Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Datum 13/02/2015

Inhoud

Artikel Verslag aan de Regering

Dit artikel is nog niet in werking getreden

(... - ...)

ADVIES 56.947/1 VAN 6 FEBRUARI 2015 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING `TOT AANWIJZING VAN DE VLAAMSE EN PROVINCIALE PROJECTEN TER UITVOERING VAN HET DECREET VAN 25 APRIL 2014 BETREFFENDE DE OMGEVINGSVERGUNNING '


Op 23 december 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 6 februari 2015 (*), een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning '.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 29 januari 2015 .
De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Wim Geurts, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur en Pierrot T'Kindt, auditeur .
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 februari 2015 .
(*) Deze verlenging werd toegestaan met een e-mail van 13 januari 2015.
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
2. Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 `betreffende de omgevingsvergunning' definieert een aantal begrippen die in dat decreet worden gehanteerd. Het eerste lid, 9°, van dat artikel omschrijft "provinciale projecten" als de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen, terwijl het eerste lid, 11°, "Vlaamse projecten" omschrijft als de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen.
Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering wijst op limitatieve wijze deze projecten aan (artikelen 1 en 2).
Tevens wordt artikel 2 van het voornoemde decreet in werking gesteld (artikel 3).
3. De rechtsgrond voor het ontwerp wordt geboden door de voornoemde artikelen 2, eerste lid, 9° en 11°, alsook, voor artikel 3 ervan, door artikel 397 van het decreet van 25 april 2014.
In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt wel het best melding gemaakt van de beperkte draagwijdte van de inwerkingtreding van artikel 2 van het decreet van 25 april 2014.
Onderzoek van de tekst
Aanhef
4. Rekening houdend met wat hiervoor is gesteld over de rechtsgrond voor het ontwerp, dient het eerste lid van de aanhef te worden aangevuld met een verwijzing naar artikel 397 van het decreet van 25 april 2014.
5. In de aanhef dienen de verwijzingen in verband met de vervulling van de voorgeschreven vormvereisten te worden vermeld in chronologische volgorde, te beginnen met het oudste.
Artikel 3
6. Luidens artikel 3 van het ontworpen besluit treedt artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 in werking tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 397 van het decreet van 25 april 2014 luidt:
"Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum. Deze datum valt minstens een jaar na de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding wordt vastgelegd."
Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 definieert een aantal in dat decreet voorkomende begrippen, waaronder "Vlaamse projecten" en "provinciale projecten", waaraan bij het ontwerp nadere invulling wordt gegeven.
Nu artikel 3 van het ontwerp enkel de inwerkingtreding regelt van artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 doch niet van de bepalingen van dat decreet waarin aan die begrippen wordt gerefereerd, hebben de in dat artikel 2 opgenomen definities nog geen uitwerking wat betreft de toepassing van het decreet van 25 april 2014 en is er bijgevolg geen bezwaar om dat artikel 2 in werking te laten treden op de in artikel 3 van het ontwerp bepaalde wijze. De bepalingen van het decreet van 25 april 2014 waarin aan de in dat artikel 2 opgenomen begrippen wordt gerefereerd, zullen uiteraard wel in werking moeten treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 397 van dat decreet, teneinde de overgangsperiode waarin door de decreetgever met betrekking tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling inzake de omgevingsvergunning is voorzien, te waarborgen. In afwachting daarvan, is er echter geen bezwaar om de voornoemde definities reeds uitwerking te laten hebben voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 `betreffende complexe projecten', waarvoor in de inwerkingtreding is voorzien op 1 maart 2015 (1).
Bijlage 1
7. In een aantal onderdelen van de opsomming in bijlage 1, tweede lid, van het ontwerp wordt de bevoegdheid van het Vlaamse niveau voor de betreffende projecten niet enkel verbonden aan de aard van de handelingen in kwestie, maar ook aan de hoedanigheid van de aanvrager (punten 1°, 3°, 10°, a)) of aan het "openbaar karakter" van de infrastructuur (punten 5°, 6°, 16° en 21° ). Het verdient aanbeveling om de redenen voor die bijzondere benadering voor elk van de betreffende bepalingen op te nemen in het verslag aan de Vlaamse Regering.
8. In het tweede lid, 2°, b), dient te worden geschreven "geleide openbaarvervoersystemen" (niet: "geleide openbaar vervoerssystemen").
9. Aan het einde van het tweede lid, 3°, schrijve men "Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer" (niet: "Directoraat-generaal voor de Luchtvaart").
10. Gevraagd naar de precieze draagwijdte van het tweede lid, 10°, a), heeft de gemachtigde voorgesteld om de betrokken bepaling duidelijkheidshalve eenvoudiger te stellen als volgt: "installaties met een vermogen van meer dan 1.000 MW, die aantakken op het openbare elektriciteitsnet".
Met dit voorstel kan worden ingestemd.
11. Ter wille van de terminologische eenvormigheid schrijve men in het tweede lid, 10°, b), zoals in het tweede lid, 6°, "zeehavens" in de plaats van "zeehandelshavens".
12. Het is niet duidelijk hoe de bepaling van het tweede lid, 15°, zich verhoudt tot die van het tweede lid, 17°. Hierover ondervraagd heeft de gemachtigde voorgesteld om het tweede lid, 17°, duidelijker te stellen als volgt:
"17° handelingen met betrekking tot infrastructuur voor het vervoer via pijpleiding van vloeibare stoffen en gassen naar het openbare distributienet, met uitzondering van leidingen voor hemelwater, oppervlaktewater, afvalwater en water;".
Met dit voorstel kan worden ingestemd.
13. De keuzes om voor handelingen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen de opname onder respectievelijk de Vlaamse en de provinciale projecten in achtereenvolgens bijlage 1, tweede lid, 19°, en bijlage 2, tweede lid, 5°, te verbinden aan, enerzijds, "een totale brutovloeroppervlakte, met uitsluiting van de brutovloeroppervlakte met de functies wonen en industrie en ambacht, van minstens 50.000 m2, gelegen buiten gemeenten met meer dan 200.000 inwoners", en, anderzijds, "een totale brutovloeroppervlakte van het deel met de functie handel van minstens 15.000 m2, gelegen buiten de dertien centrumsteden", worden het best nader verantwoord in het verslag aan de Vlaamse Regering.
Bijlage 2
14. De gemachtigde is het ermee eens dat in het tweede lid, 2°, naar het voorbeeld van bijlage 1, tweede lid, 5°, het best wordt geschreven "natte en droge infrastructuur met openbaar karakter" in de plaats van "waterinfrastructuur".
15. In het tweede lid, 5°, dienen "de dertien centrumsteden" die van de toepassing van die bepaling worden uitgesloten nader te worden bepaald, bijvoorbeeld door een verwijzing naar een bepaling in een andere regeling waarbij die centrumsteden worden omschreven.


(1) Zie in dat verband artikel 49 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 `tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten'.

(... - ...)

De Vlaamse Regering,
Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 2, eerste lid, 9° en 11° en artikel 397;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 21 mei 2014;
Gelet op het advies van de SARO, gegeven op 24 september 2014;
Gelet op het advies van de Minaraad, gegeven op 25 september 2014;
Gelet op het advies van de SALV, gegeven op 26 september 2014;
Gelet op het advies van de MORA, gegeven op 26 september 2014;
Gelet op het advies van de SERV, gegeven op 29 september 2014;
Gelet op advies nr. 56.947/1 van de Raad van State, gegeven op 6 februari 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;
Na beraadslaging,
Besluit : 

Artikel 1. (14/03/2015- ...)

De Vlaamse projecten, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden aangewezen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 2. (14/03/2015- ...)

De provinciale projecten, vermeld in artikel 2, eerste lid, 9°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden aangewezen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 3. (14/03/2015- ...)

Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning treedt in werking tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 4. (14/03/2015- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (01/08/2018- ...)

Vlaamse projecten als vermeld in artikel 1


In deze bijlage wordt verstaan onder aanvragen:
1° de aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen met inbegrip van de voor het functioneren noodzakelijke aanhorigheden en de eventueel met het project inherent verbonden natuur- en waterbergingscompensaties en landschappelijke integratiemaatregelen;
2° de aanvragen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
3° de aanvragen voor kleinhandelsactiviteiten;
4° de aanvragen voor wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De Vlaamse Regering is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over aanvragen die minstens een van de volgende punten omvatten:
1° aanvragen door of in opdracht van publiekrechtelijke rechtspersonen met betrekking tot autosnelwegen en gewestwegen, met inbegrip van bruggen over en tunnels onder die wegen, met uitzondering van :
a) aanvragen die louter strekken tot het vellen van bomen langs die wegen;
b) aanvragen die louter betrekking hebben op dienstenzones langs autosnelwegen;
2° aanvragen met betrekking tot de volgende spoorwegen, en bruggen over en tunnels onder die spoorwegen:
a) openbare spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
b) tramlijnen, metrolijnen en andere geleide openbaarvervoerssystemen met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
3° aanvragen met betrekking tot luchthavens met een start- of landingsbaan van 800 meter of meer, ingediend door de luchthavenuitbater of door met de luchthavenuitbater verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het wetboek van vennootschappen, door luchthavenontwikkelingsmaatschappijen, door Belgocontrol of door het Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
4° aanvragen met betrekking tot het beheer of de veiligheid van het luchtverkeer, zoals radar- en surveillanceinstallaties, controletorens, satelliet- en navigatieapparatuur en meteorologische installaties;
5° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) waterwegen en onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie en aanvragen met betrekking tot bruggen over en tunnels onder die waterwegen en waterlopen, met uitzondering van aanvragen die louter een lozing, overstort of watercaptatiepunt in die waterwegen en waterlopen voorzien;
b) overstromingsgebieden langs die waterwegen of waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterwegen of waterlopen;
6° aanvragen met betrekking tot de natte infrastructuur met openbaar karakter binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
7° aanvragen die betrekking hebben op de maatregelen voor de versterking van de zeewering zoals opgenomen in het Masterplan Kustveiligheid;
8° aanvragen die betrekking hebben op monostortplaatsen voor baggerspecie en/of ruimingsspecie met een minimale capaciteit van 100.000 m®;
9° aanvragen met betrekking tot kerncentrales en installaties voor de berging en verwerking van splijtstoffen;
10° aanvragen met betrekking tot de volgende installaties voor de productie van elektriciteit:
a) installaties met een vermogen van meer dan 1.000 MW, die aantakken op het openbare elektriciteitsnet;
b) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
c) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie vanaf vijf windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer, buiten de gebieden vermeld in punt b;
11° aanvragen met betrekking tot het transmissienet en het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit;
12° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen uit de ondergrond;
13° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen van potentiële opslagcomplexen voor koolstofdioxide en met betrekking tot het geologisch opslaan van koolstofdioxide;
14° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en winnen van aardwarmte vanaf een diepte van 500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt (Tweede Algemene Waterpassing);
15° aanvragen met betrekking tot installaties voor waterwinning voor de openbare watervoorziening en het transport van water naar het openbaar distributienet;
16° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor het afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater in functie van de bovengemeentelijke saneringsopdracht, met uitzondering van de waterzuiveringsinstallaties;
17° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter om vloeibare stoffen en gassen via een pijpleiding te vervoeren, met uitzondering van leidingen voor hemelwater, oppervlaktewater, afvalwater en water en met uitzondering van leidingen die tot het lokale openbare distributienet behoren;
18° aanvragen met betrekking tot afvalverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minstens 50.000 ton/jaar;
19° aanvragen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen met een totale nuttige vloeroppervlakte, met uitsluiting van de nuttige vloeroppervlakte met de functies wonen, landbouw in de ruime zin en industrie en bedrijvigheid, van minstens 50.000 m², gelegen buiten gemeenten met meer dan 200.000 inwoners;
20° aanvragen met betrekking tot golfterreinen van 18 holes of meer;
21° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor al dan niet draadloze communicatienetwerken voor radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, die als een bovenlokaal netwerk functioneren;
22° ...
23° aanvragen ingediend door de militaire overheid.

BIJLAGE (01/08/2018- ...)

Provinciale projecten als vermeld in artikel 2
In deze bijlage wordt verstaan onder aanvragen:
1° de aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen met inbegrip van de voor het functioneren noodzakelijke aanhorigheden en de eventueel met het project inherent verbonden natuur- en waterbergingscompensaties en landschappelijke integratiemaatregelen;
2° de aanvragen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
3° de aanvragen voor kleinhandelsactiviteiten;
4° de aanvragen voor wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De deputatie is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over aanvragen van projecten die minstens een van de volgende punten omvatten, voor zover het project noch een Vlaams project, noch een onderdeel van een Vlaams project is :
1° aanvragen met betrekking tot fietspaden die functioneren binnen een bovenlokaal fietsnetwerk, voor zover ze niet gelegen zijn langs een weg of waterweg;
2° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) onbevaarbare waterlopen van de tweede of de derde categorie en aanvragen met betrekking tot bruggen over en tunnels onder die waterlopen, met uitzondering van aanvragen die louter een lozing, overstort of watercaptatiepunt in die waterlopen voorzien;
b) overstromingsgebieden langs die waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterlopen;
3° aanvragen met betrekking tot:
a) recreatieve terreinen, beheerd door gewest of provincie;
b) permanente omlopen voor motorvoertuigen of motorvaartuigen;
c) golfterreinen met meer dan 8 holes en minder dan 18 holes;
4° aanvragen met betrekking tot ontginningsgebieden;
5° aanvragen met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen buiten de gemeenten Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
6° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie tot en met vier windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW, buiten de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
7° ....