Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg

Datum 14/02/2014

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids-en welzijnsvoorzieningen, artikel 5, § 2, en artikel 6, § 1 en 2;

Gelet op het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, artikel 48, § 2, artikel 49, eerste lid, en 52;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 december 2013;

Gelet op de adviezen nummer 2012/01, 2012/06, 2013/03 en 2013/04 van het Raadgevend Comité van Jongerenwelzijn van respectievelijk 28 maart 2012, 28 november 2012, 26 juni 2013 en 6 november 2013;

Gelet op advies 54.789/3 van de Raad van State, gegeven op 27 januari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1. (01/01/2014- ...)

 In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
"1° het decreet van 7 maart 2008 : het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;";
2° punt 22° tot en met punt 27° wordt vervangen door wat volgt :
"22° decreet van 17 oktober 2003 : het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
23° kwaliteitshandboek : een document dat het kwaliteitsbeleid, het kwaliteitsmanagementsysteem en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003, omvat;
24° kwaliteitsbeleid : het beleid, vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003;
25° kwaliteitsmanagementsysteem : het systeem, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003;
26° gebruiker : een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 17 oktober 2003;
27° centrum voor integrale gezinszorg : een organisatie die conform de bepalingen in artikel 53duo decies tot en met 53sexies decies van dit besluit is erkend;";
3° er worden een punt 51° tot en met punt 55° toegevoegd, die luiden als volgt :
"51° inputgebieden : de organisatorisch gerichte aandachtsgebieden, die betrekking hebben op de activiteiten die het mogelijk maken dat de organisatie bepaalde resultaten behaalt op het vlak van leiderschap, personeelsbeleid, beleid en strategie, en middelen en partnerschappen;
52° outputgebieden : de resultaatgerichte aandachtsgebieden, die betrekking hebben op de verschillende aspecten van de organisatievoering zoals de gebruikers-, medewerkers- en samenlevingsresultaten;
53° kwaliteitszorg : het deel van de managementfunctie, vermeld in artikel 4 van het decreet van 17 oktober 2003;
54° kernprocessen : de basisprocessen en -procedures volgens welke een organisatie haar hulpverlening vormgeeft, en die bestaan uit :
a) onthaal van de gebruiker;
b) doelstellingen en handelingsplan;
c) afsluiting en nazorg;
d) pedagogisch profiel;
e) gebruikersdossier;
55° zelfevaluatie : een systematische evaluatie van de processen, structuren en resultaten van de voorziening die door de voorziening zelf wordt verwezenlijkt, als vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003.".

Artikel 2. (01/03/2014- ...)

In artikel 11 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 18°, wordt de zinsnede "artikel 22, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde decreten" vervangen door de woorden "artikel 37, 2°, van het decreet van 7 maart 2008";
2° in punt 19°, wordt de zinsnede "het comité of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij die rechtbank, evenals aan de inspectie van de administratie" vervangen door de woorden "de administratie' en, in voorkomend geval, de sociale dienst en de jeugdrechtbank";
3° punt 20°, wordt vervangen door wat volgt :
"20° de voorziening dient jaarlijks vóór 1 juni bij de administratie een kwaliteitsverslag in over het voorbije jaar, dat minstens de resultaten van de zelfevaluatie, de geformuleerde verbeteracties, de wijze waarop de verbeteracties zijn uitgevoerd en de kwaliteitsplanning voor het lopende jaar bevat.";
4° er wordt een punt 21° toegevoegd, dat luidt als volgt :
"21° de voorziening beschikt over een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers.

De organisatie hanteert een procedure voor preventie van, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de gebruikers. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen. Grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van gebruikers wordt onverwijld gemeld aan de administratie.".

Artikel 3. (01/03/2014- ...)

Artikel 11bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 11bis.
Met toepassing van artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de organisatie een kwaliteitsbeleid dat minimaal de volgende elementen bevat :
1° de missie van de organisatie;
2° de visie van de organisatie;
3° de waarden;
4° de te creëren maatschappelijke meerwaarde, alsook de strategische doelstellingen om die meerwaarde te realiseren;
5° de omschrijving van de volgende aandachtsgebieden :
a) kwaliteitszorg;
b) inputgebieden :
1. leiderschap;
2. personeelsbeleid;
3. beleid en strategie;
4. middelen en partnerschappen;
c) kernprocessen;
d) outputgebieden :
1. gebruikersresultaten;
2. medewerkersresultaten;
3. samenlevingsresultaten.

Met toepassing van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de organisatie in haar kwaliteitsbeleid aandacht voor :
1. gelijke kansen, op het gebied van toegankelijkheid, diversiteit en non-discriminatie;
2. goed bestuur, in het bijzonder wat de diversiteit in samenstelling, de deskundigheid, de opdrachten en de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen betreft.".

Artikel 4. (01/03/2014- ...)

Artikel 12, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 12.
Conform artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003, beschikt de organisatie over een kwaliteitsmanagementsysteem dat minimaal de organisatorische structuur, de bevoegdheden, de verantwoordelijkheden en de processen en procedures, in het bijzonder van de aandachtsgebieden, vermeld in artikel 11bis, eerste lid, 5°, van dit besluit, bevat.".

Artikel 5. (01/03/2014- ...)

Artikel 12bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 12bis. Met behoud van de toepassing van artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003 evalueert de organisatie systematisch haar werking en minimaal de aandachtsgebieden kwaliteitszorg, inputgebieden, kernprocessen en outputgebieden, vermeld in artikel 11bis, eerste lid, 5°, van dit besluit, op basis van het schema, opgenomen in bijlage 1bis, die bij dit besluit is gevoegd.

Op basis van de zelfevaluatie formuleert de organisatie verbeteracties die betrekking kunnen hebben op alle elementen van het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 11bis van dit besluit.".

Artikel 6. (01/03/2014- ...)

Artikel 12ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 12ter. Met behoud van de toepassing van artikel 6 van het decreet van 17 oktober 2003 beschikt de organisatie over een borgend kwaliteitshandboek dat minimaal de volgende elementen bevat :
1° het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 11bis van dit besluit;
2° het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 12 van dit besluit;
3° de zelfevaluatie en verbeteracties, vermeld in artikel 12bis van dit besluit.

Het kwaliteitshandboek is gebruiksvriendelijk en toegankelijk en wordt door alle geledingen van de organisatie gedragen.".

Artikel 7. (01/03/2014- ...)

In artikel 28 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt de zinsnede "de toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde decreten" vervangen door de woorden " artikel 52 van het decreet van 7 maart 2008.".

Artikel 8. (01/03/2014- ...)

Artikel 12quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt opgeheven.

Artikel 9. (01/01/2014- ...)

Artikel 48bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 48bis.
De voorzieningen van categorie 8 ontvangen voor het geheel van hun werking een forfaitaire subsidie. De subsidie wordt vastgelegd overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 6.

De subsidie van het jaar n wordt berekend op basis van het gemiddelde van het aantal te behandelen dossiers, aangemeld in het jaar n-3 en n-2. Minimaal 80 % van het bedrag van de subsidie wordt aangewend voor personeelskosten.

Binnen de beschikbare kredieten kan de Vlaamse minister aan een voorziening van categorie 8 een subsidie toekennen voor een innovatief project. Die subsidie bedraagt maximaal 5 % van de subsidie, vermeld in het eerste lid. Artikel 56 is van toepassing op de subsidie."

In het derde lid wordt verstaan onder innovatief project : een tijdelijk initiatief, vertrekkend uit de kernopdracht van de erkende voorzieningen categorie 8 of de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, vermeld in artikel 3 van dit besluit, dat zorgvernieuwing stimuleert en gekoppeld is aan evaluatie.

Artikel 10. (01/01/2014- ...)

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013, wordt een hoofdstuk IVter, dat bestaat uit artikel 53duodecies tot en met artikel 53sexies decies ingevoegd, dat luidt als volgt :

Hoofdstuk IVter Centra voor integrale gezinszorg

Afdeling 1 Algemene bepalingen

Art. 53duodecies. Met behoud van de toepassing van artikel 3 kan de administrateur-generaal een erkenning verlenen aan centra voor integrale gezinszorg.

Centra voor integrale gezinszorg zijn voorzieningen die zorgen voor de begeleiding en het verblijf van ouders, al dan niet alleenstaand, en hun kinderen en aanstaande ouders, van wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komt of al verstoord is.

De opvang en begeleiding van de centra voor integrale gezinszorg is gericht op het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en heeft finaal als doel de maatschappelijke integratie.

Art. 53ter decies.
Centra voor integrale gezinszorg worden erkend op basis van de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week, vermeld in bijlage 9.

Centra voor integrale gezinszorg waarvan de bezetting 85 % overschrijdt, kunnen die overschreden capaciteit flexibel of innovatief inzetten. De manier waarop dat gebeurt, wordt vastgelegd in een convenant, als vermeld in artikel 53-octies.

Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden

Art. 53quater decies. De centra voor integrale gezinszorg moeten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 11, 3° tot en met 21°, artikel 11bis tot en met 12ter, artikel 13, 4° tot en met 10°, en artikel 53quater. Bovendien moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° de centra voor integrale gezinszorg begeleiden uitsluitend of nemen uitsluitend (aanstaande) ouders en hun kinderen op;
2° de centra voor integrale gezinszorg vorderen voor elke verblijfsdag een financiële bijdrage van de (aanstaande) ouder die in het centrum voor integrale gezinszorg verblijft, als deelname in de kosten van het verblijf, conform artikel 53sexiesdecies, § 11;
3° de centra voor integrale gezinszorg kunnen minderjarigen opnemen of begeleiden boven hun erkende capaciteit. De gemiddelde bezettingsgraad mag op jaarbasis echter niet meer bedragen dan 110 % .

Afdeling 3 Erkenningsprocedure

Art. 53quinquies decies. Elke inrichtende macht die een centrum voor integrale gezinszorg wil uitbaten, laat dat centrum voor integrale gezinszorg vooraf erkennen, volgens de regels, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.

Een erkenning of een verlenging van een erkenning kan alleen worden verleend :
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° voor zover de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Een aanvraag tot erkenning als centrum voor integrale gezinszorg of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk :
1° als de inrichtende macht de aanvraag bij de administratie indient met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) het aantal modules, dat behoort tot de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week, vermeld in bijlage 9, waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) de verschillende afdelingen waaruit het centrum voor integrale gezinszorg zal bestaan;
d) het maximale aantal gebruikers dat het centrum voor integrale gezinszorg per afdeling kan opnemen;
e) het pedagogische profiel van het centrum voor integrale gezinszorg en van de modules, met bijzondere aandacht voor de bepalingen, vermeld in artikel 53quater.

De procedure, vermeld in artikel 25 tot en met 26decies, is voor het overige van toepassing.

Afdeling 4 Subsidiëring

Art. 53sexies decies.
§ 1. In afwijking van artikel 27 tot en met 45, bepaalt deze afdeling de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 10.

§ 2.Voor de uitvoering van zijn opdrachten ontvangt een centrum voor integrale gezinszorg per module waarvoor het erkend is, een forfaitaire subsidie, die 87,5 % bedraagt van de bedragen, vermeld in bijlage 10.

Alleen de modules die ingezet worden voor minderjarigen, komen voor subsidiëring in aanmerking. Voor de subsidiëring van modules verblijf, wordt een zwangere minderjarige als twee personen geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Voor de subsidiëring van modules contextbegeleiding, wordt bij een mobiele begeleiding slechts één module per gezin geteld.

§ 3. De subsidiëring van de personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag gebeurt aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 4. Aan een centrum voor integrale gezinszorg kan, met toepassing van artikel 42, een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan gebruikers bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is.

§ 5. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 10, wordt jaarlijks de situatie op 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

Bij inrichtende machten waaraan erkenning is verleend voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg of voor een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wordt de anciënniteitscorrectie voor de verschillende voorzieningen berekend op basis van het gemiddelde van de verschillende voorzieningen.

§ 6. Minimaal 70 % van de subsidie wordt aangewend voor personeelskosten.

§ 7. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt in begeleidende functies ingezet.

§ 8. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

§ 9. Als een centrum voor integrale gezinszorg twee jaar na elkaar een bezetting van minder dan 80 % haalt, wordt de som van het gewicht van de modules waarvoor het erkend is, teruggebracht tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de twee voorgaande jaren.

Alleen de modules die ingezet worden voor minderjarigen, komen in aanmerking voor de vaststelling van de bezetting.

Voor de bezetting van modules verblijf, wordt een zwangere minderjarige als twee personen geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Voor de bezetting van modules contextbegeleiding, wordt bij mobiele begeleidingen slechts één module per gezin geteld.

§ 10. Als de som van de subsidie meer bedraagt dan de reële uitgaven voor verblijfskosten, werkings- en infrastructuurkosten en personeelskosten, moet het centrum voor integrale gezinszorg met het saldo reserves opbouwen.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, worden aangewend om uitgaven te financieren die ertoe bijdragen om de opdrachten van het centrum voor integrale gezinszorg uit te voeren.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, die na het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan 50 % van de jaarlijkse subsidie, worden voor het bedrag dat 50 % van de jaarlijkse subsidie overschrijdt, teruggestort aan de administratie.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede en derde lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.

§ 11. De bijdrage, vermeld in artikel 53quater decies, wordt bepaald op basis van het actuele maandinkomen van de (aanstaande) ouders. Als beide ouders van een gezin in het centrum voor integrale gezinszorg verblijven, wordt het gezamenlijke actuele maandinkomen in aanmerking genomen.

Die bijdrage bedraagt 25 % van het leefloon dat de (aanstaande) ouders ontvangen of dat ze zouden ontvangen, als ze niet over andere inkomsten beschikken.

Als de (aanstaande) ouders een inkomen, geheel of gedeeltelijk, uit arbeid ontvangen, wordt de bijdrage verhoogd met 15 % van het gedeelte van het inkomen dat het leefloon overstijgt.

De centra voor integrale gezinszorg expliciteren de modaliteiten van die bijdrage in transparante procedures en huishoudelijke reglementen die aan de gebruikers worden gecommuniceerd.

Als opgenomen personen weigeren om de bewijsstukken die nodig zijn om de cliëntbijdrage te bepalen, over te leggen, kan het centrum zelf de gepaste bijdrage bepalen.".

Artikel 11. (01/01/2014- ...)

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013, wordt een hoofdstuk IVquater, dat bestaat uit artikel 53septies decies tot en met artikel 53vicies bis, ingevoegd, dat luidt als volgt :

Hoofdstuk IVquater Onthaal-, oriëntatie-en observatiecentra in een modulair kader."

Afdeling 1 Algemene bepalingen

Art. 53septies decies. Met behoud van de toepassing van artikel 3 kan de administrateur-generaal een erkenning verlenen voor onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader.

Art. 53duodevicies.
Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader zijn inrichtingen die voor het ene gedeelte van hun totale capaciteit uitsluitend minderjarigen moeten opnemen voor diagnostiek, als vermeld in artikel 2, § 1, 12°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp en voor het andere gedeelte van hun capaciteit, voorlopig en voor een korte termijn, op alle uren van de dag en de nacht, uitsluitend :
1° personen beneden de leeftijd van achttien jaar moeten opnemen die door de politionele overheden niet kunnen worden teruggebracht bij de personen die hen onder hun bewaring hebben, en die noch onmiddellijk voor het parket kunnen worden gebracht;
2° personen beneden de leeftijd van achttien jaar moeten opnemen die niet onmiddellijk door het parket naar de jeugdrechtbank kunnen worden verwezen;
3° minderjarigen moeten opnemen voor wie naar gepaste hulp en bijstand wordt gezocht.

Art. 53undevicies.
Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader worden erkend op basis van de typemodules handelingsgerichte diagnostiek, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week in het kader van diagnostiek, verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week in het kader van diagnostiek en kortdurend (crisis)verblijf, vermeld in bijlage 9.

Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader waarvan de bezetting 75 % overschrijdt, kan die overschreden capaciteit flexibel of innovatief inzetten. De manier waarop dat gebeurt, wordt vastgelegd in het convenant, vermeld in artikel 53octies.

Afdeling 2 Erkenningsvoorwaarden

Art. 53vicies.
Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader moeten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 11, 1° tot en met 10°, en 12° tot en met 21°, artikel 11bis tot en met artikel 12ter, artikel 13, 4° tot en met 11°, en artikel 53quater. Bovendien moeten ze voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden :
1° overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie wordt diagnostiek in residentieel of mobiel verband uitgevoerd;
2° het team dat belast is met de diagnostiek van de minderjarigen, is multidisciplinair samengesteld en bestaat minimaal uit een master in de psychologische of pedagogische wetenschappen en een bachelor in het sociaal werk;
3° het centrum verwittigt de eerstkomende werkdag de bevoegde verwijzende instantie en binnen vierentwintig uur de procureur des Konings van het betrokken rechtsgebied van elke opname, vermeld in artikel 6, 1°;
4° een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader dat het vanuit zijn pedagogisch concept noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of in hun vrijheid te beperken, om hun veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een door de administratie goedgekeurd huishoudelijk reglement. In dat reglement worden minstens de volgende elementen beschreven : de inrichting van de beveiligingskamer, het aanleggen van een beveiligingsdossier voor elke beveiliging die zich voordoet, de duur van de beveiligingssituatie en het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de betrokken minderjarige. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen;
5° elke minderjarige wordt na zijn opname medisch onderzocht;
6° een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader hanteert actuele en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten om zijn diagnostische opdracht uit te voeren.

Afdeling 3 Erkenningsprocedure

Art. 53vicies semel.
Elke inrichtende macht die een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wil uitbaten, laat dat onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader vooraf erkennen, volgens de regels vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.

Een erkenning of een verlenging van een erkenning kan alleen worden verleend :
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als aan de erkenningsvoorwaarden van dit besluit is voldaan;
3° als de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Een aanvraag tot erkenning als onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader of tot verlenging ervan is alleen ontvankelijk :
1° als de inrichtende macht de aanvraag bij de administratie indient met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als de aanvraag de volgende gegevens bevat :
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de typemodules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) het aantal modules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
d) per module de leeftijdscategorie en het geslacht van de minderjarigen voor wie erkenning wordt gevraagd;
e) de verschillende afdelingen waaruit het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader zal bestaan;
f) het maximale aantal minderjarigen dat het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader per afdeling zal opnemen of begeleiden;
g) het pedagogische profiel van het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader.

De procedure, vermeld in artikel 25 tot en met 26decies, is voor het overige van toepassing.

Afdeling 4 Subsidiëring

Art. 53vicies bis.
§ 1. In afwijking van artikel 27 tot en met 45, bepaalt deze afdeling de subsidiëring van de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader overeenkomstig de tarieven, vermeld in bijlage 10.

§ 2. Voor de uitvoering van hun opdrachten ontvangen onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader per module waarvoor ze erkend zijn, een forfaitaire subsidie, vermeld in bijlage 10.

§ 3. De subsidiëring van de personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag gebeurt aan de hand van een aparte verantwoording.

§ 4. Aan de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader worden subsidies toegekend om aan minderjarigen, bij wie een module met de functie verblijf geactiveerd is, zakgeld te betalen, waarvan de tarieven zijn opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.

De betaling van het zakgeld wordt door het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader gestaafd aan de hand van een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden niet verleend voor de minderjarigen die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer dan 190,72 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex die van kracht is op 1 juli 2012.

§ 5. Aan onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra in een modulair kader kan, met toepassing van artikel 42, een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan minderjarigen bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is, en om, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 44, de kosten te vergoeden voor het herstel van schade, veroorzaakt door minderjarigen in een crisissituatie.

§ 6. Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 10, wordt jaarlijks de situatie van 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

Bij inrichtende machten waaraan erkenning is verleend voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een centrum voor integrale gezinszorg of voor een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader wordt de anciënniteitscorrectie voor de verschillende voorzieningen berekend op basis van het gemiddelde van de verschillende voorzieningen.

§ 7. Minimaal 70 % van de subsidie wordt aangewend voor personeelskosten.

§ 8. Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt in begeleidende functies ingezet.

§ 9. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

§ 10. Als een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader twee jaar na elkaar een bezetting van minder dan 70 % haalt, wordt de som van het gewicht van de modules waarvoor het een erkenning heeft, teruggebracht tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de twee voorgaande jaren.

§ 11. Als de som van de subsidie meer bedraagt dan de reële uitgaven voor verblijfskosten, werkings- en infrastructuurkosten en personeelskosten, bouwt het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader met het saldo reserves op.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, worden aangewend om uitgaven te financieren die ertoe bijdragen om de opdrachten van het onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum in een modulair kader uit voeren.

De reserves, met uitzondering van het sociaal passief, die na het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan 50 % van de jaarlijkse subsidie, worden voor het bedrag dat de 50 % van de jaarlijkse subsidie overschrijdt, teruggestort aan de administratie.

Het sociaal passief, vermeld in het tweede en derde lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.".

Artikel 12. (01/01/2014- ...)

Artikel 56, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 56.
§ 1. Voor de organisatie en coördinatie van een project, vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 7 maart 2008, kan ten laste van het fonds en binnen de begrotingskredieten, aan een of meer inrichtende machten, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend.

§ 2. Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk :
1° als ze door de inrichtende macht(en) bij de administratie wordt ingediend met een aangetekende brief met ontvangstmelding;
2° als ze minstens de volgende elementen bevat :
a) de identiteit en het adres van de inrichtende macht;
b) een omschrijving van het project die de volgende elementen bevat :
1. de probleemstelling die aan de grondslag ligt van het project;
2. de manier waarop het project op de probleemstelling ingrijpt;
3. de verhouding van het project tot het bestaande aanbod;
4. de maatschappelijke relevantie van het project;
5. de doelgroep en het aantal minderjarigen op wie het project betrekking zal hebben;
6. indien beschikbaar, verwijzingen naar bestaand onderzoek;
7. de beoogde effecten van het project;
8. de indicatoren en meetfactoren om de beoogde effecten te meten;
9. de wijze waarop en door wie het project opgevolgd en geëvalueerd zal worden;
10. de wijze waarop het project structureel gemaakt kan worden;
11. de timing en fasering van het project;
12. een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie van het project.

§ 3. De Vlaamse minister kan per project specifieke criteria bepalen.

§ 4. Artikel 11, 4°, tot met 13°, 17°, 19° tot en met 22°, en artikel 11bis tot en met 12ter zijn van overeenkomstige toepassing op de projecten.

§ 5. De timing vermeld in paragraaf 2, 2°, b), 11, bedraagt maximaal vijf jaar. Overschrijding van die termijn kan alleen op beslissing van de Vlaamse minister, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag indient die, behalve de elementen, vermeld in paragraaf 2, een motivatie voor de verlenging bevat.

§ 6. De subsidie wordt verleend in het kader van een overeenkomst die wordt gesloten met de Vlaamse minister. De overeenkomst bevat minstens :
1° de identiteit en het adres van de contracterende partijen;
2° de omschrijving van het project, vermeld in paragraaf 2, 2°, b);
3° een verwijzing naar paragraaf 4;
4° een verwijzing naar de specifieke criteria, vermeld in paragraaf 3;
5° de wijze waarop over de voortgang van het project wordt gerapporteerd, zowel inhoudelijk als financieel;
6° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
7° de vermelding van de uitbetalingsmodaliteiten van de subsidies;
8° de looptijd van de overeenkomst;
9° de vermelding hoe de overeenkomst wordt beëindigd.

§ 7. De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat :
1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten die nodig zijn voor de realisatie van het project;
2° er een boekhoudplan wordt gebruikt overeenkomstig een rekeningstelsel bepaald door de Vlaamse minister;
3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending van de subsidies, zowel op stukken als ter plaatse.".

Artikel 13. (01/01/2014- ...)

Bijlage 1bis bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 14. (01/01/2014- ...)

Bijlage 1ter bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt opgeheven.

Artikel 15. (01/01/2014- ...)

Bijlage 9 bij hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 16. (01/01/2014- ...)

Bijlage 10 bij hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 17. (01/01/2014- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1997 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor integrale gezinszorg, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, wordt opgeheven."

Artikel 18. (01/01/2014- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 die in werking treden op 1 maart 2014.

Artikel 19. (01/01/2014- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1 (01/01/2014- ...)

Bijlage 1

BIJLAGE 2 (01/01/2014- ...)

Bijlage 2

BIJLAGE 3 (01/01/2014- ...)

Bijlage 3