Ministerieel besluit tot vaststelling van de inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed

Datum 17/07/2015

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed,

Gelet op het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 4.1.1 en 4.1.2;

Gelet op het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, artikel 4.1.5;

Gelet op de mededeling aan de Vlaamse Regering van 17 juli 2015;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 5 mei 2015;

Gelet op advies 57.676/1 van de Raad van State, gegeven op 8 juli 2015 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,

Besluit :

Enig artikel. (13/08/2015- ...)

De inventarismethodologie, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt als inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed vastgesteld.

BIJLAGE (07/04/2023- ...)

Bijlage. Inventarismethodologie voor de inventaris bouwkundig erfgoed.

Deze inventarismethodologie geeft uitvoering aan artikel 4.1.5 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Artikel 4.1.6 van dit zelfde besluit bepaalt bovendien dat de vaststelling van een inventaris van onroerend erfgoed alleen kan nadat de minister, na mededeling aan de Vlaamse Regering, een inventarismethodologie heeft vastgesteld.

Om te kunnen worden vastgesteld is de volgende informatie noodzakelijk (Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 4.1.6):
1° een plan waarop het onroerend goed nauwkeurig wordt aangeduid;
2° de benaming van het geïnventariseerde onroerend goed;
3° een beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken
4° de erfgoedwaarden. 

Een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen kan opgenomen worden in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, de vastgestelde landschapsatlas en de vastgestelde inventaris van landschappelijk erfgoed als het een of meer erfgoedwaarden bezit en voldoende goed bewaard is (Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, artikel 4.1.1).

Deze inventarisatiemethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed bevat:
1. een korte beschrijving van de inventaris;
2. de wijze van beschrijving van de erfgoedwaarden;
3. het afwegingskader dat gehanteerd wordt om het onroerend erfgoed te waarderen:
a. de erfgoedwaarden;
b. de selectiecriteria;
c. de bewaringstoestand.

1. Een korte beschrijving van de inventaris

De inventaris van bouwkundig erfgoed bevat een selectie van het gebouwde patrimonium in Vlaanderen. De term "bouwkundig erfgoed" wordt gehanteerd in de meest ruime zin van het woord: elk type van gebouw of gebouwengroepen, complexen, met bijhorende interieurs en (onroerende) interieurelementen. Naast de grote, monumentale gebouwen gaat er ook aandacht naar de meer bescheiden architectuur zoals woonhuizen, kapellen, ijskelders of duifhuizen. Ook erfgoedtypes zoals begraafplaatsen, infrastructuur, industrieel erfgoed, sociale huisvesting, monumentale beeldhouwwerken en straatmeubilair behoren tot het bouwkundig erfgoed. 

Het bouwkundig erfgoed wordt in context geplaatst en er is aandacht voor ensembles. Er is geen tijdslimiet waardoor ook jonge architectuur in aanmerking komt voor opname in de inventaris. Door nieuwe inzichten of door bijkomend onderzoek en doordat het erfgoed zelf ook evolueert, is de inventaris nooit volledig of afgerond, maar is ze continu in evolutie en wordt ze geactualiseerd en aangevuld.

2. De wijze van beschrijving van de erfgoedwaarden

Bij het onderzoek voor opname van een onroerend goed in een inventaris wordt informatie op basis van verschillende soorten bronnen verzameld en kritisch getoetst. Het onderzoek heeft tot doel voldoende kennis te vergaren om de erfgoedwaarde van het onroerend goed te kunnen duiden en motiveren. Waarom heeft iets bijvoorbeeld historische waarde? Of in welke kenmerken zie je de ruimtelijk-structurerende waarde terug? Voor elk onroerend goed wordt een beschrijving gegeven op basis van de erfgoedkenmerken. Dat zijn: type erfgoed, stijl, cultuur, datering, materiaal, biologische soort, thema of ander kenmerk. Besteed ook aandacht aan het ontstaan, de evolutie en de actuele toestand van het onroerend goed: wanneer kwam het tot stand, welke ontwikkelingen maakte het door, en hoe is de toestand nu?

Bij het onderzoek kunnen de volgende bronnen geraadpleegd worden:
• Het onroerend goed zélf als bron: Het onroerend goed wordt altijd op het terrein onderzocht, geëvalueerd en geregistreerd. Op die manier wordt nagegaan hoe de situatie op het terrein is en wat de actuele stand van zaken is van het onroerend goed en zijn omgeving. Bijkomend kan natuurwetenschappelijk onderzoek informatie opleveren over de evolutie van het onroerend goed, over dateringen, over de herkomst van materialen enzovoort.
• Cartografische bronnen: Daarbij worden zowel historische kaarten als actuele thematische kaarten geraadpleegd.
• Inventarissen en databanken van zowel het agentschap zélf als van andere overheidsdiensten, wetenschappelijke instellingen of erfgoedverenigingen worden geraadpleegd om informatie te krijgen over het onroerend goed. 
• Geschreven bronnen: Diverse archieven kunnen worden geraadpleegd om geschreven bronnen en dossiers over het onroerend goed te verzamelen.
• Iconografische bronnen, zoals afbeeldingen, foto’s en postkaarten, geven een beeld van hoe het onroerend goed er (mogelijk) heeft uitgezien. 
• Literatuur is een belangrijke bron van informatie over het onroerend goed. Het gaat daarbij om informatie uit boeken, artikels in tijdschriften, de pers enzovoort, die zowel in druk als steeds vaker digitaal (online) te vinden is.
• Mondelinge bronnen: Vaak zijn bewoners, eigenaars en gebruikers van het onroerend goed een bron van informatie. Daarnaast kunnen diverse experten worden geraadpleegd om meer informatie te verkrijgen. Het kan bijvoorbeeld gaan om personen die het onroerend goed bijzonder goed kennen of die een specifieke expertise hebben op het vlak van een bepaald aspect van het element of gebied, zoals type, stijl, tijdsperiode, oeuvre, materiaal en ontstaan.

3. Het afwegingskader dat gehanteerd wordt om het onroerend goed te waarderen

Om een gedegen afweging te maken of een onroerend goed kan worden opgenomen in de inventaris, wordt rekening gehouden met de erfgoedwaarden, de selectiecriteria en de bewaringstoestand. 

Die waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. De totale beoordeling vormt het uitgangspunt voor de evaluatie. Voor de opname in de inventaris wordt rekening gehouden met de geografische of de thematische context. Bij deze beoordeling wordt steeds een relevantie voor Vlaanderen voor ogen gehouden. 

a. De erfgoedwaarden

Zoals gedefinieerd in het Onroerenderfgoeddecreet (hoofdstuk 2, artikel 2.1, 26°) zijn de erfgoedwaarden de volgende: “de archeologische, architecturale, artistieke, culturele, esthetische, historische, industrieel-archeologische, technische waarde, ruimtelijk-structurerende, sociale, stedenbouwkundige, volkskundige of wetenschappelijke waarde waaraan onroerende goederen en cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken hun huidige of toekomstige maatschappelijke betekenis ontlenen”. 

Een onroerend goed moet minstens één van deze erfgoedwaarden bezitten om opgenomen te worden in de inventaris. Vaak gaat het echter om een combinatie van verschillende erfgoedwaarden die elkaar aanvullen. Op basis van het hierboven beschreven onderzoek wordt nagegaan aan welke erfgoedwaarde(n) het onroerend goed voldoet. 
• Archeologische waarde 
Een onroerend goed heeft archeologische waarde als het betekenisvol kan bijdragen tot de reconstructie van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de omgeving door de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of sporen van de mens en zijn omgeving te behouden of ze met archeologische en natuurwetenschappelijke methoden te onderzoeken.
• Architecturale waarde 
Een onroerend goed heeft architecturale waarde als het getuigt van een fase of aspect van de geschiedenis van de bouwkunst of de tuin- of de landschapsarchitectuur.
• Artistieke waarde
Een onroerend goed heeft artistieke waarde als het getuigt van een kunstzinnig streven van de maker of de ontwerper in het verleden. 
• Culturele waarde
Een onroerend goed heeft culturele waarde als het getuigt van opvattingen, normen, waarden, gebruiken, gewoonten en tradities in een bepaalde periode, regio of gemeenschap.
• Esthetische waarde
Een onroerend goed heeft esthetische waarde als het de waarnemer zintuiglijke schoonheid laat ervaren.
• Historische waarde
Een onroerend goed heeft historische waarde als het getuigt van gebeurtenissen en ontwikkelingen uit het verleden van de mens, van figuren of instellingen die de geschiedenis mee bepaalden of van historisch landgebruik.
• Industrieel-archeologische waarde
Een onroerend goed heeft industrieel-archeologische waarde als het getuigt van ambachtelijke, proto-industriële of industriële activiteiten uit het verleden.
• Technische waarde
Een onroerend goed heeft technische waarde als het getuigt van de toepassing van cultuurtechniek of technieken of materialen in het verleden. 
• Ruimtelijk-structurerende waarde
Een onroerende goed heeft ruimtelijk-structurerende waarde als het de ruimte structureert, ordent, indeelt, afbakent of de blik van de waarnemer leidt. 
• Sociale waarde
Een onroerend goed heeft sociale waarde als getuigt van een sociaal gebruik uit het verleden of als het op een bepaald moment in zijn bestaan gemeenschapsvormend heeft gewerkt.
• Stedenbouwkundige waarde
Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde als het getuigt van de inrichting van de bebouwde ruimte in het verleden. 
• Volkskundige waarde
Een onroerend goed heeft volkskundige waarde als het getuigt van gebruiken en gewoonten, voorstellingen en tradities van een specifieke bevolkingsgroep of gemeenschap in het verleden.
• Wetenschappelijke waarde
Een onroerend goed heeft wetenschappelijke waarde als het kan bijdragen tot of heeft bijgedragen aan kennis of als het een typevoorbeeld is.

b. De selectiecriteria

De selectiecriteria worden bijkomend gebruikt om te wegen of een onroerend goed al dan niet wordt opgenomen in de inventaris. Een onroerend goed kan geselecteerd worden voor opname als het aan verschillende criteria tegemoetkomt, maar het kan ook in aanmerking komen voor opname als het in hoge mate aan slechts één criterium tegemoetkomt. Naast de hieronder opgesomde criteria kunnen steeds bijkomende criteria gebruikt worden bij het onderzoek, naargelang die voor een bepaalde context of bepaald type erfgoed relevant zijn.
• Het selectiecriterium zeldzaamheid geeft aan in hoeverre het onroerend goed uitzonderlijk voorkomt in relatie met de geografische context, de historische context, het type of het oeuvre.
• Het selectiecriterium representativiteit geeft aan in hoeverre het onroerend goed typerend is voor een geografische of historische context of een welbepaald type of een bepaald oeuvre.
• Het selectiecriterium herkenbaarheid geeft aan in hoeverre het onroerend goed een goed leesbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie, uitzicht of vormgeving, of van een belangrijke fase in de latere ontwikkeling daarvan.
• Het selectiecriterium context (contextwaarde) geeft aan in hoeverre tussen het onroerend goed en zijn directe of ruimere omgeving een sterke visuele of inhoudelijke relatie is.
• Het selectiecriterium ensemble (ensemblewaarde) geeft aan in hoeverre het onroerend goed een sterke samenhang vertoont tussen de verschillende elementen.

c. De bewaringstoestand

Een onroerend goed moet voldoende goed bewaard zijn voor de opname in de inventaris. 


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 18/07/2024