Besluit van de Vlaamse Regering houdende de procedures voor de aanvraag en de toekenning van de vergunning en de subsidies voor gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters (citeeropschrift: "Procedurebesluit van 9 mei 2014")

Datum 09/05/2014

Inhoudstafel

  1. TITEL 1 Algemene bepalingen
  2. TITEL 2 Vergunning
    1. HOOFDSTUK 1 Algemeen
    2. HOOFDSTUK 2 Aanvraag, toekenning en stopzetting van een vergunning
      1. Afdeling 1 Aanvraag van een vergunning
      2. Afdeling 2 Aanvraag tot aanpassing van een vergunning
      3. [Afdeling 2/1 Aanvraag van een vergunning bij wijziging van de organisator (ing. BVR 9 oktober 2015, art. 47, I: 1 september 2015)]
      4. Afdeling 3 Ontvankelijkheid van de aanvraag van een vergunning
      5. Afdeling 4 Gegrondheid van de aanvraag van een vergunning
      6. Afdeling 5 Stopzetting van de vergunning
        1. Onderafdeling 1 Niet starten binnen de termijn
        2. Onderafdeling 2 Geen kinderopvangprestaties gedurende een termijn
        3. Onderafdeling 3 Beslissing van de organisator tot definitieve stopzetting
        4. Onderafdeling 4 Beslissing van de organisator tot tijdelijke stopzetting
    3. HOOFDSTUK 3 Attesten in het kader van een vergunning
      1. Afdeling 1 Brandveiligheidsattest
        1. Onderafdeling 1 Aanvraag
        2. Onderafdeling 2 Verlenging of omzetting van een brandveiligheidsattest B
      2. Afdeling 2 Verslag over de infrastructuur
      3. Afdeling 3 Attest tot afwijking van de vergunningsvoorwaarden
        1. Onderafdeling 1 Infrastructuur, leefgroepindeling of brandveiligheid
        2. Onderafdeling 2 Kwalificatie, module kennismaken gezinsopvang en kennis van het Nederlands
      4. [Afdeling 4 Opportuniteitsadvies (ing. BVR 29 januari 2021, art. 13, I: 1 januari 2022)]
  3. TITEL 3 Subsidie
    1. HOOFDSTUK 1 Algemeen
    2. HOOFDSTUK 2 Programmatieregels en algemene oproep
    3. HOOFDSTUK 3 Aanvraag en toekenning van een subsidiebelofte
      1. Afdeling 1 Aanvraag
      2. [Afdeling 1/1 Subsidiebelofte bij wijziging van de organisator (ing. BVR 9 oktober 2015, art. 59, I: 1 september 2015)]
      3. Afdeling 2 Ontvankelijkheid van de aanvraag
      4. Afdeling 3 Gegrondheid van de aanvraag
      5. Afdeling 4 Verlenging van de subsidiebelofte
    4. HOOFDSTUK 4 Aanvraag, toekenning en stopzetting van de subsidie
      1. Afdeling 1 Aanvraag
        1. Onderafdeling 1 Aanvraag van een subsidietoekenning na een subsidiebelofte
        2. Onderafdeling 2 Aanvraag van een bevestiging van subsidie na een reeds toegekende subsidie
        3. Onderafdeling 3 Aanvraag tot wijziging van een subsidietoekenning
        4. Onderafdeling 4 Aanvraag van een subsidietoekenning bij wijziging van de organisator
        5. Onderafdeling 5 Aanvraag van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang
      2. Afdeling 2 Ontvankelijkheid van de aanvraag
      3. Afdeling 3 Gegrondheid van de aanvraag
      4. Afdeling 4 Heractiveren van een toekenning van subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang na subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang
      5. Afdeling 5 Stopzetting van de subsidie door de organisator
  4. TITEL 4 Bezwaar tegen de beslissing van Kind en Gezin tot weigering
  5. [TITEL 4/1 (ing. BVR 8 september 2017, art. 13)] [Convenanten en het agentschap als uitbetalingsinstelling (verv. BVR 29 januari 2021, art. 28, I: 5 februari 2021)]
  6. [TITEL 4/2 Gevolgen van de vrijwillige samenvoeging van gemeenten (ing. BVR 14 september 2018, art. 7, I: 2 november 2018)]
  7. TITEL 5 Slotbepalingen
    1. HOOFDSTUK 1 Overgangsbepalingen
      1. Afdeling 1 Omzetting van lopende procedures
      2. Afdeling 2 Omzetting van een bestaande principiële goedkeuring voor inkomensgerelateerde kinderopvang of van een principieel akkoord voor erkende plaatsen
      3. Afdeling 3 Bestaande organisatoren
      4. Afdeling 4 Nieuwe aanvragen
      5. Afdeling 5 Hangende bezwaren of beroepen
    2. HOOFDSTUK 2 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringbepaling

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, artikel 15, tweede lid, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 4, zesde lid, artikel 5, derde en vierde lid, artikel 6, § 5 en § 6, en artikel 12;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 28 februari 2014;

Gelet op de adviesaanvraag binnen 30 dagen, die op 31 maart 2014 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die termijn;

Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. (05/02/2021- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° ...
2° brandveiligheidsattest: een brandveiligheidsattest als vermeld in artikel 23, tweede lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
3° brandveiligheidsvoorschriften: de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 23 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
4° decreet van 20 april 2012: het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
5° elektronische handtekening: een geavanceerde elektronische handtekening met gekwalificeerd certificaat als vermeld in artikel 2, 2° en 4°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor de elektronische handtekening,de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten;
6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
6° /1 nieuwe gemeente: het lokaal bestuur van de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 343, 2°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
6° /2 nieuwe kinderopvangplaats: een kinderopvangplaats waarvoor gedurende minstens drie maanden voor de algemene oproep tot op de dag dat het agentschap een algemene oproep als vermeld in artikel 57, § 3, naar de organisatoren stuurt, geen vergunning is toegekend of een vergunning is toegekend maar de kinderopvangplaats nog niet gestart is. Met een nieuwe kinderopvangplaats wordt gelijkgesteld: de kinderopvangplaats die vergund en opgestart is op de dag dat het agentschap de algemene oproep, vermeld in artikel 57, § 3, naar de organisatoren stuurt, op voorwaarde dat de organisator in een andere kinderopvanglocatie in dezelfde subsidiegroep een vergunning vraagt voor een nieuwe kinderopvangplaats en deze kinderopvangplaats opstart na de dag dat het agentschap de algemene oproep verstuurde en uiterlijk op het moment van de aanvraag van de subsidietoekenning na een subsidiebelofte, vermeld in artikel 79;
6° /3 OCMW: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
7° opvangvorm: het soort kinderopvang dat de organisator aanbiedt, zijnde de groepsopvang, vermeld in artikel 4, 2°, van het decreet van 20 april 2012, of de gezinsopvang, vermeld in artikel 4, 1°, van het decreet van 20 april 2012;
7° /0 programmatiesubsidie: de subsidie voor inkomenstarief, de plussubsidie, de subsidie voor centrum inclusieve kinderopvang, de subsidie voor dringende kinderopvang, de subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden of de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang, vermeld in artikel 1, 14°, 14° /1, 14° /2, 17°, 17° /1, en 18°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
7° /1 samengevoegde gemeenten: het lokaal bestuur van de samengevoegde gemeenten, vermeld in artikel 343, 4°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
7° /2 ...
8° subsidie: een of meer van de subsidies, vermeld in artikel 1, 1°, 14°, 14° /1, 16°, 17°, 17° /1 en 18°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
9° technische commissie: de technische commissie voor de brandveiligheid, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
10° verslag over de infrastructuur: een verslag over de infrastructuur als vermeld in artikel 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
11° Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

Dit besluit wordt aangehaald als: Procedurebesluit van 9 mei 2014.

Artikel 2. (01/04/2014- ...)

Ten aanzien van de organisator, en tenzij dit besluit het anders bepaalt, worden de termijnen voor het aantekenen van bezwaar die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving met een aangetekende brief of met een gewone brief door Kind en Gezin, berekend vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief aan de postdiensten overhandigd is, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

Voor de berekening van alle termijnen als vermeld in dit besluit, is de vervaldag altijd in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

TITEL 2 Vergunning

HOOFDSTUK 1 Algemeen

Artikel 3. (05/02/2021- ...)

Kind en Gezin kent een vergunning voor gezinsopvang of groepsopvang toe als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de aanvraag van de organisator voor een vergunning is ontvankelijk;
2° na onderzoek ten gronde voldoet de organisator aan de startvoorwaarden.

Het aantal toe te kennen vergunde kinderopvangplaatsen is onder meer afhankelijk van:
1° voor gezinsopvang:
a) de vraag van de organisator;
b) de beschikbare infrastructuur volgens de verklaring op erewoord van de organisator, vermeld in artikel 3 en 9 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
c) ...
2° voor groepsopvang:
a) de vraag van de organisator;
b) de beschikbare infrastructuur volgens het verslag over de infrastructuur met een positief advies;
c) de brandveiligheidsvoorschriften volgens het brandveiligheidsattest.

Artikel 4. (01/09/2015- ...)

Kind en Gezin kan bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de voorwaarden om een vergunning te krijgen, rekening houden met de gegevens die blijken uit het dossier en uit inspectie ter plaatse, alsook met andere elementen die een gegronde indicatie vormen van het gegeven dat de organisator niet aan de voorwaarden voldoet of zal kunnen voldoen.

Als Kind en Gezin het voornemen heeft om de vergunning te weigeren op basis van een gegronde indicatie als vermeld in het eerste lid, wordt de organisator gehoord. De termijn, vermeld in artikel 20, wordt geschorst.

Artikel 5. (01/04/2014- ...)

Een organisator vraagt voor een vergunde kinderopvanglocatie een nieuwe vergunning aan in geval van:
1° een wijziging van de organisator;
2° een wijziging van de vestigingsplaats van de kinderopvanglocatie;
3° een wijziging van de opvangvorm.

Artikel 6. (01/04/2014- ...)

Een organisator vraagt voor een vergunde kinderopvanglocatie een aanpassing van de vergunning aan als hij een hoger aantal vergunde kinderopvangplaatsen wil. Als hij een lager aantal vergunde kinderopvangplaatsen wil, volstaat een elektronische melding daarvan aan Kind en Gezin, om een aangepaste vergunning toe te kennen.

Artikel 7. (01/04/2014- ...)

Een organisator geeft voor een bestaande vergunning elke wijziging van de gegevens of documenten, vermeld in artikel 8 en 9, elektronisch of met de post door aan Kind en Gezin.

HOOFDSTUK 2 Aanvraag, toekenning en stopzetting van een vergunning

Afdeling 1 Aanvraag van een vergunning

Artikel 8. (01/01/2020- 31/12/2021)

De aanvraag van een vergunning voor gezinsopvang of voor groepsopvang wordt ingediend met het elektronische aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de gegevens om te oordelen of de activiteit onder het toepassingsgebied van het decreet van 20 april 2012 valt:
a) de bevestiging dat de kinderopvang beroepsmatig en tegen betaling gebeurt;
b) de taal waarin de organisatie van de kinderopvang gebeurt;
2° de vermoedelijke startdatum van de kinderopvang;
3° de context van de aanvraag;
4° de gegevens over de organisator:
a) de naam, de rechtsvorm, het adres en het ondernemingsnummer van de organisator;
b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens, waaronder minstens de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van de organisator;
5° de gegevens over de kinderopvanglocatie waarvoor de vergunning wordt aangevraagd:
a) de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
b) het gevraagde aantal kinderopvangplaatsen;
c) het feit of er kinderopvang 's nachts wordt georganiseerd;
d) het feit of er kinderen buitenschools worden opgevangen;
e) het feit of en voor hoeveel plaatsen de kinderopvanglocatie zal voldoen aan de voorwaarden voor bepaalde subsidies;
6° de toestemming van alle meerderjarige natuurlijke personen die de lokalen bewonen, om controlebezoeken te laten uitvoeren in de bewoonde lokalen die voor kinderopvang dienen;
7° de gegevens over de verantwoordelijke van de kinderopvanglocatie:
a) de identiteitsgegevens en de contactgegevens van de verantwoordelijke, waaronder minstens de voor- en achternaam, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer, de geboortedatum, het geslacht, het telefoonnummer en het e-mailadres;
b) het hoogst behaalde kwalificatiebewijs dat relevant is om te werken als verantwoordelijke in de kinderopvanglocatie;
8° voor gezinsopvang:
a) de gegevens over de kinderbegeleiders, meer bepaald de identiteitsgegevens, waaronder de voor- en achternaam, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer, de geboortedatum, het geslacht en het hoogst behaalde kwalificatiebewijs dat relevant is om te werken als kinderbegeleider in de kinderopvanglocatie;
b) de voor- en achternaam van alle meerderjarige personen die regelmatig direct contact hebben met de kinderen in de kinderopvanglocatie;
9° een verklaring op erewoord over:
a) het feit dat de persoon die de aanvraag indient, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
b) de kennisname van de werkingsvoorwaarden;
c) het bezit van de documenten, vermeld in artikel 2, tweede lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
d) de samenwerkingsovereenkomst als de organisator georganiseerd is als feitelijke vereniging, vermeld in artikel 7 en 53 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
e) voor de organisator van meer dan achttien kinderopvangplaatsen: de aanwezigheid van een persoon binnen de organisatie met de kennis om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren als vermeld in artikel 8 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, of een attest tot afwijking van Kind en Gezin als vermeld in artikel 66 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
f) voor gezinsopvang: het beschikken over een attest "kennismaken met de gezinsopvang" voor elke kinderbegeleider als vermeld in artikel 11 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, of een attest tot afwijking van Kind en Gezin voor die kinderbegeleider als vermeld in artikel 65 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, en een attest "werken in de kinderopvang" in het geval, vermeld in artikel 73 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
g) voor gezinsopvang: het voldoen aan de mogelijkheid tot veilige evacuatie en aan de maatregelen voor brandpreventie, vermeld in artikel 22 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
10° de datum en de elektronische handtekening van de organisator.

In afwijking van het eerste lid kan de organisator die niet beschikt over een Belgische identiteitskaart, de aanvraag van een vergunning met de post versturen, en met de hand ondertekenen.

Artikel 9. (05/02/2021- 31/12/2021)

Naast het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 8, bezorgt de organisator de volgende documenten, met de post of elektronisch, volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin:
1° een uittreksel uit het strafregister van de organisator als vermeld in artikel 5 en 49 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
2° een uittreksel uit het strafregister van de verantwoordelijke als vermeld in artikel 4 en 40, § 2, eerste lid, 1° , van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
3° voor groepsopvang:
a) een verslag over de infrastructuur met een advies infrastructuur;
b) het brandveiligheidsattest A of B;
4° voor gezinsopvang:
a) een uittreksel uit het strafregister van alle kinderbegeleiders als vermeld in artikel 10 en 43, § 2, eerste lid, 1°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
b) een uittreksel uit het strafregister van alle personen met regelmatig direct contact in de kinderopvanglocatie als vermeld in artikel 10 en 45, eerste lid, 1°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
c) ...

Artikel 10. (05/02/2021- 31/12/2021)

De organisator die op het moment van de aanvraag van een vergunning minstens twaalf vergunningen heeft voor hetzij gezinsopvang hetzij groepsopvang, en een aanvraag indient voor dezelfde opvangvorm, moet de documenten, vermeld in artikel 9, niet bezorgen op voorwaarde dat:
1° hij op het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 8, bijkomend een verklaring op erewoord ondertekent dat hij:
a) de documenten, vermeld in artikel 9, heeft;
b) voor het gevraagde aantal kinderopvangplaatsen voor groepsopvang een verslag over de infrastructuur met een positief advies en een brandveiligheidsattest A of B heeft;
2° er geen gegronde indicatie is waaruit blijkt dat de verklaringen van de organisator niet overeenstemmen met de realiteit.

Artikel 11. (01/04/2014- ...)

De organisator die een vergunning aanvraagt na een weigering van een eerdere aanvraag van een vergunning voor dezelfde kinderopvanglocatie, of na een opheffing van een vergunning voor die kinderopvanglocatie, bezorgt boven op de documenten, vermeld in artikel 9, bijkomende documenten waaruit blijkt dat de reden waarop de voorafgaande weigering of opheffing is gebaseerd, niet langer bestaat.

Afdeling 2 Aanvraag tot aanpassing van een vergunning

Artikel 12. (01/04/2014- 31/12/2021)

De aanvraag tot aanpassing van de vergunning wordt elektronisch ingediend met een specifiek aanvraagformulier van Kind en Gezin dat de volgende gegevens bevat:
1° de identificatiegegevens van de organisator, meer bepaald de naam en het ondernemingsnummer;
2° de naam, het dossiernummer en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen dat men wenst na de aanpassing;
4° de datum vanaf wanneer men het aangepast aantal vergunde kinderopvangplaatsen wil;
5° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 13. (01/04/2014- 31/12/2021)

Naast het aanvraagformulier, vermeld in artikel 12, bezorgt de organisator voor groepsopvang de documenten, vermeld in artikel 9, 3°, a) en b), en voor gezinsopvang de documenten, vermeld in artikel 9, 4°, c), met de post of elektronisch, volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin.
De organisator die op het moment van de aanvraag tot aanpassing van een vergunning minstens twaalf vergunningen heeft voor hetzij gezinsopvang hetzij groepsopvang, en een aanvraag indient voor dezelfde opvangvorm, moet de documenten, vermeld in het eerste lid, niet bezorgen op voorwaarde dat:
1° hij op het aanvraagformulier, vermeld in artikel 12, bijkomend een verklaring op erewoord ondertekent dat hij voor groepsopvang de documenten, vermeld in artikel 9, 3°, a) en b), en voor gezinsopvang de documenten, vermeld in artikel 9, 4°, c), heeft;
2° er geen gegronde indicatie is waaruit blijkt dat de verklaringen van de organisator niet overeenstemmen met de realiteit.

[Afdeling 2/1 Aanvraag van een vergunning bij wijziging van de organisator (ing. BVR 9 oktober 2015, art. 47, I: 1 september 2015)]

Artikel 13/1. (01/09/2015- ...)

De organisator die op het moment van de aanvraag gelijktijdig een aanvraag indient voor verschillende vergunningen voor dezelfde opvangvorm die overgenomen worden van een andere organisator die de vergunningen wil stopzetten en die in feite niets wijzigt aan de organisatie en aan de personen die instaan voor de organisatie :
1° hoeft de documenten, vermeld in artikel 9 van dit besluit, niet te bezorgen;
2° hoeft de reeds toegekende afwijkingen infrastructuur of brandveiligheid niet opnieuw aan te vragen op voorwaarde dat hij de beslissing over de afwijking naleeft;
3° hoeft niet te voldoen aan de startvoorwaarde, vermeld in artikel 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Artikel 13/2. (01/09/2015- ...)

De organisator die wijzigt van rechtsvorm, maar in feite niets wijzigt aan de organisatie en aan de personen die instaan voor de organisatie :
1° hoeft de documenten, vermeld in artikel 9 van dit besluit, niet te bezorgen;
2° hoeft de reeds toegekende afwijkingen infrastructuur, brandveiligheid, of organisatorisch beheer niet opnieuw aan te vragen op voorwaarde dat hij de beslissing over de afwijking naleeft;
3° hoeft niet te voldoen aan de startvoorwaarde, vermeld in artikel 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Afdeling 3 Ontvankelijkheid van de aanvraag van een vergunning

Artikel 14. (01/04/2014- ...)

De aanvraag van een vergunning of tot aanpassing van een vergunning is ontvankelijk als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de activiteit waarvoor een vergunning gevraagd wordt, valt onder het toepassingsgebied van het decreet van 20 april 2012;
2° de aanvraag van de vergunning wordt op zijn vroegste zes maanden voor de voorziene start van de kinderopvanglocatie ingediend;
3° de aanvraag van de vergunning wordt elektronisch ingediend, tenzij de afwijking, vermeld in artikel 8, tweede lid, van toepassing is;
4° de aanvraag bevat de elementen, vermeld in artikel 8, 10 en 12, die van toepassing zijn;
5° de aanvraag bevat de documenten, vermeld in artikel 9, 11 en 13, die van toepassing zijn.

Artikel 15. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding. Kind en Gezin beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het aanvraagformulier, vermeld in artikel 8 en 12.

Artikel 16. (01/04/2014- ...)

Als de aanvraag onvolledig is, meldt Kind en Gezin dat zo snel mogelijk elektronisch aan de organisator. Vanaf die melding wordt de termijn, vermeld in artikel 15, geschorst voor maximaal dertig kalenderdagen zodat de organisator de aanvraag binnen die termijn kan vervolledigen.

Artikel 17. (01/04/2014- ...)

De beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag bevat de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
5° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State en de wijze waarop dat moet gebeuren;
6° de contactgegevens van Kind en Gezin;
7° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 18. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° als de aanvraag ontvankelijk is: elektronisch;
2° als de aanvraag onontvankelijk is: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 19. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de aanvraag van een vergunning of tot aanpassing van een vergunning geacht ontvankelijk te zijn, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

Afdeling 4 Gegrondheid van de aanvraag van een vergunning

Artikel 20. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin beslist over de gegrondheid van de aanvraag van een vergunning of tot aanpassing van een vergunning uiterlijk zestig kalenderdagen na de datum van de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag van een vergunning of tot aanpassing van een vergunning, vermeld in artikel 15.

Artikel 21. (22/10/2017- ...)

De termijn, vermeld in artikel 20, wordt telkens met maximaal dertig kalenderdagen geschorst als Kind en Gezin:
1° bijkomende gegevens vraagt aan de organisator;
2° vraagt om de organisator te horen. Dat is altijd het geval als Kind en Gezin het voornemen heeft om de vergunning te weigeren met toepassing van artikel 4.

Artikel 22. (01/04/2014- ...)

De beslissing tot toekenning, gedeeltelijke toekenning of tot weigering van een vergunning bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
5° in geval van toekenning:
a) de ingangsdatum van de vergunning;
b) het aantal vergunde kinderopvangplaatsen;
c) de vermelding dat de kinderopvanglocatie moet starten uiterlijk drie maanden na de datum van de beslissing en de modaliteiten om die termijn eenmalig te verlengen;
d) de verplichting dat de organisator de startdatum moet melden aan Kind en Gezin uiterlijk zeven kalenderdagen voor de effectieve start van de kinderopvanglocatie;
e) de vermelding dat de beslissing van rechtswege vervalt als de kinderopvanglocatie niet tijdig start met de opvang van de kinderen;
f) de vermelding dat de vergunning kan worden gewijzigd, geschorst of opgeheven als vastgesteld wordt dat de kinderopvanglocatie niet langer voldoet aan de vergunningsvoorwaarden, of dat een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd;
g) de vermelding dat als er een jaar geen kinderopvang is, de vergunning automatisch wordt stopgezet;
6° in geval van gedeeltelijke toekenning of weigering:
a) de vermelding van het gevolg daarvan, meer bepaald dat er zonder een vergunning geen kinderopvang mag plaatsvinden;
b) de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
7° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 23. (01/04/2014- ...)

De vergunning bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° het aantal vergunde kinderopvangplaatsen, namelijk het maximale aantal tegelijk aanwezige kinderen in de kinderopvanglocatie;
5° de datum van toekenning van de vergunning en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 24. (01/01/2016- ...)

Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing tot toekenning of tot weigering van de vergunning, vermeld in artikel 20 en 22, uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° in geval van toekenning: elektronisch;
2° in geval van weigering of in geval van toekenning van een lager aantal vergunde kinderopvangplaatsen dan gevraagd: elektronisch en met een aangetekende brief.

In geval van toekenning wordt de vergunning, vermeld in artikel 23, samen met de beslissing, vermeld in artikel 22, elektronisch verstuurd.

De gegevens van de vergunning, vermeld in artikel 5, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 20 april 2012, worden vermeld op de website van Kind en Gezin.

Artikel 25. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de vergunning geacht toegekend te zijn voor het gevraagde aantal vergunde kinderopvangplaatsen, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

Afdeling 5 Stopzetting van de vergunning

Onderafdeling 1 Niet starten binnen de termijn

Artikel 26. (01/09/2015- ...)

De organisator meldt de exacte startdatum van de kinderopvanglocatie aan Kind en Gezin.

Als de organisator uiterlijk drie maanden na de datum van de toekenning van de vergunning, vermeld in artikel 23, 4°, niet gestart is met de werking, vervalt de vergunning van rechtswege. De organisator kan aan Kind en Gezin eenmalig elektronisch melden dat die termijn van drie maanden verlengd wordt met maximaal drie maanden. De melding van verlenging moet gedaan worden voor de eerste termijn van drie maanden verloopt. Kind en Gezin bezorgt een ontvangstmelding van die melding.

Artikel 27. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na het verval van rechtswege van de vergunning de bevestiging van het verval en de gevolgen ervan, meer bepaald dat er geen kinderopvang meer kan plaatsvinden op de kinderopvanglocatie. Kind en Gezin bezorgt dit elektronisch en met een aangetekende brief aan de organisator.

Onderafdeling 2 Geen kinderopvangprestaties gedurende een termijn

Artikel 28. (01/04/2014- ...)

Als er gedurende een jaar ononderbroken geen kinderopvang plaatsvindt, zal Kind en Gezin de vergunning stopzetten.
Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de stopzetting van de vergunning de bevestiging van de stopzetting en de gevolgen ervan, meer bepaald dat er geen kinderopvang meer kan plaatsvinden op de kinderopvanglocatie. Kind en Gezin bezorgt dit elektronisch en met een aangetekende brief aan de organisator.

Artikel 29. (01/09/2015- ...)

Als Kind en Gezin vaststelt dat er gedurende minstens één volledige kalendermaand geen kinderopvangprestaties zijn in een bepaalde kinderopvanglocatie groepsopvang, zal Kind en Gezin de vergunning voor die kinderopvanglocatie het statuut niet-actief geven.

Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de vaststelling de mededeling dat de vergunning op niet-actief gezet is en de gevolgen ervan, meer bepaald dat er gedurende de periode met statuut niet-actief geen kinderopvang kan plaatsvinden op de kinderopvanglocatie en er geen subsidies mogelijk zijn. Kind en Gezin bezorgt dit elektronisch en met een aangetekende brief aan de organisator.

Als de organisator opnieuw kinderopvang wil starten in die kinderopvanglocatie, meldt hij dat elektronisch uiterlijk vijf kalenderdagen voor de heropstart aan Kind en Gezin zodat de vergunning opnieuw geactiveerd kan worden.

Onderafdeling 3 Beslissing van de organisator tot definitieve stopzetting

Artikel 30. (01/09/2015- ...)

Als de organisator beslist tot volledige definitieve stopzetting van de werking van de kinderopvanglocatie of gedeeltelijke definitieve stopzetting, zijnde een vermindering van het aantal kinderopvangplaatsen als vermeld in artikel 6, meldt hij dat elektronisch uiterlijk vijf kalenderdagen na de volledige stopzetting of vermindering aan Kind en Gezin. Hij bezorgt daarbij de volgende gegevens:
1° het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de datum van volledige stopzetting of vermindering;
5° als het geen volledige stopzetting betreft: het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de vermindering wil;
5° /1 als het een volledige stopzetting betreft : de reden van stopzetting en in geval van overname door een andere organisator, de gegevens van de nieuwe organisator;
6° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 31. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de melding de bevestiging van de stopzetting en de gevolgen ervan, meer bepaald dat er geen kinderopvang of kinderopvang voor minder kinderen kan plaatsvinden op de kinderopvanglocatie. Kind en Gezin bezorgt dit elektronisch aan de organisator.

Onderafdeling 4 Beslissing van de organisator tot tijdelijke stopzetting

Artikel 32. (01/09/2015- ...)

Als de organisator van groepsopvang beslist tot volledige tijdelijke stopzetting van de kinderopvanglocatie voor een periode van meer dan een kalendermaand, meldt hij dat elektronisch uiterlijk vijf kalenderdagen na de start van die tijdelijke stopzetting aan Kind en Gezin.

Artikel 33. (01/09/2015- ...)

Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de melding de bevestiging van de tijdelijke stopzetting en de gevolgen ervan, meer bepaald dat de vergunning op niet-actief gezet wordt en dat er gedurende de periode met statuut niet-actief geen kinderopvang kan plaatsvinden op de kinderopvanglocatie en er geen subsidies mogelijk zijn. Kind en Gezin bezorgt dit elektronisch aan de organisator.

Als de organisator opnieuw kinderopvang wil starten in die kinderopvanglocatie, meldt hij dat elektronisch uiterlijk vijf kalenderdagen op voorhand aan Kind en Gezin zodat de vergunning opnieuw geactiveerd kan worden.

HOOFDSTUK 3 Attesten in het kader van een vergunning

Afdeling 1 Brandveiligheidsattest

Onderafdeling 1 Aanvraag

Artikel 34. (01/04/2014- ...)

De organisator van groepsopvang vraagt schriftelijk een brandveiligheidsattest aan bij de burgemeester van de gemeente waar de kinderopvanglocatie ligt.

De aanvraag bevat de volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° het adres van de kinderopvanglocatie waar de organisator kinderopvang wil starten;
3° het beoogde aantal kinderopvangplaatsen;
4° de intentie of er in de kinderopvanglocatie kinderopvang 's nachts zal plaatsvinden;
5° de datum vanaf wanneer de brandweerdienst een bezoek ter plaatse kan brengen;
6° het gegeven of de organisator voor de kinderopvanglocatie al over een brandveiligheidsattest A, B of C beschikt.

Artikel 35. (01/04/2014- ...)

De burgemeester geeft de opdracht aan de bevoegde brandweerdienst om:
1° een onderzoek ter plaatse te verrichten naar de naleving van de brandveiligheidsvoorschriften door de organisator;
2° een verslag op te stellen van het onderzoek en dat aan hem te bezorgen. In voorkomend geval moet het verslag een duidelijke opsomming bevatten van de niet-nageleefde brandveiligheidsvoorschriften met de vermelding of daardoor de veiligheid van de kinderen of de medewerkers in het gedrang komt.

Artikel 36. (01/04/2014- ...)

De burgemeester stelt een brandveiligheidsattest op, aan de hand van het verslag dat afgeleverd is door de bevoegde brandweerdienst. Het brandveiligheidsattest wordt opgesteld als volgt:
1° als uit het verslag blijkt dat de kinderopvanglocatie aan de brandveiligheidsvoorschriften voldoet, een brandveiligheidsattest A, dat van rechtswege vervalt na verloop van acht jaar of bij uitreiking van een nieuw brandveiligheidsattest voor dezelfde kinderopvanglocatie, en in het geval, vermeld in artikel 23 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
2° als uit het verslag blijkt dat de kinderopvanglocatie niet volledig aan de brandveiligheidsvoorschriften voldoet, maar dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers niet in het gedrang komt, een brandveiligheidsattest B, waarvan de burgemeester de geldigheidsduur bepaalt die maximaal acht jaar kan zijn;
3° als uit het verslag blijkt dat de kinderopvanglocatie niet volledig aan de brandveiligheidsvoorschriften voldoet en dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers in het gedrang komt, een brandveiligheidsattest C, dat alleen vervalt bij de uitreiking van een nieuw brandveiligheidsattest voor dezelfde kinderopvanglocatie.

Artikel 37. (01/04/2014- ...)

Uiterlijk drie maanden na de ontvangst van de aanvraag van een brandveiligheidsattest bezorgt de burgemeester het brandveiligheidsattest en het bijbehorende verslag van de bevoegde brandweerdienst aan de organisator.

Als het een brandveiligheidsattest C betreft voor een organisator die al een vergunning heeft voor kinderopvang op de betreffende kinderopvanglocatie, bezorgt de burgemeester dat brandveiligheidsattest met het bijbehorende verslag van de bevoegde brandweerdienst gelijktijdig aan Kind en Gezin.

Onderafdeling 2 Verlenging of omzetting van een brandveiligheidsattest B

Artikel 38. (01/04/2014- ...)

De organisator vraagt uiterlijk vijf maanden voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van het brandveiligheidsattest B een verlenging van het brandveiligheidsattest B of een omzetting naar een brandveiligheidsattest A aan bij de burgemeester.

De aanvraag bevat:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° bij de eerste aanvraag tot verlenging of omzetting: een omschrijving van de wijze waarop de vastgestelde tekorten verholpen zijn of een stappenplan met een duidelijke omschrijving van de wijze waarop de vastgestelde tekorten verholpen zullen worden, met een opgave van de uitvoeringstermijn en de aan te wenden middelen en de vermelding voor welke tekorten een aanvraag tot afwijking als vermeld in artikel 44, § 2, ingediend wordt.

Artikel 39. (01/04/2014- ...)

Als het de eerste aanvraag tot verlenging of omzetting betreft, bezorgt de burgemeester de omschrijving of het stappenplan aan de bevoegde brandweerdienst, die de effectiviteit ervan beoordeelt en advies daarover geeft aan de burgemeester.

Bij elke volgende aanvraag geeft de burgemeester een opdracht aan de brandweerdienst als vermeld in artikel 35.

Artikel 40. (01/04/2014- ...)

Uiterlijk drie maanden na de ontvangst van de aanvraag tot verlenging of omzetting, bezorgt de burgemeester aan de organisator een van de volgende documenten:
1° een brandveiligheidsattest A en het bijbehorende verslag van de bevoegde brandweerdienst;
2° het nieuwe brandveiligheidsattest B met een geldigheidstermijn die hij zelf bepaalt, er rekening mee houdend dat de totale geldigheidsduur van een brandveiligheidsattest B maximaal acht jaar is, en het bijbehorende verslag van de bevoegde brandweerdienst;
3° het bericht dat het bij aanvang uitgereikte brandveiligheidsattest B niet verlengd kan worden en een brandveiligheidsattest C wordt afgeleverd als:
a) er geen stappenplan is bezorgd;
b) uit het advies van de brandweer blijkt dat het stappenplan onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsvoorschriften te voldoen;
c) de totale geldigheidsduur van eerdere brandveiligheidsattesten B de maximale duur van acht jaar bereikt heeft.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, brengt de burgemeester ook Kind en Gezin op de hoogte.

Afdeling 2 Verslag over de infrastructuur

Artikel 41. (01/09/2015- ...)

De organisator van groepsopvang vraagt schriftelijk een verslag over de infrastructuur aan bij Zorginspectie.

De aanvraag bevat de volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° de contactpersoon van de organisator;
3° het adres van de kinderopvanglocatie waar de kinderopvang zal plaatsvinden;
4° het beoogde aantal kinderopvangplaatsen;
5° de intentie of er in de kinderopvanglocatie kinderopvang 's nachts zal plaatsvinden;
6° de datum vanaf wanneer Zorginspectie een bezoek aan de kinderopvanglocatie kan brengen die uiterlijk een maand na de aanvraag mag liggen;
7° een verklaring op erewoord dat de infrastructuur vanaf de datum, vermeld in punt 6°, klaar is en kan voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
8° als het een tweede aanvraag betreft voor dezelfde kinderopvanglocatie na een verslag over de infrastructuur met een negatief advies: de documenten waaruit blijkt dat de reden waarop het negatief advies is gebaseerd, niet langer bestaat.

Naast het aanvraagformulier, vermeld in het tweede lid, bezorgt de organisator de volgende documenten :
1° een duidelijk grondplan van de kinderopvanglocatie op schaal 1/50 of 1/100 met minstens de volgende aanduidingen :
a) de leefruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
b) de rustruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
c) de eventuele andere aanwezige lokalen met vermelding van de functie ervan;
2° een berekening van de nettovloeroppervlakte van de leefruimtes en de rustruimtes, vermeld in artikel 16 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Artikel 42. (01/04/2014- ...)

Zorginspectie behandelt de aanvraag niet als een of meer van de gegevens, vermeld in artikel 41, tweede lid, niet vermeld zijn of de documenten, vermeld in artikel 41, derde lid, niet bezorgd zijn. In dat geval brengt Zorginspectie de organisator daarvan op de hoogte.

Artikel 43. (01/04/2014- ...)

Zorginspectie bezorgt het verslag over de infrastructuur met advies uiterlijk twee maanden na de datum die de organisator heeft opgegeven waarop de infrastructuur beschikbaar is voor een bezoek, aan de organisator.

Afdeling 3 Attest tot afwijking van de vergunningsvoorwaarden

Onderafdeling 1 Infrastructuur, leefgroepindeling of brandveiligheid

Artikel 44. (22/10/2017- ...)

§ 1. De aanvraag tot afwijking als vermeld in artikel 63, eerste lid, 1° tot en met 3° , van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de vergunningsvoorwaarden waarvoor een afwijking wordt gevraagd;
5° de motivatie waarom een afwijking wordt gevraagd;
6° de context en een voorstel met maatregelen die een gelijkwaardige veiligheid en kwaliteit kunnen garanderen;
7° de datum en de handtekening van de organisator.

Naast het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, bezorgt de organisator de volgende documenten, met de post of elektronisch, die de gegevens, vermeld in het eerste lid, aantonen :
1° een duidelijk grondplan van de kinderopvanglocatie op schaal 1/50 of 1/100 met minstens de volgende aanduidingen :
a) de leefruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
b) de rustruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
c) de eventuele andere aanwezige lokalen met vermelding van de functie ervan;
2° een berekening van de nettovloeroppervlakte van de leefruimtes en de rustruimtes, vermeld in artikel 16 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Kind en Gezin kan naast de informatie of stukken, vermeld in het eerste en het tweede lid, bijkomende informatie of stukken opvragen uiterlijk vijftien kalenderdagen na ontvangst van het aanvraagformulier tot afwijking, vermeld in het eerste lid.

Kind en Gezin bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding.

§ 2. De aanvraag tot afwijking als vermeld in artikel 63, eerste lid, 4°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, wordt ingediend bij de technische commissie met het aanvraagformulier van de technische commissie, dat de volgende gegevens bevat:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° de naam, het adres en het aantal kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie;
3° de omschrijving van de kinderopvanglocatie waarvoor een afwijking gevraagd wordt;
4° de vergunningsvoorwaarde waarvoor een afwijking wordt gevraagd;
5° de motivatie waarom een afwijking wordt gevraagd;
6° de context en een voorstel met maatregelen die een gelijkwaardige veiligheid en kwaliteit kunnen garanderen;
7° de datum en de handtekening van de organisator.

Naast het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, bezorgt de organisator minstens de volgende documenten, met de post of elektronisch, die de gegevens, vermeld in het eerste lid, aantonen :
1° een duidelijk grondplan van de kinderopvanglocatie op schaal 1/50 of 1/100 met minstens de volgende aanduidingen :
a) de leefruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
b) de rustruimtes met alle binnenafmetingen en het aantal kinderen dat er opgevangen zal worden;
c) de eventuele andere aanwezige lokalen met vermelding van de functie ervan;
2° het verslag van de bevoegde brandweerdienst en, in voorkomend geval, het brandveiligheidsattest, het stappenplan en het advies van de brandweer over dat stappenplan.

De technische commissie kan naast de informatie of stukken, vermeld in het eerste en het tweede lid, bijkomende informatie of stukken opvragen na ontvangst van het aanvraagformulier tot afwijking, vermeld in het eerste lid.

De technische commissie bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding.

Artikel 45. (22/10/2017- ...)

...

Artikel 46. (22/10/2017- ...)

Kind en Gezin beslist over de aanvraag tot afwijking, vermeld in artikel 44, § 1, uiterlijk vijfenzeventig kalenderdagen na de ontvangst van die aanvraag. Als Kind en Gezin bijkomende informatie of stukken als vermeld in artikel 44, § 1, derde lid, vraagt, dan wordt de termijn voor maximaal dertig kalenderdagen geschorst.

Kind en Gezin beslist over de aanvraag tot afwijking, vermeld in artikel 44, § 2, uiterlijk zestig kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de bevoegde technische commissie. Het advies wordt bij de beslissing gevoegd.
Kind en Gezin bezorgt de beslissing uiterlijk vijftien kalenderdagen na de beslissing aan de organisator:
1° als de aanvraag ingewilligd wordt: elektronisch;
2° als de aanvraag gedeeltelijk of niet ingewilligd wordt: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 47. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de afwijking geacht toegekend te zijn, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin of van de technische commissie heeft ontvangen.

Onderafdeling 2 Kwalificatie, module kennismaken gezinsopvang en kennis van het Nederlands

Artikel 48. (22/10/2017- ...)

De aanvraag van een attest tot afwijking als vermeld in artikel 64, 65 en 66/1, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de persoon voor wie de afwijking aangevraagd wordt;
2° de vergunningsvoorwaarde waarvoor een afwijking gevraagd wordt.

Naast het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, bezorgt de organisator  of de persoon die voor zichzelf de afwijking aanvraagt, de volgende documenten, met de post of elektronisch:
1° voor het attest, vermeld in artikel 64, derde lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013 : de documenten die aantonen dat de persoon voor wie het attest geldt, hetzij gedurende de vijf jaar die voorafgaan aan 1 april 2014, drie jaar tewerkgesteld was als kinderbegeleider of verantwoordelijke, hetzij een tewerkstelling kan aantonen met ervaring binnen een kwaliteitsvolle werking;
2° voor het attest, vermeld in artikel 65 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013: de documenten die aantonen dat de persoon voor wie het attest geldt, al gewerkt heeft binnen de gezinsopvang en op welk adres;
3° voor het attest, vermeld in artikel 66/1 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013: de documenten die aantonen dat een bewijs van kennis van het Nederlands bezorgd en aanvaard is door Kind en Gezin als vermeld in artikel 66/1 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Kind en Gezin kan naast de informatie of stukken, vermeld in het eerste en het tweede lid, bijkomende informatie of stukken opvragen uiterlijk vijftien kalenderdagen na het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid.

Kind en Gezin bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding.

Artikel 49. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin beslist over de aanvraag van een attest tot afwijking uiterlijk zestig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag van een attest tot afwijking. De beslissing bevat de volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens van de persoon;
2° de vergunningsvoorwaarde waarvoor een attest tot afwijking toegekend of geweigerd wordt;
3° de beslissing;
4° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State en de wijze waarop dat moet gebeuren;
5° in geval van weigering van het attest tot afwijking: de vermelding van het gevolg daarvan, meer bepaald dat de organisator moet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden.

Artikel 50. (01/04/2014- ...)

De termijn, vermeld in artikel 49, wordt voor maximaal dertig kalenderdagen geschorst, als Kind en Gezin bijkomende informatie als vermeld in artikel 48, derde lid, vraagt.

Artikel 51. (01/09/2015- ...)

Kind en Gezin stuurt de beslissing aan de organisator of aan de persoon voor wie het attest geldt, uiterlijk vijftien kalenderdagen na de beslissing:
1° als de aanvraag ingewilligd wordt: elektronisch;
2° als de aanvraag gedeeltelijk of niet ingewilligd wordt: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 52. (01/09/2015- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de aanvrager daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt het attest van afwijking geacht toegekend te zijn, op voorwaarde dat de aanvrager een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

[Afdeling 4 Opportuniteitsadvies (ing. BVR 29 januari 2021, art. 13, I: 1 januari 2022)]

Artikel 52/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2022- ...)

De organisator van groepsopvang vraagt schriftelijk een advies aan over de opportuniteit als vermeld in artikel 52/2, bij het lokaal bestuur van de gemeente waar de kinderopvanglocatie ligt.

De aanvraag bevat al de volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de organisator;
2° het adres van de kinderopvanglocatie waar de organisator de kinderopvang wil starten of uitbreiden;
3° het beoogde aantal plaatsen dat het voorwerp is van de opstart of uitbreiding van de kinderopvanglocatie.

Artikel 52/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2022- ...)

Het lokaal bestuur onderzoekt en geeft een advies over de opportuniteit van de opstart of de uitbreiding van de kinderopvanglocatie op basis van de procedure en de criteria, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende het lokaal beleid kinderopvang.

Artikel 52/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2022- ...)

Uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum waarop het lokaal bestuur de aanvraag, vermeld in artikel 52/1, heeft ontvangen, bezorgt het lokaal bestuur een gemotiveerd advies over de opportuniteit als vermeld in artikel 52/2, aan de organisator.

Artikel 52/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2022- ...)

De organisator heeft de mogelijkheid om opmerkingen te formuleren op het advies over de opportuniteit, vermeld in artikel 52/2, binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij het advies heeft ontvangen. Het lokaal bestuur behandelt de opmerkingen conform de procedure, vermeld in artikel 7 vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende het lokaal beleid kinderopvang.

TITEL 3 Subsidie

HOOFDSTUK 1 Algemeen

Artikel 53. (05/02/2021- ...)

Kind en Gezin kent een subsidie voor gezinsopvang of groepsopvang toe als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er budget te verdelen is;
2° voor de programmatiesubsidies heeft het agentschap na een algemene oproep op basis van de programmatieregels een subsidiebelofte toegekend en voor de basissubsidie heeft het agentschap een subsidiebelofte toegekend;
3° de aanvraag van de organisator voor een subsidietoekenning ontvankelijk is;
4° de organisator een vergunning heeft;
5° na onderzoek ten gronde blijkt de organisator te voldoen aan de criteria uit het beslissingskader waarvan hij in de aanvraag van de subsidiebelofte had meegedeeld dat hij er uiterlijk bij de subsidietoekenning aan zou voldoen en blijkt de organisator recht te hebben op de subsidie.

Voor de subsidie, vermeld in artikel 1, 16°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, hoeft de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet voldaan te zijn.

Artikel 54. (01/09/2015- ...)

Kind en Gezin kan bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de voorwaarden om een subsidie te krijgen, rekening houden met de gegevens die blijken uit het dossier en uit inspectie ter plaatse, alsook met andere elementen die een gegronde indicatie vormen van het gegeven dat de organisator niet aan de voorwaarden voldoet of zal kunnen voldoen.

Als Kind en Gezin het voornemen heeft om de subsidie te weigeren op basis van een gegronde indicatie als vermeld in het eerste lid, wordt de organisator gehoord. Dat heeft geen schorsing van de termijnen, vermeld in artikel 70, 78 en 101, als gevolg.

Artikel 55. (01/04/2014- ...)

 Een organisator geeft voor een bestaande subsidiebelofte of subsidie elke wijziging van de gegevens of de documenten, vermeld in artikel 59, 60 en 79, elektronisch of met de post door aan Kind en Gezin.

Artikel 56. (01/04/2014- ...)

Alle aanvragen van een subsidie worden ingediend met een aanvraagformulier van Kind en Gezin. Elektronische aanvraagformulieren moeten ondertekend worden met een elektronische handtekening.

In afwijking van het eerste lid kan de organisator die niet beschikt over een Belgische identiteitskaart, een elektronisch aanvraagformulier met de hand ondertekenen en met de post versturen.

HOOFDSTUK 2 Programmatieregels en algemene oproep

Artikel 57. (05/02/2021- ...)

§ 1. Het agentschap kent een subsidiebelofte toe voor een programmatiesubsidie conform paragraaf 2 tot en met 4.

§ 2. Als er nieuw subsidiebudget beschikbaar is voor een programmatiesubsidie, wordt dat verdeeld binnen de geografische gebieden op basis van de behoefte aan die programmatiesubsidie. De behoefte wordt berekend op basis van het verschil tussen de behoefte aan de programmatiesubsidie en het beschikbare aanbod met de programmatiesubsidie.

Het agentschap berekent de behoefte en het aanbod op basis van de beschikbare objectieve en relevante cijfergegevens, waaronder, voor wat betreft de subsidie voor inkomenstarief en de plussubsidie, minstens de gegevens, vermeld in artikel 3, zesde lid, van het decreet van 20 april 2012. Het agentschap kan een beroep doen op de gegevens van de lokale loketten kinderopvang om de behoefte te berekenen.

Het agentschap bepaalt op basis van de vastgestelde behoefte uit welke geografische gebieden een organisator een aanvraag van een subsidiebelofte kan indienen.

§ 3. Het agentschap doet voor de programmatie en de verdeling van het budget een algemene oproep bij kandidaten om een aanvraag van een subsidiebelofte in te dienen voor de programmatiesubsidie die verdeeld kan worden.

De algemene oproep van het agentschap bevat al de volgende gegevens:
1° de vermelding dat het om een standaard vergelijkende procedure gaat waarbij de beslissingen tot toekenning van de subsidiebelofte definitief zijn, ondanks een eventueel bezwaar of beroep tegen een weigeringsbeslissing van een andere aanvrager;
2° het subsidiebudget, voor welke programmatiesubsidie het budget bestemd is en vanaf wanneer het subsidiebudget beschikbaar is;
3° bij de subsidie voor inkomenstarief, de subsidie voor dringende kinderopvang en de subsidie voor kinderopvang met flexibele openingstijden de vermelding van de voorafname voor de grootsteden Antwerpen, het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad en Gent. Tot 31 december 2024 gelden volgende percentages:
a) 15% voor Antwerpen;
b) 10% voor het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad;
c) 5% voor Gent;
4° bij de andere programmatiesubsidies de vermelding of er een voorafname is van het budget voor de grootsteden, vermeld in punt 3°, en hoeveel die bedraagt, op basis van de aanwezigheid van de doelgroepen van de programmatiesubsidie die verdeeld wordt;
5° de voorrang die geldt in de grootsteden, vermeld in punt 3°, voor de aanvraag van een organisator die van het lokaal bestuur een identiek subsidiebedrag ontvangt voor dezelfde specifieke dienstverlening als het bedrag en de specifieke dienstverlening van de programmatiesubsidie die verdeeld wordt op voorwaarde dat de subsidie van het lokaal bestuur toegekend is conform artikel 112/1, § 2;
6° de voorafname van het budget voor specifieke situaties waar het om behartenswaardige redenen noodzakelijk is om in een voorafname te voorzien, als dat van toepassing is;
7° uit welke geografische gebieden een organisator een aanvraag van een subsidiebelofte kan indienen, rekening houdend met de behoefte, vermeld in paragraaf 2, of en hoe de geografische gebieden gerangschikt worden, en hoeveel budget per geografisch gebied maximaal verdeeld kan worden. Het agentschap bewaakt daarbij het evenwicht tussen voldoende spreiding van het budget tussen de geografische gebieden en geen te grote versnippering van het budget;
8° de vermelding dat het budget bestemd is voor nieuwe kinderopvangplaatsen, voor de omschakeling van bestaande kinderopvangplaatsen of voor beide en, als dat van toepassing is, onder welke voorwaarden het lokaal bestuur aan het agentschap kan vragen om de bestemming van het bedoelde budget voor een bepaald maximaal deel van het budget te verschuiven;
9° de vermelding dat het budget bedoeld is voor groepsopvang, voor gezinsopvang of voor beide;
10° de vermelding dat de basissubsidie of een van de programmatiesubsidies automatisch mee wordt toegekend bij de toekenning van een subsidiebelofte voor een programmatiesubsidie in het kader van de algemene oproep;
11° de begindatum en de einddatum voor de indiening van een aanvraag van een subsidiebelofte, waarbij de termijn tussen de begindatum en de einddatum minstens één maand bedraagt;
12° de beslissingstermijnen, vermeld in artikel 63 tot en met 74;
13° het aanvraagformulier dat gebruikt moet worden;
14° het beslissingskader.

In het tweede lid, 8°, wordt verstaan onder de omschakeling van een bestaande kinderopvangplaats: de omschakeling van een kinderopvangplaats die vergund en opgestart is op het moment van de algemene oproep zonder een bepaalde programmatiesubsidie van het agentschap naar een kinderopvangplaats waarvoor die programmatiesubsidie wordt toegekend.

In het beslissingskader, vermeld in het tweede lid, 14°, bepaalt het agentschap de criteria aan de hand waarvan het agentschap, naargelang de principes van de algemene oproep, per geografisch gebied, als de geografische gebieden gerangschikt worden, of over de geografische gebieden heen de verschillende subsidieaanvragen op een objectieve wijze beoordeelt en rangschikt om te beslissen welke aanvragen een subsidiebelofte krijgen. Dat beslissingskader kan ontvankelijkheidscriteria, uitsluitingscriteria, voorrangscriteria en inhoudelijke vergelijkingscriteria bevatten. De criteria die het agentschap bepaalt, resulteren erin dat de subsidiebeloftes toegekend worden aan de aanvragen die de beste beoordeling krijgen op de criteria die betrekking hebben op een of meer van de volgende kenmerken:
1° de duurzaamheid van de organisator en de kinderopvanglocatie;
2° het beleidsvoerende vermogen van de organisator, waaronder de financiële en bestuurlijke weerbaarheid en transparantie en het organisatorische management van de organisator in het algemeen;
3° het medewerkersbeleid;
4° de wijze van uitvoering van de specifieke dienstverlening in het kader van de te verdelen subsidie;
5° het netwerk van de organisator in het kader van de kinderopvangactiviteiten en de samenwerking met andere relevante actoren;
6° de lokale meerwaarde en relevantie van de aanvraag op basis van een gemotiveerd negatief of positief advies met een score van het lokaal bestuur waarbij het lokaal bestuur een procedure en criteria hanteert als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende het lokaal beleid kinderopvang. De criteria van het lokaal bestuur zijn andere criteria dan degene die het agentschap in de algemene oproep hanteert.

§ 4. De minister oefent goedkeuringstoezicht uit op de algemene oproep van het agentschap. In het kader van dat goedkeuringstoezicht controleert de minister of de algemene oproep van het agentschap, met inbegrip van het beslissingskader, voldoet aan de bepalingen van het decreet van 20 april 2012 en dit besluit.

Het agentschap kan geen algemene oproep versturen voordat de minister het goedkeuringstoezicht, vermeld in het eerste lid, uitgeoefend heeft.

Artikel 58. (01/04/2021- ...)

Conform het tweede tot en met het vierde lid kent het agentschap een subsidiebelofte toe voor de basissubsidie voor een kinderopvangplaats waarvoor de organisator het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, toepast of zal toepassen.

Als er budget is om de basissubsidie voor kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, toepast of zal toepassen, toe te kennen, doet het agentschap een algemene oproep bij kandidaten om een aanvraag van een subsidiebelofte voor de basissubsidie in te dienen.

De algemene oproep van het agentschap, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende gegevens:
1° het subsidiebudget dat bestemd is om kinderopvangplaatsen, waarvoor de organisator met het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, werkt of zal werken, een basissubsidie toe te kennen, en vanaf wanneer het subsidiebudget beschikbaar is;
2° de voorafname van het budget voor de grootsteden Antwerpen, het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad en Gent. Tot 31 december 2024 gelden volgende percentages:
a) 15% voor Antwerpen;
b) 10% voor het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad;
c) 5% voor Gent;
3° de gegevens, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 1°, 6°, 9°, 11°, 12°, 13° en 14°, van dit besluit.

De algemene oproep vindt plaats conform artikel 57, § 4.

HOOFDSTUK 3 Aanvraag en toekenning van een subsidiebelofte

Afdeling 1 Aanvraag

Artikel 59. (01/04/2021- ...)

De aanvraag van een subsidiebelofte wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de gegevens over de organisator:
a) de naam, de rechtsvorm, het adres en het ondernemingsnummer van de organisator;
b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens, waaronder minstens de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van de organisator;
2° de context van de aanvraag;
3° de gewenste startdatum van de subsidies en hoe die realiseerbaar is;
4° de gegevens over de subsidie die gevraagd wordt:
a) welke subsidie gevraagd wordt;
b) voor welke opvangvorm de subsidie gevraagd wordt;
c) voor welk geografisch gebied de subsidie gevraagd wordt;
d) het gevraagde aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen;
5° de gegevens over de wijze waarop de organisator de geplande realisatie van de gevraagde subsidie zal doen:
a) als dat relevant is: de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
b) voor de verdeling van subsidiebeloftes naar aanleiding van een algemene oproep als vermeld in artikel 57 of 58, de gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan de bepalingen van de algemene oproep, vermeld in artikel 57 of 58;
c) voor de subsidiebelofte voor de basissubsidie voor kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator met een vrije prijs werkt of zal werken, en die is aangevraagd conform artikel 61, tweede lid: de gegevens waaruit blijkt op welke manier de organisator tegen de gewenste startdatum een vergunning zal hebben en kan voldoen aan de subsidievoorwaarden;
6° een verklaring op erewoord over:
a) het feit dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
b) de kennisname van de voorwaarden voor de specifieke dienstverlening, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
7° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 60. (05/02/2021- ...)

Naast het aanvraagformulier, vermeld in artikel 59, bezorgt de organisator de documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de bepalingen van de algemene oproep, vermeld in artikel 57 of 58, met de post of elektronisch, volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin.

Artikel 61. (01/04/2021- ...)

De aanvraag in het kader van een algemene oproep als vermeld in artikel 57 of 58, wordt ingediend binnen de in de algemene oproep vastgelegde termijn, vermeld in artikel 58.

De aanvraag van de basissubsidie voor kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator met een vrije prijs werkt, kan op elk moment ingediend worden als er nog budget beschikbaar is. Het agentschap behandelt die aanvragen in de volgorde waarin ze ontvangen worden.

Artikel 62. (01/04/2014- ...)

De organisator die een aanvraag van een subsidiebelofte indient na een terugvordering, een stopzetting, een schorsing of een vermindering van een subsidie door Kind en Gezin, bezorgt boven op de documenten, vermeld in artikel 60, bijkomende documenten waaruit blijkt dat de reden waarop de terugvordering, de stopzetting, de schorsing of de vermindering is gebaseerd, niet langer bestaat.

[Afdeling 1/1 Subsidiebelofte bij wijziging van de organisator (ing. BVR 9 oktober 2015, art. 59, I: 1 september 2015)]

Artikel 62/1. (01/09/2015- ...)

Als de organisator van een kinderopvanglocatie die recht heeft op een subsidiebelofte, stopt, vervalt van rechtswege het recht op die subsidiebelofte. Het recht op een subsidiebelofte kan niet worden verhandeld.

Afdeling 2 Ontvankelijkheid van de aanvraag

Artikel 63. (01/04/2021- ...)

De aanvraag van een subsidiebelofte is ontvankelijk als de aanvraag cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet. De aanvraag:
1° wordt ingediend binnen de in de oproep vastgelegde termijnen, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 11°, of artikel 58, derde lid, 3°, of, wat betreft de aanvraag, vermeld in artikel 61, tweede lid, wordt die aanvraag niet ingediend nadat het agentschap meedeelt dat er geen budget meer beschikbaar is;
2° bevat de nodige gegevens op het aanvraagformulier, vermeld in artikel 59;
3° bevat de nodige documenten, vermeld in artikel 60 en 62;
4° voldoet aan eventuele bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden die zijn opgenomen in het beslissingskader, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 14°, of vermeld in artikel 58, derde lid, 3°.

Artikel 64. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding. Kind en Gezin beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het aanvraagformulier, vermeld in artikel 59.

Artikel 65. (01/04/2014- ...)

Als de aanvraag onvolledig is, meldt Kind en Gezin dat zo snel mogelijk elektronisch aan de organisator. Vanaf die melding wordt de termijn, vermeld in artikel 64, geschorst voor maximaal dertig kalenderdagen zodat de organisator de aanvraag binnen die termijn kan vervolledigen.

Artikel 66. (01/04/2014- ...)

De beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag bevat de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
3° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State en de wijze waarop dat moet gebeuren;
4° de contactgegevens van Kind en Gezin;
5° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 67. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° als de aanvraag ontvankelijk is: elektronisch;
2° als de aanvraag onontvankelijk is: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 68. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de aanvraag van een subsidiebelofte geacht ontvankelijk te zijn, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

Afdeling 3 Gegrondheid van de aanvraag

Artikel 69. (05/02/2021- ...)

In het kader van een algemene oproep als vermeld in artikel 57 of 58, maakt het agentschap een voorstel van verdeling van de beschikbare subsidieerbare plaatsen op basis van het totaal te verdelen subsidiebudget, en een voorstel voor de wijze waarop het verdeeld moet worden op basis van de procedure, vermeld in artikel 57, § 2 tot en met § 4, of artikel 58, tweede tot en met vierde lid.

Artikel 70. (05/02/2021- ...)

Kind en Gezin beslist over de gegrondheid van de aanvraag van een subsidiebelofte in het kader van een algemene oproep als vermeld in artikel 57 of 58, op basis van het voorstel van verdeling uiterlijk negentig kalenderdagen na de einddatum voor de indiening van de aanvraag van een subsidiebelofte. Als die termijn van negentig kalenderdagen geheel of gedeeltelijk in de maand juli of augustus valt, wordt de termijn met dertig kalenderdagen verlengd.

Als de minister het goedkeuringstoezicht niet heeft uitgeoefend binnen de termijn, vermeld in artikel 57, § 4, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengd tot de minister het goedkeuringstoezicht uitgeoefend heeft.

Artikel 71. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin kan tijdens de termijn, vermeld in artikel 70, bijkomende gegevens vragen aan de organisator. De organisator bezorgt die gegevens binnen de door Kind en Gezin bepaalde termijn.

Artikel 71/1. (01/04/2021- ...)

Het agentschap beslist over de gegrondheid van de aanvraag van een subsidiebelofte voor de basissubsidie voor kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator met een vrije prijs werkt of zal werken, uiterlijk zestig kalenderdagen na de datum van de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag, vermeld in artikel 66.

Het agentschap kan de subsidiebelofte toekennen binnen de perken van het beschikbare budget. Als er geen budget meer beschikbaar is, informeert het agentschap onmiddellijk alle organisatoren daarover schriftelijk en via de website.

Artikel 72. (05/02/2021- ...)

 De beslissing tot toekenning, gedeeltelijke toekenning of weigering van een subsidiebelofte bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
3° in geval van toekenning of gedeeltelijke toekenning:
a) de startdatum en de einddatum van de subsidiebelofte;
b) het aantal plaatsen en het soort subsidie waarvoor een subsidiebelofte wordt toegekend;
c) aan welke subsidiegroep de subsidiebelofte wordt toegekend;
d) de vermelding dat de subsidiebelofte gedeeltelijk of volledig kan worden stopgezet als vastgesteld wordt dat er een gegronde indicatie is als vermeld in artikel 54;
e) de mogelijkheid en de modaliteiten om een verlenging van de subsidiebelofte te vragen;
f) in geval van groepsopvang: in welke kinderopvanglocatie de subsidieerbare plaatsen eerst gerealiseerd moeten worden;
g) in geval van gezinsopvang: in welke gemeente de subsidieerbare plaatsen eerst gerealiseerd moeten worden.
h) de vermelding dat de subsidiebelofte niet omgezet kan worden in een subsidietoekenning als de organisator niet voldoet aan de criteria in het beslissingskader, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 14°, en vierde lid, of artikel 58, derde lid, 3°, op basis waarvan zijn aanvraag is beoordeeld en gerangschikt;
4° in geval van gedeeltelijke toekenning of weigering: de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
5° in geval van weigering van de subsidiebelofte: de vermelding van het gevolg daarvan, meer bepaald dat er geen subsidie toegekend kan worden;
6° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 73. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing over de subsidiebelofte uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° in geval van toekenning: elektronisch;
2° in geval van weigering of gedeeltelijke toekenning: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 74. (05/02/2021- ...)

...

Afdeling 4 Verlenging van de subsidiebelofte

Artikel 75. (22/10/2017- ...)

De subsidiebelofte is geldig tot drie maanden na de gewenste startdatum die de organisator op het formulier voor de aanvraag van een subsidiebelofte heeft ingevuld. In afwijking daarvan behouden de subsidiebeloftes die Kind en Gezin heeft toegekend vóór 1 november 2017, de geldigheidsduur vermeld in de beslissing tot toekenning van de subsidiebelofte. Een verlenging van die subsidiebelofte gebeurt overeenkomstig het tweede lid.

Als de organisator de subsidiebelofte niet tijdig kan omzetten in een subsidietoekenning, kan de organisator eenmalig en gemotiveerd een verlenging van de subsidiebelofte van maximaal zes maanden vragen bij Kind en Gezin. Kind en Gezin zal een verlenging toekennen als de verlenging tot resultaat kan hebben dat de organisator binnen die termijn de subsidiebelofte kan laten omzetten in een subsidietoekenning.

In afwijking van het tweede en het derde lid kan Kind en Gezin in uitzonderlijke situaties van overmacht een ruimere verlenging toestaan..

Als de subsidiebelofte binnen de geldigheidsduur niet omgezet is in een subsidietoekenning, vervalt de subsidiebelofte van rechtswege.

Artikel 76. (01/04/2014- ...)

De aanvraag tot verlenging wordt uiterlijk dertig kalenderdagen voor de einddatum van de geldigheid van de subsidiebelofte bezorgd aan Kind en Gezin.

Artikel 77. (01/04/2014- ...)

De aanvraag tot verlenging wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin dat de volgende gegevens bevat:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de vermelding voor welke subsidiebelofte een verlenging wordt aangevraagd;
3° de redenen waarom de aanvankelijke termijn niet gehaald is;
4° de motivatie waarom de omzetting in een subsidietoekenning na een verlenging van de termijn wel realiseerbaar is.

Artikel 78. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin beslist over de aanvraag tot verlenging uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag.

HOOFDSTUK 4 Aanvraag, toekenning en stopzetting van de subsidie

Afdeling 1 Aanvraag

Onderafdeling 1 Aanvraag van een subsidietoekenning na een subsidiebelofte

Artikel 79. (05/02/2021- ...)

De aanvraag van een subsidietoekenning na een subsidiebelofte wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de datum vanaf wanneer de organisator de subsidies effectief wil laten ingaan;
2° de gegevens over de organisator:
a) de naam, de rechtsvorm, het adres, het rekeningnummer en het ondernemingsnummer van de organisator. Als de organisator een feitelijke vereniging is, moet het rekeningnummer slaan op de feitelijke vereniging zelf;
b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens, waaronder minstens de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van de organisator;
3° de gegevens over de organisatie van de kinderopvang waarvoor de subsidietoekenning wordt aangevraagd:
a) het gevraagde aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen;
b) voor welke subsidiegroep;
c) de verwijzing naar de subsidiebelofte;
d) de kinderopvanglocatie waar de organisator de specifieke dienstverlening zal aanbieden, waarbij voor de eerste realisatie:
1) in geval van groepsopvang: de kinderopvanglocatie moet overeenstemmen met de kinderopvanglocatie die is opgegeven in de aanvraag van een subsidiebelofte;
2) in geval van gezinsopvang: de gemeente waar de kinderopvanglocatie gelegen is moet overeenstemmen met de gemeente die is opgegeven in de aanvraag van een subsidiebelofte;
e) op welke manier de organisator voldoet aan de criteria van Opgroeien regie in het beslissingskader, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 14°, en derde lid, of artikel 58, derde lid, 3°, waarvan hij in de aanvraag van de subsidiebelofte had medegedeeld dat hij er uiterlijk bij de subsidietoekenning aan zou voldoen;
4° een verklaring op erewoord over:
a) het feit dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
b) de kennisname van de voorwaarden voor de specifieke dienstverlening, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
c) de realisatie van de criteria uit het beslissingskader, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 14°, en derde lid, die door het lokaal bestuur werden beoordeeld en waarvan de organisator in het kader van de aanvraag van de subsidiebelofte meedeelde eraan te voldoen ten laatste bij de subsidietoekenning;
5° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 80. (01/09/2015- ...)

De aanvraag van een subsidietoekenning wordt ingediend op zijn vroegste zes maanden voor de datum waarop de organisator de subsidies wil laten ingaan. Als de organisator nog geen enkele vergunde kinderopvangplaats heeft, kan de aanvraag bovendien alleen gedaan worden als er gelijktijdig een aanvraag van een vergunning wordt ingediend.

De toekenning zelf gaat op zijn vroegste in vanaf de dag van de beslissing van Kind en Gezin, tenzij de subsidiebelofte anders bepaalt.

Artikel 81. (01/04/2014- ...)

De organisator die een aanvraag doet na een eerdere aanvraag voor een subsidie die geweigerd is, of van wie een eerdere subsidie teruggevorderd, verminderd, geschorst of volledig stopgezet is door Kind en Gezin, bezorgt bijkomende documenten waaruit blijkt dat de reden waarop de voorafgaande weigering, terugvordering, vermindering, schorsing of stopzetting is gebaseerd, niet langer bestaat.

Artikel 82. (01/04/2014- ...)

 De subsidietoekenning geldt voor maximaal tien jaar.

Onderafdeling 2 Aanvraag van een bevestiging van subsidie na een reeds toegekende subsidie

Artikel 83. (01/04/2014- ...)

De organisator die na verloop van tien jaar verder gesubsidieerd wil worden, dient een aanvraag tot bevestiging van de subsidie bij Kind en Gezin in volgens een vereenvoudigde procedure. De aanvraag kan op zijn vroegste zes maanden en uiterlijk dertig kalenderdagen voor het verstrijken van de termijn van tien jaar vanaf de eerste subsidieerbare kinderopvangplaats van de organisator ingediend worden.

Artikel 84. (01/04/2014- ...)

De aanvraag van een bevestiging van subsidie wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin dat de volgende gegevens bevat:
1° de gegevens over de organisator, meer bepaald de naam, de rechtsvorm, het adres en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° het aantal en de soort subsidieerbare kinderopvangplaatsen per subsidiegroep waarvoor een bevestiging gevraagd wordt;
3° een verklaring op erewoord over het feit dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
4° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 85. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin de bevestiging van de subsidie toekent, geldt ook die voor maximaal tien jaar. Vanaf dan volgt de organisator altijd de vereenvoudigde procedure tot bevestiging van de subsidie, vermeld in artikel 83 en 84, zolang de organisator verdere subsidiëring wil.

Onderafdeling 3 Aanvraag tot wijziging van een subsidietoekenning

Artikel 86. (01/04/2014- ...)

De organisator die een wijziging van de subsidietoekenning, meer bepaald een overheveling van subsidieerbare kinderopvangplaatsen naar een andere subsidiegroep, wil, dient daarvoor een aanvraag in bij Kind en Gezin. Die wijziging kan betrekking hebben op:
1° een overheveling naar een subsidiegroep van dezelfde organisator in een ander geografisch gebied;
2° een overheveling naar een subsidiegroep van dezelfde organisator voor een andere opvangvorm.

Artikel 87. (01/04/2014- ...)

De aanvraag tot wijziging van een subsidietoekenning wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de gegevens over de organisator:
a) de naam, de rechtsvorm, het adres en het ondernemingsnummer van de organisator;
b) de identiteitsgegevens en de contactgegevens, waaronder minstens de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon van de organisator;
2° de gewenste wijziging en de datum vanaf wanneer die wijziging mag ingaan;
3° een motivering van de aanvraag;
4° een verklaring op erewoord over het feit dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
5° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 88. (01/04/2021- ...)

Kind en Gezin kan de aanvraag tot wijziging van een subsidietoekenning toekennen alleen in de volgende gevallen:
1° een organisator die subsidieerbare kinderopvangplaatsen van een subsidiegroep gezinsopvang wil overhevelen naar een subsidiegroep groepsopvang samenwerkende onthaalouders en omgekeerd, binnen hetzelfde geografische gebied, als de subsidiebedragen van beide subsidiegroepen dezelfde zijn en op voorwaarde dat de organisator aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) de organisator voldeed het voorgaande kalenderjaar in de nieuwe subsidiegroep voor de subsidieerbare kinderopvangplaatsen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013 of als dat niet het geval is, kan hij aantonen dat hij de vier meest recente kwartalen wel voldoet;
b) de organisator kan aantonen dat hij na de overheveling minstens evenveel vergunde kinderopvangplaatsen zal hebben als subsidieerbare kinderopvangplaatsen in de zorgregio en dat hij na de overheveling zal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, tweede lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
c) de organisator kan aantonen dat hij na de overheveling zal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, in de nieuwe zorgregio;;
2° ...
3° een organisator die subsidieerbare kinderopvangplaatsen, met uitzondering van subsidieerbare kinderopvangplaatsen met alleen basissubsidie, wil overhevelen naar een andere geografische subsidiegroep wegens de verhuizing van een kinderopvanglocatie groepsopvang op voorwaarde dat:
a) de nieuwe kinderopvanglocatie zich op korte afstand bevindt van de kinderopvanglocatie uit de subsidiegroep waar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen zich bevonden;
b) de organisator kan aantonen dat de gemeente waarnaar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen worden overgeheveld, een grotere nood heeft aan kinderopvang dan de gemeente waar de kinderopvanglocatie was;
c) zowel het lokaal bestuur van de gemeente vanwaaruit de kinderopvang vertrekt als het lokaal bestuur waarnaar de kinderopvang verhuist, een positief advies geeft voor de verhuizing;
4° een organisator die subsidieerbare kinderopvangplaatsen met alleen basissubsidie wil overhevelen naar een andere geografische subsidiegroep wegens de verhuizing van een kinderopvanglocatie groepsopvang op voorwaarde dat:
a) de nieuwe kinderopvanglocatie zich op korte afstand bevindt van de kinderopvanglocatie uit de subsidiegroep waar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen zich bevonden;
b) de organisator kan aantonen dat de zorgregio waarnaar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen worden overgeheveld, een grotere nood heeft aan kinderopvang dan de zorgregio waar de kinderopvanglocatie was;
5° een organisator die subsidieerbare kinderopvangplaatsen wil overhevelen naar een andere geografische subsidiegroep wegens de verhuizing van een kinderopvanglocatie gezinsopvang op voorwaarde dat:
a) de nieuwe kinderopvanglocatie zich op korte afstand bevindt van de kinderopvanglocatie uit de subsidiegroep waar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen zich bevonden;
b) de organisator kan aantonen dat de zorgregio waarnaar de subsidieerbare kinderopvangplaatsen worden overgeheveld, een grotere nood heeft aan kinderopvang dan de zorgregio waar de kinderopvanglocatie was;
6° een organisator die subsidieerbare kinderopvangplaatsen wil overhevelen van een subsidiegroep gezinsopvang naar een subsidiegroep groepsopvang of omgekeerd voor dezelfde kinderopvanglocatie, waarbij Kind en Gezin beslist hoeveel subsidieerbare kinderopvangplaatsen maximaal overgeheveld kunnen worden als de overheveling gebeurt van gezinsopvang naar groepsopvang;
7° een organisator die de subsidieerbare kinderopvangplaatsen wil overhevelen van een subsidiegroep gezinsopvang naar een andere geografische subsidiegroep gezinsopvang waarvoor Kind en Gezin zonder de overheveling een beslissing tot vermindering of stopzetting van subsidieerbare kinderopvangplaatsen zal nemen wegens niet-naleving van de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, of wegens het verstrijken van de termijn van het voorbehoud, vermeld in artikel 4, 2°, van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot uitvoering van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, en op voorwaarde dat de organisator aan al de volgende voorwaarden voldoet:
a) de organisator voldeed het voorgaande kalenderjaar in de nieuwe subsidiegroep voor de subsidieerbare kinderopvangplaatsen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, als hij al subsidieerbare kinderopvangplaatsen had in de zorgregio, of als dit niet het geval is, kan hij aantonen dat hij de vier meest recente kwartalen wel voldoet;
b) de organisator kan aantonen dat hij na de overheveling minstens evenveel vergunde kinderopvangplaatsen zal hebben als subsidieerbare kinderopvangplaatsen in de zorgregio en dat hij zal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 42, tweede lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
c) de organisator kan aantonen dat hij na de overheveling zal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, in de nieuwe zorgregio;
d) de lokale besturen van de gemeenten van de zorgregio waar de organisator nieuwe vergunde kinderopvangplaatsen zal realiseren voor die overheveling, geven een positief advies over de nieuwe vergunde en subsidieerbare kinderopvangplaatsen.
8° een organisator die de subsidieerbare kinderopvangplaatsen, waarvoor het agentschap zonder de overheveling een beslissing tot vermindering of stopzetting van subsidieerbare kinderopvangplaatsen zal nemen wegens niet-naleving van de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, of omdat de termijn van het voorbehoud, vermeld in artikel 4, 2°, van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot uitvoering van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, is verstreken, wil overhevelen van een subsidiegroep gezinsopvang of subsidiegroep groepsopvang door samenwerkende onthaalouders naar een subsidiegroep groepsopvang. Het agentschap beslist hoeveel subsidieerbare kinderopvangplaatsen maximaal overgeheveld kunnen worden. Die overheveling kan alleen als de organisator voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) de kinderopvangplaatsen worden overgeheveld naar een gemeente die behoort tot de subsidiegroep gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders van waaruit de plaatsen worden overgeheveld;
b) de organisator voldoet binnen de gemeente, waarnaar de plaatsen overgeheveld worden, aan de voorwaarden, vermeld in punt 7°, a) tot en met c).

Als de organisator in het kalenderjaar van de overheveling van subsidieerbare kinderopvangplaatsen conform het geval, vermeld in het eerste lid, 7° of 8°, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, in de zorgregio of de gemeente waarnaar de plaatsen overgeheveld zijn, vermindert Kind en Gezin automatisch het aantal subsidieerbare plaatsen met maximaal het aantal overgehevelde plaatsen, met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de overheveling.

Artikel 89. (02/11/2018- ...)

Als Kind en Gezin een wijziging van de subsidietoekenning als vermeld in artikel 88, 1°, toekent, gaat die op zijn vroegste in op 1 januari van het vorige kalenderjaar. Als er al een saldoafrekening is gemaakt, kan de toekenning op zijn vroegste ingaan op 1 januari van het jaar van de aanvraag.

Als Kind en Gezin een wijziging van de subsidietoekenning als vermeld in artikel 88, eerste lid, 2° tot en met 7°, toekent, gaat die op zijn vroegste in op de datum van de beslissing tot toekenning.

Onderafdeling 4 Aanvraag van een subsidietoekenning bij wijziging van de organisator

Artikel 90. (01/04/2014- ...)

Als de organisator van een kinderopvanglocatie die recht heeft op subsidie en voldoet aan de subsidievoorwaarden, wijzigt, vervalt van rechtswege het recht op die subsidie voor de nieuwe organisator. Het recht op subsidies kan niet worden verhandeld.

De nieuwe organisator kan dezelfde subsidietoekenning vragen bij Kind en Gezin buiten een algemene oproep, zodat hij de specifieke dienstverlening, verbonden aan de subsidie, kan uitvoeren zodra hij een vergunning krijgt voor de kinderopvanglocatie en onder de volgende voorwaarden:
1° de nieuwe organisator neemt de al gesloten schriftelijke overeenkomsten voor kinderopvang over van de vorige organisator;
2° de kinderopvang vindt plaats op dezelfde kinderopvanglocatie;
3° de nieuwe organisator dient uiterlijk zeven kalenderdagen voor de officiële wijziging van de organisator ingaat, de aanvraag van een subsidietoekenning bij wijziging van de organisator in bij Kind en Gezin;
4° de vorige organisator doet schriftelijk afstand van zijn recht op voorbehoud als vermeld in artikel 6 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013.

Artikel 91. (01/04/2014- ...)

De aanvraag van een subsidietoekenning bij wijziging van de organisator wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin dat de gegevens, vermeld in artikel 79, 1°, 2°, 3°, a), b), 4° en 5°, bevat en een verklaring op erewoord over het voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 90.

Onderafdeling 5 Aanvraag van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang

Artikel 92. (02/11/2018- ...)

De aanvraag van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang wordt ingediend, per opgevangen kind met specifieke zorgbehoefte, met het aanvraagformulier van Kind en Gezin, dat de volgende gegevens bevat:
1° de datum vanaf wanneer en tot wanneer de organisator de subsidies wil krijgen;
2° de identiteitsgegevens en de contactgegevens van de organisator, waaronder de naam, de rechtsvorm, het adres, het rekeningnummer en het ondernemingsnummer van de organisator. Als de organisator een feitelijke vereniging is, moet het rekeningnummer slaan op de feitelijke vereniging zelf;
3° de identiteitsgegevens en de contactgegevens van de persoon die meer informatie kan geven over de aanvraag, waaronder de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van die persoon;
4° de gegevens over de kinderopvanglocatie waar het kind opgevangen wordt, waaronder de opvangvorm, het dossiernummer, de naam en het adres;
5° de identiteitsgegevens van het kind voor wie de subsidie wordt aangevraagd, waaronder de voor- en achternaam, de geboortedatum en de datum waarop de kinderopvang start. Als er al een kindcode is toegekend voor het kind : de kindcode;
6° een attest van een professionele deskundige die niet verbonden is aan de organisator, waarin de problematiek van het kind beschreven wordt, en de duurtijd van de problematiek die specifieke zorg in het kader van kinderopvang noodzakelijk maakt;
7° de omschrijving van de specifieke zorg die het kind nodig heeft, en hoe de organisator voldoet aan de bepaling, vermeld in artikel 42 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, en met een toelichting hoe dat gelinkt wordt aan de problematiek van het kind die blijkt uit het attest van de professionele deskundige, vermeld in punt 6°;
8° de vermelding dat het gezin ingelicht is over de verwerking van de persoonsgegevens van het kind;
9° een verklaring op erewoord over:
a) het feit dat de persoon die de aanvraag doet, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
b) de kennisname van de voorwaarden voor de specifieke dienstverlening, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
10° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 93. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin de aanvraag van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang toekent, kan die subsidie toegekend worden vanaf de eerste dag dat het kind met een specifieke zorgbehoefte in de kinderopvanglocatie opgevangen wordt, met een maximale terugwerking van zes maanden ten opzichte van de datum van de aanvraag.

Artikel 94. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin kan de aanvraag toekennen:
1° voor onbepaalde duur, voor de periode dat het kind in de kinderopvanglocatie opgevangen wordt;
2° voor bepaalde duur, voor de periode dat er een specifieke zorgbehoefte aanwezig is.

Afdeling 2 Ontvankelijkheid van de aanvraag

Artikel 95. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt na ontvangst van de aanvraag een ontvangstmelding. Kind en Gezin beslist over de ontvankelijkheid van de aanvragen, vermeld in artikel 79 tot en met 94, uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 96. (01/09/2015- ...)

Als de aanvraag onvolledig is, meldt Kind en Gezin dat zo snel mogelijk elektronisch aan de organisator. Vanaf die melding wordt de termijn, vermeld in artikel 95, geschorst voor maximaal dertig kalenderdagen zodat de organisator de aanvraag binnen die termijn kan vervolledigen.

Artikel 97. (01/04/2014- ...)

De aanvraag is ontvankelijk als de aanvraag aan de volgende voorwaarden voldoet. De aanvraag:
1° wordt binnen de vastgelegde termijnen ingediend;
2° wordt ingediend met het aanvraagformulier van Kind en Gezin en volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin;
3° bevat de nodige gegevens;
4° bevat de nodige documenten;
5° wordt ingediend met een geldige subsidiebelofte, met uitzondering voor de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang;
6° de organisator heeft de rechtsvorm die noodzakelijk is om de subsidie te ontvangen.

Artikel 98. (01/04/2014- ...)

De beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag bevat de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
3° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State en de wijze waarop dat moet gebeuren;
4° de contactgegevens van Kind en Gezin;
5° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 99. (01/04/2014- ...)

 Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° als de aanvraag ontvankelijk is: elektronisch;
2° als de aanvraag onontvankelijk is: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 100. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de aanvraag van een subsidie geacht ontvankelijk te zijn op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

Afdeling 3 Gegrondheid van de aanvraag

Artikel 101. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin beslist over de gegrondheid van de aanvraag, vermeld in artikel 79 tot en met 94, uiterlijk zestig kalenderdagen na de datum van de beslissing over de ontvankelijkheid van de aanvraag van een subsidietoekenning, vermeld in artikel 98.

Artikel 102. (02/11/2018- ...)

...

Artikel 103. (01/04/2014- ...)

De beslissing tot toekenning, gedeeltelijke toekenning of weigering van een subsidietoekenning bevat minstens de volgende gegevens:
1° de begindatum en de einddatum;
2° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
3° de beslissing, met inbegrip van de rechtsgronden;
4° in geval van toekenning of gedeeltelijke toekenning:
a) de subsidiegroep waaraan de subsidies worden toegekend;
b) de startdatum van de subsidietoekenning;
c) voor de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang die voor bepaalde duur wordt toegestaan: de einddatum;
d) het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de subsidie wordt toegekend;
e) de vermelding dat de subsidie kan worden verminderd, geschorst, stopgezet of teruggevorderd als vastgesteld wordt dat de organisator niet langer voldoet aan de subsidievoorwaarden of dat een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd;
5° in geval van gedeeltelijke toekenning of weigering van de subsidie: de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
6° in geval van weigering van de subsidie: de vermelding van het gevolg daarvan, meer bepaald dat er geen subsidies zullen worden uitbetaald;
7° de datum van de beslissing en de elektronische handtekening van Kind en Gezin.

Artikel 104. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin bezorgt op de volgende wijze de beslissing over de subsidietoekenning uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de beslissing aan de organisator:
1° in geval van toekenning: elektronisch;
2° in geval van weigering of in geval van toekenning van een lager aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen dan gevraagd: elektronisch en met een aangetekende brief.

Artikel 105. (01/04/2014- ...)

Als Kind en Gezin geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan op de hoogte heeft gebracht binnen de termijnen die van toepassing zijn, wordt de subsidie geacht toegekend te zijn, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van Kind en Gezin heeft ontvangen.

Afdeling 4 Heractiveren van een toekenning van subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang na subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang

Artikel 106. (01/04/2014- ...)

Conform artikel 7/1 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013 kan de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang niet gecumuleerd worden met de subsidie voor een Centrum inclusieve kinderopvang. De subsidieerbare kinderopvangplaatsen met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang van een organisator die daarna in dezelfde zorgregio een subsidie voor een Centrum inclusieve kinderopvang toegekend krijgt, zullen in de periode dat de subsidie voor een Centrum inclusieve kinderopvang betaald wordt, niet gesubsidieerd worden.

Als de subsidie voor een Centrum inclusieve kinderopvang van de organisator stopt, kan hij een aanvraag indienen volgens de richtlijnen van Kind en Gezin om de subsidieerbare kinderopvangplaatsen met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang aansluitend te laten heractiveren.

De aanvraag, vermeld in het tweede lid, wordt ingediend:
1° met het aanvraagformulier van Kind en Gezin;
2° uiterlijk dertig kalenderdagen voor de stopzetting van de subsidies voor Centrum inclusieve kinderopvang;
3° als de organisator voldoet aan de voorwaarden voor de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang, vermeld in artikel 47 tot en met 50, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013.

Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, zal Kind en Gezin de subsidieerbare kinderopvangplaatsen met subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang waarover de organisator voordien beschikte, heractiveren vanaf het moment dat de subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang stopt.

Afdeling 5 Stopzetting van de subsidie door de organisator

Artikel 107. (01/04/2014- ...)

Als de organisator de specifieke dienstverlening niet meer wil uitvoeren en de bijbehorende subsidie niet meer wil ontvangen, kan hij beslissen tot volledige stopzetting of gedeeltelijke stopzetting van de subsidie. In dat geval meldt hij dat uiterlijk een maand voor de stopzetting elektronisch aan Kind en Gezin. Hij bezorgt daarbij de volgende gegevens:
1° het ondernemingsnummer van de organisator;
2° het dossiernummer;
3° het aantal kinderopvangplaatsen dat wordt stopgezet;
4° de datum van de stopzetting;
5° of hij nog beroep wil doen op een voorbehoud voor die subsidie;
6° de datum en de handtekening van de organisator.

Kind en Gezin bezorgt uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de melding de bevestiging van de stopzetting en de gevolgen ervan, meer bepaald dat er geen subsidie meer zal worden uitbetaald, aan de organisator elektronisch en met een aangetekende brief.

In elk geval kan een stopzetting van een subsidie pas ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de melding daarvan aan Kind en Gezin, tenzij de vergunning gelijktijdig wordt stopgezet.

De organisator die zijn subsidie voor werken met inkomenstarief wil stopzetten, voorziet in een redelijke overgangsperiode voor de gezinnen. Bij gebrek daaraan kan Kind en Gezin beslissen tot terugvordering van de betaalde subsidie, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013. De organisator neemt daarover de nodige bepalingen op in de schriftelijke overeenkomst en het huishoudelijk reglement.

TITEL 4 Bezwaar tegen de beslissing van Kind en Gezin tot weigering

Artikel 108. (01/04/2014- ...)

De organisator kan uiterlijk dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 20, 70 en 101, bezwaar aantekenen bij Kind en Gezin met een aangetekende brief. De aangetekende brief moet de volgende gegevens bevatten:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de motivering van het bezwaar;
5° de vermelding of de organisator wil gehoord worden;
6° de datum en de handtekening van de organisator.

Artikel 109. (01/04/2014- ...)

Kind en Gezin stuurt een elektronische ontvangstmelding en beslist over de ontvankelijkheid van het bezwaar uiterlijk tien kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het bezwaar.

Artikel 110. (01/04/2014- ...)

 Het bezwaar is ontvankelijk als het bezwaar aan de volgende voorwaarden voldoet. Het bezwaar:
1° is tijdig en aangetekend aan Kind en Gezin bezorgd als vermeld in artikel 108;
2° bevat de nodige gegevens, vermeld in artikel 108.

Artikel 111. (01/04/2014- ...)

Het bezwaar wordt ten gronde behandeld volgens de regels die zijn vastgelegd in of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.

Artikel 112. (01/04/2014- ...)

Het bezwaar schort de uitvoering van de beslissing niet op.

[TITEL 4/1 (ing. BVR 8 september 2017, art. 13)] [Convenanten en het agentschap als uitbetalingsinstelling (verv. BVR 29 januari 2021, art. 28, I: 5 februari 2021)]

Artikel 112/1. (05/02/2021- ...)

§ 1. Voor het agentschap een algemene oproep als vermeld in artikel 57, doet voor een programmatiesubsidie, stelt het agentschap aan de lokale besturen van de steden waarvoor een voorafname is als vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 3°, de vraag of die lokale besturen vanuit hun meerjarenplanning over kinderopvang willen aansluiten bij de algemene oproep van het agentschap om vanuit het lokaal bestuur dezelfde subsidie toe te kennen aan organisatoren binnen hun grondgebied om te werken voor dezelfde specifieke dienstverlening.

Het agentschap bezorgt aan de lokale besturen die willen aansluiten bij de algemene oproep, de rangschikking van de aanvragen die geen subsidiebelofte kregen van het agentschap omdat het budget niet toereikend was.

§ 2. In het kader van een algemene oproep als vermeld in artikel 57, verleent het agentschap in de grootsteden Antwerpen, Gent en het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad voorrang aan de aanvraag van een organisator die van het lokaal bestuur dezelfde subsidie ontvangt voor dezelfde specifieke dienstverlening als de programmatiesubsidie die het agentschap kan verdelen, als aan een van de volgende voorwaarden voldaan is:
1° de subsidie van het lokaal bestuur is toegekend in het kader, vermeld in de eerste paragraaf, het eerste lid;
2° de subsidie van het lokaal bestuur is toegekend voor nieuwe kinderopvangplaatsen, na een algemene oproep met een beslissingskader van het lokaal bestuur buiten de algemene oproep van het agentschap. In dit geval neemt het lokaal bestuur in het beslissingskader de criteria op die het agentschap bij de meest recente algemene oproep hanteerde en eventueel daarbij ook eigen aanvullende objectieve en relevante criteria als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende het lokaal beleid kinderopvang, die voor de oproep door het lokaal bestuur goedgekeurd zijn door het agentschap.

§ 3. In de situaties waarin het lokaal bestuur conform paragraaf 1 en 2 dezelfde subsidie toekent aan de organisator voor dezelfde specifieke dienstverlening als de dienstverlening waarvoor het agentschap de subsidie verleent, treedt het agentschap op als uitbetalingsinstelling die de subsidie betaalt.

Het agentschap sluit een convenant met de lokale besturen, vermeld in het eerste lid. De convenant bevat afspraken over:
1° de verplichtingen van het agentschap voor de voorafname, vermeld in artikel 57, § 3, tweede lid, 3°, en de voorrang, vermeld in paragraaf 2;
2° de informatie-uitwisseling met het oog op de toekenning van subsidies door het lokaal bestuur in het geval, vermeld in paragraaf 1;
3° de informatie-uitwisseling met het oog op het optreden als uitbetalingsinstelling door het agentschap;
4° de betalingsmodaliteiten van de subsidie door het agentschap aan de organisatoren en door het lokaal bestuur aan het agentschap;
5° de engagementen die het lokaal bestuur aangaat;
6° het toezicht op de naleving van de subsidievoorwaarden en de handhaving bij de organisatoren die het lokaal bestuur subsidieert;
7° de modaliteiten tot beëindiging of tot wijziging van het convenant.

Artikel 112/2. (05/02/2021- ...)

...

Artikel 112/3. (05/02/2021- ...)

...

Artikel 112/4. (05/02/2021- ...)

...

Artikel 112/5. (05/02/2021- ...)

...

Artikel 112/6. (15/03/2017- ...)

Kind en Gezin stopt met de tussenkomst als uitbetalingsinstelling in de volgende gevallen:
1° het lokaal bestuur leeft de voorwaarden van het convenant of van de bepalingen, vermeld in artikel 112/4, niet na;
2° het lokaal bestuur stopt de subsidiëring van de organisator. Het lokaal bestuur laat dat onmiddellijk weten aan Kind en Gezin;
3° het convenant wordt door het lokaal bestuur of door Kind en Gezin stopgezet.

[TITEL 4/2 Gevolgen van de vrijwillige samenvoeging van gemeenten (ing. BVR 14 september 2018, art. 7, I: 2 november 2018)]

Artikel 112/7. (01/01/2019- ...)

Als gemeenten waarvan het lokaal bestuur of het OCMW een organisator van kinderopvang is, samengevoegd worden op basis van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, zet Kind en Gezin de vergunningen, de subsidiebeloftes en de subsidietoekenningen van de samengevoegde gemeenten automatisch stop. Kind en Gezin kent dan nieuwe vergunningen, subsidiebeloftes en subsidietoekenningen met hetzelfde voorwerp als vóór de samenvoeging toe aan de nieuwe gemeente of het nieuwe OCMW.

Kind en Gezin telt de subsidieerbare kinderopvangplaatsen groepsopvang of gezinsopvang van de samengevoegde gemeenten die vóór de samenvoeging tot verschillende subsidiegroepen groepsopvang of gezinsopvang behoorden, en door de samenvoeging van de gemeenten tot dezelfde subsidiegroep groepsopvang of gezinsopvang behoren, samen.

De procedures voor een samengevoegde gemeente of een samengevoegd OCMW op basis van het Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015 kunnen voortgezet worden voor de nieuwe gemeente of het nieuwe OCMW.

Kind en Gezin bezorgt de nieuwe gemeente en het OCMW automatisch de nieuwe vergunningen, subsidiebeloftes en subsidietoekenningen.

Artikel 112/8. (01/01/2019- ...)

Als gemeenten samengevoegd worden op basis van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, past Kind en Gezin de gegevens van de vergunningen, de subsidiebeloftes en de subsidietoekenningen van alle organisatoren in de samengevoegde gemeenten automatisch aan. Kind en Gezin kent dan een nieuwe vergunning, nieuwe subsidiebelofte of subsidietoekenning toe met hetzelfde voorwerp als vóór de samenvoeging als de kinderopvanglocatie van een organisator tot een andere subsidiegroep behoort na de samenvoeging van de gemeenten.

Kind en Gezin telt de subsidieerbare kinderopvangplaatsen groepsopvang samen van een organisator die vóór de samenvoeging van gemeenten kinderopvanglocaties groepsopvang had die tot verschillende subsidiegroepen groepsopvang behoorden, en door de samenvoeging van de gemeenten tot dezelfde subsidiegroep groepsopvang behoren.

Kind en Gezin zorgt voor een automatische overheveling van subsidieerbare kinderopvangplaatsen gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders naar de nieuwe subsidiegroep gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders waartoe de kinderopvanglocatie gezinsopvang behoort na de samenvoeging van gemeenten, als de organisator door de samenvoeging van de gemeenten in de oorspronkelijke subsidiegroep gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders van die kinderopvanglocatie geen enkele kinderopvanglocatie gezinsopvang meer heeft.

Als minstens één kinderopvanglocatie gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders uit een subsidiegroep gezinsopvang of uit een subsidiegroep groepsopvang samenwerkende onthaalouders door de samenvoeging van gemeenten tot een nieuwe subsidiegroep gezinsopvang of nieuwe subsidiegroep groepsopvang samenwerkende onthaalouders behoort, en de organisator minstens één kinderopvanglocatie gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders behoudt in de oorspronkelijke subsidiegroep, vraagt Kind en Gezin aan de organisator hoeveel subsidieerbare kinderopvangplaatsen gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders hij wil overhevelen van de subsidiegroep gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders waartoe de kinderopvanglocatie behoorde, naar de nieuwe subsidiegroep gezinsopvang of groepsopvang samenwerkende onthaalouders.

De samenvoeging van gemeenten doet geen afbreuk aan de procedures voor organisatoren op basis van het Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015 als ze naar aanleiding van de samenvoeging van gemeenten een nieuwe vergunning, subsidiebelofte of subsidietoekenning krijgen.

Kind en Gezin bezorgt de organisatoren de aangepaste of nieuwe vergunningen, subsidiebeloftes en subsidietoekenningen.

Artikel 112/9. (02/11/2018- ...)

Voor de subsidieerbare kinderopvangplaatsen, waarvoor een voorbehoud als vermeld in artikel 6, tweede lid, 2°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, loopt op het moment van de samenvoeging van de gemeenten, loopt de termijn van het voorbehoud, vermeld in artikel 4, 2°, van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot uitvoering van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, verder na de samenvoeging.

Artikel 112/10. (02/11/2018- ...)

Als de samenvoeging van gemeenten niet ingaat op 1 januari van een kalenderjaar, wordt voor de berekening van de subsidie, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 betreffende de subsidiëring van de organisatoren kinderopvang en buitenschoolse opvang ter uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord, voor de nieuwe gemeente rekening gehouden met de gegevens van de samengevoegde gemeenten op 1 januari van het kalenderjaar van de samenvoeging.

TITEL 5 Slotbepalingen

HOOFDSTUK 1 Overgangsbepalingen

Afdeling 1 Omzetting van lopende procedures

Artikel 113. (01/04/2014- ...)

De procedures tot het verkrijgen van een attest van toezicht die al lopen op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012, worden automatisch omgezet in een procedure tot toekenning van een vergunning.

In het geval, vermeld in het eerste lid, brengt Zorginspectie op verzoek van Kind en Gezin een bezoek aan de kinderopvanglocatie om na te gaan of de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013. Zorginspectie maakt daarvan vervolgens een verslag op met een advies.

Kind en Gezin neemt op basis van het advies, vermeld in het tweede lid, en op basis van de andere startvoorwaarden een beslissing. Als een vergunning wordt toegekend, zal die worden toegekend met ingang van 1 april 2014.

Artikel 114. (01/04/2014- ...)

De aanvragen tot het verkrijgen van de financiële basisondersteuning of een financiële ondersteuning voor flexibele opvang, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, die voor 15 maart 2014 zijn ingediend bij Kind en Gezin, en waarover op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 geen beslissing genomen is door Kind en Gezin, zullen na de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 verder worden behandeld en beoordeeld op basis van de geldende regelgeving van voor de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012.

Als de financiële ondersteuning wordt toegekend, wordt die retroactief toegekend conform het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld in het eerste lid.

De aanvragen tot het verkrijgen van de financiële basisondersteuning of een financiële ondersteuning voor flexibele opvang, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld in het eerste lid, die na 15 maart 2014 zijn ingediend, zullen worden behandeld op basis van de bepalingen, vermeld in dit besluit, zodra de minister budget ter beschikking stelt.

Artikel 115. (01/04/2014- ...)

De procedures tot het verkrijgen van een subsidie na een principiële goedkeuring inkomensgerelateerde kinderopvang of een principieel akkoord voor een erkenning die al lopen op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012, worden automatisch omgezet in een procedure tot toekenning van een subsidie na een subsidiebelofte als vermeld in artikel 95 tot en met 105.

Als Kind en Gezin bijkomende informatie nodig heeft voor de behandeling van de aanvraag, wordt dat meegedeeld aan de organisator en worden de lopende termijnen voor een maximale termijn van dertig kalenderdagen geschorst vanaf die kennisgeving.

Artikel 116. (01/04/2014- ...)

De procedures tot het verkrijgen van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang die al lopen op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012, worden automatisch omgezet in een procedure tot toekenning van een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang als vermeld in artikel 92 tot en met 106.

Als Kind en Gezin bijkomende informatie nodig heeft voor de behandeling van de aanvraag, wordt dat meegedeeld aan de organisator en worden de lopende termijnen voor een maximale termijn van dertig kalenderdagen geschorst vanaf die kennisgeving.

Artikel 117. (01/04/2014- ...)

De procedures tot het verkrijgen van een erkenning of toestemming die al lopen op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012, worden automatisch omgezet in enerzijds een procedure tot het verkrijgen van een vergunning als vermeld in artikel 14 tot en met 25, en anderzijds een procedure tot toekenning van een subsidie na een subsidiebelofte als vermeld in artikel 95 tot en met 105.

Voor de procedure tot toekenning van een vergunning geldt de overgangsregeling, vermeld in artikel 113.

Voor de procedure tot toekenning van een subsidie na een subsidiebelofte geldt de overgangsregeling, vermeld in artikel 115.

Afdeling 2 Omzetting van een bestaande principiële goedkeuring voor inkomensgerelateerde kinderopvang of van een principieel akkoord voor erkende plaatsen

Artikel 118. (01/04/2014- ...)

Voor de organisatoren die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een principiële goedkeuring inkomensgerelateerde kinderopvang of een principieel akkoord voor erkende plaatsen hebben van Kind en Gezin, wordt die goedkeuring of dat akkoord automatisch omgezet in een subsidiebelofte van Kind en Gezin. De subsidiebelofte heeft betrekking op hetzelfde aantal kinderopvangplaatsen dat in aanmerking komt voor een toekenning van subsidie binnen dezelfde subsidiegroep. De initiële geldigheidsduur van de principiële goedkeuring of het principieel akkoord loopt door en start niet opnieuw bij de omzetting.

Afdeling 3 Bestaande organisatoren

Artikel 119. (01/04/2014- ...)

Voor organisatoren die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 al een subsidie ontvangen van Kind en Gezin, begint de termijn van tien jaar, vermeld in artikel 82, te lopen vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012.

Artikel 120. (01/04/2014- ...)

De erkenningen of attesten van toezicht van een organisator voor dezelfde kinderopvanglocatie zullen voor die organisator samengevoegd worden tot één vergunning voor die kinderopvanglocatie, met uitzondering voor de kinderopvanglocaties waar voor de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 zowel kinderopvangplaatsen waren met een subsidie voor inkomensgerelateerde kinderopvang als kinderopvangplaatsen zonder die subsidie.

Artikel 121. (01/04/2014- ...)

De organisator die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangt als Centrum inclusieve kinderopvang of een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang, moet voor de kinderen met een specifieke zorgbehoefte die al opgevangen worden in de kinderopvanglocatie voor 1 april 2014, geen afzonderlijke aanvraag voor individuele inclusieve kinderopvang indienen.

Artikel 122. (01/04/2014- ...)

De organisator die voor de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een erkenning heeft als kinderdagverblijf of als dienst voor onthaalouders en van wie de subsidieerbare kinderopvangplaatsen voor 1 april 2014 verminderd zijn omdat een te lage bezetting behaald is, ontvangt van Kind en Gezin na de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidiebelofte voor één jaar voor hetzelfde aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen dat verminderd is en waarvoor de organisator een geldig voorbehoud heeft.

In afwijking van het eerste lid, is de subsidiebelofte slechts drie maanden geldig als het bestaande voorbehoud geldig is tot en met 1 april 2014.

De subsidiebelofte, vermeld in het eerste en het tweede lid, zijn niet verlengbaar.

Artikel 122/1. (01/04/2021- ...)

Tot en met 31 maart 2026 wordt voor de toekenning van de basissubsidie voor kinderopvangplaatsen die voor 1 april 2021 vergund zijn en waarvoor de organisator met een vrije prijs werkt, geen subsidiebelofte toegekend volgens de procedure als vermeld in artikel 61, tweede lid, maar wordt de subsidiebelofte toegekend na een algemene oproep als vermeld in artikel 58.

Afdeling 4 Nieuwe aanvragen

Artikel 123. (01/04/2014- ...)

Vanaf de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 geldt een overgangsperiode van twee jaar voor de organisator die minstens twaalf vergunningen heeft om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 10, 1°, met betrekking tot de verklaring op erewoord over het attest draagkracht.

Afdeling 5 Hangende bezwaren of beroepen

Artikel 124. (01/04/2014- ...)

De beroepen of bezwaren die voor 1 april 2014 ingediend zijn bij Kind en Gezin, worden verder behandeld met toepassing van de regels die van kracht waren bij de indiening.

HOOFDSTUK 2 Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringbepaling

Artikel 125. (01/04/2014- ...)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2014.

Artikel 126. (01/04/2014- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.