Ministerieel besluit inzake de vastlegging van referentierendementen voor de toepassing van de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties

Datum 26/05/2016

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Thermisch referentierendement voor een warmte-krachtinstallatie die haar warmte afstaat onder de vorm van stoom
  2. HOOFDSTUK 2. Elektrische referentierendementen voor een warmte-krachtinstallatie
  3. HOOFDSTUK 3. Referentierendementen voor de toepassing van de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties in uitvoering van artikel 6.2.3, eerste lid
  4. HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie,
Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 7.1.2 en artikel 7.1.3, laatst gewijzigd bij decreet van 14 maart 2014;
Gelet op het Energiebesluit van 19 november 2010, artikel 6.2.3, eerste lid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 en artikel 6.2.10, § 7 tot en met § 9, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014;
Gelet op het ministerieel besluit van 1 juni 2012 inzake de vastlegging van referentierendementen voor toepassing van de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties;
Gelet op het advies van het Vlaams Energieagentschap van 10 december 2015;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 15 maart 2016;
Gelet op het advies nr. 58.953/3 van de Raad van State, gegeven op 29 februari 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat de Europese Commissie door middel van de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2402 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot herziening van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/877/EU van de Commissie voor de periode vanaf 2016 nieuwe rendementsreferentiewaarden heeft vastgelegd,
Besluit :

HOOFDSTUK 1. Thermisch referentierendement voor een warmte-krachtinstallatie die haar warmte afstaat onder de vorm van stoom

Artikel 1. (27/06/2016- ...)

In afwijking van artikel 6.2.10, § 7 van het Energiebesluit van 19 november 2010, wordt voor installaties met startdatum en datum van indienstneming vanaf 18 juni 2012 het thermisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 90 % in geval van een warmte-krachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van stoom.

HOOFDSTUK 2. Elektrische referentierendementen voor een warmte-krachtinstallatie

Artikel 2. (27/06/2016- ...)

In afwijking van artikel 6.2.10, § 8 van het Energiebesluit van 19 november 2010, wordt voor installaties met startdatum vanaf de inwerkingtreding van dit besluit het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 44,2 % bij de toepassing van vloeibare biomassa, 44,2 % bij de toepassing van synthesegas uit biomassa, 37 % bij de toepassing van hout of houtafval, 25 % bij de toepassing van restafval en 30 % bij de toepassing van andere vaste biomassastromen.

HOOFDSTUK 3. Referentierendementen voor de toepassing van de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties in uitvoering van artikel 6.2.3, eerste lid

Artikel 3. (27/06/2016- ...)

De toe te passen referentierendementen voor gescheiden opwekking van elektriciteit en warmte zijn opgenomen in respectievelijk bijlage I voor gescheiden opwekking van elektriciteit en bijlage II voor gescheiden opwekking van warmte.

Artikel 4. (27/06/2016- ...)

§ 1. De correctiefactoren voor de klimaatomstandigheden opgenomen in bijlage III worden toegepast op de referentierendementen voor gescheiden opwekking van elektriciteit opgenomen in bijlage I.

In afwijking van het eerste lid blijven voor installaties waarbij alle motoren en turbines een constructiejaar tot en met 2015 hebben, de correctiefactoren gelden opgenomen in bijlage V voor de berekening van de factor X volgens artikel 12.3.3 van het Energiebesluit.

§ 2. De correctiefactoren voor vermeden netverliezen opgenomen in bijlage IV worden toegepast op de referentierendementen voor gescheiden opwekking van elektriciteit opgenomen in bijlage I.

In afwijking van het eerste lid blijven voor installaties waarbij alle motoren en turbines een constructiejaar tot en met 2015 hebben, de correctiefactoren gelden opgenomen in bijlage VI voor de berekening van de factor X volgens artikel 12.3.3 van het Energiebesluit.

§ 3. Indien zowel de correctiefactoren opgenomen in bijlage III of V als de correctiefactoren opgenomen in bijlage IV of VI worden toegepast, worden eerst de correctiefactoren van bijlage III of V toegepast en vervolgens de correctiefactoren van bijlage IV of VI.

Artikel 5. (27/06/2016- ...)

De referentierendementen opgenomen in bijlage I worden toegepast overeenkomstig het constructiejaar van de warmte-krachtinstallatie. Deze referentierendementen blijven van toepassing gedurende 10 jaar na de constructie van de warmte-krachtinstallatie.

Vanaf het elfde jaar na de constructie van de warmte-krachtinstallatie gelden de referentierendementen die overeenkomstig het vorige lid gelden voor een installatie met een ouderdom van 10 jaar. Deze referentierendementen gelden gedurende 1 jaar.

Voor toepassing van dit artikel betekent het jaar van constructie het kalenderjaar waarin de eerste elektriciteitsproductie plaatsvindt.

Artikel 6. (27/06/2016- ...)

Als een bestaande warmte-krachtinstallatie wordt gerenoveerd en de renovatiekost bedraagt meer dan 50 % van de investeringskost voor een vergelijkbare nieuwe warmte-krachtinstallatie, of als de installatie ingrijpend wordt gewijzigd, zal het kalenderjaar van de eerste elektriciteitsproductie door de gerenoveerde warmte-krachtinstallatie beschouwd worden als het constructiejaar voor de toepassing van artikel 5.

Artikel 7. (27/06/2016- ...)

Als een warmte-krachtinstallatie gebruik maakt van verschillende brandstoffen gelden de referentierendementen overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de energie-input van de verschillende brandstoffen.

Artikel 8. (27/06/2016- ...)

Het referentierendement voor gescheiden opwekking van mechanische energie wordt gelijkgesteld aan 52 %.

Het referentierendement voor gescheiden opwekking van warmte wordt gelijkgesteld aan 93 % voor een warmte-krachtinstallatie die haar warmte afstaat onder de vorm van hete lucht voor droogtoepassingen op een temperatuur van minder dan 250 ° C, en 85 % voor een warmte-krachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van nog niet vermelde media.

De referentieperformantiecoëfficiënt voor gescheiden productie van koude wordt gelijkgesteld aan 500 %.

HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen

Artikel 9. (27/06/2016- ...)

Het ministerieel besluit van 1 juni 2012 inzake de vastlegging van referentierendementen voor toepassing van de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties wordt opgeheven

Artikel 10. (27/06/2016- ...)

Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 wat betreft diverse bepalingen inzake energie, treedt in werking.

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE I

Geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit

In de onderstaande tabel zijn de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit gebaseerd op de netto calorische waarde en atmosferische standaard ISO-omstandigheden (een omgevingstemperatuur van 15 ° C, een druk van 1,013 bar en een relatieve vochtigheid van 60 %).

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE II

Geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van warmte

In de onderstaande tabel zijn de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van warmte gebaseerd op de netto calorische waarde en atmosferische standaard ISO-omstandigheden (omgevingstemperatuur van 15 ° C, druk 1,013 bar, 60 % relatieve vochtigheid).



(*) Wanneer voor stoominstallaties geen rekening wordt gehouden met het retourcondensaat bij de berekening van het warmterendement van warmtekrachtkoppeling, moeten de in bovenstaande tabel getoonde stoomefficiënties met 5 procentpunten worden verhoogd.
(**) De waarden voor direct gebruik van uitlaatgassen moeten worden gebruikt als de temperatuur 250 ° C of hoger is.

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE III

Correctiefactoren voor de gemiddelde klimatologische omstandigheden en methode voor de afbakening van klimaatzones voor de toepassing van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit

(a) Correctiefactoren in verband met de gemiddelde klimatologische omstandigheden

De correctiefactor voor de omgevingstemperatuur is gebaseerd op het verschil tussen de jaarlijkse gemiddelde temperatuur in een lidstaat en de atmosferische standaard ISO-omstandigheden (15 ° C).

De correctiefactor is als volgt :
0,1 %-punt rendementsverlies voor elke graad boven 15 ° C;
0,1 %-punt rendementswinst voor elke graad onder 15 ° C.

(b) De correctiefactor voor de omgevingstemperatuur is alleen van toepassing op gasvormige brandstoffen (G10, G11, G12, G13).

(c) Methode voor de afbakening van klimaatzones :

De grenzen van elke klimaatzone worden gevormd door isothermen (in volledige graden Celsius) van de jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur die ten minste 4 ° C van elkaar verschillen. Het temperatuurverschil tussen de jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur in aangrenzende klimaatzones bedraagt ten minste 4 ° C.

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE IV

Correctiefactoren voor vermeden netverliezen voor de toepassing van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit
 

Aansluitspannings-niveau Correctiefactor (geleverd aan het net) Correctiefactor (ter plaatse gebruikt)
= 345 kV 1 0,976
= 200 - < 345 kV 0,972 0,963
= 100 - < 200 kV 0,963 0,951
= 50 - < 100 kV 0,952 0,936
= 12 - < 50 kV 0,935 0,914
= 0,45 - < 12 kV 0,918 0,891
< 0,45kV 0,888 0,851

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE V

Correctiefactoren voor de klimaatomstandigheden voor de toepassing van de referentierendementen voor de gescheiden opwekking van elektriciteit

De correctie voor de omgevingstemperatuur is gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde jaartemperatuur en standaard ISO omstandigheden (15 ° C). De correctie gebeurt als volgt :
1° verlaging van het referentierendement met 0,1 % (absolute procentpunten) voor elke graad waarmee de gemiddelde jaartemperatuur 15 ° C overstijgt;
2° verhoging van het referentierendement met 0,1 % (absolute procentpunten) voor elke graad waarmee de gemiddelde jaartemperatuur onder 15 ° C blijft.

BIJLAGE (27/06/2016- ...)

BIJLAGE VI

Correctiefactoren voor vermeden netverliezen voor de toepassing van referentierendementen voor de gescheiden opwekking van elektriciteit
 

Spanning : Voor elektriciteit geleverd aan het net Voor elektriciteit ter plaatse verbruikt
> 200 kV 1 0.985
100-200 kV 0.985 0.965
50-100 kV 0.965 0.945
0.4-50 kV 0.945 0.925
< 0.4 kV 0.925 0.860

De correctie gebeurt door het referentierendement voor gescheiden opwekking van elektriciteit, vermeld in bijlage I, te vermenigvuldigen met de correctiefactor.