Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Datum 13/02/2015

Inhoud

(... - ...)

VERSLAG AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING


I. Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 15 van het decreet regelt de bevoegheidsverdeling voor het indienen en behandelen van omgevingsvergunningen als volgt:
"Art. 15. De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar is in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van en veranderingen aan:
1° de Vlaamse projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies.
De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over de vergunningsaanvraag kan beslissen.
De deputatie is voor haar ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van en veranderingen aan:
1° de provinciale projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie;
3° de projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beide zijn.
Het college van burgemeester en schepenen is voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van en veranderingen aan:
1° de gemeentelijke projecten;
2° andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse Regering of de deputatie bevoegd is."
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning brengt onvermijdelijk een verschuiving van bevoegdheden tussen bestuursniveaus met zich mee. Hierbij wil men de behandeling van vergunningsaanvragen toewijzen aan het bestuursniveau dat het meest geschikt is voor die bepaalde aanvraag.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning definieert een project als het geheel van zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, of minstens één van die elementen, dan wel het verkavelen van gronden, die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht.
Dit houdt in dat als een Vlaams project een exploitatie omvat, deze exploitatie door de Vlaamse Regering vergund wordt. Deze exploitatie volgt de Vlaamse lijst, niet de eventueel afzonderlijke exploitatie, waarvoor de deputatie of het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid zou zijn.
Bijlage 1 (de Vlaamse projecten) en bijlage 2 (de provinciale lijst) worden bij het besluit gevoegd.
Het decreet geeft de Vlaamse Regering de mogelijkheid om een lijst van projecten op te stellen, die ongeacht de klasse-indeling aan de gemeente worden toegewezen. Er wordt voorlopig voor gekozen om deze lijst niet op te maken, omdat de uitgewerkte bevoegdheidstoewijzing zonder deze bijkomende lijst eenvoudiger is.
Nu artikel 3 van het besluit enkel de inwerkingtreding regelt van artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 doch niet van de bepalingen van dat decreet waarin aan die begrippen wordt gerefereerd, hebben de in dat artikel 2 opgenomen definities nog geen uitwerking wat betreft de toepassing van het decreet van 25 april 2014. De bepalingen van het decreet van 25 april 2014 waarin aan de in dat artikel 2 opgenomen begrippen wordt gerefereerd, zullen uiteraard wel in werking moeten treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 397 van dat decreet, teneinde de overgangsperiode waarin door het decreet met betrekking tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling inzake de omgevingsvergunning is voorzien, te waarborgen. In afwachting daarvan, is er echter geen bezwaar om de voornoemde definities reeds uitwerking te laten hebben voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 `betreffende complexe projecten', waarvoor in de inwerkingtreding is voorzien op 1 maart 2015.
II. De Vlaamse lijst
De Vlaamse Regering is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de volgende aanvragen:
1° aanvragen ingediend door de wegbeheerder van autosnelwegen en gewestwegen, met betrekking tot of in functie van het beheer van die wegen;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van de weg;
b) het heraanleggen of het wijzigen van het tracé van de bestaande weg;
c) het verwijderen van de bestaande weg;
d) het aanleggen van een bijkomende rijstrook;
e) het aanleggen van een bijkomende op- of afrit;
f) het bouwen, verbouwen of herbouwen van een tunnel waarin of een nieuwe brug of viaduct waarover de weg wordt voorzien;
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de wegfunctie en het beheer ervan zoals stationeer- en parkeerstroken, carpoolparkings, rustplaatsen en dienstenzones-servicestations, tolinfrastructuur, regieposten en dienstgebouwen, stapelplaatsen en (zout)silo's in functie van wegbeheer en wegonderhoud, wegsignalisatie, verlichting en bebakening, veiligheidsuitrustingen en hulpposten;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, geluidswerende constructies, afwatering, (langs)grachten en duikers;
- voorzieningen voor zwakke weggebruikers, zoals voet- en fietspaden, met inbegrip van bijhorende tunnels of bruggen.
In punt 1° wordt bepaald dat het om aanvragen, ingediend door de wegbeheerder (AWV) moet gaan. Dit omdat soms op terrein van de overheid concessies worden gegeven voor de ontwikkeling van autosnelwegparkings en dergelijke. Deze gebouwen, aangevraagd door de concessiehouders, staan door deze toevoeging terecht niet op de Vlaamse lijst.
2° aanvragen met betrekking tot de volgende spoorwegen:
a) openbare spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
b) tramlijnen, metro en andere geleide openbaarvervoerssystemen met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van het spoor;
b) het heraanleggen of het wijzigen van het tracé van het bestaande spoor;
c) het aanleggen van een bijkomend spoor;
d) het bouwen van een tunnel waarin of een brug of viaduct waarover de spoorweg wordt voorzien;
e) het herbouwen of het van inplanting wijzigen van een bestaande tunnel waarin of een bestaande brug of viaduct waarover de spoorweg is voorzien;
f) het bouwen, verbouwen of herbouwen van een station;
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de spoorfunctie en het beheer ervan zoals rangeerstations en tractiestations, stelplaatsen en keerlussen, dienstgebouwen, voorzieningen in functie van beheer en onderhoud van sporen en rollend materieel, signalisatie, verlichting en bebakening, veiligheidsuitrustingen en hulpposten;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, geluidswerende constructies, afwatering, (langs)grachten en duikers.
Het moge duidelijk zijn dat met het begrip "stelplaatsen" enkel de stelplaatsen in functie van deze spoorinfrastructuur bedoeld zijn en niet bijvoorbeeld busstelplaatsen.
3° aanvragen met betrekking tot luchthavens met een start- of landingsbaan van 800 meter of meer, ingediend door de luchthavenuitbater of door met de luchthavenuitbater verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het wetboek van vennootschappen, door luchthavenontwikkelings-maatschappijen, door Belgocontrol of door het Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
Het betreft hier de start-, taxi- en landingsbanen.
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van de luchthaven en het beheer ervan zoals de interne ontsluitingswegen, dienstgebouwen, voorzieningen in functie van beheer en -onderhoud, signalisatie en verlichting, radarinstallaties en geleidingsvoorzieningen, veiligheidsuitrustingen en hulpposten;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, geluidswerende constructies, afwatering, (langs)grachten en duikers.
Er wordt in het punt naar de verschillende aanvragers verwezen om te vermijden dat louter commerciële initiatieven (zoals bedrijfsloodsen op de cargo-zone van de luchthaven) op de Vlaamse lijst zouden staan.
4° aanvragen met betrekking tot het beheer of de veiligheid van het luchtverkeer, zoals radar- en surveillanceinstallaties, controletorens, satelliet- en navigatieapparatuur en meteorologische installaties;
Het gaat hier doorgaans maar niet noodzakelijk om installaties geplaatst of beheerd door Belgocontrol of door het Directoraat-generaal Luchtvaart.
5° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) waterwegen en onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie;
b) overstromingsgebieden langs die waterwegen of waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterwegen of waterlopen;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van de waterweg of waterloop;
b) het heraanleggen of het wijzigen van het tracé van de bestaande waterweg of waterloop;
c) het dempen van de bestaande waterweg of waterloop;
d) het aanleggen van langswegen of jaagpaden langs de waterweg of waterloop;
e) het aanleggen van overstromingsgebieden langs die waterwegen of waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterwegen of waterlopen. De overstromingsgebieden kunnen dus ook meer stroomopwaarts gelegen zijn, om het water op te houden aan waterlopen van tweede of derde categorie, met als doel te vermijden dat de waterwegen en onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie overstromen. De handelingen moeten echter aangevraagd worden door de beheerder van de waterwegen en onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie;
f) voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van de waterweg of waterloop en het beheer ervan zoals dokken, kaaimuren, wachtbekkens, aanlegplaatsen en laad- en losvoorzieningen, onderdoorpersingen en bruggen en sluizen en de bediening ervan, scheepsliften en hellende vlakken, stuwen en afdammingen, sedimentvangen, pompinstallaties en waterkrachtcentrales, jaagpaden en infrastructuren voor veerdiensten, dienstgebouwen, voorzieningen in functie van beheer en -onderhoud, installaties voor signalisatie, meten en verkeersbegeleiding, verlichting en bebakening, veiligheidsuitrustingen.
Het betreft infrastructuur met openbaar karakter. Aanlegsteigers geplaatst door een bedrijf, die enkel in functie staan van dat bedrijf, vallen dus niet onder het toepassingsgebied. De regeling dat deze bedrijven over een consessie van de eigenaar/beheerder moeten beschikken, blijft uiteraard van toepassing.
Aanlegsteigers en kaaimuren, gebouwd door de waterwegbeheerder, ook al worden ze nadien in consessie gegeven aan een of meerdere bedrijven, vallen wel onder het toepassingsgebied.
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, visdoorgangen en vistrappen, dijken en oeverzones, walstromen en afvaldeponeerpunten;
Aanvullende toelichting over het toepassingsgebied:
- De onbevaarbare waterlopen van de 1e categorie worden beheerd door de Vlaamse Milieumaatschappij. Het gaat, volgens de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen om de gedeelten van de onbevaarbare waterlopen, stroomafwaarts van het punt waar hun waterbekken tenminste 5.000 hectare bedraagt.
- Walstroom is een begrip waarmee wordt aangegeven dat een schip gebruik maakt van een aansluiting op het elektriciteitsnet van de wal.
6° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van de waterbouwkundige infrastructuren zoals de haven zelf, dokken, kanalen en wachtbekkens;
b) het heraanleggen of het wijzigen van de inplanting van bestaande waterbouwkundige infrastructuren zoals de haven zelf, dokken, kanalen en wachtbekkens;
c) het aanleggen, heraanleggen of het wijzigen van de inplanting van kaaimuren en sluizen;
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van de haven of los- en laadpier en het beheer ervan zoals met betrekking tot de toegang voor schepen tot die havens en laadpieren, aanlegplaatsen en laad- en losvoorzieningen, infrastructuur voor bediening en dienstgebouwen, voorzieningen in functie van beheer en -onderhoud, installaties voor signalisatie, meten en verkeersbegeleiding, verlichting en bebakening, veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, visdoorgangen en vistrappen; dijken en oeverzones, walstromen en afvaldeponeerpunten;
- natuurcompensaties bij havenuitbreidingen, zoals opgelegd door Europese richtlijnen;
Aanvullende toelichting over het toepassingsgebied:
- Maritieme toegang beheert de vaarwegen naar de Vlaamse zeehavens Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen en de kunstwerken en eigendommen gelegen langs die maritieme toegangswegen;
- de zeehandelshavens zijn afgebakend in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.
We verwijzen naar het openbaar karakter van de infrastructuur om louter private installaties (aangevraagd en gebouwd door bedrijven in de haven of langs de waterweg) van de Vlaamse lijst uit te sluiten. Aanlegsteigers geplaatst door een bedrijf, die enkel in functie staan van dat bedrijf, vallen dus niet onder het toepassingsgebied. De regeling dat deze bedrijven over een consessie van de eigenaar/beheerder moeten beschikken, blijft uiteraard van toepassing.
Aanlegsteigers en kaaimuren, gebouwd door de waterwegbeheerder, ook al worden ze nadien in consessie gegeven aan een of meerdere bedrijven, vallen wel onder het toepassingsgebied.
7° aanvragen die betrekking hebben op de maatregelen voor de versterking van de zeewering zoals opgenomen in het Masterplan Kustveiligheid;
Het Masterplan Kustveiligheid is door de Vlaamse Regering goedgekeurd op 10 juni 2011.
Het Masterplan Kustveiligheid voorziet volgende maatregelen:

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 
8° aanvragen die betrekking hebben op monostortplaatsen voor baggerspecie en/of ruimingsspecie met een minimale capaciteit van 100.000 m®;
9° aanvragen met betrekking tot kerncentrales en installaties voor de berging en verwerking van splijtstoffen;
10° aanvragen met betrekking tot de volgende installaties voor de productie van elektriciteit:
a) installaties met een vermogen van meer dan 1.000 MW, die aantakken op het openbare elektriciteitsnet;
b) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
c) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie vanaf vijf windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer, buiten de gebieden vermeld in punt b;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het bouwen van de productie-inrichting;
b) het herbouwen van een bestaande productie-inrichting;
c) het verbouwen of uitbreiden van een bestaande productie-inrichting zodat ze een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van 1.000 MW overschrijdt;
d) het aanleggen, heraanleggen, bouwen of herbouwen van de volgende functionele aanhorigheden:
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van de productie-inrichting en het beheer ervan;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, geluidswerende constructies, afwatering, (langs)grachten en duikers;
11° aanvragen met betrekking tot het transmissienet en het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit;
Het transmissienet en plaatselijk vervoersnet van elektriciteit wordt beheerd door Elia. De definities van de begrippen zijn terug te vinden in de elektriciteitswet van 29 april 1999 en het Energiedecreet van 8 mei 2009.
Het betreft hier ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van elektriciteitstransport en het beheer ervan zoals draagmasten en pylonen, transformatorstations, dienstgebouwen, signalisatie en veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
12° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen uit de ondergrond;
Artikel 3 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond bepaalt: De in de diepe ondergrond van nature aanwezige koolwaterstoffen zijn eigendom van het Vlaamse Gewest.
De eigendom van koolwaterstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen ervan over op de vergunninghouder, op voorwaarde dat een vergoeding wordt betaald aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig hoofdstuk II, afdeling II. De eigendom van koolwaterstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen als monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken, gaat over op de vergunninghouder zonder dat er een vergoeding aan het Vlaamse Gewest betaald moet worden.
13° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen van potentiële opslagcomplexen voor koolstofdioxide en met betrekking tot het geologisch opslaan van koolstofdioxide;
14° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en winnen van aardwarmte vanaf een diepte van 400 meter ten opzichte van het TAW-niveau (Tweede Algemene Waterpassing);
15° aanvragen met betrekking tot installaties voor waterwinning voor de openbare watervoorziening en het transport van water naar het openbaar distributienet;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van grondwaterwinningen, niet zijnde proefboringen of bronbemalingen;
b) het aanleggen van transportleidingen;
c) het heraanleggen of het wijzigen van het tracé van een bestaande transportleiding;
d) het verwijderen of buiten gebruik stellen van een bestaande transportleiding;
e) het aanleggen, heraanleggen, bouwen of herbouwen van spaarbekkens, watertorens en waterproductiecentra;
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van het watertransport en het beheer ervan zoals boorputten en boorinstallaties, controlepunten, pomp- en overslagstations, dienstgebouwen, signalisatie en veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
Toelichting:
- Transportleidingen verzorgen het vervoer van de grondstoffen doorheen Vlaanderen, vanaf de productiecentra naar de verdeelpunten en zijn in die zin dus anders dan distributieleidingen die van die verdeelpunten naar de individuele gebruiker gaan.
- Met water voor het openbaar distributienet bedoelen we hier zowel drinkwater als industrieel water, bestemd voor grote(re) bedrijven.
16° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor het afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater in functie van de bovengemeentelijke saneringsopdracht, met uitzondering van de waterzuivering;
Het betreft hier niet de gemeentelijke verzamelriolen, maar de collectoren.
Met de noodzakelijke aanhorigheden wordt (niet limitatief) bedoeld:
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van verzamelen en afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwaters en het beheer ervan zoals controlepunten, pomp- en overslagstations, dienstgebouwen, signalisatie en veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
De term "openbaar karakter" is gebruikt om particuliere (bedrijfs)leidingen uitdrukkelijk van het toepassingsgebied uit te sluiten.
17° aanvragen met betrekking tot infrastructuur voor het vervoer via pijpleiding van vloeibare stoffen en gassen naar het openbare distributienet, met uitzondering van leidingen voor hemelwater, oppervlaktewater, afvalwater en water;
Met het vervoer van vloeibare stoffen en gassen wordt verwezen naar de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
Het betreft hier ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van transport en het beheer ervan zoals controlepunten, pomp- en overslagstations, compressiestations, drukreduceerstations, regelstations, telstations, afsluiterknooppunten, affakkelinstallaties, dienstgebouwen, signalisatie en veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
Toelichting:
- Volgende stoffen en gassen zijn hier (onder meer) bedoeld: zuurstof, waterstof, aardgas, nafta.
- Het gaat hier bijvoorbeeld om de aardgastransportleidingen van Fluxys, dat gas vervoert naar de openbare distributie, de elektrische centrales en de grote bedrijven. Het betreft hier dus niet het distributienet naar de individuele gebruiker, noch de leidingen binnen een bedrijf of inrichting.
- In principe heeft het onderscheid tussen transportleidingen (van aardgas) en distributie te maken met het verschil tussen vervoer onder hoge druk en distributie onder lage druk.
- Het transport van aardgas (en ook van andere producten) valt onder de federale energiepolitiek.
- Pijpleidingen hebben een strategische betekenis voor de ondernemingen in Vlaanderen (en daarbuiten), onder meer in functie van de (petro)chemie. Ze zijn een bindmiddel tussen de grote economische clusters in Vlaanderen en Europa.
18° aanvragen met betrekking tot afvalverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minstens 50.000 ton/jaar;
19° aanvragen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen met een totale nuttige vloeroppervlakte, met uitsluiting van de nuttige vloeroppervlakte met de functies wonen en industrie en ambacht, van minstens 50.000 m², gelegen buiten gemeenten met meer dan 200.000 inwoners;
De nuttige vloeroppervlakte zal in het aanvraagformulier als volgt worden gedefinieerd:
"Nuttige oppervlakte": dit is het oppervlak, gemeten op alle vloerniveaus, tussen de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. Worden niet meegerekend: de delen van de ruimte die lager zijn dan 1,5 m en een trapgat, liftschacht of vide indien deze groter is dan 4 m².
20° aanvragen met betrekking tot golfterreinen van 18 holes of meer;
Het betreft hier enkel volwaardige golfterreinen, geen minigolf.
21° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor al dan niet draadloze communicatienetwerken voor radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, die als een bovenlokaal netwerk functioneren;
22° aanvragen op het grondgebied van twee of meer provincies;
23° aanvragen ingediend door de militaire overheid.
III. De provinciale lijst
De deputatie is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de aanvragen van de volgende projecten, voor zover die noch Vlaamse projecten, noch onderdelen ervan zijn:
1° aanvragen met betrekking tot fietspaden die functioneren binnen een bovenlokaal fietsnetwerk, voor zover ze niet gelegen zijn langs een weg of waterweg;
Toelichting:
- Het kan gaan om Lange Afstandsfietsroutes (LAF - LF), het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk (BFF), zogenaamde "Fietsostrades", ...
- LF staat voor 'Lange (-afstand) Fietsroutes' of ook 'Landelijke Fietsroutes'.
- De Landelijke Fietsroutes - LF Routes zijn routes in lijn die diverse regio's, en zelfs landen doorkruisen.
Fietspaden gelegen langs gewestwegen, gemeentewegen of kanalen staan niet op de provinciale lijst. Het is immers gewenst dat de bevoegde overheid dezelfde is als deze die de "hoofdinfrastructuur" vergunt. Dit betekent dat het college bevoegd is voor fietspaden parallel met gemeentewegen, en de Vlaamse Regering bevoegd is voor fietspaden langs gewestwegen en kanalen.
2° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) onbevaarbare waterlopen van de tweede of de derde categorie;
b) overstromingsgebieden langs die waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterlopen;
Het betreft hier bijvoorbeeld (niet limitatief):
a) het aanleggen van de waterloop;
b) het heraanleggen of het wijzigen van het tracé van de bestaande waterloop;
c) het dempen van de bestaande waterloop;
d) het aanleggen van overstromingsgebieden specifiek bedoeld voor het ophouden van water dat moet afvloeien via die waterlopen;
Het betreft hier echter ook (niet limitatief):
- voorzieningen rechtstreeks verbonden aan de functie van de waterloop en het beheer ervan zoals bruggen, jaagpaden, infrastructuren voor het overzetten, dienstgebouwen, voorzieningen in functie van beheer en -onderhoud, veiligheidsuitrustingen;
- werfzones en tijdelijke (grond)stockages met het oog op de uitvoering van de handelingen;
- voorzieningen voor omgevingsintegratie zoals bermen en taluds, dijken en oeverzones;
3° aanvragen met betrekking tot:
a) recreatieve terreinen, beheerd door gewest of provincie;
b) permanente omlopen voor motorvoertuigen of motorvaartuigen;
c) golfterreinen met meer dan 8 holes en minder dan 18 holes;
Onder "recreatieve terreinen" verstaat men terreinen zoals (niet-limitatief): het BLOSO-domein Hofstade, het provinciaal domein Huizingen, De halve maan te Diest, ...
Het begrip "permanente omlopen voor motorvoertuigen of motorvaartuigen wordt eveneens in de indelingslijst gebruikt.
4° aanvragen met betrekking tot ontginningsgebieden;
5° aanvragen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen met een totale nuttige vloeroppervlakte van het deel met de functie handel van minstens 15.000 m², gelegen buiten de gemeenten Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
De nuttige vloeroppervlakte zal in het aanvraagformulier als volgt worden gedefinieerd:
"Nuttige oppervlakte": dit is het oppervlak, gemeten op alle vloerniveaus, tussen de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. Worden niet meegerekend: de delen van de ruimte die lager zijn dan 1,5 m en een trapgat, liftschacht of vide indien deze groter is dan 4 m².
De 13 centrumsteden die door de Vlaamse overheid zijn aangeduid in het kader van haar stedenbeleid, zijn Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout. Het betreft in dit punt de gemeentegrenzen, niet de afbakeningen van het stedelijk gebied.
6° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie tot en met vier windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW, buiten de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
Om geen discussies te kunnen krijgen of reeds bestaande of vergunde windturbines moeten meegeteld worden om uit te maken hoeveel windturbines het totale project omvat, wordt hier voor de duidelijkheid gekozen voor een telling per aanvraag. Deze telling gebeurt enkel om de voor de aanvraag bevoegde overheid te bepalen. Dit neemt niet weg dat voor de beoordeling van een aanvraag (zoals steeds) wel naar cumulatieve effecten met reeds bestaande of nog niet bestaande maar al vergunde windturbines moet worden gekeken. Ook voor de bepaling van de MER-plicht moet naar de reeds bestaande of vergunde windturbines worden gekeken.
7° aanvragen op het grondgebied van twee of meer gemeenten binnen een provincie.

(... - ...)

ADVIES 56.947/1 VAN 6 FEBRUARI 2015 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING `TOT AANWIJZING VAN DE VLAAMSE EN PROVINCIALE PROJECTEN TER UITVOERING VAN HET DECREET VAN 25 APRIL 2014 BETREFFENDE DE OMGEVINGSVERGUNNING '


Op 23 december 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 6 februari 2015 (*), een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning '.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 29 januari 2015 .
De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Wim Geurts, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur en Pierrot T'Kindt, auditeur .
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 februari 2015 .
(*) Deze verlenging werd toegestaan met een e-mail van 13 januari 2015.
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
2. Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 `betreffende de omgevingsvergunning' definieert een aantal begrippen die in dat decreet worden gehanteerd. Het eerste lid, 9°, van dat artikel omschrijft "provinciale projecten" als de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen, terwijl het eerste lid, 11°, "Vlaamse projecten" omschrijft als de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen.
Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering wijst op limitatieve wijze deze projecten aan (artikelen 1 en 2).
Tevens wordt artikel 2 van het voornoemde decreet in werking gesteld (artikel 3).
3. De rechtsgrond voor het ontwerp wordt geboden door de voornoemde artikelen 2, eerste lid, 9° en 11°, alsook, voor artikel 3 ervan, door artikel 397 van het decreet van 25 april 2014.
In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt wel het best melding gemaakt van de beperkte draagwijdte van de inwerkingtreding van artikel 2 van het decreet van 25 april 2014.
Onderzoek van de tekst
Aanhef
4. Rekening houdend met wat hiervoor is gesteld over de rechtsgrond voor het ontwerp, dient het eerste lid van de aanhef te worden aangevuld met een verwijzing naar artikel 397 van het decreet van 25 april 2014.
5. In de aanhef dienen de verwijzingen in verband met de vervulling van de voorgeschreven vormvereisten te worden vermeld in chronologische volgorde, te beginnen met het oudste.
Artikel 3
6. Luidens artikel 3 van het ontworpen besluit treedt artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 in werking tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 397 van het decreet van 25 april 2014 luidt:
"Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum. Deze datum valt minstens een jaar na de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding wordt vastgelegd."
Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 definieert een aantal in dat decreet voorkomende begrippen, waaronder "Vlaamse projecten" en "provinciale projecten", waaraan bij het ontwerp nadere invulling wordt gegeven.
Nu artikel 3 van het ontwerp enkel de inwerkingtreding regelt van artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 doch niet van de bepalingen van dat decreet waarin aan die begrippen wordt gerefereerd, hebben de in dat artikel 2 opgenomen definities nog geen uitwerking wat betreft de toepassing van het decreet van 25 april 2014 en is er bijgevolg geen bezwaar om dat artikel 2 in werking te laten treden op de in artikel 3 van het ontwerp bepaalde wijze. De bepalingen van het decreet van 25 april 2014 waarin aan de in dat artikel 2 opgenomen begrippen wordt gerefereerd, zullen uiteraard wel in werking moeten treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 397 van dat decreet, teneinde de overgangsperiode waarin door de decreetgever met betrekking tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling inzake de omgevingsvergunning is voorzien, te waarborgen. In afwachting daarvan, is er echter geen bezwaar om de voornoemde definities reeds uitwerking te laten hebben voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 `betreffende complexe projecten', waarvoor in de inwerkingtreding is voorzien op 1 maart 2015 (1).
Bijlage 1
7. In een aantal onderdelen van de opsomming in bijlage 1, tweede lid, van het ontwerp wordt de bevoegdheid van het Vlaamse niveau voor de betreffende projecten niet enkel verbonden aan de aard van de handelingen in kwestie, maar ook aan de hoedanigheid van de aanvrager (punten 1°, 3°, 10°, a)) of aan het "openbaar karakter" van de infrastructuur (punten 5°, 6°, 16° en 21° ). Het verdient aanbeveling om de redenen voor die bijzondere benadering voor elk van de betreffende bepalingen op te nemen in het verslag aan de Vlaamse Regering.
8. In het tweede lid, 2°, b), dient te worden geschreven "geleide openbaarvervoersystemen" (niet: "geleide openbaar vervoerssystemen").
9. Aan het einde van het tweede lid, 3°, schrijve men "Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer" (niet: "Directoraat-generaal voor de Luchtvaart").
10. Gevraagd naar de precieze draagwijdte van het tweede lid, 10°, a), heeft de gemachtigde voorgesteld om de betrokken bepaling duidelijkheidshalve eenvoudiger te stellen als volgt: "installaties met een vermogen van meer dan 1.000 MW, die aantakken op het openbare elektriciteitsnet".
Met dit voorstel kan worden ingestemd.
11. Ter wille van de terminologische eenvormigheid schrijve men in het tweede lid, 10°, b), zoals in het tweede lid, 6°, "zeehavens" in de plaats van "zeehandelshavens".
12. Het is niet duidelijk hoe de bepaling van het tweede lid, 15°, zich verhoudt tot die van het tweede lid, 17°. Hierover ondervraagd heeft de gemachtigde voorgesteld om het tweede lid, 17°, duidelijker te stellen als volgt:
"17° handelingen met betrekking tot infrastructuur voor het vervoer via pijpleiding van vloeibare stoffen en gassen naar het openbare distributienet, met uitzondering van leidingen voor hemelwater, oppervlaktewater, afvalwater en water;".
Met dit voorstel kan worden ingestemd.
13. De keuzes om voor handelingen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen de opname onder respectievelijk de Vlaamse en de provinciale projecten in achtereenvolgens bijlage 1, tweede lid, 19°, en bijlage 2, tweede lid, 5°, te verbinden aan, enerzijds, "een totale brutovloeroppervlakte, met uitsluiting van de brutovloeroppervlakte met de functies wonen en industrie en ambacht, van minstens 50.000 m2, gelegen buiten gemeenten met meer dan 200.000 inwoners", en, anderzijds, "een totale brutovloeroppervlakte van het deel met de functie handel van minstens 15.000 m2, gelegen buiten de dertien centrumsteden", worden het best nader verantwoord in het verslag aan de Vlaamse Regering.
Bijlage 2
14. De gemachtigde is het ermee eens dat in het tweede lid, 2°, naar het voorbeeld van bijlage 1, tweede lid, 5°, het best wordt geschreven "natte en droge infrastructuur met openbaar karakter" in de plaats van "waterinfrastructuur".
15. In het tweede lid, 5°, dienen "de dertien centrumsteden" die van de toepassing van die bepaling worden uitgesloten nader te worden bepaald, bijvoorbeeld door een verwijzing naar een bepaling in een andere regeling waarbij die centrumsteden worden omschreven.


(1) Zie in dat verband artikel 49 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 `tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten'.

(... - ...)

De Vlaamse Regering,
Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 2, eerste lid, 9° en 11° en artikel 397;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 21 mei 2014;
Gelet op het advies van de SARO, gegeven op 24 september 2014;
Gelet op het advies van de Minaraad, gegeven op 25 september 2014;
Gelet op het advies van de SALV, gegeven op 26 september 2014;
Gelet op het advies van de MORA, gegeven op 26 september 2014;
Gelet op het advies van de SERV, gegeven op 29 september 2014;
Gelet op advies nr. 56.947/1 van de Raad van State, gegeven op 6 februari 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;
Na beraadslaging,
Besluit : 

Artikel 1. (14/03/2015- ...)

De Vlaamse projecten, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden aangewezen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 2. (14/03/2015- ...)

De provinciale projecten, vermeld in artikel 2, eerste lid, 9°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden aangewezen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 3. (14/03/2015- ...)

Artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning treedt in werking tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 4. (14/03/2015- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (04/05/2018- 31/07/2018)

Vlaamse projecten als vermeld in artikel 1


In deze bijlage wordt verstaan onder aanvragen:
1° de aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen met inbegrip van de voor het functioneren noodzakelijke aanhorigheden en de eventueel met het project inherent verbonden natuur- en waterbergingscompensaties en landschappelijke integratiemaatregelen;
2° de aanvragen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

De Vlaamse Regering is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over aanvragen die minstens een van de volgende punten omvatten:
1° aanvragen door of in opdracht van de wegbeheerder met betrekking tot autosnelwegen en gewestwegen, met uitzondering van aanvragen die louter strekken tot het vellen van bomen langs die wegen;
2° aanvragen met betrekking tot de volgende spoorwegen:
a) openbare spoorwegen voor het personen- en goederenvervoer met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
b) tramlijnen, metrolijnen en andere geleide openbaarvervoerssystemen met inbegrip van de perrons, de stelplaatsen en de stations;
3° aanvragen met betrekking tot luchthavens met een start- of landingsbaan van 800 meter of meer, ingediend door de luchthavenuitbater of door met de luchthavenuitbater verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het wetboek van vennootschappen, door luchthavenontwikkelingsmaatschappijen, door Belgocontrol of door het Directoraat-generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
4° aanvragen met betrekking tot het beheer of de veiligheid van het luchtverkeer, zoals radar- en surveillanceinstallaties, controletorens, satelliet- en navigatieapparatuur en meteorologische installaties;
5° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) waterwegen en onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie;
b) overstromingsgebieden langs die waterwegen of waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterwegen of waterlopen;
6° aanvragen met betrekking tot de natte infrastructuur met openbaar karakter binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
7° aanvragen die betrekking hebben op de maatregelen voor de versterking van de zeewering zoals opgenomen in het Masterplan Kustveiligheid;
8° aanvragen die betrekking hebben op monostortplaatsen voor baggerspecie en/of ruimingsspecie met een minimale capaciteit van 100.000 m®;
9° aanvragen met betrekking tot kerncentrales en installaties voor de berging en verwerking van splijtstoffen;
10° aanvragen met betrekking tot de volgende installaties voor de productie van elektriciteit:
a) installaties met een vermogen van meer dan 1.000 MW, die aantakken op het openbare elektriciteitsnet;
b) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
c) installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie vanaf vijf windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van 1.500 kW of meer, buiten de gebieden vermeld in punt b;
11° aanvragen met betrekking tot het transmissienet en het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit;
12° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen uit de ondergrond;
13° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen van potentiële opslagcomplexen voor koolstofdioxide en met betrekking tot het geologisch opslaan van koolstofdioxide;
14° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opsporen en winnen van aardwarmte vanaf een diepte van 500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt (Tweede Algemene Waterpassing);
15° aanvragen met betrekking tot installaties voor waterwinning voor de openbare watervoorziening en het transport van water naar het openbaar distributienet;
16° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor het afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater in functie van de bovengemeentelijke saneringsopdracht, met uitzondering van de waterzuivering;
17° aanvragen met betrekking tot infrastructuur voor het vervoer via pijpleiding van vloeibare stoffen en gassen naar het openbare distributienet, met uitzondering van leidingen voor hemelwater, oppervlaktewater, afvalwater en water;
18° aanvragen met betrekking tot afvalverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minstens 50.000 ton/jaar;
19° aanvragen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen met een totale nuttige vloeroppervlakte, met uitsluiting van de nuttige vloeroppervlakte met de functies wonen, landbouw in de ruime zin en industrie en bedrijvigheid, van minstens 50.000 m², gelegen buiten gemeenten met meer dan 200.000 inwoners;
20° aanvragen met betrekking tot golfterreinen van 18 holes of meer;
21° aanvragen met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor al dan niet draadloze communicatienetwerken voor radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, die als een bovenlokaal netwerk functioneren;
22° ...
23° aanvragen ingediend door de militaire overheid.

BIJLAGE (04/05/2018- 31/07/2018)

Provinciale projecten als vermeld in artikel 2
In deze bijlage wordt verstaan onder aanvragen:
1° de aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen met inbegrip van de voor het functioneren noodzakelijke aanhorigheden en de eventueel met het project inherent verbonden natuur- en waterbergingscompensaties en landschappelijke integratiemaatregelen;
2° de aanvragen voor het exploiteren van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

De deputatie is bevoegd om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over aanvragen van projecten die minstens een van de volgende punten omvatten, voor zover het project noch een Vlaams project, noch een onderdeel van een Vlaams project is :
1° aanvragen met betrekking tot fietspaden die functioneren binnen een bovenlokaal fietsnetwerk, voor zover ze niet gelegen zijn langs een weg of waterweg;
2° aanvragen met betrekking tot de natte en droge infrastructuur met openbaar karakter van:
a) onbevaarbare waterlopen van de tweede of de derde categorie;
b) overstromingsgebieden langs die waterlopen of aangelegd door de beheerders van die waterlopen;
3° aanvragen met betrekking tot:
a) recreatieve terreinen, beheerd door gewest of provincie;
b) permanente omlopen voor motorvoertuigen of motorvaartuigen;
c) golfterreinen met meer dan 8 holes en minder dan 18 holes;
4° aanvragen met betrekking tot ontginningsgebieden;
5° aanvragen met betrekking tot gebouwen of gebouwencomplexen met een totale nuttige vloeroppervlakte van het deel met de functie handel van minstens 15.000 m², gelegen buiten de gemeenten Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
6° aanvragen met betrekking tot installaties voor het opwekken van elektriciteit door windenergie tot en met vier windturbines per aanvraag, met een vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW, buiten de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan;
7° ....