Besluit van de Vlaamse Regering houdende de maatregelen in het kader van de handhaving van de voorwaarden voor gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters (citeeropschrift: "Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015")

Datum 11/12/2015

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
  2. Hoofdstuk 2 Hoorrecht
  3. Hoofdstuk 3 Bestuurlijke maatregelen
    1. Afdeling 1 Beslissing tot wijziging van de vergunning
    2. Afdeling 2 Beslissing tot schorsing van de vergunning
    3. Afdeling 3 Beslissing tot opheffing van de vergunning
    4. Afdeling 4 Beslissing tot terugvordering van de subsidie
    5. Afdeling 5 Beslissing tot vermindering van de subsidie
    6. Afdeling 6 Beslissing tot schorsing van de subsidie
    7. Afdeling 7 Beslissing tot stopzetting van de subsidie
  4. Hoofdstuk 4 Bestuurlijke geldboeten
  5. Hoofdstuk 5 Gegevens op de documenten van [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 381, I: 18 april 2019)]
  6. Hoofdstuk 6 Kennisgeving door [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 384, I: 18 april 2019)]
  7. Hoofdstuk 7 Bezwaar tegen de beslissing van [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 388, I: 18 april 2019)]
  8. Hoofdstuk 8 Wijzigingsbepalingen
  9. Hoofdstuk 9 Slotbepaling

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 9, tweede lid, gewijzigd bij de decreten van 20 april 2012 en 29 juni 2012;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 8, § 2;

Gelet op het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, artikel 15, tweede lid, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012;

Gelet op het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle van het Rekenhof, artikel 57;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 6, § 5, artikel 7, tweede lid, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 18, derde lid, artikel 19, vierde lid, artikel 20, tweede lid, artikel 22, zesde lid, en artikel 23, tweede lid;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 juli 2015;

Gelet op advies58.274/3 van de Raad van State, gegeven op 24 november 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. (18/04/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien Regie;
1°/1 contracthouder : de persoon uit het gezin waarmee de organisator een schriftelijke overeenkomst voor kinderopvang heeft;
2° decreet van 20 april 2012 : het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
3° inbreuk : het niet-naleven van een voorwaarde als vermeld in het decreet van 20 april 2012 of de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° subsidievoorwaarde : een voorwaarde als vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
5° vergunningsvoorwaarde : een voorwaarde als vermeld in het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.

Artikel 2. (13/02/2016- ...)

 Dit besluit wordt aangehaald als : Handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015.

Hoofdstuk 2 Hoorrecht

Artikel 3. (18/04/2019- ...)

Het agentschap zal, vóór het nemen van een beslissing tot bestuurlijke maatregel of tot bestuurlijke geldboete, de organisator op de hoogte brengen van het voornemen om die beslissing te nemen zodat de organisator hierop kan reageren en zijn hoorrecht, mondeling of schriftelijk, kan uitoefenen.

In geval van dringende noodzakelijkheid kan het agentschap, rekening houdend met de omstandigheden, beslissen om geen voornemen te bezorgen aan de organisator.

Hoofdstuk 3 Bestuurlijke maatregelen

Afdeling 1 Beslissing tot wijziging van de vergunning

Artikel 4. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan beslissen om de vergunning te wijzigen, dit is de wijziging naar een lager aantal vergunde kinderopvangplaatsen, als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden weggewerkt kan worden door het aantal kinderopvangplaatsen te verminderen.

Afdeling 2 Beslissing tot schorsing van de vergunning

Artikel 5. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de vergunning te schorsen :
1° als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden op korte termijn weggewerkt kan worden;
2° uit voorzorg, als er ernstige indicaties zijn dat er een inbreuk is op de vergunningsvoorwaarden en dat daardoor de veiligheid en gezondheid van de kinderen in het gedrang komen;
3° als de organisator het toezicht op de vergunningsvoorwaarden verhindert.

Afdeling 3 Beslissing tot opheffing van de vergunning

Artikel 6. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de vergunning op te heffen :
1° als een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden niet op korte termijn weggewerkt kan worden;
2° als een inbreuk die aan de basis van een schorsing lag, niet weggewerkt is binnen de termijn die bepaald is in de beslissing tot schorsing van de vergunning;
3° als de organisator op basis van onjuiste gegevens een vergunning verkregen heeft.

Afdeling 4 Beslissing tot terugvordering van de subsidie

Artikel 7. (01/01/2020- ...)

Het agentschap beslist tot terugvordering van de subsidie overeenkomstig artikel 75 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, en artikel 76 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019.

Afdeling 5 Beslissing tot vermindering van de subsidie

Artikel 8. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan beslissen om de subsidie te verminderen, dit is de vermindering, op de subsidiebeslissing, naar een lager aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen, in de volgende gevallen :
1° als een inbreuk op de subsidievoorwaarden weggewerkt kan worden door het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen te verminderen;
2° als het agentschap beslist om de vergunning te wijzigen of op te heffen, en dat tot gevolg heeft dat het aantal vergunde kinderopvangplaatsen lager wordt dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen;
3° als de organisator gebruikmaakt van onjuiste gegevens met betrekking tot de subsidievoorwaarden.

Afdeling 6 Beslissing tot schorsing van de subsidie

Artikel 9. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de subsidie te schorsen :
1° als een inbreuk op de subsidievoorwaarden op korte termijn weggewerkt kan worden;
2° uit voorzorg, als er ernstige indicaties zijn dat er een inbreuk is op de subsidievoorwaarden;
3° als het agentschap beslist om de enige vergunning die er is binnen een subsidiegroep, te schorsen;
4° als de organisator het toezicht op de subsidievoorwaarden verhindert;
5° als de organisator gebruikmaakt van onjuiste gegevens met betrekking tot de subsidievoorwaarden.

Afdeling 7 Beslissing tot stopzetting van de subsidie

Artikel 10. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de subsidie stop te zetten :
1° als een inbreuk op de subsidievoorwaarden niet op korte termijn weggewerkt kan worden;
2° als een inbreuk die aan de basis van de schorsing van de subsidie lag, niet weggewerkt is binnen de termijn waarin de inbreuk weggewerkt moet zijn;
3° als het agentschap beslist om de enige vergunning die er is binnen een subsidiegroep te schorsen of op te heffen;
4° als na een beslissing tot terugvordering van de subsidie de organisator niet voldoende garanties kan geven dat de subsidievoorwaarden nageleefd zullen worden;
5° als de organisator de contracthouder aangezet heeft om onjuiste gegevens door te geven op basis waarvan de organisator hogere subsidies heeft ontvangen.

Hoofdstuk 4 Bestuurlijke geldboeten

Artikel 11. (18/04/2019- ...)

Het agentschap kan beslissen om een bestuurlijke geldboete op te leggen voor een van de volgende bedragen :
1° als de organisator het toezicht verhindert of kinderopvang organiseert zonder vergunning : een bedrag tussen 1000 euro en 100.000 euro;
2° als de organisator een andere inbreuk dan de inbreuk, vermeld in punt 1°, pleegt : een bedrag tussen 250 euro en 100.000 euro.

Als er sprake is van herhaling uit hoofde van de organisator, kan het agentschap beslissen om een geldboete op te leggen voor een van de volgende bedragen :
1° als de organisator het toezicht verhindert of kinderopvang organiseert zonder vergunning : een bedrag tussen 2000 en 100.000 euro;
2° als de organisator een andere inbreuk dan de inbreuk, vermeld in punt 1°, pleegt : een bedrag tussen 500 euro en 100.000 euro.

In het derde lid wordt verstaan onder herhaling : de situatie waarbij aan dezelfde organisator binnen drie jaar voorafgaand aan een nieuwe inbreuk al een bestuurlijke geldboete is opgelegd voor dezelfde of een andere inbreuk waarbij tegen die beslissing geen bezwaar of beroep meer aangetekend kan worden.

Artikel 12. (18/04/2019- ...)

Om het concrete bedrag van de bestuurlijke geldboete te bepalen, houdt het agentschap rekening met de volgende criteria :
1° de ernst van de feiten;
2° de concrete omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd en beëindigd;
3° de systematiek van de feiten;
4° de link met het aantal vergunde of gesubsidieerde kinderopvangplaatsen;
5° de hoogte van de totale aan de betrokken organisator toegekende subsidie voor kinderopvang, toegekend door het agentschap.

Artikel 13. (13/02/2016- ...)

Het budget dat voortkomt uit de bestuurlijke geldboeten, wordt besteed aan de ondersteuning van de organisatoren op het vlak van kwaliteitsbevordering in de kinderopvang onder meer aan de organisatie van opleidingen, communicatie en sensibiliseringscampagnes.

Hoofdstuk 5 Gegevens op de documenten van [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 381, I: 18 april 2019)]

Artikel 14. (18/04/2019- ...)

De aanmaning en de beslissing van het agentschap om een bestuurlijke maatregel of een bestuurlijke geldboete op te leggen, bevatten minstens de volgende gegevens :
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° als dat relevant is, de naam, het adres en het dossiernummer van de kinderopvanglocatie;
3° als dat relevant is, de subsidiegroep;
4° de feiten en de inbreuken;
5° de datum en een handtekening vanwege het agentschap.

Artikel 15. (18/04/2019- ...)

De aanmaning bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 14, minstens :
1° in voorkomend geval, de termijn waarin het agentschap vraagt om de inbreuk weg te werken. De termijn voor een inbreuk betreffende het kwaliteitshandboek is maximaal 24 maanden;
2° in voorkomend geval, de specifieke voorwaarden die het agentschap vraagt te vervullen;
3° in voorkomend geval, de vraag van het agentschap om een plan van aanpak te bezorgen;
4° in voorkomend geval, de wijze waarop en de termijn waarin het agentschap vraagt om de aanmaning kenbaar te maken aan de contracthouders;
5° de vermelding dat de organisator verantwoordelijk is voor de opvolging van de aanmaning en voor het wegwerken van de inbreuk, en alle nodige stukken waaruit blijkt dat hij de inbreuk heeft weggewerkt, ter beschikking houdt van Zorginspectie of van het agentschap;
6° de gevolgen van een blijvende inbreuk.

Artikel 16. (18/04/2019- ...)

De beslissing om een bestuurlijke maatregel op te leggen, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 14, minstens :
1° de bestuurlijke maatregel die opgelegd wordt;
2° de reactie van de organisator na het uitoefenen van zijn hoorrecht;
3° als het een beslissing tot schorsing betreft, de termijn waarin de inbreuk weggewerkt moet zijn en de vermelding dat de schorsing loopt tot het agentschap bevestigt dat de organisator heeft aangetoond dat hij weer voldoet aan de bepalingen;
4° de gevolgen van de bestuurlijke maatregel;
5° de datum waarop de bestuurlijke maatregel ingaat;
6° in voorkomend geval, de wijze waarop en de termijn waarin de organisator de beslissing kenbaar moet maken aan de contracthouders;
7° de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
8° in voorkomend geval, de motivering van de dringende noodzakelijkheid, vermeld in artikel 26;
9° als het een beslissing tot terugvordering betreft, de vermelding dat :
a) na een herinnering tot betaling, en nadat de bezwaartermijn is verstreken de subsidie bij dwangbevel ingevorderd wordt door de Centrale Invorderingscel overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren;
b) die maatregel op kosten van de organisator uitgevoerd wordt overeenkomstig artikel 1024 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 17. (13/02/2016- ...)

De beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 14, minstens :
1° het bedrag van de bestuurlijke geldboete die opgelegd wordt;
2° de termijn waarin de bestuurlijke geldboete betaald moet worden;
3° de wijze waarop de bestuurlijke geldboete betaald moet worden;
4° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren;
5° de vermelding dat :
a) na een herinnering tot betaling, en nadat de beroepstermijn is verstreken de bestuurlijke geldboete bij dwangbevel ingevorderd wordt door de Centrale Invorderingscel overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren;
b) die maatregel op kosten van de organisator uitgevoerd wordt overeenkomstig artikel 1024 Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 6 Kennisgeving door [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 384, I: 18 april 2019)]

Artikel 18. (18/04/2019- ...)

Het agentschap  bezorgt de aanmaning, het voornemen en de beslissing om een bestuurlijke maatregel of een bestuurlijke geldboete op te leggen, zo spoedig mogelijk, elektronisch en met een aangetekende brief aan de organisator.

In afwijking van het eerste lid, kan het agentschap in geval van dringende noodzakelijkheid het voornemen mondeling meedelen aan de organisator zodat de organisator de kans heeft om hierop mondeling te reageren. Daarna bezorgt het agentschap een schriftelijke versie van het voornemen en de reactie van de organisator elektronisch en met een aangetekende brief aan de organisator.

Artikel 19. (18/04/2019- ...)

Het agentschap licht de betrokken contracthouders, als dat mogelijk is, en de burgemeester in over de volgende beslissingen :
1° de schorsing van de vergunning;
2° de opheffing van de vergunning;
3° de sluiting van een kinderopvanglocatie;
4° de stopzetting van de subsidie.

Artikel 20. (18/04/2019- ...)

Ter informatie van mogelijk betrokken gezinnen of instanties vermeldt het agentschap op zijn website gedurende maximaal zes maanden na de beslissing dat een vergunning opgeheven werd, een kinderopvanglocatie moet sluiten of een subsidie stopgezet wordt. Hierbij vermeldt het agentschap volgende gegevens :
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie;
3° de soort subsidie die stopgezet werd.

Hoofdstuk 7 Bezwaar tegen de beslissing van [het agentschap (verv. BVR 12 maart 2021, art. 388, I: 18 april 2019)]

Artikel 21. (18/04/2019- ...)

De organisator kan uiterlijk dertig kalenderdagen na de kennisgeving tegen de beslissing om een bestuurlijke maatregel op te leggen, bij het agentschap bezwaar aantekenen met een aangetekende brief.

De termijn van dertig kalenderdagen gaat in vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop het agentschap de beslissing met een aangetekende brief aan de postdiensten overhandigd heeft, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

De aangetekende brief bevat minstens de volgende gegevens :
1° de gegevens, vermeld in artikel 14;
2° de motivering van het bezwaar;
3° de vermelding of de organisator gehoord wil worden;
4° de datum en een handtekening vanwege de organisator.

Artikel 22. (18/04/2019- ...)

Het agentschap stuurt een elektronische ontvangstmelding en beslist over de ontvankelijkheid van het bezwaar uiterlijk tien kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het bezwaar.

Artikel 23. (18/04/2019- ...)

Het bezwaar is ontvankelijk als het bezwaar aan de volgende voorwaarden voldoet. Het bezwaar :
1° is tijdig en aangetekend aan het agentschap bezorgd;
2° bevat de nodige gegevens, vermeld in artikel 21, derde lid.

Artikel 24. (18/04/2019- ...)

Als het agentschap geen beslissing heeft genomen of de organisator daarvan niet op de hoogte heeft gebracht binnen de termijn die van toepassing is, wordt het bezwaar geacht ontvankelijk te zijn, op voorwaarde dat de organisator een ontvangstmelding van het agentschap heeft ontvangen.

Artikel 25. (13/02/2016- ...)

Het bezwaar wordt ten gronde behandeld volgens de regels die zijn vastgelegd in of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.

Artikel 26. (13/02/2016- ...)

Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing, tenzij de beslissing bij dringende noodzakelijkheid genomen werd, zoals vermeld in artikel 18, tweede lid van het decreet van 20 april 2012.

Artikel 27. (18/04/2019- ...)

Een organisator kan tegen beslissingen van het agentschap die genomen werden voor de inwerkingtreding van dit besluit, nog bezwaar aantekenen zolang de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 21, niet verstreken is.

Hoofdstuk 8 Wijzigingsbepalingen

Artikel 28. (13/02/2016- ...)

Artikel 5 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013 wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 5. De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle kinderopvang te organiseren. Dat blijkt onder meer uit het document, vermeld in artikel 49, § 2.".

Artikel 29. (13/02/2016- ...)

Aan artikel 49, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 wordt de zin "De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle kinderopvang te organiseren." toegevoegd.

Artikel 30. (13/02/2016- ...)

Aan titel 1 van het Subsidiebesluit wordt een hoofdstuk 6, dat bestaat uit een artikel 10/1, toegevoegd dat luidt als volgt :

Hoofdstuk 6 Integriteit en geschiktheid

Art. 10/1. De organisator heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, met subsidies om te gaan en de daarbij horende specifieke dienstverlening en subsidievoorwaarden na te leven.".

Hoofdstuk 9 Slotbepaling

Artikel 31. (13/02/2016- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.