Decreet houdende de werk- en zorgtrajecten

Datum 25/04/2014

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen en definities
  2. HOOFDSTUK 2 Doelgroep, screening, inschatting van het participatieniveau en beslissing tot deelname
    1. Afdeling 1 Doelgroep
    2. Afdeling 2 Screening en inschatting van het participatieniveau
    3. Afdeling 3 Beslissing tot deelname aan een werk- en zorgtraject
  3. HOOFDSTUK 3 Casemanager Werk en casemanager Zorg
    1. Afdeling 1 Mandatering van de casemanager Werk en de casemanager Zorg
    2. Afdeling 2 Opdrachten van de casemanager Werk en de casemanager Zorg
    3. Afdeling 3 Het aanwijzen van een casemanager Zorg binnen een traject
    4. Afdeling 4 Compensatievergoeding
  4. HOOFDSTUK 4 Activeringstrajecten en trajecten maatschappelijke oriëntatie
    1. Afdeling 1 Trajectplan
    2. Afdeling 2 Penhouder en netwerk van dienstverleners
    3. Afdeling 3 Compensatievergoeding
    4. Afdeling 4 Activeringstraject
    5. Afdeling 5 Traject maatschappelijke oriëntatie
    6. Afdeling 6 Netwerkoverleg
    7. Afdeling 7 Evaluatie en eindadvies
  5. HOOFDSTUK 5 Arbeidsmatige activiteiten
  6. HOOFDSTUK 6 Registratie en gegevensdeling
  7. HOOFDSTUK 7 Rapportering
  8. HOOFDSTUK 8 Beroep
  9. HOOFDSTUK 9 Toezicht, handhaving en sancties
  10. HOOFDSTUK 10 Slotbepalingen

Inhoud

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen en definities

Artikel 1. (01/02/2018- ...)

Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2. (01/02/2018- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder:
1° activeringstraject: het werk- en zorgtraject dat de deelnemer voorbereidt op betaalde beroepsarbeid, vermeld in artikel 23;
2° agentschap Jongerenwelzijn: het intern verzelfstandigd agentschap, vermeld in artikel 59 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
3° arbeidsmatige activiteiten: het aanbod van activiteiten onder begeleiding, in combinatie met zorg, gericht op de latente functies van arbeid, onder meer het bieden van een zinvolle bezigheid, zorgen voor structuur, het aanreiken van sociale contacten en de mogelijkheid tot zelfontplooiing;
4° casemanagement Werk: de opdrachten, vermeld in artikel 12;
5° casemanagement Zorg: de opdrachten, vermeld in artikel 13;
6° casemanager Werk: de VDAB of een gemandateerde werkactor die de opdrachten, vermeld in artikel 12, uitvoert;
7° casemanager Zorg: de gemandateerde welzijns- en zorgvoorziening die de opdrachten, vermeld in artikel 13, uitvoert;
8° centrum voor algemeen welzijnswerk: het centrum voor algemeen welzijnswerk dat erkend is conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende het algemeen welzijnswerk;
9° centrum voor geestelijke gezondheidszorg: het centrum voor geestelijke gezondheidszorg dat erkend is conform het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg;
10° compensatievergoeding: de financiële compensatie voor de uitvoering van een openbaredienstverplichting, toegekend in het kader van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
11° deelnemer: de persoon die de goedkeuring krijgt van de VDAB om deel te nemen aan een werk- en zorgtraject;
12° dienstverlener: de rechtspersoon die deel uitmaakt van het netwerk van dienstverleners, vertegenwoordigd door de penhouder;
13° elektronisch dossier: het digitale dossier van de kandidaat-deelnemer of de deelnemer dat door de VDAB beheerd wordt;
14° gegevensdeling: het elektronisch delen, meedelen of uitwisselen van gegevens over de kandidaat-deelnemer en de deelnemer;
15° gezondheidsbeleid: het beleid met betrekking tot het geheel van aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening;
16° initiatief voor beschut wonen: een initiatief voor beschut wonen dat erkend is conform het koninklijk besluit van 10 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de erkenning van initiatieven beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
17° kandidaat-deelnemer: de persoon die een verzoek indient of voor wie een verzoek wordt ingediend bij de VDAB tot deelname aan een werk- en zorgtraject;
18° OCMW: een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als vermeld in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en een OCMW-vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
19° penhouder: de rechtspersoon die door de Vlaamse Regering gemandateerd wordt om bepaalde opdrachten in het kader van de openbaredienstverplichting uit te oefenen, vermeld in artikel 18;
20° psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis: de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, vermeld in artikel 14, § 1, 8°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989;
21° psychiatrisch ziekenhuis: een psychiatrisch ziekenhuis, vermeld in artikel 3 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
22° revalidatiecentrum: de inrichting die met het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) een van de volgende overeenkomsten heeft afgesloten: overeenkomst met de Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR) van diverse taal-, spraak- en stemstoornissen, mentale stoornissen en gedragsstoornissen; overeenkomst met de psychosociale revalidatie-inrichtingen voor volwassenen; overeenkomst met revalidatiecentra voor personen met een verslavingsproblematiek;
23° screening: het in kaart brengen van de competenties en beperkingen op basis van het functioneren van de kandidaat-deelnemer op de arbeidsmarkt;
24° traject maatschappelijke oriëntatie: het werk- en zorgtraject dat de deelnemer voorbereidt op een combinatie van zorg en eventueel arbeidsmatige activiteiten, vermeld in artikel 26;
25° trajectplan: het plan op maat van de deelnemer dat de gegevens, vermeld in artikel 17, eerste lid, bevat;
26° VAPH: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
27° VDAB: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
28° welzijns- en zorgvoorziening: elke organisatie die in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid belast is met de organisatie of uitvoering van zorg, met inbegrip van de OCMW's en de ziekenfondsen;
29° welzijnsbeleid: het beleid inzake de bijstand aan personen met betrekking tot het geheel van aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen, de beroepsopleiding, de omscholing, de herscholing en het tewerkstellingsbeleid van mindervaliden;
30° werkactoren: de natuurlijke personen of rechtspersonen die in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding taken uitvoeren op het vlak van arbeidsbemiddeling, trajectbegeleiding of competentieontwikkeling;
31° werk- en zorgtraject: het activeringstraject en het traject maatschappelijke oriëntatie;
32° zorg: de activiteit of het geheel van activiteiten in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid, waaronder hulp, dienstverlening en ondersteuning zijn begrepen.

HOOFDSTUK 2 Doelgroep, screening, inschatting van het participatieniveau en beslissing tot deelname

Afdeling 1 Doelgroep

Artikel 3. (01/02/2018- ...)

Personen voor wie betaalde beroepsarbeid tijdelijk niet mogelijk is door een of meer belemmeringen van medische, mentale, psychische, psychiatrische of sociale aard, kunnen deelnemen aan werk- en zorgtrajecten.

De Vlaamse Regering kan nadere doelgroepvoorwaarden bepalen.

Artikel 4. (01/02/2018- ...)

De kandidaat-deelnemer dient zijn verzoek tot deelname aan een werk- en zorgtraject in bij de VDAB.

De volgende actoren kunnen voor rekening van de kandidaat-deelnemer een verzoek tot deelname aan een werk- of zorgtraject registreren of indienen:
1° de VDAB;
2° een werkactor;
3° een welzijns- en zorgvoorziening.

De actoren, vermeld in het tweede lid, 2° en 3°, bezorgen het verzoek tot deelname aan de VDAB.

Artikel 5. (01/02/2018- ...)

Het verzoek tot deelname aan een werk- en zorgtraject, vermeld in artikel 4, bevat:
1° al het diagnostische materiaal van de kandidaat-deelnemer dat voorhanden is, met het oog op een mogelijke deelname aan het werk- en zorgtraject;
2° alle bruikbare en nuttige informatie over de huidige en bereikbare participatiegraad van de kandidaat-deelnemer, vermeld in artikel 8.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor het verzoek tot deelname aan een werk- en zorgtraject nader.

Artikel 6. (01/02/2018- ...)

De VDAB maakt voor de kandidaat-deelnemer een elektronisch dossier op en beheert de noodzakelijke gegevens over het werk- en zorgtraject.

De Vlaamse Regering bepaalt de minimale noodzakelijke gegevens voor het elektronische dossier.

Afdeling 2 Screening en inschatting van het participatieniveau

Artikel 7. (01/02/2018- ...)

Binnen het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet voert de VDAB, na de ontvangst van het verzoek tot deelname aan het werk- en zorgtraject, vermeld in artikel 4, een screening uit van de mentale, psychische, psychiatrische, lichamelijke, zintuiglijke, psychosociale, persoonlijke of externe factoren die de kandidaat-deelnemer verhinderen om betaalde beroepsarbeid uit te voeren.

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden voor de screening bepalen.

De VDAB neemt de resultaten van de screening op in het elektronische dossier van de kandidaat-deelnemer.

Artikel 8. (01/02/2018- ...)

De VDAB schat zowel de huidige als de bereikbare participatiegraad van de kandidaat-deelnemer in, waarbij de VDAB rekening houdt met de gegevens, vermeld in artikel 5.

De participatiegraad, vermeld in het eerste lid, omvat de hiernavolgende niveaus:
1° niveau 1: de sociale contacten van de kandidaat-deelnemer zijn beperkt tot de huiselijke kring of tot de welzijns- en zorgvoorziening waar hij verblijft;
2° niveau 2: de sociale contacten van de kandidaat-deelnemer zijn buitenshuis en er is deelname aan georganiseerde activiteiten van sociaal-culturele en andere verenigingen of organisaties;
3° niveau 3: de kandidaat-deelnemer is in staat om arbeidsmatige activiteiten te verrichten;
4° niveau 4: de kandidaat-deelnemer is in staat om deel te nemen aan activeringstrajecten, bepaald in artikel 24;
5° niveau 5: de kandidaat-deelnemer is in staat om betaalde beroepsarbeid met ondersteuning te verrichten;
6° niveau 6: de kandidaat-deelnemer is in staat om betaalde beroepsarbeid zonder ondersteuning te verrichten.

De VDAB registreert de huidige en bereikbare participatiegraad in het elektronische dossier van de kandidaat-deelnemer.

Afdeling 3 Beslissing tot deelname aan een werk- en zorgtraject

Artikel 9. (01/02/2018- ...)

§ 1. De VDAB beslist of de kandidaat-deelnemer al dan niet kan deelnemen aan een werk- en zorgtraject. Als de kandidaat-deelnemer aan een werk- en zorgtraject kan deelnemen, preciseert de VDAB de aard van het traject of de trajecten.

De VDAB neemt een beslissing op basis van de volgende gegevens:
1° het resultaat van de screening, vermeld in artikel 7;
2° de gegevens, vermeld in artikel 5;
3° de inschatting van de huidige en bereikbare participatiegraad, vermeld in artikel 8.

De gegevens, vermeld in het tweede lid, 1° tot en met 3°, maken integraal deel uit van de beslissing.

De VDAB registreert de beslissing in het elektronische dossier van de kandidaat-deelnemer.

§ 2. De VDAB deelt de beslissing schriftelijk mee aan de kandidaat-deelnemer en aan de actor, vermeld in artikel 4, tweede lid, 2° en 3°.

HOOFDSTUK 3 Casemanager Werk en casemanager Zorg

Afdeling 1 Mandatering van de casemanager Werk en de casemanager Zorg

Artikel 10. (01/02/2018- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering mandateert welzijns- en zorgvoorzieningen met de functie van casemanager Zorg.

De mandaatvoorwaarden zijn:
1° het gaat om een van de volgende welzijns- en zorgvoorzieningen:
a) een centrum voor algemeen welzijnswerk;
b) een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, erkend conform het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
c) een centrum voor geestelijke gezondheidszorg;
d) een initiatief voor beschut wonen;
e) een psychiatrisch ziekenhuis;
f) een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis;
g) een welzijns- en zorgvoorziening, erkend door het VAPH of het agentschap Jongerenwelzijn, om ondersteuning te bieden;
h) een revalidatiecentrum;
i) een OCMW;
2° de welzijns- en zorgvoorziening, vermeld in punt 1°, a) tot en met i), heeft voor het casemanagement Zorg een of meerdere medewerkers ter beschikking die over professionele deskundigheid beschikken en zorgt ervoor dat de continuïteit van het casemanagement Zorg ten aanzien van de deelnemer verzekerd is.

De Vlaamse Regering bepaalt wat onder professionele deskundigheid, vermeld in § 1, tweede lid, 2°, wordt verstaan.

De Vlaamse Regering kan aanvullende mandaatvoorwaarden bepalen.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, goedkeuring en toekenning van het mandaat en bepaalt de duur ervan.

Artikel 11. (01/02/2018- ...)

§ 1. De VDAB bekleedt de functie van casemanager Werk.

§ 2. De VDAB kan voor het uitvoeren van de opdrachten, vermeld in artikel 12, een beroep doen op een of meer werkactoren die de Vlaamse Regering in het kader van dit decreet gemandateerd heeft.

De mandaatvoorwaarden voor de werkactoren zijn:
1° beschikken over een mandaat kosteloze trajectbegeleiding, toegekend in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
2° een of meerdere medewerkers ter beschikking hebben voor het casemanagement Werk, die over professionele deskundigheid beschikken en de continuïteit van het casemanagement Werk ten aanzien van de deelnemer verzekeren;
3° de werkactor is niet gemandateerd als casemanager Zorg in eenzelfde werkingsgebied.

De Vlaamse Regering bepaalt wat onder professionele deskundigheid, vermeld in § 1 en § 2, tweede lid, 2°, wordt verstaan.

De Vlaamse Regering kan aanvullende mandaatvoorwaarden bepalen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, goedkeuring en toekenning van het mandaat en bepaalt de duur ervan.

Afdeling 2 Opdrachten van de casemanager Werk en de casemanager Zorg

Artikel 12. (01/02/2018- ...)

De casemanager Werk heeft minstens volgende opdrachten:
1° informatieverstrekking aan de deelnemer over het te doorlopen werk- en zorgtraject wat betreft onder meer het beoogde einddoel, de looptijd, arbeidsgerichte informatie over beroepen, sectoren, werkondersteuning en competentieversterking en over de samenwerking tussen de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
2° aandacht hebben voor de rechten van de deelnemer, waaronder het recht op financiële of andere tegemoetkomingen, door doorverwijzing naar of samenwerking met andere partners waaronder het OCMW en de ziekenfondsen;
3° de uitdieping en verkenning van zowel de competenties, de beperkingen als het groeipotentieel van de deelnemer met oog op een realistische joboriëntatie voor de deelnemer;
4° het opstellen van een trajectplan samen met de deelnemer en de casemanager Zorg en dat plan bezorgen aan de penhouder als vermeld in artikel 19;
5° een beroep doen op een penhouder voor een aanbod van werkgerelateerde acties die passen in het trajectplan;
6° de coördinatie en afstemming van de werkgerelateerde acties op het niveau van de deelnemer, gelet op de doelstellingen in het trajectplan;
7° de opvolging, regelmatige evaluatie en bijsturing van het trajectplan, in overleg met de deelnemer en met de casemanager Zorg;
8° het overleg en de afstemming met de casemanager Zorg met betrekking tot de deelnemer zodat de casemanager Zorg op de hoogte is van het verloop van de werkgerelateerde acties en zodat de werkgerelateerde acties en de zorg binnen het werk- en zorgtraject op elkaar afgestemd blijven;
9° het opstellen van een eindadvies op basis van de evaluaties, samen met de casemanager Zorg, dat geregistreerd wordt in het elektronische dossier;
10° de deelname aan het netwerkoverleg van de regio waar de casemanager werkzaam is, vermeld in artikel 28.

In het eerste lid wordt verstaan onder werkgerelateerde acties: een activiteit of het geheel van activiteiten die tot doel hebben de personen te begeleiden met het oog op de verdere ontwikkeling van zijn loopbaan of tot doel hebben de persoon een bekwaamheid te verstrekken om beroepsarbeid te verrichten.

De Vlaamse Regering kan de minimale opdrachten nader bepalen.

Artikel 13. (01/02/2018- ...)

De casemanager Zorg heeft minstens volgende opdrachten:
1° informatieverstrekking aan de deelnemer over het werk- en zorgtraject met betrekking tot het beoogde einddoel, de looptijd, de mogelijkheden van zorg en de samenwerking tussen de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
2° aandacht hebben voor de rechten van de deelnemer, waaronder het recht op financiële of andere tegemoetkomingen, door doorverwijzing naar of samenwerking met andere partners, waaronder het OCMW en de ziekenfondsen;
3° de uitdieping en verkenning van de zorgnoden van de deelnemer met het oog op een realistisch zicht van de deelnemer op de eigen zorgproblematieken;
4° het opstellen van een trajectplan samen met de deelnemer en de casemanager Werk en dat plan bezorgen aan de penhouder als vermeld in artikel 19;
5° een beroep doen op een penhouder voor een aanbod van de nodige zorg die kadert in het trajectplan;
6° de coördinatie en afstemming van de zorg met betrekking tot de deelnemer, gelet op de doelstellingen in het trajectplan;
7° de opvolging, regelmatige evaluatie en bijsturing van het trajectplan, in overleg met de deelnemer en met de casemanager Werk;
8° het overleg en de afstemming met de casemanager Werk met betrekking tot de deelnemer zodat de casemanager Werk op de hoogte is van het verloop van de aangeboden zorg en zodat de werkgerelateerde activiteiten en de zorg binnen het werk- en zorgtraject op elkaar afgestemd blijven;
9° het opstellen van een eindadvies op basis van de evaluaties, samen met de casemanager Werk, dat geregistreerd wordt in het elektronische dossier;
10° de deelname aan het netwerkoverleg van de regio waar de casemanager werkzaam is, vermeld in artikel 28.

De Vlaamse Regering kan de minimale opdrachten nader bepalen.

Afdeling 3 Het aanwijzen van een casemanager Zorg binnen een traject

Artikel 14. (01/02/2018- ...)

 De VDAB wijst voor elke deelnemer binnen het werk- en zorgtraject een casemanager Zorg aan onder de volgende voorwaarden:
1° als een deelnemer al begeleid wordt door een gemandateerde welzijns- en zorgvoorziening, treedt die welzijns- en zorgvoorziening op als casemanager Zorg;
2° als een deelnemer al begeleid wordt door meerdere gemandateerde welzijns- en zorgvoorzieningen, beslissen die onderling wie als casemanager Zorg zal optreden. De gemandateerde welzijns- en zorgvoorziening die in voorkomend geval als casemanager Zorg wil optreden, brengt de VDAB daarvan op de hoogte;
3° als een deelnemer nog niet begeleid wordt door een gemandateerde welzijns- en zorgvoorziening, wijst de VDAB het bevoegde OCMW als casemanager Zorg aan, als het OCMW daarvoor gemandateerd is of wijst de VDAB op voorstel van het bevoegde OCMW een meer gespecialiseerde, gemandateerde welzijns- en zorgvoorziening aan, die daarbij de functie van casemanager Zorg bekleedt.

Afdeling 4 Compensatievergoeding

Artikel 15. (01/02/2018- ...)

Binnen het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet verkrijgen de casemanager Werk en de casemanager Zorg voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in de artikelen 12 en 13, een compensatievergoeding.

De Vlaamse Regering bepaalt het maximale bedrag van de compensatievergoeding op basis van de volgende parameters:
1° de compensatie is niet hoger dan nodig om de kosten van de uitvoering van het casemanagement Werk en het casemanagement Zorg geheel of gedeeltelijk te dekken;
2° het type traject, meer bepaald of het om een activeringstraject of een traject maatschappelijke oriëntatie gaat.

HOOFDSTUK 4 Activeringstrajecten en trajecten maatschappelijke oriëntatie

Afdeling 1 Trajectplan

Artikel 16. (01/02/2018- ...)

De casemanager Werk en de casemanager Zorg stellen samen met de deelnemer een trajectplan op.

Artikel 17. (01/02/2018- ...)

 Het trajectplan wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst en omvat minimaal:
1° de identiteitsgegevens van de deelnemer, de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
2° de aanvangsdatum van het traject en de vermoedelijke duur ervan;
3° de omschrijving, inhoud en doelstelling van het werk- en zorgtraject;
4° de afgesproken acties in het werk- en zorgtraject, alsook de betrokken dienstverleners;
5° de rechten en plichten van de partijen;
6° de periodiciteit van de evaluaties.

Het trajectplan wordt geregistreerd in het elektronische dossier van de deelnemer.

Afdeling 2 Penhouder en netwerk van dienstverleners

Artikel 18. (01/02/2018- ...)

 § 1. De Vlaamse Regering mandateert, in het kader van de openbaredienstverplichting, penhouders met de uitoefening van de opdrachten, vermeld in artikel 19.

De mandaatvoorwaarden voor de penhouder zijn:
1° hij vertegenwoordigt een netwerk van dienstverleners dat minimaal is samengesteld uit:
a) een OCMW, een publiekrechtelijke samenwerking tussen OCMW's of een contractueel samenwerkingsverband tussen OCMW's;
b) een centrum voor algemeen welzijnswerk;
c) een of meer werkactoren, gemandateerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
d) een of meer maatwerkbedrijven als vermeld in artikel 4 van het decreet 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
e) een of meer van de volgende welzijns- en zorgvoorzieningen: een psychiatrisch ziekenhuis, een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, een initiatief voor beschut wonen, revalidatiecentra;
f) een of meer welzijns- en zorgvoorzieningen, erkend door het VAPH of het agentschap Jongerenwelzijn, om ondersteuning te bieden;
2° hij toont aan dat het netwerk van dienstverleners een werkingsgebied omvat van minstens 60.000 inwoners;
3° hij toont aan dat:
a) de dienstverleners, vermeld in punt 2°, die acties ondernemen in het kader van begeleiding naar en op een werkvloer over een mandaat beschikken met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
b) de dienstverleners, vermeld in punt 1°, a) tot en met f), beschikken over professionele deskundigheid op het vlak van de werk- en zorgtrajecten;
c) de dienstverleners, vermeld in punt 1°, a) tot en met f), bereid zijn tot gegevensdeling als vermeld in artikel 38 tot en met 40.

De Vlaamse Regering bepaalt wat onder professionele deskundigheid als vermeld in § 1, tweede lid, 3°, b), wordt verstaan.

De Vlaamse Regering kan aanvullende mandaatvoorwaarden bepalen.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, goedkeuring en toekenning van het mandaat en bepaalt de duur ervan.

Artikel 19. (01/02/2018- ...)

De penhouder heeft in het kader van de openbaredienstverplichting de volgende opdrachten:
1° hij bespreekt het trajectplan dat hij ontvangt van de casemanager Werk en de casemanager Zorg als vermeld in artikel 12, 4°, en artikel 13, 4°, met de beide casemanagers;
2° hij doet daarvoor een beroep op het netwerk van dienstverleners, vermeld in artikel 18, om het trajectplan uit te voeren;
3° hij beslist op basis van het trajectplan over de besteding van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 21, voor de dienstverleners die bij het werk- en zorgtraject betrokken zijn;
4° hij houdt toezicht op de aanwending van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 21, voor de dienstverleners die bij het werk- en zorgtraject betrokken zijn;
5° hij voorziet in de goede monitoring van de uitvoering van de trajectplannen op het niveau van het werkingsgebied door afstemming met de verschillende dienstverleners van het netwerk en door toezicht te houden op de uitvoering van de trajectplannen;
6° hij is belast met de uitbetaling van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 21, aan de dienstverleners van het netwerk dat hij vertegenwoordigt, vermeld in artikel 23.

Artikel 20. (01/02/2018- ...)

De mandaatbeslissing vermeldt minimaal:
1° de identiteitsgegevens van de penhouders en van de dienstverleners die tot het netwerk behoren;
2° de verbintenissen van de partijen, waaronder:
a) de omschrijving van de opdrachten in het activeringstraject en in het traject maatschappelijke oriëntatie;
b) de toekenning van een compensatievergoeding als vermeld in artikel 21, met opgave van de voorwaarden en de doeleinden waarvoor de vergoeding wordt toegekend;
c) de verantwoordelijkheden en de engagementen van de partijen;
3° de parameters voor de berekening van de compensatievergoeding en een regeling voor overcompensatie;
4° de duur van de toewijzing, die niet meer dan vijf jaar mag bedragen.

Afdeling 3 Compensatievergoeding

Artikel 21. (01/02/2018- ...)

Binnen het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet verkrijgt de penhouder voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 19, een compensatievergoeding.

De Vlaamse Regering bepaalt het maximale bedrag van de compensatie op basis van de volgende parameters:
1° de compensatie is niet hoger dan nodig om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichting, vermeld in artikel 19, geheel of gedeeltelijk te dekken, rekening houdend met de opbrengsten;
2° de maximale compensatie wordt vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming zou hebben gemaakt;
3° het type traject, meer bepaald of het om een activeringstraject of een traject maatschappelijke oriëntatie gaat.

De Vlaamse Regering zal bij het bepalen van het bedrag van de compensatie als vermeld in het tweede lid, vermijden dat de compensatie een economisch voordeel bevat waardoor de gecompenseerde ondernemingen ten opzichte van concurrerende ondernemingen kunnen worden bevoordeeld.

Artikel 22. (01/02/2018- ...)

Andere tegemoetkomingen dan de tegemoetkomingen die verkregen worden met toepassing van dit decreet bij de uitvoering van de acties van het trajectplan worden in mindering gebracht van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 21.

De Vlaamse Regering bepaalt welke andere vormen van tegemoetkomingen als geheel of gedeeltelijk overlappend beschouwd worden en in mindering gebracht worden van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 21.

Afdeling 4 Activeringstraject

Artikel 23. (01/02/2018- ...)

Het activeringstraject bereidt de deelnemer via de acties, vermeld in het trajectplan, voor op betaalde beroepsarbeid en bestaat uit:
1° de begeleiding naar en op een werkvloer, waaronder:
a) begeleiden van de deelnemer om de attitudes te verwerven die hij nodig heeft om in een werkomgeving te functioneren;
b) zoeken en aanreiken van diverse werkvloeren in overleg met de casemanager Werk en in functie van het trajectplan;
c) begeleiden van de deelnemer en de werkgever tijdens de stage op een werkvloer;
d) detecteren, versterken, opvolgen en evalueren van competenties die zichtbaar worden op de werkvloer;
e) overleggen, afstemmen en samenwerken met de betrokken partners in het werk- en zorgtraject, met name de casemanagers en de andere dienstverleners;
2° de zorg, die ondersteunend moet zijn aan het arbeidsmarktgerichte traject, waaronder:
a) verkennen van de zorgnoden samen met de deelnemer en het verlenen van inzicht aan de deelnemer in zijn zorgnoden;
b) verlenen van zorg met het oog op herstel of draaglijk maken van medische, mentale, psychische, psychiatrische of sociale problemen en het versterken van competenties in functie van de stage op een werkvloer en de joboriëntatie;
c) toeleiden naar en samenwerken met andere dienstverleners voor de zorgverlening op maat van de deelnemer, met het oog op de stage op een werkvloer en de joboriëntatie;
d) overleggen, afstemmen en samenwerken met de betrokken partners in het werk- en zorgtraject, met name de casemanagers en de andere dienstverleners.

De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van de begeleiding op en naar een werkvloer en de zorg in een activeringstraject nader.

Artikel 24. (01/02/2018- ...)

 Het activeringstraject is een tijdelijk traject van minimaal drie maanden en maximaal achttien maanden.

Het activeringstraject is in uitzonderlijke gevallen verlengbaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een verlenging van het traject.

Afdeling 5 Traject maatschappelijke oriëntatie

Artikel 25.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Het traject maatschappelijke oriëntatie bepaalt de combinatie van zorgactiviteiten of arbeidsmatige activiteiten waaraan een deelnemer in het licht van zijn emancipatie en zijn maatschappelijk geïntegreerd functioneren op korte en middellange termijn behoefte heeft via de acties, vermeld in het trajectplan, bepaald in artikel 17, en bestaat uit:
1° de zorg, waaronder:
a) verkennen van de zorgnoden samen met de deelnemer en het verlenen van inzicht aan de deelnemer in zijn zorgnoden;
b) toeleiden van de deelnemer naar zorg op maat van de deelnemer, in het licht van de emancipatie en het maatschappelijk geïntegreerd functioneren van de deelnemer;
c) overleggen, afstemmen en samenwerken met de betrokken partners in het werk- en zorgtraject, met name de casemanagers en de andere dienstverleners;
2° begeleiding, waaronder:
a) het persoonlijk coachen van de deelnemer met het oog op arbeidsmatige activiteiten;
b) overleggen, afstemmen en samenwerken met de betrokken partners in het werk- en zorgtraject, met name de casemanagers en de andere dienstverleners.

De Vlaamse Regering bepaalt de invulling van de zorg en de begeleiding in een traject maatschappelijke oriëntatie nader.

Artikel 26.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(Datum te bepalen door Vlaamse Regering- ...)

Het traject maatschappelijke oriëntatie is een tijdelijk traject van maximaal zes maanden.

Het traject maatschappelijke oriëntatie is in uitzonderlijke gevallen verlengbaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een verlenging van het traject.

Afdeling 6 Netwerkoverleg

Artikel 27. (01/02/2018- ...)

De VDAB organiseert een zesmaandelijks regionaal overleg met het netwerk van dienstverleners, de casemanagers Werk en de casemanagers Zorg.

Afdeling 7 Evaluatie en eindadvies

Artikel 28. (01/02/2018- ...)

§ 1. De casemanager Werk en de casemanager Zorg evalueren de deelnemer minimaal zesmaandelijks.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan altijd een tussentijdse evaluatie plaatsvinden op verzoek van de deelnemer, de casemanager Werk of de casemanager Zorg.

§ 2. De evaluatie is gebaseerd op:
1° de gegevens, vermeld in artikel 9, tweede lid, 1° tot en met 3° ;
2° het trajectplan en de daarin ondernomen acties;
3° de informatie van de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
4° de informatie van de betrokken dienstverleners;
5° een gesprek tussen de deelnemer, de casemanager Werk en de casemanager Zorg.

De Vlaamse Regering kan de evaluatievoorwaarden nader bepalen.

§ 3. De casemanager Zorg en de casemanager Werk registreren de evaluatie in het elektronische dossier van de deelnemer.

Artikel 29. (01/02/2018- ...)

Als de casemanager Werk en de casemanager Zorg op basis van een evaluatie vaststellen dat een deelnemer het beoogde doel van een activeringstraject, namelijk betaalde beroepsarbeid met of zonder ondersteuning, niet zal halen, kan het trajectplan aangepast worden met het oog op een optimale participatie binnen de vastgelegde looptijd van het traject.

Artikel 30. (01/02/2018- ...)

Op het einde van het werk- en zorgtraject voeren de casemanager Werk en de casemanager Zorg een eindevaluatie uit.

De eindevaluatie wordt opgenomen in een eindverslag.

Het eindverslag bevat minimaal:
1° de beschrijving van de acties tijdens het traject;
2° de resultaten van de acties tijdens het traject;
3° de informatie van de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
4° de informatie van de betrokken dienstverleners;
5° een neerslag van het gesprek tussen de deelnemer, de casemanager Werk en de casemanager Zorg;
6° een geactualiseerde inschatting van de huidige participatiegraad van de deelnemer als vermeld in artikel 8;
7° een geactualiseerde inschatting van de bereikbare participatiegraad van de deelnemer als vermeld in artikel 8.

De casemanager Werk en de casemanager Zorg registreren het eindverslag in het elektronische dossier van de deelnemer.

Artikel 31. (01/02/2018- ...)

Op basis van de informatie, vermeld in het eindverslag, geven de casemanager Werk en de casemanager Zorg een gemotiveerd eindadvies aan de VDAB over het toekomstperspectief van de deelnemer op het vlak van betaalde beroepsarbeid met of zonder ondersteuning, arbeidsmatige activiteiten of zorg.

De casemanager Werk en de casemanager Zorg registreren het eindadvies in het elektronische dossier van de deelnemer.

Artikel 32. (01/02/2018- ...)

 De casemanager Werk en de casemanager Zorg hebben een afsluitend oriënterend gesprek met de deelnemer waarin het eindverslag en het eindadvies worden besproken.

Artikel 33. (01/02/2018- ...)

Op het einde van een activeringstraject beslist de VDAB op basis van het eindverslag en het eindadvies of de deelnemer toegeleid kan worden naar betaalde beroepsarbeid.

De VDAB noteert die beslissing in het elektronische dossier van de deelnemer. De VDAB deelt de beslissing schriftelijk mee aan de deelnemer en bespreekt ze met de deelnemer.

Als de deelnemer toegeleid kan worden naar betaalde beroepsarbeid, legt de VDAB samen met de deelnemer vast welke volgende stappen een deelnemer kan zetten om die doelstelling te bereiken.

Als de deelnemer niet toegeleid kan worden naar betaalde beroepsarbeid, bespreekt de casemanager Zorg, zo nodig in samenspraak met de betrokken dienstverleners die in het kader van het werk- en zorgtraject aan de deelnemer zorg hebben aangeboden, samen met de deelnemer, op basis van het eindverslag en het eindadvies, welke zorg voor de deelnemer aan te bevelen is. De VDAB bespreekt samen met de casemanager Werk, de casemanager Zorg en de deelnemer op basis van het eindverslag en het eindadvies of het raadzaam is dat de deelnemer aan arbeidsmatige activiteiten deelneemt.

Artikel 34. (01/02/2018- ...)

Op het einde van een traject maatschappelijke oriëntatie bespreekt de casemanager Zorg, zo nodig in samenspraak met de betrokken dienstverleners die in het kader van het werk- en zorgtraject aan de deelnemer zorg hebben aangeboden, met de deelnemer, op basis van het eindverslag en het eindadvies, welke zorg voor de deelnemer aan te bevelen is.

De VDAB bespreekt samen met de casemanager Werk, de casemanager Zorg en de deelnemer op basis van het eindverslag en het eindadvies of het raadzaam is dat de deelnemer aan arbeidsmatige activiteiten deelneemt.

HOOFDSTUK 5 Arbeidsmatige activiteiten

Artikel 35. (01/05/2018- ...)

Het aanbod aan arbeidsmatige activiteiten wordt door de Vlaamse Regering nader gedefinieerd, met name wat betreft de invulling van de begeleiding en de zorg die er deel van uitmaken.

De Vlaamse Regering bepaalt ook minimale kwaliteitsvoorwaarden voor het aanbod.

Artikel 36. (01/05/2018- ...)

Deelname aan arbeidsmatige activiteiten is mogelijk voor onbepaalde duur tenzij de evaluatie uitwijst dat deelname niet meer nodig of opportuun is.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de toegang tot arbeidsmatige activiteiten, alsook voor de evaluatieprocedure.

Artikel 37. (01/05/2018- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden voor het aanbod aan arbeidsmatige activiteiten.

HOOFDSTUK 6 Registratie en gegevensdeling

Artikel 38. (01/02/2018- ...)

De casemanager Werk, de casemanager Zorg en de dienstverleners registreren de acties die ze ondernemen in het kader van het werk- en zorgtraject in het elektronische dossier van de deelnemer.

Artikel 39. (25/05/2018- ...)

Bij het registreren van gegevens in het elektronische dossier van de kandidaat-deelnemer en de deelnemer eerbiedigen de casemanager Werk, de casemanager Zorg en de dienstverleners de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 40. (25/05/2018- ...)

De gegevensdeling tussen de casemanager Werk, de casemanager Zorg en de dienstverleners is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de gegevensdeling heeft alleen betrekking op gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van de werk- en zorgtrajecten;
2° de gegevens worden uitgewisseld in het belang van de deelnemer;
3° ...

HOOFDSTUK 7 Rapportering

Artikel 41. (01/02/2018- ...)

De VDAB rapporteert minstens één keer per jaar aan de Vlaamse Regering over de werking van de werk- en zorgtrajecten in de verschillende werkingsgebieden.

HOOFDSTUK 8 Beroep

Artikel 42. (01/02/2018- ...)

De kandidaat-deelnemer, de deelnemer of de actor die verzocht heeft om een kandidaat-deelnemer te laten deelnemen aan een werk- en zorgtraject als vermeld in artikel 9, kunnen de beslissing van de VDAB om een persoon wel of niet te laten deelnemen aan een werk- en zorgtraject, betwisten via een verzoek tot heroverweging.

De Vlaamse Regering bepaalt de termijn voor de indiening van het verzoek en de procedure voor de heroverweging.

Het verzoek tot heroverweging heeft een schorsende werking op het opstarten van het werk- en zorgtraject.

Artikel 43. (01/02/2018- ...)

De heroverweging moet, op straffe van nietigheid, met redenen worden omkleed. De verzoeker wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van het resultaat van de heroverweging.

HOOFDSTUK 9 Toezicht, handhaving en sancties

Artikel 44. (01/02/2018- ...)

Het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden uitgevoerd door sociaalrechtelijke inspecteurs met toepassing van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.

Artikel 45. (01/02/2018- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 44 kan de Vlaamse Regering het toezicht en de controle op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, geheel of gedeeltelijk toewijzen aan andere ambtenaren.

§ 2. ....

Artikel 46. (01/02/2018- ...)

De Vlaamse Regering vermindert of vordert de compensatievergoeding, vermeld in artikel 15 en 21, terug als de penhouder, de casemanager Zorg of de casemanager Werk de opdrachten, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en de mandaatsvoorwaarden, vermeld in artikel 10, § 1, tweede lid, 2°, en artikel 11, § 2, tweede lid, 2°, niet of onvoldoende naleven.

De Vlaamse Regering neemt de beslissing, vermeld in het eerste lid, nadat de betrokken partij de gelegenheid werd geboden om haar verweermiddelen voor te leggen. De Vlaamse Regering bepaalt de hoorprocedure.

Artikel 47. (01/02/2018- ...)

De Vlaamse Regering kan de mandaatbeslissing schorsen of intrekken als de casemanager Zorg, de casemanager Werk of de penhouder de opdrachten, vermeld in artikel 12, 13 en 19, en de mandaatsvoorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, tweede lid, 2°, wetens en willens niet naleven.

De Vlaamse Regering kan de beslissing, vermeld in het eerste lid, alleen nemen nadat de betrokken partij de gelegenheid werd geboden om haar verweermiddelen voor te leggen. De Vlaamse Regering bepaalt de hoorprocedure.

HOOFDSTUK 10 Slotbepalingen

Artikel 48. (01/02/2018- ...)

Aan artikel 2, eerste lid, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 november 2013, wordt een punt 36° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"36° het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten.".

Artikel 49. (01/02/2018- ...)

De Vlaamse Regering bepaalt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding.

Artikel 50. (01/02/2018- ...)

De Vlaamse Regering voert dit decreet uit binnen de perken van de begroting en onder de bij dit decreet bepaalde voorwaarden.