. Het individueel verminderd inkomenstarief wordt bepaald in de vorm van:
1° een vermindering van 25% of 50% van het berekende inkomenstarief;
2° het standaard minimumtarief;
3° een uitzonderlijk minimumtarief;
4° het laagst mogelijke inkomenstarief.

Een individueel verminderd inkomenstarief wordt toegekend voor één jaar, tenzij:
1° voor een pleegkind, waarbij het tarief geldt tot het pleegkind niet langer bij de contracthouder inwoont;
2° er eerder een moment is waarop de contracthouder een nieuw attest inkomenstarief moet aanvragen als vermeld in artikel 32, derde lid.

§ 3. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de bedragen van de individueel verminderde inkomenstarieven.

Artikel 34/1. (01/07/2018- ...)

De contracthouder met een attest inkomenstarief kan het OCMW verzoeken om een nieuw inkomenstarief te bepalen. Als blijkt dat het voor de contracthouder financieel onmogelijk is om het laatst berekende inkomenstarief, het laatst bepaalde individueel verminderd inkomenstarief of het maximumtarief dat bepaald is ten gevolge van de situatie, vermeld in artikel 36, derde lid, 2°, te betalen, bepaalt het OCMW een individueel verminderd inkomenstarief.

Het OCMW geeft het bedrag van het individueel verminderd inkomenstarief elektronisch door aan Kind en Gezin. Het OCMW kan beslissen dat het bedrag wordt toegepast met terugwerkende kracht tot maximaal zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin het OCMW beslist. Een individueel verminderd inkomenstarief wordt toegekend voor minstens één jaar, waarbij de einddatum telkens de laatste dag van het kwartaal is waarin het attest inkomenstarief een jaar geldigheid bereikt, tenzij er eerder een moment is waarop de contracthouder een nieuw attest inkomenstarief moet aanvragen als vermeld in artikel 32, derde lid.

Als de contracthouder in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont, neemt de organisator de rol van het OCMW op zich als het OCMW die rol niet opneemt. De organisator is in dat geval gebonden aan de bepalingen, vermeld in dit artikel, die gelden voor het OCMW.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de bedragen van de individueel verminderde inkomenstarieven.

Onderafdeling 4 Facturatie en inning inkomenstarief

Artikel 35. (01/05/2015- ...)

De organisator staat in voor de facturatie en de inning van het inkomenstarief, berekend of individueel verminderd als vermeld in artikel 32 tot en met 34, ten opzichte van de contracthouder. Kind en Gezin informeert de organisator over het inkomenstarief van de contracthouders die gebruik maken van zijn kinderopvanglocatie.

De minister bepaalt de nadere regels.

[Onderafdeling 5 Bewaren van documenten en maatregelen (verv. BVR 24 april 2015, art. 11, I: 1 mei 2015)]

Artikel 36. (01/01/2016- ...)

De contracthouder houdt de documenten die de toepassing, vermeld in artikel 33, 34 en 34/1, aantonen gedurende vijf jaar ter beschikking. De contracthouder legt de documenten voor op vraag van Kind en Gezin. De organisator informeert en ondersteunt de contracthouder daarbij als dat nodig is. Kind en Gezin kan, in het kader van steekproeven, de documenten die de toepassing, vermeld in artikel 33, 34 en 34/1, aantonen, opvragen bij de bevoegde overheid.

Overeenkomstig artikel 8, § 3, derde lid, van het decreet van 20 april 2012 kan Kind en Gezin maatregelen nemen ten aanzien van de gezinnen die niet de correcte gegevens verstrekken, nodig voor de berekening van de prijs van de kinderopvang, of die een wijziging van die gegevens niet meedelen. Die maatregelen bestaan uit de bepaling van het juiste inkomenstarief voor de toekomst en uit het bepalen van een schadevergoeding ten laste van de contracthouder voor het verleden. Kind en Gezin zal het juiste inkomenstarief bepalen op basis van de beschikbare informatie en het attest inkomenstarief bezorgen aan de contracthouder. De schadevergoeding bedraagt het dubbele van het juiste inkomenstarief dat bepaald werd door Kind en Gezin, per kinderopvangprestatie die in het opvangplan werd opgenomen.

In de volgende situaties kan er een attest inkomenstarief met maximumtarief opgemaakt worden:
1° door de organisator of Kind en Gezin: als het attest inkomenstarief van de contracthouder niet meer geldig is en de contracthouder nalaat een nieuw attest inkomenstarief aan te vragen;
2° door Kind en Gezin: als de contracthouder geen correcte gegevens doorgeeft die nodig zijn voor de berekening van het inkomenstarief. In dat geval heeft het attest inkomenstarief met maximumtarief altijd een geldigheidsduur van zes maanden.

De organisator waarschuwt de contracthouder vooraf over de situaties, vermeld in derde lid, 1° en 2°.

Artikel 36/1. (01/01/2019- ...)

Na het toekennen van het attest inkomenstarief kan de contracthouder fouten op zijn attest inkomenstarief melden aan Kind en Gezin, volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin.

Kind en Gezin doet een rechtzetting als er effectief een fout was bij de berekening op basis waarvan het attest inkomenstarief werd toegekend, in welk geval de contracthouder het nieuwe attest inkomenstarief bezorgt aan de organisator. Een rechtzetting kan alleen voor een huidig geldend attest inkomenstarief verkregen worden, tenzij het huidig geldende attest inkomenstarief een indexatie betreft, in welk geval het voorafgaande attest inkomenstarief kan worden rechtgezet.

Kind en Gezin doet geen rechtzetting voor het verleden, tenzij:
1° het een rechtzetting betreft waarbij de startdatum van het eerst toegekende attest inkomenstarief met maximum een maand vervroegd wordt doordat de kinderopvang eerder start;
2° op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de organisator voor fouten in het systeem of voor fouten naar aanleiding van verkeerde input van de contracthouder, of in geval van de toepassing van artikel 34/1, van verkeerde input van het OCMW of de organisator.

De rechtzetting wordt toegepast met een terugwerkende kracht tot maximum negen maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de organisator de fout meldt en rekening houdend met de termijnen voor de rechtzetting na een saldoafrekening ten aanzien van de organisator.

TITEL 4 Plussubsidie

HOOFDSTUK 1 Bedrag subsidie

Artikel 37. (01/04/2014- ...)

De plussubsidie voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 647,50 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

HOOFDSTUK 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening

Afdeling 1 Toegang bepaalde gezinnen

Artikel 38. (01/04/2014- ...)

De organisator geeft voorrang aan kwetsbare gezinnen. De organisator geeft daarbij, bij keuze tussen aanvragen, altijd voorrang aan de aanvraag van het kwetsbaar gezin. Daarbij geldt de voorrang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is in het kader van de werksituatie, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1°, alleen als er geen aanvraag is voor een kwetsbaar gezin.

Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens 30% van de kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van kwetsbare gezinnen. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die de voorwaarden, vermeld in artikel 39 en 40, toepassen.

De organisator neemt de manier waarop hij die voorrang toepast op in zijn huishoudelijk reglement.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer het bedrag van het inkomen als kenmerk voor de financiële situatie van een kwetsbaar gezin.

Afdeling 2 Werking

Artikel 39. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor :
1° het realiseren van een proactief opnamebeleid om kwetsbare gezinnen een kinderopvangplaats te geven in de eigen kinderopvanglocatie, met aandacht voor occasionele en dringende kinderopvang, in samenwerking met andere organisatoren, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met de lokale loketten kinderopvang uit de zorgregio;
2° het afstemmen van de werking op kwetsbare gezinnen;
3° het uitbouwen en verspreiden binnen de sector van de eigen expertise rond het respectvol omgaan met verschillen tussen gezinnen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen, in samenwerking met pedagogische ondersteuningsorganisaties en met het lokaal overleg kinderopvang;
4° het mee uitvoeren van de lokale doelstellingen op het vlak van het sociaal gezinsbeleid, zoals bepaald in de meerjarenplanning van het lokaal bestuur, in samenwerking met het lokaal bestuur en met andere lokale actoren;
5° een inspanning om medewerkers aan te werven vanuit kwetsbare groepen en hen gelijkwaardige kansen te bieden in de kinderopvanglocatie;
6° het werken aan participatie en betrokkenheid van gezinnen, medewerkers en de buurt en het bevorderen van de verbondenheid tussen die gezinnen, medewerkers, de buurt en de werking van de kinderopvanglocatie;
7° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise.

Artikel 40. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft procedures en processen voor de dienstverlening, vermeld in artikel 39. De organisator neemt die procedures en processen op in zijn kwaliteitshandboek, en meer bepaald in het kwaliteitsmanagementsysteem.

[TITEL 4/1 Subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]

[HOOFDSTUK 1 Subsidie flexibele gezinsopvang (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]

[Afdeling 1 Bedrag subsidie (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]

Artikel 40/1. (01/01/2020- ...)

De subsidie flexibele gezinsopvang bedraagt:
1° per kinderopvangprestatie van een opgevangen kind met inkomenstarief op atypische openingsmomenten met een maximum van één subsidie per kind per dag: 2,87 euro;
2° per gesubsidieerde kinderopvangplaats met een subsidie voor inkomenstarief per kalenderjaar: 10,75 euro.

Bovendien bedraagt de subsidie, vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, 160% van dat bedrag voor een kinderopvangprestatie die langer dan elf uur duurt of voor een kinderopvangprestatie 's nachts. In afwijking van artikel 17, tweede lid, 2°, tellen, met uitzondering van de kinderopvangprestaties vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, c), alle kinderopvangprestaties mee, met inbegrip van kinderopvangprestaties 's nachts.

Als binnen de perken van de daarvoor vastgelegde kredieten binnen de begroting nog budget overblijft na de betaling van de subsidie flexibele gezinsopvang per kinderopvangprestatie, vermeld in het eerste lid, 1°, en na de betaling van de subsidie flexibele gezinsopvang per gesubsidieerde kinderopvangplaats, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt dit resterende budget als volgt verdeeld:
1° het bedrag per kinderopvangprestatie, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met maximaal 0,50 euro;
2° als er nog budget overblijft na de betaling van de vergoeding, vermeld in punt 1°, wordt het bedrag per gesubsidieerde kinderopvangplaats verhoogd met maximaal 2 euro;
3° als er nog budget overblijft na de betaling van de vergoedingen, vermeld in punt 1° en 2°, wordt het bedrag per kinderopvangprestatie verder verhoogd met wat mogelijk is op basis van het resterende budget.

[Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening (ing. BVR 4 april 2014, art. 29, I: 1 april 2014)]

Artikel 40/2. (01/01/2019- ...)

De organisator zorgt voor kinderopvang op atypische openingsmomenten. Meer bepaald biedt de organisator kinderopvang aan op een van de volgende openingsmomenten:
1° minstens dertig minuten vóór 7 uur;
2° minstens dertig minuten na 18 uur;
3° op een weekenddag;
4° op een feestdag.

Artikel 40/3. (01/01/2019- ...)

De contracthouder betaalt voor kinderopvangprestaties op atypische openingsmomenten:
1° met een duurtijd tot elf uur tussen 6 uur en 20 uur, of `s nachts: een inkomenstarief als vermeld in artikel 30 tot en met 34;
2° met een duurtijd van elf uur of langer, tussen 6 uur en 20 uur, of `s nachts: 160% van het inkomenstarief, vermeld in punt 1°.

Artikel 40/4. (01/01/2019- ...)

De organisator voert een beleid rond de kinderopvang met atypische openingsmomenten, rekening houdend met de draagkracht van het kind, en neemt dat op in het huishoudelijk reglement.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen neemt in het kwaliteitshandboek, meer bepaald in het kwaliteitsmanagementsysteem, op hoe het beleid rond kinderopvang met atypische openingsmomenten gestalte krijgt.

[HOOFDSTUK 2 Subsidie voor ruimere openingsmomenten (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]

[Afdeling 1 Subsidiebedrag (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]

Artikel 40/5. (01/01/2019- ...)

De subsidie voor ruimere openingsmomenten bedraagt 1500 euro per module per kalenderjaar.

[Afdeling 2 Voorwaarden voor specifieke dienstverlening (verv. BVR 9 november 2018, art. 8, I: 1 januari 2019)]

Artikel 40/6. (01/01/2019- ...)

De organisator biedt kinderopvang aan op een van de volgende openingsmomenten:
1° minstens een volledig uur per dag, bovenop de ononderbroken openingsduur van minstens elf uur, als vermeld in artikel 20, en dit vóór 7 uur en/of na 18 uur naar keuze van de organisator;
2° minstens een volledig uur op een weekenddag;
3° minstens een volledig uur op een feestdag.

Artikel 40/7. (01/01/2019- ...)

Per module zijn er minstens vijfenzeventig kindaanwezigheden per kalenderjaar.

In het eerste lid wordt verstaan onder kindaanwezigheid: de geplande aanwezigheid van een kind tijdens een van de openingsmomenten, vermeld in artikel 40/6, gedurende minstens dertig minuten en maximaal zestig minuten. Als het kind langer dan zestig minuten gepland aanwezig is tijdens zo een moment, wordt er een volgende kindaanwezigheid geteld zodra het kind dertig minuten aanvullend gepland aanwezig is.

Artikel 40/8. (01/01/2019- ...)

De organisator zorgt ervoor dat hij de kinderopvang op ruimere openingsmomenten bij voorrang aanbiedt aan gezinnen die daar behoefte aan hebben door hun professionele activiteiten die plaatsvinden buiten de reguliere openingsuren van de kinderopvanglocatie. De organisator neemt de concrete regeling daarvoor op in het huishoudelijk reglement.

Artikel 40/9. (01/01/2019- ...)

De organisator voert een beleid rond kinderopvang op ruimere openingsmomenten, rekening houdend met de draagkracht van het kind, en neemt dat op in het huishoudelijk reglement.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen neemt in het kwaliteitshandboek, meer bepaald in het kwaliteitsmanagementsysteem, op hoe het beleid rond kinderopvang op ruimere openingsmomenten gestalte krijgt.

Artikel 40/10. (01/01/2020- ...)

Gezinnen betalen het inkomenstarief voor de opvang op ruimere openingsmomenten, vermeld in artikel 40/6, met inbegrip van de kinderopvangprestaties `s nachts, indien de organisator deze ruimere openingsmomenten realiseert in een kinderopvanglocatie waarvoor hij subsidies voor inkomenstarief krijgt. In dat geval tellen de kinderopvangprestaties van de opgevangen kinderen met inkomenstarief mee voor de subsidie voor inkomenstarief, meer bepaald het deel op basis van kinderopvangprestaties, en in afwijking van hetgeen bepaald wordt in artikel 18, tweede lid, 2° geldt dit ook voor de kinderopvangprestaties `s nachts.

[TITEL 4/2 Subsidie voor dringende kinderopvang (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]

[HOOFDSTUK 1 Subsidiebedrag (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]

Artikel 40/11. (01/01/2019- ...)

De subsidie voor dringende kinderopvang bedraagt:
1° 1500 euro per kinderopvangplaats per kalenderjaar;
2° aanvullend 125 euro per kind dat de kinderopvangplaats, vermeld in punt 1°, effectief invult.

[HOOFDSTUK 2 Voorwaarden voor specifieke dienstverlening (ing. BVR 9 november 2018, art. 9, I: 1 januari 2019)]

Artikel 40/12. (01/01/2019- ...)

De organisator zorgt ervoor dat hij een kinderopvangplaats waarvoor hij een subsidie voor dringende kinderopvang ontvangt, vrijhoudt voor kinderopvang van een kind uit een gezin dat binnen een maand behoefte heeft aan kinderopvang om een van de volgende redenen:
1° een lid van het gezin werkt niet en vindt plots werk, en heeft binnen het gezin of informele netwerk geen opvangmogelijkheden;
2° een lid van het gezin werkt niet en start plots met een opleiding, en heeft binnen het gezin of informele netwerk geen opvangmogelijkheden;
3° er is een acute crisis in het gezin waardoor het noodzakelijk is dat het kind naar de kinderopvang gaat;
4° het gezin kan, buiten zijn wil, niet meer gebruik maken van eerdere opvangmogelijkheden.

Artikel 40/13. (01/01/2019- ...)

Op een kinderopvangplaats waarvoor de organisator een subsidie voor dringende kinderopvang ontvangt, worden minimaal drie verschillende kinderen per kalenderjaar opgevangen en is er een bezetting van 60% per kalenderjaar. De bezetting wordt berekend conform artikel 21.

Artikel 40/14. (01/01/2019- ...)

In afwijking van artikel 28 kan de organisator ervoor kiezen om de kinderopvangdagen voor dringende kinderopvang niet op te nemen in het opvangplan, vermeld in de schriftelijke overeenkomst. De organisator neemt de concrete regeling daarvoor op in het huishoudelijk reglement.

Artikel 40/15. (01/01/2019- ...)

De organisator voert een beleid rond dringende kinderopvang, rekening houdend met de draagkracht van het kind, en neemt dat op in het huishoudelijk reglement.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen neemt in het kwaliteitshandboek, meer bepaald in het kwaliteitsmanagementsysteem, op hoe het beleid rond dringende kinderopvang gestalte krijgt.

Artikel 40/16. (01/01/2019- ...)

Gezinnen betalen het inkomenstarief voor de opvang op een dringende opvangplaats als vermeld in artikel 40/12.

TITEL 5 Subsidie voor inclusieve kinderopvang

HOOFDSTUK 1 Individuele inclusieve kinderopvang

Afdeling 1 Bedrag subsidie

Artikel 41. (01/04/2014- ...)

De subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 9,54 euro per kinderopvangprestatie van een kind met een specifieke zorgbehoefte.

Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening

Artikel 42. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat er voor het kind met een specifieke zorgbehoefte meer intensieve zorgen geboden worden die bestaan uit :
1° aangepaste infrastructuur;
2° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise;
3° aangepast pedagogisch handelen en specifieke pedagogische ondersteuning.

Artikel 43. (01/04/2014- ...)

De organisator onderschrijft de grondbeginselen van artikel 3 van het Internationaal Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap.

Artikel 44. (01/04/2014- ...)

De organisator evalueert op regelmatige basis de manier waarop hij de voorwaarden, vermeld in artikel 42, realiseert en stuurt zo nodig de werking bij.

HOOFDSTUK 2 Structurele inclusieve kinderopvang

Afdeling 1 Bedrag subsidie

Artikel 45. (01/04/2014- ...)

De subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 2891,49 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Per subsidiegroep komt maximaal een derde van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen in aanmerking voor die subsidie.

Artikel 46. (01/04/2014- ...)

Het bedrag, vermeld in artikel 45, wordt verhoudingsgewijs verminderd als de subsidieerbare kinderopvangplaats geen volledig kalenderjaar wordt toegekend.

De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding.

Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening

Artikel 47. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat er voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte op een structurele manier meer intensieve zorgen geboden worden die bestaan uit :
1° aangepaste infrastructuur;
2° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise;
3° aangepast pedagogisch handelen en specifieke pedagogische ondersteuning;
4° specifieke jaarlijkse vorming op basis van een analyse.

Artikel 48. (01/04/2014- ...)

 De organisator zorgt ervoor dat elke kinderopvanglocatie waar de inclusieve kinderopvang plaatsvindt, ingeschakeld is in een netwerk van beschikbare instellingen of zorgverleners met een specifieke expertise in verband met kinderen met een specifieke zorgbehoefte waarop een beroep kan worden gedaan voor samenwerking.

Artikel 49. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een bezetting van minstens 60% per kalenderjaar. De bezetting wordt berekend op basis van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang ontvangt.

Voor de berekening van de bezetting worden alle kinderopvangprestaties van de opgevangen kinderen met een specifieke zorgbehoefte van de kinderopvanglocaties van dezelfde subsidiegroep in aanmerking genomen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de berekening van de bezetting.

Artikel 50. (01/04/2014- ...)

De organisator voert een beleid rond die inclusieve kinderopvang, rekening houdend met de voorwaarde, vermeld in artikel 43, en neemt dat op in het huishoudelijk reglement.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen neemt de inclusieve kinderopvang op in het kwaliteitshandboek, meer bepaald in het kwaliteitsbeleid en in het kwaliteitsmanagementsysteem.

[HOOFDSTUK 3 Subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]

[Afdeling 1 Bedrag subsidie (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]

Artikel 50/1. (01/04/2014- ...)

De subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang bedraagt 32.845 euro per kalenderjaar, en wordt verhoudingsgewijs verminderd als het Centrum voor inclusieve kinderopvang geen volledig kalenderjaar werkt.

[Afdeling 2 Voorwaarden specifieke dienstverlening (ing. BVR 4 april 2014, art. 30, I: 1 april 2014)]

Artikel 50/2. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor:
1° het realiseren van een proactief opnamebeleid om kinderen met een specifieke zorgbehoefte een kinderopvangplaats te geven in een of meer eigen kinderopvanglocaties, in samenwerking met andere organisatoren, met instanties die werken met gezinnen met een kind met een specifieke zorgbehoefte en met de lokale loketten kinderopvang uit de zorgregio;
2° het realiseren van inclusieve kinderopvang in een of meer eigen kinderopvanglocaties, waarbij wordt samengewerkt met een netwerk van beschikbare instellingen of zorgverleners met een specifieke expertise in verband met kinderen met een specifieke zorgbehoefte, waarop een beroep kan worden gedaan voor samenwerking, of met belangenverenigingen van gezinnen als ervaringsdeskundigen, zodat minstens de opdrachten, vermeld in artikel 50/4, gerealiseerd worden;
3° het uitbouwen en verspreiden van expertise tot de realisatie van inclusieve kinderopvang binnen de volledige zorgregio, in samenwerking met door Kind en Gezin erkende pedagogische ondersteuningsorganisaties en met het lokaal overleg kinderopvang, met specifieke aandacht voor begeleidingstrajecten ter ondersteuning van andere organisatoren kinderopvang bij de realisatie van inclusieve kinderopvang. Het doel daarbij is dat minstens zeven kinderopvanglocaties minstens één kind met een specifieke zorgbehoefte opvangen;
4° het mee uitvoeren van lokale en provinciale doelstellingen op het vlak van inclusie, zoals opgenomen in de meerjarenplanning van het lokaal of provinciaal bestuur, in samenwerking met het lokaal bestuur en met andere actoren die actief zijn in de zorgregio en die instaan voor de begeleiding van personen met een handicap of voor het beleid daarrond;
5° het sensibiliseren van organisatoren van kinderopvang en partners binnen de zorgregio voor de realisatie van inclusieve kinderopvang;
6° het informeren van en voorzien in inspraak voor gezinnen en belanghebbenden, bij de opdrachten, vermeld in punt 1° tot en met 4° ;
7° een aangepaste personeelsinzet voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in punt 1° tot en met 6°.

De kinderopvanglocaties, vermeld in het eerste lid, 3°, liggen binnen de zorgregio van de organisator en zijn van andere organisatoren. Voor een organisator van gezinsopvang geldt daarbij dat de eigen kinderbegeleiders niet meegeteld kunnen worden voor het aantal te begeleiden kinderopvanglocaties.

Artikel 50/3. (01/04/2014- ...)

De organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 50.

Artikel 50/4. (01/04/2014- ...)

De organisator realiseert binnen de zorgregio waarin hij een toekenning heeft als Centrum voor inclusieve kinderopvang, jaarlijks:
1° de opvang van minstens zeven kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
2° minstens 750 kinderopvangprestaties van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Voor de kinderen, vermeld in het eerste lid, heeft de organisator een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang.

Artikel 50/5. (01/04/2014- ...)

De organisator neemt actief deel aan het begeleidingstraject voor de uitbouw van de Centra voor inclusieve kinderopvang dat Kind en Gezin in samenwerking met het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap organiseert.

TITEL 6 Wijzigingsbepaling

Artikel 51. (01/04/2014- ...)

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008, 24 juli 2009 en 25 februari 2011, wordt punt 15° opgeheven.

TITEL 7 Slotbepalingen

HOOFDSTUK 1 Opheffingsbepalingen

Artikel 52. (01/04/2014- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 september 2010, 21 oktober 2011 en 25 mei 2012;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 september 2009, 24 september 2010, 15 juli 2011, 21 oktober 2011 en 19 april 2013;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de beveiliging van de toegang bij kinderopvangvoorzieningen;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 tot toekenning van een financiële tegemoetkoming aan onthaalouders en kinderopvangvoorzieningen voor een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen.

HOOFDSTUK 2 Overgangsbepalingen

Afdeling 1 Omzetting bestaande subsidies

Artikel 53. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 3°, meer bepaald de financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

Artikel 54. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, meer bepaald de subsidie voor het basisaanbod bij kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, de subsidie voor occasionele plaatsen en de subsidie voor inkomensgerelateerde opvang, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie en een subsidie voor inkomenstarief. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer hoe de omzetting bij diensten voor onthaalouders in subsidiegroepen zal gebeuren. Daarbij zullen de subsidieerbare kinderopvangplaatsen bij samenwerkende onthaalouders met een vergunning groepsopvang gebundeld worden in een afzonderlijke subsidiegroep van de organisator per zorgregio, naast de subsidiegroepen voor gezinsopvang en de subsidiegroepen voor groepsopvang. De voorwaarden, vermeld in artikel 14 en 20, gelden op het niveau van de subsidiegroep.

Artikel 55. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie, een subsidie voor inkomenstarief en een plussubsidie. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

Artikel 56. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 3°, meer bepaald de financiële ondersteuning voor inclusieve kinderopvang, wordt die subsidie omgezet in de subsidie voor inclusieve kinderopvang, naargelang van het geval in de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang, de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang of de subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang. De omzetting voor de structurele inclusieve kinderopvang heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

Artikel 56/1. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie van Kind en Gezin ontvangen op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 3°, meer bepaald de subsidie voor flexibele urenpakketten, de subsidie voor ploegplaatsen, de subsidie voor flexibele opvang aan diensten voor onthaalouders en aan aangesloten onthaalouders en de financiële ondersteuning flexibele opvang, wordt die subsidie omgezet in, naargelang het geval, de subsidie flexibele urenpakketten groepsopvang, de subsidie flexibele groepsopvang en de subsidie flexibele gezinsopvang. De subsidie voor ploegplaatsen wordt daarbij omgezet in de subsidie flexibele urenpakketten groepsopvang voor hetzelfde subsidieniveau. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal urenpakketten of hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

De subsidie voor flexibele gezinsopvang geldt ook voor samenwerkende onthaalouders verbonden aan een dienst voor onthaalouders.

Onthaalouders die inkomensgerelateerd werkten voor de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 kunnen de subsidie flexibele gezinsopvang krijgen op aanvraag volgens de richtlijnen van Kind en Gezin. Deze subsidie gaat ten vroegste in het kwartaal volgend op de aanvraag.

Artikel 56/2. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning of een attest van toezicht van Kind en Gezin hebben en een bijkomende projectsubsidie ontvangen van Kind en Gezin met het oog op het opbouwen van expertise inzake werken met kansarmen, wordt die projectsubsidie omgezet in een basissubsidie, een subsidie voor inkomenstarief en een plussubsidie. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen of op een aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen dat gelijkstaat aan het niveau van de projectsubsidie.

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een attest van toezicht van Kind en Gezin hebben en een bijkomende projectsubsidie ontvangen van Kind en Gezin met het oog op het opbouwen van expertise inzake kinderopvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, wordt die projectsubsidie omgezet in een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang. De omzetting heeft betrekking op een aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen dat gelijkstaat aan het niveau van de projectsubsidie.

Artikel 56/3. (01/01/2017- ...)

Voor de organisator die voor zijn kinderopvanglocatie groepsopvang op 31 december 2016 een subsidie ontvangt op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2015 houdende de regeling van de toekenning van subsidies aan de organisatoren van kinderopvang, buitenschoolse opvang en adoptiebemiddeling die personeelsleden te werk stellen in een gewezen DAC-statuut, wordt die subsidie in onderling akkoord tussen Kind en Gezin en de organisator omgezet in een basissubsidie als vermeld in artikel 12 tot en met 16, een subsidie voor inkomenstarief als vermeld in artikel 18 tot en met 36/1 en artikel 59, van dit besluit, of in een plussubsidie als vermeld in artikel 37 tot en met 40 van dit besluit, of in een subsidie voor flexibele urenpakketten groepsopvang als vermeld in artikel 40/7 tot en met 40/10 van dit besluit, of in een combinatie van de voormelde subsidievormen. Het subsidiebedrag na omzetting kan maximaal even hoog zijn als het subsidiebedrag dat de organisator ontving op basis van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2015.

In afwijking van het eerste lid heeft de organisator die de werking van zijn kinderopvanglocatie kan verderzetten zonder over de subsidie op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2015, vermeld in het eerste lid, te beschikken, geen recht op de omzetting, vermeld in het eerste lid. Deze beoordeling gebeurt in onderling akkoord tussen Kind en Gezin en de organisator, op basis van de volgende parameters:
1° de noodzaak aan personeel dat gesubsidieerd wordt met DAC-subsidie voor de opvang van de kinderen, het betreft meer bepaald de kinderbegeleiders die nodig zijn om het opgelegde aantal kinderbegeleiders te hebben in verhouding tot het aantal opgevangen kinderen;
2° de omvang van de fractie van de DAC-subsidie ten opzichte van de globale subsidie en de mogelijke impact van het wegvallen van die fractie op de globale middelen van de organisator.

De organisator die de subsidie krijgt, dient te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013. Zolang de organisator voldoet aan deze voorwaarden, geldt de subsidie voor een duur van tien jaar vanaf de eerste subsidieerbare kinderopvangplaats binnen de subsidiegroep.

Afdeling 2 Overgangsperiode bedrag subsidie

Onderafdeling 1 Basissubsidie

Artikel 57. (31/03/2020- ...)

Het bedrag van de basissubsidie voor groepsopvang, vermeld in artikel 12, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende deze overgangsperiode geldt het bedrag, vermeld in artikel 11.

Onderafdeling 2 Subsidie voor inkomenstarief

Artikel 58. (31/03/2020- 31/12/2023)

§ 1. ....

§ 2. De subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 17, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen :
1° de subsidie bedraagt 343,75 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, twintig jaar is;
2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 5,91 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar.

Artikel 59. (01/07/2020- 31/12/2023)

§ 1. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1°, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren als samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de bedragen, vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°.

De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren als samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen :
1° voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur :
a) de subsidie bedraagt 343,75 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;
b) voor elk jaar bovenop de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 5,91 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;
2° voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een vzw :
a) de subsidie bedraagt 431,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;
b) voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 7,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar.

§ 2. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor het inkomensgerelateerd systeem op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, voor subsidieerbare plaatsen die tussen 1 april 2015 en 31 maart 2021 worden toegekend zoals vermeld in dit lid en voor subsidieerbare plaatsen die vanaf 1 april 2021 worden toegekend alleen als de organisator vraagt om ze toe te kennen op basis van dit lid omdat hij al subsidieerbare plaatsen heeft die zijn toegekend op dezelfde basis. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen :
1° de subsidie bedraagt 2133,89 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;
2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 40,38 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van 60 jaar.

Binnen de overgangsperiode van twaalf jaar en voor de bedragen, vermeld in het eerste lid, wordt gestreefd naar een groeipad dat in zeven fases verloopt, waarbij de bedragen, vermeld in het eerste lid, geleidelijk verhogen als volgt:
1° fase 1: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 413,56 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 7,24 euro. Deze fase heeft uitwerking op 1 april 2015;
2° fase 2: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 416,47 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 7,28 euro. Deze fase heeft uitwerking vanaf 1 december 2018;
3° fase 3: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 630,78 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 11,04 euro. Deze fase heeft uitwerking vanaf 1 december 2018;
4° fase 4: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 417,21 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 7,31 euro. Deze fase heeft uitwerking vanaf 1 juli 2020;
5° fase 5: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 355,87 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 6,23 euro;
6° fase 6: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 355,87 euro en het bedrag, vermeld in eerste lid, 2°, met 6,23 euro;
7° fase 7: het bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 355,07 euro en het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, met 6,20 euro.

§ 3. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend, als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor een aantal kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor een peutertuin en voor een crèche met kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden voor dat aantal kinderopvangplaatsen de bedragen en het groeipad, vermeld in paragraaf 2.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de verhouding van het aantal kinderopvangplaatsen, en wat betreft de peutertuinen, enerzijds voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren volgens het tarief voor een peutertuin van een openbaar bestuur, en anderzijds volgens het tarief voor een peutertuin van een vzw.

Afdeling 3 Overgangsperiode voorwaarden specifieke dienstverlening

Artikel 60. (31/03/2020- ...)

...

Artikel 61. (31/03/2020- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 1°, 3°, en 4°, geldt een overgangsperiode van drie jaar voor de organisator van gezinsopvang en twee jaar voor de organisator van groepsopvang, om te voldoen aan de voorwaarde over de actieve kennis van de Nederlandse taal voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 15.

Artikel 61/1. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, geldt een overgangsperiode van één jaar om te voldoen aan de voorwaarden over het betalen voor gereserveerde kinderopvangdagen, vermeld in artikel 28 en 29, op voorwaarde dat er in tussentijd geen ander nieuw systeem wordt ingevoerd.

Afdeling 4 Andere overgangsbepalingen

Artikel 61/2. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 14, eerste lid, zorgt de organisator, zowel de bestaande als de nieuwe organisator, in 2014, 2015 en 2016 voor minstens 180 openingsdagen per volledig kalenderjaar.

Artikel 61/3. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 33, eerste lid, 3°, wordt het inkomenstarief berekend in december 2014, voor de contracthouder van wie het inkomenstarief werd vastgesteld op basis van artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 maart 2008 tot bepaling van de financiële bijdrage van de gezinnen voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Artikel 62. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 20 zorgen de kinderopvanglocaties die vroeger aangesloten onthaalouders waren en de kinderopvanglocaties die vroeger inkomensgerelateerd werkten op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, en de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, in 2014, 2015 en 2016 voor een ononderbroken openingsduur van minstens negen uur tussen 6 en 20 uur.

Artikel 63. (01/04/2014- ...)

In afwijking van artikel 21 heeft de organisator een bezetting :
1° van 70% in 2014;
2° van 75% in 2015.

Artikel 64. (01/04/2014- ...)

De organisator die voor het jaar 2013 subsidies heeft ontvangen op basis van een van de besluiten, vermeld in artikel 52, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, of op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, kan gedurende een overgangsperiode van vier jaar een compensatie van het subsidieverlies krijgen als aan de volgende voorwaarden voldaan is:
1° de organisator beschikte zowel in 2013 als in het jaar waarop de compensatie betrekking heeft, over minstens één gesubsidieerde kinderopvangplaats met inkomenstarief;
2° de som van de subsidies op basis van de voormelde besluiten, de subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden, de subsidie voor inclusieve kinderopvang en de component voor de aanvullende subsidie in het kader van de werkdrukvermindering uitgezonderd, is hoger dan de som van de subsidies op basis van dit besluit, de subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden en de subsidie voor inclusieve kinderopvang uitgezonderd.

Voor de organisator die voor de jaren 2011, 2012 of 2013 subsidies heeft ontvangen op basis van een van de besluiten, vermeld in artikel 52, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, of op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, zijn er saldoafrekeningen en rechtzettingen mogelijk op basis van voormelde besluiten.

De minister bepaalt de nadere regels.

Artikel 65. (01/01/2019- ...)

Zolang de kinderbegeleider werkt volgens het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders, betaalt de organisator aan de kinderbegeleider:
1° een kostenvergoeding van 20,77 euro per kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, 60% van dat bedrag per kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt, en 160% van dat bedrag per kinderopvangprestatie die elf uur of meer duurt, of per kinderopvangprestatie 's nachts;
2° de subsidie flexibele gezinsopvang, vermeld in artikel 40/1, eerste lid, 1° ;
3° de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang, vermeld in artikel 41, per kinderopvangprestatie van een kind met een specifieke zorgbehoefte voor wie Kind en Gezin een specifieke toekenning van bepaalde duur heeft verleend.

HOOFDSTUK 3 Subsidies van andere overheidsinstanties

Artikel 66. (01/04/2014- ...)

Indien een organisator voldoet aan de voorwaarden voor een bepaalde subsidie, vermeld in dit besluit, en van een andere overheidsinstantie dan van Kind en Gezin subsidie krijgt volgens de bepalingen van dit besluit, dan kan Kind en Gezin instaan voor het toezicht op het naleven van deze voorwaarden.

HOOFDSTUK 4 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringsbepaling

Artikel 67. (01/04/2014- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 april 2014.

Artikel 68. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.