Besluit van de Vlaamse Regering houdende de vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid voor gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters (citeeropschrift:"Vergunningsbesluit van 22 november 2013")

Datum 22/11/2013

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2 Startvoorwaarden
    1. Afdeling 1 Gezinsopvang en groepsopvang
    2. Afdeling 2 Gezinsopvang
    3. Afdeling 3 Groepsopvang
  3. HOOFDSTUK 3 Werkingsvoorwaarden
    1. Afdeling 1 Infrastructuur
    2. Afdeling 2 Veiligheid en gezondheid
      1. Onderafdeling 1 Brandveiligheidsvoorschriften
      2. Onderafdeling 2 Risicobeheersing
      3. Onderafdeling 3 Voeding
      4. Onderafdeling 4 [... (opgeh. BVR 9 oktober 2015, art. 16, I: 1 september 2015)]
      5. Onderafdeling 5 Crisis en grensoverschrijdend gedrag
      6. Onderafdeling 6 Verzekering
    3. Afdeling 3 Omgang met de kinderen en de gezinnen
      1. Onderafdeling 1 Respect voor integriteit en niet-discriminatie
      2. Onderafdeling 2 Pedagogisch beleid en pedagogische ondersteuning
      3. Onderafdeling 3 Betrokkenheid en participatie van de gezinnen
      4. Onderafdeling 4 Huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst
      5. Onderafdeling 5 Inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister
    4. Afdeling 4 Personen werkzaam in de kinderopvanglocatie
      1. Onderafdeling 1 De verantwoordelijke
      2. Onderafdeling 2 De kinderbegeleider
      3. Onderafdeling 3 Andere personen met regelmatig direct contact
    5. Afdeling 5 Organisatorisch management
      1. Onderafdeling 1 Verantwoordelijkheidstoedeling, aanwezigheden en inwerking
      2. Onderafdeling 2 Algemene werking en financiële werking
      3. Onderafdeling 3 Leefgroepindeling en gebruik ruimtes
      4. Onderafdeling 4 Kwaliteitsbeleid en klachtenbehandeling
    6. Afdeling 6 Samenwerking
      1. Onderafdeling 1 Samenwerking met Kind en Gezin
      2. Onderafdeling 2 Samenwerking met het lokaal loket kinderopvang
      3. Onderafdeling 3 Samenwerking met het lokaal bestuur
  4. HOOFDSTUK 4 Afwijkingsbepalingen
  5. HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen
    1. Afdeling 1 Opheffingsbepalingen
    2. Afdeling 2 Overgangsbepalingen
      1. Onderafdeling 1 Bestaande kinderopvanglocaties
      2. Onderafdeling 2 Nieuwe kinderopvanglocaties
      3. Onderafdeling 3 Bestaande en nieuwe kinderopvanglocaties
    3. Afdeling 3 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringsbepaling

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 6, § 1;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 6 en 8, § 2;

Gelet op het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, artikel 3, 2° ;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 6, §§ 5, 6 en 7, artikel 36, derde en vierde lid, en artikel 37;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende de toekenning van een verzekering persoonlijke ongevallen aan opvanggezinnen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van de melding aan Kind en Gezin van opvang op bestendige wijze;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 juli 2013;

Gelet op de mededeling aan de Europese Commissie, op 18 maart 2013, met toepassing van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij;

Gelet op advies 53.683/3 van de Raad van State, gegeven op 4 oktober 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat dit besluit de eerste uitvoering geeft aan de voorwaarde, vermeld in artikel 6, § 1, 4°, b), van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, over het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen waarbij de vraag van het Raadgevend Comité van Kind en Gezin is te streven naar een groeipad voor die verhouding;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. (31/03/2020- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° buitenschoolse opvang : de opvang van kinderen die naar de basisschool, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gaan;
2° contracthouder : de persoon uit het gezin waarmee de organisator een schriftelijke overeenkomst voor kinderopvang heeft;
3° decreet van 20 april 2012 : het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
4° gezin : de persoon of de personen in het thuismilieu van het opgevangen kind die verantwoordelijkheid voor dat kind dragen;
5° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
6° 's nachts : tussen 20 uur en 6 uur;
7° vergunning : een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang als vermeld in artikel 4, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 20 april 2012;
8° wennen : het geleidelijk aan laten verlopen van de overgang van het thuismilieu van het kind naar de kinderopvanglocatie waarbij er extra aandacht is voor de wisselwerking tussen de kinderen, de gezinnen en de kinderbegeleiders en voor de uitwisseling met de gezinnen;
9° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie.

De naleving van de startvoorwaarden, vermeld in dit besluit, heeft betrekking op het toekennen van een vergunning door Kind en Gezin, en de naleving van de werkingsvoorwaarden, vermeld in dit besluit, heeft betrekking op het behouden van een vergunning.

Artikel 1/1. (01/04/2014- ...)

Dit besluit wordt aangehaald als: Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

HOOFDSTUK 2 Startvoorwaarden

Afdeling 1 Gezinsopvang en groepsopvang

Artikel 2. (01/01/2018- 31/12/2021)

De organisator heeft kennisgenomen van de werkingsvoorwaarden die op hem van toepassing zijn, vermeld in artikel 14 tot en met 62, en verbindt zich ertoe om aan die voorwaarden te voldoen zodra er in de kinderopvanglocatie kinderen worden opgevangen.

De organisator heeft bovendien :
1° een risicoanalyse als vermeld in artikel 24, § 1;
2° ...
3° een bewijs van aanvraag tot advies van het lokaal bestuur van de gemeente waar de kinderopvanglocatie zich bevindt, over de uitbreiding van de kinderopvang binnen het eigen grondgebied, meer bepaald over de nog op te starten kinderopvanglocatie van de organisator. Deze verplichting geldt alleen voor de organisator van groepsopvang.

De startvoorwaarden, vermeld in het eerste en tweede lid, blijken uit een verklaring op erewoord van de organisator opgenomen in het aanvraagformulier van een vergunning voor kinderopvang van Kind en Gezin.

Artikel 3. (01/09/2015- ...)

De organisator heeft de infrastructuur, vermeld in artikel 13/1 tot en met 19 en 21, 1° en 2°, en zorgt ervoor dat de infrastructuur een veilige en gezonde omgeving is als vermeld in artikel 24, § 1. Dat blijkt voor groepsopvang uit een advies infrastructuur van een toezichthouder en voor gezinsopvang uit een verklaring op erewoord van de organisator.

Artikel 4. (01/09/2015- ...)

De organisator heeft een verantwoordelijke als vermeld in artikel 39, eerste lid, 1°, en artikel 40, § 1 en 2. Dat blijkt uit de documenten, vermeld in artikel 40, § 2.

Artikel 5. (13/02/2016- ...)

De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle kinderopvang te organiseren. Dat blijkt onder meer uit het document, vermeld in artikel 49, § 2.

Artikel 6. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een ondernemingsnummer als vermeld in artikel 52. Dat blijkt uit een vermelding van het ondernemingsnummer.

Artikel 7. (31/03/2020- ...)

...

Artikel 8. (01/09/2015- ...)

De organisator van meer dan achttien kinderopvangplaatsen heeft bij één persoon binnen de organisatie de kennis om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren, met inbegrip van de kennis over financieel beheer en de kennis over de opmaak van een ondernemingsplan. Dat blijkt uit een van de volgende documenten :
1° een attest, vastgesteld door de minister, die bepaalt wie de uitreikende instanties zijn en wat de leerinhouden zijn;
2° een kwalificatiebewijs, dat door de minister wordt vastgesteld.

Afdeling 2 Gezinsopvang

Artikel 9. (01/04/2014- ...)

 De kinderopvanglocatie voor gezinsopvang voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 22. Dat blijkt uit een verklaring op erewoord van de organisator.

Artikel 10. (01/04/2014- ...)

De organisator van gezinsopvang heeft een kinderbegeleider als vermeld in artikel 42 en 43, en voldoet voor de personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen, aan de voorwaarden, vermeld in artikel 45. Dat blijkt uit de volgende documenten :
1° voor de kinderbegeleider : de documenten, vermeld in artikel 43;
2° voor de personen die regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen : de documenten, vermeld in artikel 45.

Artikel 11. (01/04/2014- ...)

De organisator van gezinsopvang zorgt ervoor dat elke kinderbegeleider de module « kennismaken met de gezinsopvang » van twintig uur heeft gevolgd. Die module geeft inzicht in het werken binnen de specifieke context van gezinsopvang zodat de kinderbegeleider via reflectie de eigen situatie en competenties kan evalueren. Dat blijkt uit een attest, vastgesteld door de minister, die bepaalt wie de uitreikende instanties en wat de leerinhouden zijn.

Artikel 12. (01/01/2018- ...)

...

Afdeling 3 Groepsopvang

Artikel 13. (01/04/2014- 31/12/2021)

De kinderopvanglocatie voor groepsopvang voldoet aan de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 23, eerste lid.

Dat blijkt uit een brandveiligheidsattest als vermeld in artikel 23, tweede lid.

HOOFDSTUK 3 Werkingsvoorwaarden

Afdeling 1 Infrastructuur

Artikel 13/1. (01/09/2015- ...)

De infrastructuur is geschikt om kwaliteitsvolle kinderopvang te organiseren en voldoet minstens aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14 tot en met artikel 21.

Artikel 14. (01/09/2015- ...)

Op de kinderopvanglocatie zijn er de volgende afzonderlijke binnenruimtes :
1° een of meer leefruimtes per leefgroep;
2° een rustruimte waar elk aanwezig kind dat jonger is dan achttien maanden of dat `s nachts opgevangen wordt, kan slapen;
3° als er meer dan 36 kinderopvangplaatsen zijn, een circulatieruimte die alle leefgroepen apart bereikbaar maakt.

In elke leef- en rustruimte die de kinderen in de kinderopvanglocatie gebruiken, vinden er tijdens de openingsuren geen activiteiten plaats die niet gerelateerd zijn aan kinderopvang.

Artikel 15. (01/09/2015- ...)

...

Artikel 16. (01/09/2015- ...)

De nettovloeroppervlakte die gebruikt wordt voor verzorging, spel of om te rusten, bedraagt minimaal 5 m² per kinderopvangplaats in de leefruimte en de rustruimte samen, waarvan minimaal 3 m² in de leefruimte. Als er geen aparte rustruimte is, is er minstens 5 m² per kinderopvangplaats in de leefruimte.

Artikel 17. (01/04/2014- ...)

Er is voldoende, vlot en veilig bereikbare buitenspelmogelijkheid die afgestemd is op het aantal vergunde kinderopvangplaatsen en op de leeftijd van de kinderen.

Artikel 18. (01/09/2015- ...)

...

Artikel 19. (01/09/2015- ...)

Voor de verzorging is er een uitrusting die aangepast is aan het aantal vergunde kinderopvangplaatsen.

Artikel 20. (01/09/2015- ...)

Voor elk aanwezig kind is er een veilig bed.

Voor een kind jonger dan achttien maanden wordt onder veilig bed verstaan : een bed of wieg met minstens twee spijlenwanden, een ventilerende bodem en een stevige passende matras, en dat voldoet aan de voorschriften die door de minister worden vastgesteld.

Artikel 21. (01/09/2015- ...)

In de kinderopvanglocatie is er :
1° voldoende natuurlijk daglicht in de leefruimte;
2° voldoende ventilatie in de leef- en rustruimtes;
3° een goed evenwicht tussen de omgevingstemperatuur, het bedmateriaal en de kleding van de kinderen;
4° een zodanige plaatsing van de bedden dat er vrije circulatie mogelijk is aan minstens één lange kant van het bed.

Afdeling 2 Veiligheid en gezondheid

Onderafdeling 1 Brandveiligheidsvoorschriften

Artikel 22. (01/04/2014- ...)

De organisator van gezinsopvang zorgt voor de mogelijkheid tot veilige evacuatie van de opgevangen kinderen en voor maatregelen betreffende brandpreventie.

Artikel 23. (01/09/2015- ...)

De organisator van groepsopvang zorgt ervoor dat de infrastructuur voldoet aan de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

De mate van naleving van de specifieke brandveiligheidsvoorschriften wordt vastgesteld aan de hand van een brandveiligheidsattest A, B of C, volgens de modellen die door de minister worden vastgesteld. Het voldoen aan de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in het eerste lid, blijkt uit een brandveiligheidsattest A of B.

Met behoud van de toepassing van het tweede lid vervalt het brandveiligheidsattest A of B van rechtswege zes maanden na de realisatie van ingrijpende wijzigingen in de kinderopvanglocatie die een weerslag kunnen hebben op de brandveiligheid.

Op verzoek van de organisator adviseert de bevoegde brandweer over de bouwplannen die een weerslag kunnen hebben op de brandveiligheid, en over de beschrijving van gebruikte materialen.

Onderafdeling 2 Risicobeheersing

Artikel 24. (01/09/2015- ...)

§ 1. De organisator zorgt voor een veilige en gezonde omgeving. Daarvoor maakt de organisator een risicoanalyse, met inbegrip van een plan van aanpak met tijdspad om de risico's te beheersen.

De risicoanalyse wordt uitgevoerd binnen een cyclus van maximaal twee jaar en gaat minimaal over :
1° de veiligheid en het voorkomen van verwondingen, ongevallen, levensbedreigende situaties en het verdwijnen van kinderen;
2° de gezondheid en het voorkomen van ziekte, besmetting en verontreiniging.

§ 2. Een kind dat jonger is dan één jaar, wordt op de rug te slapen gelegd. De organisator kan een uitzondering daarop toestaan op basis van een attest van een arts vanwege medische tegenindicatie of op basis van een attest van de contracthouder volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld. Een kind dat jonger is dan één jaar, krijgt in bed geen kussens of dekbed.

Onderafdeling 3 Voeding

Artikel 25. (01/04/2014- ...)

De kinderen krijgen gezonde, gevarieerde en hygiënisch bereide voeding en drank.

Als er loden waterleidingen aanwezig zijn in de kinderopvanglocatie of bij twijfel daarover, wordt alleen flessenwater gebruikt voor elke bereiding van voeding of drank.

Onderafdeling 4 [... (opgeh. BVR 9 oktober 2015, art. 16, I: 1 september 2015)]

Artikel 26. (01/09/2015- ...)

...

Onderafdeling 5 Crisis en grensoverschrijdend gedrag

Artikel 27. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een crisisprocedure en meldt elke crisis zo snel mogelijk aan Kind en Gezin.

In het eerste lid wordt verstaan onder crisis : een acute noodsituatie waarbij de fysieke of psychische integriteit van een kind tijdens de kinderopvang in gevaar is en waarbij acuut hulp vereist is.

De crisisprocedure legt de opeenvolgende stappen en de manier van communiceren vast die gevolgd moeten worden in geval van crisis. Er is daarbij minstens één persoon aangewezen op wie een beroep kan worden gedaan.

Artikel 28. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een procedure grensoverschrijdend gedrag en meldt elke situatie van grensoverschrijdend gedrag zo snel mogelijk aan Kind en Gezin.

In het eerste lid wordt verstaan onder grensoverschrijdend gedrag : een situatie waarin een kind in relatie tot een persoon die aanwezig is tijdens de kinderopvang, slachtoffer is of dreigt te worden van bedreigingen of geweld.

De procedure grensoverschrijdend gedrag legt vast hoe grensoverschrijdend gedrag gedetecteerd wordt, hoe er gepast op gereageerd kan worden en hoe aan preventie kan worden gedaan.

Onderafdeling 6 Verzekering

Artikel 29. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een verzekering voor :
1° de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade die veroorzaakt wordt bij de uitbating van de kinderopvang. Voor de dekking van lichamelijke schade worden de kinderen onderling als derden beschouwd. De volgende personen worden minstens verzekerd :
a) de organisator en de personen die in de kinderopvanglocatie werken;
b) de onbezoldigde medewerkers en de personen die in nood bijspringen;
c) in geval van kinderopvang in de gezinswoning, de personen, vermeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven;
2° lichamelijke ongevallen van de opgevangen kinderen, met minimaal de volgende dekking :
a) 7500 euro voor medische kosten;
b) 2500 euro in geval van overlijden, tenzij voor kinderen jonger dan vijf jaar in welk geval alleen een dekking van 1000 euro geldt voor begrafeniskosten;
c) 12.500 euro in geval van blijvende ongeschiktheid.

Afdeling 3 Omgang met de kinderen en de gezinnen

Onderafdeling 1 Respect voor integriteit en niet-discriminatie

Artikel 30. (01/04/2014- ...)

 Overeenkomstig artikel 6, § 1, 3°, a) en b), van het decreet van 20 april 2012, voldoet de organisator voor zijn kinderopvanglocatie minstens aan alle voorwaarden met betrekking tot de omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens het respecteren van de fysieke en psychische integriteit van elk kind en het niet discrimineren van kinderen en gezinnen.

Onderafdeling 2 Pedagogisch beleid en pedagogische ondersteuning

Artikel 31. (01/04/2014- ...)

§ 1. De organisator realiseert een pedagogisch beleid met het oog op :
1° het stimuleren van de ontwikkeling van de kinderen op lichamelijk, cognitief, sociaal-emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak;
2° het bevorderen van het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen.

In het eerste lid wordt verstaan onder welbevinden : kunnen genieten, spontaan en zichzelf kunnen zijn, ontspannen zijn, zich open opstellen, levenslust uitstralen, zelfvertrouwen hebben, weerbaar en assertief zijn en in contact zijn met zijn gevoelens.

In het eerste lid wordt verstaan onder betrokkenheid : geconcentreerd en tijdvergeten bezig zijn, gemotiveerd bezig zijn, een open houding hebben voor wat de omgeving te bieden heeft, intens mentaal actief zijn, exploratiedrang hebben en zich bewegen aan de grens van de eigen mogelijkheden.

De organisator houdt bij de realisatie van het pedagogisch beleid, vermeld in het eerste lid, rekening met het aantal, het ontwikkelingsniveau, het ritme, de interesses, de behoeften en de eigenheid van de kinderen.

§ 2. Het pedagogisch beleid, vermeld in paragraaf 1, bevat minstens de volgende aspecten :
1° het wennen;
2° een gevarieerd aanbod aan spelmateriaal, bewegings- en andere activiteiten, zowel voor binnen als voor buiten;
3° regelmaat in de dagindeling;
4° een methode om het welbevinden en de betrokkenheid van de kinderen na te gaan;
5° een taalbeleid dat de Nederlandse taalverwerving van elk kind stimuleert, met daarnaast positieve aandacht voor de taal die het kind in zijn thuismilieu spreekt;
6° het bevorderen van een onderling respectvolle houding;
7° de continuïteit in de begeleiding van de kinderen, zodat een relatie opgebouwd kan worden tussen de kinderen en de kinderbegeleiders;
8° een actief, auditief en visueel toezicht, ook tijdens de slaapsituatie, en een permanente begeleiding van de kinderen.

§ 3. De organisator zorgt ervoor dat de pedagogische kwaliteit voldoet aan een norm die met betrekking tot het welbevinden en de betrokkenheid van het kind, de aanpak van het kind, het pedagogisch handelen en de pedagogische condities, een kader oplegt. De minister stelt de nadere regels vast.

Artikel 32. (01/01/2019- ...)

De organisator zorgt voor pedagogische ondersteuning bij het pedagogisch beleid, vermeld in artikel 31, en toont de volgende elementen aan :
1° de keuze om die ondersteuning intern dan wel extern te organiseren;
2° de manier waarop die ondersteuning de organisator versterkt binnen een competent systeem, is afgestemd op de noden van de kinderopvanglocatie en deel uitmaakt van een geïntegreerde ondersteuning op een of meer van de volgende onderling samenhangende thema's :
a) infrastructuur;
b) veiligheid en gezondheid;
c) omgang met kinderen en gezinnen;
d) medewerkers;
e) organisatorisch management;
f) samenwerking met Kind en Gezin, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners;
g) opnamebeleid, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen;
h) inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
i) flexibele opvang.

Bij de ondersteuning van het thema, vermeld in het eerste lid, 2°, c), wordt rekening gehouden met het pedagogische raamwerk, ontwikkeld in september 2014 door de vakgroep sociale agogiek van de universiteit Gent en het expertisecentrum ervaringsgericht onderwijs van de Katholieke Universiteit Leuven, in opdracht van Kind en Gezin.

Bij de ondersteuning van het thema, vermeld in het eerste lid, 2°, d), wordt rekening gehouden met het opvolgen van de draagkracht van medewerkers.

Bij de ondersteuning van het thema, vermeld in het eerste lid, 2°, e), wordt rekening gehouden met het ondernemen in de kinderopvang en de financiële werking.

De organisator kan aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, door middel van de zelfevaluatie, vermeld in artikel 51, eerste lid, of het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 57.

Onderafdeling 3 Betrokkenheid en participatie van de gezinnen

Artikel 33. (01/09/2015- ...)

De organisator zorgt voor betrokkenheid en participatie van de gezinnen door :
1° minstens de werking en tevredenheid te laten evalueren door elk gezin in de periode dat hun kind opgevangen wordt;
2° regelmatig overleg te plegen en te communiceren met het gezin, minimaal over de pedagogische aanpak en omgang met het kind en als er problemen zijn met het kind;
3° de vergunningsbeslissing, en op verzoek van Kind en Gezin, de eventuele schriftelijke aanmaningen, en een beslissing tot schorsing of opheffing van de vergunning, kenbaar te maken aan het gezin aansluitend op de ontvangst ervan;
4° het gezin toegang te geven tot alle ruimtes waar het kind wordt opgevangen.

Onderafdeling 4 Huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst

Artikel 34. (25/05/2018- ...)

De organisator heeft een huishoudelijk reglement dat door de contracthouder voor ontvangst en kennisneming wordt ondertekend, uiterlijk op het ogenblik van de ondertekening van de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 36.

Elke wijziging van het huishoudelijk reglement in het nadeel van de contracthouder wordt minstens twee maanden voor de wijziging ingaat, schriftelijk meegedeeld en wordt voor ontvangst en kennisneming ondertekend door de contracthouder. De contracthouder heeft het recht om binnen twee maanden na kennisname van de wijziging, de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 36, op te zeggen zonder enige schade- of opzeggingsvergoeding verschuldigd te zijn.

Het huishoudelijk reglement vermeldt minimaal :
1° informatie over :
a) de organisator van de kinderopvanglocatie, waaronder de naam, het adres, het e-mailadres, het telefoonnummer, de rechtsvorm en het ondernemingsnummer;
b) de kinderopvanglocatie, waaronder de naam, het adres, het e-mailadres, het telefoonnummer, de openingsdagen, de openingsuren en de sluitingsdagen, alsook de contactgegevens van de kinderopvanglocatie in noodgevallen;
c) Kind en Gezin, waaronder het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
2° het beleid op het vlak van :
a) de aangeboden kinderopvang en de belangrijkste kenmerken daarvan;
b) de prijs voor kinderopvang, waaronder wat die prijs omvat, hoe die prijs bepaald wordt, of er een prijs gevraagd wordt voor het wennen, voor het laattijdig afhalen van het kind of voor de afwezigheid van het kind;
c) de terugbetaling of inhouding van de inschrijvingsprijs, waarborg of elke som geld, ongeacht de benaming;
d) de inschrijving en opname, waaronder de eventuele voorrangsregels;
e) het brengen en het afhalen van het kind, waaronder de eventuele maatregelen bij niet-naleving van de afspraken;
f) ziekte of ongeval van een kind;
g) het gebruik van medicatie;
h) de veiligheid en begeleiding bij eventuele verplaatsingen;
i) de afwezigheid van een kind;
3° het recht van het gezin :
a) op wennen;
b) op toegang tot alle ruimtes waar het kind wordt opgevangen;
c) om klachten te uiten, bij voorkeur eerst bij de organisator via de procedure voor klachtenbehandeling, vermeld in artikel 58, en bij Kind en Gezin via de Klachtendienst van Kind en Gezin. Het adres, e-mailadres en het telefoonnummer van de Klachtendienst van Kind en Gezin worden daarbij vermeld;
d) op respect voor de privacy en de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun gegevens, meer bepaald met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens als vermeld in verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Daarbij zijn de volgende bepalingen opgenomen :
1) een bepaling over kennisgeving, meer bepaald dat de persoonsgegevens van de kinderen en de gezinnen alleen gebruikt worden in het kader van kinderopvang, en dat die gegevens op elk moment kunnen worden ingekeken en verbeterd door de betrokkenen, en dat die gegevens worden vernietigd wanneer deze niet meer noodzakelijk zijn in functie van de naleving van toepasselijke regelgeving;
2) een vertrouwelijkheidsverklaring, meer bepaald dat de organisator zich ertoe verbindt om de veiligheid en het vertrouwelijke karakter van de persoonsgegevens te waarborgen;
4° de verwijzing naar :
a) de verzekeringen, vermeld in artikel 29, met de naam en het adres van de verzekeringsmaatschappij en het polisnummer;
b) de inlichtingenfiche, vermeld in artikel 37, en het aanwezigheidsregister, vermeld in artikel 38;
c) indien van toepassing, het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 57, en de manier waarop dat kan worden geraadpleegd;
5° de modaliteiten bij wijziging van het huishoudelijk reglement als vermeld in het tweede lid.

Artikel 35. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat de bepalingen van het huishoudelijk reglement raadpleegbaar zijn voor elke geïnteresseerde.

Artikel 36. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een schriftelijke overeenkomst met de contracthouder.

De schriftelijke overeenkomst vermeldt minimaal :
1° de gegevens over de contracterende partijen, zijnde de organisator enerzijds en de contracthouder anderzijds, waaronder de naam en het adres;
2° de gegevens over de kinderopvanglocatie, waaronder het adres;
3° de begindatum en de vermoedelijke einddatum van de kinderopvang;
4° het opvangplan, waaronder de gereserveerde kinderopvangdagen, meer bepaald hoeveel dagdelen en nachten het kind naar de kinderopvanglocatie komt, en de modaliteiten om het opvangplan te wijzigen;
5° de prijs voor de kinderopvang, waaronder de betalingswijze en de wettelijk toegestane modaliteiten tot wijziging van de prijs voor de kinderopvang;
6° de eventuele inschrijvingsprijs, de eventuele waarborg of elke som geld, ongeacht de benaming, met inbegrip van de betalingswijze, de bewaring en terugbetaling, waarbij vermeld moet worden dat een deel of het geheel van de som geld in verhouding tot de aangetoonde schade van beide partijen ingehouden zal worden;
7° de identificatiegegevens van het kind en de contactgegevens van het gezin in noodgevallen;
8° gelijkwaardige opzegmodaliteiten, zowel voor de contracthouder als voor de organisator, waaronder :
a) de bepaling dat een eventuele opzeggingsvergoeding niet kan worden gevraagd als een opzegtermijn wordt gerespecteerd;
b) de bepaling dat een opzegtermijn en opzeggingsvergoeding niet gevraagd kan worden door de organisator of de contracthouder die een zware fout heeft begaan, of door de organisator in geval van een beslissing tot opheffing van een vergunning door Kind en Gezin;
c) het ogenblik waarop een eventuele opzegtermijn ingaat;
9° de regeling bij het niet-naleven van de contractuele bepalingen, zowel door de contracthouder als door de organisator, waaronder de eventuele schadevergoeding die verschuldigd is, en waarbij wordt bepaald dat de schadevergoeding in verhouding moet staan tot de geleden schade en dat schadevergoeding niet gevraagd kan worden in geval van overmacht bij een van beide partijen;
10° de verwijzing naar het huishoudelijk reglement, dat als bijlage wordt meegedeeld.£

Het opvangplan, vermeld in het tweede lid, 4°, wordt in onderling akkoord tussen de organisator en de contracthouder gesloten op basis van onderhandeling over de verwachtingen en de vragen van beide partijen.

Onderafdeling 5 Inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister

Artikel 37. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft, met het oog op de veiligheid van de kinderen, voor elk opgevangen kind een actuele inlichtingenfiche waarin de volgende bepalingen zijn opgenomen, waarvoor de contracthouder toestemming geeft om ze te verwerken in het kader van de naleving van de voorwaarden van dit besluit :
1° de identificatiegegevens van het kind en het gezin;
2° de bereikbaarheidsgegevens van het gezin en de behandelende arts;
3° de specifieke aandachtspunten, onder meer over de gezondheid of de manier van omgaan met het kind;
4° de personen die het kind mogen ophalen.
De inlichtingenfiche kan alleen, en op elk moment, geraadpleegd worden door :
1° de organisator, in geval van aantoonbare noodzakelijkheid;
2° de verantwoordelijke;
3° elke kinderbegeleider, voor elk kind dat hij begeleidt;
4° de toezichthouders;
5° Kind en Gezin;
6° de gezinnen, voor hun eigen kind.

Artikel 38. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor een aanwezigheidsregister dat aanwezig is in de kinderopvanglocatie en dat per kinderopvangdag de aankomst- en vertrektijd van elk opgevangen kind van de afgelopen twaalf maanden vermeldt. De gezinnen bevestigen schriftelijk of elektronisch de geregistreerde aanwezigheden van hun kind.

Afdeling 4 Personen werkzaam in de kinderopvanglocatie

Onderafdeling 1 De verantwoordelijke

Artikel 39. (01/09/2015- ...)

De organisator heeft :
1° een verantwoordelijke als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5°, van het decreet van 20 april 2012;
2° een persoon werkzaam in de kinderopvanglocatie die bij afwezigheid van de verantwoordelijke op de kinderopvanglocatie de taak van de verantwoordelijke als aanspreekpersoon voor de toezichthouders, Kind en Gezin en de gezinnen, overneemt.

De verantwoordelijke stuurt de werking aan en treedt op als aanspreekpersoon voor de toezichthouders, Kind en Gezin en de gezinnen. De verantwoordelijke is daarvoor effectief beschikbaar.

Als de verantwoordelijke wijzigt, deelt de organisator dat onmiddellijk elektronisch of met de post mee aan Kind en Gezin en bezorgt hij het document, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit.

Artikel 40. (01/09/2015- ...)

§ 1. De verantwoordelijke is minstens 21 jaar oud.

§ 2. De organisator heeft de volgende documenten over de verantwoordelijke :
1° een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 6, § 4, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012;
2° een attest van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 6, § 4, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012. Uit dat attest blijkt dat de persoon geen fysieke en psychische beperking of aandoening heeft die de opgevangen kinderen in gevaar kan brengen, meer bepaald :
a) een attest A van medische geschiktheid, opgemaakt door de verantwoordelijke, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld;
b) een attest B van medische geschiktheid, opgemaakt door een huisarts, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld, als blijkt uit het attest, vermeld in punt a), dat de betrokkene in onderzoek of behandeling is voor een bepaalde fysieke of psychische beperking of aandoening, of als er een gegronde indicatie is en Kind en Gezin gemotiveerd erom verzoekt;
c) een attest, opgemaakt door een arbeidsgeneesheer. Dat attest kan het attest, vermeld in punt a) en b), vervangen;
3° een attest van actieve kennis van het Nederlands, waaruit blijkt dat het behaalde taalvaardigheidsniveau voor luisteren en gesprekken voeren het ERK-niveau B2 is, en voor lezen en schrijven het ERK-niveau B1 is, dat door de minister wordt vastgesteld, die bepaalt wie de uitreikende instanties zijn;
4° een attest van kennis van levensreddend handelen bij kinderen dat door de minister wordt vastgesteld, die bepaalt wie de uitreikende instanties zijn en wat de leerinhouden zijn;
5° een kwalificatiebewijs dat door de minister wordt vastgesteld.

Het document, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is bij de aanvraag van de vergunning of bij de start van de tewerkstelling maximaal drie maanden oud, tenzij de verantwoordelijke al werkt als verantwoordelijke in een andere kinderopvanglocatie van de organisator. Het document, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt om de drie jaar hernieuwd.

Als daar een gegronde indicatie voor is, kan Kind en Gezin gemotiveerd verzoeken om op een bepaald tijdstip een document te vernieuwen.

De organisator zorgt ervoor dat een aanvulling op het uittreksel, vermeld in het eerste lid, 1°, onmiddellijk doorgegeven wordt door de verantwoordelijke aan de organisator.

§ 3. De organisator heeft voor de persoon, vermeld in artikel 39, eerste lid, 2°, het document, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°.

Artikel 41. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor een jaarlijkse analyse van de vormingsbehoeften van de verantwoordelijke en voorziet in een aanbod aan vorming dat tegemoetkomt aan de behoeften.

Onderafdeling 2 De kinderbegeleider

Artikel 42. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat er niet meer dan het volgende aantal tegelijk aanwezige kinderen wordt opgevangen per aanwezige kinderbegeleider :
1° acht kinderen : als een kinderbegeleider alleen in de kinderopvanglocatie aanwezig is;
2° negen kinderen : als er minstens twee kinderbegeleiders in de kinderopvanglocatie aanwezig zijn;
3° veertien kinderen : op het moment dat de kinderen rusten, op voorwaarde dat er minstens twee kinderbegeleiders in de kinderopvanglocatie aanwezig zijn, gedurende maximaal twee aaneensluitende uren.

De organisator van gezinsopvang levert een inspanning om gemiddeld maximaal vier kinderen tegelijk op te vangen per aanwezige kinderbegeleider per kwartaal. De organisator van groepsopvang levert een inspanning om maximaal zeven kinderen tegelijk op te vangen per aanwezige kinderbegeleider. Die inspanning wordt geleverd binnen het budget dat een organisator ter beschikking heeft.

Artikel 43. (01/07/2018- ...)

§ 1. De kinderbegeleider is minstens 18 jaar oud.

§ 2. De organisator heeft de volgende documenten over de kinderbegeleider :
1° een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 6, § 4, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012;
2° een attest van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 6, § 4, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012. Uit dat attest blijkt dat de persoon geen fysieke en psychische beperking of aandoening heeft die de opgevangen kinderen in gevaar kan brengen, meer bepaald :
a) een attest A van medische geschiktheid, opgemaakt door de kinderbegeleider, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld;
b) een attest B van medische geschiktheid, opgemaakt door een huisarts, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld, als blijkt uit het attest, vermeld in punt a), dat de betrokkene in onderzoek of behandeling is voor een bepaalde fysieke of psychische beperking of aandoening, of als er een gegronde indicatie is en Kind en Gezin gemotiveerd erom verzoekt;
c) een attest, opgemaakt door een arbeidsgeneesheer. Dat attest kan het attest, vermeld in punt a) en b), vervangen;
3° een attest van kennis van levensreddend handelen bij kinderen dat door de minister wordt vastgesteld, die bepaalt wie de uitreikende instanties zijn en wat de leerinhouden zijn;
4° een van de volgende bewijzen van kwalificatie :
a) een kwalificatiebewijs dat door de minister wordt vastgesteld.
b) voor groepsopvang een bewijs van een kwalificerend traject dat door de minister wordt vastgesteld, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
1) per kinderbegeleider in een kwalificerend traject werken er drie voltijds equivalenten kinderbegeleiders met een kwalificatiebewijs als vermeld in punt a), op het niveau van de organisator;
2) per kinderbegeleider in een kwalificerend traject is er altijd een kinderbegeleider met een kwalificatiebewijs als vermeld in punt a), aanwezig in de kinderopvanglocatie;
3) de kinderbegeleider in een kwalificerend traject behaalt een kwalificatiebewijs als vermeld in punt a), maximaal zes jaar na het starten met werken als kinderbegeleider bij de organisator.
4) de kinderbegeleider in een kwalificerend traject wordt minstens achttien jaar in het schooljaar waarin hij start met het kwalificerende traject.

Het document, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is bij de aanvraag van de vergunning of bij de start van de tewerkstelling maximaal drie maanden oud. Als de kinderbegeleider stage loopt, moet het document dateren uit het lopende schooljaar. Het document, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt om de drie jaar hernieuwd.

Als daar een gegronde indicatie voor is, kan Kind en Gezin gemotiveerd verzoeken om op een bepaald tijdstip een document te vernieuwen.

De organisator zorgt ervoor dat een aanvulling op het uittreksel, vermeld in het eerste lid, 1°, onmiddellijk doorgegeven wordt door de kinderbegeleider aan de organisator.

§ 3. De organisator heeft voor minstens één kinderbegeleider een attest van actieve kennis van het Nederlands dat door de minister wordt vastgesteld, die bepaalt wie de uitreikende instanties zijn, waaruit blijkt dat het behaalde taalvaardigheidsniveau voor luisteren en gesprekken voeren het ERK-niveau B1 is, en voor lezen en schrijven het ERK-niveau A2 is.

§ 4. Uit het kwalificatiebewijs, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, a), blijkt dat de kinderbegeleider de competenties, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017 tot erkenning van de beroepskwalificatie kinderbegeleider baby's en peuters, heeft.

Artikel 44. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor een jaarlijkse analyse van de vormingsbehoeften voor de kinderbegeleiders en voorziet in een aanbod aan vorming dat tegemoetkomt aan de behoeften.

Onderafdeling 3 Andere personen met regelmatig direct contact

Artikel 45. (01/09/2015- ...)

De organisator heeft de volgende documenten over de andere personen die in de kinderopvanglocatie direct contact hebben met de opgevangen kinderen :
1° een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 6, § 4, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012;
2° een attest van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 6, § 4, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012. Uit dat attest blijkt dat de meerderjarige persoon met regelmatig direct contact en de minderjarige persoon die werkt in de kinderopvang of er stage loopt, geen fysieke en psychische beperking of aandoening heeft die de opgevangen kinderen in gevaar kan brengen, meer bepaald :
a) een attest A van medische geschiktheid, opgemaakt door de betrokken persoon, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld;
b) een attest B van medische geschiktheid, opgemaakt door een huisarts, volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld, als blijkt uit het attest, vermeld in punt a), dat de betrokkene in onderzoek of behandeling is voor een bepaalde fysieke of psychische beperking of aandoening, of als er een gegronde indicatie is en Kind en Gezin gemotiveerd erom verzoekt;
c) een attest, opgemaakt door een arbeidsgeneesheer. Dat attest kan het attest, vermeld in punt a) en b), vervangen.

Het document, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is bij de aanvraag van de vergunning of bij de start van de tewerkstelling maximaal drie maanden oud. Als de persoon stage loopt, moet het document dateren uit het lopende schooljaar.

Als daar een gegronde indicatie voor is, kan Kind en Gezin gemotiveerd verzoeken om op een bepaald tijdstip een document
te vernieuwen.

De organisator zorgt ervoor dat een aanvulling op het uittreksel, vermeld in het eerste lid, 1°, onmiddellijk doorgegeven wordt door de persoon aan de organisator.

Afdeling 5 Organisatorisch management

Onderafdeling 1 Verantwoordelijkheidstoedeling, aanwezigheden en inwerking

Artikel 46. (01/04/2014- ...)

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen zorgt voor een organisatorische structuur waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden toebedeeld voor de voorwaarden, vermeld in dit besluit.

De organisatorische structuur wordt duidelijk gecommuniceerd aan alle personen werkzaam in de kinderopvanglocatie en aan de gezinnen van de opgevangen kinderen.

Artikel 47. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt voor een planning en registratie van de aanwezigheid van de kinderbegeleiders, minimaal voor de toepassing van artikel 42.

Artikel 48. (01/09/2015- ...)

...

Onderafdeling 2 Algemene werking en financiële werking

Artikel 49. (13/02/2016- ...)

§ 1. De organisator, hetzij de natuurlijke persoon, hetzij een of meer personen die handelingsbekwaam zijn om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, is minstens 21 jaar oud. De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle kinderopvang te organiseren.

§ 2. De organisator heeft het volgende uittreksel :
1° voor de organisator die een natuurlijke persoon is, met inbegrip van de persoon of personen, vermeld in artikel 53, 2° : een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 6, § 4, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012, waaronder voor de organisator ook verstaan wordt dat hij in staat is om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren;
2° voor de organisator die een rechtspersoon is : een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon, of een gelijkwaardig attest, uitgereikt door een bevoegde buitenlandse instantie, voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit blijkt dat de organisator van onberispelijk gedrag is om met kinderen om te gaan, waaronder voor de organisator ook verstaan wordt dat hij in staat is om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren.

Het uittreksel, vermeld in het eerste lid, is bij de aanvraag van de vergunning maximaal drie maanden oud, tenzij de organisator al een vergunning heeft.

Als daar een gegronde indicatie voor is, kan Kind en Gezin gemotiveerd verzoeken om op een bepaald tijdstip dat uittreksel te vernieuwen.

De organisator zorgt ervoor dat een aanvulling op het uittreksel, vermeld in het eerste lid, 1°, onmiddellijk doorgegeven wordt aan Kind en Gezin.

Artikel 50. (01/04/2014- ...)

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen zorgt, binnen een cyclus van vijf jaar, voor een evaluatie door de personen die in de kinderopvanglocatie werken.

Artikel 51. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt, binnen een cyclus van vijf jaar, voor een zelfevaluatie van de werking en de evaluatie van de klachtenbehandeling, vermeld in artikel 58. Hij past de werking indien nodig aan.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen evalueert hiervoor minstens het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 57, 1°, en het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 57, 2°. Indien nodig past hij naast de werking ook het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 57, aan.

Artikel 52. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een ondernemingsnummer. Als de organisator georganiseerd is als feitelijke vereniging, heeft het ondernemingsnummer betrekking op de feitelijke vereniging zelf.

Artikel 53. (31/03/2020- ...)

De organisator zorgt voor bestuurlijke weerbaarheid en transparantie.

De organisator die georganiseerd is als feitelijke vereniging of maatschap, heeft in het kader van de verplichting, vermeld in het eerste lid, de opdracht om een samenwerkingsovereenkomst te sluiten.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen heeft in het kader van de verplichting, vermeld in het eerste lid, minstens de volgende opdrachten:
1° de kennis, vermeld in artikel 8, actueel houden en in de praktijk brengen;
2° problemen of ontwikkelingen die een impact kunnen hebben op de continuïteit van de kinderopvang voor de gezinnen aan het agentschap melden.

De organisator met meer dan vijfhonderd vergunde kinderopvangplaatsen heeft, naast de opdrachten, vermeld in het tweede en het derde lid, ook de volgende opdrachten:
1° zorgen voor voldoende controlemechanismes tussen de raad van bestuur, de algemene vergadering en de directie waardoor elkaars werking en beslissingen op onafhankelijke en kritische wijze beoordeeld kunnen worden;
2° zorgen voor een evenwichtige samenstelling van die organen waarbij de leden complementair zijn ten opzichte van elkaar wat competentie en expertise betreft;
3° belangrijke strategische beslissingen over de structuur, de werking en het bestuur van de organisator aan het agentschap te melden.

De verplichtingen, vermeld in het vierde lid, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op lokale besturen.

Artikel 54. (01/04/2014- ...)

De organisator volgt de financiële werking van de kinderopvanglocatie.

Onderafdeling 3 Leefgroepindeling en gebruik ruimtes

Artikel 55. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat de kinderen worden opgevangen in een leefgroep van maximaal achttien kinderen.

In het eerste lid wordt verstaan onder leefgroep : een groep kinderen, gekoppeld aan een of meer bepaalde kinderbegeleiders en aan een of meer bepaalde ruimtes.

Artikel 56. (01/04/2014- ...)

De organisator zorgt ervoor dat hij de nettovloeroppervlakte per kinderopvangplaats, vermeld in artikel 16, ook effectief gebruikt voor alle aanwezige kinderen.

Onderafdeling 4 Kwaliteitsbeleid en klachtenbehandeling

Artikel 57. (01/04/2014- ...)

Een organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen heeft een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5 van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen. Het kwaliteitshandboek van de organisator bevat :
1° het kwaliteitsbeleid, dat minstens de missie, visie, doelstellingen en strategie van de organisator bevat over het pedagogisch beleid, vermeld in artikel 31, en over de betrokkenheid en participatie van de gezinnen, vermeld in artikel 33;
2° het kwaliteitsmanagementsysteem, dat minstens de organisatorische structuur, de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden, vermeld in artikel 46, bevat, alsook de procedures voor en de processen over :
a) de crisis en het grensoverschrijdend gedrag, vermeld in artikel 27 en 28;
b) het pedagogisch beleid, vermeld in artikel 31;
c) de betrokkenheid en participatie van gezinnen, vermeld in artikel 33, 1° en 2° ;
d) de vormingsanalyse en het vormingsaanbod, vermeld in artikel 41 en 44;
e) de evaluatie en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 50 en 51;
3° de resultaten van de evaluatie en zelfevaluatie, vermeld in artikel 51, en de realisatie van de norm voor de pedagogische kwaliteit, vermeld in artikel 31, § 3.

De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, b), c), d) en e), en 3°, geldt uiterlijk twee jaar na de toekenning van de vergunning.

Artikel 58. (01/04/2014- ...)

De organisator heeft een procedure voor klachtenbehandeling waarin minstens een ontvangstmelding, een onderzoek en een schriftelijke mededeling van het resultaat aan de klager is opgenomen, alsook binnen welke termijnen dat gebeurt. Daarnaast registreert de organisator de klachten waarbij minstens de volgende gegevens worden opgenomen :
1° een omschrijving of samenvatting van de klacht;
2° het resultaat van de klachtenbehandeling in termen van gegrond, ongegrond of onduidelijk.

Afdeling 6 Samenwerking

Onderafdeling 1 Samenwerking met Kind en Gezin

Artikel 59. (01/09/2015- ...)

...

Artikel 60. (01/09/2015- ...)

De organisator bezorgt de volgende gegevens elektronisch aan Kind en Gezin volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin :
1° één keer per jaar gedurende een maand die Kind en Gezin bepaalt, de gegevens over het aantal unieke kinderen die dagelijks gebruikmaken van de kinderopvang per kinderopvanglocatie;
2° jaarlijks de volgende gegevens over de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders groepsopvang, met uitzondering van de kinderbegeleiders die werken in het specifieke sociaal statuut voor onthaalouders, en de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke :
a) het aantal kinderbegeleiders, op basis van het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer van de kinderbegeleiders;
b) het aantal verantwoordelijken die voor de organisator werken, op basis van het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer van de verantwoordelijken;
c) de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke die voor de organisator werkt, op basis van het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer van de medewerkers;
d) de geboortedatum, het geslacht, de functie, de werkregeling, de kennis van de Nederlandse taal, het tewerkstellingsstatuut en de kwalificaties van elke persoon, vermeld in punt a), b) en c);
3° de gegevens in het kader van ad-hocbevragingen door Kind en Gezin over de werking, de personen die in de kinderopvanglocatie werken, het gebruik van de kinderopvang, het aanbod van en de vraag naar kinderopvang en de ontvangen subsidies.

De organisator bezorgt de gegevens of de informatie, vermeld in het eerste lid, aan Kind en Gezin met het oog op beleidsdoeleinden, zoals het in kaart brengen van het gebruik van en het aanbod aan kinderopvang, en het in kaart brengen van de personen werkzaam in de kinderopvang, met het oog op de opvolging van de vergunning of met het oog op handhaving.

De organisator bezorgt op verzoek van Kind en Gezin, in het kader van handhaving van het decreet en de uitvoeringsbesluiten, de adresgegevens van de contracthouders elektronisch aan Kind en Gezin.

Onderafdeling 2 Samenwerking met het lokaal loket kinderopvang

Artikel 61. (01/04/2014- ...)

De organisator werkt samen met het lokaal loket kinderopvang van de gemeente waar de kinderopvanglocatie zich bevindt, op de volgende manier :
1° onderzoeken of openstaande kinderopvangvragen, aangegeven door het lokaal loket kinderopvang, beantwoord kunnen worden, en het lokaal loket kinderopvang daarover informeren;
2° op verzoek van het lokaal loket kinderopvang, alle relevante informatie over de kinderopvang bezorgen die het lokaal loket kinderopvang opvraagt in het kader van zijn opdrachten, vermeld in artikel 13 van het decreet van 20 april 2012.

Onderafdeling 3 Samenwerking met het lokaal bestuur

Artikel 62. (01/04/2014- ...)

De organisator informeert zich over het lokaal beleid kinderopvang, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende het lokaal beleid kinderopvang, van de gemeente waar de kinderopvanglocatie zich bevindt.

HOOFDSTUK 4 Afwijkingsbepalingen

Artikel 63. (01/09/2015- ...)

Op aanvraag van een organisator kan Kind en Gezin de volgende afwijkingen toekennen :
1° een afwijking van de voorwaarden over de infrastructuur, vermeld in artikel 14, eerste lid, 3°, en artikel 16 van dit besluit, en van de voorwaarde over de leefgroepindeling, vermeld in artikel 55 van dit besluit, voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin;
2° een tijdelijke afwijking van de voorwaarden over de infrastructuur, vermeld in artikel 14, eerste lid, 1° en 3°, en artikel 16 van dit besluit, en van de voorwaarde over de leefgroepindeling, vermeld in artikel 55 van dit besluit;
3° een afwijking van de voorwaarde over de infrastructuur, vermeld in artikel 14, tweede lid, van dit besluit, voor de kinderopvanglocaties waarin een door Kind en Gezin erkend consultatiebureau als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 tot bepaling van de voorwaarden en de procedureregels inzake erkenning en subsidiëring van de consultatiebureaus voor het jonge kind of een erkend Huis van het Kind als vermeld in het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van de preventieve gezinsondersteuning, aanwezig is;
4° een afwijking van de brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 23 van dit besluit. Kind en Gezin neemt een beslissing na het advies van de technische commissie voor de brandveiligheid, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Voor de beoordeling van de afwijkingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, houdt Kind en Gezin rekening met de context, met de maatregelen die de organisator neemt, en met de volgende elementen :
1° er worden bijkomende kinderbegeleiders ingezet;
2° er wordt in bijkomende pedagogische ondersteuning voorzien;
3° er wordt in bijkomende ruimte voorzien;
4° er is bijkomende aandacht voor de inrichting van de ruimtes;
5° er is bijkomende aandacht voor beweging of voor veilig slapen.

De afwijking, vermeld in het eerste lid, 1°, vervalt definitief als een organisator een verhoging aanvraagt en krijgt van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen in die kinderopvanglocatie.

De tijdelijke afwijking, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt alleen toegekend naar aanleiding van een overmachtsituatie of in het kader van geplande verbouwingen, en geldt alleen voor de duur die noodzakelijk is voor het herstel van de schade of voor de verbouwing.

De afwijking, vermeld in het eerste lid, 3°, geldt alleen zolang er een erkend consultatiebureau of Huis van het Kind aanwezig is

Artikel 64. (01/09/2015- ...)

De personen die werkten als verantwoordelijke in een kinderopvanglocatie die een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht van Kind en Gezin had, kunnen afwijken van de voorwaarden over de kwalificatie, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 5°, en in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, als een van de volgende voorwaarden vervuld is :
1° het gaat om een tewerkstelling van minstens drie jaar, binnen vijf jaar die voorafgaan aan 1 april 2014;
2° het gaat om een tewerkstelling waarbij ervaring binnen een kwaliteitsvolle werking waarvoor de persoon de verantwoordelijke was, aangetoond kan worden.

De personen die werkten als kinderbegeleider in een kinderopvanglocatie die een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht van Kind en Gezin had, kunnen afwijken van de voorwaarden over de kwalificatie, vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, als een van de volgende voorwaarden vervuld is :
1° het gaat om een tewerkstelling van minstens drie jaar, binnen vijf jaar die voorafgaan aan 1 april 2014;
2° het gaat om een tewerkstelling waarbij ervaring binnen een kwaliteitsvolle werking waar de persoon kinderbegeleider was, aangetoond kan worden.

Kind en Gezin geeft een attest op aanvraag.

Artikel 65. (01/09/2015- ...)

De kinderbegeleiders die vóór de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 al gewerkt hebben binnen de gezinsopvang als gemelde onthaalouder, als onthaalouder met een attest van toezicht of als aangesloten onthaalouder, en de kinderbegeleiders die gewerkt hebben in een vergunde kinderopvanglocatie gezinsopvang, kunnen afwijken van de voorwaarde over de module "kennismaken met de gezinsopvang", vermeld in artikel 11 van dit besluit, en van de voorwaarde over de module "werken in de kinderopvang", vermeld in artikel 73, tweede lid, van dit besluit. Kind en Gezin geeft daarvoor een attest op aanvraag.

Artikel 66. (01/04/2014- ...)

De organisator van kinderopvanglocaties, vermeld in artikel 68, kan afwijken van de voorwaarde over de kennis om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren, vermeld in artikel 8. Kind en Gezin geeft daarvoor een attest op aanvraag.

Artikel 66/1. (01/09/2015- ...)

De personen die voor de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een bewijs van kennis van het Nederlands bezorgd hebben aan Kind en Gezin dat aanvaard is door Kind en Gezin met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen, of dat aanvaard is door Kind en Gezin op basis van een bewijs van een Huis van het Nederlands dat een behaald taalniveau 2.3 aantoont, kunnen afwijken van de voorwaarde over de kennis van het Nederlands, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 3°, en § 3.

HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen

Afdeling 1 Opheffingsbepalingen

Artikel 67. (01/04/2014- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2011;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende de toekenning van een verzekering persoonlijke ongevallen aan opvanggezinnen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2003;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 maart 2009, 15 mei 2009, 24 september 2010 en 14 december 2012;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van de melding aan Kind en Gezin van opvang op bestendige wijze, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 september 2010;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009, 24 september 2010 en 21 oktober 2011;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen.

Afdeling 2 Overgangsbepalingen

Onderafdeling 1 Bestaande kinderopvanglocaties

Artikel 68. (01/04/2014- ...)

Overeenkomstig artikel 36 van het decreet van 20 april 2012, wordt voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning, een toestemming of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin, die erkenning, die toestemming of dat attest van toezicht omgezet in een vergunning van Kind en Gezin. Meer bepaald wordt de erkenning, de toestemming of het attest van toezicht van Kind en Gezin voor kinderopvang van baby's en peuters op basis van de besluiten, vermeld in artikel 67, 1°, 3° en 6°, omgezet in een vergunning van Kind en Gezin, toegekend aan de organisator. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal kinderopvangplaatsen.

Voor erkende diensten voor onthaalouders zal de erkenning omgezet worden in een vergunning per kinderopvanglocatie waar de aangesloten onthaalouder werkzaam is. Voor de bij hen aangesloten alleenwerkende onthaalouders is het aantal vergunde kinderopvangplaatsen maximum acht. Voor de bij hen aangesloten samenwerkende onthaalouders is het aantal vergunde kinderopvangplaatsen maximum achttien. De organisator bepaalt het aantal vergunde kinderopvangplaatsen onder meer rekening houdend met de draagkracht en de infrastructuur en deelt dit mee aan Kind en Gezin volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin.

Artikel 69. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 gemeld zijn bij Kind en Gezin voor kinderopvang van baby's en peuters op basis van het besluit, vermeld in artikel 67, 5°, geldt de volgende overgangsregeling :
1° de organisator vraagt een vergunning aan bij Kind en Gezin binnen negen maanden vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012;
2° tijdens de periode, vermeld in punt 1°, en tot aan de beslissing over de vergunning kan de gemelde kinderopvanglocatie haar kinderopvangactiviteit voortzetten;
3° bij de aanvraag van de vergunning hoeft niet voldaan te zijn aan de startvoorwaarden die verwijzen naar de werkingsvoorwaarden waarvoor een overgangsperiode als vermeld in artikel 70, geldt.

Artikel 70. (01/04/2016- ...)

Vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 gelden de volgende overgangsperiodes voor de kinderopvanglocaties, vermeld in artikel 68 en 69 :
1° één jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarden over het huishoudelijk reglement en de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 34, 35 en 36;
2° twee jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarden over de pedagogische ondersteuning en het attest draagkracht, vermeld in artikel 32;
2° /1 drie jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 57;
3° drie jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarden over :
a) de circulatieruimte, vermeld in artikel 14, eerste lid, 3° ;
b) de minimaal te behalen nettovloeroppervlakte van 3 m² in de leefruimte, vermeld in artikel 16;
c) voldoende daglicht als vermeld in artikel 21, 1°;
d) de evacuatie en de maatregelen betreffende brandpreventie, vermeld in artikel 22;
e) de leefgroepindeling, vermeld in artikel 55;
4° drie jaar voor de organisator van gezinsopvang en één jaar voor de organisator van groepsopvang, om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over de kennis van de Nederlandse taal voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 43, § 3;
5° zes jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over de kwalificatie voor de verantwoordelijke, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 5°, die gestart is met werken in de kinderopvanglocatie voor 1 april 2015;
6° acht jaar om te beschikken over een brandveiligheidsattest A of B als vermeld in artikel 23, als ze al beschikken over een geldig brandweerverslag. Als het brandweerverslag minder lang geldig is dan acht jaar, moeten ze zodra het brandweerverslag niet meer geldig is, beschikken over een brandveiligheidsattest als vermeld in artikel 23;
7° tien jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over de kwalificatie voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°.

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning hebben van Kind en Gezin, geldt geen overgangsperiode als vermeld in het eerste lid, 5°.

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning als kinderdagverblijf hebben van Kind en Gezin, geldt geen overgangsperiode als vermeld in het eerste lid, 7°.

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 gemeld zijn bij Kind en Gezin, geldt geen overgangsperiode als vermeld in het eerste lid, 3°, b), en d).

Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning of een attest van toezicht hebben van Kind en Gezin, en op die datum exclusief peuters opvangen, geldt een overgangsperiode van zes jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over het aantal tegelijk aanwezige kinderen per aanwezige kinderbegeleider, vermeld in artikel 42, eerste lid, 2°, op voorwaarde dat er exclusief peuters worden opgevangen en op voorwaarde dat er niet meer dan tien tegelijk aanwezige kinderen worden opgevangen per aanwezige kinderbegeleider. Onder peuters wordt verstaan, kinderen ouder dan achttien maanden.

Voor de aangesloten onthaalouders, vermeld in artikel 68, tweede lid, geldt een overgangsperiode van vijf jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarde over de kennis van de Nederlandse taal, vermeld in artikel 40, § 3, voor de persoon, vermeld in artikel 39, eerste lid, 2°.

Als de verantwoordelijke of de kinderbegeleider bij de inwerkingtreding van het decreet al een attest van medische geschiktheid heeft, hoeft dat attest pas hernieuwd te worden volgens het model, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 2°, of artikel 43, § 2, eerste lid, 2°, zodra het bestaande attest niet meer geldig is of drie jaar oud is.

Artikel 71. (01/04/2014- ...)

De organisator die na de inwerkingtreding van het decreet, met betrekking tot een kinderopvanglocatie, vermeld in artikel 68 of 69, hetzij een verhoging van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen aanvraagt, hetzij deze kinderopvanglocatie verhuist, kan zich voor die kinderopvanglocatie niet meer beroepen op de volgende overgangsbepalingen :
1° in geval van een verhoging van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen : de overgangsbepalingen, vermeld in artikel 70, eerste lid, 3° en 6°, en artikel 70, vijfde lid;
2° in geval van een verhuis : de overgangsbepalingen, vermeld in artikel 70, eerste lid, 3° en 6°.

De organisator die na de inwerkingtreding van het decreet de ondernemingsvorm wijzigt, kan zich voor de kinderopvanglocaties, vermeld in artikel 68 en 69, blijven beroepen op alle overgangsbepalingen, vermeld in dit besluit die op hem van toepassing waren.

De organisator die de vergunning verliest voor een kinderopvanglocatie, vermeld in artikel 68 of 69, kan zich bij de toekenning van een nieuwe vergunning niet langer beroepen op de overgangsbepalingen, vermeld in artikel 70.

Artikel 72. (01/09/2015- ...)

Voor de kinderopvanglocaties, vermeld in artikel 68 en 69 van dit besluit, geldt dat voor de kinderen die al ingeschreven zijn op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012, de organisator niet hoeft te voldoen aan de voorwaarde over de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 36 van dit besluit.

Onderafdeling 2 Nieuwe kinderopvanglocaties

Artikel 73. (01/09/2015- ...)

Vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 gelden de volgende overgangsperiodes voor de kinderopvanglocaties die starten met kinderopvang van baby's en peuters na de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 :
1° één jaar om te voldoen aan de werkingsvoorwaarden over het huishoudelijk reglement en de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 34, 35 en 36;
2° twee jaar om te voldoen aan de startvoorwaarde en de werkingsvoorwaarde over de pedagogische ondersteuning en het attest draagkracht, vermeld in artikel 2, tweede lid, 2°, 12 en 32;
3° zes jaar om te voldoen aan de startvoorwaarde en aan de werkingsvoorwaarde over de kwalificatie voor de verantwoordelijke, vermeld in artikel 4 en 40, § 2, eerste lid, 5°, die gestart is met werken in de kinderopvanglocatie voor 1 april 2015;
4° tien jaar om te voldoen aan de startvoorwaarde en aan de werkingsvoorwaarde over de kwalificatie voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 10 en 43, § 2, eerste lid, 4°.

De organisator van gezinsopvang die gebruikmaakt van de overgangsregeling voor de kinderbegeleider, vermeld in het eerste lid, 4°, moet als startvoorwaarde wel beschikken over een attest, vastgesteld door de minister, die bepaalt wie de uitreikende instanties en wat de leerinhouden zijn, waaruit blijkt dat de kinderbegeleider de module « werken in de kinderopvang » van twintig uur gevolgd heeft. Die module geeft inzicht in veiligheidsaspecten, pedagogische aspecten en samenwerkingsaspecten, zodat het professionele handelen van de kinderbegeleider versterkt wordt.

De organisator van groepsopvang met kinderbegeleiders die werken in het specifiek sociaal statuut voor onthaalouders, kan, zolang de kinderbegeleiders werken in dit statuut, geen vergunning krijgen voor meer dan achttien kinderopvangplaatsen voor die kinderopvanglocatie.

Onderafdeling 3 Bestaande en nieuwe kinderopvanglocaties

Artikel 73/1. (01/04/2014- ...)

Voor de kinderopvanglocaties, vermeld in artikel 68, 69 en 73, geldt een overgangsperiode tot en met 31 december 2014 om te voldoen aan:
1° de startvoorwaarde, vermeld in artikel 8;
2° de startvoorwaarde, vermeld in artikel 11, en de overgangsvoorwaarde, vermeld in artikel 73, tweede lid, op voorwaarde dat de kinderbegeleider geen attest kan voorleggen omdat er binnen drie maanden na de aanvraag bij de uitreikende instantie geen aanbod beschikbaar is.

Artikel 74. (01/01/2019- 31/12/2023)

Als de kinderbegeleider in de gezinsopvang die ook als verantwoordelijke werkt, zich tussen 1 januari 2019 en 31 december 2023 laat ondersteunen door een pool gezinsopvang als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2019 houdende de toekenning van een subsidie aan pools gezinsopvang, geldt voor die persoon de kwalificatie van kinderbegeleider, vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, a), in afwijking van de werkingsvoorwaarde over de kwalificatie voor verantwoordelijke, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 5°, en dit mogelijks tot 1 april 2024.

Afdeling 3 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringsbepaling

Artikel 75. (01/04/2014- ...)

De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 april 2014 :
1° artikel 1, 2, 5, artikel 7 tot en met 10, artikel 25 tot en met 32, artikel 35 en 36 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;".
2° artikel 3, 4, 6, artikel 11 tot en met 24, en artikel 37, van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, behalve voor wat betreft de vergunning voor opvang aan huis;
3° dit besluit.

Artikel 76. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 2 (01/07/2018- ...)

...

BIJLAGE 3 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 4 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 5 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 6 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 7 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 8 (01/09/2015- ...)

...

BIJLAGE 9 (01/09/2015- ...)

Bijlage 9

* het opschrift van bijlage 9 wordt vervangen door wat volgt :
"Bijlage 2. Competenties kinderbegeleider baby's en peuters, uitgewerkt per cluster als vermeld in artikel 43". (Zie BVR 9 oktober 2015, art. 38, I: 1 september 2015).